Theologische School en Vrije Universiteit

Een voorstel tot vereeniging

door Dr. H. Bavinck

Kampen. — J.H. Bos. — 1899

a





§ 1. Inleiding

Over de opleiding tot den dienst des Woords bestaat er in onze Gereformeerde kerken nog steeds een diep verschil. Het feit alleen, dat er twee inrichtingen zijn, waar de aanstaande leeraren hun opleiding kunnen ontvangen, houdt bij den voortduur de gedachten verdeeld en de gemoederen in spanning. Ieder toch voelt en tast, dat de weelde van twee inrichtingen voor eene kleine groep van Gereformeerde belijders in den lande veel te groot is en allerlei oneenigheid en verdeeldheid medebrengt. De kerken en hare leden loopen in hunne sympathieën verre uiteen; sommigen zijn zeer sterk voor de Vrije Universiteit, anderen hebben een warm hart voor de Theol. School, en nog anderen staan tusschen beiden in en vinden het het goedkoopst om met geen van beide weg te loopen.

Gewoonlijk hebben deze sympathieën geen anderen grond, dan dat zij historisch geworden zijn en nu eenmaal bestaan. Bijna nooit rusten zij daarop, dat men er zich ernstig rekenschap van gegeven heeft, dat eene Theol. School of eene Theol. faculteit naar den eisch der Geref. beginselen de voorkeur verdient. De kerken, die uit de scheiding van 1834 ziju voortgekomen, zijn over het algemeen meer aan de School; en die, welke uit de doleantie van 1886 zijn geboren, zijn gewoonlijk meer aan de Vrije Universiteit gehecht. Daarbij blijft het; tot een indenken van den eisch der beginselen komt het zeer zelden. |4|

Er is hiervan aan de eenvoudige leden der gemeente geen verwijt te maken. Maar toch is het waar, dat door de gedeelde opleiding de kerken der scheiding en die der doleantie nog steeds, in weerwil van de vereeniging in 1892, in twee groepen naast en ten deele ook tegenover elkander blijven staan. De ineensmelting der plaatselijke kerken wordt er door tegengehouden. Het saamvloeien der beide stroomen wordt er door belet. De leden van de kerken A en B voelen zich nog niet één en gaan in neiging en richting uiteen. Tusschen Hoogleeraren, studenten, predikanten, gemeenteleden bestaat nog niet die toenadering en samenwerking, welke voor den bloei der kerken zoo dringend noodig is.

Tot op zekere hoogte moeten wij dankbaar zijn, dat het niet erger is. Het zou geen moeite kosten, om de verschillen, die er bestaan, in verband te brengen met de tweeërlei opleiding en daardoor de verwijdering tusschen de beide groepen van kerken hoe langer hoe grooter te maken. Indien zij, bij wie in de vergaderingen, door woord of geschrift de leiding berust, niet voorzichtig waren, elkander eerden en toenadering zochten, ware de verdeeldheid spoedig in twist en tweedracht overgegaan. Vele minkundigen scheppen er behagen in, om het kleine vuurtje tusschen Theol. School en Theol. faculteit met alle macht aan te blazen, gene als alleen practisch in den hoek te duwen en deze als door en door wetenschappelijk hemelhoog te verheffen. De staaltjes, die men daarvan nu en dan te hooren krijgt, gaan soms de grenzen van het geloofbare te buiten. Klakkeloos wordt het neergeschreven, tot in bladen van onze Jongelingsvereenigingen toe, dat de Theol. School weinig beteekent. Zulke uitingen doen ontzaglijk veel schade, houden toenadering en vereeniging tegen |5| en bestendigen de godeeldheid en de verwijdering 1).

Het baat niets, deze feiten te miskennen. Zij blijven er toch om bestaan. Struisvogelpolitiek wordt nooit met succes bekroond. Veel beter is het, om nuchter en klaar de feiten onder de oogen te zien, en te vragen, hoe men de geschillen uit den weg ruimen kan. Al is het ook, dat er in de kerken tegenwoordig over dit vraagstuk een opmerkelijk stilzwijgen wordt in acht genomen; men kan daaruit geenszins afleiden, dat de kwestie niet bestaat of steeds meer haar gewicht en beteekenis verliest. Integendeel, het zoo zorgvuldig bewaarde stilzwijgen is meestal slechts een bewijs, dat men de zaak niet goed aandurft. Ieder weet, dat, als hij er over spreken gaat, de gemoederen weer warm zullen worden. Het onderwerp van de Theol. School en de Vrije Universiteit wordt met opzet, uit vreeze voor broedertwist, vermeden.

De zaak komt echter toch op de Synode. Men kan ze |6| in de kerken langer of korter tijd onbesproken laten; de algemeene vergadering der kerken komt er toch voor te staan. Immers, aan deputaten voor de oefening van het verband met de Theol. faculteit der Vrije Universiteit is opgedragen, om de eerstkomende Synode van advies te dienen, hoe het staat met de onderteekening van de Formulieren van Eenigheid door de Hoogleeraren der Theol. faculteit, of daarin eene leemte bestaat en hoe deze het best is aan te vullen 2). En het zal blijken, dat deze opdracht meer insluit dan zij oppervlakkig vermoeden doet, en, indien men erop ingaat, belangrijke wijzigingen in de Statuten van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs en in de Reglementen voor hare School enz. noodzakelijk maakt.

En daarbij komt, dat ook de Theol. School een groot deel van den tijd en den arbeid der aanstaande Synode in beslag nemen zal. De Synode te Middelburg nam in hare zitting van 27 Aug. 1896 na enkele wijzigingen het voorstel van Curatoren aan, en machtigde Curatoren der Theol. School, om deze besluiten uit te voeren en voor het litterarisch onderwijs die benoemingen te doen, welke uit het aangenomen Reglement voor de gymnasiale opleiding voortvloeiden 3). Dienvolgens kwamen er in den cursus 1896-1897 allerlei gewichtige veranderingen aan de Theol. School tot stand. De litterarische opleiding werd veranderd in een gymnasium met vijfjarigen cursus en toevertrouwd aan een zestal leeraren, behalve nog het onderwijs in Christ. religie en Hebreeuwsch, dat tijdelijk door een drietal Hoogleeraren aan de Theol. School wordt waargenomen. De opleiding aan de Theol. School werd uitgebreid tot één |7| jaar propaedeutische en drie jaren theologische studie. De examens aan de School werden van nu voortaan door de Hoogleeraren afgenomen en alzoo onderscheiden en gescheiden van de kerkelijke (praeparatoire en peremptoire) examina, die door de studenten in de classes moeten worden afgelegd.

Van de nieuwe regeling kan, nadat zij twee jaren in werking is geweest, een goed getuigenis worden gegeven. De opleiding is er zonder twijfel in gang en orde, in gehalte en degelijkheid door verbeterd. Toch mag geen oogenblik ontveinsd, dat ook de besluiten der Synode te Middelburg een voorloopig karakter dragen, en de Theol. School en het aan haar verbonden gymnasium nog niet daar hebben gebracht, waar zij moeten komen. Al is het voor velen eene teleurstelling, het moet toch open en duidelijk worden uitgesproken: wij zijn er nog niet! De Theol. School zal en moet daarom op de aanstaande Synode weer ter sprake komen. Al waren er geen andere redenen, dan zou de toestand der financiën daartoe noodzaken. Wie met reformeeren begint, moet het voortzetten ten einde toe. De Synode te Groningen zal, ook al komt art. 36 onzer belijdenis niet in behandeling, aan Zending, Kas der Emeriti en Opleiding werk hebben in overvloed. En het iste hopen, dat zij onder den zegen des Heeren in vruchtbaren arbeid voor die te Middelburg niet onderdoe!

Indien men nu op de vingers berekenen kan, dat de opleiding voor den dienst des Woords zoowel aan de Vrije Universiteit als aan de Theol. School op de aanstaande Synode ter sprake komen moet, is het natuurlijk veel beter, dat de kerken van te voren ernstig over deze zaak nadenken en zich helder rekenschap geven van wat haar te doen staat, dan dat zij in stilzwijgen hare kracht zoeken |8| en bijna onvoorbereid in Synode vergaderen. En wenschelijk ware het daarbij, om, indien eenigszins mogelijk, de opleiding zóó te regelen, dat zij niet langer een twistappel tusschen broederen bleef maar aller onverdeelde liefde genoot. Halve maatregelen houden op en bevredigen niemand. Het is meer dan tijd, dat de kerken in de gewichtige zaak der opleiding tot eenheid komen. En dit is mogelijk, als over en weer eenige bescheidenheid en inschikkelijkheid wordt getoond, en allen zich laten leiden door de eere van Gods naam, door de belangen van zijn koninkrijk, door den vrede en den bloei zijner kerken in Nederland.

In het vervolg dezer brochure zal daartoe eene poging worden aangewend en een voorstel gedaan. Ik stel mij daarbij op het standpunt der Kerken. De vraag is toch niet, wat de Theol. School of wat de Vereeniging voor Hooger Onderwijs en hare Vrije Universiteit misschien wel wenschen zouden; maar wat is de roeping der kerken? hoe kunnen zij zich het best verzekeren van eene opleiding, die aan de eischen voor den dienst des Woords in haar midden beantwoordt? Straks komen in Groningen niet Curatoren van eene School of Directeuren van eene Vereeniging saam; maar er komen daar kerken bijeen, die rechtstreeks het hoogste belang bij de opleiding hebben en daardoor allereerst moeten zorgen, dat zij niet afgerukt worden van het fundament der belijdenis, waarop zij door Gods genade gesteld zijn. Niet met personen of vereenigingen hebben zij te rekenen, maar met de waarheid, welke haar toebetrouwd is. De kerk is het huis Gods, de pilaar en vastigheid der waarheid; en ook de Gereformeerde kerken in ons Vaderland hebben deze roeping bij de opleiding voor den dienst des Woords te verstaan en te behartigen! |9|


*

§ 2. De Vereeniging voor Hooger Onderwijs

Voordat de Geref. kerken in nader verband treden met de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag en met de door haar gestichte Vrije Universiteit, dienen zij te onderzoeken, hoe het met die Vereeniging en hare School ten opzichte van de Geref. belijdenis gesteld is. Tot dusver is dat onderzoek niet ingesteld. Men leeft in het vertrouwen, dat alles in het reine is, dat de grondslag van de Vereeniging en van hare Universiteit zoo hecht mogelijk is, en dat de kerken veilig met haar een verband kunnen aangaan, zonder wijziging van hare Statuten of Reglementen te vragen. Indien het nu een kwestie van vertrouwen in personen gold, zouden de kerken thans inderdaad in den bestaanden toestand veilig kunnen rusten; er is schier niemand, die in dat opzicht tegen de Vereeniging en hare School bezwaren koestert. Maar het is juist geen kwestie van vertrouwen in personen, het is een zaak van beginsel, en daarom door de kerken met den meesten ernst te behandelen.

Uit dit oogpunt onderzocht, beantwoordt de Vereeniging voor Hooger Onderwijs niet aan de eischen, welke de kerken in overeenstemming met hare belijdenis te stellen hebben, indien zij met die Vereeniging in nauwer verband willen treden en aan hare School de opleiding van hare aanstaande herders en leeraars willen toevertrouwen. Dit is voor iedereen met weinig moeite duidelijk te maken.

Nadat velen, die eerst sympathie hadden betuigd voor het denkbeeld eener vrije Christelijke Universiteit, zich hadden teruggetrokken, werd in 1878 eene Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag gesticht en |10| twee jaar later de Vrije Universiteit opgericht 4). De stichting der Vereeniging en de vaststelling van den grondslag in art. 2 der Statuten had heel wat moeite gekost. Van verschillende zijden kwamen er bedenkingen en bezwaren in. Sommigen oordeelden, dat de grondslag der Geref. beginselen te eng, anderen, dat hij te ruim was genomen. Aan de eene zijde meende men, dat het recht tot Universiteitsstichting aan den staat; aan de andere zijde, dat het aan de kerk toekwam. Broeders uit de Christelijke Gereformeerde kerk brachten vooral het bezwaar in, dat eene particuliere Vereeniging geen professoren in de Theologie mocht benoemen en dat eene Theologische faculteit naar Geref. beginselen niet mogelijk was zonder verband met eene Geref. kerk 5).

Van verband met eene kerk kon echter op het standpunt van de stichters der Vereeniging, die bijna allen leden waren van de Nederlandsche Hervormde Kerk, geen sprake zijn. Immers konden zij de School, welke zij stichtten op den grondslag der Geref. beginselen, niet toevertrouwen aan het opzicht eener kerk, als de Ned. Hervormde, welke feitelijk zonder belijdenis was. De Universiteit stond dus geheel op zichzelve en diende alleen, om wetenschappelijke mannen te kweeken met Gereformeerde overtuiging, zonder ook maar eenigszins uitzicht te openen, waar zij straks een practischen werkkring zouden kunnen vinden. Met name droeg de Theologische faculteit in het geheel geen kerkelijk karakter; de hoop mocht bestaan, dat de Ned. Herv. kerk hare deuren toch wel zou openzetten voor de candidaten der Theologische faculteit; zekerheid was er in het minst niet. |11|

De Hoogleeraren der Vrije Universiteit waren echter voor een deel ook de leiders van de kerkelijke en politieke beweging, welke er van Gereformeerde zijde in ons vaderland op touw werd gezet. Door deze omstandigheid werd de Vrije Universiteit in 1886 ook zijdelings betrokken in de doleantie. Uit het karakter der Vereeniging voor Hooger Onderwijs en van hare Universiteit vloeide dit volstrekt niet vanzelf voort. Het ware zeer goed mogelijk geweest, dat de meerderheid van Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren tegen de doleantie partij had gekozen en zich aan de zijde van Dr. Hoedemaker had geschaard. Deze kon, ofschoon met de doleantie niet meegaande, op geenerlei wijze in zijn Hoogleeraarsambt bemoeilijkt worden; hij is dan ook niet geschorst of afgezet, maar vrijwillig heengegaan.

Toch is er na 1886 in dit karakter van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs en van hare Universiteit in het wezen der zaak geen verandering gekomen. Zonder vooraf eenige wijziging in Statuten of Reglementen te vragen, hebben eerst de doleerende, daarna de vereenigde Gereformeerde Kerken zich verbonden, om studenten, die aan de Vrije Universiteit den graad van candidaat in de Theologie hadden behaald, tot de kerkelijke examina in de classes toe te laten. Deze toenadering van de Geref. kerken tot de Vereeniging voor Hooger Onderwijs en hare School was wel eene vrucht der historie, maar had overigens geen anderen grond dan het goed vertrouwen in de personen der Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren. Tot op den huidigen dag is zij dat in hoofdzaak gebleven, niet omdat de Vereeniging tegen een ander en nauwer verband bezwaar had, integendeel, maar tengevolge van een samenloop van omstandigheden; nog altijd ontbreekt er een welomschreven |12| verband tusschen de Geref. kerken en de Vereeniging voor Hooger Onderwijs. Dit wordt duidelijk, als wij het volgende overwegen:

1. Volgens art. 2 der Statuten staat de Vereeniging voor alle onderwijs, dat in hare scholen gegeven wordt, geheel en uitsluitend op den grondslag der Geref. beginselen, en erkent mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de Godgel. de drie Form. van Eenigheid. Hoeveel zorg en moeite aan de redactie van dit fundamenteele artikel is besteed, het laat toch ruimte open voor bedenkingen. Immers maakt het niet alleen onderscheid tusschen Geref. beginselen en Geref. belijdenisschriften, maar het omschrijft deze beginselen met geen enkel woord; het doet het onderwijs in al de faculteiten behalve die der Godgeleerdheid op niets anders dan op die onomschreven en voor velerlei misverstand vatbare Geref. beginselen rusten; en leidt krachtens het woordeke „mitsdien” de verbindende kracht der Formulieren van Eenigheid voor de Godgeleerdheid uit die Geref. beginselen als uit een hooger liggend principe af. De bedoeling der redactie van dit artikel moge daarom nog zoo juist en zuiver zijn, n.l. om voor de niet-theologische wetenschappen alleen die Geref. beginselen ten grondslag te leggen, welke daarvoor in aanmerking kunnen komen en misschien in de Formulieren in het geheel niet of niet volledig zijn uitgedrukt; de redactie zelve laat aan duidelijkheid te wenschen over, zij snijdt misverstand niet af maar baant er den weg toe en is in elk geval niet juister, dan de gewone formule: grondslag is de H. Schrift naar de verklaring der Geref. belijdenisschriften. Deze formule toch houdt in, dat wel degelijk ook zulke beginselen grondslag van het onderwijs zijn, welke in de Schrift gevonden doch mogelijk nog niet in de belijdenis uitgedrukt zijn; |13| en zij doet in geenerlei wijze tekort aan den eisch, dat het onderwijs slechts in zoover door de Geref. beginselen wordt beheerscht als deze daarvoor iets te zeggen hebben.

