Schepping of Ontwikkeling

door Prof. Dr. H. Bavinck
Kampen — J.H. Kok — 1901

a



Het hier volgend opstel is eene lezing, die met eenige verkortingen in den afloopen winter te Arnhem, Zutphen, Amsterdam en Haarlem werd uitgesproken. Zij ziet thans op veler verzoek het licht.

De Schrijver.


IIIIII

Indien wij ons niet bedriegen in de teekenen der tijden, zal de 20e eeuw, aan wier ingang we staan, getuige zijn van eene ontzaglijke worsteling der geesten. Geloof en ongeloof is, naar het woord van Goethe, het diepste thema der wereldgeschiedenis. Dat is het geweest in de eeuwen, die achter ons liggen. Dat was het in die, welke wij straks verlaten en aan het verledene hebben prijsgegeven. Maar dat zal het toch bovenal en in geheel bijzonderen zin zijn in de 20e eeuw, die zoo pas zich voor ons ontsloten heeft. Want de strijd der overtuigingen en bedoelingen heeft zich hoe langer hoe verder uitgebreid en een steeds meer principieel karakter aangenomen. Gelijk ieder weet, loopt hij thans niet meer over een of ander artikel van onze Christelijke belijdenis, over het gezag van Schrift of traditie, over rechtvaardigmaking of uitverkiezing, over kerk of sacrament; zelfs niet meer over de Godheid van Christus of de persoonlijkheid des Heiligen Geestes. Maar in de geestelijke worsteling, die over heel de |8| beschaafde wereld aangevangen is, gaat het hoe langer hoe meer over de beginselen van het Christendom zelf, ja over de grondslagen van allen godsdienst en van alle zedelijkheid. Er is een strijd over heel de linie heen. Er is een conflict gekomen, ernstiger en geweldiger dan ooit te voren, tusschen de oude en de nieuwe wereldbeschouwing. Want de menschheid heeft de reusachtige poging ondernomen, om de gansche wereld, om alle dingen, in hun oorsprong, wezen en einde, zuiver en strikt wetenschappelijk, gelijk men het noemt, te verklaren, dat is, zonder God, zonder eenig onzienlijk, bovennatuurlijk, geestelijk element, enkel en alleen uit de eenvoudige gegevens van stof en van kracht.

Het is zoo, ook vroeger is enkele malen wel eens zulk eene poging beproefd. Maar de mannen, die het ondernamen, stonden dan geisoleerd, en oefenden slechts geringen invloed op hunne omgeving uit. Ook brachten zij het gemeenlijk niet verder dan tot eenige ruwe omtrekken van wereldverklaring en misten de gegevens, om ze uit te werken en op alle deelen en onderdeelen van het bestaande toe te passen. De stelsels, die zij boden, sloten niet ineen, en bleken spoedig vele leemten te bevatten; het toeval speelde er te groote rol in. Zelfs een denker als Spinoza wist tusschen de substantie en hare attributen |9| en modi geen ander dan een mathematisch verband te leggen en liet den oorsprong der wereld geheel onverklaard. Maar dat is alles thans, naar men beweert, gansch anders geworden. Het pantheïsme van Hegel heeft het denkbeeld van het absolute, eeuwige worden aan de hand gedaan. Het materialisme van Feuerbach c.s. heeft dit denkbeeld toegepast op de wereld van stof en van kracht als de eenig bestaande. En de ontwikkelingsleer van Darwin verschafte in den strijd om het bestaan, in de natuurlijke en sexueele teeltkeus, in de overerving der verworven eigenschappen en in de aanpassing aan de omgeving, de genoegzame middelen, om dit proces van het eeuwige worden in de stoffelijke wereld begrijpelijk te maken. Zoo kwam er langzamerhand bij de wisseling der eeuw eene wereldbeschouwing op, die alle dingen, niet alleen de levenlooze maar ook de levende, niet alleen de onbewuste maar ook de bewuste, zonder eenige uitzondering, buiten God om, alleen uit immanente zelfontwikkeling verklaren wil.

