De zekerheid des geloofs

door Dr. H. Bavinck

Uitgave van J.H. Kok te Kampen — 1901

a



De eeuwen, welke aan de Revolutie van 1789 voorafgingen, vertoonen in velerlei opzicht eene gansch andere gedaante dan die welke op haar gevolgd is. De omwenteling, welke er door die ontzettende gebeurtenis in het leven en denken der volken plaats greep, was zoo radicaal, dat de continuiteit er doorverbroken werd en wij niet dan met moeite ons verplaatsen kunnen in de gedachtenwereld en den levenskring der vorige geslachten. Eene van de onderscheidingen bestaat daarin, dat het toen de eeuwen waren van het gezag en de objectiviteit, en dat het thans de tijden zijn, waarin het subject voor zijne vrijheden opkomt en op elk terrein zijne rechten doet gelden.

Wel is waar had reeds de Hervorming, door in het geloof haar uitgangspunt te nemen, aan de heel het leven omspannende autoriteit een geweldigen schok toegebracht. Het geloovig subject trad toen reeds op tegen het drukkend gezag der onfeilbare kerk en wierp in koenen moed het knellend juk eener eeuwenoude traditie zich van de schouders. Maar de Christenmensch bleef toch naar het beginsel der Hervorming gebonden aan het Goddelijk Woord, dat in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds tot hem kwam. En het gezag van dat Woord stond aanvankelijk in de Protestantsche kerken zoo onwankelbaar vast, dat twijfel in schier niemands |10| hart opkwam. Er was geloof, er was zekerheid. Aan een onderzoek naar de laatste gronden des geloofs, naar de diepste fundamenten der zekerheid werd geen behoefte gevoeld. Men was vast overtuigd in het bezit der waarheid te zijn, en liet zelfs de vraag naar hare geloofsbrieven niet opkomen. In tijden van opgewekt godsdienstig leven onderzoekt men ook niet twijfelende den grondslag van het gebouw zijner hope. Veeleer spreekt men dan als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerde.

Maar dat alles is na het midden der 18e eeuw allengs gansch anders geworden. Het subject is zichzelf, is zich van zijne ware of vermeende rechten bewust geworden en heeft langzamerhand alle banden verbroken, waarmede het aan het verledene vastlag; in grenzeloozen vrijheidszin heeft het zich geëmancipeerd van al wat vroeger hoog en heilig gehouden werd, en richt thans tot alle gezag, dat erkenning en onderwerping eischt, allereerst de vraag: zeg mij, waarop gij rust? toon mij het recht, waarmede gij gehoorzaamheid vraagt? De critiek is ontwaakt en stelt een onderzoek in naar de gronden van alle gezag. Het naïeve, kinderlijke, eenvoudige geloof is daarmede schier ten eenenmale verdwenen. Twijfelzucht is de zielsziekte onzer eeuw geworden en sleept een reeks van zedelijke jammeren en ellenden mede.

In wijde, breede kringen is er niet anders meer dan een aanmerken van de dingen, die men ziet, eene vergoding van de stof, een dienst van den Mammon, eene verheerlijking van de macht. En hoe gering is tegenover dezen het aantal van hen, wien nog met volkomen zekerheid en blijmoedige geestdrift een vast getuigenis des geloofs van de lippen vloeit! Gansche familiën en geslachten, geheele standen en klassen der maatschappij zijn aan alle gezag ontgroeid en hebben |11| gebroken met alle geloof. En zelfs onder hen die nog den naam van geloovigen dragen, hoeveel opgeschroefdheid en onnatuur; hoeveel geloof uit sleur, uit gemakzucht, uit moedeloosheid; hoeveel ongezonde repristinatie en valsch conservatisme! Er is veel rumoer en beweging, maar weinig echte geestdrift, weinig waarachtige bezieling, eene geringe mate van oprecht, vurig, ongeveinsd geloof!

Nergens treffen we sterker dit verschijnsel aan dan onder de godgeleerden van beroep. Geen twijfelzuchtiger en wankelmoediger geslacht dan zij! Bedenkingen, twijfelingen, critieken genoeg en meer dan genoeg! Maar eenheid van beginsel, vastheid van methode, zekerheid des geloofs, bereidwillige rekenschap van de hope, die in hen is — men zou dit alles bij hen in de eerste plaats verwachten, maar men zoekt het in hun kring in de meeste gevallen tevergeefs. En dit is een verschijnsel, niet aan sommige theologische richtingen eigen, maar onder alle partijen aanwezig, die meeleven met den tijd, aan de machtige worsteling der geesten deelnemen en niet uit gemakzucht in de politiek van den struisvogel behagen scheppen. De vraag naar het recht des geloofs, naar den grond der zekerheid is de alles beheerschende, in de practijk van het leven niet slechts, maar ook in de scholen der wetenschap. Naarmate de leer des geloofs van behandeling van alle mogelijke vragen zich onthoudt en haar materieelen inhoud inkrimpt, naarmate zij op strenge fundamenteering van hare beginselen zich toelegt en uit deze in logische orde al het bijzondere afleidt, is zij innerlijk verzwakt en verdeeld; eene bonte staalkaart van meeningen vertoont zich aan het oog van hem, die zich op haar gebied zoekt te orienteeren.

Toch is het beide voor geloof en voor leven van hoog belang, om van dit terrein nauwkeurig kennis te |12| nemen. Want de vragen, die hier zich voordoen, zijn voor ieder mensch van het hoogste gewicht. Er is toch al geen belangrijker vraag dan die naar de gronden van ons geloof, de zekerheid onzer zaligheid, de vastheid onzer hope op het eeuwige leven. Wat baat ons alle kennis en kracht, alle roem en eer, indien wij op de vraag naar den eenigen troost geen antwoord kunnen geven? Maar tegelijk is daarmede dit terrein omschreven als een heilig gebied, dat niet dan met eerbiedigen schroom betreden mag worden; wij komen er in aanraking met het verborgenste leven der ziel, met de teederste roerselen van het menschelijk hart. Meer dan ergens elders is hier dus eenerzijds een kinderlijke en ootmoedige geest van noode, maar andererzijds een eerlijk en onbevangen gemoed, om zoowel het religieuze leven in zijn innerlijkst wezen te verstaan, als ook om het van alle onwaarheid en dwaling te zuiveren. En wij zullen bij het aanwijzen van den weg, waarlangs de zekerheid des geloofs te verkrijgen is, ongetwijfeld dan alleen de noodige voorzichtigheid en wijsheid betrachten, wanneer wij vooraf ons rekenschap hebben gegeven van wat onder deze zekerheid des geloofs te verstaan zij en hoe zij in verschillende richtingen is gezocht. |13|


I.

De vraag naar de zekerheid des geloofs is niet alleen van wetenschappelijk theologisch, maar ook van practisch religieus belang. Zij gaat den godgeleerde niet slechts aan, maar evenzeer den leek; zij behoort niet alleen in het studeervertrek maar ook in de binnenkamer thuis. Zij is niet bloot eene quaestie van de theorie en de school, maar in eminenten zin ook van de practijk en het leven.

Geen mensch is er toch, hoe slecht en diep gezonken ook, of er komen in zijn leven oogenblikken van ontroerenden ernst. Daar is niemand, die niet bij wijlen aangegrepen wordt door het mysterie des levens, door het geweld des doods, door de vreeze des oordeels, door den schrik des Heeren. Er ligt eene diepe waarheid in het woord van Felix Dahn: „de vreugde voert ons tot de heidensche wereld, maar het leed en de smart voeren ons naar Christus.” Als de roes voorbij is, waarin zoo menigmaal en zoo lang ons leven zich beweegt, als de vreugde verstomt en het geweten ontwaakt, als het mysterie des levens of de smart van het lijden ons overvalt, dan dringt aan ieders bewustzijn de gedachte zich op van dood en graf, van oordeel en eeuwigheid; dan is er niemand die in zijne onverschilligheid |14| volharden of achter het schild der neutraliteit zich verbergen kan. De menschen zijn in dit opzicht beter dan wij soms geneigd zijn te denken; er zijn geen atheïsten, geen menschen zonder hart of geweten. Of liever, God laat zich aan niemand onbetuigd; hetzij in zegeningen, hetzij in gerichten spreekt Hij tot de conscientie van een iegelijk mensch.

Wel is waar zijn er velen, die deze stem trachten te smoren en hun geweten als met een brandijzer toeschroeien. Ook lijdt het geen twijfel dat een groot aantal het in deze rampzalige kunst zeer ver heeft gebracht, en in valsche gerustheid of hooghartige onverschilligheid voortleeft tot op het sterfbed toe. Maar onbetwistbaar zijn ook de bewijzen, welke de geschiedenis ons levert, dat zelfs in den verstoktste der zondaren het menschelijke niet uitgeschud is en dat er diep in de ziel nog altijd een weerklank zich hooren laat van de stem des almachtigen en alomtegenwoordigen Gods. De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.

Van nature derven wij dien vrede allen zonder onderscheid. Niemand is tegenover de beschuldigingen van zijn geweten gerust; niemand is vanzelf verzekerd, dat het hem in het leven en straks bij het sterven wèl zal gaan. De zekerheid des heils is geen erfgoed, en zij wordt geen menschenkind aangeboren. Zij is geene vrucht ook van menschelijke inspanning, noch een loon voor nauwgezette plichtsbetrachting. Vergeefs zoeken wij haar in de schatten der aarde, in de genietingen des levens, in de loftuiting der schare, in den roem der wetenschap, in de lauweren der kunst, in al de dingen die beneden zijn.

Om getroost te leven en zalig te sterven hebben we behoefte aan zekerheid aangaande dingen, die boven, die onzienlijk en eeuwig zijn. Wij moeten weten, wie |15| en wat wij zijn en waar wij henengaan. Wij behoeven er zekerheid van, dat onze persoonlijkheid meer is dan een golf in den oceaan, dat de zedelijke wereldorde hoog boven de natuurorde staat, dat het hoogste en reinste ideaal onzer ziel geen hersenschim maar waarachtige werkelijkheid is. Wij moeten den weg kennen, waarlangs we van de beschuldigingen onzer conscientie en van den last onzer zonden kunnen worden bevrijd; wij hebben noodig te weten, dat God is en dat Hij onze God is, dat wij met Hem zijn verzoend en daarom zonder verschrikking den dood en het oordeel tegemoet kunnen treden. Hierin hebben wij voor en boven alles zekerheid van noode. Dat is de diepste, zij het ook dikwerf onbewuste en onbegrepen behoefte der menschelijke ziel.

En de menschheid heeft er naar gezocht alle eeuwen door, zij het ook op verkeerde wijze en in een verkeerden weg. Want in elken godsdienst, ook den meest verbasterde, gaat het om het hoogste, en heiligste, dat de mensch kent; elke religie wordt geboren uit en wordt gedragen door de zucht tot eeuwig zelfbehoud. De waarde van den godsdienst gaat naar de schatting der geloovigen alle andere zegeningen te boven. De godsdienst wordt door elk oprecht belijder gehouden voor het centrale en het ééne onvoorwaardelijk noodige; het godsdienstige leven is voor hem het leven naar zijn diepsten aard; de godsdienst is de eenige weg, om te verkrijgen wat de mensch voor dit en voor het toekomende leven begeert. Wat men op de verschillende trappen van ontwikkeling als het werkelijkste, het waarachtige, het hoogste leven beschouwt, dat is ook de inhoud en het onderwerp van den godsdienst. In den godsdienst verzekert zich de mensch van zijn onvoorwaardelijk en blijvend bestaan (Dr. W.B. Kristensen, Het verband tusschen godsdienst en de zucht tot zelfbehoud, Leiden 1901 bl, 7, 16, 17). |16|

De wetenschap van den tegenwoordigen tijd heeft dikwerf tegenover deze diepste problemen des levens eene houding aangenomen, die met hun ernst in strijd en haar zelve onwaardig is. Zij vergenoegde er zich menigmaal mede, om ze voor te stellen als vragen, voor den minderen man en het onontwikkelde volk nog wel van gewicht maar voor haar zelve van hoegenaamd geene beteekenis. Toch is dit niet anders dan een hoogmoedige en ijdele waan. In geenen deele willen wij iets afdingen op de hooge ontwikkeling, welke in dezen tijd door de wetenschap is bereikt. Hare uitvindingen en ontdekkingen dwingen bewondering af. Onze menschelijke existentie heeft zij in buitengewone mate veraangenaamd en verrijkt. Wie zou niet dankbaar genieten van de kennis en macht, welke zij den mensch over heel de natuur heeft verschaft? Maar hoeveel zij ook biede aan oog en aan oor, aan verstand en verbeelding, zij laat het hart onbevredigd. Wat baat mij ten slotte in de ure der smart en in het aangezicht van den dood, de onderwerping der aarde, de zegen der cultuur, de triumf der wetenschap en de aesthetische genieting der kunst? Wat baat het een mensch, dat hij de gansche wereld gewint, indien hij zijner ziele schade lijdt?

De wetenschap handelt niet goed als zij dezen ernst van het menschelijk leven schouderophalend voorbijgaat. Het bewustzijn van goed en kwaad, de gedachte aan zonde, gerechtigheid en oordeel, de beschuldiging des gewetens, de vreeze des doods, de behoefte aan verzoening zijn evengoed realiteiten als stof en kracht, als maat en getal, en realiteiten van ontzaglijke beteekenis, die wereld en menschheid, die leven, en geschiedenis beheerschen. Te doen, alsof deze dingen niet bestonden, verraadt gemis aan waarheidsliefde; er uit de hoogte op neerzien, getuigt van gebrek aan zelf kennis; en ze eenvoudig weg voor verouderde denkbeelden en dwaze |17| hersenschimmen te verklaren, is bewijs van verregaande oppervlakkigheid. Indien de wetenschap al deze ontzaglijke realiteiten naar het gebied der droomen verwijst, dan vragen we voor het minst naar de gronden, waarop zij deze stoute stelling doet rusten. Wij gelooven het niet op haar zeggen alleen.

Beweert zij dus, dat er geen God is, geen goed en geen kwaad, geen oordeel en geen straf, geen hemel en hel, het zij zoo; maar zij levere ons dan afdoend en voldingend bewijs. Wij behooren van de waarheid dezer ontkenning dan toch zoo onfeilbaar zeker te wezen, dat wij er getroost op leven en sterven kunnen. Omdat het eene onherroepelijke eeuwigheid geldt, hebben wij op dit punt vaste, onomstootelijke, Goddelijke zekerheid van noode. Hier vooral is scherpe, niets sparende, onverbiddelijke critiek, ook tegenover de wetenschap, op hare plaats. Laat zij zeggen wat ze wil, over schuld en straf, over dood en graf; maar zij eische niet, dat wij het gansche gewicht der eeuwigheid zullen ophangen aan een spinrag. Waar het onze hoogste belangen, ons eeuwig wèl of ons eeuwig wee geldt, mogen wij met niet minder dan onfeilbare, Goddelijke zekerheid tevreden zijn. Alle twijfel moet hier buitengesloten wezen.

Maar het is gemakkelijk in te zien, dat de wetenschap ons zulk eene zekerheid nimmer kan schenken. Hoezeer zij ook recht hebbe in de verwerping van een valsch scepticisme, dat den twijfel tot dogma verheft, nooit kan zij het toch op eenig deel van haar onafzienbaar arbeidsveld tot eene andere en hoogere dan menschelijke en dus altijd feilbare zekerheid brengen. En vooral komt zij hier niet boven uit, als zij op het gebied der religieuze en ethische, der wijsgeerige en bovenzinnelijke waarheden zich waagt. Want aanstonds vindt zij dan tegenover zich het machtig getuigenis der gansche menschheid, van alle eeuwen en uit alle oorden. |18| Iedere menschenziel, is aan eene onrust ten prooi, die door geen wetenschappelijke redeneering weggenomen kan worden. Geleerden en ongeleerden hebben deze levensvragen voelen oprijzen in hun hart. De machtigste geesten hebben er mede geworsteld; de philosophie heeft er haar aanvang mede genomen, de godsdiensten zijn er uit geboren.

