De wetenschap der H. Godgeleerdheid

Rede ter aanvaarding van het leeraarsambt aan de Theologische School te Kampen


uitgesproken den 10 Jan. 1883 door Dr. H. Bavinck
Kampen — G.Ph. Zalsman — 1883




Zeer geachte Hoorders,



Voor eenige jaren schreef de Hoogleeraar Rauwenhoff in het Theologisch Tijdschrift 1): »de Theologie moet worden geseculariseerd. . . . . Haar recht om op den duur aan onze Universiteiten hare plaats te behouden, haar uitzicht op hooger waardeering van de zijde der beoefenaars van andere wetenschappen, haar kans om nieuwe liefde te wekken bij het opkomend geslacht, het hangt alles af van de mate waarin zij zal voldoen aan den eisch van . . . secularisatie.” Verwonderen mag het ons niet, dat de moderne geestesrichting dezen Hoogleeraar, dien ik nog altijd dankbaar mijn hooggeachten Leermeester noem, tot deze voor ons zoo vreemde en ongehoorde stelling komen deed. Het is toch éénzelfde proces; begonnen met het seculariseeren der kerkelijke goederen, heeft men datzelfde stelsel al verder toegepast op de school, straks op de kerk, nu op de Theologie, en vindt geene rust, voordat men alles, tot God en godsdienst toe geseculariseerd, verwereldlijkt heeft en als in |6| de dagen, waarvan Paulus tot die van Epheze sprak, leeft zonder Christus en zonder God en zonder hope in de wereld a. Het is haast onnoodig, nog uit te spreken, dat wij aan dien der Theologie gestelden eisch niet kunnen voldoen, dat wij in die, zelfs gemoedelijke, uitspraak niet anders dan het doodvonnis der Theologie geteekend kunnen zien, dat het ons veeleer dure roeping dunkt, om de Theologie in haar heilig en zelfstandig karakter te handhaven. Dat die ernstige overtuiging bij ons leeft, daarvan is deze School een sprekend bewijs. Juist om Kerk en Theologie te redden, hebben wij ons teruggetrokken op eigen terrein. Om beider heilig karakter te bewaren, hebben wij tot »scheiding” ons gedrongen gevoeld. Niet uit lichtschuwheid of repristinatiezucht, maar in waarheid, opdat het licht op den kandelaar weer schijnen zou, is onze Kerk en deze School geboren. Geen weelde, geen eigenzinnige willekeur, maar noodzaak en diep gevoelde behoefte was het, die tot stichting dezer beide dreef. Want of men het wille of niet, de tijd der Staatskerk en der Staatstheologie is voorbij. Tot scheiding moet komen elk, die de beginselen der H. Schrift onvervalscht en onvermengd handhaven wil. Er heeft immers onder de volken van den Christennaam eene kentering, een omkeer, eene revolutie plaats gehad, die nog doorwerkt met logische kracht. Het zwaartepunt is, naar het eigen beweren onzer tegenstanders, uit de antieke in de moderne levensbeschouwing verlegd. De Christenvolken laten zich niet meer beheerschen door Hem, naar wiens naam zij genoemd zijn. De stroom des tijds is van Christus af en van Zijn kruis.

Mede op dien stroom afdrijven, mogen wij niet. En zoo |7| hebben wij dan tegenover die Revolutie een dam op te werpen, of wij zelven althans staande bleven en bewaarden, wat heiligs ons is overgeleverd. Daaraan is het ontstaan te danken van de Christelijke Gereformeerde Kerk en deze Theol. School, en van deze niet alleen, maar evenzeer van de Scholen voor Christelijk onderwijs en van de Gereformeerde Universiteit. Het kan toch niet diep genoeg worden beseft, dat wie in Jezus den Christus gelooft, niet maar eenige andere opiniën heeft dan de wereld, maar waarlijk een ander, een nieuw mensch is, dat de gemeente van Christus een eigen leven en bewustzijn, een eigen taal en wetenschap heeft. Indien dit zoo is, en wie onzer ontkent het, dan is er tusschen gemeente en wereld, reformatie en revolutie, antieke en moderne levensbeschouwing geen verzoening, geen transactie, geen »Vermittelung” mogelijk. Dan is breken met wat uit gansch andere bron zijn leven put, plicht.

Ik verblijde mij er in, dat onze Kerk verwaardigd wierd tot het innemen van dat standpunt en, zij het dan ook niet zoo duidelijk en bewust als het nu dertig jaren verder in deze snellevende eeuw beseft wordt, toch de zelfstandigheid en de heilige rechten der Theologische wetenschap zoo heerlijk schoon in het oprichten dezer School heeft gehandhaafd. Niet in secularisatie, maar in heilighouding van wat heilig is, ligt het behoud der Theologie. Het ligt dan ook voor de hand en draagt ongetwijfeld Uw aller goedkeuring weg, als ik bij het aanvaarden van het Leeraarsambt aan deze School en geroepen, om in de hoofdvakken der Theologie onderwijs te geven, U in ruwe omtrekken het beeld tracht te schetsen, dat van de Theologie mij voor oogen staat, en |8| alzoo, sprekende over de Wetenschap der Heilige Godgeleerdheid, U wijze op

het beginsel, waaruit zij gekend wordt,

den inhoud, dien zij ontvouwt, en

het einde, dat zij beoogt.


I.

Theologie — de naam is niet van Oud- of Nieuwtestamentische herkomst, maar is aan de Grieksche Schrijvers ontleend. Er werd daaronder verstaan de leer van de goden. Dichters en wijsgeeren, als Homerus en Hesiodus, Pythagoras en Plato, die over de geschiedenis en het wezen der goden handelden, werden daarom met den naam van Theologen bestempeld. Dat het woord door de kerkvaders van de Grieken werd overgenomen en in Oud noch Nieuw Testament voorkomt, duidt aan, dat de zaak, die men er door uitdrukken wilde, onder Israël en ook in de Apostolische eeuw niet bestond. Er waren zeer zeker profeten-scholen onder Israël, waar men zich toelegde op de kennis en handhaving der theocratische ordeningen; de levenswijsheid vooral in ethischen en practischen zin, op het gebied der Openbaring ontstaande, vond in de Chokma haar uitdrukking; profeten en apostelen, Johannes inzonderheid, worden dikwerf theologen genoemd; er is zelfs van eene »Theologia Biblica” sprake; maar dit alles mag ons toch niet doen vergeten, dat de Theologie als zelfstandige wetenschap, evenals elke andere, binnen het terrein der Bijzondere Openbaring niet voorkomt.

Dat moest ook niet. Het streed met de bedoeling des |9| Heeren. De bedeeling was wezenlijk eene andere dan die, in welke wij leven. De Heilige Geest, de Leeraar der Kerk, was nog niet, overmits Christus nog niet was verheerlijkt. b Hij woonde in Israëls tempel, in cultus en schaduwen, maar zocht van daar uit, en in de gemeente in te wonen. En daartoe werkte Hij aan de afronding en voltooiing van het Woord. Wel werd ook toen reeds door het Woord de kennis van God in de harten der menschen geplant. Maar de tempel der Godgeleerdheid kon toch eerst verrijzen, als in het Woord zijn grondslag volkomen gelegd was. Aan het leggen van dat fundament waren dan ook de eeuwen gewijd. Alles werd door den H. Geest er aan dienstbaar gemaakt, om dat zaad te zaaien en die kiem te planten, waaruit de Theologie eenmaal opwassen kon. Of wilt gij het anders uitgedrukt, in de eeuwen voor Christus werd alles op Christus voorbereid; de eeuwen werden heengeleid tot Hem, die het keerpunt is der tijden. Het was den H. Geest er om te doen, om den Zoon eene plaatse te bereiden in het menschelijk geslacht. De komst van den Zoon in het vleesch, parallel loopend met de voltooiing van het Woord, was de drijfkracht, die de eeuwen voortrollen deed naar Christus henen. Met de vleeschwording des Woords, met de volmaking der H. Schriften, d.i. met de volkomen en genoegzame openbaring Gods, trad eene andere, nieuwe bedeeling in. De H. Geest ging wonen in de gemeente, die, vroeger ook zeer zeker wel bestaande maar besloten in Israël, in zijn nationaal bestaan als in haar moederschoot gedragen, op den Pinksterdag tot een zelfstandig, van alle tijden en plaatsen en volken onafhankelijk leven werd |10| geboren. Daarmede was het karakter der tijden veranderd. Toen werd alles op Christus voorbereid, nu alles van Hem afgeleid. Toen werd Christus gevormd tot het Hoofd der gemeente, nu de gemeente tot het lichaam van Christus. En evenzoo, want het loopt er niet slechts parallel, maar is er in den diepsten grond één mede, toen was alles gericht op de voltooiing, nu is alles dienstbaar aan de uitlegging des Woords. Toen werd dat Woord af-, nu wordt het uitgewerkt.

Met de komst des Zoons en de voltooiing des Woords is dus alle werk Gods niet afgedaan. De openbaring des Vaders gaat voort, zij het ook in anderen vorm. Het werk des Geestes wordt voortgezet, schoon op andere wijze. Het bestaat daarin, dat Hij naar de uitdrukking van onzen Catechismus de gemeente alle de weldaden van Christus deelachtig maakt, uit wien Hij alles neemt c; dat Hij m.a.w. de schatten des Woords tot het hart en het bewustzijn der Kerke brengt, Christus’ volheid, dus ook den rijkdom Zijner wijsheid en kennis d, in haar wonen doet en ze vervult tot al de volheid Gods e, tot de mate der grootte der volheid van Christus f. Toepassend is dus het karakter van al des Geestes werken in deze bedeeling. Hij neemt het alles uit Christus c, uit het Woord, voegt daaraan niets nieuws toe, maar rust volkomen in het werk des Zoons en daarom ook onze ziele.

Uit den aard der bedeeling, waarin wij leven, vloeit dus vanzelf voort, dat de H. Schrift en die alleen het »principium” 2), het beginsel is, waaruit de Theologie getrokken wordt, de eenige kenbron, waaruit zij geput wordt. Toen dit »principium” er dan ook was, en het zaad was gezaaid, |11| ontstond onder de leiding en het onderwijs des Geestes de Theologische wetenschap vanzelf, zonder eenigen uitwendigen dwang, schoon in de omstandigheden des tijds haar aanleiding vindend en daardoor ook in den vorm bepaald. Haar aanvangen liggen daarom al terstond in de tweede eeuw, aanvangen van dien grootschen en indrukwekkenden bouw, dien wij nu reeds tot aan het dak zien rijzen. De zaak was er, en het woord werd spoedig uit het heidensch spraakgebruik overgenomen. Alle echte Theologie, welke dien naam waarlijk verdient, is uit de H. Schrift onder des Geestes leiding ontsproten, en op haar grondslag gebouwd. Eene andere kenbron is er niet. Wie de H. Schrift als »principium”, als eenige kenbron der Theologie verwerpt, en naast haar of in plaats van haar aan rede of gevoel, aan belijdenis of concilie eene plaatse inruimt, verderft de Theologische wetenschap, miskent het karakter der bedeeling, waaronder wij leven, tast feitelijk het werk zal van Christus aan, en . . . treedt van Gereformeerde erve over op Roomsch-Katholiek terrein. Want dit is toch juist ons Protestantsch belijden tegenover Rome: dat Woord is af. De openbaring Gods is in Christus volkomen gegeven en door Zijne gezanten volledig geleerd. Christus is er, Zijn werk is volbracht, Hij is het Hoofd der gemeente. Evenzoo is het Woord, waarvan Hij de inhoud is, voltooid; het is compleet, het is genoegzaam. Dit hangt onverbrekelijk samen; wie het laatste ontkent, moet onvermijdelijk komen tot loochening van het eerste. Want indien de persoon en het werk van Christus niet volkomen genoegzaam zijn beschreven, mist het geloof daaraan ook allen grond. Evenmin |12| als nu het werk van Christus ook maar in het minste door gebeden en goede werken behoeft aangevuld te worden, evenmin mag aan dat Woord iets toegevoegd. Het is voldoende, nu, alle eeuwen door, voor alle volken en geslachten, evenals Christus’ offerande zelve.