2. De redactie van dit tweede artikel der Statuten beheerscht heel de Vereeniging en de scholen, die van haar uitgaan. Volgens art. 4 derzelfde Statuten zijn leden der Vereeniging „allen, die hare Statuten onderteekenen en eene jaarlijksche contributie van minstens 25 gl. of eene som ineens van 500 gl. in de kas der Vereeniging inbrengen”. Er ligt hierin, dat de leden niet persoonlijk voor zichzelf de Geref. beginselen of belijdenisschriften behoeven te aanvaarden, maar alleen, dat zij deze moeten erkennen als grondslag voor het onderwijs aan de scholen, die van de Vereeniging uitgaan; ook is er van hun kerkelijk standpunt geen sprake; in het afgetrokkene is het dus zeer goed mogelijk, dat de groote meerderheid van de leden der Vereeniging tot de Hervormde, Luthersche of andere kerken behoort. En deze mogelijkheid neemt daardoor nog toe, dat het lidmaatschap der Vereeniging, behalve van de erkenning der Geref. beginselen als grondslag voor het onderwijs, afhankelijk gemaakt wordt van de hooge jaarlijksche contributie van 25 gl. of eene som ineens van 500 gl. Daardoor toch worden zeer velen, die anders om hun trouw aan de Geref. belijdenis de voorkeur verdienen zouden maar met weinig aardsche goederen gezegend zijn, van het lidmaatschap uitgesloten en wordt de Vereeniging van hun steun beroofd. Zij worden alleen toegelaten als begunstigers, die in de Vereeniging als zoodanig niets te zeggen hebben. En zelfs hier wordt hun positie weer daardoor verzwakt, dat als begunstigers worden aangenomen allen, die eene jaarlijksche bijdrage leveren; voor hen is ook de eisch niet gesteld, om de Geref. beginselen als grondslag te |14| aanvaarden voor het onderwijs. Eenige tegemoetkoming aan deze bezwaren wordt daarin gevonden, dat volgens de „Instructie voor de Correspondenten” er ook „bewijzen van aandeel in een lidmaatschap” kunnen worden uitgereikt, en een zeker getal van begunstigers, die samen 25 gulden bijdragen, iemand kunnen afvaardigen, die de vergaderingen van de Vereeniging als lid bijwoont en dan ook aan de Geref. beginselen als grondslag voor het onderwijs gebonden is 6). Maar dat neemt toch niet weg, dat de afvaardiging van zulk een lid feitelijk berusten kan bij personen of ook bij kerkeraden, kerkvoogdijen en andere vereenigingen, die aan geen anderen eisch voldoen dan dat zij jaarlijks 25 gulden betalen 7).

3. Aan de leden der Vereeniging is overeenkomstig art. 5 der Statuten eene vrij groote machttoegekend. Minstens eenmaal ’s jaars en voorts zoo dikwijls als het Bestuur of een tiende gedeelte der leden dit verlangt, wordt er eene Algemeene Vergadering gehouden. Deze vergaderingen hebben op zichzelf reeds een groot bezwaar. Want zij zijn kostbaar, wijl de leden moeten samenkomen uit alle deelen des lands; zij loopen gevaar, op den duur en zonder bijzondere omstandigheden slechts schaars te worden bezocht; wanneer er gewichtige zaken zijn, maakt de groote toevloed van leden en toehoorders 8) eene rustige en ernstige behandeling onmogelijk; en in elk geval duren zij zeer kort en moeten alle zaken in enkele uren afdoen. Voorts is aan deze Vergaderingen van de leden der Vereeniging de macht toegekend, om de Directeuren te benoemen, |15| en wel uit, maar, desverkiezende, ook buiten eene voordracht van het Bestuur; om toezicht te houden op het geldelijk beheer; om verandering te brengen in de Statuten of de Vereeniging te ontbinden. Van de leden komt het geld; van hen is de Vereeniging en dus ook de door haar gestichte School afhankelijk. De Vrije Universiteit wortelt in de liefde van het volk; dat is hare kracht, maar ook hare zwakheid. Zoodra zij de sympathie verliest, staat zij broodeloos. En die sympathie kan te lichter omslaan, wijl zij uit den aard der zaak bij de groote meerderheid van de leden der Vereeniging niet opkomt uit belangstelling in de wetenschap als zoodanig, maar vrucht is van persoonlijke relatiën of practische overwegingen. Zoodra de leden der Vereeniging wantrouwen koesteren, of art. 2 der Statuten wel nageleefd wordt, kunnen zij dan ook tot het benoemen eener Commissie van Enquête besluiten, die alle aan de Vereeniging of hare Scholen verbonden personen voor zich eiteeren, alle inlichtingen verlangen en de slotsom van haar onderzoek in eene motie van orde uitspreken kan 9).

4. Het Bestuur der Vereeniging bestaat uit vijf Directeuren, die leden der Vereeniging moeten zijn (dat is: de Geref. beginselen als grondslag voor het onderwijs moeten aanvaarden en 25 gulden bijdragen) en ook persoonlijk, voor zichzelven op het in art. 2 der Statuten omschreven standpunt moeten staan en dit ten allen tijde, inzonderheid bij de benoeming van Hoogleeraren, hebben te handhaven 10). De eisch voor het Bestuur is dus veel strenger dan voor de leden der Vereeniging; maar toch is er ook |16| bij Directeuren geen sprake van onderteekening der belijdenisschriften of lidmaatschap van eene der Gereformeerde kerken. Naar de Statuten ware het zeer goed mogelijk, dat zij allen tot de Ned. Herv. kerk behoorden.

Dit is te bedenkelijker, omdat de macht der Directeuren zeer groot is. Bij hen berust het beheer over alle bezittingen der Vereeniging, de benoeming van Curatoren, en in overleg met dezen ook de stichting van scholen en de benoeming en het ontslag van Hoogleeraren. Als er daarbij verschil komt tusschen Directeuren en Curatoren, moet eene gecombineerde vergadering beslissen. In deze zullen de Directeuren ongetwijfeld het grootste gewicht in de schaal leggen. Want niet alleen worden de Curatoren door de Directeuren benoemd en treedt er jaarlijks een hunner af, die echter herkiesbaar is; maar er is ook nog uitdrukkelijk bepaald, dat eene gecombineerde vergadering niet tot eene benoeming of tot het nemen van een gewichtig besluit mag overgaan, tenzij minstens drie Directeuren aanwezig zijn 11). Overigens is voor Curatoren de eisch gesteld, dat zij wel niet leden der Vereeniging behoeven te zijn, maar toch persoonlijk den in art. 2 der Statuten omschreven grondslag moeten aanvaarden en dien ten allen tijde moeten handhaven. Onderteekening van de Geref. belijdenisschriften en lidmaatschap van eene der Geref. kerken is ook voor hen niet verplicht; zij kunnen en mogen allen Hervormd zijn.

5. Voor de Hoogleeraren bevatten de Statuten geen andere bepaling, dan die in art. 2 is vervat en voorschrijft, dat alle onderwijs in de scholen der Vereeniging rusten moet op den grondslag der Geref. beginselen en mitsdien |17| in de faculteit der Godgeleerdheid op den grondslag der Formulieren van Eenigheid. In de Instructie voor de Hoogleeraren, vastgesteld door Curatoren 10 April 1880, is echter in art. 1 bepaald: niemand kan als Hoogleeraar optreden, dan na onderteekening der verklaring dat hij, voor zooveel zijn onderwijs daarbij betrokken is, het in art. 2 (der Statuten) aangegeven standpunt aanvaardt; en in art. 2: naar den eisch der Geref. beginselen zal ieder Hoogleeraar, zoowel bij zijn onderwijs als ook door persoonlijken omgang, niet slechts de verstandelijke ontwikkeling der aan zijne leiding toevertrouwde studenten ter harte nemen, maar zich evenzeer ten doel stellen, hen naar Gods Woord godsdienstig en zedelijk te vormen 12). Hoe goed en schoon dit ook zij, het verdient toch opmerking, dat deze verbintenis slechts voorkomt in eene instructie, door Curatoren vastgesteld en door hen ieder oogenblik te wijzigen; dat zij van geen onderteekening der Geref. belijdenisschriften melding maakt; dat zij de Hoogleeraren alleen verplicht, de Geref. beginselen te aanvaarden, voor zooveel hun onderwijs daarbij betrokken is, en dat zij hun kerkelijk standpunt geheel in het midden laat. Zelfs voor de Hoogleeraren in de Godgeleerdheid wordt geen nauwere verbintenis noodig geacht. Wel zijn zij volgens art. 2 der Statuten verplicht, om de Formulieren van Eenigheid als grondslag voor hun onderwijs te aanvaarden. Maar de bovengenoemde Instructie voor Hoogleeraren gaat hier niet verder op in. Van onderteekening der confessie, van kerkelijk lidmaatschap is geen sprake. Naar de geldende wetten kunnen alle Hoogleeraren leden van andere kerken dan de Gereformeerde zijn. |18|

6. Ten laatste verdient het nog de aandacht, dat voor de toelating van studenten aan de Vrije Universiteit geen enkele eisch is gesteld van kerkelijken en confessioneelen, zelfs ook niet van godsdienstigen en zedelijken aard. Het Reglement der School voor Hooger Onderwijs bevat in art. 16 alleen de bepaling, dat als student kan ingeschreven worden elk, die het in art. 11 en 12 der Wet op het Hooger Onderwijs van 28 April 1876 bedoelde bewijs van afgelegd eindexamen aan een openbaar gymnasium of van het daarmede gelijkstaande staatsexamen heeft overgelegd 13). Wel kan volgens eene latere regeling van deze bepaling dispensatie worden verleend 14). Maar desniettemin erkent de Vrije Universiteit tot op den huidigen dag alleen de diploma’s van openbare gymnasia en van het staatsexamen; wie van een Gereformeerd gymnasium komt, heeft zich aan een admissie-examen te onderwerpen. En voorts heeft het gemis van alle godsdienstige en confessioneele eischen bij de toelating onder de studenten aan de Vrije Universiteit tot jammerlijke conflicten aanleiding gegeven en eene scheuring veroorzaakt, die reeds sedert jaar en dag voortduurt. Eerst bij de promotie tot Doctor in de Godgeleerdheid wordt iemand verplicht, de Gereformeerde Theologie naar de belijdenisschriften voor te staan.


*

Uit heel deze organisatie blijkt duidelijk, dat de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag en de door haar gestichte School dagteekenen uit den tijd van vóór de doleantie. Zoodra deze kwam en de Vrije |19| Universiteit er in betrokken werd, werd de behoefte aan een verband met de kerken gevoeld. Wat moest men ook met de studenten aanvangen, die aan de Vrije Universiteit het candidaatsexamen in de Theologie hadden afgelegd, indien er geen kerken waren, bereid om hen te ontvangen. Uit loutere liefde tot de wetenschap gaat niemand studeeren; elk denkt daardoor ook tot een practischen werkkring te komen, waarin hij zijn brood verdienen en leven kan. Alleen reeds de eisch der practijk drong dus op het zoeken van een verband tusschen de Vrije Universiteit en eene of andere kerk aan. En toen de Hervormde kerk hare deuren sloot, en de Vrije Universiteit met de doleantie medeging, waren de Nederd. Geref. kerken vanzelf aangewezen voor de toelating van de candidaten in de Theologie aan de Vrije Universiteit. En omgekeerd hadden de doleerende kerken in den eersten tijd zeer groote behoefte aan leeraars, en grepen dus gaarne de gelegenheid aan, om de studenten der Vrije Universiteit tot de classicale examens toe te laten. Allerlei omstandigheden brachten dus doleerende kerken en Vrije Universiteit bij elkaar. Op de derde voorloopige Synode van Nederd. Geref. kerken te ’s-Gravenhage in 1891 werd eene overeenkomst getroffen tusschen deze kerken en de Directeuren van de Vereeniging voor Hooger onderwijs. Daarin werd bepaald, dat er drie deputaten zouden zijn, die vanwege de kerken toezicht zouden houden op het onderwijs van de Hoogleeraren in de Theologie. Zij kregen het recht, om colleges en examens bij te wonen, opmerkingen te maken over de geschiktheid van het onderwijs voor aanstaande predikanten, over mogelijke afwijkingen van de belijdenis met de betrokken Hoogleeraren en daarna ook met de Curatoren te spreken, bij benoeming hun oordeel van te voren ter kennis te brengen van de |20| faculteit en bij verschil dit aan de voorloopige Synode te rapporteeren; maar ten slotte bleef de beslissing geheel en al en in alles bij Heeren Directeuren 15).

Dit verband was met het oog op het hierboven gezegde geheel ongenoegzaam. Statuten, reglementen en instructiën, die in den kring der Vereeniging en van haar School van kracht waren, bleven alle onveranderd. Alleen werden er drie deputaten benoemd, die verband moesten oefenen met de Theologische faculteit, op het onderwijs toezicht moesten houden en des noodig eenige opmerkingen en bedenkingen mochten maken. Maar als het erop aankwam, hadden zij en de Gereformeerde kerken, welke zij vertegenwoordigden, niets te zeggen. Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren mochten zoo vriendelijk zijn, om naar de gemaakte opmerkingen te luisteren; indien zij er zich niet aan wilden storen, konden zij stil hun gang gaan.

Toen in 1892 de Christelijke Gereformeerde kerk en de Nederd. Gereformeerde kerken te Amsterdam vereenigd werden, besefte men algemeen, dat er niet alleen in de verhouding van de Thool. School, maar veelmeer nog in die van de Vrije Universiteit tot de Geref. kerken verandering komen moest. Voorloopig bleef wel het bestaande van kracht, met name alle regelingen voor de Theol. School te Kampen en het contract met de Vereeniging voor Hooger Onderwijs inzake het kerkelijk verband met de Theologische faculteit 16). Maar de Synode benoemde toch tegelijk vijf deputaten, ten einde inzake de opleiding en het kerkelijk onderzoek van dienaren des Woords eene |21| regeling te ontwerpen 17). Deze deputaten ontwierpen eene Concept-regeling, en voegden daaraan in Bijlage B eene concept-overeenkomst toe tusschen de Gereformeerde kerken eenerzijds en de Directeuren van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs anderzijds, welke het verband veel nauwer toehaalde en veel vaster legde, dan in de vroegere regeling geschied was 18). Heel deze concept-regeling werd echter op de Generale Synode te Dordrecht verworpen. Staande de Synode, dienden daarom dezelfde deputaten nog een ander voorstel in, en voegden daaraan onder Bijlage B wederom een leiddraad toe voor de onderhandelingen met de Vrije Universiteit 19). Hierin werd de band tusschen de Geref. kerken en de Vrije Universiteit nog sterker aangehaald, en de beslissing bij benoeming en ontslag van de Hoogleeraren in handen der kerken gelegd. Maar ook dit voorstel kon de goedkeuring der Synode niet verwerven. Zij benoemde andermaal deputaten, die de eerstvolgende Synode hadden voor te stellen: a. welke regelingen er te maken zijn tot meerdere gelijkmaking van studie en examina; b. welke voorziening in behoeften en welke wijzigingen van bestaande regelingen der Theol. School noodig zijn; en c. op welken voet nauwer verband tusschen de kerken en de Vrije Universiteit, inzonderheid hare Theol. faculteit, tot stand kan komen 20).

Deze deputaten kwamen op de Synode te Middelburg in 1896 met een uitgebreid rapport. Maar de voorstellen, |22| aan dit rapport verbonden, werden door de Synode verworpen. Ook een voorstel, tijdens de Synode ingediend, om de Hoogleeraren in de Theol. faculteit het Dordsche formulier te doen onderteekenen, werd ter zijde gelegd, wijl dit formulier naar zijn vorm niet meer dienstig kan zijn en dus herziening behoeft 21). Alleen werd aan de deputaten voor de oefening van het verband van de kerken met de Theol. faculteit in overweging gegeven, of er in deze zaak nog eenige leemte bestaat en daarover de eerstkomende Synode te adviseeren 22).

Het verband tusschen de Geref. kerken en de Vereeniging voor Hooger Onderwijs en hare School bleef dus na alle pogingen tot verbetering ten slotte wat het was en is alzoo tot op den huidigen dag geheel voorloopig en gansch onvoldoende geregeld. Dat mag niet langer zoo duren. De Geref. kerken, die bij de Vrije Universiteit zoo groot belang hebben, mogen in zulk een toestand niet langer lijdelijk berusten. Zij moeten, indien zij n.l. op den ingeslagen weg willen voortgaan, een ander, beter verband eischen. Het is volstrekt niet noodig, dat zij zich mengen in de inwendige aangelegenheden van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs; maar zij moeten erop staan, dat er voor Directeuren, Curatoren, Hoogleeraren en Studenten andere bepalingen komen, dan die thans van kracht zijn. Als de kerken de opleiding van hare aanstaande predikanten aan de Vrije Universiteit toevertrouwen, moeten allen, die aan deze School verbonden zijn, op den grondslag van hare belijdenis staan en tot hare gemeenschap behooren. Op de aanstaande Synode komt deze gewichtige zaak van het |23| verband met de Vrije Universiteit ter sprake; de kerken dienen dus vooraf te weten, wat zij willen, en wat zij in dezen als kerken hebben te doen.


*

§ 3. De Theologische School

Op de aanstaande Synode komt ook de Theol. School weer aan de orde. De nieuwe regeling, welke de Synode te Middelburg invoerde, bracht wel eene groote verbetering aan maar is toch nog niet definitief geweest.

Al was er niets anders, dan zou reeds de financiëele toestand der School en van het aan haar verbonden gymnasium eischen, dat de eerstkomende Synode de belangen harer School ernstig ter harte nam. Immers heeft de uitbreiding en verbetering van het onderwijs, waartoe de vorige Synode, en niet zonder dringende redenen, besloot, ook eene aanzienlijke vermeerdering van de uitgaven ten gevolge had. En naar evenredigheid zijn daartegenover de inkomsten niet gestegen. De vermeerdering der uitgaven met enkele duizenden guldens ’s jaars is niet zoo groot, dat zij niet door 400 kerken zonder moeite zou kunnen worden gedragen. De reden, dat de bijdragen voor de Theol. School minder rijk vloeien dan vroeger, is volstrekt niet daarin te zoeken, dat de lasten te zwaar en de krachten overschat zijn.

Maar er heerscht algemeen een besef, dat wij toch nog niet zijn, waar wij wezen moeten. Er is een drukkend gevoel, dat de beide inrichtingen voor opleiding van dienaren des Woords op den duur niet naast elkaar zullen kunnen blijven bestaan. Er is eene angstige vreeze, dat de Theol. School vroeger of later verdwijnen en voor de |24| Theol. faculteit der Vrije Universiteit plaats maken zal. De collecten, die thans in de kerken voor beide inrichtingen worden gehouden, zijn dikwijls tot twee of zelfs tot eene enkele ’s jaars teruggebracht en worden dan nog gehalveerd. Niemand zal durven beweren, dat dit alles uit onmacht voortkomt. Maar de belangstelling is weg, de liefde is gedeeld, en de toestand is onzeker. De aanstaande Synode zal zich daarom ernstig moeten bezig houden met de financiëele belangen der School, welke van de kerken uitgaat.

Maar er is meer. De nieuwe regeling bracht niet alleen verhooging der uitgaven mede; wijl zij in vele opzichten halfslachtig was, maakte zij ook nog verdere wijzigingen en veranderingen. noodzakelijk, waarvan, er hier enkele kortelijk mogen worden genoemd.