Maar meer nog, de wetenschap, in den onjuisten maar thans meest gangbaren zin van het woord, gaat hare bevoegdheid te buiten en verheft zich boven haar kracht, als zij deze diepste problemen onderzoeken en oplossen wil. Zij mag het mysterie des zijns eerbiedigen, maar kan het nimmer verklaren. Juist daar, waar zij voor den mensch het belangrijkst worden zou, moet zij hare onmacht belijden en ons verlegen laten staan. Zij weet niets van onzen oorsprong, van ons wezen, van onze bestemming, en kan daarom het brood niet geven dat onzen honger verzadigen, het water niet, dat onzen dorst moet lesschen, noch ook het woord spreken, waarbij onze ziel alleen kan leven. Vóór en achter, aan hare rechteren linkerzijde, in de hoogte en in de diepte ontdekt zij niets dan mysteriën; overal stuit zij na een kort onderzoek op het onkenbare, waarvan de kennis ons juist het onmisbaarst is. Rondom ziet zij zich door eene onzienlijke wereld omringd, in welke zij niet doordringen kan. Geen wonder voorwaar, dat zij, die een tijd lang van de wetenschap hun heil hebben verwacht, teleurgesteld zich afwenden en, in kunst en ideaalvorming, in menschvergoding en genieëncultus, in spiritisme en Buddhisme vergoeding zoeken voor wat de wetenschap hun niet biedt en toch hun ziele behoeft. Ten bewijze van de waarheid des woords, dat ons hart tot God is geschapen, en niet rust, voordat het ruste gevonden heeft in Hem.

Onder de verschillende wetenschappen is het echter |19| de theologie, welke meer opzettelijk met deze mysteriën van het menschelijk leven zich heeft bezig te houden. Zij heeft de heerlijke taak, om ons den weg niet alleen door maar ook uit dit leven te wijzen, om ons onder de wisselingen van het lot en in de ure des stervens zekerheid te verschaffen van de dingen, die onbewegelijk zijn. Zij moet ons doen rusten als in de armen Gods. Eene theologie moet haar recht en hare waarheid bewijzen, ja ook op het gebied der wetenschap, maar meer en krachtiger nog te midden van de ontzettende werkelijkheid van het leven, aan krank- en sterfbed, in ellende en smart, in nood en dood, aan het met schuld beladen geweten, aan het naar verzoening en vrede dorstende hart. Indien zij tegenover deze toestanden machteloos en troosteloos staat, is zij de plaats niet waard, welke zij in den kring der wetenschappen beslaat.

Over het algemeen zeer zeker is van de wetenschap in de eerste plaats geene troostrijke waarheid te verwachten. Aan den onderzoeker van natuur en geschiedenis mag de eisch niet gesteld worden, dat zijne resultaten denkbeelden en voorstellingen sparen zullen, met welke wij opgegroeid zijn en die ons lief en dierbaar zijn geworden. Waarheid toch, ook afgedacht van alle practisch nut, heeft altijd onvergankelijke waarde. Waarheid is altijd leven, maakt altijd vrij, doet altijd koninklijk heerschen over wat zij met haar licht bestraalt.

Ook de theologie is als wetenschap aan deze regelen onderworpen. Zij mag niet als waarheid verkondigen, wat den toets der waarheid niet kan doorstaan, ook al is het nog zoo rijk aan troost, aan valschen troost dan toch zeker, voor het daarin opgevoede, godsdienstig gemoed. Maar toch is er aan de theologie eene practische zijde, die haar aan de medische wetenschap verwant doet zijn. Belangrijk en noodzakelijk is zonder twijfel |20| de theoretische kennis van den geneesheer; maar zijne waarde en de waarde zijner wetenschap komen ten slotte toch daarin aan het licht, dat hij ons van de krankheid des lichaams bevrijdt. Zoo moet ook de theologie medicijn verschaffen voor de krankheid der ziel. Zij moet kunnen zeggen, hoe en in welken weg wij verlost kunnen worden van onze schuld, verzoend kunnen worden met God, lijdzaamheid en hope kunnen hebben te midden van de smarten des levens, en juichensstof kunnen vinden in het aangezicht van den dood. Eene theologie, die om al deze dingen zich niet bekommert en haar tijd en kracht uitsluitend wijdt aan geleerde onderzoekingen van critischen en historischen aard, is den naam van theologie niet waard. En een theoloog, die van alle vraagstukken zijner wetenschap volkomen op de hoogte is, maar aan krank- en sterfbed verlegen staat en geen antwoord weet op de vragen van een arm, verloren zondaarshart, is zijn naam en zijne bediening onwaardig. Prof. Pierson verklaarde eenmaal aangaande zijn studententijd, dat hij wel in allerlei wetenschappelijke vraagstukken ingeleid werd, maar nooit eenig antwoord bekwam op de vraag, welke de weg is naar den hemel. Van dat antwoord hangt echter toch het bestaansrecht af van kerk en theologie. Daarop komt het in prediking en huisbezoek aan. De moderne theologie — wier verdiensten overigens niet behooren miskend te worden — is waarlijk niet bezweken door de wetenschappelijke kracht harer bestrijders; maar in de practijk is zij machteloos gebleken, zij heeft het afgelegd bij prediking en huisbezoek, zij kon geen troost bieden in leven en sterven. Niet de school maar de kerk, niet de katheder maar de kansel, niet de polemiek maar het ziek- en sterf bed heeft hare armoede in het licht gesteld. En geschiedenis en ervaring bewijzen het iederen dag, dat van theologie en prediking allereerst en |21| allerminst dit verwacht wordt, dat ze zekerheid des geloofs verschaffen zal. Want anders geeft de kranke mensch zich liever aan den eersten den besten kwakzalver over, dan dat hij langer raad zoekt bij eene officieele wetenschap, die wel lang en breed over de ziekte redeneert, maar over geen middelen ter harer genezing beschikt.

Maar wat hebben wij dan toch onder die zekerheid des geloofs te verstaan, welke in de theologie van zoo groote beteekenis is? Zekerheid is iets anders dan waarheid, ofschoon zij tot deze in nauwe betrekking staat. Waarheid is overeenstemming van gedachte en werkelijkheid en drukt dus eene relatie uit van den inhoud van ons bewustzijn tot het voorwerp onzer kennis. Doch zekerheid is geen relatie, maar eene hoedanigheid, eene eigenschap, een toestand van het kennend subject. Ten opzichte van eene of andere uitspraak of stelling kan onze geest in verschillende toestanden verkeeren. Hij kan er gansch onverschillig tegenover staan, als hij er hoegenaamd geen kennis van draagt. Hij kan te haren aanzien twijfel koesteren, als hij de gronden vóór en tegen haar wegende, tot geen beslissing over hare waarheid of valschheid komen kan. Hij kan tegenover haar zich bevinden in een toestand van meening, vermoeden, vertrouwen, als hij, om welke reden dan ook, naar de eene zijde meer overhelt dan naar de andere. Maar hij kan te haren opzichte ook verkeeren in een toestand van volstrekte zekerheid. Zekerheid is het volkomen rusten van den geest in een object van kennis.

Elk van onze zielsvermogens rust n.l. in datgene, waarnaar het krachtens zijne natuur streeft. Onze wil rust volkomen alleen in het goede, ons gevoel in het schoone. Zoo komt ons verstand, onze geest alleen tot rust in het ware, dat is, dieper doorgedacht, alleen in God, die de waarheid zelve is. Dwaling en leugen zijn |22| daarom met de oorspronkelijke natuur des geestes in lijnrechten strijd; zelfs in zijn gevallen toestand bemint hij de leugen alleen onder den schijn van de waarheid. Aan onzen geest beantwoordt en voldoet de waarheid alleen. Daar rust hij in. Zekerheid is rust, vrede, zaligheid, terwijl twijfel, vermoeden, meening altijd van eenigen onlust en onrust verzeld is. Zekerheid is de normale, de natuurlijke gesteldheid van onzen geest, gelijk de gezondheid dat is van het lichaam. Daarom is het zoeken naar waarheid reeds schoon en nog eene kostelijke gave; maar veel schooner en rijker is het, haar te vinden, haar te genieten en in haar licht te wandelen. Twijfel daarentegen is nooit de ware toestand maar abnormaal en aan eene krankheid gelijk; somtijds noodig vanwege de dwaling en leugen, die ons aankleeft, gelijk de koorts soms goed is voor het lichaam en het onweder voor den dampkring, maar in zichzelf toch altijd een pijnlijk kwaad. Wie twijfelt, is aan eene baar der zee gelijk, maar wie gelooft, staat als eene rots.

Er zijn echter verschillende soorten van zekerheid. Reeds de Grieksche wijsgeeren maakten onderscheid tusschen de zekerheid, welke door de zinnelijke waarneming, en die, welke door het denken verschaft werd. Aristoteles onderscheidde bij de laatste nog weer tusschen de onmiddellijke zekerheid, die wij hebben aangaande de allereerste beginselen der wetenschap, en de middellijke zekerheid, die door redeneering en bewijs wordt verkregen. Deze drie soorten van zekerheid worden, behalve door den volslagen scepticus, door allen erkend. Wij voelen ons allen volkomen zeker ten aanzien van de dingen, welke wij met onze zintuigen waarnemen. Twijfel rijst ook niet in ons op ten opzichte van de allereerste, door zichzelf vaststaande, onbewijsbare grondbeginselen van de verschillende |23| wetenschappen, zooals bijv. de axiomata, waarvan de mathesis uitgaat. En wij zijn eindelijk ook volkomen zeker in betrekking tot die waarheden, welke in de wetenschap door logische gevolgtrekking uit vaststaande stellingen worden afgeleid en dus rusten op genoegzame bewijzen.

Maar naast deze verschillende soorten van wetenschappelijke zekerheid bestaat er nog eene andere, n.l. de zekerheid des geloofs. Hare waarde moge, zeer uiteenloopend worden geschat; haar bestaan is boven allen twijfel verheven. Zelfs de wijsbegeerte heeft rekening met haar moeten houden. Inzonderheid was het Immanuel Kant, die naast de empirische en logische, ook eene plaats inruimde voor de „moralische Gewissheit.” De weg, waarlangs hij deze ontstaan laat, is de onze niet; maar wij mogen der philosophie toch dankbaar zijn, dat zij bij monde van een der scherpzinnigste denkers het bestaan en het recht van nog eene andere, dan eene strikt wetenschappelijke zekerheid heeft erkend.

Inderdaad zou men ook moedwillig blind willen zijn, indien men de realiteit van zulk eene geloofszekerheid in twijfel wilde trekken. Niemand immers laat zijne zekerheid in godsdienst en moraal af hangen van zinnelijke waarneming of wetenschappelijk bewijs. Niemand houdt vast aan het bestaan Gods, aan de onsterfelijkheid der ziel, aan het Middelaarschap van Christus, aan het gezag der Schrift en aan zoovele stellingen meer op grond van verstandelijke redeneeringen. Het is alsof ieder mensch de overtuiging bij zich omdraagt, dat de wetenschap in al deze zaken niet meespreken mag en niet meespreken kan. Alle hoogere godsdiensten beweren daarom ook op openbaring te rusten, en geen hunner is het product alleen van het denkend verstand. Bewijzen komen in iederen godsdienst eerst achterna; zij gaan niet voorop, maar zij volgen. Zij zijn uitgedacht |24| tegenover hen, die niet gelooven. De geloovige kon toch tegenover dezulken niet volstaan met de bewering: ik geloof en daarom is het zoo. Hij moest dus naar gronden zoeken, niet om zijn eigen geloof daarop te doen steunen, maar om het aannemelijk te maken voor den tegenstander, om hem den mond te stoppen en alle verontschuldiging voor zijn ongeloof te benemen. De apologetiek is vrucht, nooit wortel des geloofs. Armzalig zijn dikwerf de redeneeringen, waarmede de apologeet zijn geloof zoekt aan te bevelen en te bevestigen. Indien het daarop rustte, bouwde het menigmaal al op een zeer zwak fundament. Maar het wortelt zelf veel dieper dan in die achterna komende overleggingen des verstands. Onze diepste overtuigingen, onze wereld- en levensbeschouwing bekomen en behouden wij nooit in den weg van het wetenschappelijk bewijs. Zij zijn geen product des verstands, noch ook een werk van den wil. Zij liggen achter beide, in het diepste der ziel, in het hart, vanwaar de uitgangen des levens zijn. Zij zijn een stuk van den mensch zelf, zij maken als het ware een deel van zijn wezen uit; zij zijn de mensch, zooals hij in een bepaalden kring geboren en getogen, opgevoed en gevormd is. Daarom kon J.G. Fichte naar waarheid zeggen, dat wat voor philosophie men kiest, daarvan af hangt, wat voor mensch, men is. Het stelsel van ons denken is dikwerf niet anders dan de geschiedenis van ons hart.

Deze zekerheid, schoon in den ruimeren zin van het woord van zedelijken aard, is toch beter te noemen eene zekerheid des geloofs. Want zij komt nooit daardoor tot stand, dat een mensch, reflecteerende over zijne zedelijke natuur, de waarheid van eenige abstracte dogmata postuleert; maar zij wordt normaal daaruit geboren, dat het bewustzijn, meestal reeds in de kinderjaren, door het geloof bij de in een bepaalden kring |25| gezaghebbende, godsdienstige en zedelijke voorstellingen zich aansluit en daarmede het hoogste welzijn verbindt.

In tweeërlei opzicht verschilt deze zekerheid des geloofs van die, welke wij door waarneming en denken verkrijgen. Voorwerpelijk beschouwd, is de laatste sterker dan de eerste. Want de wetenschappelijke zekerheid rust op gronden, die voor alle redelijke wezens vaststaan en wier hechtheid aan ieder schepsel, dat met verstand is begaafd, kan worden aangetoond. Daar woont in de echte resultaten der wetenschap eene onze rede dwingende macht. Wie niet zwicht voor een wetenschappelijk bewijs, verbeurt zijne aanspraak op gezondheid van zin. Maar alzoo is het niet niet de zekerheid op godsdienstig en zedelijk gebied. Deze laat zich niet opdringen, evenmin als omverstooten, door kracht van wetenschappelijke argumenten. Zij rust altijd op openbaring, op gezag, op een Goddelijk woord, hetzij het dit in waarheid zij of er voor gehouden wordt, en is daarom altijd slechts vrucht des geloofs, van zulk een geloof, hetwelk om wat redenen dan ook dat gezag erkent en daarvoor zich in gehoorzaamheid buigt. In dit opzicht is dus werkelijk de wetenschappelijke zekerheid algemeener en sterker dan die, welke door het geloof wordt verkregen.

Maar desniettemin zou eene zekerheid, gelijk die geldt in de wetenschap en daar op hare plaats is, in den godsdienst geheel onvoldoende zijn. Want wetenschappelijke zekerheid, hoe hecht en vast ook, blijft toch altijd dit karakter behouden, dat zij op redeneering van menschen berust en steeds door latere en betere onderzoekingen omvergestooten kan worden. Aan zulk eene twijfelachtige feilbare zekerheid hebben wij echter in den godsdienst niet genoeg. Hier hebben wij eene onfeilbare, Goddelijke zekerheid van noode, die boven allen menschelijken twijfel verheven is, die ons nimmer |26| begeven kan, waarop wij het wagen durven voor den tijd en voor de eeuwigheid beide. Daarbij komt, dat de wetenschappelijke zekerheid, overgebracht op godsdienstig gebied, de religie maken zou tot eene zaak des verstands. Zij zoude dan eene mate van ontwikkeling vereischen, welke slechts weinigen bezitten. De onkundige ware daarmede in zijne hoogste, meest persoonlijke belangen onderworpen aan eene wetenschappelijke hierarchie, welke in onverdraagzaamheid en tirannie die van Rome nog ver overtreffen zou; en voor de vrijheid des gewetens zou er geen plaatse meer zijn. En eindelijk zou zulk eene wetenschappelijke zekerheid op het gebied des geestelijken levens, eene religie kweeken, die juist het tegendeel ware van wat ze naar haar aard en immers ook naar aller overtuiging behoort te zijn. Religie is in de eerste plaats geloof, dat is ootmoed, vertrouwen, afhankelijkheid, gehoorzaamheid, eenvoud, kinderlijke zin. Maar wetenschappelijke zekerheid zou op godsdienstig gebied hoogmoed kweeken in stede van ootmoed, geleerdheid de plaats doen innemen van eenvoudigheid des harten, en zelfverheffing voeden ten koste van kinderlijken zin. Want de kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. Daarom behooren wij dan ook niet te klagen maar dankbaar te zijn, dat er naast de wetenschappelijke nog eene andere zekerheid bestaat, n.l. de zekerheid des geloofs, welke niet op menschelijk, feilbaar inzicht rust, maar op onwankelbare Goddelijke autoriteit.