Natuurlijk gaan niet alle aanhangers der ontwikkelingsleer daarbij even ver in de toepassing. Daar zijn velen, die voor de gevolgtrekkingen terugschrikken, die bij zeker punt aangekomen halt maken, en in navolging van Kant een kleiner of grooter |10| gebied voor het mysterie overlaten. Dat zijn de agnostici, de dualisten, die het: wij weten niet, en dikwerf ook het: wij zullen niet weten, op de lippen nemen en het voor de wetenschap kenbare gebied door een onbekend land, door het onbegrijpelijk mysterie van het onkenbare omgeven achten. Terwijl zij het eigenlijke, het strikt wetenschappelijke weten beperken tot de wereld der zinlijk-waarneembare, der meet- en der weegbare dingen, trachten zij rondom deze wereld heen een ontoegankelijk terrein vrij te houden, dat naar hartelust door ieder met de voorstellingen van zijn geloof of de scheppingen zijner verbeelding bevolkt worden kan. Wanhopend aan eene allesomvattende en ineensluitende wereldbeschouwing, laten zij gelooven en weten gescheiden en onverzoend naast elkander staan, en houden er een dubbel boek van waarheden op na.

Maar, ieder gevoelt terstond, dat dit een onhoudbaar standpunt is. Alle conservatisme staat zwak tegenover het radicalisme, waarmee het in beginsel overeenstemt. Wie de ontwikkelingstheorie ten volle in de zinlijk waarneembare wereld aanvaardt, kan haar, bij de geestelijke verschijnselen aangekomen, niet in eens en zonder reden ter deure verwijzen. Ook al wordt dan aanvankelijk nog een klein terrein voor het geloof afgezonderd, dit gebied krimpt |11| langzamerhand in. Het gaat er mede als met het gebied der Roodhuiden in Amerika, die altijd verder terug moesten wijken voor de indringende en opstuwende blanken. Het eene bolwerk na het andere moet dan prijsgegeven, de eene verdedigingslinie na de andere verlaten, de eene concessie na de andere toegestaan worden. Er zit in deze conservatieve dualigen geen onwrikbare overtuiging, geen kracht des geloofs, geen geestdriftige moed. En daarom moeten zij altijd opnieuw de vlag strijken voor de radicalen, die den moed hunner overtuiging bezitten, die voor geen gevolgtrekking terugdeinzen, en die zonder God beginnende en voortgaande, nu ook zonder God willen eindigen. Dezen zijn daarom de mannen der toekomst. Conservatieven en libekalen sterven uit, maar radicalen en socialen zullen niet alleen in maatschappij en staat, maar ook in wetenschap en kunst, de toongevers zijn in de 20e eeuw. Zij hebben zich voorgenomen, om eene totale en finale opruiming te houden van al wat er bewust of onbewust in onze wetten en zeden, in onze opvoeding en beschaving nog van de oude, Christelijke wereldbeschouwing is overgebleven. Want zij beseffen, dat de mensch, die naar eenheid dorst, op den duur bij de tweeheid en tweeslachtigheid van gelooven en weten niet leven kan. Zij gevoelen, dat er |12| harmonie moet komen tusschen al onze overtuigingen, gezindheden en daden. En zij spannen zich daarom in, om op den grondslag der materialistische natuurwetenschap, door wijsgeerig denken eene afgeronde, ineensluitende wereldbeschouwing te bouwen, die, aan het gebrekkige weten zoowel als aan het dwaze gelooven van vroeger dagen een einde maakt en alle dingen voor ons zielsoog stralen doet in het betooverend licht van een wereldomvattend systeem.