1. Het gymnasium, dat volgens besluit der Synode te Middelburg ingericht werd, heet officiëel nog verbonden aan de Theol. School. Maar gelijk te voorzien was, dit woord is niets dan een klank, waaraan geen werkelijkheid beantwoordt. Studenten en gymnasiasten ontvangen hun colleges en lessen nog wel in een zelfde gebouw. Hoogleeraren en leeraren houden hunne vergaderingen in dezelfde kamer. Enkele lessen aan het gymnasium worden nog tijdelijk door Hoogleeraren gegeven. Maar dat is ook al. Overigens bestaat er niet de minste band tusschen gymnasium en Theol. School. Wel schrijft het reglement voor de gymnasiale opleiding in art. 8 voor, dat de leeraren aan het gymnasium minstens eenmaal per maand met de Hoogleeraren in de theologie vergaderen moeten, ter bespreking van de geestelijke belangen der leerlingen en ter behandeling van voorkomende tuchtzaken. Maar dit artikel bleek, bij gebrek aan stof, voor geen uitvoering vatbaar te zijn. Leeraren en Hoogleeraren vormen ieder een eigen |25| corps en hebben geen gemeenschappelijke belangen meer ter bespreking. Gymnasium en Theol. School zijn twee inrichtingen, die alleen door het woord „verbonden” verbonden zijn.

2. Volgens art. 14 van hetzelfde reglement kan de Commissie van Toezicht ook aan zulke leerlingen toegang tot het gymnasium verleenen, die niet tot den dienst des Woords worden opgeleid. Dit artikel werd indertijd in het Curatoren-voorstel opgenomen en door de Synode goedgekeurd, vooral om onwaarheid te voorkomen en het gymnasium niet noodeloos van leerlingen te berooven. Het liet zich toch aanzien, dat, als de litterarische opleiding gymnasiaal ingericht was, de leerlingen in den regel op veel vroegeren leeftijd zouden aankomen, dan waarop voorheen studenten zich lieten inschrijven aan de Theol. School. Op 12 of 13 jarigen leeftijd zijn vele jongens, die naar het gymnasium gaan, nog volstrekt niet beslist, wat zij later willen worden; soms komt het voor, dat zij ook in den gymnasialen tijd nog van keuze veranderen. Zoo ging het dus niet aan, als volstrekte voorwaarde van toelating tot het gymnasium te stellen, dat men beslist wenschte opgeleid te worden tot dienaar des Woords aan de Theol. School. Feit is dan ook thans, dat leeraren en leden van de Commissie van Toezicht wel denken en verwachten, dat de meeste leerlingen later predikant zullen worden, maar vasten grond hebben zij daarvoor niet; er kunnen enkelen, er kunnen ook velen zijn, die later voor dokter, advokaat enz. gaan studeeren. Het gymnasium te Kampen heeft dus volstrekt geen bijzonder karakter en kan dat niet hebben; het is een gewoon, Gereformeerd gymnasium, gelijk te Amsterdam en te Zetten.

3. Hieruit volgt, dat ook de verhouding van het |26| gymnasium tot de Overheid niet in het reine is. Nog altijd staat de Theol. School bij de regeering bekend op haar oude reglement, waarin de scheiding van gymnasium en Theol. School niet voorkomt. Naar dat reglement kon van alle studenten aan de Theol. School, ook al ontvingen zij nog litterarisch onderwijs, door den Rector in waarheid worden verklaard, dat zij werden opgeleid tot predikant; en op dien grond gaf de Regeering aan hen, die het noodig hadden en aanvraagden, vrijstelling van de militie. Ook deze jaren ging dit nog, wijl de leerlingen op het gymnasium, die voor militie in de termen vielen, nog door de Hoogleeraren indertijd waren aangenomen als studenten aan de Theol. School, na beslist verklaard ter hebben dat zij tot predikant in de Geref. kerken wenschten te worden opgeleid. Maar natuurlijk is deze toestand met een paar jaren voorbij. Met het oog op een of ander leerling, die na 1896 op het gymnasium kwam, kan de Rector der Theol. School volstrekt niet meer in oprechtheid verklaren, dat hij, gelijk de voorgeschreven formule luidt, „als student aan de Theol. School is ingeschreven en aldaar zijne studiën volbrengt”. Zij hebben dit zelf nooit officiëel gezegd; zij zijn er ook nooit naar gevraagd. Voorts zijn zij leerlingen van een gymnasium, dat nog wel „verbonden” heet aan, maar feitelijk gescheiden is van de Theol. School. Het is best mogelijk, dat zij straks aan het einde hunner gymnasiale studie Kampen verlaten en aan een der universiteiten in eene gansch andere faculteit dan die der Theologie gaan studeeren. De eerlijkheid vordert dus, dat het gymnasium ook als zoodanig bij de Regeering bekend sta en in geen andere voorrechten deele dan de gewone, openbare en bijzondere gymnasia.

4. Dit alles zoo zijnde, kan ook de volgende eisch niet |27| worden afgewezen, dat het gymnasium te Kampen ingericht zij, gelijk dat te Amsterdam en te Zetten. Nu is er nog dit onderscheid, dat te Kampen maar vijf klassen zijn en op de beide andere plaatsen zes, evenals op alle gymnasia. Nu is het waar, dat eene zesde klasse ook reeds noodzakelijk is voor de aanstaande theologen. Vijf jaren zijn te kort, dan dat een middelmatig leerling de uitgebreide, gymnasiale leerstof eenigszins naar behooren zou kunnen opnemen en verwerken. Het gevolg ervan is, dat de leerlingen te Kampen minder krijgen dan te Amsterdam en te Zetten, of dat zij, om hetzelfde peil te halen, in vijf jaren doen moeten, wat anderen in zes jaren verrichten en dus overladen en overspannen worden. Maar afgedacht hiervan, is de inrichting van eene zesde klasse voor het gymnasium, gelijk het thans bestaat, noodzakelijk en eigenlijk ook maar eene kwestie van tijd. Als er jongelui op het gymnasium komen, die later naar eene Universiteit willen gaan en daartoe eindexamen dienen af te leggen, dan kan men dezen na vijf jaren niet aan eigen lot overlaten of naar andere gymnasia wegzenden. Men heeft tegenover hen eene zedelijke verplichting op zich genomen, waaraan men zich niet onttrekken kan. Liet men, om van deze verplichting zich te ontslaan, ieder jaar vóór het admissie-examen publiceeren, dat men in geen geval zulk eene verantwoordelijkheid op zich nam, dan zou men het gymnasium ondermijnen, aan de meeste leerlingen feitelijk den toegang onmogelijk maken en het aantal discipelen zoo inkrimpen, dat het de moeite niet waard was, er een gymnasium voor op na te houden 23). |28|

5. Bij dit alles komt nog, dat van de predikanten in de Geref. kerken slechts een betrekkelijk klein getal hunne gymnasiale opleiding te Kampen ontvangen of zullen ontvangen. Immers, naast het gymnasium te Kampen bestaat dat te Amsterdam en te Zetten. Ook daar worden vele leerlingen onderwezen, die later dienaren des Woords in de Geref. kerken worden. Nog sterker spreekt, dat verscheidene studenten aan de Theol. School en aan de Theol. faculteit hunne voorbereidende studie op openbare gymnasia volbracht hebben. De Geref. kerken en ook de beide inrichtingen van Hooger Onderwijs verbieden dit niet. Met het oog op de practijk is het dus niet vol te houden, dat de kerken zorgen voor de gymnasiale opleiding van hare predikanten. Zij doen dat niet en laten ieder vrij, om te studeeren waar hij wil. De theorie, dat de kerk geroepen is, om te zorgen voor de geheele opleiding, is eene theorie gebleven en nooit in de werkelijkheid ook maar eenigszins toegepast. Toch is uit concessie aan deze theorie de oprichting van het gymnasium te Kampen te verklaren. Want toen er van de zijde der voorstanders dezer theorie verklaard werd, dat ook de litterarische opleiding moest blijven en van de kerken moest uitgaan, toen is door hen, die deze overtuiging niet deelden, duidelijk en herhaaldelijk gezegd: welnu, het zij zoo, wij gelooven wel niet, dat de kerken daartoe ten allen tijde geroepen zijn, ofschoon wij erkennen dat zij het mogen doen; alleen, indien de kerken haar voor haar rekening willen nemen, dan eischen wij, dat die opleiding ook goed, degelijk en volledig zij, dat zij gymnasiaal worde ingericht. Hoe weinig echter in de practijk de overtuiging leeft, dat de aanstaande predikanten ook in de voorbereidende studie eene kerkelijke opleiding noodig hebben, kan hieruit blijken, dat geen |29| enkel leerling ooit uit die overweging aan het gymnasium te Kampen de voorkeur geeft boven dat van Zetten of Amsterdam. Gewoonlijk geven gansch andere redenen den doorslag: kortere studietijd, goedkooper leefwijze, vrijstelling van militie enz. De theorie is alleen eene theorie op papier. En wat alles afdoet, sommigen, die deze leer voorstaan, zenden toch hun eigen zonen liever, ik zeg niet eens naar Christel. of Geref., maar zelfs naar openbare gymnasia, dan dat zij hen zouden doen deelen in de voorrechten eener door henzelven zoo sterk verdedigde, kerkelijke, litterarische opleiding.


*

Uit al deze overwegingen is te verklaren, dat de bestaande toestand ook thans nog velen niet bevredigt. De voorstanders van de kerkelijke opleiding kunnen zich niet vinden in een gymnasium, dat alleen in naam „verbonden” is aan de Theol. School, en zijn daarom geneigd, om het gymnasium geheel en al los te maken, niet alleen van de School maar ook van de kerken. Zij geven thans liever hun ideaal prijs. En zij zijn hiertoe te meer genegen, omdat zij hopen daardoor liet ander en belangrijker deel van hun ideaal te beter te kunnen handhaven. Indien immers het gymnasium aan eene vereeniging wordt overgedragen en niet langer voor rekening der kerken staat, zijn de gewone inkomsten ruimschoots voldoende, om in de behoeften der School te voorzien. Vrijmaking van het gymnasium schijnt de beste weg tot levensverzekering van de Theol. School te zijn.

Deze mannen der losmaking van het gymnasium krijgen nu van tegenovergestelde zijde steun van hen, die het onbillijk vinden, dat het gymnasium te Kampen, hetwelk |30| zakelijk geheel met dat te Amsterdam en te Zetten overeenkomt, bij de kerken zulk een voorliefde en zulke groote voorrechten geniet. Zij vinden dat onbillijk tegenover de andere Geref. gymnasia; zij zien er eene onrechtvaardige concurrentie in, en dringen dus, zij het ook uit andere overwegingen, even sterk op losmaking aan. Bovendien, het gymnasium te Kampen leidt volstrekt niet alleen op voor de latere studie aan de Theol. School en den dienst in de Geref. kerken, maar neemt ook leerlingen aan, die later in andere faculteiten voor andere betrekkingen in de maatschappij gaan studeeren. Waarom moeten de kerken daarvoor zorgen, waarom moeten zij geld uitgeven voor hen, die later de kerken volstrekt niet als dienaren des Woords dienen zullen? Al is dit argument nu volstrekt niet juist, al brengt integendeel ieder leerling, die ermeer op het gymnasium komt, een niet te versmaden financiëel voordeel aan; toch heeft dit alles weinig vat op de gemoederen. De meesten zien de noodzakelijkheid niet in, dat de kerken er een gymnasium op na houden en dit nog voor anderen dan aanstaande predikanten open stellen. De stroom beweegt zich duidelijk in de richting van losmaking van het gymnasium. En de kerken zullen op hare aanstaande Synode ongetwijfeld geroepen worden, om deze zaak ernstig in behandeling te nemen en tot beslissing te brengen.


*

§ 4. De roeping der kerken

Wat hebben in dit alles de Gereformeerde kerken te doen en door welke beginselen moeten zij zich daarbij laten leiden? De vraag is van het hoogste belang. De opleiding |31| van de aanstaande predikanten is eene van de gewichtigste aangelegenheden. Middelijkerwijze hangt daaraan de toekomst, de bloei of het verval, der kerken. Daarom rust op de kerken de plicht, om van te voren alles wel te overwegen en eerst daarna een beslissenden stap in de eene of andere richting te doen; alles onderzoekende, moeten zij toezien, het goede te behouden.

Ten aanzien van de gymnasiale opleiding, welke de Geref. kerken tot dusver in Kampen onderhouden, is de vraag nog niet zoo bijzonder moeilijk. De Synoden van de Christelijke Gereformeerde kerk te Assen, Aug. 1888, te Kampen, Jan. 1889, te Leeuwarden, Aug. 1891 spraken wel uit, dat de kerk geroepen is, eene eigene inrichting te hebben tot opleiding harer leeraren, maar voegden er toch ten slotte uitdrukkelijk aan toe; ten minste wat de godgeleerde vorming van dezen betreft 24). De bedoeling van deze beperking kan toch geen andere zijn dan deze, dat de kerk zonder twijfel zorgen moet voor de godgeleerde vorming harer leeraren, maar tot hunne gymnasiale opleiding niet zoo rechtstreeks en onmiddellijk geroepen is. In denzelfden geest verklaarde later de Synode van de Geref. kerken te Dordrecht, dat de eigen inrichting wel de geheele opleiding kan geven, maar, indien te eeniger tijd scheiding van de voorbereidende en de theologische studiën geheel of ten deele noodig mocht worden geoordeeld, ten minste voorde geheele theologische vorming te zorgen heeft 25). Toch waren er velen, die zoolang mogelijk hebben vastgehouden en verdedigd, dat de kerken ook zelve zorgen moesten voor de litterarische opleiding harer aanstaande predikanten. |32| Aan hen is het te danken, dat de inrichting der Theol. School op de Synode te Middelburg in 1896 zoo uitgebreid en kostbaar gemaakt is. Veel beter ware het geweest, als de kerken toen van de litterarische opleiding hadden afgezien en deze aan bestaande Gereformeerde gymnasia hadden toebetrouwd. Dat ware besparing van kosten en voorkoming van veel moeite geweest. Maar dat mocht toen niet. Ook de litterarische opleiding moest van de kerken uitgaan. Daardoor dwongen zij de anderen, om te zeggen, dat, indien de kerken ook deze opleiding bleven handhaven, zij te zorgen hadden, dat zij goed en deugdelijk was, dat is, gymnasiaal werd ingericht. Zoo is in 1896 de gymnasiale opleiding te Kampen tot stand gekomen. Maar nu zij bestaat en bij den aanvang gunstig werkt, gaan er stemmen op, om de gymnasiale opleiding los te maken van de Theol. School en van de Geref. kerken en ze geheel zelfstandig en vrij te maken. En deze stemmen gaan volstrekt niet het eerst en het luidst op uit de kringen van hen, die liever hadden gezien, dat de kerken zich van de litterarische opleiding hadden teruggetrokken, maar juist het meest uit de kringen van hen, die het krachtigst de roeping der kerken hebben bepleit, om ook voor de litterarische opleiding der aanstaande leeraars zorg te dragen. Zonder twijfel is dit eene aanmerkelijke winst voor het beginsel. Want het is niet uit Gods Woord of uit de belijdenisschriften te verdedigen, dat de kerken zorgen moeten voor al dat litterarisch onderwijs, hetwelk de aanstaande predikanten in den tegenwoordigen tijd voor eene degelijke studie der Theologie van noode hebben. Het is volstrekt de vraag niet, of zij dat in bijzondere omstandigheden ook kunnen en mogen doen. Wie zou dat willen of durven betwisten? Maar het is alleen oe vraag, of de kerken naar Gods |33| Woord geroepen zijn, om ook in de litterarische vorming harer aanstaande predikanten te voorzien of anders schuldig staan aan verzaking van haar plicht. Hierop zal nu wel niemand een bevestigend antwoord durven geven. Indien op andere en even goede wijze in die opleiding wordt voorzien, hebben de kerken geen roeping, om te doen wat gansch onnoodig en overbodig is. Voor de aanstaande dienaren des Woords is toch geen andere litterarische vorming van noode, dan voor hen, die later in rechten of letteren of medicijnen gaan studeeren. Er is voor allen niet anders maar ook niet minder dan een gewoon, Christelijk, Gereformeerd gymnasium van noode. Principieel en essentieel is de opleiding voor de studie der Theologie geen andere dan voor die in alle overige wetenschappen. Er is dan ook geen enkele reden, waarom de kerken een bijzonder gymnasium zouden oprichten, als anderen op uitnemende wijze het onderwijs verschaffen, dat voor aanstaande theologen noodig is. Het feit. dat een gymnasium uitgaat van de kerken, verandert aan het karakter van het gymnasium niets; niemand geeft daarom aan zulk een gymnasium de voorkeur. Ieder rekent met gansch andere belangen; en niemand zendt zijn zoon naar een gymnasium, dat van de kerken uitgaat, alleen omdat het van de kerken uitgaat.

Principieel is het dus niet te handhaven, dat de kerken ook in de litterarische opleiding der aanstaande predikanten hebben te voorzien, altijd in het geval, dat er een of meer goede gymnasia voor zulk eene opleiding bestaan. Maar ook al is dit het geval, dan kunnen toch nog overwegingen van nuttigheid en veiligheid de kerken doen besluiten, een gymnasium op te richten en in stand te houden. Wederom kan daartoe aan de kerken het recht |34| en de bevoegdheid niet worden ontzegd. Als de kerken jaren lang, niet uit willekeur maar door den drang der omstandigheden, ook voor de litterarische of gymnasiale opleiding harer aanstaande predikanten hebben zorg gedragen, dan is niet in te zien, waarom zij daarvan zich terstond moeten terugtrekken, zoodra eene of andere vereeniging daarnaast een gymnasium opricht. De kerken behoeven in dezen niet voor eene vereeniging te wijken. En als zij bovendien het bestaan van zulk eene vereeniging wankel en onzeker vinden en liever, het zekere voor het onzekere kiezend, met de zorg voor het gymnasiaal onderwijs voortgaan, dan is den kerken daarvan geen verwijt te maken. Zij hebben wel terdege te waken, dat de opleiding harer aanstaande predikanten niet door de ontbinding eener vereeniging, door de sluiting of ook door de gebrekkige verzorging van een gymnasium plotseling in het ongereede kome. Daarom is het roeping en plicht der Geref. kerken, om, voordat zij de zorg voor eene litterarische opleiding laten varen, uit te zien: 1º. of er een goed, Gereformeerd gymnasium bestaat, dat de aanstaande theologen, evenals andere leerlingen, genoegzaam voor hunne vakstudie voorbereiden kan; 2º. of het voldoende waarborgen biedt, dat het zal blijven bestaan en ook op den duur aan de eischen, die er voor het voorbereidend Hooger Onderwijs te stellen zijn, beantwoorden kan; en 3º. of de vereeniging, waarvan zulk een gymnasium uitgaat, bereid is, om hare school in verband met en onder toezicht der kerken te stellen.

