De Welsprekendheid

Eene lezing voor de studenten der Theol. School te Kampen, 28 November 1889

door Dr. H. Bavinck

Kampen. — G.Ph. Zalsman. — 1889

a



Ik wensch in deze ure Uwe aandacht bezig te houden met eene rede over de welsprekendheid. Rechtvaardiging heeft, dunkt mij, de keuze, dezer stof niet noodig. Ik heb toch de eer en het voorrecht, in de eerste plaats het woord te voeren tot vrienden en broeders, wier voornaamste, wier eenige kracht straks liggen zal in het woord. Het woord zal tegelijk uw zwaard en uw schild zijn; wapen van aanval en van verdediging beî. Uw macht zal te grooter, uw invloed te uitgestrekter zijn, naarmate gij dat wapen met meer bekwaamheid hanteert. Al de andere gaven uws geestes zullen van te grootere heerlijkheid zijn, naarmate zij in het woord een krachtiger en bezielder uiting ontvangen. Bedienaren des Woords, des Goddelijken Woords, zal uw eernaam zijn. En daarmee wordt u eene macht toebetrouwd, grooter dan die van vorsten en wereldgrooten. Want meester van ’t woord, zijt gij meester van ’t gemoed. Wie heerscht over den geest, is sterker dan die eene stad inneemt.

Maar ook, al is dat hooge ambt van de bediening des Woords voor velen mijner geachte hoorders niet weggelegd, toch koester ik de hope, dat ook hun het onderwerp mijner rede niet onbelangrijk zal voorkomen. Wel te spreken toch is voor ieder mensch een sieraad, en van den Christen, man of vrouw, eene kostelijke deugd. Meer dan wij vaak meenen legt de H.S. een sterken nadruk op het plichtmatig, op het heilig gebruik van tong en van taal. Niet aan een afzonderlijken stand, maar aan ieder mensch zonder onderscheid houdt Paulus de grondwet aller welsprekendheid voor, als hij zegt: Uw woord zij ten allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden. Wel te spreken is geen vereischte alleen op den kansel en voor de balie, maar ook in het dagelijksch leven en in het maatschappelijk verkeer. Van deze algemeene welsprekendheid is de bijzondere, waarover ik handelen ga, slechts een onderdeel en eene engere toepassing. Ik houd mij daarom van uw aller belangstelling overtuigd, als ik de poging waag, om u die welsprekendbeid in haar beginsel, haar wezen en haar vorm achtereenvolgens te schetsen. |4|


I.

Gij herinnert u allen het tafereel uit Goethe’s Faust, waarin deze, Joh. 1 vertalende, geen vrede vinden kan met het eerste vers: in den beginne was het Woord. Die uitdrukking bevalt hem niet. Hij kan het woord zoo hoog niet schatten, hij veracht het woord dat immers dikwerf zoo onwaar is, niets dan een ijdele klank en een holle toon; het woord kan het beginsel en de oorsprong der dingen niet zijn. Hij wil daarom verder terug en dieper afdalen; het wezen, den grond, den wortel, der dingen wil hij peilen. En hij schrijft: in den beginne was de zin. Maar nauw staat dat geschreven, of de twijfel rijst: is het de zin wel, die alles werkt en schept? Hij verbetert andermaal en leest: in den beginne was de kracht. Maar wederom gevoelt hij zich onbevredigd, ook hierbij kan hij niet blijven staan; kracht zonder meer is nog niet scheppend en voortbrengend. Hij moet nog verder terug. En daar valt hem in en hij schrijft het getroost terneer: in den beginne was de daad. En met deze nieuwe lezing stelt Goethe zijne pantheïstische wereldbeschouwing in de plaats van het theïsme der H. Schrift. De aanvang der creatuur ligt voor hem niet in het levende, zelfbewuste, persoonlijke Woord, dat alle dingen sprekend schept; maar hij zoekt het beginsel en het wezen aller dingen, gelijk bij ook elders zegt, in rustelooze Thätigkeit. Er is een Ievende almachtige wil, die alles doordringt, een „altijd strevend zich bemoeien,” een eeuwige drang, die tevens rede en liefde is. Zoo getuigt hij elders in zijne gedichten:

Wenn im Unendlichen Dasselbe
Sich wiederholend ewig fliesst.
Das tausendfältige Gewölbe
Sich kräftig in einander schliesst,
Strömt Lebenslust aus allen Dingen,
Dem kleinsten wie dem grössten Stern,
Und alles Drängen, alles Ringen,
Ist ew’ge Ruh in Gott dem Herrn.

De H.S. weerspreekt dit naturalisme in het aangezicht en stelt aan ’t begin en als het beginsel der dingen niet de onbewuste kracht of den blinden drang, maar het zelfbewuste, persoonlijke, zelfstandige woord. Door de wijsheid die God bezat als het beginsel zijns wegs, door het woord als prwtotokov tjv ktisewv, als eerstgeborene aller creaturen, heeft God de dingen die niet zijn geroepen alsof zij waren. Sprekende, schept en herschept Hij alle dingen. Wij bewonderen, en terecht, de stoute schoonheid waarmede Homerus de macht, van den Opperste der goden in de Ilias beschrijft: En Kronion sprak en wenkte met zijne donkere wenkbrauwen, de hemelsche lokken schudden op ’s konings onsterfelijk |5| hoofd en de gansche Olympus trilde. Maar wat is ze in majesteit bij deze verhevene woorden der Schrift: Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Ziedaar de absolute, de goddelijke, de oorspronkelijke macht van het woord. En alle macht van ieder ander woord is daaruit geweld, heeft daarin haar oorsprong en beeld.

Maar omdat juist het woord de eerstgeborene is van alle creatuur, is er eene sprake ook der gansche schepping Gods. Er zit gedachte, er zit taal, er zit stem en klank en toon in alle dingen, verstaanbaar voor den mensch. De schepping is geen schrift slechts van den vinger Gods en geen zwijgend boek, maar meer dan dat, zij is eene sprake Gods tot den mensch. Ik weet wel dat wij dat boek met zijn hieroglyphenschrift menigmaal niet kunnen ontcijferen, en die sprake dikwerf niet verstaan. Maar dichters, die onbevangen kinderen des gemoeds, hebben haar verstaan en namen gewijzigd het woord van Paulus over: daar zijn vele soorten van stemmen in de wereld, en geene derzelve is zonder stem. De dichter van Ps. 19 verstond ze: de hemelen vertellen Gods eer, zoo zingt hij, de dag aan den dag stort sprake uit. Daar is in de gansche schepping geen rede en daar zijn geen woorden, wier stem niet door alle menschenkinderen wordt verstaan. De redenen der geschapene dingen gaan tot aan het einde der wereld. Alles spreekt. Elk ding heeft zijn eigene taal en zijn eigene stem. De gansche schepping is welsprekend; slechts de zonde is een wanklank in haar lied.

Toch, gelijk de mensch het hoofd is van de schepselenrij, zoo heeft de sprake der creatuur in hem haar hoogsten vorm verkregen. Alle dingen vertoonen ons de voetstappen Gods; hij is het beeld Gods. Hij is het niet het minst door zijn taal. Deze zelve is een wonder. Haar oorsprong is onbekend, haar wezen onnaspeurlijk, haar werking onbeschrijflijk. Bilderdijk zong er van in de u bekende verzen:

O, vloeibre klanken, waar, met d’adem uitgegoten,
De ziel (als Godlijk licht, in stralen afgeschoten)

Zichzelve in meedeelt! meer dan licht of melody;

Maar schepsel van ’t gevoel in de engste harmony

Die ’t stofloos met het stof vereenigt en vermengelt!
Door wie zich ’t hart ontlast, verademt en verengelt!

IJdel schijnt het woord, eene trilling der lucht, een klank, wegstervend op den adem des winds, ijdeler dan de ijdelheid zelve. En toch eene macht, krachtiger dan zwaard en geweld, als het woord Gods zelf beide leven en licht. Het woord is niet dood, geen afgesproken teeken, geen conventioneele klank, geen ijdel kunstgewrocht, |6| door arbeidzaam verstand „met moeite en vlijt gezocht.” Maar bezield en levend, wassend, groeiend, ontaardend, kwijnend, stervend als ieder ander oraanisme. Geen product van ’s menschen wil, geen uitvindsel van zijn brein, maar „schepsel van ’t gevoel”, geboren uit ons wezen. Zooals het Woord Gods, de Logos, niet ariaansch door zijn wil is geschapen, maar uit zijn wezen is gegenereerd; alzoo is het ook met het woord van den mensch. Het woord is de mensch zelf, de taal de ziel der natie. Zij sluit daarom meer ziel, meer wijsheid in

Dan Platoos school, dan heel Atheen bevatten;

Houdt waarheid ja, en echten hemelzin

En ’t inbegrip der ons verleende schatten.
Ken stervling, ken geheel uw ziel in haar!

Zij maakt u mensch; in haar berust uw wezen.

Neem in uw spraak uw eigen zelfbeid waar;
Leer daar uzelf, leer daar uw God in lezen!

In de taal hebt ge den mensch, het diepste, het innerlijkste van zijn wezen; in het woord treedt hijzelf in ’t licht en komt hij uit zijne geslotenheid en verborgenheid te voorschijn. Uit de diepte van zijn wezen wordt het geboren. Daar krijgt de aandoening die ons treft vorm en gestalte; en uit dien donkeren moederschoot geboren, is het kind van geest en ziel te zamen, afschijnsel op zijn beurt van ’s menschen heerlijkheid en uitgedrukt beeld zijner zelfstandigheid. Zoo is ongetwijfeld ook in den beginne de taal ontstaan. Toen de eerste mensch bestormd werd door de indrukken en aandoeningen, die uit heel de schepping tot hem kwamen, toen moest hij spreken, evengoed als de aangeslagen toets van ’t muziekinstrument geluid geven moet. De taal was geboren, en die taal was poëzie.

Maar goddelijke gift, met d’ademtocht van ’t leven

Aan ’t schepsel ingestort zoover er geesten zweven,

(Is ze tevens) met zijn val, vervallen en ontaard.