Wat de natuur dus is voor den natuuronderzoeker, dat is de Bijbel voor den Theoloog. Even zeker als aan het dwalen raakt, wie de wetten der natuur uit aprioristische speculatie afleiden wil, raakt op theologisch gebied het spoor bijster, wie uit eene andere als deze kenbron put. Want al is het, dat het beginsel der »Theologia Naturalis” in de Schepping ligt, toch zijn de daarin voorkomende waarheden in de H. Schrift herzien en gewaarmerkt 3). Het Woord is de Theologie in kiem; al haar waarheden zijn daarin vervat, al moeten zij daaruit met minstens evenveel moeite en inspanning, als de natuurkundige waarheden uit de natuur, worden nagevorscht, verzameld en gerangschikt; een arbeid trouwens niet van één theoloog, noch van één geslacht, maar van eene reeks van geslachten, van de Kerk aller eeuwen. Natuurlijk, dat er eene Theologie is, dat wij God kunnen en mogen kennen, is alleen aan God te danken; en het »principium essendi” der Godgeleerdheid is dus God zelf. Onze Theologie, mits zij de ware zij, is niets dan afdruk en afspiegeling in ons bewustzijn van die kennis, welke God heeft van zichzelven en besloten heeft aan zijne schepselen mede te deelen. Maar het »principium cognoscendi”, waaruit voor ons de Godskennis verkregen wordt, is enkel en alleen de H. Schrift.

Zoo, M. H. is het door de Kerk van Christus in haar |13| bloeitijden steeds opgevat. En toen de Roomsche Kerk allengs kwam tot de leer, dat de H. Schrift ongenoegzaam was en haar afronding eerst ontving in de voortgaande Traditie, ten innigste samenhangend met die andere, dat Christus’ werk door de goede werken der heiligen moest worden aangevuld, zijn deze vaste beginselen door de Hervormers weer met zooveel kracht beleden, dat althans in den eersten tijd aan een verwrikken daarvan niet werd gedacht. Door de zonen der Reformatie hadden zij dan ook nimmer verzaakt moeten worden. Toch is het er verre van daan.

Niet slechts het Katholicisme, maar op Protestantsch terrein staat hier tegenover ons het wijd vertakte Rationalisme dat, in wat vorm ook voorgedragen, altijd aan de rede des menschen in zaken van den godsdienst een gezag toeschrijft naast of in plaats van de H. Schrift. In elk geval is daarmede de grondslag der Theologie ondermijnd, haar beginsel vervalscht. Niet de Schrift, maar de rede, dikwerf nog met het alledaagsche »gezond verstand” gelijk gesteld, is kenbron geworden; de Openbaring, indien nog aangenomen, geeft slechts eerder, wat de rede toch later uit zichzelve zou hebben gevonden. De Godgeleerdheid heeft haar beginsel en daarmede haar karakter verloren. Het Rationalisme moet eindigen met een bankroet der Theologie.

Toch is het niet dat eenmaal, in oppervlakkiger dagen, machtige Rationalisme, dat thans vooral dient bestreden. Onze Eeuw is de door dien naam aangeduide theologische richting niet bijzonder genegen. Rationalisme is er daarom nog genoeg, maar het is van gedaante veranderd. Het eigenlijk Rationalisme berustte nog, gelijk Hodge terecht opmerkt 4), |14| op geloof aan een persoonlijk, boven de wereld verheven God. Welnu, ook dat minimum van geloof heeft men uitgeschud, en Spinoza is de aangebeden wijsgeer dezer eeuw. Het deisme maakte, als altijd, voor pantheisme plaats, dat, misschien getuigt van dieper gedachte en warmer gevoel, maar tevens trotscher hoogmoed verraadt. Daarmede verviel elk recht en iedere mogelijkheid tot onderscheiding van God en onze rede, van het bovennatuurlijke en het natuurlijke. En het was vooral deze pantheistische philosophie, die aan het reeds kwijnend Rationalisme de laatste en zwaarste slagen toebracht. Het is dan ook niet meer de geest van een Röhr en Paulus en Wegscheider, maar de machtige en diepzinnige geest van Schleiermacher, die de theologen beheerscht en — laat mij dat aanstonds er bij voegen — het beginsel der Godgeleerdheid en daarmede haarzelve vervalscht.

Immers, het behoeft geen betoog, op het beginsel dat het gevoel, zetel der »Frömmigkeit,” de bron is der godsdienstige kennis, is Schleiermacher’s »Glaubenslehre” gebouwd. Feitelijk rust daarmede de waarheid op ons zelfbewustzijn, en niet, gelijk het toch wezen moet, ons zelfbewustzijn op de waarheid. Het sterkst komt dit uit in de leer van God, die, uitspraak van het vrome zelfbewustzijn, ons wel verklaart wat de mensch, maar niet wat God is, en in die van de H. Schrift, welke, alleen dienend om het godsdienstig gevoel op te wekken, eerst eene bescheidene plaatse erlangt onder de leer van de Kerk. »Die Theologie, die kein Wissen von Gott soll sein können, ist ihm nur ein Wissen von dem christlichen Bewusstsein oder der christlichen Frömmigkeit, |15| also nur Selbstbesinnung” 5). Schleiermacher’s methode was wezenlijk regressief, van het »kirchliche” tot het »biblische,” of naar Hodge’s benaming, mystisch in den ruimeren zin van dat woord 6).

Het is ons een aangename plicht, dankbaar al het goede te erkennen, dat door dezen oorspronkelijken denker aan de Theologie is toegebracht. Wij willen nimmer vergeten, dat hij de zelfstandigheid van den godsdienst weer krachtig betoogd, de rechten der christelijke gemeente weer met warmte bepleit en het christelijk geloofsbewustzijn niet als iets oorspronkelijks maar als iets van Christus afgeleids beschouwd heeft. Wij willen zelfs gaarne erkennen, dat ook in bovengenoemde beschouwingen een element van waarheid vervat is. Wij belijden toch niet alleen een »principium externum” n. l. de H. Schrift, maar ook een »principium internum,” n. l. den H. Geest, die wonend in de gemeente haar de dingen des Koninkrijks doet verstaan. Hij moet haar leiden in de waarheid. g Want zonder Hem begrijpen wij de hemelsche, de geestelijke dingen niet. h Vleesch en bloed openbaren die niet. i De H. Geest is alzoo de Leeraar der Kerk. Geen theoloog, dan door Hem geleerd. Geene Theologie, dan door Hem onderwezen. Maar daarbij moet dan ook aanstonds deze verklaring gevoegd, dat tusschen deze verlichting des Geestes en dat mysticisme een zeer wezenlijk onderscheid bestaat. Gene doet ons slechts het Woord verstaan, dat onafhankelijk van mij bestaat, maar naar Schleiermacher’s beweren is het godsdienstig gevoel de bron onzer kennis zelve. Gene doet ons alleen aanschouwen de waarheid en schoonheid van wat in de Schrift is vervat, maar hier zijn in het |16| onmiddellijk zelfbewustzijn de vormen der waarheid en schoonheid zelve gegeven 7).

Dat nu M.H. kunnen noch mogen wij aannemen, zoo waarlijk de waarheid ons lief is. Ik weet het, ons allerheiligst geloof rust op geen uitwendige, historische bewijzen, noch op de getuigenis eener Kerk, maar alleenlijk op de getuigenis Gods, die in onze harten gegeven wordt aan de waarheid des Woords. Maar juist door die getuigenis zijn we aan dat Woord dan ook vast en voor altijd verbonden. Ja, dat Woord bindt ons aan zichzelf met eene autoriteit, die noch aan ons gevoel noch aan ons verstand noch aan onzen wil vrije speling laat, maar eenvoudig onderwerping en erkenning eischt. Het Evangelie, welks prediking altijd aan het gelooven voorafgaat, verlangt onzerzijds niets dan geloof, d.i. onvoorwaardelijke aanneming. Nooit en nergens verwijst het ons, om de waarheid te leeren kennen, naar onszelven, zelfs niet naar ons gevoel, dat men met Schleiermacher zoo diep moge opvatten als men wil; altijd predikt het zichzelf als de waarheid, die ons vrijmaken en heiligen kan. De geschiedenis toont het dan ook ten duidelijkste, dat wij buiten dat Woord dwalen en ons zonder dat alle zekere en ware kennis van de hemelsche dingen ontbreekt. Ook al was het ons dan oprechte ernst, om de waarheid uit ons zelfbewustzijn af te leiden en zoo zuiver mogelijk weer te geven, het zou onmogelijk zijn, wijl elk criterium ontbrak ter beoordeeling van wat uit God was en wat oprees uit eigen zondig hart. Terwijl het beginsel, dat het gevoel kenbron zou wezen, leidt en leiden moet tot miskenning van al het objectieve, van het werk Gods in Schrift en Historie 8). |17|

Zoo is dan de H. Schrift niet slechts norma 9), maar bepaald beginsel, kenbron der Theologie, waarmede deze staat of valt. Gevoel noch rede, kerk noch belijdenis, Paus noch concilie kunnen immer het beginsel zijn van het geloof en zijn inhoud, tenzij dit ophoudt te zijn wat het wezenlijk is. Het zaligmakend geloof toch, het geloof der hoogste vrijheid en der volstrekte zekerheid, des volkomenen betrouwens, des betrouwens in nood en dood, voor tijd en eeuwigheid, kan niet rusten in iets van den mensch, kan alleen rusten in God zelf en in Zijn Woord. Dan eerst is het, wat het is: volkomene ruste, geloof zonder twijfel, liefde zonder vreeze, hope zonder beschaming. Alzoo is het ook met de Theologie. Haar bestaan, haar zekerheid, haar wetenschappelijk recht hangen af van het beginsel, waaruit zij getrokken wordt. En nu brengt zij zelve als Christelijke wetenschap de H. Schrift als haar kenbron van huis uit met zich mede. Hoe zuiverder zij zich uitspreekt en haar ware karakter openbaart, hoe meer zij van alle vreemde invloeden gereinigd wordt, hoe strenger zij wordt ingedacht en tot in haar diepste vezelen wordt ontleed — des te duidelijker toont zich de H. Schrift als het eenig en genoegzaam beginsel der Theologie. Ja, men zou dit met recht het postulaat, het grondaxioma der Theol. wetenschap kunnen noemen, dat juist daarom niet a priori bewezen, d. i. uit een nog dieper liggend »principium” kan afgeleid worden. Dat is de basis, het substraat, de ßB`hgF4H der H. Godgeleerdheid; de stelling waarop zij rust en gebouwd wordt. Een ander, een dieper beginsel is er niet. »Principii principium haberi non postest nec quaeri debet,” zegt Trelcatius L. Fil. terecht 10). |18|

De exegetische Theologie heeft dit dan ook niet in twijfel te stellen en moet niet eerst eens gaan onderzoeken, of de H. Schrift wel het beginsel der Godgeleerdheid zij. Zoo mogen velen thans haar roeping beschouwen, maar daarmede eischen zij, dat zij zichzelve vernietigt. Neen, haar heerlijke taak is, om dat »principium,” dat a priori vaststaat, altijd helderder, duidelijker te doen zien, het van mogelijke inkruipselen en bijmengselen te ontdoen, het te expliceeren, zoodat het in al zijn glans schittert voor het oog des geloofs. Positief dus, uitgaande van het geloof. Wil zij dat niet, dan houdt ze op, deel uit te maken van de Theol. wetenschap, verwoest waar zij opbouwen moest en graaf zich eigen graf 11).