Ook dit laatste punt is een eisch, waarvan de kerken niet mogen aflaten. Indien zij besluiten, de gymnasiale opleiding aan anderen over te laten, hebben zij het recht en den plicht, om vooraf met één of meer gymnasia van |35| beslist Gereformeerde richting een zeker verband aan te gaan en er eenig toezicht over te eischen. Mocht geen enkel gymnasium zich daarvoor laten vinden, dan zouden de kerken met volle vrijmoedigheid met de zorg voor de litterarische vorming harer aanstaande predikanten kunnen voortgaan. Dat verband en dat toezicht zou dan minstens hierin moeten bestaan: 1º. dat Curatoren van het gymnasium allen de Geref. belijdenisschriften onderteekenen en, althans voor de meerderheid, leden zijn van eene der Geref. Kerken; 2º. dat dezelfde eisch geldt voor al de leeraren, die aan het gymnasium onderwijs geven; 3º. dat alleen leerlingen van Christelijke belijdenis en wandel worden toegelaten tot het gymnasium; 4º. dat de kerken op het Gereformeerd karakter van het gymnasium toezicht houden door twee deputaten, te benoemen van jaar tot jaar door de Classis, binnen welke het gymnasium gevestigd is; 5º. dat bij benoeming en ontslag van leeraren genoemde Classis het recht van veto bezit, terwijl in laatster instantie de Synode beslist, en 6º. dat de kerken harerzijds zulke gymnasia, over welke zij toezicht oefenden en met welke zij in verband stonden, zedelijk en desnoods ook stoffelijk steunen.

Indien er nu één of meer gymnasia gevonden werden, die aan deze vanwege de kerken te stellen eischen konden en wilden voldoen, dan zou er niet alleen geen bezwaar bestaan, maar zou alles er voor pleiten, dat de kerken voortaan van eene eigene gymnasiale opleiding afzagen. Immers, indien de kerken dan toch nog met de instandhouding van een gymnasium voortgingen, zouden zij zelfs tegen haar bedoeling den schijn op zich laden, aan de andere Gereformeerde gymnasia eene onedele concurrentie te willen aandoen. Een beginsel toch is er niet, dat de |36| kerken tot deze werkzaamheid verplicht. Veiligheidshalve zouden zij het niet meer behoeven te doen. Een gymnasium, dat van de kerken uitgaat en aanstaande theologen opleidt, kan en mag niet wezenlijk van een gewoon, Gereformeerd gymnasium verschillen. Zoo zou er dus niets overblijven dan dat de kerken iets deden, wat onnoodig, overbodig, willekeurig was. Zij zouden één gymnasium, dat misschien volstrekt niet het meest bezocht was, bevoorrechten met zedelijken en geldelijken steun, en alzoo den bloei van het Gereformeerd gymnasiaal onderwijs in het algemeen in ons vaderland tegenhouden en belemmeren.

Aangenomen, dat de kerken onder de boven genoemde voorwaarden van de instandhouding van een gymnasium afzagen, dan rijst toch nog de practische vraag: wat met het bestaande gymnasium te Kampen te doen? De kerken zijn thans niet vrij meer om te doen, wat zij willen. Zij hebben op de Synode te Middelburg in 1896 eene keuze gedaan, de litterarische opleiding gymnasiaal ingericht, leeraren benoemd, tractementen gewaarborgd en pensioenen verzekerd. Zij kunnen thans door dit alles niet in eens een streep halen en het gymnasium met zijne leeraren aan eigen lot overlaten. Zij hebben eene zedelijke verplichting op zich genomen, waaraan zij zich niet willekeurig mogen onttrekken. Dan alleen zouden de kerken het gymnasium mogen loslaten, als er eene vereeniging gevonden werd, die bereid was, om het gymnasium, gelijk het thans bestaat, zonder verkorting van verkregen rechten over te nemen. Maar het is ver van zeker, dat er zulk eene vereeniging te vinden is. De vereeniging voor voorbereidend Hooger Onderwijs te Amsterdam heeft de handen reeds vol aan het daar ter stede opgerichte gymnasium. De vereeniging voor het gymnasium te Zetten heeft ook reeds moeite genoeg, |37| om het hoofd boven water te houden. Zoo zou alleen de mogelijkheid nog overblijven, om het gymnasium te Kampen over te doen aan de vereeniging, die voor korten tijd te Rotterdam is opgericht en zich de oprichting van een gymnasium, hoogere burgerschool en handelsschool ten doel stelt, of ook, om vooral, in het Noorden des lands eene nieuwe vereeniging te stichten, die met de verzorging van het gymnasium te Kampen zich belasten wilde. In het eerste geval zou het gymnasium naar Rotterdam worden verplaatst; in het tweede zou het zeer goed in Kampen kunnen blijven en in de behoeften aan Gereformeerd gymnasiaal onderwijs vooral voor de Noordelijke provinciën kunnen voorzien.

Al zal nu in beide gevallen de overdracht niet zonder bezwaren geschieden, toch is het niet onmogelijk, dat op deze wijze voor de kerken een uitweg gevonden wordt Immers kan de overdracht onder voor de vereeniging zeer voordeelige voorwaarden plaats hebben. Wel zal de vereeniging al de verkregen rechten moeten overnemen, maar er staat tegenover, dat de kerken verplicht zijn, aan de vereeniging, die het gymnasium voortaan verzorgt, eene vrij aanzienlijke som uit te keeren. Het gymnasium is toch altijd uit dezelfde kas onderhouden als de Theol. School en heeft aanspraak op een deel der eigendommen, die der School toebehooren. Ofschoon deze niet aanzienlijk zijn, zou toch de som, welke aan de vereeniging uitgekeerd werd, niet minder dan een twintig duizend gulden mogen bedragen, de helft ongeveer van wat thans de School vermoedelijk nog aan waarden bezit. En daarbij genoot de vereeniging dan het voorrecht, om niet van voren afaan te moeten beginnen, maar,om terstond met een zoo goed als volledig gymnasium te kunnen optreden, den begonnen arbeid voort te zetten en op den hechten grondslag, in |38| vroeger jaren gelegd, zonder groot bezwaar te kunnen voortbouwen. Dit alles in aanmerking genomen, mag het niet onmogelijk heeten, dat de kerken eventueel haar gymnasium aan eene bestaande of nieuwe vereeniging kunnen overdoen.


*

Veel moeilijker is het, de roeping der kerken te bepalen in betrekking tot de Theologische opleiding van toekomstige dienaren des Woords. In 1854 werd de Theol. School te Kampen gesticht, maar volstrekt niet, omdat men toen in de kerk der Scheiding oordeelde, dat de Theologie van de kerk moet uitgaan en eene Theologische faculteit ongeoorloofd was. Heel deze kwestie bestond niet voor de mannen van dien tijd. Men richtte de School eenvoudig op, omdat de gemeenten leeraars noodig hadden en dezen vooraf moesten worden opgeleid. Het eenige, wat met zekerheid te zeggen valt, is dit, dat de School te Kampen werd opgericht, om een einde te maken aan de groote verdeeldheid, die door de vele bijzondere opleidingsscholen in de gemeenten veroorzaakt en gevoed werd. Maar overigens regelde men heel de verhouding tusschen kerk en School naar de behoeften van den tijd en den eisch der omstandigheden.

Eerst toen buiten de Christ. Geref. kerk de gedachte opkwam van een Christelijke Universiteit, ging men ook binnen haar kring ernstiger nadenken over de roepingder kerken inzake de Theologische opleiding van toekomstige predikanten. En wel werd toen tegen de Vrije Universiteit, die in 1880 te Amsterdam opgericht werd, het bezwaar ingebracht, dat hare Theologische faculteit van eene vereeniging uitging en in hoegenaamd geen verband met eenige |39| kerk stond. Maar toch word het recht eener Christelijke Universiteit en eener Theologische faculteit te midden der andere wetenschappen door niemand bestreden.

Zelfs na de doleantie en bij de onderhandelingen over de vereeniging der Christ. Geref. kerk en der Nederd. Geref. kerken kwam in de eerste paar jaren de Theol. School in het geheel niet op het tapijt. Alle verschil liep toen uitsluitend over twee punten: de methode van reformatie (verhouding van de doleerende kerken tot de Ned. Herv. kerk en tot de overheid) en het reglement van 1869. Op eene vertrouwelijke conferentie van eenige broeders uit de Christ. Geref. kerk op 5 Mei 1887; in de voorslagen ter vereeniging, die door Ds. Diemer, Ds. Beuker, Ds. Gispen, Prof. Wielenga werden geformuleerd 26); op de samenkomsten van Deputaten van het synodaal convent te Rotterdam met de Docenten der Theol. School in Nov. en Dec. 1887 en Febr. 1888, en op de meetings te Amsterdam van broeders uit de Christ. Geref. kerk, 10 April 1888, en van broeders uit de Ned. Geref. kerken, 12 April 1888 werd met geen woord van de Theol. School melding gemaakt. Alle bespreking bepaalde zich tot methode van reformatie en reglement.

Intusschen naderde de tijd, waarop beiderzijds de Synoden zouden samenkomen, om officiëel over de vereeniging te handelen. De voorloopige Synode van de Nederd. Geref. kerken kwam bijeen te Utrecht den 25 Juni 1888 en richtte een schrijven met een voorstel aan de Synode der Christ. Geref. kerk, die te Assen vergaderen zou den 14en Aug. 1888. Hoe de stemming in de Christ. Geref. kerk |40| ten opzichte van de vereeniging was, leert het agendum zeer duidelijk. Alle provinciën dienden daarop voorstellen in over de methode van reformatie en over het reglement, maar zwegen over de Theol. School zoo goed als geheel.

Slechts twee provinciën brachten een voorstel mede. Zeeland verlangde, „dat de inrichtingen, waar hare (van de kerken) toekomstige leeraren worden opgeleid — hetzij Theol. School, Theol. faculteit of hoe ook geheeten — onder toezicht der vereenigde kerken moeten staan. Ook de benoemingen van Hoogleeraren, het proclameeren tot candidaat en het beroepbaar stellen verblijven aan de kerken.” En Zuid-Holland sprak uit, „dat zij voor de opleiding tot den dienst des Woords een nauw verband noodzakelijk acht tusschen de Theol. School of Theol. faculteit met de Gereformeerde kerken, in overeenstemming met hetgeen in de 163e sessie der Synode van 1618/19 is bepaald” 27).

Dat was al. Bespreking van dit gewichtige punt had er vooraf in de kerk niet plaats gehad. Eene ampele discussie was er in de bladen niet over gevoerd. De provinciën hadden er zich, op twee na, volstrekt niet over uitgesproken. Op de Synode kwam de zaak ter sprake, toen de andere punten betreffende de vereeniging reeds waren afgehandeld, aan het einde van eene vermoeiende week, op een Zaterdag-voormiddag, toen er reeds drie leden der Synode vertrokken waren en de anderen naar de sluiting der zitting verlangden. De discussie was zeer verward. Het officiëel verslag zegt ervan: over de wijze der verhouding van de Theologie tot de kerk werd verschillend geoordeeld. Eene nadere bestudeering van dit punt zal niet overbodig zijn. Allen oordeelen het wel het veiligst, om niet van de |41| Theol. School af te gaan, maar toch achtten sommigen eene vereeniging van de Theol. School en de Vrije Universiteit straks na de vereeniging der kerken gewenscht 28).

Eindelijk kwamen er uit de discussiën een drietal voorstellen voor den dag. Het eerste wilde de opleiding voorloopig laten, gelijk ze was, en de principiëele vraag tot na de vereeniging verdagen. Het tweede voorstel ging het verst en luidde: de Synode oordeelt, dat in geen geval het beginsel worde prijs gegeven, dat de kerk hare eigene inrichting tot opleiding harer leeraren hebbe. Het derde was het voorstel van Zeeland bovengenoemd. Deze drie voorstellen werden tegelijk in stemming gebracht. Het derde viel af; het tweede werd daarop met slechts 23 tegen 14 stemmen aangenomen 29).

Daarmede was voor het eerst de opleiding aan eene Theol. School tot de roeping der kerken verheven en tot een beginsel verklaard, dat in geen geval mocht worden prijs gegeven. Bij de volgende Synode zou men kunnen zien, wat de kerken ervan dachten. Het agendum voor de Synode te Leeuwarden 18-29 Aug. 1891 bevat dienaangaande het volgende: Friesland, Overijsel, Noord-Holland en Zeeland willen het besluit van Assen handhaven, maar de afgevaardigden der beide laatste provinciën verklaren dit in dien zin, dat de eigen inrichting ook wel eene Theol. faculteit mag zijn, indien deze maar geheel onder jurisdictie der kerk staat. Groningen is er voor, dat de Theol. School te Kampen voorloopig gehandhaafd blijve en dat bij latere regeling de vereenigde kerken toch altijd toezicht |42| en rechtstreekschen invloed hebben op de opleiding overeenkomstig de Postacta der Synode van Dordrecht. De overige vijf provinciën, Drenthe, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Brabant willen de regeling der opleiding verdagen tot na de vereeniging 30). Bij de behandeling van dit punt op de Synode werden allerlei denkbeelden geuit. Ten slotte kwamen er niet minder dan vier voorstellen. Het strengste voorstel, dat van Friesland, werd aangenomen, niet in eens maar na drie stemmingen; eerst verkreeg het 19, toen 21 en eindelijk 26 stemmen 31). Dit besluit werd daarop aan de Ned. Geref. kerken als een beding voor de vereeniging voorgelegd. En de Synode dezer kerken berustte in dit besluit, met de verklaring, dat zij er geen bezwaar in zag „dat uwe Synode (nl. die der Chr. Ger. kerk) van oordeel is, dat in beginsel de kerken eene eigene inrichting voor de godgeleerde opleiding moeten hebben.”

Uit dezen gang van zaken blijkt, dat het beginsel eener eigene inrichting eerst na veel strijd eene zeer kleine meerderheid heeft verkregen, en dat de redactie, waarin het is geformuleerd, zeer veel te wenschen overlaat en voor allerlei misverstand den weg opent. Ten eerste toch is het onduidelijk, wat hier onder beginsel te verstaan zij. Want niemand zal toch durven beweren, dat de kerken door Gods Woord verplicht zijn tot het oprichten eener School tot opleiding van hare dienaren, en anders schuldig staan aan overtreding van een gebod Gods. Want indien dit de bedoeling van het besluit ware, dan had de Christ. Geref. kerk het hebben van een eigen inrichting voor de kerken tot een artikel des geloofs gemaakt; dan moest zij alle |43| kerken veroordeelen, die hare leeraren laten opleiden aan scholen of universiteiten, die van de overheid of van particulieren uitgaan; dan mocht zij daarnaast niet het beginsel van vrije studie erkend hebben, noch ook de Theol. faculteit aan de Vrije Universiteit; dan had zij met de bovengenoemde verklaring van de Synode der Ned. Geref. kerken te ’s-Gravenhage geen vrede mogen hebben, en niet tot de vereeniging met die kerken mogen overgaan. Indien dit alles de bedoeling van de Christ. Geref. kerk bij dit besluit niet is geweest en niet geweest kan zijn, dan hadde zij beter gedaan, niet te spreken van een beginsel, dat in geen geval mag worden prijs gegeven, maar van eene overtuiging, die hoe sterk en oprecht ook, toch voor wijziging vatbaar blijft 32). Evenzoo is de uitdrukking: eigene inrichting ongelukkig gekozen, wijl zij aanleiding geeft tot misverstand. Immers kan daaronder, gelijk soms is beweerd, niet eene school verstaan worden, waaraan de kerk zelve door professoren als kerkelijke ambtsdragers de Theologie beoefent en onderwijst; maar zij duidt de school alleen aan als eene inrichting, die door de kerken opgericht is, door haar onderhouden en verzorgd wordt, en dan voorts op eigen terrein en binnen eigen kring een bijzonder karakter draagt, een eigen leven leidt en eene zekere mate van zelfstandigheid bezit 33). En eindelijk is de naam beding, dien dit beginsel eener eigen inrichting bij de vereeniging der kerken gekregen heeft, in de hoogste mate verwarrend. Immers is dit beginsel door de Ned. Geref. kerken noch ook door hen, die het van het begin af in de Christ. Geref. kerk bestreden hebben, in dien zin aanvaard, dat zij het persoonlijk, voor zichzelf als ook hunne overtuiging beleden |44| hebben. De aanvaarding van dit beding legt aan de kerken en hare leden de verplichting niet op, om voortaan over dit beginsel het zwijgen te bewaren en er nooit tegen te getuigen. Het is onedel, hun, die dit beginsel verwerpen, toe te voegen, gelijk nog onlangs geschied is: toont toch meer rechtsbesef en eerbied voor plechtige overeenkomsten, stelt het beding niet terzijde, rukt dien kostelijken pijler der vereeniging niet los 34)! Want in dien zin is het beginsel geen beding geweest en mocht dat niet zijn. Indien het in strijd is met Gods Woord en met de Geref. belijdenis, dan is het plicht van ieder lid der kerk, om er zijn stem tegen te verheffen, al was het duizendmaal als een beding aanvaard. Maar nog meer, het is niet aanvaard als persoonlijke overtuiging, maar alleen als de ernstige en oprechte overtuiging van vele broederen, die als zoodanig op eerbiediging aanspraak heeft. De aanvaarding van het beding legde alleen de verplichting op, om niet terstond na de vereeniging de Theol. School door eene toevallige meerderheid op de Synode op te heffen of in de Theol. faculteit der Vrije Universiteit op te lossen, maar om over dit gewichtig belang der opleiding broederlijk met elkander van gedachten te wisselen, om saam met elkander te onderzoeken, wat in dezen de eisch van ’s Heeren Woord en de roeping der kerken is, en om dan later, wanneer er eene algemeene overtuiging verkregen is, gemeenschappelijk te beraadslagen en te beslissen, welke wijze van opleiding de voorkeur verdient.