Zoo komt dan straks, ten einde toe doorgedacht en consequent op alle terrein des levens toegepast, de nieuwe wereldbeschouwing tegenover de oude te staan, dat is de godsdienstiooze tegenover de Christelijke, de atheïstische tegenover de theïstische, de mechanische tegenover de organische, of gelijk ze ook genoemd is de wereldbeschouwing der ontwikkeling tegenover die der schepping. Beide wereldbeschouwingen willen wij op een drietal punten, bij de vragen naar den oorsprong, het wezen en het doel der dingen, tegenover elkander stellen, opdat de vergelijking ons in het Christelijk geloof bevestige en met kracht moge aangorden voor den strijd, die ons allen, in meerdere of mindere mate, wacht. |13|


I.

Daar zijn vele, vele dingen, wier kennis voor den mensch zonder eenig belang is. Het heeft niet de minste waarde te weten, hoeveel druppels er zijn in den oceaan, hoeveel korrelen zands er liggen op het strand der zee, hoeveel bladeren er zich bevinden aan iederen boom, hoevele haren er te tellen zijn op ons aller hoofd.

Daar zijn wel menschen, die zich ook met deze dingen onledig houden en in curiositeiten behagen scheppen. Zelfs de wetenschap loopt in den tegenwoordigen tijd soms gevaar, om in allerlei détailonderzoek zich te verliezen en vanwege de vele boomen het bosch over het hoofd te zien. De letterkunde is er bijv. tegenwoordig dikwerf op uit, om de nietigste bijzonderheden uit het leven der dichters op te sporen en vooral hunne chronique scandaleuse, op het breedst uit te meten, zonder dat dit ook maar |14| de geringste bijdrage levert tot betere kennis en meerdere waardeering van hunne kunstwerken. Maar de wetenschap wordt door dit alles niet gebaat. Want wetenschap is geen kennis van allerlei nietigheden, maar ze is inzicht in het wezen der dingen, verstand van de idee, van het logische, van het algemeene, dat in de dingen waar te nemen valt.

Maar ook dan zelfs, op wetenschappelijk terrein, is er groot verschil in de waarde der kennis. Er is kennis, die van het hoogste belang is voor de school, die strekt tot ontwikkeling van het hoofd, maar die geheel en al buiten het hart omgaat en zonder beteekenis is voor het leven. Daar ligt groote waarheid in hetgeen Schopenhauer eens zeide: gij houdt niet op, om de betrouwbaarheid en zekerheid der mathesis te roemen; maar wat baat het mij, nog zoo zeker en betrouwbaar datgene te weten, waaraan mij niets gelegen is? Het geringste, dat van de hoogste zaken geweten kan worden, — zoo heeft Thomas van Aquino naar waarheid gezegd, — is begeerlijker en van grooter waarde, dan de volledigste en zekerste kennis van nietige en onverschillige dingen.

Want er is eene kennis, die voor ieder mensch, zonder onderscheid, van het hoogste belang en dringend noodzakelijk is. Er zijn levensvragen waarop elk een antwoord behoeft, wijl zijn tijdelijk en eeuwig |15| welzijn er mede in het nauwste verband staat. Wat men ook zegge, elk gevoelt het op zijn beurt: het leven van een mensch is geen spel, geen tooneelrol, maar het is ontzaglijke werkelijkheid, huiveringwekkende ernst; er hangt niets minder dan de eeuwigheid aan. Ieder is daarvan in ’t diepst der ziel overtuigd en bewijst dit, door, zij het ook op verkeerde wijze en langs verkeerden weg, te zoeken naar een hoogste, duurzaam, eeuwig goed. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het rust gevonden heeft aan zijn vaderhart. Daarom dienen wij te weten, vanwaar wij komen, wat de oorzaak en de oorsprong aller dingen is, of de laatste grond van al het bestaande stof is of geest, kracht of persoon, onbewuste drang dan wel de almachtige wil van God, den Schepper van hemel en aarde.

