De Wereldverwinnende Kracht des Geloofs

Leerrede over 1 Joh. 5 : 4b, uitgesproken in de Burgwalkerk te Kampen den 30sten Juni 1901

door Dr. H. Bavinck

Kampen. — Ph. Zalsman. — 1901

a



Deze leerrede word uitgesproken bij gelegenheid, dat President Kruger met zijn gevolg, tijdens zijn bezoek aan Kampen, op Zondag 30 Juni l.l. in de vergadering der gemeente tegenwoordig was. Velen, die ze hoorden, gaven het verlangen te kennen, dat ze in druk verschijnen mocht. Hoewel ik ze niet letterlijk weergeven kon, maakte ik toch geen bezwaar, om aan dat vriendelijk verzoek te voldoen. Zakelijk komt ze geheel met het toen gesproken woord overeen.

B.




De negentiende eeuw, die nog slechts enkele maanden achter ons ligt, is door velen terecht de eeuw van ongeloof en revolutie genoemd. Maar nauwelijks zijn wij de twintigste eeuw ingetreden, of wij voelen onwillekeurig de vraag in ons opkomen: zal deze nieuwe tijdkring ons misschien een terugkeer tot het Christelijk geloof teaanschouwen geven en eene toepassing van de beginselen der reformatie op alle levensterrein?

Drie verschijnselen zijn het inzonderheid, die deze vraag doen rijzen in het hart. In de eerste plaats valt er bij de kentering der eeuw ook eene kentering te bespeuren in den stroom van het denken en streven der volken. De revolutie heeft aan de verwachting niet beantwoord; schier geen enkele van hare beloften is in vervulling gegaan; het paradijs, dat zij der menschheid voor de oogen spiegelde, werd tot heden op aarde niet gesticht. Veeleer heerscht er teleurstelling en onvoldaanheid alom. Er is moeheid des levens, oververzadigdheid der beschaving aan de eene; ontevredenheid en bittere klacht over de ellende |8| der maatschappelijke toestanden aan de andere zijde. En terwijl velen, zooals de radikalen en de socialisten, alleen heil verwachten van eene nog strengere en breedere toepassing der revolutiebeginselen, zijn er ook en komen er in toenemenden getale, die voor de gevolgtrekkingen der ongeloofsleer in de practijk terugdeinzen, en er weder toe neigen, om aan den godsdienst eene plaats in te ruimen in de onderscheidene kringen van het menschelijk leven. Klaarblijkelijk is de belangstelling in de religie bij vele kinderen van ons geslacht herleefd. In de plaats van drieste ontkenning is er getreden een erkennen en aanmerken van dingen, die men niet ziet. Zelfs is er een streven merkbaar, om langs ontoegankelijke wegen door te dringen van den schijn tot het wezen der dingen, van de zienlijke wereld tot den geheimzinnigen achtergrond, die haar draagt. Wat verkeerds er in deze nieuwe geestesstrooming zij op te merken; er is toch ook in, wat tot blijdschap en dankbaarheid stemt. Aan de verstandsheersobappij is een einde gekomen; het gemoed herneemt zijne rechten; op stofvergoding en zinnendienst heeft het geloof aanvankelijk zijn zege behaald.

De tweede gebeurtenis, welke de aandacht verdient en tot de boven gestelde vraag aanleiding geeft, is de oorlog in Zuid-Afrika. Daar zijn in den loop en ook tegen het einde der voorgaande eeuw vele oorlogen gevoerd; maar onder die alle is er geen, die zoo diep en in zulk een breeden kring de belangstelling heeft opgewekt, als de worsteling der beide Zuid-Afrikaansche Republieken om het behoud van heur vrijheid en onafhankelijkheid. Zeker |9| is daarvoor in de eerste plaats de reden te zoeken in het sprekende feit, dat bij geen oorlog der laatste tijden Recht en Macht zoo scherp belijnd tegenover elkander zich afbakenden, als bij dezen strijd van een klein volk tegen een machtigen staat. Het is het door Engeland op de snoodste wijze gekrenkte rechtsbesef, dat alle volken schier eenparig in sympathie en gave en gebed zich scharen deed aan de zijde der verdrukte Afrikaners. Maar bij de belangstelling, die het gekrenkte recht inboezemde, kwam toch ook de bewondering voor het eenvoudige, krachtige geloof, dat de kern van de heldhaftige Boerenstrijders in deze worsteling ten toon spreidde. Terwijl in de beschaafde wereld het ongeloof hand over hand toenam, stond daar eensklaps in Zuid-Afrika een volk op, gering in getal, klein van kracht, ongeoefend tot een geregelden krijg, maar sterk door zijn geloof, met geestdrift bezield voor het recht, voor de vrijheid tot iedere opoffering, hoe zwaar ook, bereid. En dat geloof heeft de wereld verbaasd en boven geweld en macht zijne sterkte getoond.