Zóó verstaan wordt het beding niet verzwakt, maar wint het in zedelijke kracht. Dan toch krijgt het vat op de conscientie, dwingt het tot nader onderzoek, en verplicht |45| het, om bij het licht van Gods Woord zooveel mogelijk tot eenstemmigheid te geraken. Wie te veel bewijst, bewijst niets. Als de absolute noodzakelijkheid van eene eigene inrichting bepleit wordt, heeft elk recht te vragen: waar is het gebod Gods, dat de kerken daartoe verplicht? Dan moet men ook de gevolgen durven aanvaarden en rond en eerlijk eischen, dat de kerken geen candidaten van de Theol. faculteit der Vrije Universiteit meer tot hare examens toelaten, maar alleen zulke candidaten ontvangen, die opgeleid zijn aan de eigen inrichting. Indien men dat niet wil, late men na, te spreken van een onveranderlijk en onaantastbaar beginsel, dat de kerken eene eigene inrichting moeten hebben voor de opleiding tot den dienst des Woords. Dan late men zich voortaan meer bescheiden uit en zegge, dat zulk eene inrichting voor de Geref. kerken in den tegenwoordigen tijd wenschelijk, nuttig, noodig en noodzakelijk is. En dan kan men over en weer elkander ontmoeten in vrede, dan is er toenadering en overeenstemming mogelijk.

Immers is er inderdaad veel voor te zeggen, dat de kerken in den tegenwoordigen tijd eene eigen inrichting hebben voor de opleiding tot den dienst des Woords. De vijf deputaten, die door de Generale Synode te Amsterdam werden benoemd en de haast berucht geworden Concept-regeling ontwierpen, hadden niet alleen de bedoeling niet, om de Theol. School op te heffen, maar waren toen en nu ook voor zichzelven van oordeel, dat de kerken niet goed en wijs zouden handelen, indien zij alleen de Theol. faculteit der Vrije Universiteit kozen tot opleidingsschool. In de Concept-regeling werden de beide inrichtingen, Theol. School en Theol. faculteit, dan ook alleen zoo vereenigd, dat er niet voor dezelfde vakken altoos een volledig, |46| dubbel stel van Hoogleeraren werd benoemd; maar overigens werd er het recht der kerken en de zelfstandigheid der School volkomen in gehandhaafd. En toen deze Concept-regeling op de Synode te Dordrecht verworpen was, konden zij staande de Synode in volle oprechtheid een ander voorstel indienen, dat aldus begon: De Synode der Geref. kerken in Nederland, van oordeel dat de kerken, ook bij de meest volledige erkenning van het deugdelijk recht der universitaire opleiding, nochtans eene eigene inrichting voor de godgeleerde opleiding van aanstaande dienaren des Woords behooren te bezitten, en dat wel op zulk eene wijze, dat het volledige zeggenschap over deze School onverkort en ongedeeld alleen aan de kerken sta en haar gewaarborgd blijve enz. 35)

Zoo was het dan de overtuiging van de bovengenoemde vijf deputaten, dat de kerken, ook al is er nog zulk eene uitnemende Theol. faculteit, eene Theol. School onmisbaar noodig hebben. En dat niet om die reden en in dien zin, dat de Theol. School den dienst van een Predigerseminar verrichte en practisch aanvulle, wat de Theol. faculteit theoretisch en wetenschappelijk leert. Want heel deze tegenstelling is valsch gedacht en mag niet bestaan. Het is onjuist, dat eene Theol. faculteit er alleen zijn zou voor de wetenschap, en eene Theol. School alleen voor de |47| opleiding. Beide zijn niet te scheiden, noch in de theorie noch in de werkelijkheid. Eene Theol. School kan naar den eisch der Geref. beginselen niet waarlijk en ten volle opleiden tot den dienst des Woords, tenzij zij ook in wetenschappelijken zin de Theologie beoefene. En eene Theol. faculteit kan de Theologie niet beoefenen en doceeren, tenzij zij van het begin tot het einde ook rekening houde met het practisch doel, waarvoor de studenten zonder uitzondering en zelfs in de eerste plaats de hoogeschool bezoeken, om n.l. straks werkzaam te zijn in den dienst des Woords. Meer dan tijd is het daarom, dat heel deze tegenstelling verdwijne. Of eene Theol. School of eene Theol. faculteit in waarheid een wetenschappelijk karakter draagt en goede leeraren vormt, hangt niet daarvan af, of ze een school of een faculteit zijn, maar hangt af van het gehalte der Hoogleeraren en der studenten.

Maar desniettemin pleit alles ervoor, dat de Geref. kerken in den tegenwoordigen tijd eene eigene inrichting in stand houden voor de opleiding tot den dienst des Woords. In vroeger tijd, toen de Overheid een confessioneel standpunt innam, konden de kerken het in zekeren zin op den Staat laten aankomen. Deze bood waarborgen genoeg, dat er een Universiteit zou blijven bestaan in het land en daaraan eene Theol. faculteit verbonden zou zijn. De kerk behoefde daarom niet te vreezen, plotseling door ontstentenis van eene school ter opleiding in groote moeilijkheden te komen. En ook was niei te verwachten, dat de Overheid eensklaps van confessie veranderen en de kerk aan haar eigen lot overlaten zou. Maar dat alles is anders geworden. De Overheid is neutraal en beschermt de Gereformeerde religie niet meer; hare hoogescholen zijn voor de opleiding van predikanten in de Geref. kerken onbruikbaar. Eene |48| Gereformeerde Universiteit kan hier te lande alleen opgericht en in stand gehouden worden door eene particuliere vereeniging. Wat waarborg biedt zulk eene vereeniging, dat zij zal blijven bestaan, dat zij de reuzentaak, die zij op de schouderen nam, eenigszins naar behooren zal kunnen volbrengen? Boven bij het bespreken van de gymnasiale opleiding merkten wij op, dat de kerken, voordat zij van deze afzagen, waarborgen moesten zoeken, dat er een Gereformeerd gymnasium in het leven zou blijven. Bij een gymnasium is dit nu nog mogelijk. De behoefte daaraan wordt nog in wijden kring gevoeld. Het instandhouden van een gymnasium gaat de draagkracht niet te boven. Maar met eene Universiteit is het, gelijk later nog nader blijken zal, een ander geval. Allerlei voorvallen en gebeurtenissen kunnen de vereeniging in haar bestaan bedreigen, het aantal leden doen verminderen, de sympathie doen verliezen, de contributie doen inhouden. Geen leven zoo onzeker, dan dat van eene vereeniging! En als eene vereeniging zich ontbindt en haar arbeid staakt, wie kan haar ter verantwoording roepen? Vrij ontstond zij, vrij gaat zij heen. En niemand kan haar beschuldigen. De kerken mogen zich dus tienmaal bedenken, eer zij de opleiding tot den dienst des Woords laten varen en aan eene particuliere vereeniging overlaten.

Met welk recht ook kan van de kerken geëischt worden, dat zij hare opleidingsschool sluiten, zoodra eene vereeniging haar de opleiding uit de handen wil nemen. Daargelaten de bevoegdheid eener particuliere vereeniging tot het stichten van eene Universiteit en bepaaldelijk tot het oprichten eener Theol. Faculteit, is toch volstrekt niet in te zien, waarom de kerken de opleiding terstond zouden moeten laten varen, zoodra het eene Vereeniging behaagt, haar |49| ter hand te nemen. Voor een Gereformeerd mensch staan de kerken toch altijd veel hooger in rang en waarde, dan de deugdelijkste en grootste vereeniging. Voor het voortdurend bestaan der opleiding, voor het wetenschappelijk en het Gereformeerd karakter der school, voor het toezicht op het onderwijs, voor de voorziening in de financiëele behoeften, bieden de kerken veel sterker waarborgen dan de best georganiseerde vereeniging. Zelfs moet deze voor dat alles toch weer bij de kerken terecht komen. Eene Theol. faculteit is ten eenenmale onbestaanbaar, als de kerken voor hare candidaten de poorten sluiten. De Gereformeerde kerken hebben ten slotte geen Vereeniging van noode; maar eene Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag vermag niets buiten den steun der kerken.

Daar komt nog bij, dat de kerken in elk geval veel meer recht en bevoegdheid hebben tot het oprichten van eene Theol. School, dan eene particuliere vereeniging tot het stichten van eene Theol. faculteit. Immers niet aan eene vereeniging, maar aan de kerk zijn de woorden Gods toebetrouwd. Zij is de pilaar en vastigheid der waarheid. Zij heeft de van God haar gegeven roeping, om het Woord te bedienen, om het uit te leggen, te verdedigen, te verbreiden en aan alle creaturen te prediken. Daaruit volgt geenszins, dat de wetenschappelijke beoefening der Theologie eene ambtelijke werkzaamheid is en uit de institutaire kerkt opkomt 36). Maar zij is toch geen tegenstelling van de ambtelijke bediening des Woords; zij is er veeleer ten nauwste aan verwant; Voetius kon daarom zeggen, dat de predikant of de herder den leeraar insluit 37), vele Gereformeerden konden het doctoraat rekenen onder |50| de kerkelijke ambten; bediening des Woords en wetenschappelijke beoefening der Theologie zijn niet hetzelfde, maar zij zijn in de werkelijkheid niet te scheiden. De kerken, die prijs stellen op eene goede, degelijke bediening des Woords, zullen ook voor de wetenschappelijke beoefening der Theologie zorg dragen.

Ten slotte is ook deze laatste, nu alleen theoretisch en principiëel beschouwd, veel beter verzekerd aan eene Theol. School, die van de kerken uitgaat, dan aan eene Theol. faculteit, die steunt op eene vereeniging. Want de kerken kunnen niet buiten eene School; zij hebben en houden behoefte aan dienaren des Woords; zij kunnen, zonder weg te kwijnen, de wetenschap der Theologie niet ontberen. En als daar nog bij komt, dat er in Duitschland 38) en ook hier te lande 39) steeds meer stemmen opgaan, om over het ontoereikende van de Theol. studie aan de universiteiten te klagen, om voor het oprichten van seminaria te pleiten en den bijna geheel verbroken band tusschen kerk en school, leven en leer, practijk en theorie weer aan te knoopen en vaster te leggen; als de geschiedenis der Theol. Scholen in de oude tijden, bij de Roomschen, en na de Hervorming in Frankrijk, Zwitserland, Duitschland, Schotland, Amerika naar evenredigheid en in hare mate niet minder roemrijk is, dan van de Universiteiten, dan zullen de Geref. kerken wel doen, aan geen opheffing van de Theol. School te denken, maar ze te handhaven, te versterken en te verbeteren altijd door. |51|

Alzoo handelend, zouden de kerken in het minst niet te kort doen aan de Vrije Universiteit, die vanwege de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag opgericht is. Er is onder ons niemand, die aan eene corporatie het recht tot stichting van eene Universiteit en ook zelfs tot het opnemen daarin van eene Theol. faculteit ontzegt. Over de noodzakelijkheid eener Christelijke, eener Gereformeerde Universiteit is er onder ons geen verschil van meening; allen zijn van oordeel, dat de beginselen, die wij belijden, zulk een school van wetenschap eischen, en dat de eere Gods, de komst van zijn rijk en de bloei zijner kerken in ons vaderland ten nauwste met de beoefening van de wetenschap in Gereformeerden geest in verband staat. En eindelijk wordt er onder ons over het algemeen geen bezwaar tegen ingebracht, dat de kerken in een inniger verhouding tot de Vrije Universiteit treden en met haar een nauwer verband aangaan.

Toch doet bij dit laatste punt zich reeds eenig verschil van gevoelen voor. Op de Generale Synode te Amsterdam 1892 werd met Ds. Klaarhamer en Dr. Wagenaar ook Ds. ten Hoor, destijds te Franeker, benoemd tot deputaat voor het oefenen van verband met de Theol. faculteit; doch hij meende, voor die benoeming te moeten bedanken, omdat naar zijne overtuiging de wetenschappelijke opleiding van de dienaren des Woords van de kerk moest uitgaan 40). En ook de zeven deputaten, die door de Synode te Dordrecht benoemd werden tot gelijkmaking van studie en examina, oordeelden, althans voor de meerderheid, dat de kerken geen verband moesten aangaan met de Vrije Universiteit in haar geheel, omdat kerk en universiteit in aard en |52| roeping verschillen, de kerk aan de universiteit geen behoefte heeft en de verzorging, leiding en beoordeeling van de universitaire wetenschap niet op zich nemen kan. Niet dat daarom de universiteit afgekeurd of veroordeeld werd; integendeel, men wenschte, dat in alle faculteiten het onderwijs gegeven werd in overeenstemming met de Geref. belijdenisschriften; sprak uit, dat alle kerken en heel ons volk daarbij belang hadden; erkende zelfs, dat de universiteit evenals de kerk behoorde tot het koninkrijk Gods; en men gaf ook weer toe, dat de kerk wel beoordeelen kan, of er bij den wetenschappelijken arbeid rekening gehouden wordt met de H. Schrift en of de resultaten al of niet ingaan tegen hetgeen in de Schrift is geopenbaard 41). Dit laatste doet nu de in het begin tegen een verband der kerken met de Vrije Universiteit geopperde bedenkingen vrij wel te niet. En heel deze redeneering wordt te meer bevreemdend, als men weet, dat sommige deputaten elders de stelling verdedigden, dat niet alleen de Theol. faculteit, maar heel de universiteit eigenlijk van de kerk moet uitgaan, wijl zij alleen in den diepsten grond, op de rechte wijze, met het ware doel de verschijnselen en het wezen der dingen kan leeren bestudeeren. Maar hoe dit zij, genoemde deputaten hadden bezwaar tegen een verband van de Geref. kerken met heel de universiteit.

En inderdaad bestaan daartegen ook zeer ernstige bezwaren. Zulk een verband deelt de verantwoordelijkheid tusschen de kerken en de vereeniging en maakt, dat de eene het op de andere laat aankomen. Op papier laat zich zulk een verband vrij gemakkelijk omschrijven 42), maar in |53| de practijk is het bijna voor geen oefening vatbaar. Het houden van toezicht op het onderwijs is voor de kerken niet anders mogelijk dan door deputaten, die van tijd tot tijd een college en een examen bijwonen, maar daardoor volstrekt niet op de hoogte komen van het Schriftuurlijk en Gereformeerd karakter van het onderwijs. In de theologie moge dit voor de kerken, ofschoon reeds hoogst moeilijk, toch nog doenlijk zijn; in de andere faculteiten is het zoo goed als onmogelijk. Als de kerken door deputaten toezicht willen houden op het onderwijs in medicijnen, rechtsgeleerdheid, letteren en natuurwetenschap, hebben zij heel veel kans, haar prestige te verliezen en zich aan minachting bloot te stellen. Bij benoeming en ontslag van Hoogleeraren zouden de kerken iets meer te zeggen kunnen hebben; maar het springt in het oog, dat de afwijking van de belijdenis al zeer duidelijk moet zijn, eer de kerken mogen ingrijpen; en, dat, wanneer het eindelijk komt tot een forschen maatregel, het eigenlijk reeds veel te laat is. Eene ketterij komt gewoonlijk niet plotseling op, maar is reeds lang voorbereid. Als een enkel lid wordt afgesneden, is dikwerf heel het lichaam reeds krank. Zoolang de geest in een corps, in eene vereeniging goed is, loopt alles vanzelf; maar als deze bedorven is, is er aan het ziekteproces geen keeren meer. Daarom hebben de kerken wel vooraf ernstig te overwegen, of zij door het aangaan van een verband met heel de Universiteit eene verantwoordelijkheid op zich zullen nemen, waarvan zij van te voren weten en berekenen kunnen, dat zij die niet vermogen te dragen.

Er staat hier echter iets tegenover. Wanneer de Vrije Universiteit compleet ware, en ongeveer een vijftig professoren en een vijfhonderd studenten telde, dan ware het |54| oefenen van verband voor de kerken door middel van een paar deputaten vrijwel eene onmogelijkheid. Doch zoo ver zijn wij nog niet. Eene Gereformeerde Universiteit is een schoon en grootsch ideaal. Maar er dient toch ook met de werkelijkheid gerekend te worden. En dan staat de zaak zoo, dat de kracht der Gereformeerde belijders in ons land wetenschappelijk en financieel veel te zwak is, om in de eerste tientallen van jaren op eene eenigszins complete universiteit te mogen rekenen. De besliste belijders van de Gereformeerde religie zijn, allen saamgenomen, toch zeker niet veel meer dan 500,000 in getal, vormen dus niet meer dan een tiende deel van de gansche bevolking, en behooren voor verreweg het grootste gedeelte tot den kleinen burgerstand. Ofschoon bij God alle dingen mogelijk zijn, bestaat er toch, met het oog op de historie van drie eeuwen, die achter ons ligt, en naar menschelijke berekening, weinig grond voor de hope, dat deze verhoudingen in de toekomst aanmerkelijk gunstiger zullen worden. Hoe kan men nu, met deze werkelijkheid voor oogen, verwachten, dat er binnen eenige tientallen van jaren een genoegzaam aantal professoren van Gereformeerde belijdenis zullen zijn, die de katheders in de verschillende faculteiten bezetten kunnen? Hoe kan men rekenen op een aantal studenten, die het eenigszins de moeite waard maken, om er eene kostbare universiteit voor op na te houden? En bovenal, waar zal het geld van daan komen, voldoende, om, ik zeg niet eens, eene universiteit met al de tegenwoordig bij haar noodige laboratoria enz. tot stand te brengen, maar ook zelfs om, als ze bestond, in stand te houden? Op de staats-begrooting voor den dienst 1898/1899 is voor de Universiteit te Leiden acht en eene halve ton, voor die te Utrecht bijna vijf ton, voor die te Groningen ruim vier |55| ton uitgetrokken. En niemand zal zeggen, dat dit te veel is. In vergelijking met het buitenland en met het oog op de eischen van den tijd, zijn de universiteiten hier veel te sober ingericht. Wel geeft ons land veel te veel geld voor Hooger Onderwijs uit, wijl het niet minder dan vier universiteiten bezit en er ook een veel te groot getal gymnasia op na houdt. Het is tot op zekere hoogte verkwisting, meer dan anderhalf millioen uit te geven voor drie universiteiten, die saam niet meer dan 1900 studenten tellen. Er kon in dit opzicht door vermindering van het aantal universiteiten of althans door ze onderling meer in verband te zetten heel wat geld bespaard; of liever, het kon heel wat beter besteed worden. Maar dat neemt niet weg, dat geen enkele universiteit hier te lande te weelderig ingericht is. Eene universiteit, die bestaat en hare gebouwen bezit, kost jaarlijks, zeer matig berekend, in ons vaderland niet minder dan vierhonderd duizend gulden. Wie, die met deze cijfers ernst maakt, aarzelt te erkennen, dat eene complete universiteit op Gereformeerden grondslag vooreerst nog wel ver boven onze zwakke krachten zal gaan en tot de vrome wenschen zal behooren?