En moge nu de stelling: de H. Schrift het eenig beginsel der Theologie, velen onwetenschappelijk in de ooren klinken, dan worde daartegenover eenvoudig opgemerkt, dat onze wetenschap in dat uitgaan van een alleen door het geloof aangenomen beginsel met alle andere wetenschappen gelijk staat. Elke wetenschap gaat uit van een axioma, van eene onderstelling, die zij aanneemt zonder bewijs. Wie dat niet wil, komt nimmer tot wetenschap. Een absoluut weten, waarvan weten begin, midden en einde is, is er voor ons, schepselen niet. Wij staan op den grondslag van het geschapene. Niet voor-, maar nadenken is ons gegund. Wij moeten alzoo een aanvang hebben voor ons denken; een a priori, waarvan wij bij ons streven naar kennis uitgaan — anders doemen wij onzelven tot wanhopig scepticisme en komen tot kennis van niets.

Dat wil echter allerminst zeggen, dat deze geloofsstelling |19| uit nooddwang en alleen om redenen van utiliteit moet worden aangenomen. Immers, het bewijs voor de waarheid en hechtheid van het axioma, waarvan wordt uitgegaan, levert zich straks in de wetenschap, die daarop gebouwd wordt. Op een zandgrond bouwt men geen huis, dat de stormen trotseert. De natuur-, de wis-, de redekunde zouden niet mogelijk zijn, indien de stellingen, op wier onbewijsbaren grondslag zij opgetrokken zijn, niet hecht waren. En evenzoo, de Theologie zou geen encyclopaedisch geheel, geen harmonisch systeem kunnen vormen, ze ware reeds lang door innerlijke tegenstrijdigheid verteerd en in een puinhoop verkeerd, indien de grondslag van haar bouw een zandgrond en geen rots ware geweest.

Daar komt nog bij, dat wij die grondstellingen aller wetenschappen vanzelf aannemen, zonder eenigen dwang, krachtens haar eigen evidentie. Het zijn »ideae innatae, notiones communes, aeternae veritates,” waarvan wij ons niet dan met geweld kunnen ontdoen 12). En als hiertegen ingebracht wordt, dat dit bij de Theologie juist niet het geval is, dat integendeel haar beginsel van nature niet in ons ligt, ja alle evidentie mist en eerst ten koste van strijd en worsteling met hart en verstand beide door ons wordt aangenomen, dan is mijn antwoord gereed: zie, dat juist is mede een bewijs van de waarheid van dat beginsel en van de heerlijkheid der Theologie. Want de beginselen, waaruit de andere wetenschappen worden opgebouwd, rusten in de natuur des menschen, liggen als »ideae innatae” in zijn rede of geweten, in zijn verstand of gevoel. Maar alzoo is het met deze onze wetenschap niet. Haar |20| »principium” ligt van nature niet in ons, en kan ook door geen inspanning of oefening in ons gekweekt worden; veeleer strijdt het met heel onze natuur 13). Dat beginsel wordt door ons eerst erkend en in ons gelegd met het nieuwe leven der wedergeboorte, wordt ons eerst ingeplant in dat geloof, dat vrucht is van de werking des H. Geestes. En nu is dit mijn beweren, dat door dat nieuwe, geestelijke, hemelsche leven — en daarmede mag en moet hier alleen worden gerekend — de aanneming van dit beginsel aller echte Theologie even spontaan en als vanzelf geschiedt, als dit plaats heeft met de zoogenoemde axioma’s der andere wetenschappen. Voor het geloof des harten is de stelling: de H. Schrift, eenige en genoegzame kenbron der Godgeleerdheid, onmiddellijk evident, a priori vast staande; in de natuur van het geestelijk leven ligt deze waarheid als eene soort »idea innata” besloten. Of anders en historisch uitgedrukt, met het materieele beginsel der Hervorming is het formeele vanzelf gegeven. Vandaar dan ook dit veelbeteekenend verschijnsel, dat de Kerk deze waarheid altijd meer ondersteld dan geformuleerd en naar alle zijden afgerond en verdedigd heeft, dat in tijden van opgewekt geestelijk leven en bij hen, die het meest en teerst wandelen naar den Geest, deze waarheid als »primum verum” vaststaat, en dat ieder waarachtig geloovige in zijne beste oogenblikken b.v. in het gebed, de meest onmiddellijke uiting van het leven des geloofs, toch weer, al was hij nog zoo ver afgedwaald, tot deze waarheid terugkeert 14).

Daarin heeft nu de Theologie een eigen, wel omschreven en vaststaand beginsel, dat, aan geen der andere |21| wetenschappen gemeen, haar aanspraak geeft op eene eigene plaats in haar wijden kring. Eene eigene, maar tevens eene aanzienlijke plaats, want haar beginsel toont reeds hare heerlijkheid en hare voortreffelijkheid boven de andere wetenschappen. Deze toch rusten alle in beginselen, die wel »in suo genere” maar niet »absolute prima principia” zijn; integendeel zij rusten zelf alle weer in Hem, die alle dingen draagt door het Woord zijner kracht 15). j Maar de Theologie streeft al deze toch ten slotte weer afgeleide beginselen verre voorbij, laat ze achter zich, en heeft haar beginsel nergens anders dan in God zelven, en in Zijn Woord. Uit God is zij door Zijn Woord ons kenbaar gemaakt. Hij zelf is haar bron, de H. Schrift de kenbron. In haar oorsprong is zij dus heilig, van alle andere wetenschappen essentieel onderscheiden. Zij is supranatureel, zij is niet van deze wereld. Anders zou deze haar ook gekend en erkend hebben. Maar nu is zij niet van hier. k


II.

Liggen de oorsprongen van de wetenschap der H. Godgeleerdheid niet binnen den kring der zichtbare dingen, M. H. ook de inhoud, dien zij te ontvouwen heeft, behoort niet tot deze wereld. Welke die inhoud zij, ligt in den naam, dien zij draagt, al opgesloten. Theologie, Godgeleerdheid is zij genoemd, niet slechts wijl zij uit God haar herkomst, maar ook omdat zij Hem tot voorwerp had. In dien etymologischen en ook bij de Grieken gebruikelijken zin is de Theologie |22| in de Kerk ten allen tijde opgevat, en het is voornamelijk eerst in onzen tijd, dat die naam als eene onware etiquette wordt gebezigd. Wel is het mij niet onbekend, dat onder den naam Theologie niet altijd volkomen hetzelfde werd verstaan. Allereerst werd in de Christelijke Kerk daardoor aangeduid de leer over de Goddelijke natuur van Christus: reden, waarom waarschijnlijk Johannes in het opschrift der Apocalypse den bijnaam van Theologus ontving; daarna ook de leer over God en de Triniteit. Maar daarin spreekt zich juist uit, dat het begrip der Theologie, verre van in eens zijn ganschen inhoud bloot te leggen, altijd in den loop der geschiedenis zich meer ontvouwt totdat het nu voor heel den cyclus der Godgeleerde wetenschap wordt gebezigd. Ed. Zeller maakt in zijne »Philosophie der Grieken” 16) de opmerking: »der Name der Philosophie fixirt sich nur allmählich, aber auch die Philosophie ist nur allmählich als eine besondere Form des geistigen Lebens hervorgetreten.” Dat geldt in gewijzigden zin ook hier. De naam Theologie omvat steeds meer, naarmate de Theologie zelve zich uitzet. De Theol. wetenschap blijkt daarin een organisme te zijn, dat allengs opwast en alzoo normaal zich ontwikkelt. Altijd meer legt zich uit en ontvouwt zich, wat in dien naam is begrepen. Het werd en wordt steeds duidelijker, dat tot de Leer van God in engeren zin nog veel meer behoort, dan vroeger ingezien werd en worden kon. De vakken, onder dien naam gedoceerd, gaan nog steeds voort in aantal en omvang zich uit te breiden 17). Opmerking verdient het echter daarbij, dat de systematische Theologie het eerst en ook bij voortduur het krachtigst zich heeft ontwikkeld, |23| totdat eerst in onze eeuw die wanverhouding is ingetreden, waarop onlangs de Hoogleeraar Kuyper met zooveel recht en zooveel nadruk wees. Van die systematische Theologie uit en om haar heen, hebben zich over een lang tijdsverloop al die vakken gegroepeerd, welke wij thans onder de exegetische, historische en practische Theologie samenvatten. Maar zij, waaruit als uit het hart de levensuitgangen zijn l der overige Theol. vakken, bleef kern en middelpunt der Godgeleerde wetenschap, werd bij voorkeur beoefend en bleef nog lang in eminenten zin den naam van Theologie dragen.

Hoe ook de Theologie zich uitbreide, deze eigenlijke beteekenis van den naam moet behouden blijven, tenzij men haar geheel en al van gedaante veranderen en in waarheid vernietigen wil. Door die beteekenis moet worden bepaald, wat al dan niet tot haar gebied behoort; wat als wettig leervak op haar erve thuis hoort of als contrabande moet worden geweerd. Zoo alleen is de ontwikkeling der Theologie eene normale.

Niet als normale ontwikkeling, maar als verbastering moet de verandering aangemerkt worden, welke de Theologie aan onze Rijksuniversiteiten onderging door de jongste wet op het Hooger Onderwijs. De naam Godgeleerdheid is behouden, maar evenals de formule »Christelijke deugden” in de wet op het lager onderwijs, zonder eenig recht. Bij een overzicht van wat onder dien valschen naam aan onze Lands-Hoogescholen wordt gedoceerd, ontdekken wij slechts eene bonte verzameling van vakken, elke leidende gedachte en »principium organicum” missend, zoodat het dan ook voor den Hoogleeraar in de Encyclopaedie der Godgeleerdheid |24| onmogelijk is, ze in een cyclus samen te vatten en het organisme er van te doen kennen 18). Toch is uit die samenvoeging van vakken niet onduidelijk het streven op te merken, om de faculteit der H. Godgeleerdheid geheel en al in eene faculteit van godsdienstwetenschap te metamorphoseeren. Dat wil zeggen: niet God zal langer het object zijn der Theologie, maar de godsdienst, die als zoo belangwekkend historisch verschijnsel onderzocht, en in zijn oorsprong, ontwikkeling en wetten gekend dient te worden. Dat streven gaat zelfs nog verder en heeft geen ander doel, dan om de Godgeleerdheid geheel en al te doen vervangen door eene wetenschap van de verschillende godsdiensten van alle volken en uit alle tijden, om alzoo door onderlinge vergelijking te komen tot dien hoogsten en zuiversten godsdienst, die dan voor een korten tijd »ex cathedra” als de ware zal worden gepredikt.

Dat nu, M.H. is geen Theologie meer; dat is niets anders dan de secularisatie der Godgeleerdheid voltooid. En daarin toestemmen mogen wij niet, om velerlei redenen. Niet alleen toch, dat het object: de godsdienst, zoo onbepaald en zwevend mogelijk is, en door geen twee naar wezen en inhoud en omvang gelijk wordt omschreven; maar deze godsdienstwetenschap wordt ook met bewustheid, volkomen losgemaakt van het eenig en genoegzaam beginsel der Godgeleerdheid, de H. Schrift; staat tegenover haar als tegenover elk ander boek, stelt zich dus op zoogenaamd neutraal standpunt buiten en tegenover alle godsdiensten, beoordeelt en vergelijkt ze naar een willekeurig aangelegden maatstaf, en wordt niets anders dan analyse van ’s menschen |25| godsdienstig bewustzijn. Feitelijk dus, het Christendom van zijn absoluut karatker, waarmede het optreedt, beroofd; alle godsdiensten op gelijke lijn gesteld; de Evolutieleer ook op hen toegepast, de hoogere godsdienstvorm een ontwikkeling van den lageren. Waarom zulk eene wetenschap dan nog eene eigene plaats onder de Universiteitswetenschappen innemen moet en niet liever onder de historische of psychologische wetenschap wordt gerangschikt, is waarlijk niet in te zien en alleen met overwegingen van utiliteit te verdedigen. Het ontbreekt haar toch volkomen aan een eigen beginsel en een eigen object. De Theologie wordt eenvoudig anthropologie; God een ideaal, een beeld, gevormd door den mensch, d.i. een afgod, en wijl alle afgoderij naar eene innerlijke wet verloopt in een spotten met het beeld, waarvoor men eerst knielde in deemoed, de godsdienst aan het eind niet meer geacht dan een kindêrwaan, hoogstens een hoofdstuk nog vormend in de »pathologie van den menschelijken geest”.