Terwijl echter de wetenschappelijke zekerheid op redelijke en dus op algemeener gronden rust dan de zekerheid des geloofs, wint deze laatste het toch verre van de eerste in subjectieve kracht, dat wil zeggen, in gehechtheid der ziel aan het voorwerp, dat zij door het geloof heeft omhelsd. Geloofsovertuigingen zijn de diepste, de innigste, de teederste en tevens de taaiste van alle. Geen schrikkelijker oorlogen, dan die om den godsdienst |27| werden gevoerd. Geen heftiger haat, dan die door de religie werd gewekt. Maar ook geen toewijding, geen overgave, geen zelfverloochening, geen liefde, geen trouw, geen lijdzaamheid, geen deugden in het algemeen zoo wonderbaar rijk en verheven groot, als die, welke, opbloeiden uit het leven der gemeenschap met God. Het geloof, om slechts iets te noemen, telt zijne martelaren bij duizenden en millioenen; de wetenschap heeft er slechts enkelen. De beroemde astronoom Johan Kepler beoefende te Graz tegen zijne overtuiging in de astrologie, om in zijn onderhoud te voorzien, en maakte dit goed met de opmerking, dat de behoeftige moeder (de astronomie) van de dwaze dochter (de astrologie) leven moest. Galilei zwoer tot driemalen toe, eens in 1616 en tweemalen in 1633, zijne wetenschappelijke overtuiging aangaande de waarheid van het Kopernikaansche stelsel voor de inquisitie van Rome af; de vrees voor de foltering was grooter bij hem dan de liefde voor de wetenschap. Wie wil ook sterven voor de ten slotte vrij onverschillige en misschien later nog te corrigeeren stelling, dat de aarde draait? Wie heeft voor eene zuiver theoretische waarheid, zijn geld en zijn goed, zijn naam en zijn leven veil? De wetenschappelijke zekerheid is tegen schavot en brandstapel niet bestand.

Maar met de geloofszekerheid is het gansch anders gesteld. Zij is de intensief sterkste, de onuitroeibaarste, omdat zij wortelt in het hart des menschen zelf en samenhangt met al de vezelen van zijn bestaan. Daarom is iemand zoo moeilijk te overtuigen en valt er zelfs niet met hem te redeneeren, als hij in de beginselen tegenover ons staat. Daarom beheerscht de godsdienst den mensch te allen tijde, ook bij het onpartijdigst onderzoek; hij ligt ten grondslag aan alle verschillen, die de menschheid verdeelt. Maar daarom acht de oprecht geloovige ook niets te kostbaar voor het behoud |28| zijns geloofs. Daarvoor laat hij zich folteren en brandmerken, kruisigen en verbranden. Het is hem dierbaarder dan huis en akker, dan vrouw en kinderen, dan zijn eigen leven, dan de gansche wereld. Want dat geloof verliezend, verliest hij zichzelven, zijne ziel, zijne zaligheid. Maar ook, dàt behoudend, behoudt hij zichzelven, ook al gaat hij onder in den dood. Geloofszekerheid is daarom de volkomenste rust, de hoogste vrijheid des geestes. Zij twijfelt niet. Zij is heroiek van nature, onbevreesd, al waren er zooveel duivels als pannen op de daken. Zij vreest God alleen en anders niemand ter wereld. Zij is veel zekerder van zichzelve dan van de zon, die aan den hemel schijnt. Zij kan aan alles twijfelen, alleen maar aan zichzelve niet. En met minstens evenveel recht als Cartesius zijn cogito, ergo sum, ik denk, daarom ben ik, poneerde, kan de geloovige zeggen: credo, ergo sum, ergo Deus est, ik geloof, daarom ben ik en daarom is God. |29|


II.

Wijl de zekerheid des geloofs zulk eene hooge waarde en beteekenis heeft, verwondert het niet, dat de menschheid alle eeuwen door naar haar heeft gezocht. Zij gevoelde, zonder deze de rust des harten, den vrede der ziel te derven. En allerlei wegen heeft zij ingeslagen om deze zekerheid des geloofs te verwerven. Geen offer heeft zij daarvoor te zwaar, geen boete te streng, geen bloed te kostbaar geacht. Zij heeft haar trachten te verkrijgen in den weg van wetsonderhouding en ceremoniëndienst, van bloedige en onbloedige offeranden, van pijniging en dooding des vleesches, van de wildste orgiën zoowel als van de strengste ascese. De menschheid vertoont ons in de geschiedenis van haar religieuze leven een strijd en een lijden, zoo diep en zoo zwaar, dat de rampen van het lot, de omwentelingen der maatschappij, de oorlogen der volken daarbij in de schaduw verdwijnen. Iedere bladzijde van deze inwendige geschiedenis verhaalt ons van tranen en verzuchtingen, van gebeden en smeekingen, van bestrijdingen en aanvechtingen. Onzekerheid, twijfel, vreeze, schrik, angst knagen aan het hart en mengen zich in het leven van schier iederen mensch. Wat roerende jammerklachten worden niet uit de godsdienstige liederen van alle volken |30| gehoord! Hoe is niet de ijdelheid van wereld en leven in de aangrijpendste tonen geuit! Aan welke bange worstelingen der ziel zijn niet de grootsten en edelsten van ons geslacht ten prooi geweest! De heerlijkste poezie heeft voor een groot gedeelte aan deze smart des levens haar stoffe ontleend. De wijsbegeerte is uit de overpeinzing van het raadsel des doods geboren. Kunsten en wetenschappen hebben in de verzachting des levens heur naasten oorsprong en doel. En de godsdienst is, in zijn geheel genomen, ééne reusachtige poging, om den mensch, door de Godheid gesteund, te handhaven in zijne bange worsteling met de ruwe, woeste natuur. Zelfs de dienaren van wellust en zingenot en evenzoo de beoefenaars van kunst en wetenschap verbergen deze kwellende onrust dikwerf slechts achter het masker eener voorgewende onverschilligheid. In genot en arbeid zoeken zij eene afleiding voor den onvrede hunner ziel, een middel, om aan de ledigheid van het eigen bestaan, aan de beschuldigende stem des gewetens, om in één woord aan zichzelven te ontkomen. Want Pascal heeft het naar waarheid gezegd, dat de drukte en beweging, de ontspanning en genieting, welke de menschenwereld ons te aanschouwen geeft, voor een groot deel daaruit te verklaren is, dat een mensch niet rustig en vredig kan neerzitten in eene kamer met zichzelven alleen.

Onmogelijk is het, in eenige korte oogenblikken van uit dit gezichtspunt de verschillende godsdiensten te bezien en te beoordeelen, hoe belangrijk en uitlokkend dit op zichzelf ook wezen zou. Maar één verschijnsel verdient toch, al is het maar in het voorbijgaan, onze aandacht. Zekerheid aangaande eigen staat en toekomst is niet alleen aan het Christendom eigen; maar komt ook in andere godsdiensten voor. De grondtoon der heidensche afgoderijen is zonder twijfel schuwe, angstige |31| vreeze geweest (religie, deisidaimonia). Buiten de verlossing, die in Christus Jezus is, zijn allen met vreeze des doods, al hun leven der dienstbaarheid onderworpen, en zonder God en zonder hope in de wereld. Maar toch komen uit de heidenwereld niet alleen stemmen van angst en vreeze, doch ook tonen van vertrouwen en berusting ons tegen. Alle godsdienstig geloof heeft zijne bloedgetuigen, zijne martelaren gehad.

Één bekend voorbeeld slechts uit vele! In het jaar 399 vóór Christus werd Socrates te Athene aangeklaagd, dat hij afvallig was van den staatsgodsdienst, nieuwe goden invoerde en door zijne leer de jeugd verdierf. In zijne verdedigingsrede betoogde hij daartegenover, dat hij zijn gansche leven had opgevat als een dienst aan de Godheid. Indien de rechters hem wilden vrijspreken, op voorwaarde dat hij zijne roeping, de beoefening der wijsbegeerte, verzaken zou, hij zou beslist moeten weigeren en Gode meer moeten gehoorzamen dan den menschen. Want niet om den dood bekommerde hij zich, maar daarom alleen, dat hij niets onheiligs en niets onrechtvaardigs deed. Met vertrouwen ging hij dus ook den dood tegemoet, wetende dat hij heenging naar de goden en van de moeiten des levens werd bevrijd. Met onverstoorbare blijmoedigheid dronk hij daarna den giftbeker ledig en stierf als martelaar van zijn geloof.

Gemakkelijk ware dit sprekende voorbeeld met vele andere te vermeerderen. Zij leeren alle, dat zekerheid nog iets anders is dan waarheid. Waarheid brengt altijd zekerheid mede, maar zekerheid is nog geen bewijs voor de waarheid. Onze geest kan ook valschelijk gaan rusten in eene voor waarheid gehoudene dwaling. Wat wij wenschen, gelooven wij gaarne. Zekerheid zonder meer maakt dan ook den mensch niet vrij; het is de waarheid alleen, die den mensch bevrijdt van de |32| dienstbaarheid der zonde en des doods. Indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn.

Maar desniettemin zijn die voorbeelden van berustend vertrouwen beschamend voor ons, Christenen, die zooveel grootere genade ontvangen hebben en in zooveel helderder licht mogen wandelen. En toch geeft de Christenwereld ons in dit opzicht niet altijd een ander en schooner beeld te aanschouwen. Wij denken hier nog niet eens aan die duizenden naamchristenen, die zorgeloos daarhenen leven en elke ernstige gedachte aan dood en eeuwigheid met geweld onderdrukken. Ook laten wij buiten beschouwing alle die richtingen in den nieuweren tijd, die, schoon binnen de grenzen van het historisch Christendom opgekomen, toch alle bijzondere openbaring verwerpen en daarom aan het geloof zijne oorspronkelijke beteekenis en zijne centrale plaats in het godsdienstig leven ontnemen. Want bij deze richtingen kan er van eene zekerheid des heils geen sprake meer wezen. Hare volgelingen kunnen vermoeden, gissen, meenen, hopen zelfs, dat het hun in dit en in het toekomende leven wèl zal gaan; op die hope kunnen zij het wagen te sterven; zij kunnen eene gerustheid zich opdringen en aannemen, die hen zelfs in de ure des stervens niet begeeft. Maar de klare bewustheid, dat zij, hetzij zij leven hetzij zij sterven, des Heeren eigendom zijn; de onwankelbare overtuiging, dat alle dingen hun ten goede zullen medewerken, wijl zij God liefhebben en naar zijn voornemen geroepen zijn; de vaste verzekerdheid van de hope des eiguwigen levens, het roemen in de verdrukking, het juichen in het aangezicht van den dood — dit alles vindt gij bij hen niet. Twijfel, weemoed, hope klinkt uit hun liederen u tegen, maar geen tonen van moedig, geestdriftig geloof. Vergelijk het Peinzensmoede van de Genestet maar eens niet de Hymne aan God van da Costa! Het lied van |33| den leekedichter is geen ongeloovige zang; trots allen strijd houdt de Genestet het vertrouwen op God, zijnen Schepper vast; in het leven blijft hij Zijne hand bespeuren en Zijne stemme hooren. Maar zijn lied is toch geen zang des geloofs, doch eene weemoedige klacht:


Ik smacht, vermoeide
Mijn hope is weemoed,
En ’k geef mij over
Aan U den Vader,
Van ’s levens loop,
Mijn weemoed hoop.
Met blind geloof
Wien niets me ontroof!

Legt daarnaast den jubelzang van da Costa en hoort het verschil:

O God des ontfermens, Gij zaagt op mij neder,
En ’k werd tot eene nieuwe bevatting herteeld,
In d’Eeniggeboren keert God tot ons weder,
In d’Eeniggeboren, Zijn uitgedrukt beeld:
Die Eenge — Zijn hand heeft mijn oogen bestreken
En ’t hartenbewindsel des ongeloofs viel.
Ik zag Hem, ik gaf mij, de Hel is geweken.
De Hemel ging op uit Uw Woord in mijn ziel!

Dat is toch een gansch andere toon, en vertolking van eene gansch andere stemming des gemoeds. Maar het dient erkend te worden, dat onder degenen, die de bijzondere openbaring van Gods genade van harte aannemen, zulk eene zekerheid des geloofs lang niet bij allen en niet ten allen tijde wordt aangetroffen. Twijfel is er ook bij hen menigmaal in plaats van geloof, bekommering in steê van vast vertrouwen, jammerklacht in plaats van geestdrift en roem. Zelfs zijn ze te tellen, de weinigen, die vast verzekerd zijn van hun aandeel aan Christus en roemen in de hope der heerlijkheid der kinderen Gods.

De Roomsche kerk heeft zelfs, in navolging van Augustinus, de mogelijkheid ontkend, dat een Christen hier op aarde, anders dan bij hooge uitzondering en door eene bijzondere openbaring Gods, van zijne eeuwige |34| zaligheid verzekerd kon zijn. De zekerheid, welke iemand verkrijgen kan uit de onderhouding van de geboden der kerk, is en blijft eene meening, een vermoeden, eene opinio conjecturalis; zij wordt, hoe waarschijnlijk ook, toch nooit eene onwrikbare overtuiging, eene volstrekte, onomstootelijke zekerheid. Voor deze is er en kan er in Rome’s stelsel geen plaats worden ingeruimd; want de zaligheid ligt daar niet vast in Christus en wordt niet in het hart van den geloovige verzekerd door het getuigenis des Heiligen Geestes; maar zij hangt af van het doen van goede werken en wordt den geloovige alleen door den priester en in den grond der zaak ook altijd slechts conditioneel verzekerd. De Roomsche kerk laat den Christen nooit tot mondigheid, tot vrijheid, tot zelfstandigheid komen; zij laat hem nimmer los, maar houdt hem altijd vast, tot zelfs jaren en eeuwen na zijn dood in het vagevuur toe; de kerk alleen opent en sluit de poorten van het hemelrijk.

Het Christelijk leven beweegt zich daar dus niet om de vraag: hoe weet ik, dat ik in waarheid geloof, en hoe ben ik van mijne zaligheid zeker? Maar het concentreert zich geheel om deze gansch andere vraag: hoe onderhoud ik de geboden der kerk en hoe verdien ik naar haar oordeel en uitspraak het eeuwige leven? Als de leek maar doet wat de kerk zegt, kan hij alle ongerustheid varen laten; de kerk zorgt dan voor het overige. Maar bij de poging, om door goede werken het eeuwige leven te verwerven, kan de Roomsche Christen natuurlijk weer twee kanten uitgaan. Hij kan het zich zoo gemakkelijk mogen maken, en, indien niet in theorie, toch in de practijk zich de vraag stellen: met hoe weinig kan ik toe? Hij kan het ook zwaar opnemen en van zichzelven eischen om alle geboden volkomen te onderhouden, ja om nog meer, |35| dan strikt noodig is naar de wet, te doen. Daarom zijn er in Rome altijd twee soorten van Christenen. Tot de eene behooren zij, die van tijd tot tijd de biecht afleggen, de mis bijwonen, de vasten onderhouden en voorts vrij zorgeloos en oppervlakkig daarheen leven, vertrouwend op de zaligspreking der kerk. De andere wordt gevormd door hen, die, met deze uitwendigheden niet tevreden, in mystiek en ascese, in afzondering van de wereld en dooding des vleesches een zuiver religieus leven trachten te leiden en daardoor hopen te komen tot de aanschouwing Gods.

Nu zij het verre van ons, om deze laatste richting in eens met het Protestantsche vonnis te verslaan: het komt alles uit een valsch beginsel, uit werkheiligheid voort en heeft daarom geen waarde voor God. Want voordat wij dat oordeel, hoe veel waarheid het overigens bevatte, uitspreken, mogen wij wel bedenken, dat de Roomsche werkheiligheid nog altijd te verkiezen is boven de Protestantsche leerheiligheid. Werkheiligheid komt toch in de meeste gevallen nog den naaste ten goede, maar leerheiligheid draagt geen andere vrucht dan liefdeloosheid en hoogmoed. En voorts mogen wij niet blind zijn voor het groot geloof, de waarachtige bekeering, de volkomene overgave, de innige liefde tot God en den naaste, die in het leven en werken van zoo menig Roomsch Christen tot openbaring komt. Het Christelijk leven is zoo rijk, dat het niet in éénen vorm en niet binnen de wanden van ééne kerk zijne volle heerlijkheid ontvouwt. Maar toch draagt de Roomsche godsvrucht, ook in haar schoonste gestalte, een ander karakter dan de Protestantsche. Zij blijft altijd onvrij, onzelfstandig, vormelijk, wettelijk. Steeds blijft er de inwendige, volstrekte zekerheid des geloofs aan ontbreken. Voortdurend blijft er ruimte over voor de vraag: heb ik genoeg gedaan, en wat kan ik nog meer doen? |36| De zielen worden door Rome met opzet in eene onrustige en zoogenaamd heilzame spanning gehouden. Tusschen valsche gerustheid en pijnlijke onzekerheid slingert het geestelijk leven heen en weer. Rome verstaat niet het woord der Heilige Schrift, dat de H. Geest met onzen geest van ons kindschap getuigt en dat zoovelen kinderen Gods zijn, als er door den Geest van God worden geleid.