De Vereeniging voor Hooger Onderwijs, die de Vrije Universiteit in het leven riep, heeft deze werkelijkheid goed onder de oogen gezien, In art. 9 van hare Statuten bepaalde zij: Scholen worden gesticht en uitgebreid naar gelang geschikte personen en toereikende inkomsten daarvoor kunnen gevonden worden. De eerste school wordt geopend, zoodra drie katheders kunnen bezet worden. En in het Reglement der School voor Hooger Onderwijs, genaamd de Vrije Universiteit, luidt art. 2 aldus: Deze School wordt aangelegd op drie faculteiten, één voor de godgeleerdheid, één voor de rechtsgeleerdheid en één voor de wijsbegeerte en |56| letteren; aan welke later nog twee andere faculteiten één voor de geneeskunde en één voor de wis- en natuurkunde kunnen worden toegevoegd. Dit is bescheiden gezegd. En dienovereenkomstig hebben Directeuren der Vereeniging tot dusver gehandeld. De Theol. faculteit telt nog maar drie; de litt. en jurid. faculteit elk nog maar één Hoogleeraar; met de benoeming van Hoogleeraren in medicijnen en wis- en natuurkunde werd nog geen aanvang gemaakt. Wat God in de toekomst doen zal en wat Hij ons geven wil, weten wij niet. Met het heden rekenend, hebben wij zeer bescheiden te zijn. Boven zijn stand te leven, is ook voor de Geref. kerken en voor de Vereeniging voor Hooger Onderwijs niet goed. Nominale waarde is geen vergoeding voor reëel bezit. De Vrije Universiteit is thans en kan voorshands niet meer zijn dan eene school, welke naar de gedachte, indertijd door Dr. den Houter ontwikkeld, aan enkele mannen van Gereformeerde belijdenis en dege wetenschap de gelegenheid verschaft, de principia en de encyclopaedie der verschillende wetenschappen in te denken, deze mondeling voor enkele studenten en in geschrifte voor heel ons volk uiteen te zetten en alzoo werkzaam te zijn, dat de hedendaagsche wetenschap weder geleid worde in het spoor der inzettingen Gods 43).

De plaats, die de Vrije Universiteit alzoo inneemt, het karakter dat zij draagt, en de taak, welke zij vervult, zijn zeker bescheidener, dan menigeen in een oppervlakkig optimisme zich voorstelt. Maar zij hebben toch dit voordeel, dat zij aan de kerken geen onoverkomelijk bezwaar in den weg leggen, om met haar een nauwer verband aan |57| te gaan. De kerken hebben daarbij geenszins de roeping, om zichzelve aan de Vereeniging voor Hooger onderwijs op te dringen. Indien deze niet van haar gediend ware, moge zij stil haar gang gaan. Tot op zekere hoogte is het waar, dat de kerken de Vrije Universiteit niet van noode hebben, althans niet als instituut en niet rechtstreeks. Maar de Vereeniging voor Hooger onderwijs heeft de kerken van noode, opdat zij blijve wat ze is, eene Vereeniging voor Hooger onderwijs op Gereformeerden grondslag. En krachtens den grondslag, waarop zij rust, kan zij niet anders willen dan met de kerken in vrede leven, onder haar hoede zich stellen en winst doen met haar raad. Niet de kerken behooren daarom tot de Vereeniging te komen, om toezicht te eischen; maar indien zij wil, kome de Vereeniging tot de kerken, om de scholen, die zij stichtte, onder haar toezicht te stellen. Wanneer de Vereeniging met zulk eene vraag tot de kerken kwam, zouden deze thans waarschijnlijk geen genoegzame reden hebben, om het aangaan van eenig verband met de Vrije Universiteit te weigeren. Zij zouden daarmede in de tegenwoordige omstandigheden geen last op zich nemen, dien zij niet konden dragen. Maar ook dan, als de kerken ertoe besloten, om een verband met de Universiteit aan te gaan, zouden zij op tweeërlei hebben te letten. Ten eerste, dat zij de Vereeniging en hare school ten volle erkennen in hare zelfstandigheid, hare handelingen en werkzaamheden voor hare rekening laten en zich strikt bepalen tot het houden van toezicht op het Gereformeerd karakter der school en tot het geven van advies. En ten andere, dat zij daarbij ten ernstigste waken voor eigen zelfstandigheid, op geenerlei wijze voor haar bestaan en leven zich van de Vereeniging en hare school afhankelijk maken, en nooit door scheuring of ontbinding |58| van de Vereeniging zelven in wanorde en verlegenheid geraken.


*

Aan het einde dezer overwegingen kunnen wij ten aanzien van de roeping der kerken inzake de opleiding tot den dienst des Woords voorloopig de volgende conclusiën opmaken:

1º. De kerken zijn niet geroepen of verplicht om alleen ter wille daarvan, dat ook anderen gymnasia hebben opgericht, het gymnasium, dat zij tot dusver te Kampen hebben onderhouden, los te laten en van alle gymnasiale opleiding voor de toekomstige dienaren des Woords af te zien. Indien zij het om sommige redenen wenschelijk oordeelden, zouden zij daarmede mogen voortgaan.

2º. Wijl er echter reeds Gereformeerde gymnasia bestaan, en er zulke ook in de toekomst wel zullen blijven bestaan, handelen de kerken, ter vermijding van allen schijn van onedele concurrentie en bemoeienis met vreemde zaken, wijzer en beter, indien zij voortaan de gymnasiale opleiding zoowel voor de aanstaande theologen als voor andere studenten, aan anderen overlaten en dus besluiten, om het gymnasium te Kampen aan eene of andere vereeniging over te doen.

3º. De kerken zullen daartoe niet kunnen of mogen overgaan, dan nadat zij zekerheid hebben bekomen, dat eene vereeniging, die het gymnasium overneemt, verkregen rechten onverkort handhave; en dat er één of meer gymnasia gevonden worden, die met de kerken in zulk een verband willen treden en onder zulk een toezicht zich stellen willen, als door de kerken noodig zal worden geoordeeld.

4º. Ten aanzien van de Theologische opleiding van de |59| aanstaande dienaren des Woords hebben de Gereformeerde kerken in Nederland in dezen tijd de roeping en den plicht, om eene Theol. School te onderhouden, die van de kerken uitgaat, door de kerken geestelijk en stoffelijk verzorgd wordt, en eene volledige zoowel wetenschappelijke als practische opleiding aan de toekomstige dienaren des Woords verschaft.

5º. Indien de Vereeniging voor Hooger onderwijs op Geref. grondslag voor hare Vrije Universiteit verband zoekt met de kerken, zullen deze zich daaraan in de tegenwoordige omstandigheden niet mogen onttrekken, en dit verband alzoo hebben te regelen, dat de verantwoordelijkheid voor alle handelingen in den kring der Vereeniging en van hare school ten volle voor rekening der Vereeniging blijft, en de kerken op geenerlei wijze door de Vereeniging in hare zelfstandigheid of onafhankelijkheid worden beperkt of verkort.


*

§ 5. Eenheid van Opleiding

De voorafgaande overwegingen en conclusiën hebben den weg gebaand, om te komen tot eenheid van opleiding. Dat deze gewenscht is en dat het, zal het goed zijn, daartoe in de Geref. kerken komen moet, kan geacht worden aller overtuiging te zijn. De thans bestaande gedeeldheid in de opleiding verhindert de volle, hartelijke ineensmelting der plaatselijke kerken, doet hare verschillende herkomst en geschiedenis voortleven, bevordert het verschil in Theologische richting, verdeelt gemeenten en ambtsdragers in groepen en partijen, versnippert en verkwist de wetenschappelijke en geldelijke krachten. Zij is onverantwoordelijk en dient zoo spoedig mogelijk op te houden. |60|

Indien de voorafgaande overwegingen echter juist zijn, dan kan de eenheid van opleiding niet daardoor worden verkregen, dat de kerken de Theol. School prijsgeven en de opleiding voortaan alleen toevertrouwen aan de Theol. faculteit der Vrije Universiteit. Dat behoeven, gelijk gebleken is, de kerken niet te doen, zij mogen het ook niet doen. Niemand heeft dit dan ook ooit voorgesteld. Zelfs de Concept-regeling, welke op de Synode te Dordrecht ingediend en behandeld werd, ging volstrekt niet van deze gedachte uit. Ofschoon zij beide inrichtingen zooveel mogelijk, d.i. in hetzelfde personeel van Hoogleeraren, vereenigen wilde, liet zij beide toch principiëel, met eigen Curatoren, gebouwen, financiën, beheer naast elkander bestaan. In veel sterker mate bleef de tweeheid van opleiding gehandhaafd in het voorstel, dat daarna door de te Dordrecht benoemde deputaten aan de Synode te Middelburg voorgelegd werd; het bracht geen eenheid doch slechts gelijkheid in de opleiding.

Eenheid van opleiding is dus niet daardoor te verkrijgen, dat de Theol. School verdwijne en plaats make voor de Theol. faculteit. Zij is ook niet langs dien weg bereikbaar, dat beide inrichtingen op ééne plaats worden gevestigd en dan zooveel mogelijk saamwerken. In de practijk zou dit slechts eene geringe besparing van krachten zijn, tot allerlei wrijving en botsing aanleiding geven en tusschen beide inrichtingen eene ongeoorloofde tegenstelling van wetenschappelijke Theologie en practische opleiding in het leven roepen. Indien men thans na de mislukte pogingen van de Synoden te Dordrecht en te Middelburg nog eenheid van opleiding wil, is deze alleen te verkrijgen langs een weg, die wel niet door de kerken, maar des te gemakkelijker zonder eenige schade of nadeel door de |61| Vereeniging voor Hooger Onderwijs ingeslagen en bewandeld kan worden. Boven toch is aangetoond, hoe deze Vereeniging zonder buitengewone omstandigheden er in de eerste tientallen van jaren, vanwege gebrek aan wetenschappelijke en financiëele krachten, niet aan denken en er niet op hopen kan, om de School, die zij stichtte, tot eene eenigszins volledige Universiteit uit te breiden. En er is bijgevoegd, dat de Vereeniging zelve van deze zwakheid harer kracht doordrongen was, dat zij daarom bepaalde, slechts scholen te stichten en uit te breiden, naar gelang geschikte personen en toereikende inkomsten daarvoor gevonden konden worden, en de bestaande School voorloopig alleen op drie faculteiten aangelegd had. Zonder ook maar eenigermate aan haar idee te kort te doen of haar ideaal te laten varen, kan de Vereeniging voor Hooger Onderwijs, in denzelfden zin als zij feitelijk reeds deed, besluiten, om, rekenende met het feit, dat de Geref. kerken eene School onderhouden tot wetenschappelijke beoefening der Theologie en tot opleiding voor den dienst des Woords, voorloopig van de uitbreiding en versterking der Theol. faculteit af te zien, voor deze faculteit zich in overleg met de kerken te bedienen van de Theol. School, en dan voorts in den eersten tijd en in de eerste plaats zich met alle kracht toe te leggen op de uitbreiding en versterking van de litterarische en juridische en de oprichting der medische en natuurkundige faculteit.

Na al het gebeurde in de laatste jaren kan hiertegen geen ernstig bezwaar worden ingebracht. Toen de Universiteit in 1880 werd opgericht, was de doleantie nog niet geboren. De stichters en oprichters behoorden allen tot de Ned. Herv. kerk. Er was toen allereerst behoefte aan eene Theologische opleiding in Gereformeerden geest, aan |62| dienaren des Woords, die stonden op den grondslag der belijdenis. Het lag dus voor de hand, dat Directeuren der Vereeniging met de oprichting der Theologische faculteit een aanvang maakten. Maar dat alles is veranderd. De doleantie is gekomen; de Geref. kerken zijn vereenigd; en deze hebben samen eene School, welke zij in den tegenwoordigen tijd, om allerlei redenen, volgens de overtuiging van velen, zoowel uit de kringen der doleantie als uit die der scheiding, niet kunnen en niet mogen prijsgeven. Bovendien werd die School in de laatste jaren op allerlei wijze door de kerken zelve in organisatie en gehalte veranderd en verbeterd. In vroeger tijd zou een voorstel, als het bovengenoemde, voor geen aanneming en toepassing vatbaar zijn geweest. De Thool. School omvatte toen ook nog de litterarische voorbereiding; zij was eene kerkelijke inrichting in den engeren zin des woords; onderwijs, afneming van examina, beroepbaar-verklaring waren aan kerkelijke personen toebetrouwd. Maar ook hierin is eene groote verandering gekomen. Het litterarisch onderwijs is gymnasiaal ingericht en zelfstandig gemaakt; de Theol. School heeft door de scheiding van kerkelijke en schoolexamina haar eigen terrein en werkzaamheid gekregen; zij is eene „eigene inrichting” der kerken alleen in dien zin, dat zij door de kerken onderhouden en verzorgd wordt; zij mag zich volstrekt niet alleen bezig houden met de practische opleiding tot den dienst des Woords, maar moet daartoe, volgens de uitdrukkelijke bepaling der kerken, zich ook toeleggen op de wetenschappelijke beoefoning der Theologie. Geheel afgedacht natuurlijk van de personen, die er thans onderwijs geven, biedt de Theol. School als inrichting der Geref. kerken voldoende waarborgen, dat er niet alleen practisch zal opgeleid worden tot den dienst des Woords, |63| maar dat de Theologie er ook in wetenschappelijken zin beoefend zal worden. Evenmin als het gymnasium te Kampen daarom, dat het van de kerken uitgaat, voor andere Geref. gymnasia in gehalte behoeft onder te doen, evenmin wordt de Theol. School voor de taak, om de Theologie wetenschappelijk te beoefenen, daardoor minder bekwaamd, wijl zij een eigen inrichting der kerken is in bovengenoemden zin. Integendeel, als het er op aankomt, en afgedacht van de personen, die toevallig op een gegeven tijd Hoogleeraren zijn, biedt eene Theol. School, die door de kerken verzorgd wordt, èn voor de opleiding èn voor de Theologische wetenschap betere waarborgen, dan eene Theol. faculteit, die van eene Vereeniging afhankelijk is. Indien dit alles zoo is, rijst de vraag, waarom eene Vereeniging thans, nu onze krachten zoo zwak zijn, nog doen moet, wat reeds door de kerken geschiedt, en door de Vereeniging, voorloopig zonder schade kan, doch door de kerken thans niet mag nagelaten worden?

Er is slechts één bezwaar, dat tegen het bovengenoemde voorstel kan ingebracht worden en dat aldus luidt: wat blijft er van eene Universiteit nog over, als de Theol. faculteit eraan ontnomen wordt? Nu wil ik er niet op wijzen, dat er tegenwoordig reeds vele zulke universiteiten zonder Theol. faculteit bestaan en in de toekomst nog meer zullen verrijzen; dat door Groen van Prinsterer indertijd afschaffing van de Theol. faculteit aan de landshoogescholen werd begeerd; dat heel de idee der Universiteit vanwege de ontzaglijke uitbreiding der wetenschappen in dentegenwoordigen tijd eene groote verandering ondergaat. Het geopperde bezwaar laat zich door eene wedervraag geheel uit den weg ruimen: wat is eene Universiteit, die slechts drie Hoogleeraren telt in de Theologie, één in de letteren |64| één in de rechten en geen enkelen in natuurkunde en medicijnen? Deze wetenschappen zijn toch geen minder wezenlijk bestanddeel van eene Universiteit dan de Theologie? Indien de Vrije Universiteit, in weerwil van hare onvolledigheid, thans toch den naam van Universiteit kan blijven dragen, waarom zou zij dien rang dan verliezen, indien zij bijv. geen enkelen Hoogleeraar telde in de Theologie maar daartegenover een grooter aantal Hoogleeraren dan thans bezat in de andere faculteiten? De eisch is immers ganschelijk niet, dat de Vrije Universiteit in beginsel, voor goed en ten allen tijde van het oprichten eener Theol. faculteit behoefde af te zien. Wie weet, wat in de toekomst gebeurt? Het is mogelijk, dat de Vrije Universiteit zóó bloeien gaat, dat het geld toestroomt, dat de mannen, die voor het Hoogleeraars-ambt bekwaam zijn, in overvloed aanwezig zijn; dat alle katheders in de vier faculteiten bez zet zijn, en dat de Vereeniging voor Hooger Onderwijs de oprichting eener Theol. faculteit niet meer uitstellen mag of kan. Het is ook mogelijk, dat de kerken zelve later van inzicht veranderen, en in betere tijden eene Theol. faculteit, die van eene Vereeniging uitgaat, verre verkiezen boven eene Theol. School, die door haar zelven verzorgd wordt. Het is alles mogelijk. Maar zoover zijn wij nog niet, De Vrije Universiteit kan zelve thans, in haar eigen belang, niet beter doen, dan door de wetenschappelijke beoefening der Theologie en de opleiding tot den dienst des Woords aan de kerken over te laten, en van hare School zich te bedienen als Theologische faculteit.