Men kan echter aan den naam godsdienstwetenschap nog eene andere beteekenis hechten, en daaronder verstaan, gelijk de la Saussaye het ergens formuleert 19): »onderzoek naar de wijze, hoe de godsdienst zich vertoont in het leven niet alleen, maar ook naar het recht van zijn bestaan, naar de eeuwige waarheid, die zich daarin openbaart, dus naar de wijze, niet alleen hoe de mensch godsdienst heeft, maar ook hoe God zich aan en in den mensch openbaart.” Dienovereenkomstig zou de Christelijke Theologie dan te omschrijven zijn als de wetenschap van den Christelijken godsdienst, een onderzoek naar zijn oorsprong, recht en waarheid, of ook wel eenvoudig als wetenschap van het Christendom 20), |26| of nog anders met de la Saussaye als de wetenschap van de Christelijke Kerk, deze gedacht als het geheel der levensuitingen van den geest, die de Christelijke gemeente als zoodanig bezielt 21); alle omschrijvingen, die hoezeer ook nog onderling verschillend, toch in het wezen der zaak overeenstemmen. Door de gelijkluidendheid der termen verleid, zou men zich zelfs voor het goed recht dezer bepaling kunnen beroepen niet slechts op den Remonstrantschen Limborch, maar ook op Gereformeerden als Burmannus en Maestricht, a Marck en de Moor, die ook allen niet slechts van God zelven maar ook van den »cultus Dei” als het eigenlijke object der Theologie spreken 22). De Theologie alzoo omschrijvende, bevindt men zich in het gezelschap van de meeste geloovige Godgeleerden in dezen tijd, Godgeleerden van alle richtingen, die hoewel den naam Theologie behoudende, toch in de omschrijving zijne eigenlijke beteekenis laten varen.

Dat men daarbij toch voor het behoud van den ouden naam ijvert en niet duldt dat hij door dien van godsdienstwetenschap wordt vervangen, getuigt van een nog aanwezig, schoon dan ook duister besef, dat in dien naam het karakter en het wezen der Theologie zich uitspreekt. En zoo is het inderdaad. Want ook wanneer de Kerk of het Christendom — de la Saussaye Jr. heeft het naar waarheid gezegd 23) — het object der Theol. wetenschap wordt genoemd, dan bedoelt men daarmede niet een zeker aantal empirische feiten, toestanden, verschijnselen, waarvan men de beteekenis in het midden laat, maar men ziet in die Kerk, in dat Christendom een werk Gods, eene openbaring der |27| waarheid. Niet van een naakt, empirisch feit gaat men dus uit, maar van eene opvatting en waardeering van dat feit. Het is, wijl God in die feiten op bijzondere wijze zich openbaart, dat deze in de Theologie beschouwd worden; niet die feiten op zich zelf, maar als openbaring Gods, dat is dus eigenlijk, God zelf is object der Theologie. Alleen datgene, waarin God zich openbaart, en voorzoover Hij zich daarin openbaart, kan en mag het object wezen der Theol. wetenschapen.

Maar nog grooter bezwaar drukt deze omschrijving. Want terwijl men het waardeeringsoordeel over Kerk en Christendom, waarvan men uitgaat, alleen te danken heeft aan de H. Schrift, tracht men toch in de bepaling der Theologie, op regressieve wijze, retrogradisch, van de Kerk te komen tot de Schrift, van de gemeente tot Christus, van den mensch tot God, van het karakter tot het voorwerp des geloofs, van het leven tot de leer, van de ethiek tot de dogmatiek. Een rotsgebouw wordt dan opgetrokken op schuivend oeverzand. De Christus blijft dan niet de Christus naar de Schriften, maar wordt een ideaal, gevormd door onze phantasie. »Als ob nicht in gleicher Weise das Katholisch Christliche Gefühl mit gleichem Rechte die sündlose Himmelskönigin aus Maria bilden könnte,” kan met Schweizer hiertegen ingebracht worden 24). Ook hier geldt dus hetzelfde, wat wij straks bij Schleiermacher al niet goedkeuren konden: de waarheid rustend op het zelfbewustzijn — eene stelling, die van Roomsche smet niet vrij is en van moderne verwantschap getuigt, maar even daarom ook door en door ongereformeerd en met het karakter der Theologie volkomen in strijd. |28|

Terwijl men dan verder nog, door Kerk en Christendom tot object te maken van de Theologie, beide in eene ongezonde verhouding plaatst en de klove slechts verbreedt, die thans Kerk en Theologie, tot onberekenbare schade voor beide, scheidt. Immers, alzoo wordt de Theologie eene »Warte”, van waaruit het Christendom, de Kerk wordt gadegeslagen, eene beschouwing over den godsdienst, eene soort van Religionsphilosophie. De Theoloog staat dan, ook al eischt men nog zoo dringend, dat hij door den zedelijken band des geloofs aan zijn voorwerp gebonden moet zijn, in zekeren zin, als man der wetenschap, buiten en tegenover de gemeente. Dat maakt de Theologie trotsch en zelfgenoegzaam, en doet de Kerk van haar vervreemden. Daardoor worden geloof en wetenschap nog onverzoenlijker tegenover elkander gesteld.

Die verhouding is de ware niet. Kerk en Christendom zijn niet het object, maar — laat mij het zoo mogen uitdrukken — het subject der Theologie. Zij is zelve godsdienst. Zij is niet de wetenschap van het Christendom, maar het Christendom zelf als wetenschap. Zij is het Gods- en daarom ook het zelfbewustzijn, de Gods- en dus ook de zelfkennis der Gemeente. Het is om zoo te zeggen de Kerk zelve, die in de Theologie denkt en kent. In beginsel is de gemeente immers zelve theoloog, door God aangaande Hem geleerd. m Zij heeft door Geestesdrang de Godgeleerdheid in het aanzijn geroepen. En zij stelt zich niet aan eene Theologische faculteit van Hoogleeraren ter beoordeeling, om zekerheid te verkrijgen of inlichting aangaande zichzelve te ontvangen. Neen, zij is zichzelve volkomen bewust, onmiddellijk van zichzelve zeker. Maar zij wil zelve in de |29| Theologie altijd meer Hem leeren kennen, dien zij door het geloof reeds bezit. Zij wil geheel en al geloof wezen, ook naar de zijde des verstands; ook met het hoofd wil zij God dienen. Omdat zij overtuigd is, dat waarlijk vroom slechts is, wie het geheel is, met verstand en ziel en alle krachten. n Niet uit skepsis of uit behoefte aan zekerheid, maar uit de plerophorie des geloofs is de Theologie geboren 25). Zoo is er dan tusschen Kerk en Theologie geen verschil in wezen, alleen in graad van helderheid. De theoloog staat niet buiten of tegenover, maar geheel en al in de gemeente. De Theologie is de Kerk zelve, in haar hoogste, heerlijkste, rijkste openbaring. Zij is niets anders dan het geloof, zich door Geestesdrang verheffend in de wereld der gedachte, en ook op het gebied der wetenschap Jezus Christus belijdend als Dengene, in wien alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. d

Omdat alzoo de Theologie niets anders is dan het Christendom, de Kerk, het geloof als wetenschap, heeft zij ook geen anderen inhoud dan dat Christendom, die Kerk, dat geloof zelve. En wat anderen inhoud zou dat wezen, dan de eeuwige onzichtbare dingen, o dan God zelf in het aangezicht van Christus? p Dat is de inhoud, het object der Theologie. Natuurlijk niet God, zooals Hij is in zichzelven, in de gansche diepte van zijn ondoorgrondelijk wezen, maar — gelijk ook de Gereformeerden terecht onderscheidden — zooals en voorzoover Hij in natuur en genade zich heeft willen openbaren. Wat zouden wij anders dan door openbaring van Hem kunnen weten? Ectypisch is heel onze Theologie. God in Christus Jezus, is haar heerlijk object. Hem beschouwt, |30| Hem bepeinst zij, Hem in de Drievuldigheid van zijn bestaan, in Zijn wezen en eigenschappen, in Zijn woorden en daden, in den rijkdom Zijner zelfopenbaring, in de verhouding, waarin Hij zich gesteld heeft tot al Zijne schepselen. Al wat Hem openbaart, iets van Hem doet kennen, komt in zoover in de Theologie ter sprake. Zij getroost zich de moeielijkste en meest inspannende onderzoekingen, op het gebied van Schrift en Kerk, opdat zij altijd meer God leere kennen in Christus, vat die kennis samen en doet ze overgaan in het leven, opdat Hij in het kennen gediend en in het dienen gekend worde. Dat is de ware dorst naar kennis. Wie dien voelt, is waarlijk theoloog.

Alles wat in de Theologie behandeld wordt, komt daar dus voor, als in eenige relatie staande tot God. Het vindt daar alles zijn plaats, gelijk Thomas Aquinas het uitdrukt, niet als »partes” of »species” of »accidentia,” als iets relatief-zelfstandigs naast God, maar God is het eenige object en al het andere is in betrekking tot Hem opgenomen en gerangschikt 26). Alles wordt onder Hem gesubsumeerd, en in dien »casus obliquus” gesteld, waarin het door Hem tot zichzelven is geplaatst. Theologisch, Theocentrisch is dus heel onze wetenschap. Het komt in haar nooit aan op de vraag, wat ons van de dingen dunkt en in wat relatie zij tot ons staan; maar alleen, wat is de beschouwing Gods over zichzelven en over alle dingen bij zijn eigen licht en van zijn eigen standpunt uit, en wat is de kennis, die Hij alzoo van zichzelven ons wil openbaren. En zoo kan dus kort en duidelijk de materie der Theologie met Fr. Junius op voetspoor der »Patres Orthodoxi” aldus worden |31| omschreven: »quod aut Deus est recto casu aut quod obliquo casu Dei, Deo, ad Deum aut a Deo esse dici postest, quod denique secundum omnes casus suam certam ad Deum habet relationem ordinationemque” 27).