De hedendaagsche ontwikkelingstheorie geeft op deze eerste vraag ten antwoord, dat er eigenlijk geen oorsprong en geen aanvang der dingen is. Al wat is, was er altijd, zij het ook in andere vormen, en zal er altijd zijn. De substantiewet n.l., dat is de leer van de steeds gelijke hoeveelheid, van de onvernietigbaarheid van stof en kracht, is, vooral sedert de beroemde verhandeling van Helmholtz over Die Erhaltung der Kraft, welke ten jare 1847 verscheen, volgens de natuurkundigen onweerlegbaar bewezen en |16| boven allen twijfel vastgesteld. Zij is de groote ontdekking der 19e eeuw. Een waterdeeltje, zoo zeide Prof. Haga te Groningen ten vorige jare in zijne rectorale oratie over de ontwikkeling der natuurkunde, kan men volgen van het oogenblik af, dat het op de toppen der bergen als sneeuwvlok nedervalt, als gletscherijs jaren noodig heeft voortgeschoven te worden, totdat het smelt en in de beek medegevoerd wordt naar de rivier en naar de zee; om daar dan weer te verdampen en in de atmosfeer als deel eener wolk vloeibaar te worden.

Zoo wordt geleerd van de stof. Maar dezelfde wet geldt ten aanzien der kracht, die verplaatst en omgezet kan worden, maar nooit in hoeveelheid vermeerdert of vermindert. De spoortrein, zeide dezelfde Hoogleeraar, die plotseling geremd wordt, verliest zijn arbeidsvermogen van beweging, maar de in de remschoen, wielen en rails ontwikkelde warmte, stelt eene juist even groote hoeveelheid arbeidsvermogen voor.

Uit deze belangrijke wet leiden nu vele natuurkundigen heden ten dage af, dat de substantie eeuwig is. Er is geen ontstaan en geen vergaan in eigenlijken zin, geen geboren worden en geen sterven. Wat er is, was er van alle eeuwigheid en zal er tot in eeuwigheid zijn. Er is verandering van vorm, |17| wisseling van gedaante, eindelooze transformatie; er is een eeuwig proces, een nooit begonnen en nimmer eindigende cirkelgang van stof en van kracht. Maar de substantie is onvernietigbaar; zij is het eenige, eeuwige, absolute zijn, dat den eeuwigen tijd en de oneindige ruimte doordringt en vervult. Zij is, indien gij wilt, de Godheid der nieuwere wereldbeschouwing. Een andere God is er niet. Zij heeft geen andere eigenschappen, geen hoogere deugden en volmaaktheden, geen verhevener namen dan stof en kracht, materie en energie. En zij is geen zalig, volheerlijk, algenoegzaam zijn, maar een rusteloos worden, een eeuwige drang, aan een altijd voortgaand proces van beweging onderworpen.

Uit deze beweging, die gedacht wordt als eeuwig eigen aan stof en aan kracht, is het ontstaan aller dingen te verklaren. Ontwikkeling, evolutie is de eeuwige wet, die al het bestaande beheerscht en regeert; zij neemt met haar blinde noodlot en onberekenbaar toeval de plaats der Goddelijke Voorzienigheid in. Naar die wet wordt eerst de oorsprong van ons planetenstelsel verklaard. Aan de wereld in hare tegenwoordige gedaante gingen duizenden anderen [voor]af, die ook beurtelings naar dezelfde wet opgekomen zijn en vergaan. Toen de laatst voorafgaande zich in eene gasvormige nevelmassa opgelost had, is daaruit, |18| naar eene waarschijnlijk geachte hypothese van Kant en Laplace, de tegenwoordige wereld met haar zon en maan en sterren, ook met deze onze aarde, langzamerhand door verdichting, draaiïng, en bolvorming te voorschijn gekomen. Maar gelijk elders, zet dan ook op deze aarde de ontwikkeling door de voortgaande beweging van stof en kracht zich voort. Langs lange, onafzienbaar lange lijnen van geleidelijkheid ontwikkelt zich uit het lagere het hoogere. De aarde vormt zich door allerlei evolutiën heen tot eene geschikte verblijfplaats voor levende wezens. Eerst is er het levenlooze, de formatie van zeeën en landen, van bergen en stroomen, van delfstoffen en aardlagen. Maar dan gaat de stof allengs zich altijd fijner organiseeren en de werking der kracht wordt hoe langer hoe ingewikkelder, tot dat eindelijk onder bijzonder gunstige omstandigheden uit de anorganische stof de cel ontstaat, die de draagster des levens is.