De derde gebeurtenis eindelijk, die ons spreekt van de kracht des geloofs, is de uitslag der politieke verkiezingen in ons vaderland. Zonder twijfel is er ook bij dezen dienst, welken wij als staatsburgers voor de eere Gods te verrichten hadden, vreemd vuur op het altaar gebracht. Lang niet allen, die aan dit werk deelnamen, lieten hunne keuze bepalen door den eisch van het Christelijk beginsel. Maar desniettemin mogen wij over den uitslag der verkiezingen ons dankbaar verblijden en, zij het ook met beving, ons verheugen. Wie het begin dezer eeuw met dat der vorige |10| vergelijkt, ziet de stoutste verwachtingen overtroffen. Boven bidden en denken heeft God aan zijn volk in deze landen welgedaan, het uitgebreid en bevestigd van dag tot, dag. En thans heeft blijkens de uitkomst der verkiezingen het volk van Nederland in zijne groote meerderheid verklaard: wij willen den weg des ongeloofs en der revolutie niet verder op; ook bij de regeering des lands begeeren wij, dat rekening gehouden worde met de Christelijke beginselen. Ons volk heeft bij de stembus eene schoone belijdenis afgelegd. En in die belijdenis is door het geloof een triumf over de wereld behaald.

Deze drie gebeurtenissen hebben mij tot het voornemen geleid, om in deze ure, waarin ook de President der Zuid-Afrikaansche Republiek en zijn gevolg met de gemeente van Christus te dezer plaatse in het huis des gebeds vergaderd is, tot U te spreken over de wereldverwinnende kracht des geloofs. Laten wij echter vooraf in dankzegging en gebed ons stellen voor des Heeren aangezicht en van Hem een zegen afsmeeken over ons samenzijn!


1 Joh. 5 : 4b.

En dit is de overwinning, die de wereld overwint, (namelijk) ons geloof.


Johannes wordt gewoonlijk en niet zonder reden de Apostel der liefde genoemd. Maar dit sluit in het minst niet uit, dat hij gedurig handelt over het geloof. In de |11| eerste vijf verzen van ons hoofdstuk weet hij er zelfs drie heerlijke dingen van te getuigen.

Ten eerste zegt hij, dat het geloof een nieuw levensbeginsel in den mensch inplant. Wie gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren. Hij is door dat geloof uit den dood in het leven overgegaan; hij is niet meer van beneden maar van boven; hij behoort niet langer tot de wereld maar is een kind van God, een burger der hemelen, een erfgenaam des eeuwigen levens. Want zoovelen Jezus als den Christus aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede noch uit den wil des vleesches noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.

Ten andere getuigt Johannes, dat het geloof in Jezus als den Christus eene sterke kracht is der liefde en der gehoorzaamheid aan Gods geboden. Wie gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, die heeft daarin ervaren de groote liefde, welke God in de zending van zijn Zoon en de verzoening door zijn bloed aan menschen heeft geopenbaard. En de ervaring dezer gadelooze liefde noopt hem, om met heel zijn ziel en verstand en alle krachten lief te hebben Dengene, die geboren heeft. Want God is de eerste. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad en zijnen Zoon gezonden heeft tot eene verzoening voor onze zonden. Doch daarna hebben wij ook Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft. En wie uit dankbare wederliefde God liefheeft, die heeft vanzelf ook lief allen, die met hem uit |12| God geboren zijn en tot hetzelfde huisgezin des Vaders behooren. Ja, hij ontvangt door het geloof eene innige begeerte, om niet alleen naar sommige maar naar alle Gods geboden in oprechtheid te wandelen. En die geboden zijn niet zwaar. Zwaar zijn de geboden der wereld en hard is haar dienst. Maar voor wie God liefheeft, zijn zijn geboden eene vermaking den ganschen dag. Het juk van Jezus is voor zijne discipelen zacht en zijn last is hun licht.

En ten derde verzekert ons Johannes dan in het vierde en vijfde vers van ons hoofdstuk, dat het geloof eene kracht is, die zelfs de wereld verwint. Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld. Het overwint die wereld door het geloof, door het geloof namelijk, dat Jezus is de Zone Gods. Ons zal, naar wij hopen, deze wereldverwinnende kracht des geloofs blijken, wanneer wij achtereenvolgens letten op

den tegenstand, dien dit geloof ondervindt,

het karakter, dat dit geloof draagt,

de zege, die aan dit geloof is beloofd.


I.

Alwat tegen het geloof overstaat, al de tegenstand, dien het ondervindt, de gansche macht der vijandschap, waartegen het te strijden heeft, vat Johannes onder den naam van de wereld samen. Het Grieksche woord, door wereld vertaald, beteekent eigenlijk sieraad en wijst er dus op, dat |13| het volk, hetwelk die taal sprak, de wereld vooral van hare schoone zijde beschouwde. Vanwege den rijkdom harer vormen en kleuren, vanwege haar harmonische orde en regelmaat werd ze door de Grieken bewonderd als een gewrocht van kunst, als een werk van schoonheid.