Want al was het genoemde bezwaar ook van kracht, er zijn aan het inslaan van den boven aangewezen weg voordeelen verbonden, die er ruimschoots tegen opwegen.

1. Vroeger is aangewezen, dat de Statuten en |65| Reglementen van de Vereeniging voor Hooger onderwijs en hare school uit confessioneel en kerkelijk oogpunt veel te wenschen overlaten. Daar werd deze opmerking gemaakt, wijl de vraag moest beantwoord worden, hoe de Vereeniging zich voordeed aan de Geref. kerken. Als de kerken met de Vrije Universiteit een nader en nauwer verband willen aangaan, dan dienen zij eerst nauwkeurig te weten, op welken grondslag zij rust en hoe zij ingericht is. En als zij in het vervolg tot zulk een nader verband besloten, dan zouden zij als kerken geen anderen en minderen eisch kunnen stellen, dan dat Statuten en Reglementen werden herzien en gewijzigd, dat Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren persoonlijk de belijdenisschriften onderteekenden, leden van de Geref. kerken waren en aan hare tucht onderworpen, en dat de beslissing bij benoeming en ontslag der Hoogleeraren feitelijk en in laatste instantie bij de Synode berustte.

Zoo werd dan ook indertijd geëischt in de leiddraad voor de onderhandelingen met de Vrije Universiteit, die door de deputaten voor de Concept-regeling op de Synode te Dordrecht ingediend werd 44). Maar ieder gevoelt, bij eenig nadenken, dat hiertegen zeer ernstige bedenkingen bestaan. Indien zulk een verband tusschen de Geref. kerken en de Vrije Universiteit gesloten werd, zou deze laatste, nog meer dan thans tengevolge der historie het geval is, eene school worden uitsluitend van en voor hen, die leden van de Geref. kerken zijn. Zij zou in steeds sterker mate allen band met en alle sympathie bij de andere Gereformeerden en de geloovige Christenen in den lande verliezen. Immers kunnen er dan geen personen als Directeuren, |66| Curatoren of Hoogleeraren worden aangesteld, dan die in de gemeenschap der Geref. kerken leven. Er zullen dan geene andere studenten ooit komen, dan in die kerken geboren en opgevoed zijn. De Vrije Universiteit beperkt dan noodeloos den kring van haar arbeid; zij werkt zelve den invloed tegen en den zegen, die van haar naar buiten kan uitgaan; zij wijkt af van het doel, waarmede zij opgericht is; en zij is zelve oorzaak, dat zij het, menschelijkerwijze gesproken, op den duur nooit verder brengen kan dan tot het fragment van eene universiteit. Daarentegen, indien de Vereeniging voor Hooger Onderwijs, althans voorloopig, voor hare Theol. faculteit zich bedienen wilde van de Theol. School, zou zij voor alle andere faculteiten kunnen blijven staan op het ruime en vrije standpunt, dat zij van hare oprichting af heeft ingenomen. Zij zou geen ander verband met de Geref. kerken behoeven te zoeken dan hoogstens dat van toezicht en advies, en de kerken zouden geen nauwer verband behoeven te begeeren. Als Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren zouden ook zulke mannen kunnen optreden, die, schoon geen leden van de Geref. kerken, toch persoonlijk van ganscher harte art. 2 der Statuten aanvaardden. Wijziging van Statuten en Reglpmenten zou niet noodig zijn. Langzamerhand zou ze weer rijzen in de belangstelling en liefde van degenen, die buiten zijn. En geen kerkelijk karakter dragend, zou zij misschien weer een vereenigingspunt kunnen vormen voor allen, die den Heere Christus belijden overeenkomstig zijn Woord.

2. Indien de Vereeniging voor Hooger Onderwijs niet meer behoefde te zorgen voor de Theol. faculteit, zou zij met des te meer ijver en kracht zich kunnen toeleggen op de versterking en oprichting van de andere faculteiten. Zooals |67| de toestand thans is, kan hij niet lang meer duren. Twee faculteiten, elk slechts door één Hoogleeraar vertegenwoordigd; en met de medische en natuurkundige faculteit nog niet eens een aanvang gemaakt — dat is tijdelijk te dragen maar mag niet jaar op jaar bestendigd worden. De Hoogleeraar Fabius heeft onlangs op Voortvaren aangedrongen; dat is eene les, die allereerst behartigd moet worden door de Vereeniging voor Hooger Onderwijs. Indien zij het niet doet, werkt zij aan haar eigen achteruitgang en loopt zij gevaar, dat anderen met de oprichting eener medische vakschool haar voorgaan. Op de eerstvolgende Jaarvergadering dienen de leden der Vereeniging in die richting hun invloed te doen gelden; het is meer dan tijd, dat de Vrije Universiteit versterkt en uitgebreid wordt.

Daartoe wordt haar in de boven omschreven wijze de weg geopend. Tot dusver werd de Vereeniging voor Hooger Onderwijs in de versterking harer School ook opgehouden door den kerkelijken strijd, waarin zij van 1886 af min of meer rechtstreeks betrokken was. Maar als daaraan een einde komt, kan zij met alle kracht jagen naar het doel, dat zij zich voorgesteld heeft. Er is geen twijfel aan, dat dan de gaven weer milder zullen gaan vloeien en de sympathie in wijden kring zal toenemen. Thans zijn er velen, niet alleen buiten maar ook binnen de Gereformeerde kerken, die der Vrije Universiteit, ofschoon instemmend met hare beginselen, niet genegen zijn. Het spreekt vanzelf, dat zij zich hebben teruggetrokken, die niet met de doleantie zijn medegegaan. En het verwondert evenmin, dat zij geen krachtigen steun bieden aan de Vrije Universiteit, die aan eene Theol. School de voorkeur geven boven eene Theol. faculteit. Voor het bestaan en den bloei der Vrije Universiteit is het daarom dringend noodig, dat zij, |68| de Theologie voorshands aan de kerken overlatend en voor de andere faculteiten geen kerkelijk karakter aannemend, zich innerlijk versterke en naar buiten nog met meer kracht en rijker zegen kunne optreden, dan het haar, zonder miskenning van den machtigen invloed, dien zij reeds oefende, tot dusver mogelijk was.

3. Een derde voordeel bestaat daarin, dat zonder moeite en strijd een verband kan gelegd worden tusschen de School, welke van de kerken uitgaat, en de Vrije Universiteit, die door de Vereeniging voor Hooger Onderwijs is opgericht. Immers zou het bij niemand bezwaar vinden, dat de Geref. kerken en de Vereeniging voor Hooger Onderwijs met elkander in overleg traden, om beide hare inrichtingen te vestigen op eene en dezelfde plaats en ze over en weer elkander te doen dienen en steunen. Het zou niet bijzonder moeilijk vallen, om tusschen beide inrichtingen zulk een verband te leggen, dat zij saam naar buiten optraden onder den naam van Vrije Universiteit, en Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren beiderzijds in alle belangrijke zaken met elkander overleg pleegden ensaammetelkander arbeidden aan de beoefening der wetenschap en de vorming der studenten tot de taak, die straks in kerk of staat of maatschappij hen wacht. Formeel bleef er zeer zeker verschil. Maar ook bij de het zuiverst uit ééne idee georganiseerde universiteit blijft er een wezenlijk onderscheid bestaan tusschen de Theologie en de andere wetenschappen. De Theologie is even goed als deze eene wetenschap, maar zij heeft toch een eigen beginsel, voorwerp, methode en doel; krachtens haar aard moet zij in een gansch ander verband tot de kerk staan dan de andere wetenschappen. En dit verband schaadt haar vrij en wetenschappelijk karakter niet, maar is voorwaarde voor haar bestaan en |69| bloei. Saam zouden School en Universiteit zich dus wijden kunnen aan de beoefening der wetenschap; zakelijk ware er volkomen overeenstemming. En in de School ontving de Universiteit een niet te versmaden steun. Want de kerken zullen uiteraard steeds behoefte hebben aan de wetenschappglijke beoefening der Theologie en aan de opleiding tot den dienst des Woords. En zoolang is ook het bestaan van eene School verzekerd, welke daartoe vanwege de kerken opgericht wordt. Het zijn de kerken, die door hare School ook aan de andere faculteiten den sterksten waarborg zouden bieden voor haar bestaan en bloei. Altijd zouden deze zich bij verval en ondergang weer oprichten kunnen aan de School, die haar vasten grondslag in de kerken had.

4. En eindelijk mag hieraan nog toegevoegd, dat op deze wijze aan den strijd over de opleiding in de Geref. kerken een einde zou komen. Er is nu jaren achtereen over dit punt van gedachten gewisseld en soms ook een ver van broederlijke twist gevoerd; en onder dit alles is de gedeeldheid der opleiding bestendigd, de ineensmelting der plaatselijke kerken belemmerd, de verspilling en de versnippering onzer geringe krachten voortgezet. Het wordt tijd, dat er een eind aan kome. De omstandigheden zijn van dien aard, dat de oplossing niet zonder groote schade en ernstig gevaar nog langer verschoven kan worden. Alles roept en dringt, dat School en Universiteit nog voor het einde der eeuw bijeen zijn, samen wonend onder één dak en arbeidende aan ééne taak. En dat kan, als over en weer eenige concessie gedaan en eenige inschikkelijkheid betoond wordt. Eene principiëele oplossing is er thans nog niet te vinden. Het zou ook zeer de vraag zijn, of zij op dit oogenblik de beste ware. Maar wel is er een |70| concordaat te sluiten, dat van beide zijden zonder verloochening van eenig beginsel, met behoud van elke principieele overtuiging, toegestemd en aanvaard kan worden. Als de Universiteit van de School zich bedienen wilde, en de School in het organisme der wetenschap eene plaats wilde innemen, dan zouden de Geref. kerken met eenig vertrouwen straks de twintigste eeuw mogen ingaan. Want de eenheid der opleiding ware hersteld, de vrede tusschen broederen wedergekeerd, de vereeniging der kerken bevestigd, en in dit alles ook zeker de wil en het gebod des Heeren betracht. Daarvoor beiderzijds een offer te brengen, niet van beginselen en overtuigingen, maar van wenschen en begeerten, is niet te veel gevraagd. Er mag zeker wel hope gekoesterd worden, dat men over en weer dit zal willen doen. Laten wij dan ook in dezen tot de volmaaktheid voortvaren!


*

§ 6. Een voorstel tot besluit

Ten slotte blijft nog slechts over, om de dusver ontwikkelde denkbeelden in den vorm van een voorstel saam te vatten, opdat het daardoor aan een ieder duidelijk worde, dat zij voor verwezenlijking zeer goed vatbaar zijn.

Ten eerste in betrekking tot de gymnasiale opleiding:

De Gereformeerde kerken in Nederland,

overwegende, dat er thans reeds drie Gereformeerde gymnasia bestaan, te Zetten, Amsterdam en Kampen,

overwegende, dat er gegronde hope is, dat het in de toekomst aan eene gymnasiale opleiding in Gereformeerden geest, ook voor de toekomstige dienaren des Woords, in ons vaderland niet zal ontbreken, |71|

overwegende, dat zij den schijn hebben te vermijden, alsof zij aan het eene gymnasium een voorkeur en voorrecht wilden schenken boven het andere en doen wilden, wat der kerken niet is,

besluiten: voortaan af te zien van de stichting en instandhouding van eene school voor gymnasiaal onderwijs; mits daarbij voldaan kunne worden aan de volgende voorwaarden:

a. dat één of meer Gereformeerde gymnasia in den lande bereid bevonden worden, om zich op de hierboven omschreven wijze in verband met en onder toezicht der kerken te stellen.

b. dat eene bestaande of nieuw op te richten vereeniging gewillig en bij machte zij, om de gymnasiale opleiding, verbonden aan de Theol. School te Kampen, over te nemen.

c. dat deze vereeniging zich verbinde, om de verkregen rechten der leeraren alle onverkort te handhaven, maar daarbij van de kerken eene uitkeering ontvange van twintig duizend gulden in eens of in enkele jaarlijksche termijnen of in plaats daarvan kosteloos gebruik van het gebouw te Kampen, indien het gymnasium daar gevestigd blijft.

Ten tweede ten aanzien van de Theologische School:

De Gereformeerde kerken in Nederland,

overwegende, dat zij bij de vereeniging in 1892 de Theologische School te Kampen als eigene inrichting tot opleiding voor den dienst des Woords hebben aanvaard,

overwegende, dat zij in de wetenschappelijke beoefening der Theologie en in de opleiding tot den dienst des Woords zich niet mogen afhankelijk maken van noch zich ook in het ongereede mogen laten brengen door eene particuliere vereeniging, welke met de oprichting eener Theol. faculteit eenzelfde taak ter hand genomen heeft, |72|

overwegende, dat eene particuliere vereeniging uit den aard der zaak noch genoegzame waarborgen bieden kan voor haar eigen voortbestaan of dat van hare School, noch ook dezelfde zekerheid als de kerken schenken kan voor de trouwe behartiging van de zoowel wetenschappelijk als practisch voldoende opleiding tot den dienst des Woords,

overwegende, dat zij, als kerken van Christus, het haar toebetrouwdé Woord Gods hebben te bewaren, uit te leggen, te verdedigen en aan alle creaturen te prediken, en mitsdien bij de wetenschappelijke beoefening der Theologie zoowel als bij de opleiding tot den dienst des Woords ten allen tijde rechtstreeks belang hebben,

besluiten: 1º om te hebben en te houden eene eigene Hoogeschool tot wetenschappelijke beoefening der Theologie en tot opleiding voor den dienst des Woords.

2º. om deze Hoogeschool te vestigen op eene plaats, die door hare ligging een gemakkelijk verkeer biedt met de centra van wetenschap in ons vaderland, door gezond klimaat en schoone natuur zich onderscheidt, de kosten van stichting en onderhoud der School alsmede die van het leven van Hoogleeraren en studenten niet noodeloos opdrijft en voor het godsdienstig en zedelijk leven de minste verleiding en het geringste gevaar oplevert 45).

3º. om voor de eerste maal aan deze Hoogeschool te |73| benoemen al de Hoogleeraren, die thans werkzaam zijn aan de Theol. School te Kampen en de Theol. faculteit der Vrije Universiteit te Amsterdam, op een tractement, dat met de levensbehoeften op de plaats van vestiging der School in overeenstemming is, en in elk geval op verkregen rechten geen inbreuk mag maken.

4º. aan deze Hoogleeraren op te dragen, om onderling en in overleg met Curatoren der Hoogeschool de vakken te verdeelen en de lessen te regelen; met dien verstande, dat het, onder approbatie van Curatoren, aan enkele Hoogleeraren vrij zal staan, om, indien daartoe verzocht en genegen, ook colleges waar te nemen buiten de Hoogeschool en in andere wetenschappen dan de Theologie.

5º. om deze School, voor wat het onderwijs aangaat, te verzorgen door vijf Curatoren, die door de Synode worden benoemd, volgens op te maken rooster aftreden doch herkiesbaar zijn, minstens drie malen ’s jaars vergaderen in de plaats, waar de Hoogeschool gevestigd is, van tijd tot tijd colleges en examens bijwonen en telkenmale als de Synode samenkomt, haar een beredeneerd rapport over den toestand der School doen toekomen.

6º. om aan deze Curatoren, die allen leden der Geref. kerken moeten zijn en q.q. de belijdenisschriften dezer kerken moeten onderteekenen, het recht te schenken van benoeming, schorsing en ontslag der Hoogleeraren, met dien verstande, dat zij telkenmale, indien zij tot eene dezer werkzaamheden geroepen worden, daarvan zoo spoedig mogelijk kennis geven aan het door de Synode op te geven adres, en de Synode zich het recht voorbehoudt, om voor deze werkzaamheden aan het College van Curatoren zooveel stemhebbende leden toe te voegen, als zij zelve goedvinden zal. |74|

7º. om de Hoogleeraren, die leden eener Geref. kerk moeten zijn, te verplichten, om de belijdenisschriften te onderteekenen, toezicht te houden op en tucht te oefenen over het leven en den wandel der studenten, en hun onderwijs zoo in te richten, dat het dienstbaar zij aan de wetenschappelijke en practische opleiding van de aan hunne leiding toevertrouwde studeerende jongelingschap.

8º. om alleen hen als student door de Hoogleeraren te doen aannemen, die, behalve het diploma van propaedeutisch examen in de litter. faculteit van de Vrije Universiteit, kunnen overleggen een betrouwbaar getuigenis van hun Christelijke belijdenis en wandel, bij gebreke waarvan in ieder concreet geval door Curatoren beslist wordt, de Hoogleeraren gehoord.

9º. om de zorg voor de financieele behoeften der School op te dragen aan vijf Directeuren, die leden der Geref. kerken moeten zijn, hun inkomsten ontvangen uit twee jaarlijksche collecten, en voorts uit contributies, schenkingen, erflatingen enz. en telkenmale als de Synode vergadert, aan deze rekening en verantwoording doen.

Ten derde aangaande het verband der Hoogeschool met de Vrije Universiteit:

De Gereformeerde kerken in Nederland,

overwegende, dat de wetenschap in heel haar omvang behoort beoefend te worden bij het licht van Gods Woord,

overwegende, dat de Vereeniging voor Hooger Onderwijs en de door haar gestichte School, genaamd de Vrije Universiteit, reeds sedert jaren aan dezen arbeid zich wijdt en daardoor aanspraak heeft op den dank en de waardeering der kerken,

overwegende, dat samenwerking van beide inrichtingen, met behoud van wederzijdsche zelfstandigheid, met het |75| oog op de kleinheid onzer kracht dringend noodzakelijk is,

besluiten: aan Directeuren der Vereeniging voor Hooger Onderwijs het verzoek te richten,

1º. dat zij met eenige deputaten vanwege de Synodein overleg willen treden over de vestiging van Hoogeschool en Vrije Universiteit op eene en dezelfde plaats.

2º. dat zij de Hoogleeraren in de Theol. faculteit vrijheid geven, om de benoeming aan de Hoogeschool, welke de Synode der Geref. kerken op hen, met behoud van alle verkregen rechten, uitbrengen zal, op te volgen; of ook dat zij, indien dit bij hen, bij Curatoren of Hoogleeraren bezwaar ontmoeten mocht, in den eersten tijd, zoolang de katheders in de andere faculteiten in het geheel niet of slechts schaarsch bezet zijn, bij bestaande of ontstaande vacaturen in de Theol. faculteit, tot geen nieuwe benoeming overgaan.