Dit werd anders met de Hervorming. Deze machtige beweging had een religieuzen oorsprong en werd uit de diep gevoelde behoefte aan zekerheid des heils geboren. Luther zocht haar in het doen van goede werken tevergeefs; hij vond ze in de vrije genade Gods, in de rechtvaardigmaking des zondaars door het geloof alleen. Toen hij dezen schat had gevonden, trad hij met heldenmoed op tegen de gansche Christenheid van zijn tijd. Zijn geloof was zoo vast en zijne hope zoo gewis, dat hij er alleen mede durfde staan tegenover al zijn bestrijders. Hij stond pal als eene rots en vreesde niet, al waren er zooveel duivels als pannen op de daken. God was vóór hem, wie zou dan tegen hem zijn? Zekerheid was een kenmerk van Luther’s geloof en van dat bij alle Hervormers.

Dat wil niet zeggen, dat ook zij niet hunne aanvechtingen en bestrijdingen hebben gekend. Gansch verkeerd is de voorstelling, alsof zij ten allen tijde boven allen twijfel verheven waren geweest. Er kwamen in hun leven tijden van angstige vreeze en diepe moedeloosheid. Luther had het, in weerwil van zijn groot geloof, dikwerf met den duivel en met de rede te kwaad. Meermalen kwam er aan het goed recht en aan den zegen van zijn reformatorischen arbeid twijfel in zijne ziele op; en Melanchton was dikwerf bezwaard in zijn gemoed. Ook Calvijn getuigt, en zeker niet buiten zijne eigene ervaring om, dat er in de geloovigen velerlei |37| twijfel en bezorgdheid wonen kan. Maar dit is dan toch het onderscheid tusschen hen en hunne volgelingen in latere tijden: zij koesteren zulke toestanden niet en kweeken ze niet aan. Zij scheppen er geen behagen in en blijven er niet in rusten. Zij worstelen, om eruit te komen. Zij smeeken, om ervan verlost te worden. Zij heffen er zich weer boven, in de kracht des geloofs. Niet twijfel en vreeze, maar vastheid en zekerheid is de normale toestand van hun geestelijk leven.

Daarom is dit ook zoo door en door gezond. Hun moed wortelt in ootmoed, hun zelfvertrouwen in vertrouwen op God, hun vrijheid en zelfstandigheid in kinderlijke afhankelijkheid van zijne genade alleen. Het gevoel heeft bij hen niet de heerschappij over het verstand, rede en wil miskennen niet de rechten des gemoeds, en de hand hangt niet slap aan hunne zijde terneer. Hoofd, hart en hand bevinden zich bij hen in zeldzame harmonie. Zij zijn geen pietisten, die alleen voor het religieuze leven oog en hart hebben. Zij zijn geen mystieken, die zich in de eenzaamheid terugtrekken en de wereld overlaten aan haar eigen lot. Zij zijn geen intellectualisten en geen moralisten, die aan het rijke gemoedsleven te kort doen. In weerwil van velerlei onderscheid in aanleg en karakter, zijn zij allen te zamen toch diep religieuze naturen, en hebben desniettemin of liever juist daarom een open oog voor al de belangen van het huiselijk en maatschappelijk, het burgerlijk en staatkundig leven. Alle onnatuurlijke, ziekelijke vroomheid is hun vreemd. Hun geloofsleven is kerngezond; helder en klaar en toch innig en diep.

Hunne godsvrucht vertoont een gansch ander gelaat dan die bij Rome. Het wezen des Christendoms vatten zij geheel nieuw en oorspronkelijk op. Tot de frissche, levende bron der H. Schrift teruggekeerd, scheppen zij daaruit eene bezieling en kracht, die de gedaante van |38| het Christelijk Europa verandert. Het is de vroomheid der psalmisten, der profeten, der apostelen, die in hen is herleefd en door hun woord vertolkt wordt. Zij zijn navolgers van Hem, die, Zone Gods, toch Zoon des menschen werd en niets menschelijks zich vreemd achtte.

Daaraan beantwoordt ook hunne omschrijving van het geloof. Het geloof is bij hen geen hopen en meenen, geen gissen en vermoeden, geen weten en toestemmen zelfs, maar eene zekere kennis, een vast vertrouwen, eene bewustheid, eene overtuiging zoo hecht en beslist, dat zij allen twijfel en alle vreeze buitensluit. Luistert slechts naar de ootmoedige en tevens kloekmoedige taal van den Christen, die in den Catechismus van Heidelberg rekenschap aflegt van de hope, die in hem is. Hij is vast verzekerd, dat hij een levend lidmaat van Jezus’ gemeente is en dat eeuwig zal blijven. Hij staat in het kinderlijk vertrouwen, dat niet alleen aan anderen, maar dat ook aan hem persoonlijk vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christus.

Ziet, hier, bij deze belijdenis zijn de Christenen mondig. Zij staan in de vrijheid der kinderen Gods. Gods Geest getuigt met hunnen geest, dat zij kinderen Gods zijn. Zij gelooven, daarom spreken zij. Hier is het Christelijk leven tot zelfstandigheid gekomen; het is onafhankelijk van alle schepsel, het is alleen gebonden aan God en Zijn Woord. Het geloof vreest hier God alleen en anders niemand en niets in de wereld.

Tot in de Dordtsche periode klinkt deze blijde toon nog na. Maar dan komt er allengs daling in de stem, onzekerheid en vreeze in de taal des geloofs. Het geloof der zestiende eeuw ging over in de orthodoxie der zeventiende eeuw. Men belijdt thans zijn geloof niet meer, men gelooft alleen nog zijne belijdenis. Deze |39| orthodoxie effende eenerzijds onder de breedere kringen des volks den weg voor het Rationalisme, dat den godsdienst maakte tot eene zaak des verstands, de waarheid aangaande de eeuwige dingen liet afhangen van historische bewijzen en verstandelijke redeneeringen, en de geloofszekerheid verwarde met redelijk inzicht. Maar andererzijds riep zij in den enigen kring der vromen ook eene reactie in het leven, die aan verstandelijke kennis niet genoeg had, in bevinding het wezen der godzaligheid zocht en dies hoe langer hoe meer in het pietisme verliep.

Naarmate het ware geloof in altijd grootere afmetingen de bastaardvormen van historisch en tijdgeloof naast zich zag opkomen, raakte het zijn eigen zekerheid kwijt en verloor het het geloof aan zich zelf. Er moest natuurlijk een wezenlijk verschil zijn, een verschil als van leven en dood, tusschen het echte vertrouwen op Gods genade in Christus en de bloot verstandelijke toestemming der waarheid. Maar hoeveel gevaar was er hier voor vergissing, voor zelfbedrog, voor valsche gerustheid! Hoeveel moeite kostte het, om haarfijn het onderscheid aan te wijzen tusschen ware en valsche genade, tusschen den wedergeborene op zijn slechtsten den onwedergeborene op zijn best! De geloovige werd daarom genoodzaakt het oog naar binnen te slaan, ten einde zich te vergewissen aangaande de echtheid van zijn eigen geloof. En bij dat zelfonderzoek kon hij zich weldra laten leiden door stichtelijke werken van godvruchtige schrijvers, die het geestelijk leven naspeurden tot in zijne teederste aanvangen, die het ontleedden in zijne verborgenste roerselen, die het beschreven in eene lange reeks van fijne maar dikwerf ook verwarrende kenteekenen. Nooit werd voor of na dien tijd het verborgen leven der gemeenschap met God dieper en ernstiger bespied en doorzocht. |40|

En allen zeiden tegenover de dorre rechtzinnigheid van hun tijd: kennen is niet genoeg, het echte geloof is bevinding. Het is niet voldoende, om het land der geestelijke dingen door anderen te hebben hooren beschrijven, men moet het zelf met eigen oogen hebben aanschouwd. Het zegt nog niet veel, om als een dokter zoo geleerd over de ziekte te kunnen spreken; men moet de krankheid zelve hebben gevoeld en de genezing ervan ervaren hebben. Het eerste is maar dorre, historische letterkennis; bevinding doet eerst de waarheid verstaan, zij ontdekt in de woorden der Schrift een gansch nieuwen, geestelijken zin, laat eene waarheid achter de waarheid ons zien, en doet ons gelooven, niet om anderer zeggen wil, maar omdat wij het dan zelf aan ons hart ondervonden hebben en genoten.

En gaandeweg breidde zich uit, wat men alzoo ondervonden moest hebben. Er ontstond allengs eene lange reeks van ervaringen op den weg naar den hemel. Zij namen haar aanvang met een diep gevoel van ellende, met eene smartelijke ervaring van schuld, met een doodelijk getroffen worden door den donder der Sinaïtische wet. Want wie zijn doemvonnis niet heeft hooren afkondigen door de wet, heeft geen behoefte aan de vrijspraak van het Evangelie; de gezonden hebben den Medicijnmeester niet van noode, maar die krank zijn, Jezus kwam niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering. Geboorte uit geloovige ouders, doop, opvoeding, belijdenis, avondmaal maken zulk eene, ervaring niet overbodig; in plaats van het vermoeden te wettigen, dat de alzoo beweldadigden door God in genade zijn aangenomen, moeten ze veeleer dienen tot waarschuwing, opdat men zich niet als zoovelen bedriege voor de eeuwigheid. Voor ieder, ook voor de kinderen des verbonds, is het daarom noodig, dat zij doorgaan onder het gericht van Gods wet, zichzelf |41| in hun verloren toestand leeren kennen, en uit de diepte hunner ellende met den tollenaar tot God leeren roepen om genade. Zulk een gevoel van verlorenheld kan korter of langer tijd duren. Maar als er dan eenig licht in de ziel valt en het oog open gaat voor de verlossing, die in Christus Jezus is, dan mag men toch maar niet in eens gelooven en steunen op de beloften des Heeren; zoo toch bestond er alle gevaar voor een ingebeeld, gestolen geloof, en gestolen goed gedijt niet. Eerst moet het recht en de vrijmoedigheid, om te gelooven, door God worden geschonken. Ook aan het geloovig omhelzen van Gods beloften behoort dus allerlei geestelijke werkzaamheid vooraf te gaan. Het geloof is niet terstond bij den aanvang van zichzelf zeker. Er is onderscheid tusschen het wezen en het welwezen des geloofs, tusschen het toevluchtnemend en het verzekerd vertrouwen. Het geloof is eerst jaren lang een zuchten en klagen, een bidden en hopen. De zekerheid is door eene reeks van bevindingen, door een tijdsverloop van vele jaren van het gelooven zelf gescheiden. Zij is niet met het geloof gegeven, zij vloeit er niet uit voort, zij wordt er dikwerf mechanisch, van buiten af, door bijzondere openbaringen aan toegevoegd. Soms ontstaat zij door het plotseling invallen van een of anderen Bijbeltekst. Of ook schijnt er eensklaps zulk een heerlijk licht in de ziel, dat men met Jakob zeggen kan: ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijne ziel is gered. Eene enkele maal gebeurt het, dat de Heere Christus zelf aan de zoekende ziel zich vertoont en haar met hemelsche blijdschap vervult. Of ook wordt de geloovige, gelijk een Paulus weleer, opgetrokken in den derden hemel en door den Koning in zijne binnenkameren geleid. En dan eerst is de hoogste trap des geloofs bereikt, en heeft men eene plaats verkregen onder de bevestigde, verzekerde |42| Christenen. Maar weinigen komen zoover. De meesten blijven tot hunne stervensure toe klagend en zuchtend voortstrompelen op den levensweg. Zij zijn een arm en ellendig volk, altijd werkzaam met het stuk der ellende, zelden of nooit roemend in de verlossing, welke in Christus Jezus is, en nimmer komende tot een blijmoedig leven der dankbaarheid. Liefst hooren zij zich toespreken als schuldig kroost van Adam, als zondaren en doemelingen, of troosten met de beloften, die de Heere aan het wormken Jakobs, aan het volksken Israëls heeft toegezegd. En wijl hun zelf in hunne zielen het licht en de vroolijkheid ontbreekt, zien zij ook alles buiten zich donker en somber gekleurd. Van het aardsche leven spreken zij niet dan als een leven vol moeite en verdriet. De wereld is hun een jammerdal, een woestijn, een Mesech. Liefst trekken zij er zich geheel uit terug en sluiten in den engen kring hunner geestverwanten zich op. Huisgezin en maatschappij, wetenschap en kunst, staat en kerk worden als toch geheel bedorven en reddeloos aan ongeloof en revolutie prijsgegeven. Alleen door samenspreking op gezelschappen en door het lezen van oude schrijvers wordt het geestelijk leven gevoed. En voorts wacht men als stillen in den lande in lijdzame plichtsbetrachting de aflegging van het lichaam der zonde of de spoedige wederkomst van Christus af.

Tot zulk een peil was in de zeventiende eeuw in alle kerken der Hervorming bij de besten en de vroomsten het leven des geloofs gedaald. Maar een dergelijke toestand was niet lang uit te houden. Zulk een veelszins angstig, afgezonderd leven kon de ware, volle Christelijke religie niet zijn. Dat klagen was geen godsdienst, dat zuchten geen geloof, die wereldvlucht geen wereldverwinning. Vandaar, dat er van alle kanten een verlangen openbaar werd naar iets anders en iets |43| beters. Verschillende richtingen trachtten een uitnemender weg aan te wijzen, om te komen tot de zekerheid des geloofs. Zij zijn vooral tot een tweetal te herleiden, tot het Herrnhuttisme, dat vooral in de Luthersche kerk, en het Methodisme, dat meer bepaald in de Gereformeerde kerk tehuis behoort.

Het Herrnhuttisme wilde niet door de wet maar door het Evangelie, niet door de donderslagen van Sinai maar door de liefelijke stem van Golgotha, niet door de strenge figuur van Mozes maar door de vriendelijke gestalte van Jezus de zielen winnen en opleiden tot het hoogste geluk. Zinzendorf wilde niets weten van den zoogenaamden „Busskampf” en „Durchbruch” der pietisten; hij noemde hen miserabele Christenen en begeerde geen klagend en zuchtend, maar een zingend, juichend Christendom. En om dat te verkrijgen, was slechts de prediking van den lieven Heiland van noode. Eene levendige schildering van zijne oneindige zondaarsliefde, openbaar geworden in zijn lijden en sterven, in zijn bloed en zijne wonden, zou niet nalaten indruk te maken op het bewogen gemoed. En in dien indruk bestaat juist de verlossende werkzaamheid van Christus, de vernieuwing en levensmeedeeling door zijnen Heiligen Geest. Wie alzoo door de prediking van het kruisevangelie bewerkt zijn, rusten in Jezus’ wonden, treden met Hem in echtverbond en zijn van de schuld en de heerschappij der zonde bevrijd. Zij leiden voortaan een dankend, blijmoedig, opgeruimd leven, dat door de overdenking van Jezus’ woorden, door een rijken cultus en door een schat van gevoelvolle liederen voortdurendgevoed en gesterkt wordt.