De Heilige Schrift heeft ook voor dit schoon der wereld een open oog. Wat de wijzen van Griekenland zelfs in de verste verte niet vermoedden, weet zij ons te verhalen, dat de almachtige en eeuwige God, die de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, de gansche wereld schiep door zijn woord; en dat Hij, aan het einde van zijn scheppingswerk gekomen, zag alwat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Maar ook na den val bezingt de Schrift de schoonheid der wereld nog menigmaal in machtige, gewijde taal. De hemelen vertellen Gods eer, het uitspansel zijner handen werk. Gods stem is op de groote wateren. Zijn adem vernieuwt het gelaat des aardrijks. Zijn voetstappen druipen van vettigheid. Zelfs de mensch is maar een weinig minder dan de engelen gemaakt, en is met eere en heerlijkheid gekroond. De Heere is aan allen goed, zijn naam is heerlijk over de gansche aarde, zijne barmhartigheden zijn over al zijne werken.

Maar toch blijft de Schrift bij deze aesthetische wereldbeschouwing niet staan. Wel verschilt zij ook hierin reeds hemelsbreed van de natuurvergoding der Heidenen, wijl zij in de gansche schepping Gods werk bewondert en zijne deugden roemt. Maar het is haar toch niet genoeg, om de schoonheid der wereld te prijzen. Zij legt aan het geschapene nog een anderen, een hoogeren, een zedelijken |14| maatstaf en toetst alles aan den eisch der Goddelijke gerechtigheid. En dan, dezen maatstaf aanleggende, spreekt zij het uit, dat die wereld niet is, die zij wezen moest. Zij is gevallen en ontzonken aan haar ideaal. De schepping is eene wereld geworden, die tegen God over staat en zich in den dienst der zonde heeft gesteld.

Tot de wereld in dezen zin behooren de gevallen engelen, die, schoon verkeerende aan den voet van Gods troon, toch hun beginsel niet hebben bewaard. Tot haar behooren de menschen, die allen vielen in hun hoofd, en daarom in zonden ontvangen en geboren worden, en dagelijks hunne schuld vermeerderen voor God. Tot haar behooren het verstand des menschen, dat verduisterd is, de wil, die ten kwade geneigd is, het hart, waaruit alle booze bedenkingen voortkomen, de ziel, die van God is afgekeerd en kleeft aan het stof, het lichaam, dat al zijne leden stelt tot wapenen der ongerechtigheid. Tot haar behoort alwat onder menschen opgericht is en door menschen tot stand komt: de instellingen van gezin en maatschappij en staat, de werken van beroep en nering, van wetenschap en kunst, van nijverheid en handel. Tot haar behoort de gansche menschheid, van den eersten mensch af, tot den laatsten toe, die uit eene vrouw wordt geboren; in al haar geslachten en stammen en talen en volken; in al de tijdperken harer geschiedenis, door al de eeuwen harer ontwikkeling en uitbreiding heen; in haar worstelingen en zegepralen, in haar beschaving en verbastering, in de staten, die zij gesticht, in de wereldrijken, die zij opgericht heeft. Tot haar behoort zelfs de redelooze en onbezielde schepping; |15| want de aarde is om des menschen wil vervloekt, het gansche schepsel zucht en is te zamen in barensnood tot nu toe. Want het is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wille, die het der ijdelheid onderworpen heeft.

Dat gansche samenstel der geschapene wezens, heel dat raderwerk der schepping Gods, dat gesloten geheel van zienlijke en onzienlijke dingen, zooals het en voorzoover het een instrument der ongerechtigheid is, wordt door den apostel Johannes onder den naam van de wereld samengevat. En hij kan het zoo noemen, met n naam, in n woord, omdat de zonde die gansche wereld heeft aangetast en ze in haar geheel uit n beginsel leven doet, met n geest bezielt, tot n doel richt: vijandschap namelijk en opstand tegen God, haar Schepper en Heer.

O, men zegt het wel dag aan dag en spreekt het gedachteloos uit, dat God liefde is. En Hij is het ook, eeuwige liefde en gadelooze ontferming. Want alzoo lief heeft God zelfs die schuldige en verlorene wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. Doch buiten Christus, wie durft dan roemen in Gods liefde? Predikt ons niet de gansche natuur, predikt ons niet ons eigen hart en geweten, dat Gods gunst niet op zijn schepsel rust, dat Hij een twist met zijn maaksel heeft, dat alle schepselen vergaan door zijnen toorn en door zijne verbolgenheid worden verschrikt?