Met deze omschrijving wordt, naar ik meen, alleen het zelfstandig karakter der Theologie gehandhaafd. Anders wordt zij altijd in meerdere of mindere mate anthropologie. En nu moge het waar zijn, dat bij andere godsdiensten, zooals de mensch is, zijn God is; wie deze stelling ook op het Christendom toepast, miskent het in zijn wezenlijk karakter. Dat treedt juist op met den eisch, dat wij navolgers Gods zullen zijn, q Zijn beeld (en niet Hij het onze) zullen dragen, heilig en volmaakt zullen wezen als Hij. r Zooals God is, behooren wij te wezen. Ook het dikwerf zeer sterke anthropomorphisme der H. Schrift rust daarop, dat God den mensch geschapen heeft naar Zijn beeld en gelijkenis. Alzoo mag ook onze Theologie nooit iets anders zijn dan afdruk, ectype, beeld der zijne, naar de zijne geconformeerd en gereformeerd. Theologie blijve dus Theologie! Vreeze, dat daarbij het andere, b.v. de mensch schade zal lijden en in een valsch licht zal worden geplaatst, behoeft waarlijk ons hart niet te vervullen. Want het is toch buiten allen twijfel, dat alle dingen eerst hun recht kunnen krijgen, als God het zijne erlangt; in Gods licht geplaatst, staat alles eerst in het ware licht. s

Maar mogelijk wordt van eene andere zijde de ernstige bedenking ingebracht, dat de Theologie, God tot voorwerp hebbend, den naam van wetenschap niet dragen mag, wijl van God wel veel met grond geloofd, maar niets met zekerheid |32| geweten kan worden 28). De grond dezer bedenking kan niet daarin liggen, dat God, als tot de onzichtbare wereld behoorend, onkenbaar zou zijn; want wie zou de stelling aandurven: al het onzichtbare is onkenbaar? Waar bleven dan de ethiek, de psychologie, de philosophie; waar al de wetenschappen des geestes; waar zelfs die der natuur, want ook het zichtbare zou zonder dien onzichtbaren achtergrond, zonder dat »Woord,” dat alle dingen draagt j en vormt en verbindt, ten eenenmale onkenbaar zijn. Ligt dan de grond der bedenking misschien daarin, dat al dat onzichtbare zich op geheel bijzondere wijze, dat is, overeenkomstig zijn eigen aard, alleen aan den geloovige openbaart en kennen doet? Maar behalve dat elke wetenschap rust in het geloof, en van den beoefenaar geloof eischt aan het bestaan van het voorwerp van zijn onderzoek en aan de betrouwbaarheid zijner zintuigen en gedachten; dat het object der Theol. wetenschap slechts waargenomen wordt door het oog des geloofs, pleit niet tegen maar voor den adel onzer wetenschap. Het geestelijke kan ook slechts op geestelijke wijze worden gespeurd. Als eene reine bruid ontsluiert deze heilige wereld voor den onheilige haar aangezicht niet. Alleen de reinen van hart zullen God zien. t Zij eischt in ons eene zedelijke gesteldheid, want zij neemt niet maar ons verstand maar al onze faculteiten in beslag, zij werpt haar beeld alleen in het bewustzijn van den waren mensch. Maar dan ontsluit zij zich ook van zelve. Dan dringen die eeuwige, onzienlijke dingen zich aan ons op als eene onwederstandelijke, reëele macht en met zooveel kracht en waarheid, dat twijfel onmogelijk is, en hun bestaan bij ons oneindig veel |33| vaster staat dan alwat wij met onze vijf zintuigen waarnemen 29).

En omdat het geloof die volstrekte zekerheid medebrengt (anders vreesde het immers het licht der wetenschap), verheft het zich vrij en frank in de wereld der gedachte, wil dieper, helderder kennen wat het heeft aanschouwd met ontwijfelbare gewisheid en begeert voor zich in den cyclus der wetenschappen de eerste en voornaamste plaats. Elk Christen voelt, omdat en in zoover hij gelooft, den drang in zich, om te kennen de dingen, die boven zijn. u Of beter nog, die drang naar het kennen dezer door het geloof aanschouwde wereld ligt eigenlijk niet in dat geloof maar in die wereld zelve. Zij dringt zich aan ons op met zooveel kracht, in zoo boeiend schoone gestalte, met zoo heilige, souvereine waarheid, dat aan den eisch, om haar te kennen, niet is te ontkomen. Als zij in al haar majesteit en goddelijk schoon zich stelt voor het oog onzer ziel, dan doet zij een trilling gaan door onze leden, dan doet zij ons ontwaken tot een nieuw, tot een hooger leven, dan vervult zij ons met aanbiddende verwondering en — verwondering is naar Plato’s schoone opmerking 30) de aanvang der philosophie. Van God zelven gaat die drang naar kennis uit. Hij is het, die ons hart dorsten doet naar den levenden God. v Hij wil door ons bewonderd, aanschouwd, gekend, geliefd wezen. Hij vernieuwt ons naar zijn Goddelijk Evenbeeld, naar het beeld ook der kennis, die Hij heeft van zichzelven.

Wat spreekt men dan, dat de Theologie geene wetenschap zou zijn? Is het haar te wijten, dat anderen niet waarnemen, wat door den geloovige wordt aanschouwd en darom haar dezen naam betwisten? Zij is de wetenschap, »Regina |34| scientiarum.” Hoog staat zij boven alle wetenschappen. Want deze allen hebben slechts een speciaal gebied der schepping tot voorwerp van haar onderzoek. Zij houden zich alle bezig met den kosmos of den anthropos, en verkeeren dus alle omtrent het schepsel. Maar deze onze wetenschap laat ze verre achter zich, vestigt van het schepsel af op den Schepper het oog. Uit God geboren, heeft zij ook Hem zelven tot voorwerp. Evenals ze naast andere wetenschappen een eigen beginsel had, zoo heeft zij ook een eigen, duidelijk aanwijsbaar object, dat, daar het niets anders is dan God zelf, de Schepper en Onderhouder aller dingen, der Theologie aanspraak geeft op de eereplaats in den kring der wetenschappen. Geen dieperen smaad en geen snijdender hoon M.H. konden dan ook de Theologen in de laatste jaren hun eigen wetenschap aandoen, dan om met ootmoedigen knieval aan de andere wetenschappen eene plaatse in heur kring ook voor de Theologie te begeeren. Niet als gunste, maar als recht komt haar de eerste, de eereplaats toe. Wil men haar die niet afstaan, dat ze dan te fier zij, om tot slavin zich te verlagen. Eene koningin blijve ze, ook als zij gesmaad wordt.

Toch staat zij weer met alle andere wetenschappen in het nauwste verband. Maar dat verband moet niet allereerst en uitsluitend met de la Saussaye 31) gezocht worden in het anthropologisch karakter der Theologie, maar in het theologisch karakter der andere wetenschappen. Er ligt hierin volstrekt niet, dat de Theologie hare zusteren zou willen beheerschen door dwang of met geweld binden aan haar uitspraak. Haar als »Regina” past het, evenals Christus |35| den Koning, alleen te regeeren en te verwinnen door zedelijke en geestelijke wapenen. Maar dit ligt er in opgesloten, dat alle wetenschappen eene zijde hebben, waardoor zij met de Theologie in aanraking komen. Al de speciale objecten dier verschillende wetenschappen, schoon op zich zelf de naaste objecten, hebben alle hun grond weer in God die ze alle draagt, ze in hun onderscheidenheid bewaart en saam tot kosmos verbindt. Hoe dieper alle die bijzondere wetenschappen indringen in de diepte des geschapenen levens, te meer rechtstreeks en als van aangezicht tot aangezicht zij komen te staan tegenover Hem, die al de volheid van dat leven schiep en nog steeds onderhoudt, en het object is der Theologie. Omgekeerd komen ook al de objecten dier »Specialwissenschaften” in de Theologie ter sprake, maar niet als een eigen gebied naast andere, maar alle samen als schepsel, in relatie staande tot God.

Eene »Universalwissenschaft” is dus de Theologie. Zij komt daarin met nog ééne wetenschap overeen, met de Wijsbegeerte. Ook deze neemt een centraal standpunt in en omvat alle gebied des levens en des wetens. Toch is tusschen beide het onderscheid groot. De Philosophie is anthropocentrisch; zij beziet alle dingen van het standpunt des menschen uit, bij zijn licht; zij is de beschouwing des menschen, met hem tot middelpunt en maatstaf. Maar de Theologie is theocentrisch; zij beziet alles van boven, van God uit, bij Diens licht; zij is de beschouwing Gods over de dingen, met Hem tot centrum en maatstaf 32). Beide gaan nu naast elkaar, dikwerf strijdend, maar toch veel meer dan elk van beide erkennen wil, de eene aan de andere tot dankbaarheid |36| verplicht. De verzoening van beide is in Christus gegeven. Eens vallen zij volkomen samen. De beschouwing Gods is tevens die van den waren mensch.


III.

Het is alzoo God zelf, M.H. die door Zijn Woord en Geest de Theologie aan Zijne gemeente schenkt, vergunt mij dan nog in de derde plaats het doel U aan te wijzen, dat Hij daarmede beoogt.

De Theologische wetenschap staat niet slechts bij beoefenaren van andere wetenschappen, maar ook bij vele eenvoudige zoowel als ontwikkelde gemeenteleden in een kwaden reuk. Zij zien in haar eer een middel ter bestrijding dan ter verdediging van hun allerheiligst geloof, en verwachten van hare beoefening eer afbreuk dan opbouw der gemeente. Ongerekend hen, die uit mystieke neigingen alzoo spreken, zijn er velen, die vragen: waartoe Theologie? waarom niet liever in allen eenvoud ons neergelegd bij de Schrift en de waarheid genomen, zooals God ze ons geeft, in stede van ze te verwringen en te persen in een systeem, dat het leven doodt? Die aldus spreken, mogen in de vele en velerlei gebreken, welke der Theologie hier op aarde blijven aankleven, verontschuldiging vinden, maar miskennen toch, wat zij niet weten. Buiten Theologie kan de gemeente op den duur geen gezond en krachtig leven leiden. Niet alleen, dat onze geest naar eenheid verlangt en de harmonie en schoonheid der waarheid wil zien; maar wij kennen de waarheden ook niet, |37| zoolang wij ze slechts afzonderlijk kennen en niet in heur onderling verband. En nu liggen de waarheden, wier kennis ter zaligheid noodig is, in de H. Schriften in bonte orde verspreid. God geeft ons nooit, op geen enkel gebied, gesneden brood, maar laat het koren wassen, opdat wij het tot brood bereiden zouden. Hij geeft ons geen stelsel van natuur- en sterrekunde, dat gereed voor ons liggend, slechts door ons behoeft gecopieerd te worden, maar Hij spreidt die natuur en die starrenwereld in al haar schijnbare wanorde voor onze oogen uit, opdat wij met geduld en inspanning haar verschijnselen waarnemen, haar feiten verzamelen, haar wetten opsporen zouden en alzoo komen tot haar ware begrip. Zoo ook op het gebied des hoogsten, des geestelijken levens. Ook daar ligt de spijze niet gereed voor ons, maar moet door ons in het zweet des aanschijns bereid worden. De Bijbel is geen wetboek, waarin wij slechts artikel na artikel hebben op te slaan; en biedt ons evenmin een uitgewerkt systeem van waarheden, dat wij slechts behoeven na te spreken en af te schrijven. God heeft men menschen een hooger doel voor; Hij wil dat zij Hem nadenken zullen en volgen in Zijne werkplaats. En daarom legt Hij dien Bijbel hun voor in al zijn rijkdom en bonte verscheidenheid, aanschouwelijk, schilderachtig, als een organisme, waarvan zij de verschijnselen hebben gade te slaan en te rangschikken, en dien levensgeest hebben op te sporen, die het al verbindt. Dat is nu allereerst de heerlijke taak der Theologie, het organisme der waarheid ons te doen kennen, welke God heeft geopenbaard.

Terecht beweerden de Geref. Godgeleerden daarom, dat de |38| Theologie niet <@0J46Z is, maar *4"<@0J46Z, geen apprehensieve maar ook discursieve wetenschap, d.w.z. dat zij niet slechts woordelijk en letterlijk herhaalt, wat in de Schrift te lezen staat maar ook die stof bearbeidt en verwerkt. »Totidem verbis” behoeft iets niet in den Bijbel te staan. Niet »formaliter”, maar »materialiter”; niet »explicite”, maar »implicite” moet de stof der Theologie in de H. Schriften vervat wezen. Het gebruik der rede is daarom ook niet te versmaden; zij is welkom en gewaardeerd instrument om de waarheden der H. Schrift op te helderen, onderling te vergelijken en andere daaruit af te leiden 33). Zonder dat zou er van eene wetenschap der Theologie en van haar voortgang ook geene sprake kunnen wezen.