Een anderen weg sloeg het Methodisme in. Dieper dan eerstgenoemde richting de schuld der zonde gevoelend, wil het door een plotselingen schok de zielen opschrikken uit hare valsche gerustheid, en ze door een snellen omkeer, door een haastigen overgang brengen tot de zekerheid des geloofs. Aan het geloof behoort daarom een diep gevoel van schuld vooraf te gaan, bewerkt door hartstochtelijke toespraken, door eene ontzettende schildering van dood en hel, door aangrijpend, zielroerend gezang. Maar daarop volgt dan aanstonds de prediking der genade, het aanbod des heils. Uit de hellevaart der zelfkennis stijgt de ziel terstond tot de hemelvaart der Godskennis op. In één enkel oogenblik wordt alle heilservaring saamgetrokken. De diepste ellende en de hoogste zaligheid liggen vlak naast elkaar. Wie als een verlorene zich op de zondaarsbank neerzet, wordt in datzelfde oogenblik door Christus gevonden; hij neemt plaats als een schuldige, die de hel heeft verdiend, hij staat op als een vrijgesprokene, die den hemel beërft. Het geloof is daarom ook terstond volle, vaste zekerheid. Het ontstaat immers plotseling onder diepe smart en is zichzelf volkomen zeker door de ontzaglijke tegenstelling, die er aan voorafgegaan is. Het is in het klare licht des bewustzijns ontstaan; het kent den dag, de ure, de minuut zijner geboorte. Het was de 24e Mei van het jaar 1738, des avonds te kwart over negen uren, toen John Wesley tot bekeering kwam. Wie alzoo de zekerheid des geloofs deelachtig werd, twijfelt later ook niet meer aan zijn eigen staat. Hij behoeft niet voortdurend het oog naar binnen te slaan, zichzelf te onderzoeken en de echtheid van zijn geloof te toetsen. Hij weet, dat hij uit den dood overgegaan is in het leven, en heeft thans iets anders en gewichtigers te doen. De rechtvaardigmaking is eens en voor altijd afgeloopen; maar de heiligmaking ligt vóór hem en rondom hem heen ligt eene wereld van verlorenen, die op dezelfde wijze als hij gered moeten worden. Zelf bekeerd, heeft hij geen hoogere roeping, dan om anderen te bekeeren en om in den kortst mogelijken |45| tijd een zoo groot mogelijk aantal van zielen te winnen voor Jezus.

Beide richtingen hebben op het Christelijk leven een machtigen invloed geoefend. Zij hebben de geloovigen uit hunne zelfbespiegelingen opgewekt en uit hunne afzondering weder opgeroepen tot den strijd tegen de wereld. Binnen- en buitenlandsche zending zijn op haar voorgang krachtig ter hand genomen. Zondagscholen en vereenigingen van allerlei aard en tot allerlei doel zijn door haar initiatief allerwege opgericht. Bijbel- en tractaatverspreiding, evangelisatie en philanthropie en vele andere Christelijke werkzaamheden zijn sedert haar optreden aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk dienstbaar gemaakt. De gansche Christenheid is uit haar sluimering wakker geschud en tot een nieuw, krachtig leven ontwaakt.

Toch lijden beide richtingen ontegenzeggelijk aan eene groote eenzijdigheid. Zij rekenen geen van beide genoegzaam met het eerste artikel van ons algemeen, ongetwijfeld, Christelijk geloof, dat God, de Almachtige, Schepper is van hemel en aarde. De mundane terreinen van kunst en wetenschap, van literatuur en politiek, van huisgezin en maatschappij worden door haar in hunne waarde en beteekenis miskend, en dientengevolge ook niet van uit het Christelijk beginsel hervormd en vernieuwd. Rusten in de wonden van Jezus of bekeerd te zijn, en dan er op uitgaan om anderen te bekeeren, schijnt de gansche inhoud van het Christelijk leven te zijn. Sentimentaliteit en ziekelijk gevoel kenmerkt dikwerf de eene, overspanning en verstandelooze ijver karakteriseert menigmaal de andere richting. Het bewustzijn wordt onderdrukt ten bate van gevoel en van wil, en de harmonie van alle vermogens en krachten ontbreekt. Er komen daarin niet tot haar recht de vrijheid der kinderen Gods, de heerschappij over de wereld, de |46| dankbare genieting van elke goede gave, afdalende van den Vader der lichten, de trouwe behartiging der aardsche roeping, het open oog, de wijde blik, het ruime hart. Het Christelijk leven staat hier naast, soms boven, eene enkele maal ook vijandig tegenover het menschelijk leven. Het Christendom is hier niet aan den zuurdeesem gelijk, die ingaat in heel het deeg en alles doorzuurt.

Tengevolge van de dooreenmenging van al deze verschillende elementen is er in het leven des geloofs eene groote onzekerheid gekomen. Orthodoxe en piëtistische, herrnhuttersche en methodistische, rationalistische en mystische leiding drijven het telkens in eene andere richting en beletten het, om een vasten gang aan te nemen en gestadig op te wassen in de kennis en genade van onzen Heere Jezus Christus. En schadelijker nog dan al dit verschil van religieuze beschouwingen werkt op het geestelijk leven in de scherpe critiek, die door de wijsbegeerte op het kenvermogen van den mensch en door het historisch onderzoek op de Heilige Schrift als de kenbron der geloofswaarheid geoefend wordt.

Sedert Kant vindt hoe langer hoe meer de meening ingang, dat er voor den eindigen, beperkten, aan de zinnelijke waarneming gebonden mensch aan geen eigenlijke kennis van de onzienlijke, eeuwige dingen te denken valt. En de historische critiek heeft hierop haar zegel gedrukt, als zij niet alleen van de belijdenis der kerk, maar ook van de Schriften der profeten en apostelen de onbetrouwbaarheid en de ongeloofwaardigheid uitsprak. Zoo schijnt er geen zekerheid meer te vinden te zijn, noch buiten ons noch in ons. Vast staat alleen wat we, zien met onze oogen en tasten met onze handen. Maar zoodra wij daarbuiten of daarboven gaan, is er niets dat met gezag kan optreden en onderwerping van den mensch kan eischen. Dan is iedere mensch |47| voor zich zelf de maatstaf van de dingen die hij niet ziet en heeft hij anderer meening als van gelijken rechte volkomen te eerbiedigen en te waardeeren. En daarom, laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij; of in elk geval, ieder zie op zijne eigene wijze zalig te worden, want religie is eene private aangelegenheid. De waarheid is op dit terrein voor ieder ontoegankelijk.

Meer dan men denkt wint deze wijsbegeerte des ongeloofs veld, ook binnen den kring der belijders van Christus. Eene breede schare leeft daar jaren lang vrede- en vreugdeloos voort, innerlijk door twijfel geslingerd, en als een baar der zee beurtelings op en neder geworpen. Zij, die den naam van geloovigen dragen, verbergen de onzekerheid, die woont in hun hart, menigmaal achter luidruchtige bekommering om velerlei dingen. En de godgeleerden van beroep spannen zich in, om door den doolhof der stelsels heen een pad te vinden, dat tot de kennis der eeuwige dingen leidt. In welken weg is dan de zekerheid des geloofs te verwerven, die onmisbaar is voor den vrede der ziel? |48|


III.

Dit is, gelijk wij zagen, een gewichtig onderscheid tusschen wetenschap en godsdienst, dat wij in de eerste aan eene menschelijke zekerheid genoeg hebben, maar in den laatsten met geen mindere dan Goddelijke zekerheid kunnen volstaan. Het voorwerp des geloofs moet volkomen betrouwbare, onfeilbare, eeuwige waarheid zijn, zoodat ik er mij op verlaten kan in allen nood en dood, voor den tijd en de eeuwigheid beide. In de meeste aardsche zaken kan men met een lageren of hoogeren graad van waarschijnlijkheid toe. Maar in de religie, waarbij het in den diepsten grond altijd gaat om ’s menschen eeuwige zaligheid, is volstrekte zekerheid een onmisbaar vereischte. De grondslag der hope voor de eeuwigheid kan geen menschenwoord zijn, geen resultaat van wetenschappelijk onderzoek, geen ideaal, door onze verbeelding gevormd, geen stelling, door menschelijke redeneering gebouwd. Want deze alle zijn wankel en feilbaar, zij kunnen het gebouw der hope niet dragen, straks storten zij zelve wellicht tot eene ruïne ineen. Het geloof, het godsdienstig geloof, kan uit den aard der zaak alleen rusten op een woord, op eene belofte Gods, op iets, dat van Zijnen mond uitgaat en den mensch op eene natuurlijke of bovennatuurlijke wijze is kenbaar gemaakt. |49|

Het is daarom niet toevallig, dat alle godsdiensten zich op openbaring beroepen; hetzij zij zelfs hun oorsprong aan eene bijzondere openbaring toeschrijven, hetzij zij voortdurend van openbaring leven, nooit zeggen zij te steunen op menschelijk onderzoek maar altijd op Goddelijk gezag. Uit het wezen der religie vloeit dit vanzelve voort; openbaring is de onderstelling, de grondslag, de keerzijde, het noodwendig correlaat van den godsdienst. Een godsdienst, die niet meer in den naam en het gezag Gods durft optreden, is geen godsdienst meer; hij is tot mythologie geworden of in Religionsphilosophie overgegaan en heeft bovendien al zijn invloed op het volk verloren, dat in den godsdienst altijd iets anders dan menschelijke meening verwacht. En eene theologie, die hare dogmata niet meer herleiden durft tot een: Deus dixit, aldus heeft de Heere gesproken, heeft haar grondslag ondermijnd, zij is hare vastigheid kwijt, en valt weldra in puin. Openbaring, Goddelijk gezag is de eenige draagzuil, waar de godsdienst op rusten kan.

Natuurlijk wordt hiermede niet ontkend; dat van dit gezag in den godsdienst ten allen tijde schrikkelijk misbruik is gemaakt. Nergens is meer bedrog gepleegd, op kleiner of grooter schaal, in fijner of grover vorm, dan op het terrein van den godsdienst. Demagogen hebben van dit Goddelijk gezag zich bediend tot bereiking van hunne eerzuchtige doeleinden. Priesters hebben zich opgeworpen tot tolken van Gods wil, om het volk in bedwang te houden en aan eigen voordeel en macht dienstbaar te maken. Bijgeloof, tooverij, waarzeggerij en vele andere barbaarschheden en gruwelen meer hebben zich als woekerplanten geslingerd rondom den stam van Goddelijk gezag, welke den godsdienst draagt. Ontelbaar zijn zelfs de misdaden en wreedheden, heel de geschiedenis der menschheid door in naam |50| van den godsdienst gepleegd. Breed en diep is de stroom van bloed en tranen, door alle religies ter meerdere eere Gods vergoten, Maar dat alles ontneemt niets aan het feit, dat Goddelijke openbaring en Goddelijk gezag de grondslag van den godsdienst zijn. Veeleek strekt het ter zijner bevestiging, want daarom alleen hebben de menschen elkander ter wille van den godsdienst ten bloede toe bestreden, wijl zij allen overtuigd waren daarmede de zake Gods te dienen, en de belangen van het hoogste goed te bevorderen. En dit wijst er weder op terug, dat de religie in onderscheiding van wetenschap en kunst eene Goddelijke zekerheid eischt. De menschelijke ziel kan niet volkomen rusten dan in God alleen; zij wordt eerst ten volle bevredigd door eene onfeilbare autoriteit. Machtig is daarom de prediker slechts, als hij een woord Gods heeft te verkondigen; zonder dat verliest zijne verkondiging haar invloed en kracht. Wie geeft hem anders ook het recht, om op den kansel zich boven het volk te plaatsen, hun een regel des geloofs en des levens voor te schrijven, en aan de aanneming of verwerping daarvan te verbinden hun eeuwig wèl of hun eeuwig wee?

Indien dit echter zoo is, wordt de vraag te gewichtiger en tevens te moeilijker, waar en op wat wijze dat Goddelijk gezag te vinden zij, hetwelk terecht erkenning en gehoorzaamheid van ons eischt?

Bij de beantwoording dezer vraag sta de onbewimpelde erkentenis op den voorgrond, dat het onmogelijk is, om haar gansch in het afgetrokkene tot oplossing te brengen. In de wetenschap is het onbegonnen werk, om de bewijzen, die voor eene of andere stelling worden bijgebracht, los te maken van alle onderstellingen in het subject, waartegenover de bewijzen worden aangevoerd. Alle bewijs onderstelt een uitgangspunt, dat aan voor- en tegenstanders gemeen is, een grondslag, |51| die door beiden erkend wordt; er valt eenvoudig niet te redeneeren met wie alle beginselen ontkent. En in de verschillende wetenschappen zijn zoowel de bewijzen zelve als de onderstellingen, waarop zij rusten, verschillend. Zij zijn andere in de mathematische dan in de natuurkundige, andere in de wijsgeerige dan in de geschiedkundige wetenschappen. Zij verschillen in gehalte, in aantal, in kracht en hangen in onderscheidene mate van het subject en van zijne gesteldheid af. Het mathematisch bewijs onderstelt het minst, geldt daarom in den ruimsten kring en draagt schier een dwingend karakter. Van veel meer onderstellingen gaat het redekundig bewijs uit, dat daarom den tegenstander zoo dikwerf onovertuigd laat. Nog sterker beroep op het subject doet het historisch bewijs, dat daarom menigmaal zwak is en het in vele gevallen niet verder dan tot zekere mate van waarschijnlijkheid brengt. Maar welke bewijzen de wetenschap ook aanvoert, altijd zijn zij gebouwd op de eenheid en overeenstemming der menschelijke natuur, en daarmede dus op het geloof aan de betrouwbaarheid der zintuigen, aan de geldigheid der denkwetten, aan het bestaan en de kenbaarheid der waarheid, aan de waarachtigheid Gods; er liggen allerlei metaphysische, logische, psychologische, ethische onderstellingen aan ten grondslag, die van te voren vaststaan, die in zichzelven rusten, die onmiddellijk door haar eigen natuur evident zijn, die voor geen bewijs vatbaar maar de draagsters zijn van alle bewijs. Wie achter deze terug zou willen gaan, om met louter twijfel te beginnen, zou het fondament onder de wetenschap weggraven en alle zekerheid onmogelijk maken.

Maar veel meer is dit nog op godsdienstig gebied het geval. Er zijn geen menschen, die buiten alle religie en zedelijkheid zijn opgevoed en nu neutraal en onpartijdig tegenover alle godsdiensten staan. Vergeefsche |52| moeite en noodeloos tijdverlies ware het daarom, tegenover zulke abstracte wezens zonder vleesch en bloed, die alleen in de verbeelding bestaan, de waarheid van eenigen godsdienst te betoogen. Gelijk ieder mensch als kind eene bepaalde taal leert spreken, zoo ontvangt hij in en door die taal ook allerlei godsdienstige en zedelijke voorstellingen, welke hem in den regel bijblijven tot het einde zijns levens toe en al zijn denken en willen beheerschen. De moderne methode, om onbevooroordeeld alle godsdiensten te onderzoeken en dan aan het einde uit die alle eene keuze te doen, stuit practisch en theoretisch op allerlei onoverkomelijke bezwaren. Want ieder ziet terstond het onmogelijke ervan in, om zich voor en bij het wetenschappelijk onderzoek van al die overtuigingen en voorstellingen te ontdoen, welke door geboorte en opvoeding in zijn hart gewekt zijn; zelfs in den volslagen ongeloovige werken zijne godsdienstige indrukken nog na; en de theologische faculteiten, ofschoon in faculteiten van godsdienstwetenschap veranderd, blijven voortbestaan onder den invloed van hare Roomsche of Protestantsche, Luthersche of Gereformeerde herkomst en omgeving.

En daarbij komt, dat de methode, om door vergelijkend onderzoek der godsdiensten tot den zuiveren godsdienst te komen, ook theoretisch, in naam der wetenschap, strenge af keuring verdient. Want wie de verschillende godsdiensten onderzoekt en dit onderzoek aan eene bijzondere faculteitswetenschap opdraagt, gaat in elk geval van het geloof uit, dat de godsdiensten iets anders en iets meer zijn dan een hoofdstuk uit de pathologie van den menschelijken geest; hij gaat uit van de waarheid van den godsdienst als zoodanig, en dus van het bestaan Gods, van het recht en de waarde der metaphysica, van de idee van eenheid en ontwikkeling, van plan en doel in de geschiedenis der godsdiensten. Om de godsdiensten |53| te onderzoeken, om ze onderling te vergelijken, om ze op hunne rechte, onderscheidene waarde te schatten, heeft hij een maatstaf noodig, eene idee van godsdienst, welke, hoe vaag en algemeen dan ook, toch aan het onderzoek en de waardeering der godsdiensten voorafgaat en deze leidt en beheerscht. Eene zuiver positivistische opvatting der wetenschap is niet alleen met de godgeleerdheid, maar ook met de godsdienstwetenschap onbestaanbaar.