Is dat niet een schrikkelijke toestand? God en wereld op gespannen voet met elkaar vanwege de zonde! Een |16| staat van vijandschap en haat, van twist en oorlog tusschen den Schepper en zijn schepsel, tusschen den Maker en zijn maaksel, tusschen den almachtigen, eeuwigen God en het machtelooze creatuur, dat niets dan stof en assche is en geen bestand in zichzelve heeft. Want heel die wereld, zij rust niet op eigen grondslag maar zij wordt van oogenblik tot oogenblik onderhouden door het woord van Gods kracht. Aan Hem ontleent zij al haar zijn en leven, al haar gave en sterkte, alwat zij is en alwat zij heeft. Satan zelfs zou geen macht hebben, indien het hem niet van boven gegeven ware. En toch organiseert de zonde het gansche heelal met alle schepselen en krachten tot een instrument tegen God en zijn rijk. Zij maakt er eene wereld van, die den vorst der duisternis tot overste heeft, die in het booze ligt, die in een staat van onrecht verkeert, die een rijk van zonde en ongerechtigheid vormt, en die door geweld en list zoekt te triumfeeren over God, over zijn naam en zijn rijk.

En juist daardoor, dat de zonde alle schepselen en gaven Gods in haar dienst neemt, vormt die wereld zulk een bijna onbegrensde macht. Wie is in staat, haar heerschappij te weerstaan, aan haar invloed zich te ontworstelen? Zou een schepsel dat vermogen, dat zelf van alle kant door de wereld omsloten is en in haar strikken gevangen ligt? Zou een mensch dat kunnen, die met heel zijn lichaamen ziel, met al zijn denken en begeeren tot die wereld behoort? Immers die wereid is niet slechts buiten ons, zij woont, zelfs in de voornaamste plaats, in ons, in ons hart, in ons verstand, in onzen wil en in al onze genegenheden. En |17| daarom is zij machtig over ons, ons verleidende door de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens, welke alle niet uit den Vader, maar uit de wereld zijn. Want een ieder, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde.

Neen, wij dienen de wereld niet tegen wil en dank. Wij staan niet, al maken wij het ons soms gaarne diets, in de kern van ons wezen tegen haar over en aan de zijde Gods. Wij zijn allen van nature kinderen des toorns, zonder God, zonder Christus, zonder hope in de wereld. Wij zijn, als menschen, van die gevallen wereld het voornaamste deel. In ons heeft zij haar sterkste bestand, haar machtigste strijders. Wij dienen haar vrijwillig en gewillig met al de gaven, die God ons schonk, met al de krachten, die Hij ons verleent. Zonder tegenstand volgen wij haar spoor. Met die gansche wereld staan wij schuldig, onrein, bezoedeld, verdoemelijk voor Gods aangezicht. En daarom sleept zij ons altijd verder mee, van God af, het verderf tegemoet. Want wie tot de wereld behoort, gaat ook met de wereld en al hare begeerlijkheid voorbij. Zij is in ons en om ons eene onweerstaanbare macht en breidt den schepter harer heerschappij over alle schepselen uit.

Ellendige menschen die wij zijn, wie zal ons dan verlossen van de macht dezer wereld? Wie bevrijdt ons van de schuld der zonde, van de smet der onreinheid, van de dienstbaarheid der verderfenis, van het geweld des grafs? Wie hergeeft ons de heerschappij over de wereld en kroont ons tot hare overwinnaars? |18|


II.

Ziet, Gel., als wij, menschen, radeloos staan en vergeefs bij schepselen naar redding zoeken, komt Johannes, de Apostel van den Heere Jezus Christus, ons te gemoet en houdt ons Gods Woord voor oogen: dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.

Het geloof, de overwinning der wereld!

Als wij dit woord voor het eerst vernamen, zouden wij licht de gedachte in ons voelen opkomen, dat Johannes met onze ellende den spot drijft, van de macht der wereld geen besef heeft en van het geloof zich een weinig wetenschappelijke voorstelling heeft gevormd.

Want gelooven, zoo zegt men immers, het moge iets meer zijn dan meenen, het is toch veel minder dan weten en brengt het nooit verder dan tot eene zekere mate van waarschijnlijkheid. En zulk een gelooven, dat niet meer dan een onzekere, wankele meening is, zou de overwinning der wereld zijn, niet van eene enkele gedachte of begeerte, maar van de gansche wereld en van al de macht, waarover zij in ons en buiten ons beschikt?

Doen wij niet verstandiger met te handelen als Naman de Syrir, die, toen hij van Eliza het bevel ontving om tot zijne genezing zich zevenmaal te wasschen in den Jordaan, zeer toornig werd en henen toog en zeide: zijn niet Abana en Pharpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren Israls? Kan ik mij in die niet wasschen en rein worden? Zoo loopen ook wij gevaar op het vernemen, dat Johannes in den strijd tegen de wereld geen ander |19| wapen ons aan de hand weet te doen dan het geloof, om in toorne heen te gaan en te zeggen: zijn de staten en rijken, de kunsten en wetenschappen, de uitvindingen en ontdekkingen, door menschen tot stand gebracht, niet betere wapenen in dezen krijg, dan het eenvoudig geloof, dat Johannes met de zijnen ons aanprijst? Waarom, indien hij ons wilde toerusten ten strijde tegen de wereld, waarom noemde hij de wetenschap niet, die den mensch heerschen doet over al de werken van Gods handen? Waarom noemde hij de kunst niet, die een machtig kunnen is en de hoogste en schoonste gedachten des menschen belichaamt in de weerbarstige wereld der stof? Waarom noemde hij de staten niet, die het wilde dier in den mensch beteugelen en hem dwingen te wandelen in het spoor der gerechtigheid? Waarom noemde hij de wereldrijken niet, die de volken binden aan de zegekar der geweldenaars en alle landen samensnoeren tot n gebied? Waarom noemde hij niets van de heerlijkheid en grootheid des menschen en spreekt hij alleen van het geloof, hem slechts met enkelen gemeen?