En die ontaarding bestaat hierin, dat de mensch gelijk overal, zoo ook op dit terrein behagen is gaan scheppen in den vorm, in het woord op zichzelf, los van de waarheid der gedachte. Hij is afgevallen van den inhoud tot den vorm, van het wezen tot den schijn, van het leven tot den dood, van het licht tot de duisternis, van de volheid tot het niet. Toen is ons woord ledig en hol geworden, zonder leven en licht. En het is tegen die ijdele, ledige, uitgemergelde woorden, tegen die kenoi logoi dat de H.S. zoo krachtig waarschuwt, zoodat wij zelfs van elk ijdel woord rekenschap hebben te geven. Een inderdaad ontzettende macht wordt daarom |7| op ons allen uitgeoefend door de phraseologie, de holle klanken, de zinledige woorden, de conventioneele termen. Berekene b.v. wie het kan de heerschappij, die er in de holle klanken vrijheid, gelijkheid, broederschap, gelegen heeft en nog ligt over het menschelijk hart. Wie er zich bekwaam toe rekent, ga de werking na in de vorige en in deze eeuw uitgegaan van de leuzen onsterfelijkheid, deugd, verdraagzaamheid, neutraliteit, gelijk recht voor allen op de lippen der Socialisten. Het zijn alle klanken, die als muziek in de ooren ruischen, die de zinnen streelen als het gezang der Sirenen, die de harten betooveren, maar die aan het denken geen stof bieden en bij steeds dieper overweging ook altijd lediger blijken van zin. Maar het welgevallen aan den inhoudloozen vorm van het woord komt niet alleen in die valsche leuzen uit; heel onze conversatietaal en schier al onze beleefdheidsvormen zijn daarvan al te zeer bewijs. Er ligt waarheid in wat Goethe eens zeide: een mensch liegt zoodra hij beleefd wordt. Boven den schouwburg, waaraan Shakespeare verbonden was, stond het veelzeggend opschrift: totus mundus agit histrionem, heel de wereld speelt komedie. In Hamlet heeft Shakespeare ons een mensch geteekend, die dat leugen- en, huichelachtig bestaan der wereld heeft doorschouwd, die daarom niemand meer vertrouwt, en er een zekeren daemonischen wellust in vindt, om ieder dat masker weg te rukken van voor het aangezicht. Als we dan ook eenzijdig op deze schaduwzijde letten van onze menschelijke natuur, had Talleyrand zeker recht om te zeggen: de taal is uitgevonden om onze gedachten te verbergen. Vergeten wij daarbij echter niet, dat deze zin allereerst geschreven werd door een Franschman en doelde op eene fransche maatschappij. De Franschen zijn ongetwijfeld de meesters der conversatie, d.i., van de kunst, om in de fijnste vormen over de nietigste onderwerpen de galantste gesprekken te voeren. Geen taal die zich daartoe ook beter leent dan de fransche. En niemand, die het wufte karakter dier taal beter doorzag en dieper gevoelde dan de fijne taalkenner Bilderdijk, die er op al te hartstochtelijke wijze lucht aan gaf als hij uitriep:

Maar weg met u, o spraak van bastertklanken
Waarin hyeen en valsche schakels janken;

Verloochenares van afkomst en geslacht,

Gevormd voor spot, die met de waarheid lacht;

Wier staamlarij, bij eeuwig woordverbreken,
In ’t neusgehuil, zichzelf niet uit durft spreken.

Verfoeilijk fransch, alleen den duivel waard,

Die met uw aapgegrijns zich meester maakt van de aard! |8|

Dit welgevallen aan den vorm, aan den toon, slaat dan weldra over in de leugen, d.i. de liefde tot het zuivere tegendeel van het zijn, tot het ijdele niet. Daarom, is dwalen nog menschelijk, liegen is satanisch. Want als Satan liegt, dan spreekt hij uit zichzelven, d.i. dan is hij waar en oprecht. En de hoogste openbaring der leugen is weer de valsche profetie, het nihilistisch tegenbeeld van de hoogste realiteit.

Door te letten op haar tegenbeeld, haar caricatuur, laat zich het best opmaken, wat het echte beginsel der ware welsprekendheid zij! De wortel van de ijdele woorden ligt in het welgevallen aan den schijn, in ’s menschen afval tot den vorm en tot het niet. Welsprekend zal de mensch dan zijn, als het woord weer drager is van een goddelijken inhoud, als het op zijne, d.i. op creatuurlijke wijze weer is, wat de Logos is in het Goddelijk wezen, beide leven en licht. Om wel te spreken, behoort men wel te zijn. Ons woord is dan weer wat het wezen moet, als het beeld is en gelijkenis van onszelven, en wijzelven weer beeld en gelijkenis Gods. Dan is het niet ledig, niet, ijdel, niet hol, maar openbaring van het innerlijkste van den mensch, ziel zijner ziel, en geest van zijn geest. Zooals van de taal, ligt ook de bron der ware welsprekendheid dus niet in het koele, redeneerende verstand; veel minder in een daad of besluit van den wil, maar achter beide in zijn hart of gemoed, vanwaar de uitgangen des levens zijn, ook van ’t leven der welsprekendheid. Als u het hart tot spreken dringt, zoo spreek. En gij zijt welsprekend. Pectus est quod disertum facit. Welsprekend zijn allen geweest, die in hun taal hun hart ons gaven, die in het woord het beste gaven dat zij hadden, d.i. zichzelven.

Zoek daarom de welsprekendheid niet bij de Jansalie-naturen, bij de handelaars in koffie en neutraliteit. Wie niet warm of koud weet te worden; wie geen passie, geen hartstocht, geen geestdrift en bezieling kent, wordt met geen gunst van de Muze der welsprekendheid bezocht. Haar geheim ligt in het gemoed. Laat de hartstocht aan ’t woord komen, en de welsprekendheid is geboren. En wat kon ons hart niet beroeren? Voelen wij niet met de gansche schepping mee? Zijn we niet aan alle dingen verwant? Behooren we niet tegelijkertijd tot den hemel en tot de aarde? Ons hart is het brandpunt, waarin alle stralen der geschapene dingen samenvallen; de spiegel waarin zich alles weerkaatst. Indrukken, gewaarwordingen, aandoeningen, invloeden stroomen van alle kanten ons toe. Wij zijn toegankelijk voor de melodiën der engelen en voor het gehuil der daemonen; voor het lied der schepping en |9| het zuchten der creatuur. Er is geen sprake die niet door het menschelijk hart kan worden verstaan; geen stem die niet in onze ziel weerklinkt. En als ons hart dan alzoo geraakt, getroffen, of naar onze schoone afleiding getogen, meegesleept wordt, en dus in hartstocht ontwaakt, onverschillig welke: liefde, haat, berouw, medelijden, verontwaardiging, schrik, vreeze, angst, ontzetting; als ons gemoed wordt beroerd en de golven van ons zieleleven in beweging gebracht; als onze geest wordt gedreven, in geestdrift ontsteekt, en in vervoering en verrukking geraakt; dan is de echte bron der welsprekendheid in ons ontsloten. Diep innig gevoel is het beginsel der oratorie; vatbaarheid der ziel om geschokt en beroerd te worden. Dichters en redenaars zijn daarom altijd menschen van een fijn en teeder gevoel geweest; fijn bewerktuigde naturen, bij wie de minste aanraking de snaren trillen deed, en iedere koelte de oppervlakte van hun gemoedsleven deed rimpelen. Niet zonder reden lezen wij daarom ook van Jezus zoo dikwerf, dat hij met ontferming werd bewogen. En als Paulus zijne machtige rede op den Areopagus houdt, dan is zijn hart getroffen door de aanschouwing, dat de stad zoo zeer afgodisch was. En zoo bij alle redenaars van vroeger en van later tijd. Welsprekend is de toorn van Achilles, de trouw van Andromache, de vaderlandsliefde van Demosthenes, de ijver voor het welzijn van den staat bij Cicero. Welsprekend waren de Hervormers, aangegrepen door brandenden ijver voor de eere Gods en zich uitende in dit koninklijke woord van Calvijn: een hond blaft wel als men zijn heer aanvalt; zou ik dan niet spreken als mijn Meester wordt aangerand. Welsprekend was Burke, als hij in ’t Engelsche parlement zijne machtige stem tegen de revolutie verhief. Welsprekend was Multatuli in zijn Max Havelaar, omdat zijn gemoed van verontwaardiging was vervuld over het schandelijk onrecht, door Droogstoppels en Slijmeringen aangedaan aan den armen Javaan; welsprekend naar zijn eigen getuigenis als de moeder, die gilt van angst bij het te water vallen van haar kind. De geschiedenis levert bewijzen te over, dat de welsprekendheid evenals de taal een schepsel is van het gevoel.

Tweeërlei is dus noodig tot het ontstaan der ware welsprekendheid: eene krachtige gemoedsaandoening, een ontroerd gemoed, een getroffen hart; en een onweerstaanbare drang om hieraan uiting te geven. En deze twee zijn een. Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Wie vast en diep gelooft, die kan niet zwijgen. Indien hij zweeg, de steenen zouden spreken. In den hoogsten zin treft gij deze inspiratie, deze vocatie, dezen inwendigen drang, deze drijving des geestes, of hoe wilt gij ze noemen, bij de |10| profeten en apostelen aan. Jeremia zegt ervan, dat het in zijn hart werd als een brandend vuur, besloten in zijne beenderen. Amos was een eenvoudig landman, maar wordt zoo krachtig aangegrepen en voortgedreven, dat hij geen ruste heeft bij zijn handwerk en zijne kudde verlaat. Hij kan het niet uithouden, hij moet naar Jeruzalem heen om te getuigen. En dan geeft hij uiting aan dien gloed die hen van binnen verteert: de leeuw heeft gebruld, wie zou niet vreezen; de Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteeren? En het is diezelfde onweerstaanbare vocatie, die Paulus een wee deed uitroepen over zich, indien hij het Evangelie niet verkondigde. Ja, Jezus zelf, in wien de Geest woonde zonder mate, getuigt: ik heb uit mijzelven niet gesproken, maar de Vader die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen en wat ik spreken zal. Zie dat is het echte: est Deus in nobis, agitante calescimus illo; de bron van alle hooger leven, van wetenschap en kunst, het beginsel ook der waarachtige welsprekendheid.