3º. dat zij, tot tijd en wijle zij zelven wegens overvloed van bekwame mannen en geldelijke middelen tot de oprichting eener eigene Theol. faculteit willen besluiten, de Hoogeschool, die door de Geref. kerken voor de Godgeleerdheid onderhouden wordt, beschouwen en erkennen als Theol. faculteit der Vrije Universiteit en haar als zoodanig gelijken rang en eere schenken als aan de andere faculteiten.

4º. dat zij, in overleg met deputaten der Synode, deze Hoogeschool als Theol. faculteit met de andere faculteiten zoo in verband zetten, dat

a. deze samen naar buiten en officieel den naam dragen van Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag.

b. dat Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren beiderzijds telkens één college vormen, saam zorgen voor den bloei van Gereformeerd Hooger Onderwijs in ons vaderland in |76| het algemeen, en met elkander die gemeenschappelijke belangen behartigen, die de gansche Universiteit raken, en op alle faculteiten betrekking hebben.

c. dat benoeming, schorsing en ontslag van de Hoogleeraren in de Theologie geschiede als boven is bepaald, en die van de Hoogleeraren in de andere faculteiten plaats hebbe overeenkomstig de Statuten der Vereeniging voor Hooger Onderwijs; met dien verstande, dat ter goede verstandhouding de colleges van Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren beiderzijds in al deze gevallen en voorzoover zij er bij betrokken zijn, onderling met elkander overleg plegen, zonder elkander over en weer te binden.

d. dat de Geref. kerken en de Vereeniging voor Hooger Onderwijs, elk voor hare eigen inrichting van onderwijs, een eigene kas houden de kosten van gebouwen enz., waarvan zij samen gebruik mochten maken, naar evenredigheid dragen en ten allen tijde ten opzichte van elkander vrij blijven, om aan het saamwonen een einde te maken en ieder haars weegs te gaan 46).


*

De financieele gevolgen van deze voorstellen zouden alleen in betrekking tot de gymnasiale opleiding bezwaar |77| opleveren. Het gymnasium te Kampen telt thans vijf maar zou, bij overdracht aan eene vereeniging, terstond tot zes klassen moeten worden uitgebreid; de lessen in Christelijke religie en Hebreeuwsch, tien in getal, zouden niet meer door de Hoogleeraren kunnen worden waargenomen; het zestal leeraren, dat er thans aan werkzaam is, zou nog met twee vermeerderd moeten worden. Indien het tractement van den Rector op f 3000 bepaald bleef en dat van de andere zeven leeraren op gemiddeld f 2200 gerekend werd, zou dit reeds eene jaarlijksche uitgave vorderen van f 18400. Daarbij zouden dan nog komen de kosten van het onderhoud van het gebouw, vuur, licht, ameublement, leermiddelen, concierge, vergadering van Curatoren, die zeker wel op f 2500 mogen worden geraamd. Al kreeg de vereeniging, die het gymnasium overnam, het gebouw te Kampen kosteloos in haar bezit, of ook al ontving zij, het gymnasium elders vestigende, eene som van f 20000 voor stichtingskosten, dan zou zij toch jaarlijks nog een inkomen moeten hebben van f 20900, om het gymnasium in voldoenden staat te onderhouden en aan de overgenomen verplichtingen te beantwoorden. Rekent men nu het getal leerlingen op gemiddeld 60 en verhoogt men het leergeld van f 80 op f 100, dan staat tegen die uitgave slechts eene zekere inkomst van f 6000 over. Het is natuurlijk mogelijk, dat het getal leerlingen grooter zal zijn, maar ook al steeg het tot 100, dan zouden de inkomsten uit het gymnasium toch nog niet meer dan f 10000 bedragen; en jaarlijks moest er dan toch nog een som van f 10900 bij. Veel veiliger is het echter, om het zekere voor het onzekere te nemen en op niet meer dan 60 leerlingen te rekenen; dan is er jaarlijks voor de vereeniging nog noodig eene som van ongeveer f 15000. |78|

Het is niet waarschijnlijk, dat er spoedig eene vereeniging zal gevonden worden, die dezen last op zich neemt. De voor eenigen tijd te Rotterdam gestichte vereeniging zou het misschien, indien zij de zaak krachtig aanvatte, binnen eenige jaren zoover kunnen brengen. En in het volkrijke en welvarende deel van Zuidholland, waarin Rotterdam gelegen is, zou waarschijnlijk op een grooter getal leerlingen dan zestig gerekend mogen worden. Maar zonder twijfel zouden de kerken, om de overdracht van het gymnasium mogelijk te maken, toch nog eenige jaren achtereen zich verbinden moeten tot het uitkeeren van eene vrij aanzienlijke subsidie. De verplaatsing van het gymnasium naar Rotterdam zou echter tengevolge hebben, dat het gebouw In Kampen verkocht moest worden tegen eene veel mindere som dan die het gekost heeft, en dat de Noordelijke provinciën weer van een gymnasium werden verstoken. Met het oog op het Noorden ware het gewenscht, het gymnasium in Kampen te houden. Maar eene nieuwe vereeniging in het Noorden op te richten, heeft ook zijn bezwaar. Onmogelijk is dit niet; en indien het geschil over de opleiding tot den dienst des Woords in der minne kon beëindigd worden, zou dit misschien ook kans van slagen hebben. De offervaardiglieid zou er in niet geringe mate door toenemen. En als de kerken, behalve het kosteloos afstaan van het gebouw, zich in de eerste jaren verbonden tot eene aanzienlijke en dan allengs dalende subsidie, zou het niet onwaarschijnlijk zijn, dat de kerken allengs en op den duur van de zorg voor gymnasiale opleiding werden ontslagen. Maar ook al ging dit niet, dan zou het instandhouden van het gymnasium voor de kerken wel bezwaarlijk maar niet ondragelijk zijn. Als de kerken toonen, dat zij van de gymnasiale opleiding wel willen |79| afzien maar het vooreerst, met het oog op verkregen rechten en vanwege het ontbreken eener vereeniging, die haar kan en wil overnemen, niet kunnen en niet mogen doen; en als dan voorts de strijd over de opleiding tot aller bevrediging beslist en de Theol. School en de Vrije Universiteit met elkander vereenigd waren, dan bestaat er gegronde hope, dat de kerken ook de kosten voor de gymnasiale opleiding zouden kunnen en willen dragen. Gedwongen arbeid is zwaar, maar vrijwillige dienst valt licht.

Indien de kerken echter onverhoopt de gymnasiale opleiding zouden moeten blijven verzorgen, dan zou dit eene reden te meer zijn om beide andere voorstellen aan te nemen en Theol. School en Vrije Universiteit zoo spoedig mogelijk met elkander in verband te brengen. En dit zou kunnen geschieden zonder groote kosten en na weinige jaren leiden tot eene aanzienlijke besparing van uitgaven. In de eerste plaats ware voor de kosten van verhuizing der Hoogleeraren enz., naar de plaats, waar Theol. School en Vrije Universiteit gevestigd werden, eene som uit te trekken van f 5000, of eene jaarlijksche rente van f 200. Ten tweede is voor een gebouw der Hoogeschool jaarlijks noodig eene som van f 1000, uit te betalen hetzij als huur aan den eigenaar, hetzij als rentebetaling van eene voor de stichting te sluiten leening van f 25000. Ten derde zijn de kosten van onderhoud, vuur, licht, concierge, vergaderingen van Directeuren, Curatoren enz. op niet minder te schatten dan eene jaarlijksche uitgave van f 2500. Ten vierde is aan tractement voor de vijf Hoogleeraren te Kampen, elk à f 3000, jaarlijks noodig de som van f 15000, en voor de drie Hoogleeraren in de Theologie aan de Vrije Universiteit, elk à f 5000, evenzoo de som van f 15000. Al deze uitgaven bedragen dan samen f 33700, of indien |80| in verband met de misschien duurdere levenswijze het tractement der Hoogleeraren te Kampen met f 1000 werd verhoogd, de som van f 38700. Tegen deze uitgaven staan over aan inkomsten: Bazuin f 3000; college-gelden van 100 studenten à f 100: f 10000; examen-gelden f 1250; collecten in de kerken f 10000; contributies enz. f 5000, samen f 29250. Naar deze berekening ware er jaarlijks een tekort van een kleine f 10000. Wanneer men echter bedenkt, dat dit tekort daardoor veroorzaakt wordt, dat er acht Hoogleeraren werkzaam zijn aan de Hoogeschool, dat er op den duur niet meer dan vijf van noode zijn, en dat dus na eenige weinige jaren de uitgaven met drie tractementen à f 4000, samen f 12000, zouden worden verminderd, dan vervalt alle vrees, dat de kerken deze meerdere kosten tijdelijk niet zouden kunnen of willen dragen en zou er alle reden zijn om te hopen, dat het tekort van f 10000 enkele jaren achtereen uit bijzondere collecten en bijdragen bestreden kon worden.

Maar ook dat zelfs is niet noodig, Er is een weg, om nu reeds dit tekort zoo goed als geheel te doen verdwijnen. Thans reeds geven enkele Hoogleeraren in de Theologie te Amsterdam en te Kampen college in niet-theologische vakken. Dit zou, wanneer Hoogeschool en Vrije Universiteit verbonden waren, nog anders en beter geregeld kunnen worden. In de letteren en in de rechten zouden enkele colleges zeer goed door sommige Hoogleeraren in de Theologie kunnen waargenomen worden. De faculteiten van letteren en rechten aan de Vrije Universiteit waren daarmede op uitnemende wijze gebaat en er door versterkt; en de Hoogeschool, die hare Hoogleeraren alzoo voor een kleiner of grooter deel aan de andere faculteit afstond, kreeg daarmede eene aanspraak op billijke vergoeding, die |81| bij matige berekening niet veel onder de f 10000 blijven zou. In elk geval, de kosten, aan de uitvoering van het tweede en derde bovengenoemde voorstel verbonden, zijn niet van dien aard, dat zij ook maar één enkel oogenblik van de aanneming behoeven terug te houden. En dan werd in de berekening nog niet in aanmerking genomen de vermeerdering van belangstelling en liefde, die van eene vreedzame oplossing van het verschil over de opleiding de heerlijke vrucht zou zijn. Daarop lettend, mogen wij zonder vreeze de verwachting uitspreken, dat onder den zegen des Heeren in den boven aangewezen weg het bestaan en de bloei van Hoogeschool en Vrije Universiteit voor de toekomst duurzaam verzekerd zou zijn, tot heil voor de kerken, tot zegen voor ons land en tot eere van Gods Naam.




1. Eén staaltje uit vele. De studenten van het corps Fides quaerit Intellectum te Kampen en die van het corps Nil desperandam Deo duce aan de Vrije Universiteit te Amsterdam hebben onlangs eene vereeniging getroffen en geven saam een Almanak en een studentencourant uit. Maar dit beviel niet aan die studenten aan de Vrije Universiteit, die leden zijn van den Gereformeerden Studentenbond. In hun orgaan Gereformeerd Studentenblad, Dec. 1898 bladz. 3, 2e kolom staat althans letterlijk het volgende te lezen:

„Een student is iemand, die zijn weten tracht op te voeren tot wetenschap.

Nu is het alleen maar jammer, dat men den naam van student ook is gaan geven aan een categorie van menschen, wien het volstrekt niet om wetenschap is te doen.

Aan de Poly-technische school te Delft b.v. streeft men niet naar wetenschap, maar bekwaamt men zich voor ingenieur, etc. Aan de Theologische School te Kampen wordt men niet opgeleid voor theoloog, maar voor predikant.

Toch spreekt men èn te Delft èn te Kampen van studenten.

Meer nog: het onderscheid tusschen Universiteit en vakschool wordt ook door de eigenlijke studenten zóó weinig in ’t oog gehouden, dat ze zich maar voetstoots met deze on-eigenlijke studenten in studenten-vereenigingen gaan organiseeren, en zelfs gezamenlijk een orgaan uitgeven”.

Begrepen?

2. Acta der Generale Synode van de Geref. kerken in Nederland, gehouden te Middelburg art. 25 bl. 15.

3. Acta, art. 100, 101, 104-106.

4. Verg. Bavinck, Het Vierde eener Eeuw, Kampen 1897 bl. 29 v.

5. Bijv. Ds. Beuker in de Vrije Kerk 1880 bl. 324-331.

6. De bedoelde Instructie is o.a. te vinden in het Dertiende Jaarverslag van de Vereen. voor Hooger Ond. 1893. Bijlagen bl. 3 v.

7. Art. 4 van de Statuten.

8. Art. 6 van het Huish. Reglement voor de Alg. Vergadering.

9. Art. 11 van het Huish. Regl. voor de Alg. Verg.

10. Art. 8 der Statuten.

11. Art. 6 en 7 der Statuten.

12. Negende Jaarverslag 1889 bl. LVIII.

13. Achttiende Jaarverslag 1898 bl. LVII.

14. t.a.p. bl. LVIII.

15. Acta art. 22 bl. 19-22.

16. Handel. van de Synode der Christ. Geref. Kerk 7-17 Juni 1892 en der Gener. Synode van de Geref. Kerken in Nederland 17 Juni 1892 bl. 103.

17. Deputaten waren de Broeders: Bavinck, van Goor, Kuyper, Neijens en van Schelven.

18. Acta der Gener. Synode van de Geref. Kerken te Dordrecht 1893 bl. 52.

19. t.a.p. bl. 84-86.

20. t.a.p. 146. 151. 212. Deputaten waren de broeders van Andel, Bos, Fernhout, Franssen, Hessels, Lindeboom en Littooy.

21. Acta art. 24 bl. 15.

22. Acta art. 25.

23. Verg. de brochure Opleiding en Theologie door M. Noordtzij, D.K. Wielenga, H. Bavinck, P. Biesterveld. Kampen 1896 bl. 31, 32.

24. Handel. van de Syn. te Leeuwarden 1891 bl. 104.

25. Acta der Gener. Syn. te Dordrecht 1893 bl. 146.

26. Ds. Diemer in de Heraut 459. Ds. Beuker, Vrije Kerk 1886 bl. 516. Ds. Gispen, Heraut 478. Prof. Wielenga, Doleerende kerken bl. 470.

27. Handelingen 1888 bl. 19. 20.

28. Handelingen bl. 54.

29. Handel. der Syn. te Assen bl. 54, 55. De voortgezette Synode te Kampen sprak alleen uit: de gezamelijke kerken zullen hare eigene Theol. School hebben, en nam dit voorstel slechts met 23 tegen 17 stemmen aan, Handel. bl. 51-53.

30. Handel. bl. 65 v. 97 v.

31. ib. bl. 97-98.

32. Zie verder de Brochure: Opleiding en Theologie bl. 44-52.

33. t.a.p. bl. 40-44.

34. Zie bijv. de Roeper van 25 Aug. 1898.

35. Acta art. 69 bl. 82. Later sprak Dr. Kuyper nog sterker, bv. in de Heraut nr. 809: de kerken moeten eene eigene inrichting hebben, omdat zij niet van de universiteit kunnen of mogen afhankelijk zijn; Heraut nr. 828: al zeiden allen, dat de eigen inrichting moest verdwijnen, de Heraut zou eraan vasthouden: de Theol. School moet blijven; de kerken mogen de opleiding tot den dienst des Woords niet uitsluitend in handen laten van de wetenschap. Nu weet ik wel, dat Dr. Kuyper met het oog hierop ook onderscheid maakt tusschen eene tweeërlei Theologie. Maar deze onderscheiding, schoon tot op zekere hoogte juist, valt volstrekt niet samen met die tusschen theol. school en theol. faculteit.

36. Opleiding en Theologie bl. 48.

37. Polit. Eccl. III 419; concionator seu pastor Doctorem in se includit.

38. Verg. bijv. Die Unzulänglichkeit des theol. Studiums der Gegenwart, 2e Aufl. Leipzig 1886.

39. Bijv. de la Saussaye op de predikantenvergadering te Utrecht 19 April 1897, verg. Stemmen voor Waarheid en Vrede, Mei 1897 bl. 526, 527.

40. Acta der Syn. v. Dordrecht art. 32 bl. 39.

41. Rapport bl. 28.

42. Verg. bijv. de Leiddraad, Acta der Syn. v. Dordrecht bl. 84.

43. Dr. Th.G. den Houter, De medische wetenschap en de Vrije Universiteit. Leiden, Donner 1895 bl. 20 v.

44. Acta bl. 94.

45. Reeds in de Concept-regeling, Acta Syn. v. Dordrecht 1893 bl. 48 werd over de plaats van vestiging in denzelfden zin gesproken. Noch Amsterdam noch Kampen kan daarvoor in aanmerking komen. Veeleer dient de aandacht gevestigd te worden op plaatsen als Haarlem, Hilversum en Amersfoort, die allen in meerdere of mindere mate aan de bovengestelde eischen voldoen. Misschien verdient onder deze Haarlem weer de voorkeur, ook omdat de tegenwoordige Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit, na de vereeniging der beide inrichtingen, des verkiezende, in Amsterdam zonden kunnen blijven wonen.

46. Indien de hoofdgedachte van dit voorstel inzake het verband van Hoogeschool en Vrije Universiteit in de Geref. kerken instemming mocht vinden, zou het wenschelijk zijn, dat de leden van de Verceniging voor Hooger Onderwijs ook daarover hun gedachten lieten gaan en op de eerstvolgende Jaarvergadering met een desbetreffend voorstel kwamen. Volgens art. 10, al. 2, van het Huish. Regl. voor de Algemeene Vergaderingen hebben de leden het recht, om inlichtingen te vragen, opmerkingen te maken en voorstellen te doen. Het wordt tijd, dat de leden van dit recht gebruik maken en aandringen op versterking en uitbreiding der Universiteit. Indien er redenen zijn, waarom daarmede niet wordt voortgegaan, moeten er pogingen aangewend worden, om deze verhinderingen en belemmeringen uit den weg te ruimen en met bekwamen spoed voort te varen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004