Doch laat ons, voordat wij in toorne ons af wenden van Johannes’ woord, nauwkeurig overwegen, wat hij met dit geloof bedoelt en waarom hij er zulk eene wereldverwinnende kracht aan toeschrijft. Een ernstig, onpartijdig onderzoek verbiedt, om door den schijn der dingen ons te laten bedriegen. En als wij ook maar even den strijd indenken, dien het hier geldt, verandert de zaak terstond van karakter. Want het is eene wereld van zonde en ongerechtigheid, van verderf en dood, die overwonnen moet |20| worden. En welke lauweren de wetenschap nu ook op haar terrein moge hebben behaald, nooit heeft zij ne enkele menschenziel bevrijd van schuld en zonder verschrikking doen verschijnen voor het aangezicht Gods. Welke veraangenaming de kunst ook aangebracht heeft in het menschelijk leven, nimmer heeft zij aan eenig schepsel dien eenigen troost verschaft, die zaliglijk kan doen leven en sterven. En welke veroveringen staten en wereldrijken ook over menschen en volken hebben gemaakt, nooit hebben zij de harten veranderd en in vrije gehoorzaamheid onderworpen aan den wil van den Koning der koningen. Al deze wapenen, door den mensch aan de hand gedaan, zijn aan die wereld ontleend, zijn uit die wereld genomen en zijn ook alle met die wereld voorbijgegaan. In zonde ontvangen en geboren, zijn zij menigmaal in den dienst der wereld getreden en hebben zij haar macht bevorderd en hare heerschappij uitgebreid.

Maar het geloof, waarvan Johannes spreekt, weet van andere overwinningen te verhalen. Het heeft eene gansche historie achter zich, eene historie, beginnend bij het verloren paradijs en zich voortzettend van geslachte tot geslacht. Laat slechts enkelen van de helden des geloofs een oogenblik voor uwen geest voorbijgaan! Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen die nog niet gezien werden, de arke toebereid tot behoudenis van zijn gezin; en door die arke heeft hij de wereld veroordeeld en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is. Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam |21| geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende waar hij komen zou. Door het geloof heeft Mozes, groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Pharao’s dochter genoemd te worden, verkiezende liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben; achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte, want hij zag op de vergelding des loons. Door het geloof zijn de kinderen Israls de Roode Zee doorgegaan als door het droge, hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest. Door het geloof is Paulus de heidenwereld ingegaan en heeft in de brandpunten der beschaving de banier geplant van het Evangelie des kruises. Door het geloof heeft de gemeente van Christus in de eerste eeuwen de Romeinsche wereldmacht weerstaan en de volken van Europa geleid tot de gehoorzaamheid van Christus. Door het geloof heeft Luther zijne stem verheven tegen de verbasteringen van Rome’s kerk en het zuivere licht des Evangelies weer op den kandelaar geplaatst. Door het geloof hebben onze vaderen tachtig jaren lang gestreden tegen Roomsche creatuurvergoding en Spaansche dwingelandij, en op beide de zege der vrijheid behaald. Door het geloof hebben de helden van Zuid-Afrika tegen het oppermachtige Engeland de wapenen aangegord voor vrijheid en voor recht, en tot verbazing der beschouwers zijn zij staande gebleven tot op den huidigen dag. Door het geloof — doch wie zal ik |22| nog meer noemen van al die duizenden, de duizenden vermenigvuldigd, die in den loop der eeuwen door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt, de kracht des vuurs hebben uitgebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk zijn geworden, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht?