En dan is er de welsprekendheid ook terstond, zonder oefening zelfs, of voorbereiding. Er waren overal onder alle volken redenaars, voor er rhetorica was. Het leven gaat aan de kunst vooraf. Homerus staat aan den aanvang der Grieksche cultuur en heeft als met één vleugelslag de hoogste hoogte der poëzie en der welsprekendheid bereikt. Het genie mag ten allen tijde de paden der vlijtige oefening versmaden; het baant zichzelf den weg ook door de doornen en struiken der schoolsche regelen heen. De apostelen en profeten waren welsprekend, ook zonder rhetoren te zijn. Zij hadden geen Gorgjas van Plato, geen werk de Oratore van Cicero gelezen; zij hadden geen scholen ook der Grieksche rhetoren bezocht. De werken van Cicero en Quintilianus kenden zij niet; en de regels van Schrant waren hun ganschelijk vreemd. Zij wisten van geen thema en geen verdeeling, van geen analytische en synthetische methode, van geen peroratie met knaleffect, van geen voordracht voor den spiegel bestudeerd. Niets van dat alles. Zij spraken niet in bewegelijke woorden van menschelijke wijsheid. En toch waren zij welsprekend, in hoogeren zin nog dan de redenaars der oudheid, zij spraken in betooning van geest en van kracht, als machthebbenden en niet als de Schriftgeleerden. Zij waren welsprekend, niet door eigen oefening maar door goddelijke gave; niet door reflectie maar door inspiratie; niet naar menschelijke roeping maar krachtens droit divin. De welsprekendheid was bij hen geen opzet maar natuur, geen kunst maar gave. En nog staan nu en dan, ten spot van alle regelen, soms eensklaps en onverwachts |11| uit de heffe van het volk de mannen op, wier woord als een electrieke schok de gemoederen in vlam zet en de natiën beroert. Op het woord van Peter van Amiens trekken de kruisvaarders duizenden bij duizenden naar Jeruzalem heen. De machtige taal van Luther hervormt de gedaante van heel het Christelijk Europa. George Fox heeft in ’t midden de 17e Eeuw gansch Engeland doen sidderen onder zijne profetische redevoeringen en zijne aangrijpende stem. De revolutie vond haar grootsten heraut en machtigsten redenaar in de woesten, onweerstaanbaren Mirabeau. En Multatuli’s eerste werk deed eene rilling gaan door geheel ons vaderland.

Maar toch de welsprekendheid is niet enkel gave; zij is ook kunst. Dat werd zij in het vaderland van alle kunst en alle wetenschap, in Griekenland. Zij was daar haar oorsprong verschuldigd aan de politieke vrijheid; het woord was in de volksvergaderingen de eenige weg tot overwinning en heerschappij. Er waren redenaars, ook voor er rhetorica was. Maar toen de macht der welsprekendheid in de practijk werd aanschouwd, toen zocht men vanzelf van haar wezen zich rekenschap te geven, en werden haar eischen en regelen opgespoord. En zoo is de welsprekendheid als kunst ontstaan. Zij kan zeker de gave nooit vergoeden of vervangen. De rhetorica maakt niemand welsprekend. La vraie éloquence, zei Pascal, se moque de de l’ éloquence. Kunst zonder gave wordt sophistische woordenkramerij, vuurwerk zonder warmte; aan een zielloos portret, nooit eene levende schilderij gelijk. Maar gave zonder kunst ontaardt al te dikwerf, gelijk het voorbeeld der volksredenaars bewijst, in ruwe platheid en hinderlijke trivialiteit. Al is het dan ook, dat de kunst de gave onderstelt, en deze laatste het eerste is en het hoogste; toch mag die gave niet worden verzuimd. De gave eischt en roept op hare beurt om de kunst. Zij moge den stroom der welsprekendheid niet kunnen scheppen en voortbrengen; zij kan hem toch leiden in eene bekoorlijke bedding. Maar wat ze ook zij, gave of kunst, de echte welsprekendheid heeft haar bron alleen in het gemoed, in het gevoel van den mensch. Hier liggen haar oorsprongen. Uit den overvloed des harten spreekt de mond.


II.

Zoo is dan het beginsel der welsprekendheid ons bekend. Maar wat is zijzelve, en waarin bestaat haar wezen? Ik vrees geen tegenspraak, indien ik ze omschrijf als de door kunst geoefende gave, om door de macht van het woord overtuigend op het verstand, roerend op het gemoed en overredend op den wil des menschen |12| in te werken. Alle welsprekendheid, waar ook voorkomend, in het dagelijksch leven of op het spreekgestoelte, op den kansel of in de raadzaal, is wezenlijk drieërlei: betoog, schildering, overreding. De welsprekende moet weten wat hij te zeggen heeft, eene degelijke kennis bezitten, en overtuigend inwerken op het verstand zijner hoorders; dit wijst ons op het verband tusschen welsprekendheid en wijsbegeerte of wetenschap. Hij moet verder niet alleen betoogen maar ook schilderen en, alzoo het gemoed des menschen treffen; dat toont ons den samenhang tusschen welsprekendheid en poëzie. Hij behoort eindelijk ook te overreden, en den wil der hoorders te buigen; dat doet ons de verwantschap zien tusschen welsprekendheid en deugd. Geen dezer drie kan gemist. Het woord, dat om welsprekend te zijn uitgaan moet van den ganschen mensch, zijn beeld en gelijkenis moet dragen, behoort zich ook te richten tot den ganschen mensch, tot verstand en hart en wil. Zoo alleen beantwoordt het aan zijne bestemming, welke bij ons, altijd op crentuurlijke wijze, geen andere is dan bij den Heere onzen God, die door het woord alle dingen schept en herschept naar zijn beeld.


1. Welsprekendheid vereischt dus allereerst eene deugdelijke kennis van de stof waarover men spreekt. De Sophisten, de mannen der Aufklärung en de phraseologen in Socrates’ dagen maakten van de welsprekendheid een kunstgreep, eene behendigheid, legden zich toe op oratorische woorden, bombastische zinnen, schitterende beelden, vernuftige spelingen, treffende antithesen, en overrompelden daarmee de gemoederen des volks. Gorgias in Plato’s werk van dien naam komt daar rond voor uit. Een rhetor is iemand die zonder studie, alleen door zijne woordenpraal schooner en wegslepender over elke zaak kan spreken dan de deskundige; over staatkunde beter dan de politicus, over geneeskunde beter dan de arts, over oorlog beter dan de krijgsman, en deze allen in de volksvergadering door zijne schitterende redenaarstalenten overtreft en verslaat. Hun hoogste kunst was dus, om ton Óttw logon kreittw poiein, d.i. om wit zwart te praten. Effect bewerken, succes behalen was het doel van hun streven. Socrates, Plato en Aristoteles zijn daartegen toen te velde getrokken en hebben die soort van welsprekendheid voor een onderdeel van de vleikunde, de kolakeutikj verklaard en haar op eene lijn gesteld met de kookkunst, de ìyopoiikj die ook geen hooger doel heeft dan de zinnen te streelen en den smaak te bederven. En in stee daarvan hebben zij in den redenaar degelijke wijsgeerige kennis vereischt. En Socrates bij name |13| sprak het uit, dat de redenaar niet door woordenpraal verblinden maar door bewijzen overtuigen moet, en dat hij alzoo niet jaggen mag naar oogenblikkelijk succes, maar in den dienst der Godheid zich moet stellen en voor recht en zedelijkheid in de bres moet springen.

Maar in weerwil van die machtige tegenspraak is het geslacht der Sophisten onder de redenaars niet uitgestorven. Zij leven onder ons voort tot op dezen dag. Dat zijn de redenaars van het vuurwerk, de rijmelaars op het gebied der oratorie, de kwakzalvers in toespraken, de Hollowaymannen in bombast. Werkelijk ware ook thans een Socrates niet overbodig, om aan de blufferige Gorgiassen den mond te snoeren. Nog zijn er velen, die, zooals Fenelon het uitdrukt, niet spreken omdat zij wat te zeggen hebben, maar die wat zoeken te zeggen omdat zij spreken moeten, Schopenhauer verdeelt echter de schrijvers in drie klassen, eerst zulken die schrijven zonder te denken — deze klasse, zegt hij, is de talrijkste. Dan die denken onder het schrijven — ook zeer talrijk. Eindelijk zulken die gedacht hebben, eer zij aan het schrijven gingen — uiterst zeldzaam. Die indeeling kan voor de openbare sprekers ongewijzigd worden overgenomen. Ook de redenaars op den kansel vormen hier geen uitzondering. Misschien bekleedt de phrase nergens machtiger en aanzienlijker plaats dan hier. Hoogdravende stem, galmende spraak, gerekte toon, ledige zinnen en streelende termen moeten vergoeden wat aan degelijken inhoud en echte studie ontbreekt. Te meer is dit hier te verwonderen, omdat de dienaar Gods Woord heeft te verkondigen en deze overtuiging hem ten strengste verbieden moest, der H. Schrift iets anders in den mond te leggen dan wat zij werkelijk zegt. De tekst is dikwerf echter maar de spijker, waaraan de armoedige plunje van eigen of des volks geliefkoosde meeningen wordt opgehangen. Allegorie, vergeestelijking, mystieke beteekenis, diepere zin, eene waarheid achter de waarheid is dan de naam voor de kunstbewerking, waardoor men met de Schrift eigen gedachten verzoent. Studie is hiervoor niet noodig. Alleen eenige vernuftige behendigheid, eene ongebreidelde phantasie, eene behoorlijke mate van brutaliteit en eene conscientie die het niet al te nauw neemt.

Succes behalen deze predikers wel, nog meer dan de Sophisten. Als men op de vraag: Waarom vatte Mozes de slang bij den staart en niet bij den kop, diepzinnig antwoorden durft: omdat de kop in ’t paradijs vermorzeld was. Als men met mystischen blik in de mannen der Samaritaansche vrouw de vijf boeken van Mozes aanschouwt. Als men in het huwelijk van Izaak en Rebekka de wijze afgeschaduwd |14| ziet, waarop Christus zijne bruid, de gemeente zich verwerft. Als men dit alles en nog veel meer als het Woord Gods verkondigen durft, zal het aan succes niet ontbreken. Maar de dienaar des Evangelies maakt dan de spottende ofschoon toch ook geestige parodie zich waardig, die Multatuli eens gaf in de ingrijpende leerrede, welke gister in de hoofdkerk gehouden werd door den Eerwaarden Ds. Zielknyper. De waardige man had tot tekst gekozen deze woorden uit het verhaal van Wouter Pieterse: dankie wel, Juffr. Pieterse, m’n koppie is omgekeerd, dat zie je wel. Hij stelde zich voor, om eerst den historischen zin zijner tekstwoorden nader toe te lichten, vervolgens de stralen te ontwikkelen die daarin doorlichten en eindelijk de plichten na te gaan, die uit de voorafgegane beschouwing voortvloeien. Eéne aanhaling karakteriseere u het geheel: Hij bedankte, zoo lezen we in onzen tekst, hij had zijn koppie omgekeerd en zij zag het wel. Verheven eenheid in de drieheid, en wonderlijke diepte van zin! Hij bedankte ja, maar hij bedankte niet alleen. Hij keerde tegelijkertijd zijn koppie om, en wel verre van zich te bepalen tot deze handeling, voegde hij er tot onze leering aan toe: dat zie je wel!