Het is het recht der Theologie, om de waarheid Gods ook den denkenden geest tot bewustzijn te brengen. Niet alleen de B\FJ4H, ook de (<äF4H is eene gave des H. Geestes. Het Christendom is de verzoening van den ganschen mensch met God, niet alleen van zijn hart en geweten, maar ook van zijn verstand en rede. En daarom is het heerlijk doel der Theologie, om het Christendom ook als waarheid voor ons verstand te handhaven en het redelijke te toonen van ons geloof. Want met het hart een Christen en met het verstand een Heiden te wezen, is op den duur onmogelijk; beiden worstelen in ons dan zoo lang met elkaar, totdat de een den ander buiten drijft. En dat doel kan de Theologie niet bereiken, tenzij zij de eenheid en de onderlinge betrekking der waarheden late zien. »It is one thing, zegt Hodge, to know that oceans, continents, islands, mountains and rivers exist on the face of the earth; and a much higher |39| thing to know the causes which have determined the distribution of land and water on the surface of our globe; the configuration of the earth; the effects of that configuration on climate, on the races of plants and animals, on commerce, civilization, and the destiny of nations.” Dat is ook in de Theologie van toepassing; wij moeten de orde, het verband der waarheden kennen; haar systeem moet ons duidelijk wezen. En het is daarom, dat de Godgeleerdheid eerst in de Systematische Theologie haar hoogtepunt bereikt en tot een volkomen zelfstandig bestaan komt 34).

Dat systeem mag natuurlijk niet opgedrongen, noch het principe van buiten af ingelegd worden. Wij hebben niets te doen dan het levenssysteem zelf te ontdekken, de grondgedachte, het organiseerend beginsel op te sporen, en in begrippen weer te geven. Anders ware het systeem de dood voor het leven, het Procrustesbed, waarin de waarheid verwrongen en verminkt werd. Aan de stof zelve moet systeem en principe beide ontleend worden. Het mag niets anders wezen dan omzetting in taal, weergeving in begrippen, beschrijving, afspiegeling in ons bewustzijn van het systeem in de dingen zelve. Zoo eerst doet de Theologie ons God kennen en God bewonderen. Want de zalige ontdekking, dat wij ook in de Openbaring niet te doen hebben met een chaos, waar onze geest geen orde in vinden kan, maar met een kunsstuk van God Drieëenig, zal onze harten met aanbidding en stille bewondering vervullen.

In dit theoretisch doel gaat echter de Godgeleerdheid volstrekt niet op; zij is veeleer van door en door practische strekking. Daar is veel getwist over de vraag, of de |40| Godgeleerdheid eene theoretische dan wel eene practische wetenschap was. En terwijl ter rechter- en ter linkerzijde tusschen deze beide werd gekozen, de Thomisten bv. haar als eene theoretische, de Scotisten ze als eene practische wetenschap beschouwden, hielden de Gereformeerden staande: geen van beide alleen, maar beide samen 35). Daardoor onderscheidt zich de Theologie essentieel van de Philosophie, die alleen uit den dorst naar weten geboren, eene zuiver theoretische wetenschap is, welke het alleen om weten is te doen. Principieel staat zij hierdoor ook tegenover alle wetenschap, die in zelfaanbidding opgaande, van het leven zich losrukt en dat leven een middel waant, waarover zij naar welgevallen en willekeur beschikken kan. Dat vooral heden ten dage de wetenschap dikwerf dat zelfgenoegzaam en hooghartig karakter aanneemt, valt niet te ontkennen. »Wenn früher, zegt Hagenbach 36), die Empirie vorherrschte und der blosse Hinblick auf die künftige Praxis nicht selten der Gründlichkeit des Studiums Eintrag that, so macht sich jetzt eine Wissenschaftlichkeit breit, die das Leben höhnt und seine schreiendsten Forderungen mit grausamer Härte von sich stösst.” Inderdaad, dwazer is er al niet dan dat ijdel geroep van weten om te weten alleen. Dat is de razernij der geleerdheid, het fanatisme der wetenschap, en in den grond niets dan egoisme, een leven voor zichzelven. En dat geldt nu volstrekt niet van de medische en andere wetenschappen alleen, maar evenzeer en misschien in nog erger mate van de Theologie. Er ligt ontzettende waarheid in de aanklacht, waarmede Vilmar eenmaal tegen haar optrad, dat de Theologie »der Thatsachen” is uitgeruild tegen |41| die der »Rhetorik”. Zij is maar al te veel in een spel van woorden en termen ontaard; haar vaste lijnen zijn uitgewischt; haar begrippen van hun inhoud en kracht beroofd; zij zelve van het leven losgerukt. De gemeente is heel deze eeuw door een speelbal van theologen geweest; beurtelings belasterd of gevleid, bespot of naar den mond gesproken, is zij in haar ware karakter door allen miskend en, onder de leuze: »fiat scientia, pereat ecclesia,” opgeofferd aan het stelsel, dat men zelf had uitgedacht.

Straffeloos kan alzoo de wetenschap, kan bovenal de Godgeleerdheid niet handelen. Haar karakter ontaardt, en in hol rhetorisme en ijdele philosophie opgaande, wordt zij met onvruchtbaarheid geslagen. Wortelend in het leven, is zij voor het leven bestemd. Als God ons Theologie schenkt, dan bedoelt Hij daarmede dat wij Hem kennen zouden in het aangezicht van Christus en alzoo het eeuwige leven hebben. w De Theologie is eene theoretische maar ook eene practische wetenschap. Allereerst theoretisch voorzeker. Wij behooren Gode immers geheel te dienen, niet slechts met onze ziel en ons gemoed, maar ook met het verstand en alle krachten. n Te zeggen, dat zij alleen practisch was, zou feitelijk er op neer komen, dat men gelooven kon wat men wilde, indien men slechts goed leefde en dus met het verstand God niet had te dienen 37). Maar dan toch ook eene door en door practische wetenschap. Daar is in de Theologie niets of het is voor het leven bestemd. Zij is maar geen vulsel der hersenen, maar eene zaak van den geheelen mensch. Zij neemt al zijne vermogens en krachten in beslag, zetelt in hoofd en hart, in verstand en wil. Geene ledige en ijdele beschouwing |42| over God, maar overeenkomstig de spreuk: »pectus est quod theologum facit,” een »habitus”, een innerlijk gemoedsbestaan van den mensch, eene kennis, die God zelf in ons werkt, opdat wij Hem liefhebben zouden en vruchten dragen en daarin Hem verheerlijken.

Dat mag, sedert Schleiermacher tegen de koude verstandsbeschouwing van Rationalisten en Supranaturalisten optrad en den godsdienst zijne plaats aanwees in ’t diepste van ’s menschen wezen, in zijn gevoel, in zijn onmiddellijk zelfbewustzijn, toch wel als algemeen erkend ondersteld worden. Wie echter wanen mocht, dat dit voor Schleiermacher door niemand ingezien werd, en dat de Theologie vroeger in scholastieke, onvruchtbare haarkloverijen bestond, vergist zich zeer. Het was kenmerk der Gereformeerde Theologie, echt praktikaal, bij uitnemendheid ethisch, op het leven gericht te wezen. De praxis moest zeer zeker steunen op eene gezonde theorie, maar deze moest leiden tot eene goede praxis. Om dat practisch karakter der Theologie is het dan ook, dat de cyclus der Godgeleerde wetenschap eerst in de Practicale Theologie zich afrondt en samensluit. Deze is de krone der Theologie. Zij is »l’art après la science,” zet de ¦B4FJZ:0 in JXP<0 om, doet de uit exegetische, historische en systematische Theologie verkregene waarheden in de practijk, in het leven overgaan. De Practische Theologie is daarom ook niet maar een aanhangsel der Theologie, een hulpbrug, geslagen over de klove tusschen haar en de Kerk, maar een zeer wezenlijk bestanddeel der Godgeleerde wetenschap, zonder welke zij ophoudt Godgeleerdheid te zijn. De Theologie, die geen practijk wordt, draagt dien naam ten onrecht. |43| Geloof zonder liefde is onmogelijk. God kennen en Hem niet dienen is ondenkbaar. De »credenda” zijn tegelijk »agenda.” En al schijnt het, dat God niet het object van ons handelen kan zijn, toch is dit slechts schijn; voorwerp in den zin van product van ons handelen is Hij evenmin als van ons gelooven, maar Hij is het toch alleen, omtrent Wien al ons handelen verkeert 38). Mede om dat praktisch karakter der Theologie hadden de Gereformeerde Godgeleerden er dan ook bezwaar in, de Theologie eenvoudig met eene van Aristoteles’ dianoëtische deugden te benoemen. Zij was noch eenvoudig »intelligentia, scientia, sapientia;” noch ook »prudentia” of »ars.” Zij was geen van die alle uitsluitend, maar die alle tevens te zamen; eene wetenschap, geheel eigensoortig, onder geen naam van wereldsche wetenschap te begrijpen. De naam waarmede zij genoemd werd was daarom verschillend; bij voorkeur werd zij met dien van »doctrina” of »sapientia” bestempeld 39).

Dat practisch doel tracht de Theologie allereerst te bereiken bij hem, die haar beoefent. Eene »theologia irregenitorum” is er niet, is een vorm zonder inhoud. Want wie zonder geloof des harten de Theologie beoefent, beschouwt ze als theorie, buiten het leven om en opereert met haar waarheden als met mathematische formulen. Een theoloog is, laat mij U Witsius’ beschrijving voorlezen, »qui solida Dei et rerum divinarum cognitione, ipso Deo Magistro, imbutus, non verbis duntaxat, sed et universo vitae suae instituto, admirandas Dei virtutes celebrat, totusque adeo ad ipsius gloriam est 40). Een theoloog is een priester, die God dag en nacht dient in zijn tempel; x een profeet, die Hem verklaart |44| en altijd spreekt tot Zijns naams eer; een mensch Gods, tot alle goed werk bekwamelijk toegerust. y Theologie is dus waarlijk godsdienst, een dienen van God, een arbeiden aan Zijn rijk. Zij is, zooals ze door onze Godgeleerden dikwerf werd omschreven, hg@FX$g4", hg@.T\", hg@LD(\" 41).

Dat zelfde practische doel jaagt zij na bij de Kerk. Zij staat niet vijandig tegenover haar, maar leidt en bouwt haar op in het allerheiligst geloof. Het is trouwens ook de Kerk, die de Theologie in het leven roep en in het leven houdt. Zoo is dan de Theologie ook verplicht te arbeiden aan hare volmaking. Velerlei is de roeping die zij tegenover de Kerk te vervullen heeft. Zij moet haar den zin en de meening der Schriften doen verstaan, en voor afwijking van de waarheid des Woords ter rechter- en linkerzijde behoeden. Zij heeft haar de historie der Kerk te doen kennen, de verkregene geestelijke schatten haar te toonen; om alzoo haar verrijkend uit het verleden, haar zichzelve in haar heden te doen begrijpen. Zij moet haar geloof ook in de wereld der gedachte als de hoogste, echte wetenschap doen schitteren; en haar dienaars kweeken, die haar leiden kunnen en arbeiden aan haar geestelijke volmaking. In één woord, zij heeft de heerlijke taak, om de gemeente Gods te doen kennen en God te doen dienen, opdat door haar aan de overheden en machten in de hemel bekend gemaakt worde de veelvuldige wijsheid Gods. z

Dat verheven en heerlijk doel kan de Theologie bereiken, omdat het haar niet van buiten opgelegd of met geweld is opgedrongen, maar vanzelf uit haar eigen aard en natuur voortvloeit. Het is geen lastige taak, die zij met weerzin |45| vervult; maar zij zelf kan niet anders. Zij rust niet, voordat zij leven, werkelijkheid is geworden, en in de gemeente gestalte heeft gekregen. Want immers, de Theologie is niet als andere wetenschappen, die een waarlijk heilig leven niet kunnen kweeken. Zij bestaat niet in woorden van menschelijke wijsheid, aa maar in eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die haar beoefent in den geloove. bb Zij is de waarheid, die naar de godzaligheid is cc en alzoo niet ledig en onvruchtbaar, dd maar waarlijk »efficax,” blinden doende zien en dooven hooren, ee wijs makend tot zaligheid ff en gevende het eeuwige leven 42).