De studie der godsdiensten heeft voorts dit belangrijk voordeel afgeworpen, dat zij de superioriteit der Christelijke religie boven alle andere religies voor een ieder, die zien wil, in helder licht heeft geplaatst. Wel is waar zijn er in Europa en Amerika hier en daar eenige groepen van menschen, die aan Buddhisme en Mohammedanisme de voorkeur geven en formeel tot deze godsdiensten zijn overgegaan. Grooter is nog het aantal van hen, die, rijk levenden als ze meenen te zijn, het Christendom niet noodig hebben en het haten tot den dood. En ontelbaar velen zelfs zijn zij, die in humanistische hoogheid of practische onverschilligheid aan het Christendom den rug toekeeren en in het paganisme bevrediging zoeken. Maar dat alles neemt niet weg, dat het religieus en ethisch gehalte van het Christendom ver boven dat van alle andere godsdiensten verheven is. Nergens wordt natuur en geschiedenis, mensch en wereld, hart en geweten zoo innig waar, zoo getrouw naar het leven opgevat als in de Christelijke religie; zelfkennis en wereldkennis drukken ieder oogenblik het zegel op de kennisse Gods, in de H. Schrift geopenbaard. Deze is het licht op het pad, dat door de schepping loopt, en wordt zelve door de gansche natuur en door heel de historie der menschheid verklaard en bevestigd. Wij weten niet, wat we missen zouden, in welke geestesarmoede we terug zouden zinken, indien de Christelijke religie met haar invloeden en werkingen |54| eens plotseling uit onze maatschappij werd weggescheurd. Als daarom de Christelijke religie de ware niet is, bestaat er alleszins reden, om op godsdienstig gebied aan de waarheid te wanhopen. Practisch en concreet komt de vraag naar de zekerheid des geloofs dus zoo te staan: langs welken weg kan de waarheid des Christendoms betoogd en de overtuiging daarvan in onze ziel worden ingeprent?

Twee methoden zijn in hoofdzaak daarvoor aanbevolen. De eene is die, welke vooraf door de bewijzen voor Gods bestaan, voor het bestaan en de onsterfelijkheid der ziel de waarheid der natuurlijke Godskennis betoogt, en daarna aan de geloofwaardigheid der apostelen, aan de voorspellingen enwonderen der H. Schrift, aan Jezus’ leer en leven, aan het bestand en de uitbreiding der kerk enz. de bewijzen voor de waarheid des Christendoms ontleent. Deze methode zoekt den mensch dus langs verstandelijken, wetenschappelijken weg tot overtuiging te brengen.

Verboden, ontoegankelijk en onprofijtelijk is deze weg niet. Profeten en apostelen en Jezus zelf hebben hem meermalen ingeslagen, om hunne hoorders te bewegen tot het geloof. De wonderen waren teekenen van Jezus’ Zoonschap, en Hij vraagt geloof in zijn persoon, dat de Vader in Hem is en Hij in den Vader, op grond van de werken, welke Hij deed, Joh. 10 : 38. Ten allen tijde hebben de Christelijke theologen zich dan ook van deze bewijzen bediend, om tegenstanders tot zwijgen te brengen en voor het geloof den weg te banen. Inderdaad verschaffen zij aan de verdedigers van het Christendom de wapenen, waarmede allerlei aanvallen van wetenschappelijken aard kunnen afgeslagen worden. Zij stellen hen in staat, om krachtig zich te verweren tegen de critiek, waaraan het voorwerp van hun geloof van de zijde der wetenschap onderworpen wordt, en toonen aan, dat er voor het geloof minstens evenveel, |55| en gewoonlijk nog veel meer te zeggen valt dan voor het ongeloof.

Verkeerd is het daarom, om uit twijfelzucht en wantrouwen van deze bewijzen zich te onthouden en achter het bolwerk van mysticisme en agnosticisme zich terug te trekken. Want wie van te voren reeds wanhoopt aan de zaak, welke hij voorstaat, maakt zich onbekwaam tot den strijd en bereidt zich zelf de nederlaag. Veeleer is het de roeping der geloovigen, om ook op wetenschappelijk terrein rekenschap te geven van de hope, die in hen is, en in vast vertrouwen op het goed recht der eigene zaak den tegenstanders den mond te stoppen en hunne aanvallen af te slaan. Er is immers aan het Christendom ook eene historische zijde; het bevat eeuwige Godsgedachten, maar die ingegaan zijn in de vormen van den tijd; het heeft tot middelpunt de vleeschwording des Woords, en rust op eene openbaring, welke eene lange, rijke geschiedenis heeft gehad, eene gansch eigenaardige geschiedenis zeer zeker, maar toch eene geschiedenis, die als zoodanig een bestanddeel vormt van het wereldgeheel en dus ook in zooverre voor historisch onderzoek toegankelijk is. Al zijn de bewijzen onvoldoende om de waarheid des Christendoms in het licht te stellen, aan de andere zijde is het toch even zeker, dat het geloof aan die waarheid geen recht van bestaan zou hebben, als het onhistorisch karakter der openbaring kon aangetoond worden. Want het geloof is geen vertrouwen alleen, het is ook een kennen en toestemmen, en kan bij kunstig verdichte fabelen niet leven.

Maar welke waarde ook in den strijd met allerlei tegensprekers aan deze bewijzen zijn toe te kennen, zij kunnen de waarheid des Christendoms niet boven allen twijfel verheffen en daarom ook de laatste grond des geloofs niet zijn. De openbaring, op welke het Christendom |56| rust, is historie, zeer zeker; zij bestaat uit woorden en feiten, die in het leven en de geschiedenis der menschheid eene plaats hebben verkregen, maar zij wordt in heel hare ontwikkeling beheerscht door eene bijzondere Godsgedachte, zij is een organisme, dat door een eigen leven wordt bezield. Er werken krachten in, die niet aardsch maar hemelsch, niet tijdelijk maar eeuwig, niet menschelijk maar Goddelijk zijn. Vleesch is zij in heel hare verschijning, maar in dat vleesch woont het Woord, dat bij God en zelf God is. Gelijk geschiedenis in het algemeen geen som van voorvallen, maar een organisch geheel van onderling saamhangende, door ééne idee verbonden gebeurtenissen is, zoo maken de woorden en feiten, die tot het terrein der bijzondere openbaring behooren, een systema uit, dat door ééne gedachte, één plan, één doel wordt beheerscht. Wie deze gedachte niet kent, verstaat de openbaring niet. Hij snijdt uit haar organisme het hart, de ziel, het leven weg, en houdt niets dan een dor geraamte over, dat in zijne bestanddeelen uiteenvalt en voor het knekelhuis bestemd is. De woorden en feiten, die aan de openbaring hun waarde ontleenen, verliezen hun zin en beteekenis en moeten dan uit den aard der zaak op een natuurlijke wijze verklaard en naar een menschelijken maatstaf beoordeeld worden; met geen ander gevolg, dan dat de eenheid der Schrift, de eenheid des geloofs, de eenheid der kerk, de eenheid der theologische wetenschap onder de handen verdwijnt.

Want als de openbaringsgeschiedenis niet van uit haar eigen idee begrepen en beschreven wordt, houdt ze ook op, geschiedenis in den gewonen, natuurlijken zin te zijn. Immers stelt ons de Heilige Schrift ieder oogenblik teleur, als we haar denzelfden eisch stellen als aan gewone bronnen van historie. De boeken des Ouden Testaments stellen ons volstrekt niet in staat, om eene |57| gewone geschiedenis van het Israëlietische volk te schrijven. De Evangeliën zijn ontoereikend voor een geregeld verhaal van het leven van Jezus. En de Brieven laten ons ieder oogenblik in den steek, als wij daaruit het leven der apostelen of de geschiedenis der Christelijke kerk in de eerste eeuw willen leeren kennen. Al deze geschriften zijn bovendien vervaardigd van uit het standpunt des geloofs; geen hunner is het product van een zoogenaamd „vorauszetzungslos” wetenschappelijk-historisch onderzoek; alle zijn ze getuigenissen van geloovigen. Wie daarom buiten de openbaringsgedachte om eene gewone geschiedenis van Israël, van Jezus, van de apostelen wil schrijven, ziet zich, ten einde toch een doorloopend geheel te verkrijgen, ieder oogenblik genoodzaakt om tot hypothesen de toevlucht te nemen, om leemten met vermoedens en gissingen aan te vullen, om de bronnen voor zijne geschiedenis te emendeeren, te critiseeren, te registreeren eindeloos. Maar om al deze redenen zijn verstandelijke, wetenschappelijke bewijzen ook onvoldoende, om de waarheid der Christelijke religie te betoogen. Zij raken den buitenkant der feiten slechts, en dringen tot hun kern en wezen niet door. Zij leiden hoogstens op tot een historisch geloof, dat op Roomsch standpunt tot voorbereiding van de ontvangst der bovennatuurlijke genade in den doop voldoende moge zijn; maar ze brengen niet die echte, vaste verzekerdheid voort, welke naar Reformatorisch belijden de kern uitmaakt van het ware Christelijk geloof.

Om al deze redenen werd na en onder invloed van Schleiermacher door vele godgeleerden eene andere methode aanbevolen, om de waarheid der Christelijke religie te betoogen en den mensch te brengen tot de zekerheid des geloofs, n.l. de methode der ervaring. De openbaring toch, die in de Schrift, die vooral in den persoon van Christus ons geschonken is, draagt een |58| eigen karakter. Zij is geen inbegrip van wetenschappelijke stellingen, welke door bewijzen aan het verstand aannemelijk kunnen worden gemaakt; geen leer, waarmede het genoeg is dat het hoofd zijne instemming betuige. Maar ze is leven, ze bevat een religieus-ethischen inhoud, en dient om den mensch wijs te maken tot zaligheid, om hem onafhankelijk te maken van de wereld en te doen staan in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Daarom kan de waarheid dier openbaring alleen door het geweten, door het hart, door den wil des menschen worden erkend; om hare waarheid in te zien moet zij practisch ervaren, bevindelijk gekend, in de ziel doorleefd worden. De Schrift zegt het immers ook zoo duidelijk, dat alleen de reinen van hart God zullen zien, dat alleen de wedergeborenen zullen ingaan in het koninkrijk der hemelen, dat alleen die den wil des hemelschen Vaders willen doen, van Jezus’ leer zullen bekennen, dat zij uit God is dan of Hij van zichzelven spreekt. Niet tot den mensch als redelijk, maar tot den mensch als zedelijk wezen richt zich in de eerste plaats het Evangelie van Christus. Het stelt hem voor de ethische keuze, om aan wereld en zonde onderworpen te blijven, dan wel om onder invloed der werking, die er van Christus’ beeld in Schrift en gemeente uitgaat, een nieuw leven der vrijheid deelachtig te worden. Wie het laatste doet, bij het geloof der gemeente zich aansluit en het beeld van Christus op zich werken laat, die doet de zalige ervaring op, dat het Evangelie het geweten troost, het hart bevredigt, den wil sterkt; aan den ganschen mensch kracht tot een nieuw leven schenkt. En zulk een wordt door die ervaring van de waarheid der Christelijke religie, van de openbaring van Gods genade in Christus, van zijn eigen burgerschap in het koninkrijk der hemelen verzekerd. |59|

Natuurlijk is er daarbij onder hen, die op deze ervaring de waarheid des Christendoms en de zekerheid der zaligheid bouwen, groot verschil zoowel wat het karakter als wat den inhoud dier ervaring betreft. Sommigen denken hierbij nog aan eene ervaring, die vrucht is van eene bijzondere werking des H. Geestes; anderen achten ze product van het beeld van Christus, gelijk het uit de Schrift ons toespreekt en in de gemeente voortleeft; nog anderen brengen ze in nauw verband met en zien er niet veel meer in dan eene ontwikkeling van die godsdienstige, zedelijke ervaringen, welke in geweten en hart van tijd tot tijd gemaakt worden door iederen mensch. En evenzoo is er groot verschil over den inhoud dezer ervaring. Daar zijn er, die uit haar eene gansche confessioneele dogmatiek, bijvoorbeeld die van de Luthersche kerk, trachten op te bouwen; anderen leiden uit haar de religieus-ethische waarheid der Schrift of de leer over den persoon en het werk van Christus af; nog anderen meenen, dat voor deze ervaring alleen vaststaat het „innere Leben” van Christus, dat wil zeggen de zedelijke grootheid van Jezus, afgedacht van zijne wonderen, zijne bovennatuurlijke geboorte, zijne opstanding en hemelvaart; en zelfs is in den laatsten tijd door Harnack beweerd, dat de persoon van Christus in het Evangelie niet thuis behoort.

Dit ver uiteenloopend verschil over aard en inhoud der ervaring, maakt het reeds voor een iegelijk duidelijk, dat wij bij haar tusschen waarheid en dwaling behoorlijk onderscheid moeten maken en tegen misverstand op onze hoede moeten zijn. En bij eenigszins dieper nadenken worden wij hiervan hoe langer hoe meer overtuigd. Immers, indien wij ervaring nemen in den zin van waarneming door de zintuigen zooals wij doen wanneer wij van ervaringswetenschappen spreken, dan kan er op het gebied der godsdienstige kennis van geen ervaring sprake |60| zijn. Want de eigenlijke inhoud van het Christelijk geloof, hetzij deze ruimer of enger genomen worde en alleen enkele zedelijke waarheden, of ook den persoon van Christus, de triniteit, de vleeschwording, de voldoening enz. behelze, heel deze inhoud is voor geen waarneming vatbaar. Hij kan niet gezien, of gehoord, gemeten of gewogen worden, en het is gansch onmogelijk, om de waarheid van dat geloof door een experiment vast te stellen. Indien ervaring hier echter in den zin van bevinding genomen wordt, dan is het zeker boven allen twijfel verheven, dat het Christelijk geloof een schat van bevindingen meebrengt. Gevoel van schuld, bekommering vanwege de zonde, aanklacht der conscientie, vreeze voor dood en eeuwigheid, behoefte aan verlossing, hope op Christus, vrede in Zijn bloed, verzoening met God, gemeenschap met Hem door den Heiligen Geest, vertroosting des harten, vreugde der ziel, voorsmaak des eeuwigen levens en zoovele andere verootmoedigende en vertroostende ervaringen meer zijn in sterker of zwakker mate het deel van allen, die den Christelijken heilsweg bewandelen. Eene wereld van aandoeningen, heel den toonladder doorloopende van de taal der diepste verbrijzeling af tot den jubeltoon der zaligste zielsverrukking toe, wordt door het Christelijk geloof in het harte gewekt. Maar al deze ervaringen onderstellen, vergezellen en volgen het geloof, zij zijn er geen grond van en gaan er niet aan vooraf. Wie de leer der Schrift over de zonde niet gelooft en daarin geen openbaring Gods erkent, zal ook niet door schuldbesef getroffen en verslagen worden. Wie in Christus geen Zaligmaker der wereld belijdt, zal in zijn bloed geen verzoening voor zijn zonden zoeken. Wie aan den Heiligen Geest niet gelooft, komt niet tot het smaken zijner gemeenschap. Wie het bestaan van God in twijfel trekt, kan niet roemen in de vreugde, Zijn kind en erfgenaam te |61| zijn. In één woord, die tot God komt, moet gelooven dat Hij is, en een belooner dergenen, die Hem zoeken.

Al deze waarheden, die den inhoud uitmaken van het Christelijk geloof, zijn ook uit den aard der zaak niet persoonlijk te ervaren. Wij brengen ze immers niet als ingeschapen ideeën bij onze geboorte mede; wij kunnen ze niet door inspannend denken uit den verborgen schat van ons hart te voorschijn brengen; wij kennen ze alleen, wanneer ze van buiten af ons worden medegedeeld. Niemand weet van nature, dat God, de Almachtige, Schepper is van hemel en aarde; dat Jezus Christus Zijn eengeboren Zoon is, ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gestorven is en begraven en nedergedaald ter helle, opgestaan en ten hemel gevaren, totdat Hij wederkomen zal om te oordeelen de levenden en de dooden; dat de H. Geest den mensch wederbaart en leidt in de waarheid; dat er ééne heilige, algemeene, Christelijke kerk is, aan welke uit genade de heilsgoederen geschonken zijn van de gemeenschap der heiligen, de vergeving der zonden, de wederopstanding des vleesches en het eeuwige leven. Al deze waarheden komen den mensch van buiten af toe. Zij zijn hem alleen uit de openbaring bekend, en zij worden zijn eigendom slechts, wanneer hij ze kinderlijk aanneemt door het geloof. Het geloof, ook het eigenlijke, zaligmakende geloof sluit dus altijd een kennen in, geen rechtstreeksch, geen onmiddellijk kennen, geen kennen van aangezicht tot aangezicht, geen aanschouwen dus; ook geen kennen door eigen onderzoek, door redeneeringen en bewijzen, door waarneming en experiment; maar een kennen door middel van een geloofwaardig getuigenis. En eerst als de waarheid op die wijze gekend en erkend is, kan ze vertrouwen wekken en allerlei ervaringen en bevindingen in het hart |62| teweeg brengen. Zoolang er nog iets eigenaardigs van de Christelijke religie wordt overgehouden, kan aan het geloof dit kennend en toestemmend element niet worden ontzegd; eerst dan, wanneer het geloof geheel en al van zijn Christelijk karakter en zijn Christelijken inhoud wordt beroofd, kan het dit bestanddeel verliezen, maar houdt het daarmee ook op een religieus begrip te zijn. Bij het rationalisme, dat nog aan de trilogie God, deugd en onsterfelijkheid vasthoudt, valt daarom het zwaartepunt niet meer in het geloof maar in de werken, niet in de religie maar in de moraal.