Tegen deze en dergelijke phraseologie zoowel in de raadszaal en voor de balie als op den kansel is er maar één afdoend geneesmiddel: en dat is ernstige studie, degelijke kennis, echte wetenschap. Oprechte godsvrucht behoedt daar helaas niet altijd tegen. Innige vroomheid is aan deze wijze van prediken niet altijd gespeend. Maar deege studie doet ons weten, wat wij in Gods naam als Zijne gedachte verkondigen mogen. Op zijne wijze moet de prediker van het Evangelie het Jezus kunnen nazeggen: ik spreek uit mijzelven niet; de Vader heeft mij een gebod gegeven wat ik zeggen en wat ik spreken zal. Dat geeft alleen dat gezag, hetwelk voor de welsprekendheid op den kansel onmisbaar noodig is. Zonder dit gezag ware deze welsprekendheid nimmer ontstaan en kon ze niet blijven bestaan. Naarmate wij de overtuiging verliezen van de goddelijkheid van het woord dat wij brengen, verliest onze prediking aan invloed en kracht. Indien wij geen Goddelijke boodschap hebben te brengen, wie geeft ons dan het recht op te treden voor menschen van gelijke bewegingen als wij, misschien beter dan wij? Wie geeft ons dan vrijheid, om op den kansel ons boven hen te plaatsen, hen bezig te houden over de hoogste belangen der ziel en des levens en zelfs hun aan te kondigen een eeuwig wel of een eeuwig wee? Wie durft dat, wie mag dat doen dan alleen wie zich geroepen voelt van den Heer? Zulkeen kan alleen welsprekend |15| zijn. Dat is de onmisbare, maar ook de onvergelijkelijke macht van de prediking des Woords. Maar dan behoort men ook te weten, dat wat men verkondigt niet ons eigen maar Gods Woord is. Ik noem het dan ook onverantwoordelijk en in den grond ongeloof, om met een Godswoord voor zich toch slechts meeningen te verkondigen die aan het volk behagen. Deze welsprekendheid, hoe rechtzinnig op den klank af, is een onderdeel der kolakeutikj, der vleikunde, en staat met de kookkunst op ééne lijn.

Maar als deugdelijke kennis het eerste element is van ware welsprekendheid, mag men daarom evenmin in het andere uiterste vervallen en de oratorische rede maken tot een arsenaal van geleerdheid. De kansel is geen katheder. En de kerk geen school. Toch is en wordt ook naar deze zijde dikwerf gezondigd. Onze bij al hun nederigheid toch vrij trotsche vaderen hebben dikwerf Hellas en Latiums schatten geplunderd en voor de gemeente uitgestald. Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn, soms zelfs Syrisch en Arabisch; geographie, historie en archaeologie moesten dienst doen, om de goê gemeente met bewondering te vervullen voor de geleerdheid van hun dominé. Een sterk sprekend staaltje heeft de eerw. Ds. Eversdijk ons nagelaten in een zijner leerredenen over Messias heerlijkheid: „Een vriend, zoo lezen we daar, is vol inwendige genegenheid tot zijn vriend, is als tot hem zelven. Deut. 13 : 6 lezen wij, dat hij is als onze ziel. Een vriend wordt daarom uitgedrukt, als een alter ego, een ander ik. Lyricus, voor zijnen vriend biddende, was het: Serves animae dinidium meae, behoud de helft mijner ziele. Trouwens het spreekwoord is: amicus una est anima in duobus corporibus: vrienden hebben ééne ziel in twee lichamen. Laertius verhaalt, dat Xenocrates Plato met zoo groote liefde beminde, dat, wanneer Dionysius eens tot Plato zeide: caput tibi quisquam tollet, iemand zal uw hoofd wegnemen, hij daarbij staande op het zijne wees met bijvoeging: nullus id prius, quam istud abscindet, niemand zal dat eer dan dit afsnijden. Ziet, zulk een vriend is de Messias.” 1) Welnu, dat is geen preeken, dat is geen welsprekendheid, maar oppervlakkig geleerdheidsvertoon en ijdele woordenpralerij! Degelijke kennis sluit eenvoud niet uit maar in. Geleerdheid is geen wijsheid. Beets zegt terecht: Hij die de kennis zoekt en wijsheid niet daarbij, vrijt naar de kamenier en gaat de vrouw voorbij. Geleerd te preeken, zoodat het volk, zoodat |16| gij uzelven niet verstaat, is geen kunst. Maar evenals de H. Schrift, evenals de jonge des Amorie v.d. Hoeven, de diepste gedachten uit te spreken, zoo eenvoudig en zoo natuurlijk dat ook de daglooner u verstaat, dat is het hooge ideaal der degelijke kanselrede. In dezen zin zeide Luther eens in zijn tafelgesprekken: ik predik voor de ongeleerden en beval dan aan allen. Als ik dan nog wat grieksch en hebreeuwsch ken, bewaar ik dat, tot wij onder geleerden zijn. En dan maken wij het soms zoo bont, dat onze lieve Heer er zich over verwondert.


2. Kennis is echter in den redenaar niet genoeg. De wijsgeer betoogt en overtuigt en richt zich alleen tot het verstand. Maar de redenaar betoogt niet alleen, hij verhaalt niet slechts, hij laat zien. Hij richt zich ook tot gemoed en verbeelding. Welsprekendheid is daarom ten nauwste aan de poëzie verwant. De dichtkunst is zelfs de moeder der welsprekendheid geweest. Homerus was de vader der poëzie maar ook van de geschiedenis en de welsprekendheid. Demosthenes heeft van hem de kunst afgezien en naar zijn voorbeeld zich gevormd. Vooral in het Oosten gingen oratorie en poëzie hand in hand. De profeten des O. Verbonds waren redenaars en dichters tevens; de eurythmie van hun taal bewijst dit reeds. De gelijkenissen van Jezus vereenigen beide in zich. En 1 Cor. 13 is een monument van Paulus’ welsprekendheid, maar tevens een lied, een hymne op de liefde. Maar langzamerhand zijn welsprekendheid en poëzie uiteen gegaan. De welsprekendheid is zelfstandig geworden, en heeft zich steeds verder van de dichtkunst verwijderd. Bij de Westersche volken spreekt het verstand ook veel sterker dan de verbeelding. Wij leven niet meer in het concreete, maar in het abstracte. Reflectie heerscht over de intuitie. Wij verlangen „meer waarheid dan fraaiheid, meer gezond verstand dan woordenpraal, meer wijsheid dan sieraad.” Wij komen steeds verder af te staan van het tijdperk der volkspoëzie. Zelfs de naiveteit der Middeleeuwen is onherroepelijk voor ons voorbij.

En toch blijven welsprekendheid en dichtkunst elkander verwant. Ze zijn van ééne familie. Zij bestaan elkaar in den bloede. En die verwantschap spreekt zich uit in de aan beide gemeenschappelijke schildering, in het levendige en aanschouwlijke der voorstelling, in het gebruik van beeld en figuur, in de aan beide eigene gave „de faire voir les objets.” De redenaar moet ons te aanschouwen geven wat hij zegt. De rede is een betoog, maar zij is tevens een tooneel, een schouwspel. Zij beschrijft b.v. niet |17| alleen in dogmatische termen wat de zonde is. Maar zij laat ons haar zien in haar ontzettende schuld, in haar verwoestende macht. Zij zet niet leerstellig de verschillende ondeugden uiteen, maar zij voert den dronkaard, den wellusteling, den dienaar der wereld, den onreine van hart ten tooneele. Zij houdt geen wijsgeerige verhandeling over de deugd en den godsdienst. Maar zij voert ze als in levenden lijve voor onze oogen op.

En dat kan de Evangelie-prediker te beter doen, wijl in het Christendom alles concreet, aanschouwelijk, persoonlijk, of wilt gij den diepsten grond, wijl het trinitarisch is. De bedienaar des Woords heeft hierin boven elken anderen redenaar in de burgerlijke, rechterlijke, staatkundige welsprekendheid ontzaglijk veel vooruit. Altijd, indien hij maar niet aan de oppervlakte der dingen blijft hangen en in de diepte durft afdalen, komt hij als van aangezicht tot aangezicht te staan tegenover een persoon, in de schepping, in de verlossing, in de heiligmaking. De H. Schrift is daarom ook ééne machtige historie, van het begin tot het einde toe. Zij is nooit abstracte redeneering, nimmer dogmatisch betoog. Nooit is er de taal der reflectie aan het woord. Zij redeneert niet; zij schildert. Zij beschrijft niet, zij verhaalt. Zij betoogt niet, zij laat zien. Er is ook in dit opzicht geen boek ter wereld met de Schrift te vergelijken. Alles in haar is aanschouwelijk, schilderachtig, concreet, oorspronkelijk, frisch als het kristalheldere water dat opborrelt uit de bron. Zij spreekt in de taal van het leven, van het hart, van de onmiddellijkheid, van de inspiratie, is verstaanbaar daarom voor ieder mensch, voortlevend tot in alle geslachten, nooit verouderend in haar duur, en daarom klassiek in den hoogsten, in een geheel eenigen zin van het woord. De goddelijke gedachten zijn hier ingeweven in de geschiedenis; profetie en historie zijn één. Het is alles, van den aanvang tot het slot, belichaamde gedachte, vleesch geworden woord, het goddelijke vermenschelijkt, het geestelijke verzinnelijkt, alles in wijden cirkel geschaard rondom en heenwijzend naar Hem, in wien de Godheid lichamelijk woont, en het ideaal werkelijkheid werd. Het abstracte dualisme van God en mensch, geest en stof, hemel en aarde, verstand en hart is hier verzoend in de innigste eenheid.