En toch, hoewel zij dit alles beoogt, het einddoel waarnaar zij streeft, is het toch niet. Dat is alleen de eere Gods, aan welke ook dat andere doel ondergeschikt is. Want ook, als zij de zaligheid en het eeuwige leven schenkt, is het, opdat God alzoo verheerlijkt worden zou. Daar streeft zij naar. Dat is haar hoogste, heiligst doel. Uit God geboren en Hem tot voorwerp hebbend, kan zij ook geen ander dan Hem bedoelen. Het is God zelf, die Zijne kennis ons meedeelt, opdat wij Hem verheerlijken zouden, die ook de Theologie dienstbaar maakt aan de glorie Zijns Naams. Terwijl andere wetenschappen dus blijven rusten in het schepsel, waarin zij hun doel en bestemming vinden, en binnen deze aarde en dezen tijd zich blijven bewegen, streeft de Theologie over en door al het eindige heen en zoekt den Oneindige. Door al het aardsche heen verheft zij zich tot Hem, die in de hemelen is. Door al het tijdelijk heen ziet zij op tot Dien, die in de eeuwigheid woont. Haar oorsprong is Goddelijk, ook haar einddoel is zoo. Bovennatuurlijk is zij, geheel en al, in herkomst, ontwikkelingsgang en |46| bestemming. Een stroom, uit God geweld en door den tijd en over de aarde heen, zich uitstortend in de eeuwigheid. Gelijk toch de gemeente in de wereld is, maar niet van de wereld noch voor haar bestemd, zoo ook is de Theologie eene spruit van ’s Heeren plantingen in den hof der wetenschap, een werk zijner handen opdat Hij verheerlijkt worde. Ruste kent zij niet, voordat zij rust in God. Zij wast op en groeit voort, en wordt steeds voortgebouwd op het fundament van apostelen en profeten, gg als een kunststuk van den Oppersten Kunstenaar, den Geest der wijsheid en de vreeze des Heeren.

Eéne is dus de Theologie. Eéne in geheel haar historische ontwikkeling. De Theologie der Kerk aller eeuwen is geen »rudis indigestaque moles” van meeningen en begrippen, geen doolhof van dwalingen, maar één zich ontwikkelend en al meer zich ontvouwend geheel, streng methodisch en architectonisch afgewerkt door den H. Geest. Even gelijk de gemeente ééne is en als het lichaam van Christus opwast tot een volkomen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus, f zoo ook is de Theologie ééne, opwassend, totdat zij komt tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zone Gods 43). Daar wordt dus wat afgewerkt. Daar is gang, gedachte, methode, plan in de geschiedenis der Theologie. De schatten des Woords worden allengs en in geregelde orde tot het bewustzijn der gemeente gebracht. Christus doet al meer Zijne volheid wonen in Zijne Kerk. Vandaar dat vele waarheden reeds onveranderlijk staan; dat er vaste lijnen in elk deel der Godgeleerde wetenschap gegeven zijn, van welke wij niet dan tot schade van onszelven en van onze wetenschap afwijken kunnen. |47|

De Theologie is dus wezenlijk conservatief. Zij aanvaardt de erfenis der vorige geslachten, niet om ze te verkwisten maar om ze straks zoo mogelijk vermeerderd en nog meer gereformeerd aan de volgende geslachten over te geven. Zij neemt die verworvene schatten over, niet om ze telkens opnieuw te werpen in den smeltkroes der kritiek, maar om ze ons aan te bieden, of wij ook alzoo krachtig als in vorige eeuwen de waarheid en schoonheid er van betuigd mochten vinden in onze ziel. Het is eene illusie, op haar gebied altoos iets nieuws te willen vinden. De schitterende resultaten der Natuurwetenschap mogen vele theologen hebben verleid, om ook op het gebied der Theologie naar nieuwe vonden te zoeken; zulk eene nieuwsgierigheid wordt altijd met teleurstelling gestraft. Maar tegelijk is zij eene progressieve wetenschap; het verleden eerbiedigend, bouwt zij voort op het gelegde fundament, totdat zij zelve voltooid is en het einddoel heeft bereikt. Zij blijft daarom noch bij Chalcedon noch bij Dordrecht staan. De overtuiging doordringt haar, dat het Gode believen zal, om ook in deze en volgende tijden meer licht te ontsteken over wat tot dusverre in de H. Schrift nog verborgen en in nevelen gehuld was. Zoolang heeft zij haar taak niet volbracht noch haar einddoel bereikt. Maar ook zoolang heeft de geschiedenis dezer bedeeling nog geen einde, welke gewijd is aan de uitlegging des Woords. Dan eerst is het einde der tijden, als de kiem des Woords is overgegaan in de rijpe en voldragen vrucht der Theologie, de heerlijkste en schoonste vrucht, welke de gemeente onder de bedauwing des Geestes kan dragen en waardoor de hemelsche Landman hhhet meest wordt verheerlijkt. |48|

Ook in het doel, dat de Theologie najaagt, komt hare voortreffelijkheid boven andere wetenschappen uit. Evenals de beginselen en de objecten der verschillende wetenschappen gelegen zijn in het schepsel, zoo ook haar rustpunt en doel. Zij hebben hare bestemming op aarde: zij bewegen zich binnen het eindige; boven den tijd gaan zij niet uit. Maar de Theologie, over al die bijzondere doeleinden verre heenstrevend, vindt haar einddoel en rustpunt eerst in God. Maar zoo zij ze dan hier ook »Regina,” al die bijzondere doeleinden heenleidend tot en ook hun laatste en hoogste doel doende vinden in Hem, uit wien en tot wien alle dingen zijn, tot wiens verheerlijking alles moet dienen. ii Koningin, is zij dan tevens profetes, heenwijzend naar een heerlijk verschiet en jubelend van eene zalige toekomst, die ze vol hope en verlangen tegemoet ziet. Want het Kanaän is zij hier zelve nog niet, toch doet ze ons reeds staan op den Nebo, vanwaar het schoone land wordt gezien. jj Eens leidt zij allen die haar liefhebben, binnen in die heerlijke gewesten, waar zij zelve schitteren zal in haar volle pracht. Dan toch zullen zij niet meer, een iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder leeren, zeggende: ken den Heere, want zij zullen Mij allen kennen van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere. kk Elk onderscheid van gewijd en profaan, van gemeente en wereld is dan vervallen. Nu moet dat onderscheid gehandhaafd, en ook de Theologie tegenover andere wetenschappen nog begrensd en afgebakend worden. Dan echter neemt de rangstrijd der faculteiten een einde. Er zijn geen afzonderlijke, geen gewijde en profane wetenschappen meer. Er is dan slechts |49| ééne heilige, heerlijke wetenschap, welke is de Theologie: kennen aller dingen in God en van God in alle dingen.


Aan het einde mijner taak gekomen, mag ik hopen, dat, al gaf ik slechts omtrekken en hoofdlijnen, toch het beeld van de Wetenschap der H. Godgeleerdheid in niet al te zwevende en nevelachtige gestalte voor den geest U staat. Dat het alzoo hen niet boeien kan, die de Openbaring Gods verwerpen, behoeft niet te verwonderen. Maar ons bekoort het toch door zijne indrukwekkende schoonheid.

Zoo immers is onze wetenschap weer Theologie in den waren zin des woords, die uit God al haar wijsheid put en daarom den naam van dwaasheid der wereld zich gaarne getroost.

Theologie, die van niets willende weten dan van Jezus Christus en Dien gekruisigd, ll alleen daarom zich onderwindt, over God te spreken, wijl zij uit en door Hem spreekt.

Theologie, die, uit het leven voor het leven, arbeidt aan de volmaking der heiligen, aan de opbouwing van het lichaam van Christus, mm en in waarheid een dienst Gods is, een loven en prijzen van Zijnen heiligen Naam.

Alzoo door beginsel, inhoud en doel onderscheiden van en staande boven alle andere wetenschappen, is zij op het terrein des denkenden geestes de vertolking en ontvouwing van dit groote woord der Hoogepriesterlijke Bede:

Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt. w |50|




HoogEerwaarde Heeren, leden van het Moderamen der laatstgehouden Synode! Omdat dit heerlijk beeld der Godgeleerde wetenschap mij voor de oogen stond, heb ik de benoeming der Synode tot Leeraar aan deze School met blijdschap ontvangen en met dankbaarheid aanvaard. Het vertrouwen, door de Kerk alzoo in mij gesteld, heeft den band der liefde slechts versterkt, die mij, reeds in zooveel opzichten haar schuldenaar, aan haar verbond. Die liefde zal mij, indien de Theologie zelve het mij niet telkens herinnerde, steeds doen bedenken, dat de Godgeleerdheid eene practische wetenschap is, haar doel hebbend in de volmaking der gemeente. Drage zij mij bij het gewicht van het ambt, waartoe zij mij riep, en heel deze School met hare liefde en haar gebed. Aanvaard Gij, hooggeachte Voorzitter der laatste Synode, mijn hartelijken dank voor Uw ernstig en tegelijk bemoedigend woord. Weest allen lang nog getuigen van den opbouw der Kerk en den bloei dezer School, waartoe door Uw personen en arbeid zooveel wordt bijgedragen.


Weleerwaarde Zeergeleerde Heeren, Curatoren dezer School! Gij droegt mij het onderwijs op in die vakken, die vanouds als het hart en de kern der Theol. wetenschap zijn beschouwd. De invloed, dien Gij mij daardoor op deze jongelingen en op heel onze Kerk te oefenen gunt, is groot. Diep ben ik doordrongen van de ernstige roeping en de zware verantwoordelijkheid, die alzoo op mij komt te rusten. Toch is mijn hart om vele redenen voor die opdracht U dankbaar; en, hulpe van God verkrijgende, hoop ik dat vertrouwen mij waardig te betoonen. Inzonderheid zeg ik U dank, mijn |51| Vader, Voorzitter der Curatoren, voor het mij onvergetelijke woord, waarmede Gij mij tot deze heerlijke bediening hebt ingeleid. Levere deze bovenal voor U en voor mij aan zegeningen zoo rijke dag ook U allen, Weleerwaarde Heeren, eene stoffe van blijvende vreugde en dankbaarheid aan God. Worde het U gegeven, deze School nog vele jaren alzoo te verzorgen, als hare zich ontwikkelende kracht dat vereischt.


Hooggeleerde Heeren, Leeraren aan deze Theologische School! De schuchterheid, om in Uw eerwaardigen kring plaats te nemen, overwin ik door de gedachte, dat wij, in wat dan ook verschillend, toch ééns Geestes kinderen zijn, wien de eere van Christus en het heil der Kerk boven alles ter harte gaat. Neemt mij, van U allen den jongste, dan met liefde — gelijk ik weet dat Gij doet — op in Uw kring. Onthoudt hem niet, wat aan wijsheid des levens en kracht des geloofs U boven hem is geschonken. Onze taak is, hetzij wij letten op de behoeften der Kerk of op de eischen der wetenschap, zoo onbeschrijfelijk zwaar. Wat van ons gevorderd wordt, is zoo uiterst moeielijk. Toch, indien Kerk en Theologie de liefde en de toewijding hebben van ons hart, kan er veel geschieden. Zij beider bloei ons dan dierbaar. Bouwen wij elkander, bouwen wij heel de Kerk op in ’t allerheiligst geloof nn en in de kennis van den Zone Gods. f En sta dan door onze vereende krachten deze School nog vele jaren tot een gedenkteeken van Gods trouw en van den rijkdom Zijner Ontferming!