Ten overvloede blijkt het ongenoegzame van deze methode der ervaring daaruit, dat beurtelings alles en niets uit haar afgeleid wordt. En dit niet ten onrechte. Religieuze aandoeningen en ervaringen wekt iedere godsdienst. Indien die aandoeningen en ervaringen recht geven, om tot de waarheid van het geloof en van zijn inhoud te besluiten, indien naar het hedendaagsch spraakgebruik „Werthurtheile” grond en bewijs van „Seinsurtheile” zijn, dan kan de Buddhist uit zijne ervaring de waarheid van het Nirvana, de Mohammedaansche mysticus uit zijne bevinding de realiteit van den zinnelijken hemel, de Roomsche Christen uit zijn religieus gevoel het recht der Mariavereering afleiden. En allen kunnen met Zinzendorf als laatsten grond voor hun geloof aangeven: es ist mir so, mein Herz sagt mir das. In het wezen der zaak komt deze methode der ervaring met die van het Piëtisme overeen, dat de orde omkeerde en de bevinding tot grondslag legde van het geloof. Maar er bestaat dan toch altijd dit verschil. Het Piëtisme trad er mede op tegen eene doode orthodoxie, maar bedoelde niet om de objectieve waarheid van de Christelijke religie daarmede in twijfel te trekken. Doch in den nieuweren tijd is deze methode aanbevolen, juist omdat men de vastigheid des geloofs |63| verloren had, en geen anderen weg zag om haar terug te erlangen. Zij is opgekomen, nadat Kant het kenvermogen tot de zinnelijk-waarneembare wereld beperkt en de historische critiek de waarheid der Schrift in twijfel getrokken had. Zij is een kind van het ongeloof, maar koestert daarbij de stille hoop, toch nog eenig geloof te kunnen blijven behouden. Zij is eene zachte verzuchting, dat de wetenschap het binnenste heiligdom des gemoeds moge ontzien en daar de plant der religie ongemoeid late tieren. Zij wil alles, de gansche wereld, de natuur, de geschiedenis, en bijna den geheelen mensch met zijn gewaarwording en waarneming, geheugen en verbeelding, verstand en rede aan de positivistische wetenschap overlaten, mits het haar vergund zij, om ergens diep in het hart van den mensch een kleine, bescheidene plaats voor het geloof te behouden. En daarom geeft zij bolwerk na bolwerk prijs, laat de emancipatie en secularisatie zelfs toepassen op verreweg het grootste gedeelte der theologie en der dogmatiek, en houdt bij monde van haar consequentste tolken niets anders dan eenige algemeene, godsdienstige denkbeelden over.

En toch, al leidt deze methode der ervaring niet tot het beoogde doel, wij mogen haar dankbaar zijn voor de herinnering, dat het Christendom geen wetenschap en geen wijsbegeerte maar godsdienst is. Zijne waarheid kan niet van te voren aan den zoogenaamden onbevooroordeelden onderzoeker worden aangetoond. Er zijn geen wetenschappelijke bewijzen of wijsgeerige redeneeringen, die den mensch tot aanneming van het Evangelie bewegen kunnen. In het algemeen geldt reeds, gelijk boven gezegd is, de regel, dat er niet valt te redeneeren met wie in beginselen tegenover ons staat. Maar veel meer is dit hier op het terrein der Christelijke religie van kracht. Want het Evangelie van Christus |64| dient zich juist aan, als te staan boven en tegenover den natuurlijken mensch; het is wel voor hem bestemd maar komt niet met zijne gedachten, en neigingen overeen; het geeft er zich voor uit, van Goddelijken oorsprong te zijn en eischt daarom tot zijne erkenning een ander orgaan, dan wat den mensch krachtens zijne geboorte eigen is. Indien het Evangelie dan ook te voren door wetenschappelijke redeneeringen aannemelijk kon gemaakt worden, zou het daarmede niet winnen maar verliezen in kracht; het zou ermede van zijn bijzonder karakter, van zijn Goddelijken oorsprong, van zijn religieuzen inhoud, van zijne zaligmakende strekking beroofd en tot eene gewone, verstandelijke, menschelijke, feilbare leer verlaagd worden. Eene wetenschappelijke bewijsvoering kan en mag aan het Christelijk geloof dus niet voorafgaan; en het behoeft ook niet.

Want hoe men het Evangelie ook beschouwt en wat men er ook van erkenne of niet; één ding is zeker, dat het, niettegenstaande alle bestrijding, aan menschen verkondigd wordt van eeuw tot eeuw, en dat het, ondanks alle verschil van opvatting, toch naar alle belijdenissen tot hoofdinhoud heeft, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. En zoo komt het Evangelie tot een iegelijk, die er op vroegeren of lateren leeftijd mede in aanraking komt. Of hij het wil of niet, of hij het aanneme of verwerpe, het komt tot hem en roept hem tot geloof en bekeering. Aan dit feit is niets te veranderen. Dat het Evangelie ons bekend gemaakt wordt en ons voor den eisch des geloofs en der bekeering stelt, heeft niet in onzen wil zijne oorzaak, maar rust op eene beschikking Gods. Hij is het, die ons uit Christenouders geboren, in eene Christelijke omgeving opgevoed laat worden, en zonder eenige verdienste of waardigheid onzerzijds met den weg des heils in Christus ons bekend maakt. In de natuur laat God |65| zich aan niemand onbetuigd; Hij bewijst zijn bestaan niet en maakt het niet van ons onderzoek afhankelijk, maar Hij betuigt zichzelven aan ons hart en geweten door natuur en geschiedenis, door leven en lot, en deze getuigenis is zoo machtig, dat geen mensch er zich aan onttrekken, dat niemand haar op den duur en ten allen tijde weerstaan kan. Er moge tegen het bestaan van een persoonlijk God nog zooveel zijn in te brengen, tal van verschijnselen en gebeurtenissen mogen er niet mede te rijmen zijn; desniettemin staat het vast voor ieder menschenkind. Zoo is het ook met het Evangelie van Christus. Het bestaat, het wordt tot ons gebracht op velerlei wijze en in zeer verschillende omstandigheden, het treedt ons ieder oogenblik op onzen levensweg tegemoet.

En daarbij laat het niet na, indruk te maken op ons aller gemoed. Wijl het zijne waarheid niet van redeneeringen en bewijzen afhankelijk maakt, gaat het daarvoor ook niet uit den weg. Dan juist, als wij meenen het door onze wijsheid als dwaasheid te hebben tentoongesteld, openbaart het zich als de wijsheid Gods en de kracht Gods. Het richt zich ook niet, als alle menschelijke wetenschap, tot ons verstand, om zich te laten onderzoeken en daarna als waarheid aangenomen of als dwaling verworpen te worden; het wil niet geoordeeld wezen naar onzen maatstaf en niet gerechtvaardigd worden voor onze rechtbank. Maar het verheft zich hoog boven ons inzicht, werpt zich op als een oordeelaar van onze gedachten en wenschen, en daagt ons met al wat we hebben en zijn voor zijne vierschaar. Het richt zich tot den ganschen mensch, tot verstand en rede, tot hart en geweten, tot den mensch in het verborgenste, in de kern van zijn wezen, tot den mensch in zijne verhouding tot God. Het onderstelt niets bij hem, dan alleen dat hij een zondaar is, die verzoening |66| en vrede en zaligheid behoeft. En deze belooft en schenkt het hem dan in den weg van geloof en bekeering.

In beide opzichten beantwoordt het Evangelie aan de zuiverste en schoonste idee van godsdienst, welke wij ons vormen kunnen. Want eenerzijds is het niets anders dan een blijde boodschap van genade en zaligheid. Het stelt geen enkelen eisch, geen eisch van leeftijd of geslacht, van volk of taal, van rijkdom of stand. Het stelt geenerlei voorwaarde, het vraagt niets, het eischt niets, het is geen wet maar tegendeel van alle wet; het is algemeen menschelijk en volstrekt universeel, omdat het niets onderstelt dan wat allen menschen eigen is, behoefte aan verlossing uit de ellende der zonde. En dienovereenkomstig stelt dat Evangelie aan de andere zijde den mensch voor niets anders dan voor eene zedelijke keuze, voor de keuze, om de gave van Gods genade in den geloove aan te nemen, of om ze in hardigheid des harten te versmaden. Dat het bij geloof en ongeloof niet om een verschil van inzicht maar om zulk eene zedelijke keuze gaat, daarvan legt het geweten getuigenis af bij een iegelijk, die onder het Evangelie leeft. Omdat ieder mensch van tijd tot tijd door een gevoel van schuld en ellende gedrukt wordt, komt in de beste en heiligste oogenblikken van zijn leven onwillekeurig de vraag bij hem op, of het Evangelie toch niet Goddelijke waarheid zou zijn. Een ongeloovige is nooit zeker van zijne zaak. Wie der menschen gelooft, wie kan onwankelbaar vast gelooven, dat Jezus Christus niet in de wereld is gekomen, om zondaren zalig te maken? Wie heeft voor dit negatieve geloof zijn naam en zijn eere, zijn goed en zijn leven veil? Wie durft, wie kan met zulk een ontkenning den brandstapel beklimmen of vroolijk den marteldood tegemoet treden? De negatie kweekt geen martelaars en bewijst daarmede, dat zij niet in |67| verstandelijke bedenkingen, in wijsgeerige redenen, in critische twijfelingen, maar in de hardheid des harten haar diepsten grond en oorsprong heeft. En deze zedelijke schuld van het ongeloof komt weder aan de waarheid des Evangelies ten goede. Want ten slotte kan geen religie de ware wezen, die mij, in geval van versmading, niet in mijn geweten schuldig stelt voor God.

Dat bij de keuze vóór of tegen het Evangelie van Christus eene zedelijke beslissing in het spel is, wordt ook daarin openbaar, dat het geloof, hetwelk de beloften des Evangelies omhelst, allen dwang buitensluit. Niemand gelooft tegen zijn wil; het geloof is eene werkzaamheid des verstands, dat tot de erkenning van de waarheid des Evangelies bewogen is door den wil. Bij het geloof is daarom de gansche mensch betrokken, met zijn verstand, met zijn wil, met zijn hart, de mensch in de kern van zijn wezen, in het innerlijkste van zijn bestaan. In het geloof geeft de mensch, die zich schuldig en verloren kent, aan Gods genade in Christus zich over; hij geeft den strijd op, dien hij zoo lang tegen het getuigenis des H. Geestes in zijne conscientie gestreden heeft; hij leidt al zijne gedachten gevangen tot de gehoorzaamheid van Christus. In de religie gaat het altijd, gelijk wij vroeger zeiden, om het hoogste belang, om het hoogste goed, dat de mensch voor zichzelven kent, om zijn eigen leven, om het behoud zijner ziel. De Christelijke religie doet ons weten, dat dat hoogste goed voor den mensch alleen in God gelegen is, in zijne gemeenschap, in de hemelsche zaligheid. Zoo is het geloof dus eene door en door persoonlijke zaak, een weder aanknoopen van den band, die de ziel aan God verbindt; een varen laten van alle schepselen, om in nood en dood alleen op God het vertrouwen te stellen; een niet aanmerken van de dingen, die men ziet, om alleen te rekenen met de dingen, die onzienlijk |68| maar die tevens eeuwig en onvergankelijk zijn.

Hoe de geloovige daartoe komt, weet hij zelf niet te verklaren. Alle oorsprongen zijn met den sluier van het mysterie bedekt, alle geboorte is uit duisternis tot licht. De wind blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt noch waar hij henengaat; alzoo is een iegelijk die uit Gods Geest geboren wordt. De blindgeborene kon alleen getuigen: één ding weet ik, dat ik eertijds blind was en dat ik nu zie. Zoo ziet en beoordeelt en waardeert de mensch alles anders, die tot het geloof in Christus komt. Wat hem vroeger dwaasheid was, eert hij thans als Goddelijke wijsheid; wat hij eertijds als ergernis verwierp, acht hij thans zijn hoogsten roem. Al komt er ook alles tegen in verzet, al pleit de schijn aller dingen in zijn nadeel, al klaagt hem zijn eigen geweten en heel de wereld aan, dat hij zwaarlijk tegen alle de geboden Gods gezondigd heeft en nog steeds tot alle boosheid geneigd is, de geloovige kan niet anders getuigen, dan dat God hem uit loutere genade de gerechtigheid van Christus zoo schenkt en toerekent, als hadde hij nooit eenige zonde gehad of gedaan, ja als hadde hij zelf alle gehoorzaamheid volbracht, welke Christus voor hem volbracht heeft. Gelooven, dat is dus inderdaad een daad van zedelijke energie, een daad van de hoogste geestelijke kracht, het is het werk Gods bij uitnemendheid wijl het zijne kostelijkste en heerlijkste gave is. Het is een vasthouden van God als ziende den Onzienlijke, een kennen van zijne liefde, een steunen op zijne genade, een hopen op zijne trouw.

En van dit centrum uit voelt de geloovige zich in de gemeenschap der heiligen steeds inniger verkleefd aan de gansche leer der waarheid, aan het volle, rijke getuigenis van apostelen en profeten, aan heel de Heilige Schrift als het Woord Gods. Naarmate hij opwast, groeit hij te |69| vaster in dat Woord in, leert hij het beter kennen en waardeeren. Met dezelfde daad des geloofs omhelst hij Christus, wiens beeld alleen zuiver in de Schrift hem voor oogen geschilderd wordt, en de Schrift, die van dien Christus getuigt. Daarom is het geloof ook niet de grond, die de waarheid draagt, noch de bron, waaruit de kennis hem toevloeit, maar het orgaan der ziel, waardoor hij de objectieve, in zichzelve rustende waarheid erkent, de emmer, waarmede hij uit de fontein van Gods Woord het water des levens schept. Bij alle waarnemen en denken is er een samenstemming noodig tusschen object en subject. Het is niet genoeg dat de zon aan den hemel schijnt; de mensch heeft ook een oog van noode, om die zon bij haar eigen licht te aanschouwen. Het is niet voldoende, dat de zichtbare wereld belichaming van gedachten is, de mensch behoeft ook een verstand, om die gedachten na te speuren en in zijn bewustzijn op te nemen. Zoo ook is de geloovige niet anders dan de normale mensch, wiens oog weer ontsloten werd voor de eeuwige en hemelsche dingen, wiens hart weer heeft leeren verstaan de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen. Niet uit het geloof bouwt de Christen zijne kennis der waarheid op, maar door het geloof dringt hij steeds dieper door in de geheimen des heils. Het Woord Gods is dus altijd de vaste grond, waar op hij staat, de rots, waaraan hij zich vastklemt, het uitgangspunt van zijn denken, de bron zijner kennis, de regel zijns levens, het licht op zijn pad en de lamp voor zijn voet.

Maar aan deze zekerheid der waarheid heeft de Christen niet genoeg, hij heeft daarbij ook behoefte aan zekerheid des heils. Dan eerst komt hij tot rust en roemt hij in de vrijheid der kinderen Gods, als zijn geloof niet alleen zeker is van het voorwerp, waarop het steunt, maar ook zeker is van zichzelve. Deze |70| beide soorten van zekerheid zijn echter, schoon onderscheiden, niet van elkander gescheiden; zij hangen onderling ten nauwste samen, de eene bestaat niet zonder de andere. Het is in dezen met het geloof als met het weten gesteld. Aan het weten is het eigen, niet alleen van zijn object, maar daarmede tegelijk ook van zichzelf ten volle verzekerd te zijn. Als wij iets weten, goed en zeker weten, dan weten wij daarmede tegelijk, vanzelf en onmiddellijk, dàt wij het weten. Het echte, ware weten sluit allen twijfel aangaande zichzelve uit. Het komt tot die zekerheid aangaande zichzelve, niet door redeneering, door zelfbespiegeling, door een logische conclusie; maar het licht, dat de kennis over het gekende object doet opgaan, valt onmiddellijk op haar zelve terug en verdrijft alle duisternis. Zoo is het ook met het geloof. Het geloof, dat waarlijk dien naam verdient, brengt zijn eigen zekerheid mede. Indien wij de beloften Gods, in het Evangelie geopenbaard, bijv. de vergeving der zonden, van harte gelooven, dan gelooven wij tevens, dat wij die weldaad der vergeving persoonlijk voor onszelven uit genade deelachtig zijn; het eerste is zonder het laatste niet mogelijk. Zekerheid aangaande de waarheid de Evangelies is er immers, alleen te verkrijgen in den weg van het persoonlijk, zaligmakend geloof. En evenals het weten, komt het geloof tot die zekerheid aangaande zichzelf, niet door logische redeneering, door steeds zichzelf te bespieden en na te denken over zijne eigene natuur; de „Kritik der reinen Vernunft” is zelden aan de bevestiging onzer zekerheid bevorderlijk. Maar onmiddellijk en rechtstreeks, vloeit de zekerheid uit het geloof zelve ons toe; de zekerheid is eene wezenlijke eigenschap des geloofs, zij is er onafscheidelijk van en behoort tot onze natuur.