Erkent de geschiedenis dan als getuige voor de wereldverwinnende kracht des geloofs! Maar zulk een getuigenis legt de historie niet af van elk geloof, niet van het geloof als zielkundig verschijnsel slechts, afgedacht van zijn voorwerp, zijn oorsprong, zijn wezen. Want daar is velerlei geloof; er is ook geloof, dat uit den mensch opkomt, dat tot de wereld behoort, dat voor een afgod doet nederknielen, dat slechts een vorm van ongeloof of bijgeloof is, dat de wereld niet bestrijdt en verwint, maar steunt en bevestigt. Johannes, de Apostel des Heeren, schrijft wereldverwinnende kracht alleen toe aan dat geloof, hetwelk hem met zijne broeders en zusters gemeen is, aan het geloof, dat Jezus de Christus is, de Zoon des levenden Gods. Dit bepaalde, dit welomschreven geloof is alleen tot overwinning in staat. Want dat geloof houdt in, dat Jezus de Zone Gods, de Christus is. Jezus, dat wil zeggen, die historische persoon, die mensch uit eene vrouw geboren, die voor nu negentien eeuwen in Palestina heeft geleefd, die ons in alles gelijk was, uitgenomen de zonde, die het land doorging, predikende en goeddoende en genezende alle kwale onder het volk, die zijn leven liet aan het smadelijke |23| en schandelijke kruis. Het houdt in, dat die Jezus, die, als Hij in ons midden kwam, door niemand met het lichamelijk oog als meer dan een mensch onderkend zou worden, dat die Jezus, schoon geen gedaante ot heerlijkheid hebbende, dat wij Hem zouden begeeren, dat Hij desniettegenstaande de Zone Gods is, de Eengeborene van den Vader, vol van genade en waarheid, uit de vaderen zooveel het vleesch aangaat, maar nochtans waarachtig God boven alles te prijzen in der eeuwigheid. Het houdt in, dat die Jezus de Christus is, niet onze deugden of goede werken, niet de kunst of de wetenschap, niet de staat of de macht, en niet eenig schepsel op hemel of op aarde, maar dat Hij en Hij alleen de Christus is, de Knecht des Heeren, de Gezalfde Gods, de Verzoener der zonden, de Zaligmaker der wereld, onze hoogste Profeet, onze eenige Hoogepriester, onze eeuwige Koning.

En daardoor, door zijn inhoud en voorwerp, is het geloof juist eene wereldverwinnende kracht. Het is geen werk der lippen slechts of eene verstandelijke toestemming van eene geschiedkundige waarheid. Maar het is vaste verzekerdheid, onwankelbare overtuiging, onuitroeibaar vertrouwen, niet uit den bloede noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God afkomstig en door zijnen Geest in het harte gewerkt. Het is de band, die de ziel aan den Middelaar bindt en Hem vasthouden doet als ziende den Onzienlijke. Het is de kracht, die den mensch uit de duisternis overzet in het koninkrijk van den Zoon van Gods liefde en hem zijn steun- en rustpunt geeft in de wereld der onbewegelijke goederen. Het is de |24| vaste grond voor de dingen, die hij hoopt, en het onomstootelijk bewijs voor de zaken, die hij niet ziet. Het is de moed, die hem de gansche wereld doet trotseeren en juichen: als God vr ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Het is de troost, die hem psalmen doet zingen in den nacht en ook in de bangste verdrukking het lied doet aanheffen:

De Heer is mij tot hulp en sterkte,

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;

Hij was het, die mijn heil bewerkte;

Dies loof ik Hem mijn leven lang.

Men hoort der vromen tent weergalmen

Van hulp en heil, ons aangebracht:

Daar zingt men blij’, met dankbre psalmen:

Gods rechterhand doet groote kracht!


III.

Omdat het dt geloof is, het geloof in Jezus als den Christus, daarom is er de overwinning der wereld ook aan beloofd en gewaarborgd.

Het is zelf in zijn beginsel en wezen reeds overwinning der wereld. Het heeft de overwinning niet slechts tot gevolg en tot vrucht, maar het is van zijn allereersten aanvang af reeds overwinning der wereld. Gelooven toch, dat Jezus is de Christus, het is de eenvoudigste zaak, die zich denken laat, de eenige gebaande, de versche en levende weg voor een schuldig menschenkind, om uit loutere genade den vrede met God, het eeuwige leven, de hemelsche zaligheid deelachtig te worden. Maar dat neemt toch niet |25| weg, dat er, om dat geloof te ontvangen en te oefenen, zooveel noodig is, dat geen mensch het zichzelf schenken of verwerven kan. Want in waarheid te gelooven, dat Jezus de Christus is, het sluit in, dat wij onszelven verloochenen, ons vleesch met zijne begeerlijkheden kruisigen, ons verstand met alle gedachten gevangen leiden tot gehoorzaamheid, al onze gerechtigheden achten voor een wegwerpelijk kleed, onszelven aanklagen, van overtreding aller geboden, onze hope op alle schepsel varen laten, het recht Gods volmondig erkennen en pleiten op zijne genade alleen! Wat komt er niet tegen zulk een gelooven op! Alles verzet er zich tegen, alles in ons en buiten ons. Ons verstand en ons hart, onze wil en onze genegenheden, ons vleesch en ons bloed, onze naam en onze stand, ons geld en ons goed, onze omgeving enmaat, schappij, heel de wereld in ons en buiten ons, en dan Satan bovenal, die de overste dezer wereld is, de god dezer eeuw, die de zinnen verblindt. Om te gelooven, moeten wij der wereld en de wereld ons gekruisigd worden.

Maar daarom is het, ook in zijn oorsprong en wezen reeds, de overwinning der wereld. Want wie gelooft, die heeft een nieuw leven ontvangen. Hij is een nieuw schepsel geworden; uit de duisternis geroepen tot Gods wonderbaar licht; geen burger, geen onderdaan der wereld meer, maar van boven, uit God, uit zijn Geest geboren. Zijn burgerschap is in de hemelen. Zijne ongerechtigheid is vergeven; zijn krankheid genezen; zijn leven is verlost van het verderf; hij is gekroond met goedertierenheid en barmhartigheden. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig |26| maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is, ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons liefgehad heeft.