Weledele Heeren Studenten! Met blijdschap en overgegevenheid des harten kom ik tot u. Gij kunt rekenen op de |52| liefde van mijn hart; op mijn lust en ijver, om u binnen te leiden in den tempel der H. Godgeleerdheid. Het zal mijn streven zijn, om U liefde in te boezemen voor deze schoonste der wetenschappen, liefde voor de Kerk die haar deze kweekplaats schonk, liefde bovenal voor God, dien zij kennen doet. Mijne taak alzoo, maar ook de uwe is zwaar. Er wordt veel van U verwacht, en steeds meer van U geeischt. Er moet hard, er moet met inspanning aller krachten gewerkt worden. Maar ik reken op U, op uw ijver, op uw liede, op uwe toewijding. Ik houd U vast aan de leuze, die uw corps zelf schreef in zijne banier: Fides quaerit intellectum. Ik vertrouw, dat Gij Theologen wilt zijn, van God geleerden, priesters, die Hem verklaart, profeten, die Zijn lof verkondigt. Zetten wij dan in dat wederzijdsch vertrouwen onze studie voortaan gemeenschappelijk voort! En zij het daarbij altijd onze hoogste eere, leerlingen te zijn van dien Oppersten Leeraar, die alleen in alle waarheid kan leiden!





Aanteekeningen.

1) Theologisch Tijdschrift, 1878, bladz. 206.

2) De naam »principium” drukt het zuiverst de betrekking uit, waarin de Theologie staat tot de H. Schrift, en werd daarom bij voorkeur door mij gebezigd. De Bijbel is het beginsel, waaruit de Theologie begint, de kiem waaruit zij opwast. Materialiter ligt alwat wij van God kennen, in de H. Schriften besloten.

3) Charles Hodge, Systematic Theology. London and Edinburgh. 1873. I. p. 1 – 17.

4) Ibidem, I. p. 34.

5) Dorner, Geschichte der Protestantischen Theologie. cf. Beweis des Glaubens, 1869. S. 114.

6) Gass, Geschichte der Protestantischen Dogmatik. IV. S. 653. Hodge, System. Theol. I. p. 6. 66.

7) Dr. A. Kuyper, De Hedendaagsche Schriftcritiek. bl. 10. 11.

8) Hodge, System. Theol. I. p. 97 – 103.

9) Dat volgens Gereformeerde Belijdenisschriften en Schrijvers de H. Schrift niet slechts norma, maar bepaald kenbron is, is door Prof. Kuyper aangetoond in No. 30 van de »Heraut”, en blijkt al terstond uit den naam: principium cognoscendi.

10) Trelcatius, L. Fil. Scholastica et methodica locorum communium S. Theologiae Institutio. Amst. 1651. p. 26.

11) Vergelijk, wat Wollebius zegt, in zijn Kort Begrijp van de Christelicke Godtsgeleertheydt, vertaalt door Mr. W. L. Amst. 1664. bladz. 4: Dat de Heylige Schriftuer van Goddelicke oorspronck ende authoriteyt zij, is ’t eerste beginsel, dat onder alle Christenen buyten eenigh verschil is. Daerom en betaemt het een Christen niet te vragen, of de Schriftuer ofte de heylige Bybel het Woordt Godts is. Waarbij hij dan nog deze opmerking voegt: Want gelijck men in de Hooge Schole niet en disputeert tegen dengenen, die de eerste beginselen van alles ontkent, alsoo moet men die oock niet waardigh achten gehoort te worden, die de eerste beginselen der Christelicke Religie ontkent. Calvijn zegt ook, Opera omnia. Tom. VIII. p. 115: solum Dei verbum extra omnem judicii aleam constituimus. En Bullinger: Gods |56| Woord schittert boven alle woord en mag door niemand becritiseerd worden, maar eischt van allen gave onderwerping. »Heraut,” no. 30.

12) Men raadplege over de »ideae innatae” de belangrijke Proeve van eene geschiedenis van de leer der aangeboren begrippen door Dr. C.B. Spruyt.

13) Mastricht, Theoretico-practica Theologia. Amst. 1724. p. 13. W. Amezes, Mergh der Ghodtgheleerdtheidt, vertaalt door L. Meijer. Amst. 1656. bl. 2.

14) Ik schrijf hier af deze zinsnede uit Hodge I. p. 16. 17. die door haar waarheid treft: So legitimate and powerful is the inward teaching of the Spirit, that it is no uncommon thing, to find men having two theologies — one of the intellect, and another of the heart. The one may find expression in creeds and systems of divinity, the other in their prayers and hymns. It would be safe for a man to resolve to admit into his theology nothing which is not sustained by the devotional writings of true Christians of every denomination. It would be easy to construct from such writings, received and sanctioned by Romanists, Lutherans, Reformed and Remonstrants a system of Pauline or Augustinian theology, such as would satisfy any intelligent and devout Calvinist in the world.

15) Trelcatius, Theologiae Institutio. p. 11.

16) Zeller, Die Philosophie der Griechen. I. S. 3. Vierte Auflage.

17) Zöckler, Handbuch der Theologischen Wissenschaften. I. S. 78. Hiermede is volstrekt niet gezegd, dat al die in deze eeuw gecreeerde theol. vakken ook in den cyclus der Theol. wetenschap eene plaats verdienen. Sommige hebben hun ontstaan aan de »nieuwere” Bijbel-beschouwing te danken, en mogen dus in eene Encyclopaedie der Theologie niet opgenomen worden.

18) Zoo oordeelt ook de Hoogleeraar Rauwenhoff, Theol. Tijdschr. 1878. bl. 206 – 212. Verg. Prof. Lamers, in de Nieuwe Bijdragen op het gebied der Godgeleerdheid en wijsbegeerte, door Dr. Cramer en Dr. Lamers. II. bl. 2.

19) D. Chantepie de la Saussaye, De plaats der Theologische wetenschap in de Encyclopaedie der wetenschappen bl. 23.

20) Verg. Doedes, Encyclopaedie der Christelijke Theologie. Lamers, De Wetenschap van den godsdienst en de Christelijke Theologie. Von der Goltz, Die christlichen Grundwahrheiten, Voigt, Fundamentaldogmatik. S. 650. |57|

21) de la Saussaye, De gebondenheid en de vrijheid der Theologische wetenschap, bl. 24. Het wezen der Theologie. bl. 30.

22) Limborch, Theologia Christiana. pag. 1. Objectum proximum et immediatum Theologiae est cultus Deo exhibendus, quem religionem vocamus; cultus vero hujus objectum est Deus. Male ergo Deus Theologiae objectum vocatur; cum sit objectum non proximum, sed solummodo remotum, alias Theologia consisteret in nuda Dei scientia. Burmannus, Synopsis, dat is Kort Begrijp der Heilige Godgeleertheid, vertaalt door D. Smout. Utrecht 1697. Boek I. Hoofdst. II. § 30. verg. echter § 52. Mastricht, Theor-pract. Theol. Lib. I. cap. I § 47. Joh. a Marck, Het merch der Christene Godgeleertheit. I. § 34. Bernh. de Moor, Comment. in Marckii Compendium. I. p. 112.

23) Het ethische beginsel der Theologie, door J.H. Gunning Jr en P.D. Chantepie de la Saussaye, Dz. bladz. 47.

24) Schweizer, Die Glaubenslehre der Evangelisch-Reformirten Kirche. I. S. 94.

25) Rothe, Theologische Ethik. I. § 7. De boven aangewezen verhouding van godsdienst en Theologie drukt Wyttenbach bij Schweizer, I. S. 147. kort en goed aldus uit: religio proprie non differt a theologia.

26) Thomae Aquinatis Summa Theologica. Qu. I. art. 7. Gomarus, Disputationes Theologicae. I. 20.

27) Fr. Junius, Opera Omnia. I. fol. 1404. ed. Dr. A. Kuyper. p. 78.

28) Alzoo de Hoogleeraar Doedes, Inleiding tot de leer van God. bl. 1 – 24. De Leer van God. bl. 47 – 50. 70 – 76. 245. Encyclopaedie. bl. 16.

29) Vergelijk Van Oosterzee, Dogmatiek. I. § 3. II. § 43. 44. Voor Kerk en Theologie. I. bl. 81 – 115. Hodge, System. Theol. I. p. 335 – 365. De abstracte scheiding van gelooven en weten (kennen) is met de H. Schrift volkomen in strijd. Als God niet kan gekend worden, kan ook niet in Hem geloofd worden.

30) Plato, Theaetetus. 155 D. Cf. Zeller, Philos. der Griechen. II. S. 511.

31) De plaats der Theol. wetenschap in de Encyclopaedie der wetenschappen; de la Saussaye betoogt daar de stelling, dat de Theologische wetenschap, juist als Theologie, een bij uitnemendheid anthropologisch karakter bezit en daarom behoort in den cyclus der wetenschappen, die alle zich om den mensch als om haar centrum bewegen, bl. 24. |58|

32) Zöckler, Handbuch der Theol. Wissenschaften. S. 15.

33) de Moor, Comment. in Marckii Comp. I. p. 85–90.

34) Hodge, Systematic Theology. p. 2. Schöberlein, Princip und System der Dogmatik. S. 1–34. J.T. Beck, Einleitung in das System der Christlichen Lehre. S. 1–47.

35) Men zie bv. de Moor, Comment. in Marckii Comp. I. p. 83–85. Alle Gereformeerden zijn doordrongen van de waarheid, die Burmannus, Synopsis I. bl. 16 aldus uitspreekt: So dat de Godgeleerdheid, indien se ter oeffening niet gericht worde, self geen Godgeleertheid en is. Cf. Art. Theologie in Herzog’s RealEnc.

36) Encyclopaedie und Methodologie der Theol. Wissenschaften. 10e Auflage. S. 52.

37) Werenfelsii, Opuscula. II p. 292–297.

38) Mastricht, Theor.-pract. Theol. Lib. I. cap. I. § 48. de Moor, Comment. p. 84.

39) de Moor, Comment. p. 74. 75. Mastricht. Lib. I. cap. I § 46. Turretini, Comp. Theol. conscr. a Ryssenio. p. 2.

40) Witsii, Miscell. Sacr. II. p. 853 in zijne Oratio Inauguralis Franequerana de Vero Theologo.

41) Mastricht. Lib. I cap. I § 36. 45. Synopsis purioris Theologiae. I § 11.

42) Fr. Junius, ed. Kuyper. pag. 89–92.

43) Kahnis, Drie Vorträge. Leipzig 1865. S. 10. De eerste voordracht handelt »über den innigen Zusammenhang der theologischen Wissenschaft mit den übrigen Universitätswissenschaften.”




a Vgl. Efeziërs 2:12.

b Vgl. Johannes 7:39.

c Vgl. Johannes 16:14.

d Vgl. Kolossenzen 2:3.

e Vgl. Efeziërs 3:19.

f Vgl. Efeziërs 4:13.

g Vgl. Johannes 16:13.

h Vgl. 1Korintiërs 2:13.

i Vgl. Matteüs 16:17.

j Vgl. Hebreeën 1:3.

k Vgl. Johannes 18:36.

l Vgl. Spreuken 4:23.

m Vgl. Johannes 6:25; 1Johannes 20:20.27.

n Vgl. Lucas 10:27 par.

o Vgl. Romeinen 1:20

p Vgl. 2Korintiërs 4:6.

q Vgl. Efeziërs 5:1.

r Vgl. 1Petrus 1:15; Matteüs 5:48.

s Vgl. Psalm 36:10.

t Vgl. Matteüs 5:8.

u Vgl. Kolossenzen 3 : 2.

v Vgl. Psalm 42:3.

w Vgl. Johannes 17:3.

x Vgl. Openbaring 7:15.

y Vgl. 2Timoteüs 3:17.

z Vgl. Efeziërs 3:10.

aa Vgl. 1Korintiërs 2:4.13.

bb Vgl. Romeinen 1:16.

cc Vgl. Titus 1:1.

dd Vgl. 2Petrus 1:8.

ee Vgl. Jesaja 29:18; Matteüs 11:5.

ff Vgl. 2Timoteüs 3:15.

gg Vgl. Efeziërs 2:20.

hh Vgl. Johannes 15:1; Jakobus 5:7.

ii Vgl. Romeinen 11:36.

jj Vgl. Deuteronomium 34:1.

kk Vgl. Jeremia 31:34.

ll Vgl. 1Korintiërs 2:2.

mm Vgl. Efeziërs 4:12.

nn Vgl. Judas :20.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000