Geen betere studie dies, om aan dezen tweeden eisch der welsprekendheid te voldoen, dan die der H. Schrift. Elke prediking verliest dan ook in die mate aan aanschouwelijkheid, als zij van het historisch Christendom der Schrift zich losmaakt. Zie het maar aan het armzalig Rationalisme van vroegeren en van lateren tijd. Beproef vrij indien gij wilt, het Semietische om te zetten in het |18| Iaphetische; tracht de goddelijke idee los te wikkelen uit de historie. Maar ge hebt niet slechts het Christendom van zijn merg en kern, gij hebt ook den godsdienst van zijn poëzie beroofd. En tevergeefs beproeft men dan gelijk in den laatsten tijd, de religie weer met de poëzie te verbinden, aan de dorre verstandsbegrippen weer leven in te blazen; zelfs het te hulp roepen der phantasie, van zang en kunst verrijkt de armoede niet. Het Rationalisme is de dood der poëzie; het maakt alles abstract tot in de taal toe. God wordt het Opperwezen, de Messias wordt de wijze van Nazareth, verzoening wordt voorbeeld, zonde wordt gebrek, bekeering wordt betering. Alle teekenachtige, schilderende woorden maken voor dorre begrippen plaats. Terwijl de ware welsprekendheid de gedachte zelfs veraanschouwelijkt, lost het Rationalisme de aanschouwing der historie in ijskoude denkbeelden op. Daarom ook, Rationalisme en welsprekendheid, dat vloekt, even sterk als Rationalist en poëzie; ware welsprekendheid is schildering. Onder haar handen begint het abstracte te leven, en gaat de gedachte over in vleesch en in bloed. Als b.v. de beroemde Bernard v. Clairvaux het raadsbesluit der verlossing aan het volk verkondigen wil, voert hij de vier eigenschappen Gods: barmhartigheid, waarheid, vrede en wijsheid sprekende en handelend voor ons op. Zulk eene welsprekendheid kan niet nalaten het volk te boeien en te ketenen aan de lippen van den redenaar. Geboren uit het gevoel, uit zij zich in de taal der verbeelding. En verbeelding is naar de schoone voorstelling van Bilderdijk de moederschoot der poëzie, maar die bevrucht moet worden door het gevoel. En dan wordt daaruit zoowel voor de welsprekendheid als voor de dichtkunst „ een nieuw heelal geboren, Waarin op vleuglen van zijn almacht rondgedragen, De dichtkunst zwiert en zweeft met Godlijk zelfbehagen, En warelden vol glans, hervoort roept uit haar graf.” Maar natuurlijk kan men ook hier ter rechterzijde afdwalen. Er is soms des Guten zu viel ook aan deze zijde gedaan. Zeker bestaat het verband tusschen welsprekendheid en poëzie niet daarin, dat men preeken houdt op rijm. Toch waren deze vroeger, bij het volk weet ik niet, maar bij de dominés in den smaak. Ds Antonie Croezen begon in de leerrede ter inwijding van de Nieuwe Kerk te Rotterdam 1737 reeds het votum in dichtmaat:

Ons zegen Vader ende Soon,
Ons zegen d’ Heijlige Geeste,
Dien al de wereld eer betoon,
Voor Hem hun vrese meeste. |19|

Een ander maakte den overgang tot zijn tekst met dit versje:

Liefste Jesu, wij zijn hier

U en Uw woord aan te hooren;

Onze zinnen so bestier,

Dat zijn kragt niet gaa verloren

Maar ons hart daarvoor bewogen

Tot u werde opgetogen! Amen.

Nog dwazer maakte het een catechiseermeester, die in eene lofrede over den vromen Ds. Velingius zijn poëtische ader uitstroomen liet in deze verzen:

De Godsvrucht zweeg en gaf een kus
Uit eerbied aan Velingius.

Maar ook meer prozaïsche predikanten hebben aan hun verbeelding al te los den teugel gevierd. Het is al te plastisch, als ds. Mees eene preek over Sara’s begrafenis aldus betitelt: De rouwstatige begrafenisse van de gezegende princesse Sarah, overledene huisvrouwe van de voortreffelijke vorst, profeet en vriend Gods Abraham. Nu voor 3539 jaar begraven bij Hebron, in Makpela, in ’t jaar 2145 na de schepping, sijnde 1858 voor de geboorte Christi, nadat sij 127 en haer man 138 jaer geleeft hadden. Zoo zal het ons evenmin bevallen, als Ds. Zelotes te Rotterdam zijn tekst aldus aankondigt: onze textwoorden zijn geschept uit den grooten oceaan van Mozes, de vierde springbron, den vijftienden emmer, den twaalfden droppel. En allerminst zullen wij onze goedkeuring kunnen hechten aan dit realistisch beeld van Ds. Theod. a Brenck: wanneer het water in een schip gevloeit is, dan wordt het door een hoosvat weder uitgeworpen. Zoo heeft David het water der zonde in het schip zijner ziel, door de reten van het overtreden der geboden Gods ingebroken zijnde, door het hoosvat van oprechte belijdenisse daaruit geworpen. Zulke wansmaak was toen en vroeger reeds geliefd. Het was de tijd van den beruchten dichter Jan Vos, die een Verliefd jongeling aldus laat spreken tot de uitverkorene van zijn hart:

ik laet den scepter slippen,

Indien ik met mijn mont op d’ oever van uw lippen,

Magh stranden met een kus.

Ik durf niet beweren, dat het volk van den tegenwoordigen tijd zulk valsch vernuft niet meer fraai vinden zou. De plastische en platte redenaars hebben ten allen tijde de massa van het volk geboeid. Het naturalisme en realisme van Zola valt ook op godsdienstig gebied in veler smaak. Maar één ding is van die volksredenaars toch te leeren: het schilderachtige, het levendige, |20| het aanschouwelijke hunner voorstelling. Dit toch is het geheim van alle populaire welsprekendheid: de redenaar mag zich geen oogenblik van zijn gehoor isoleeren en nooit eene koude alleenspraak houden. Integendeel, hij moet voortdurend zich tot zijne hoorders wenden, hen aanzien, aanspreken, vragen doen, tegenwerpingen in den mond leggen, bedenkingen wegruimen. Hij mag ze geen oogenblik los en aan zichzelven overlaten, hij moet ze bezig houden en met hen bezig zijn, met hen spreken, met hen handelen. Er moet wisseling, verkeer, handel zijn tusschen oog en oog, hart en hart, ziel en ziel. De rede moet ééne dramatische handeling zijn. Dan eerst bereikt de welsprekendheid dat doel, hetwelk Bilderdijk ook aan de dichters voorhoudt:

Houdt aller harten in uw handen!

Doorwoelt, doorwroet onze ingewanden!

Beheerscht verbeelding en verstand!

Kneedt, kneedt onze inborst met uw vingren.

Leert van Jupijn den bliksem sling’ren!

Maar zet er zielen mee in brand.

’t Gemeen moog’ vruchtloos naar den hoogen

U starend trachten na te oogen,

’t Gevoele u in ’t geschokte hart!

Het ween, het lach, het gloei, het ijze,

Naar dat uw zangtoon dale of rijze,

Of zink’ in onbeweegbre smart.

Het haat’, het minn’, het zet zich open,

Het krimp’ naar ’t onweerstaanbre nopen

Der geesel, daar uw hand meê zweept,

En heb gevoel, noch wil, noch leven,

Dan die ’t uw zangtoon weet te geven,

Die ’t in zijn golving medesleept.

3. Maar hoe innig het verband ook zij van welsprekendheid en dichtkunst, en hoe ver zij ook samengaan, de welsprekendheid gaat ook nog boven de dichtkunst uit. Deze heeft toch tot rechtstreeksch en onmiddellijk doel te behagen, en ons diezelfde aandoeningen in het gemoed te storten, welke de dichter gevoelt. Maar de welsprekendheid betoogt niet alleen voor ons verstand. Zij roert en schokt niet slechts ons gemoed. Met eene aandoening in onze ziel is zij niet tevreden. Einddoel der prediking bestaat niet hierin, om — naar eene plastische uitdrukking — het huis Gods onder water te zetten met tranen. Zielroerende |21| en — gelijk Witsius ze noemt — tranentappende predikatiën zijn lang niet altoos de beste. Van menige roerende predikatie geldt het versje van Beets:

Jan War preekt roerend, zegt gij. Kom,

Ik wil het ook gelooven.

Hij roert een pot met woorden om,

En hutst het onderst boven.

De ware welsprekendheid beoogt meer dan roering des gemoeds. Zij tracht door verstand en hart heen ook den wil des menschen te buigen. De redenaar mag niet tevreden zijn, voordat de hoorders denken als hij, gevoelen als hij, handelen als hij. In de welsprekendheid bereikt het woord eerst zijne hoogste zijne hervormende, zijne herscheppende macht; nadert het het dichtst aan de oorspronkelijke, absolute macht van het woord onzes Gods.

De echte welsprekendheid is daarom zonder heerschappij over de taal niet denkbaar. Zoozeer is deze een vereischte en kenmerk, dat Prof De Vries bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt te Groningen in 1849 daarin zelfs het beginsel der welsprekendheid kon stellen. En hij omschrijft die heerschappij in deze woorden: als de spreker den inhoud der taal zoodanig in zich heeft opgenomen, dat zij als met zijn wezen vereenzelvigd is; als de taal zelve naar stof en naar geest zoodanig zijn eigendom is geworden dat al hare schatten op één wenk tot zijne beschikking staan; als aan elke gedachte, die bij hem oprijst, aan elke gewaarwording die hij gevoelt, onmiddellijk dat woord, en die uitdrukking ontspringt, die haar het levendigst afschildert; als de schikking en verbinding, de buiging en plooiïng der deelen, de afwisseling der vormen en wendingen, telkens de allerfijnste schakeeringen der gedachte met de zuiverste overeenstemming vergezelt, telkens in één toon samensmelt met de trilling van elke zenuw des gevoels; eindelijk, als elk beeld, dat de ziel heelt opgevangen uit den spiegel der taal, zich even krachtig, even helder, maar met het prille waas der oorspronkelijkheid weerkaatst in het levende woord; dan, dan eerst is de zege behaald, en heeft de taal haren meester gevonden.

Dit meesterschap over de taal verzekert ons eerst de heerschappij over ’t gemoed en alzoo over den wil van den mensch. Die wil is geen draaienden windwijzer en zwabberenden weerhaan gelijk, maar wortelt diep met zijn vezelen in des menschen natuur. Bidden moet daarom de Evangelieprediker zijne hoorders; dat zij zich met God laten verzoenen. De welsprekendheid is een betoog, zij is een schouwspel en handeling; zij is eindelijk meer nog dan |22| dat alles te zamen, zij is een strijd en een worsteling. De redenaar heeft een kamp met zijne hoorders. Hij moet ze overreden. Hij mag van dien strijd niet aflaten, voordat zij zich hebben overgegeven. Hij moet elke bedenking wegruimen, alle verontschuldiging hun ontnemen, elken weg ter ontkoming afsnijden. Hij heeft ze in de engte te drijven, zoodat zij als de Israëlieten noch voor- noch achterwaarts, evenmin ter rechter- als ter linkerzijde uitwijken kunnen en alleen nog kunnen opzien naar boven, vanwaar de hulpe komen zal.