Door het geloof is de geloovige allereerst voor zichzelven aan het geweld der wereld onttrokken, maar voorts heerscht hij daardoor ook over die wereld met profetische en priesterlijke en koninklijke macht. Want het geloof, dat Jezus is de Christus, is geen roestige rust; het trekt zich nietin de stilte der eenzaamheid terug, maar het is levend en krachtig en dringt vol heldenmoed op de wereld in. Het geniet niet alleen, het werkt ook; het zegt wat en het doet wat. Het getuigt en het redt. Het spreekt en het handelt. Het valt aan met de macht van het woord, het treedt op in betooning van geest en van kracht. Wie gelooven, kunnen niet zwijgen. Midden in de wereld laten zij het getuigenis uitgaan, dat Jezus is de Christus. Zij verkondigen geen eigen wijsheid, maar prediken de wijsheid, die van boven is, schoon ze in de oogen der wereld eene dwaasheid moge zijn. Zij getuigen, dat Jezus de Christus is, niets anders, niets minder, niets meer. Jezus de Christus, en niet het goud en de macht, niet het geweld en de dwang, niet de roem en de deugd, niet de wetenschap en de kunst, maar Jezus alleen de Zaligmaker der wereld, de eenige, de volkomene, de algenoegzame Zaligmaker, en niemand of niets naast Hem of beneden Hem of met Hem. |27|

En door dat getuigenis is het geloof wederom eene wereldverwinnende kracht. Want de wereld heeft niets te getuigen. Zij gelooft niet en kan daarom ook niet belijden. Zij kent de macht van het woord niet. Zoodra de gemeente hare belijdenis in de wereld indraagt, grijpt zij daarom naar de wapenen van achteruitzetting en dwang, van verguizing en verdrukking. Dat zijn de wapenen, waarover de wereld in haar strijd tegen de gemeente van Christus beschikt. Maar het geloof is sterk door zijn getuigenis alleen. Het scheldt en het raast en het vervolgt niet. Het getuigt alleen, vast, zeker, onwankelbaar, onophoudelijk, tot in de stervensure, tot op den brandstapel toe. Het is een rots gelijk, staande in de branding der baren. Laat de wereld er op af komen met al haar wapengekletter en machtsvertoon! Tegen het rotsvaste geloof is geen geweld of dwang, geen schavot of brandstapel bestand. Het roemt in de verdrukking. Het triumfeert in zijn nederlaag. Het herleeft uit den dood. Zelfs het bloed der martelaren is het zaad der kerk.

Maar het geloof getuigt niet alleen; het werkt ook en handelt. Het werkt door de liefde. Liefde is de vrucht, de rijpe, heerlijke, kostelijke vrucht des geloofs. Wie gelooft, dat Jezus is de Christus, heeft Gods liefde ervaren en heeft daarom lief Dengene, die geboren heeft; want die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde. Wie gelooft, heeft allen lief, die met hem uit God geboren zijn en in Jezus’ naam gelooven, want wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, |28| blijft in den dood. Wie gelooft, heeft Gods geboden lief, want dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren; en zijne geboden zijn niet zwaar, zij worden alle door de liefde vervuld.

En ook door deze liefde is het geloof eene kracht, die de wereld verwint. Want de wereld kent het geheim der liefde niet, heeft beiden Jezus en zijnen Vader gehaat en zij haat allen, aan wie Christus des Vaders woord heeft gegeven, omdat zij van de wereld niet zijn. Maar de gemeente van Christus is machtig, als zij naar het bevel en het voorschrift van haren Meester hare vijanden liefheeft; zegent, die haar vervloeken; wel doet dengenen, die haar haten en bidt voor degenen, die haar geweld doenenhaar vervolgen. Die liefde is sterker dan de dood, zij drijft alle vreeze buiten; zij bedekt en gelooft en hoopt en verdraagt alle dingen, en zij vergaat nimmermeer.

Al deze wereldverwinnende kracht ontleent het geloof echter niet aan zichzelf maar aan Christus alleen. Daarom is het ten slotte de volkomene overwinning der wereld, omdat het geloof is in Christus, den Gezalfde des Vaders. Op Hem komt alles aan. Van Hem hangt alles af, Hij is de inhoud en het voorwerp, Hij is ook de gever en onderhouder, de leidsman en voleinder des geloofs. Geloovende, belijden wij juist, dat Hij en Hij alleen de wereld verwint. Hij heeft overwonnen. Vr zijn dood reeds riep Hij het zijn discipelen toe: in de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. Hij heeft ze overwonnen door het lijden zijns doods; stervende heeft Hij over haar gezegepraald; |29| door het kruis heeft Hij over de overheden en machten getriumfeerd. En Hij gaat voort overwinnende en opdat Hij overwinne. Van uit den hemel aan ’s Vaders rechterhand strijdt Hij thans tegen de wereld door het geloof zijner gemeente, die zijne legerschaar is en door Hem van boven met gaven en krachten toegerust wordt, met den gordel der waarheid, met het borstwapen der gerechtigheid, met het schild des geloofs, met den helm der zaligheid, met het zwaard des Geestes. En Hij zal overwinnen aan het einde der dagen. Want Hij moet als Koning heerschen, totdat al zijne vijanden onder zijne voeten gelegd zijn. Dan tegen het einde der eeuwen, als Hij schier geen geloof op aarde vinden zal, zal Hij zelf don laatsten slag komen slaan en alle vijanden zich onderwerpen. Alle knie zal in die ure voor Hem zich buigen en alle tong belijden, dat Hij de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.