Wel is in de Christenen, ook zelfs in de allerheiligsten, nog menigmaal met het geloof de twijfel |71| gemengd, maar die twijfel heeft toch uit den aard der zaak niet in den nieuwen, maar in den ouden mensch zijn oorsprong. Als het voorwerp des geloofs onder het licht des Geestes zich plaatst voor het oog der ziel, dan wordt door datzelfde licht vanzelf ook het geloof bestraald en boven allen twijfel verheven. Zooals de Israëlieten in de woestijn dan alleen genezing ontvingen, wanneer zij niet inzagen in zichzelven maar opzagen naar de verhoogde slang, zoo wordt de geloovige van zijne zaligheid zeker, wanneer hij ze niet van zijn geloof, maar door het geloof van Gods genade verwacht. Wel is en blijft deze zekerheid altijd eene zekerheid des geloofs, in oorsprong en natuur van de wetenschappelijke grootelijks onderscheiden, maar zij is er niet minder vast en ontwijfelbaar om. Want zij rust op geen menschelijke redeneering, doch op het Woord, op de beloften Gods, op het Evangelie, dat geen enkele voorwaarde stelt maar alleen verkondigt, dat alles volbracht is, en dat wij niets anders hebben te doen, dan tot dien volbrachten arbeid in te gaan en er eeuwig in te rusten.

De Christelijke kerk heeft helaas dit rijke, vrije Evangelie dikwerf niet aangedurfd en het menigmaal pasklaar gemaakt naar de meeningen der menschen. Reeds in de dagen van Paulus maakten velen zich bezorgd, dat alzoo de genade misbruikt zou worden tot eene oorzaak voor het vleesch, dat men de zonde zou gaan doen, opdat de genade te meerder mocht worden. Op allerlei wijze en in allerlei manier is het Evangelie daarom menigmaal in eene wet, Gods gave in een eisch, Zijne belofte in eene voorwaarde verkeerd. In de Roomsche kerk moesten vele goede werken, in de Protestantsche moesten allerlei ervaringen en bevindingen voorafgaan, eer men dit rijke Evangelie van Gods genade waarlijk gelooven en zichzelven toeëigenen mocht. Het recht, de vrijmoedigheid, om te gelooven, werd |72| eerst aan het einde als vrucht van eene reeks goede werken of echte bevindingen door de priesters der kerk of door de keurmeesters van het geestelijk leven aan den geloovige toegekend. Het geloof werd door eene lange reeks van werkzaamheden van zijn voorwerp, de genade Gods in Christus, gescheiden, en tot bespieding en navorsching van zijn eigen ontwikkelingsgang verplicht. Alles met geen ander gevolg, dan dat het zijne vastheid verloor, dat het op de wiegelende golven der bevinding steeds op en neder werd geworpen, en vergeefs in zichzelve zocht, wat het alleen buiten zich, in Christus kon vinden.

Het geloof kàn immers naar zijn aard en wezen nergens in rusten, dan in een woord Gods, in eene belofte des Heeren. Elke andere grond maakt het wankel en feilbaar, wijl hij menschelijk en dus onvast en onbetrouwbaar is. Alleen een woord Gods kan onze ziel doen leven en een onwrikbaar fundament leggen onder het gebouw onzer hope. Indien dan ook al het menschelijke tusschen Gods genade en ons geloof wegvalt, indien ons geloof rechtstreeks en onmiddellijk aan Gods belofte zich aansluit, dan is het vanzelf zeker en vast. Want het geloof rust dan niet op een onderwerpelijken, wisselenden, maar op een voorwerpelijken, blijvenden grondslag. En de onwankelbaarheid van den grondslag deelt zich vanzelf mede aan hem, die, uit de schipbreuk des levens gered, door het geloof met beide voeten er plaats op neemt. Laat de plante des geloofs daarom maar wortelen in den bodem van de beloften Gods, zoo draagt zij de zekerheid vanzelve als vrucht. En hoe dieper en vaster het zijne wortelen in dien bodem inslaat, hoe krachtiger het opwast, hoe hooger het opschiet, hoe rijker vruchten het draagt.

De aard van dit geloof maakt het daarom ook onmogelijk, dat zij, die er den Heere Christus door |73| ingeplant zijn, niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid. De werkheiligen zijn ten allen tijde bevreesd geweest voor de zedelijke schade van een geloof, dat enkel en alleen op Gods belofte steunt. Maar die vreeze is gansch overbodig en ijdel. Want in zekeren zin is er geen dood en werkeloos geloof. Alle geloof, ook het gewone, dagelijksche geloof, en evenzoo op godsdienstig gebied het, historisch- en het tijd- en het wondergeloof, draagt vruchten, maar vruchten naar zijn aard. Als wij, van huis zijnde, bericht ontvangen dat onze woning of ons gezin door eene groote ramp getroffen werd, en wij gelooven dat, dan laat dat geloof ons niet koud en onverschillig, maar het zet ons terstond aan het werk en drijft ons in den grootsten spoed huiswaarts. De duivelen, zegt de Schrift, gelooven dat God een eenig God is, en omdat zij dat werkelijk gelooven en het niet kunnen ontkennen, daarom sidderen zij. Ook het historisch geloof, dat de Christenheid in vroeger tijd algemeen aan de waarheden des Evangelies bond, was niet zonder vrucht, want het volk werd er in zijne breede kringen door onder beslag gehouden en voor vele schrikkelijke zonden behoed. En al is het, dat huichelarij toen niet ongewoon was en vele ongerechtigheden in het geheim werden bedreven; juist die huichelarij was toch nog eene hulde, door de dwaling aan de waarheid, door de zonde aan de deugd gebracht, en zeker niet erger dan de schrikkelijke „oprechtheid”, waarmede thans in onze maatschappij de ontzettendste gruwelen schaamteloos worden gepleegd. Elk geloof draagt dus vruchten, al naar gelang van zijn voorwerp en zijn wezen. Al naarmate het voorwerp van ons geloof eene goede of eene kwade tijding, eene belofte of bedreiging, een verhaal of voorspelling, evangelie of wet is, verschilt het zelf in karakter en is ook de vrucht onderscheiden, welke het draagt in ons leven. |74| Indien dit nu reeds geldt van alle geloof, hoeveel te meer zal het dan gelden van dat geloof, dat wortelt in eene geestelijke vernieuwing des harten, het Evangelie waarlijk opvat als eene blijde boodschap, en alleen op Gods genade in Christus steunt? Het kan geene zorgelooze en goddelooze menschen maken, maar het draagt vruchten, vruchten naar zijn aard, vruchten, die den Vader verheerlijken.

In die vruchten wordt dan weder de echtheid, de gezondheid, de kracht des geloofs openbaar. Bevindingen en goede werken kunnen nooit van te voren de waarheid des geloofs bewijzen. Want alle echte bevinding en alle deugdelijk werk is geen wortel maar vrucht des geloofs. Dan eerst, als de beloften des Evangelies door het geloof zijn toegeëigend, oefenen zij door het bewustzijn heur invloed op ons hart en ons leven. Het gevoel volgt op het verstand en de wil wordt door beide bestuurd. Het geloof is het beginsel van het leven des gemoeds en de bezielende kracht van de werken onzer hand. Indien daarentegen het geloof niet voorafgaat, komt er geen echte bevinding en geen waarlijk goed werk tot stand. Want zoolang wij niet vast en zeker gelooven, verkeeren wij nog in twijfel, voelen wij nog angst en vreeze, en hebben wij nog niet de vrijmoedigheid en het vertrouwen van kinderen Gods. Dan hebben wij ook altijd nog veel te veel met ons zelven te doen, dan dat wij aan de werken der liefde tot God en den naaste onze aandacht zouden kunnen wijden. Het oog der ziel blijft dan steeds naar binnen geslagen en ziet niet ruim en vrij in de gansche wereld rond. Wij hebben dan nog altijd in meerdere of mindere mate den geest der dienstbaarheid tot vreeze; wij gevoelen ons nog verre van God en leven niet uit Zijne gemeenschap, wij koesteren nog steeds heimelijk de gedachte, dat wij Hem door onze gestalten of deugden moeten behagen; |75| en werken nog uit een wettisch beginsel; wij zijn nog dienstknechten maar geen zonen. Doch indien wij door het geloof onmiddellijk ons aansluiten bij de beloften Gods en in Zijne rijke genade ons standpunt nemen dan zijn wij ook Zijne kinderen, en ontvangen den Geest van de aanneming tot kinderen, den Geest die bij dit kindschap past en die met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. En dan voelen wij ons kinderen, hebben de gestalte en de bevinding van kinderen, en doen vanzelf ook goede werken, niet als knechten om loon, maar als kinderen uit dankbaarheid.

Indien wij nu kinderen zijn, zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Christus. De omkeering der heilsorde, dat is de scheiding des geloofs van zijn eenig passend object, had in vorige tijden ook ten gevolge, dat de vromen meer en meer met zichzelven en met elkander in gezelschappen zich bezig hielden en heel de wereld overlieten aan eigen lot. De piëtistische Christenen trokken met voorliefde uit het woelige leven in hun eigen intiemen kring zich terug. Het godsdienstige, het geestelijke leven was het eenig ware leven, en drong allen anderen arbeid als van veel mindere waarde terug. Men had nu eenmaal wel een man, eene vrouw, een gezin, een beroep in dip maatschappij, en men moest er eenige zorg aan wijden. Maar men deed het met zeker gevoel van tegenzin; het stond in scherp contrast met het geestelijk leven, het scheen altijd min of meer een dienen der wereld te zijn, in elk geval het was een leven van lagere orde en van minderen rang. Neer te zitten in stille overpeinzing, of in den kring der vromen te vertellen, wat God aan de ziel had gedaan — dat was het ware leven, dat het ideaal van den vrome, dat de bestemming van den Christen. Deze opvatting van de aardsche levenstaak vloeide uit de bovengenoemde omkeering der |76| heilsorde voort. Een Christen was een bekommerd, zuchtend mensch, die eerst heel aan het einde van zijn leven, na eene lange reeks van bevindingen komen kon tot de verzekerdheid des geloofs en daarmede tot de ruste der ziel. Deze werd dus, in plaats van uitgangspunt, het doel van zijn streven. Zalig te worden, werd het voorwerp van al zijn begeeren. Onzeker aangaande eigen staat, had hij genoeg met zichzelven te doen, en miste hij den moed en de kracht, om het oog naar buiten te slaan en het werk der hervorming ter hand te nemen. Genoeg was het hem, als hij aan het einde van zijn moeitevol leven maar opgenomen mocht worden in den hemel; de aarde gaf hij gaarne aan de dienaren der wereld over.

Daar spreekt uit deze richting eene hoogschatting en behartiging van het ééne noodige, welke ons in de drukte van het hedendaagsche leven al te zeer ontbreekt. Terwijl de Christenen in vroeger dagen om zichzelven de wereld vergaten, loopen wij gevaar om in de wereld onszelven te verliezen. Wij zijn er heden ten dage op uit, om de gansche wereld te bekeeren, om alle levensterrein, gelijk het heet, voor Christus te veroveren; maar wij laten menigmaal na, te vragen, of wij zelven in waarheid tot God zijn bekeerd en in leven en sterven het eigendom van Christus zijn. En toch, op die vraag komt het wel degelijk aan; zij mag niet, onder het brandmerk van piëtistische of methodistische bekrompenheid, uit ons persoonlijk of kerkelijk leven gebannen worden. Wat zou het een mensch baten, of hij de gansche wereld, zelfs voor zijn Christelijk stelsel gewon, indien hij zijner eigene ziele schade leed?

Maar dat neemt toch niet weg, dat de beteekenis van de Christelijke religie niet tot de redding en zaligheid van enkele zielen beperkt mag worden. Gansch anders komt de zaak dan ook te staan voor hem, die in |77| overeenstemming met de Schrift en met de belijdenis der Reformatie het geloof niet plaatst aan het einde, maar aan het begin van den heilsweg; die niet naar het geloof streeft maar uit het geloof leeft; die niet werkt, om te gelooven, maar gelooft om te werken. Zulk een Christenmensch heeft zijn steunpunt gevonden in de belofte van Gods genade in Christus; vast ligt het fundament zijner hope, want het ligt buiten hem, in het Woord Gods, dat nimmer zal wankelen. Hij behoeft niet telkens de echtheid en hechtheid van den grondslag te onderzoeken, waarop het gebouw zijner zaligheid is opgetrokken. Hij is een kind Gods, niet op grond van allerlei bevindingen der ziel, maar op grond van de belofte des Heeren. En daarvan verzekerd, kan hij nu vrij rondom zich zien en onbevangen genieten van alle goede gave en volmaakte gift, die er afdaalt van den Vader der lichten. Alles is het zijne, omdat hij van Christus en Christus Godes is. De gansche wereld wordt materiaal voor zijn plicht. Het religieuze leven heeft wel een eigen inhoud en eene zelfstandige waarde. Het blijft het centrum, het hart, de haard, van waaruit al zijn denken en handelen uitgaat, bezield en verwarmd wordt. Daar, in de gemeenschap met God, sterkt hij zich tot den arbeid, gordt hij zich aan voor den strijd. Maar dat verborgene leven der gemeenschap met God is toch het gansche leven niet. Het bidvertrek is wel de binnenkamer, maar niet de geheele woning, waarin hij leeft en verkeert. Het geestelijke leven sluit het huiselijk en burgerlijk, het maatschappelijk en staatkundig, het leven voor kunst en wetenschap niet uit. Het is er wel onderscheiden van, het is er in waarde ook ver boven verheven, maar het vormt er geen onverzoenlijke tegenstelling mede; veeleer is het de kracht, die tot de trouwe vervulling der aardsche roeping in staat stelt en heel het leven stempelt tot een dienen |78| van God. Het koninkrijk Gods is wel aan eene parel gelijk, tegen welker waarde de gansche wereld niet opweegt, maar het is ook gelijk aan een zuurdeesem, die het gansche deeg doorzuurt. Het geloof is de weg der zaligheid niet slechts, het is ook de overwinning der wereld.

In die overtuiging staat en arbeidt de Christen, gelijk de Schrift hem ons teekent, gelijk hij in den Catechismus van Heidelberg aan het woord is. Met God verzoend, is hij het ook met alle dingen. Omdat hij in den Vader van Christus den Almachtige, den Schepper van hemel en aarde belijdt, kan hij niet eng zijn van hart en niet nauw in zijne ingewanden. Priester in ’s Heeren tempel, is hij koning over de gansche aarde. Omdat hij Christen is, is hij mensch in vollen, waarachtigen zin. Hij heeft de bloemen lief, die er groeien aan zijn voet, en bewondert de starren, die fonkelen boven zijn hoofd. Hij veracht de kunst niet, die hem eene kostelijke gave Gods is, en hij smaalt niet op de wetenschap, die hem een gift is van den Vader der lichten. Hij gelooft, dat alle schepsel Gods goed is en dat er niets verwerpelijk is, met dankzegging genomen zijnde. Hij arbeidt niet om succes, en werkt niet om loon, maar hij doet, wat zijne hand vindt om te doen, ziende in het gebod en blind in de toekomst. Hij doet goede werken, eer hij eraan denkt, en draagt vruchten, voordat hij het weet. Hij is een bloem gelijk, die onbewust haar liefelijken geur rondom zich verspreidt. Hij is in één woord een mensch Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. En wijl het leven hem Christus is, is hem straks het sterven gewin.




a. Eerder gepubliceerd in: Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie, 9 (1901-1902) 3,129-198. Zie ook de latere drukken: 19032, 19183.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004