De hooge ernst, de zware verantwoordelijkheid van de bediening des Woords spreekt in deze hare overredende taak nog sterker zich uit dan in haar betoog en haar schildering. Maar juist op het standpunt der gereformeerde belijdenis is deze verantwoordelijkheid, hoe zwaar ook, toch dragelijk. Indien de bekeering af hing van ’s menschen wil en deze zich buigen kon naar hartelust, dan ware de prediking des Evangelies eene taak, te zwaar voor een mensch. Dan zou elke prediking, die den wil der hoorders niet boog, een onweerlegbare getuigenis tegen u, tegen uw inspanning en ijver zijn, en dus een ondragelijk zelfverwijt. Met krachtiger woorden toch en met ernstiger inspanning ware die wil van den mensch door uwe welsprekendheid te buigen geweest. Maar nu dit alzoo niet is, en de heerschappij over den wil alleen aan den Geest van God verblijft, nu is ook deze overredende eisch der welsprekendheid op de schouders te nemen. Want met de prediking des Woords gaat de werking des Geestes verzeld; en het woord van den dienaar is het middel slechts in Zijne almachtige hand.

Om dit practisch en zedelijk doel hebben velen de welsprekendheid in een innig verband gesteld tot het goede en de deugd. Cicero getuigde reeds en Quintilianus heeft het herhaald, dat de redenaar, om dit te zijn, een deugdzaam mensch moest wezen. Socrates eischte dat de rhetor zich in den dienst der Godheid stellen zou en slechts aan de verdediging van recht en zedelijkheid zijne gaven zou wijden. En in onze eeuw kon de beroemde redenaar Theremin beweren, dat de welsprekendheid eene deugd was en de rhetorica een onderdeel der ethiek. Zonder twijfel is dit overdreven. De welsprekendheid is een gave, ook in zulke menschen gevonden die haar in den dienst der zonde misbruikten. Mirabeau, Heinrich Heine, Multatuli zijn genoeg ten bewijze. En toch, de stelling van Theremin bevat eene diepzinnige waarheid. Het verband tusschen de welsprekendheid en de deugd is natuurlijk; maar dat tusschen de welsprekendheid en de zonde is |23| onnatuurlijk en altijd kunstmatig gelegd. Het schoone is het gewone, het eigene, het natuurlijke kleed van het ware. Leugen en zonde kunnen dat gewaad aan de waarheid en aan de heiligheid ontstelen, en zich verkleeden in engelen des lichts. Maar de waarheid is welsprekend van nature. Zij is schoon door haar eenvoud. Zij behoeft geen opgesmukte sieradiën. De leugen echter, arm in zichzelve, is gedwongen om zich te hullen in ’t kleed der waarheid en alzoo ook aan haar als de meerdere hulde te doen. Naakt, behaagt ze aan Satan alleen, maar aan geen menschenkind. Niemand heeft de leugen lief om haar zelfs wil. Er zijn zonder twijfel welsprekende predikers der leugen geweest. De valsche profetie beschikte ten allen tijde over machtige oratorische talenten. Rousseau’s profession de foi du vicaire Savoyard is wegslepend van schoonheid. Mirabeau’s welsprekendheid was overweldigend; herinnert u alleen dat machtige woord, waarmede hij het verzoek des konings om de volksvergadering te ontbinden beantwoordde: allez dire à votre maître, que nous sommes ici par la puissance du peuple, et qu’on ne nous en arrachera que par la puissance des bajonettes. Lamennais’ Paroles d’ un croyant, is een hooglied der revolutie in bijbelstijl. Maar ook dezen allen, die allerminst naar den eisch reeds van den heidenschen Socrates hun gaven in den dienst der Godheid hebben gesteld, waren toch welsprekend en konden dit alleen zijn door de elementen van waarheid die ook zij nog verdedigden, en boven al door de vaste overtuiging, waarmee zij zelven de leugen als waarheid omhelsden. Zonder deze overtuiging is er onder menschen geen welsprekendheid mogelijk. Maar daarom kan de welsprekendheid ook alleen dan haar hoogste triumfen vieren, als zij vrij en naar haar natuur in den dienst der waarheid en der zedelijkheid staat. Dan is zij menigmaal eene macht geweest, die niet alleen het verstand heett verlicht en het gemoed heeft geschokt, maar ook den wil van duizenden heeft gebogen, de maatschappij heeft vernieuwd, den staat heeft gered, het gelaat des aardrijks veranderd. Er zit in het woord eene ongeloofelijke, eene bijna goddelijke kracht. Denk aan Demosthenes tegen Philippus, aan Cicero tegen Catilina, aan Napoleon bij den voet der pyramiden. Denk aan Lamartine, die in 1848 van de trappen van het stadhuis te Parijs de woedende volksmenigte bedwong door de macht van zijn woord. Of wilt gij ten slotte een voorbeeld uit de kanselwelsprekendbeid. Herinnert u dan de preeken die Masgillon in 1701 gedurende de vasten hield voor Lodewijk XIV en zijn koninklijk hof. En roept dan uit de prediking over |24| het gering aantal der uitverkorenen dit aangrijpend gedeelte in uw geheugen terug: 2)

Daarom bepaal ik mij tot u, broeders die hier vergaderd zijt. Ik spreek niet van de overige menschen; ik beschouw u als waart gij alleen op aarde; en ziet welke gedachte mij bezig houdt en huivering aanjaagt. Ik onderstel nu, dat uw laatste uur geslagen heeft en het einde der wereld daar is; dat de hemel zich zal openen boven uwe hoofden, terwijl Jezus Christus in volle heerlijkheid verschijnt te midden van dezen tempel; en dat gij met geen ander doel hier bijeengekomen zijt dan om Hem af te wachten; terwijl gij beeft als boosdoeners, aan wie of genade of het vonnis van den eeuwigen dood zal aangekondigd worden . . . .

Nu dan, ik vraag het u, en terwijl ik deze vraag tot u richt, sidder ik van angst, omdat ik op dit oogenblik mijn lot niet afscheid van het uwe en ik mij zoo gestemd gevoel als ik wensch dat gij zult wezen. Ik vraag u dan: indien Jezus Christus in dezen tempel, te midden van deze vergadering, die de schitterendste is van de geheele aarde, verscheen om ons te oordeelen, om de verschrikkelijke scheiding te maken tusschen de bokken en de schapen, gelooft gij dan dat het grootste aantal van die hier verzameld zijn aan zijne rechterhand zou geplaatst worden? Gelooft gij, dat het verschil aan beide kanten niet groot zou zijn? Gelooft gij, dat de Heer hier tien rechtvaardigen zou vinden, die Hij vroeger in vijf geheele steden niet vinden kon? Ik vraag het u, gij weet het niet, en ik weet het ook niet. Gij alleen o God, weet wie u toebehooren. Maar indien wij niet weten wie Hem toebehooren: dit ten minste weten wij, dat de zondaars Hem niet toebehooren. Welaan, wie zijn ze die hier vergaderd zijn? Titels en waardigheden reken ik nu niet; in de tegenwoordigheid van Jezus Christus mist gij ze. Wie zijt gij? Velen uwer behooren tot de zondaars, die zich niet willen bekeeren; een grooter getal tot hen, die wel zouden willen, maar hunne bekeering uitstellen; velen bekeeren zich slechts, maar om weder tot de zonde te vervallen, een groot aantal meent geene bekeering noodig te hebben: alzoo eene schaar van verdoemden! Trekt nu deze vier soorten van zondaars van deze heilige vergadering af, want eens in den grooten dag des oordeels zullen zij er van afgescheiden worden: Verschijnt nu, gij vromen, waar zijt gij? Uitverkorenen Israëls, gaat aan mijne rechterhand! |25| Gij die tot de goede tarwe behoort, scheidt u af van het kaf dat in het vuur zal geworpen worden. O mijn God, waar zijn uw uitverkorenen? En wat blijft er over dat uw eigendom is?

De indruk, dien deze woorden maakten, was buitengemeen. De koning met al die hem omgaven, de gansche vergadering sidderde. De redenaar, die door deze algemeene aandoening ook getroffen werd, zweeg eenige oogenblikken stil, en bedekte het aangezicht met beide handen.


III.

Ten slotte verzoek ik u, nog eenige oogenblikken mij uw aandacht te gunnen voor den vorm der welsprekendheid. Ongetwijfeld is deze aan de stof, aan den inhoud ondergeschikt. Voor de welsprekendheid geldt eene andere wet dan voor de dichtkunst. Bij de poëzie is de vorm van even groote beteekenis als de inhoud. Zij heeft ten doel te behagen. Het schoone zoekt in haar onmiddellijke belichaming. Bij de welsprekendheid is geheel de vorm, taal en stijl en voordracht, aan de stof onderworpen. Nu neem ik de vrijheid, onder dien vorm der welsprekendheid hier bepaald aan de voordracht te denken. En al mogen we nu de voordracht zoo hoog niet schatten als Demosthenes en des Amorie van der Hoeven, die haar het 1e, 2e en 3e, het één en al der welsprekendheid achtten. Toch is ze ongetwijfeld van uitnemende, en van meer dan bijkomstige waarde. Door vele openbare sprekers, wien het overigens niet aan gaven ontbreekt, wordt ze al te zeer in haar macht en beteekenis miskend. Er heerscht dikwerf te haren opzichte eene nonchalance, die niet te verdedigen is. Zeker is eene voordracht, als die van den reeds genoemden des Amorie van der Hoeven, slechts voor eenige weinige uitverkorenen weggelegd. Haar te stellen tot het ideaal, waarnaar elk openbaar spreker had te jagen, ware miskenning van het onderscheid der gaven, en liep voor de meesten op teleurstelling en ontmoediging uit.