*

Broeders en Zusters, hebt gij dat geloof? Kent gij dat geloof in zijne wondere, wereldverwinnende kracht? Gij draagt den naam van geloovigen, maar zijt gij ook, wat gij heet? Paulus vermaande de gemeente van Corinthe: onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven! Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt. En verwerpelijk, waardig om verworpen te worden, is een iegelijk, die met de wereld op voet van vrede leeft en tegen haar den strijd des geloofs nog niet aanbond. Want zoo iemand de wereld |30| liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Wie een vriend der wereld is, wordt een vijand Gods genaamd.

Bang en zwaar is die strijd tegen de wereld wel. Want hij gaat in tegen vleesch en bloed, tegen gedachten en neigingen. Maar het is toch een goede en een edele strijd. Vele zijn de oorlogen, die op aarde tusschen volken en natin worden gevoerd. En sommige daarvan, lang niet alle, zelfs niet de meeste, maar sommige zijn toch, in weerwil van al hun ellenden, en jammeren, schoon en grootsch te noemen. Schoon en grootsch is de strijd voor vrouw en kinderen, voor haard en altaren, voor vaderland en vorst, voor vrijheid en voor recht. Schoon en grootsch was de strijd onzer vaderen. Schoon en grootsch is die der beide Zuid-Afrikaansche Republieken; God zegene heur wapenen en leide ze weldra tot een volkomene zegepraal! Maar hoe schoon en grootsch sommige oorlogen ook geweest mogen zijn, zij werden toch altijd slechts om een of ander recht, om een heilig recht, zeer zeker, maar toch slechts om een beperkt deel van het recht en de vrijheid gevoerd.

Maar hier is een strijd, voor niets minder dan het recht, voor het recht Gods, voor de gerechtigheid zelve in haar beginsel en wezen, voor de volkomene vrijheid, voor het hoogste en heiligste goed, dat een mensch ooit ten deel vallen kan. Het is de edelste, de schoonste, de heerlijkste strijd, dien een menschenkind ooit strijden kan. Het is een strijd tegen de wereld, en tegen alwat uit en van de wereld is, tegen onszelven, tegen ons geld en ons goed, tegen al de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens. |31|

Maar het is tevens een strijd voor onze eigene behoudenis, voor de zaligheid onzer zielen, voor de hemelsche erfenis, voor de kroon der rechtvaardigheid, welke de Rechtvaardige Rechter schenken zal aan allen, die den goeden strijd gestreden en den loop voleindigd hebben. Het is een strijd voor het recht, voor de waarheid, voor de vrijheid, voor Christus en zijn rijk, voor de heerlijkheid van Gods naam en de glorie van al zijne deugden.

Laat ons dien strijd aanvaarden, en voortzetten en daarin volharden ten einde toe, in de mogendheid des Heeren, in de kracht des geloofs. Want geen ander wapen sterkt en bekwaamt ons tot dien strijd, dan alleen het geloof, dat Jezus is de Christus. Bij ons is geen kracht en bij geen schepsel in hemel en op aarde. Maar Jezus, de Zoon van Maria, de Eengeborene des Vaders, Hij is de held uit Juda’s stam, die door zijn kruis de wereld verwon! Gaan wij tot zijnen arbeid in, rusten wij op zijne overwinning, eigenen wij zijne verdiensten ons toe!

Dan is de zege ons. Want dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Vele oorlogen zijn er op aarde gevoerd, die, schoon ondernomen voor vrijheid en recht, toch met nederlaag en onderwerping geindigd zijn. Maar hier is een strijd, die te voren van de overwinning zeker is. Christus, de verhoogde aan ’s Vaders rechterhand, is er ten waarborg voor. Hij is tot Koning gezalfd over Sion, den berg van Gods heiligheid. De Heidenen zijn Hem gegeven tot zijn erfdeel, de einden der aarde tot zijne bezitting. Straks komt Hij weder, om |32| met vlammend vuur wrake te doen over degenen, die God niet kennen en die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus ongehoorzaam zijn, maar ook, om verheerlijkt te worden in zijne heiligen en wonderbaar te worden in allen die gelooven. Kom dan Heere Jezus, ja kom haastelijk!


Amen.



a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004