Maar dit mag toch van elk die in het openbaar optreedt worden geëischt, dat hij een ernstigen strijd voere tegen alle onnatuurlijke aanwendsels, waardoor zoo veler voordracht wordt ontsierd. Ik denk hier volstrekt niet in de eerste plaats aan den preektoon, om welks verlossing de Genestet bad. De moderne, ongewijde toon, die er door anderen voor in de plaats wordt gesteld, past evenmin bij den hoog ernstigen inhoud van het Evangelie des kruises. Maar er zijn andere |26| onhebbelijkheden, bij de predikers niet alleen maar bij allerlei redenaren, die met kracht moeten worden bestreden. Eene vermake lijke lijst zou er kunnen opgemaakt worden van de onnatuurlijkheden, die sprekers van allerlei rang zich hebben eigen gemaakt. Er bestaat nog eene preek van Olivier Maillard, in 1500 te Brugge gehouden, waarin met hm! hm! alle plaatsen staan aangeteekend, waar hij naar de plechtige gewoonte dier dagen hoesten moest. De wonderlijkste stemgeluiden en de allervreemdste houdingen worden dikwerf voor het openbare spreekgestoelte bewaard. Zoo dwaas is geene stembuiging of ze wordt soms van de tribune gehoord; en zoo bespottelijk geen gebaar, dat niet achter den lessenaar wordt aanschouwd. Het is bij menig spreker, alsof met de gekleede jas of de rok of de toga ook een geheel nieuwe mensch, de mensch der voordracht, wordt aangedaan. De stem neemt een ongewonen toon aan, en slaat aan ’t galmen, brommen, sissen, gillen, schreeuwen, krijschen; het aangezicht verwringt zich in de onnatuurlijkste plooien; het oog rolt; de vuist balt zich; de handen zwaaien, slaan, hameren, draaien als molenwieken rond; de voeten dansen, springen, stampen; zelfs neusgebrom en keelgerochel en lippengelek wordt bij sommige redenaren aan de hoorders niet gespaard. Altemaal in strijd met de schoone les van Beets:

Laat schoone verzen glad van effen lippen vloeien,

Maar gil noch galm noch kwaak noch bulder woest en luid,

Weerhoud uw arm en hand van haamren, zwaaien, roeien,

De molenwiekerij drukt geen verrukking uit.

En dit zijn eigenschappen en hebbelijkheden, die volstrekt niet alleen bij predikers, maar evenzeer bij andere redenaren te vinden zijn. Indien ze onder de kerkleeraars meer aangetroffen worden, ligt het daaraan, dat dezen verreweg het grootste aantal vormen onder de openbare sprekers. Maar er staat tegenover, dat zonder twijfel onder hen ook de beste en de meeste goede sprekers worden gevonden. De dominés, hoe vaak ook belasterd en bespot, kunnen den toets der welsprekendheid met andere redenaars zeer goed doorstaan. Bovendien, er zijn voor dezen verontschuldigingen, die voor andere sprekers niet gelden. In de eerste plaats zijn zij geroepen, om twee, drie en meermalen ’s weeks optetreden voor een zelfde gehoor; en wie het niet bij ervaring kent, beseft niet ten halve, welk eene inspanning het kost, om dan voortdurend tegen alle onnatuurlijke aanwendsels op de hoede te zijn. Vervolgens moeten zij menigmaal het woord voeren in lokalen, wier bouworde met elken regel der akoustiek spot en die maar beantwoorden aan deze, naar het schijnt, eenige wet van geref. |27| kerkstijl: een zoo groot mogelijk aantal menschenlichamen te bergen in eene zoo eng mogelijke ruimte. En eindelijk hebben de Evangeliepredikers zich nog altijd — dank zij ons conservatisme — te bewegen in die eng sluitende hooge kansels, welke in niet geringe mate het stijve, het onnatuurlijke, het gekunstelde der gewijde welsprekendheid bevorderd en den eenvoud, de gemeenzaamheid, de vertrouwelijkheid, de levendigheid der prediking hebben gedood. Zoodat de Genestet ook mede daarom een kind der eeuw onder den preekstoel de aandoenlijke klacht kon laten slaken:

Gij prediker daar hoog in de lucht,

Hebt gij dan geen woordje voor mij?

Uw rede als een galmend gerucht,

Rolt ledig mijn ziele voorbij.

Maar welke verontschuldigingen ook zijn aan te voeren, zij ontslaan nooit van den eisch, om niet alleen aan de stof der welsprekendheid, maar ook aan hare voordracht zorg te besteden. Noodig is het daarbij niet en goed evenmin, om naar één model zich allen te fatsoeneeren. Ook in de voordracht kome de verscheidenheid der individualiteiten tot haar recht. Elk heeft zijne eigene, elk heeft daarom ook maar ééne voordracht. Die des anderen is voor hem eene caricatuur. Maar die eene eigene voordracht brengen wij niet fix und fertig met onze geboorte mede. Op geen enkel gebied en voor geen enkel beroep komen wij kant en klaar in de wereld. Het leven is geene zalige rust, het is ernstige strijd. Ook de eenige, goede, voor ons passende voordracht, welke wij slechts in kiem en aanleg medebrengen, moeten wij veroveren op de ruwheid, de platheid, de trivialiteit ter eener en op de stijfheid, gemaniereerdheid, gekunsteldheid en onnatuurlijkheid ter anderer zijde. Bij de ontwikkeling van wat we worden, moeten uit hetgeen we zijn, liggen er allerlei vijanden op de loer. En alleen een vast en plechtig verbond met alwat waarachtig is, alwat goed is, alwat liefelijk is en welluidt, kan ons ook in deze worsteling over die vijanden van het schoone de overwinning doen behalen.

Die goede voordracht, welke alleen de onze kan zijn, staat daarom ook niet op zichzelve; zij is niet iets, van ons overig zijn geïsoleerd. Het is onmogelijk, dat een overigens ruw en onbeschaafd mensch, als spreker optredende, eene goede voordracht zou hebben. Het is zoo niet vergeefsch dan toch geheel onvoldoende, om alleen op de voordracht zich toe te leggen, wanneer men tot spreken geroepen is, en overigens de beschaving onzer ziel en onzes lichaams gansch te verwaarloozen. Men leest van |28| doornen geen druiven en van distelen geen vijgen. Eene goede voordracht is de algemeene beschaving, toegepast op het bijzonder geval, dat men in het openbaar als spreker optreden moet. Wees een beschaafd mensch in uw gezin, in het dagelijksch leven, in den maatschappelijken omgang, en gij zult het met geringe oefening ook zijn op het spreekgestoelte.

Eene goede voordracht krijgen wij dan ook niet door het lezen van Cicero en Quintiliaan, door het memoriseeren der regels van Schrant, door wekelijksche oefeningen voor den spiegel. Dat alles is goed, maar alleen, als de grondslag der algemeene vorming en beschaving onzes geestes is gelegd. En hoe worden wij deze anders deelachtig dan door omgang met de voortreffelijksten van ons geslacht? Maar dan omgang in den ruimsten, en in den innigsten zin. Omgang allereerst, dagelijksche omgang met de H. Schrift, met de profeten en apostelen, met den Heere Jezus zelven die de schoonste is van de menschenkinderen. Omgang vervolgens met die klassieke volken der oudheid, wier rijke cultuur nog altijd naar de providentieele leiding Gods den grondslag vormt van onze ontwikkeling en beschaving. Omgang, ook met de schoonste en edelste geesten van ons eigen volk en van de ons omringende natiën. Omgang eindelijk, ’t laatst niet het minst, met de beschaafden uit onzen eigenen kring, en met die sekse bovenal, aan wie het sieraad van het schoon en het geheim der gratie toebetrouwd is. Want waarachtig blijft het woord van Jean Paul Richter: unter Mädchen verliert man Ungeschicklichkeit des Körpers, unter Weibern des Geistes.

Maar voorts, de voordracht betreft niet een enkel deel van ons lichaam, niet uitsluitend de stem en de gebaren, maar zij omvat ons geheele zijn. Het recht en de noodzakelijkheid der voordracht berust op de nauwe eenheid tusschen ziel en lichaam, op de samenstemming tusschen innerlijk en uiterlijk. Bilderdijk, die meer dan eenig ander onzer dichters een diep gevoel had voor harmonie, heeft eens in schoone verzen bezongen, welke overeenstemming er bestaan moest tusschen inhoud en vorm der poëzie:

Gij dichter, bezig alwat geest en kunst gehengen,

Leer ’t aaklige aan het blijde, en ’t sterke aan ’t zachte mengen,

En stem uw tonen naar het voorwerp, dat gij maalt,

Dat zelfs de klank van ’t vers uw denkbeeld achterhaalt.

Laat Zefir in uw zang op luchte vlerkjens zuizen,

En ’t kabblend nat der beek met zacht gemurwel bruizen,

Doch stort zich ’t stroomend nat met ziedend buldren uit,

Zoo siddre uw woest muzyk van ’t dondrend stroomgeluid. |29|

Laat d’ os, in ’t juk gebukt, den harden kleigrond ploegen;

Men voele in ’t moede dier, en long en boezem zwoegen,

En ’t traag en worstlend vers ga dof en langzaam voort,

Als wierd zijn logge stap op elken plof gehoord.

De vlugge hinde vlie door de onafzienbre dalen;

Men volge in bliksemvlucht en wete ze in te halen,

En schoeie ’t luchtig vers gezwinde wieken aan!

Gelukkig, zoo de taal uw poging bij wil staan,

En geen beperkte keus van maat en lettergrepen

U eeuwig in ’t geklep des rijmvals mee blijft slepen!

Bataven, kent uw spraak en heel haar overvloed;

Zijt meester van de taal, gij zijt het van ’t gemoed!

Maar eene dergelijke innige samenstemming behoort er ook te zijn tusschen den inhoud der rede en hare voordracht. Harmonie moet er wezen tusschen ziel en lichaam, taal en stem, woord en gebaar, tusschen wat men zegt en hoe men het zegt. En wat wij zeggen, wij moeten het zeggen met geheel onze ziel en geheel ons lichaam en al onze krachten. Alles moet aan, in, uit ons spreken. De toon der stem, de houding van het lichaam, de beweging der hand, de blik van het oog, het trillen onzer lippen, het saamtrekken en verwijden onzer wenkbrauwen. De welsprekendheid gaat uit van den ganschen mensch en richt zich tot den ganschen mensch. Geef uzelven, is de koninklijke wet der voordracht, maar uzelven niet zooals ge zijt, maar zooals gij wezen kunt en worden moet. Dat eischt de rede die gij spreekt. Indien zij dat niet waard is, treed dan niet op en vermoei en verveel uwe hoorders niet. Want ten slotte is elk genre van welsprekendheid goed, behalve le genre ennuyeux. Dat eischt ook van u de eerbied voor uw gehoor. Niemand mag zeker eischen dat gij meer geeft dan gij zijt en dan gij hebt. Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft. Maar dat mag dan ook van u worden geëischt. Op de lippen van een die ons gehoor vraagt, komt een odi profanum vulgus nimmer te pas. Het woord van Multatuli: Publiek, ik veracht u met groote innigheid, mag in het hart van een spreker of schrijver niet opkomen en de omheining zijner lippen niet uitgaan. Vooral heeft de bedienaar des Woords zulk een hooghartige gedachte uit zijne ziel te bannen. Want hij treedt niet op voor een vulgus, een plebs, een publiek, maar voor de gemeente van Christus, voor de erve des Heeren. Trouwens, niemand, noch de hooghartige Horatius, noch de trotsche Multatuli hebben het met die betuiging ergstig gemeend. Aan de groetingen op de markt, het handgeklap en het |30| lofgezwaai des volks was geen van beide gespeend. Hun verachting van het volk is bewijs van hun gevoeligheid voor zijn hulde.

In de voordracht, die alzoo eene zaak is van den ganschen mensch, neemt echter de stem de eerste plaats in. Eene goede stem is eene kostelijke gave. Zij is de echo der gedachte, de uitdrukking onzer inborst. Men kan lachen, zoo las ik onlangs in een tijdschrift, met een verschillenden klinker en verraadt daarin zijn aard en karakter. Wie lacht met een a-klank en met open mond, geeft daarin getuigenis van zijn gul karakter en zijn luidruchtig bestaan. Wie lacht met een e-klank, heeft een zwaarmoedig gestel en is een flegmaticus. Met een i-klank lachen kinderen en naïve, vreesachtige, besluitelooze menschen. Een o-klank haoren we in den lach van edelmoedige en goedhartige lieden. En menschenhaters lachen met een u. Maar zoo verraadt ook de stem den aard onzer natuur. Daar zijn harde, valsche, rauwe en schorre stemmen; als van een dronkaard die zijne stem verstikt heeft in den jenever. Daar zijn luide, scherpe, schelle en schetterende stemmen, die getuigen van een niet al te zacht gemoed. Daar zijn ook lieve, zachte, melodieuse, muzikale stemmen, die alleen door den klank het hart innemen. Van des Amorie van der Hoeven wordt verhaald, evenals ook van den ouden sofist Favorinus, dat zelfs zij die geen woord Grieksch verstonden genot smaakten in zijne voorlezing van Homerus. De menschen waren bij van der Hoeven in de kerk al gesticht, als hij den voorzang had afgelezen. De stem is een fijn muziekinstrument; gelukkig wie haar goed bespelen en de schoonste tonen aan haar ontlokken kan. Maar men kan evengoed en in denzelfden zin valsch spreken, als men valsch zingen en valsch spelen kan. De hoogste kunst is, dat men de stem geheel en volstrekt in zijn macht hebbe, geheel zijn ziel en iedere aandoening en elke schakeering zelfs van aandoening er in leggen en er door uitdrukken kan. En dat is op zichzelve mogelijk. Want even rijk als het hart, even rijk als de taal, is ook de menschelijke stem. Zij is de schoonste, zij is de fijnste muziek; geen toon in de gansche natuur, dien zij niet weergeven kan. Zij kan rommelen als de donder en loeien als de orkaan. Zij kan bruisen als de bergstroom en murmelen als de beek.

Maar deze muziek der stem moet in de voordracht — om zoo te zeggen — geaccompagneerd worden door heel ons lichaam. Niet slechts de declamatie, ook de mimiek berust op de harmonie van onzen inwendigen en uitwendigen mensch. Hoofd en lichaam, oog en wenkbrauw, hand en voet, tot zelfs de kleeding toe, moet mede uitdrukken |31| wat er omgaat in onze ziel en gezegd wordt door onzen mond. Er is in de voordracht niets onverschilligs. Al de leden onzes lichaams hebben een eigene taal. Er is eene sprake der lippen maar ook der oogen, der handen, van het hoofd, en van het lichaam. Ootmoed en schaamte buigt het hoofd voorover, verveling doet het zijwaarts hangen, hoogheid richt het op, trotsch werpt het in den nek, schrik doet het terugdeinzen. En onze handen? Met onze handen evengoed als met onze stem, vragen en antwoorden, bidden, en smeeken, roepen en dreigen, ontkennen en bevestigen, noodigen en verwiideren, streelen en verafschuwen, vloeken en zegenen wij. En duidelijker en welsprekender nog dan de spraak van hoofd en van hand, is de taal van het oog. In de oogen als in haar spiegel weerkaatst zich iedere aandoening der ziel. Liefde en haat, verachting en meelijden, vriendschap en toorn, vertrouwen en vrees, en iedere andere hartstocht is beurtelings in het oog van den mensch te lezen. Het glinstert in de vreugde en ziet dof in de smart; het bliksemt in den toorn en krimpt saam in de vreeze; het schiet vonken in de geestdrift en verglaast bij de wanhoop; het verheldert zich bij het leven en breekt in den dood. Een enkele blik zegt meer dan duizend woorden. Zelfs de hoorbare spraak kan met de taal der oogen niet wedijveren. Wie dan ook, als spreker optredend, gebonden is aan zijn papier, of den blik steeds op één punt gevestigd houdt, of als Bourdaloue zijne oogen steeds sluit, verzwakt den indruk van zijn woord en doet aan den eisch der welsprekendheid te kort. De hoorders eischen daarom terecht, dat zij den spreker, maar ook dat de spreker hen zie en niet alleen met den klank, ook met den blik tot hen spreke. En dan eerst is de volmaaktheid der voordracht bereikt, als de redenaar ééne zelfde gedachte uit en ééne zelfde taal spreekt met den inhoud van zijn woord, met den klank zijner stem, met den blik van zijn oog, met de houding van zijn hoofd, met den stand van zijn lichaam, met het gebaar zijner hand, met de kleur zelfs en de snit van zijn gewaad; als alle dualisme van ziel en lichaam, van geest en stof, van innerlijk en uiterlijk, van stem en toon, van taal en gebaar is opgeheven in volkomene harmonie.

Van dit beginsel uit zijn dan ook al die verkeerde voorstellingen te bestrijden, die over de welsprekendheid en voordracht nog dikwerf heerschen. Declamatie en mimiek hebben zonder twijfel recht van bestaan. Zij zijn in de eenheid van ziel en lichaam, van geesten stof, van het innerlijk en het uiterlijk gegrond. Maar zij bedoelen geenszins om de zaken en voorwerpen |32| af te beelden, die in de rede worden genoemd. Dwaas ware het en onjuist, om, sprekende van een citherspeler, de beweging te maken van een, wiens hand de snaren tokkelt; of sprekende van een soldaat, eene militaire houding aan te nemen, b.v. met den pink op den naad van de broek. De redenaar is geen komediant, eene redevoering geen theater, en gesticulatie geen pantomime. Indien deze aldus wordt verstaan, heeft Matthias Claudius geen ongelijk met zijne waarschuwing: Misstraue der Gestikulation und geberde dich schlecht und recht. De gebaren zijn niet de rede zelve; zij begeleiden, ondersteunen, bekrachtigen haar slechts. Elk loquacitas manuum, gelijk Cicero het zoo schilderachtig noemt, alle handengekakel is daarmede geoordeeld. De molenwiekerij drukt geen verrukking uit; zij is een ijdel, ledig gesnap en daarom ook van het Christelijk beginsel uit gansch verwerpelijk.

Want dat is inderdaad mijne meening en ik keer hiermede tot het uitgangspunt mijner rede terug dat het Christendom ook voor de welsprekendheid en de voordracht ons iets te zeggen heeft. Alleen die welsprekendheid is met het Christelijk beginsel in overeenstemming, welke bestaat in de volkomene harmonie van gedachte en woord, van woord en gebaar. Paulus heeft niet ten onrechte de bedriegelijke en ijdele woorden der menschelijke wijsheid verworpen. Het heidendom, ook het volk der Grieken — Prof. Pierson heeft er nog onlangs op gewezen — miste die diepere harmonie. Altijd breekt op ieder terrein het dualisme, de tegenstelling; de onverzoendheid weer door. Er is in Griekenland eene bewonderenswaardige schoonheid der vormen. Voor iedere kunst en wetenschap haast zijn daar de klassieke lijnen geteekend. Natuur en cultuur gaan er zoo hand in hand en doordringen elkaar zoo volkomen, dat de kunst zelve natuur schijnt te zijn. Er is in epos en drama, in poëzie en welsprekendheid, in bouw- en beeldhouwkunst eene harmonie, eene plasticiteit der voorstelling, eene klassieke rust der schoonheid bereikt, die ieder later geslacht met bewondering vervult. Maar al die schoone vormen zijn dragers van een vergankelijken inhoud; de waarachtige realiteit ontbreekt. Den Zeus Olympios van Phidias bewonderen wij als kunstgewrocht, maar als god wekt hij toch slechts een glimlach bij ons op. Het drama heeft eene onvergelijkelijke hoogte bereikt, maar laat door de verschrikkelijke macht van het noodlot dat er in speelt, toch ten slotte ons zoowel ethisch als aesthetisch onbevredigd. De wijsbegeerte heeft met brandenden dorst naar kennis gezocht, maar is geëindigd met de vraag: |33| wat is waarheid? op de lippen van Pilatus. En de Grieksch-Romeinsche volken zelf, in den verloren zoon der gelijkenis ons geteekend, hebben ten slotte zich voeden moeten met zwijnendraf.

Maar toen is het Christendom gekomen en heeft een gedachtenwereld ons ontsloten, tintelend van leven en boeiend van schoonheid. Er is aan de kunst eene nieuwe stof, aan het denken een onvergankelijk object, aan de taal een eeuwige inhoud hergeven. En nu mogen wij zonder twijfel onze winste doen met de heerlijke vormen der schoonheid, welke Griekenland en Rome voor ons hebben bewaard. Want alles is onze, indien wij van Christus zijn; Paulus en Cephas en Apollos niet slechts, maar ook Homerus en Horatius, Demosthenes en Cicero. Maar in het Christendom is toch eerst de ware verzoening gevonden. De verzoening van God en mensch niet alleen, maar ook van al de tegenstellingen die in de heidenwereld aangetroffen worden. Alwat in denken of spreken, in handeling en voordracht onschoon en disharmonisch is, is met het wezen zelf van het Christendom in strijd. Maar alwat op welk terrein en waar dan ook, op het gebied van kunst en wetenschap, bij ons of bij onze tegenstanders waarachtig is, goed is, liefelijk is en welluidt, dat is christelijk. Want middelpunt des Christendoms is de vleeschwording des Woords, en daarin de verzoening van God en mensch, van geest en stof, van inhoud en vorm, van ideaal en werkelijkheid, van ziel en lichaam, van gedachte en taal, van woord en gebaar.




1. Deze en andere, ook ten deele later aangehaalde voorbeelden zijn te vinden in J. Hartog, Geschiedenis der Predikkunde; en Sincerus, De Kanselontluistering.

2. Vertaald te vinden bij Theremin: Demosthenes en Massillon, uit het Hoogduitsch door J. Schade. ’s Grav. 1847 bl. 165.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004