En als deze er maar eenmaal is, dan ontwikkelen zich door een verloop van eeuwen heen de rijken van planten en dieren, in steeds hooger formatie, rijker verscheidenheid en grooter getale. Tusschen het levenlooze en het levende is geen diepe, breede klove maar een geleidelijke overgang, een lijn van geleidelijkheid. Er is alleen ingewikkelder constructie, fijner organisatie, hoogere ontwikkeling. Langs dienzelfden |19| weg komt dan eindelijk ook de mensch op het tooneel. Ook hij is niet voortgebracht door de hand van den Schepper, dragende zijn beeld; maar hij is de hoogere ontwikkeling van die dierensoort, wier naaste verwanten thans nog voortleven in orang-oetan, gorilla en chimpansé. In den bangen strijd om het bestaan hebben sommige dieren door het verwerven en overerven van altijd uitnemender eigenschappen zich allengs in een of ander deel der aarde tot menschen ontwikkeld. Een eerste mensch is er niet geweest. Niemand kan aanwijzen, waar het dier ophoudt en de mensch begint. Er is langzame, geleidelijke, over eeuwen zich uitbreidende ontwikkeling; door de kleinst mogelijke veranderingen in de grootst mogelijke tijdruimten is uit het lagere al het hoogere voortgekomen; en de mensch zelf is het resultaat van een millioenen-jarig proces.


Ziedaar de nieuwe en nieuwste verklaring van den oorsprong der dingen. Daar is iets imposants, iets machtig aangrijpends in deze beschouwing. Daar is eenheid van gedachte, stoutheid van conceptie, consequentie van principe in. Het is te begrijpen, dat zij velen bekoort. Ja, als men aan geen openbaring gelooft, die een andere verklaring der schepselen aan de hand doet, kan men niet anders dan |20| op soortgelijke wijze den oorsprong der dingen zich eenigermate begrijpelijk waken. Zij moeten toch ergens vandaan komen en op eenigerlei wijze ontstaan zijn. De theorie moge nog zoo onvolledig zijn en nog zoovele verschijnselen in de physische en psychische wereld onverklaard laten, Darwin is daarom vooral, naar het woord van Strauss, als de grootste weldoener van het menschelijk geslacht begroet, wijl hij de deur geopend heeft, waardoor een gelukkiger nakomelingschap voor altijd het wonder uitwerpen kan. Voor een geslacht, dat al het bovennatuurlijke loochent en zelfs allen godsdienst uitschudt, blijft er, wat er zich ook tegen verzetten moge, niets anders over, dan om van de rede, het eigen denken, alle heil te verwachten en in de ontwikkeling de oplossing van alle raadselen der wereld te zien.

En toch, hoe innerlijk één dit stelsel ook schijne. en hoe begrijpelijk zijn invloed en opgang ook zij; het is geen product der wetenschap, maar een vrucht der verbeelding, een begrippenspel van het naar eenheid dorstend verstand. Het heet opgebouwd op den grondslag der empirische natuurwetenschap met behulp van het logische denken; maar het is een gebouw in de lucht, zonder hecht fundament en zonder strengheid van stijl, een luchtkasteel in den waren zin van het woord. Het verlaat de empirie, de |21| betrouwbare resultaten der natuurwetenschap, reeds bij den eersten steen, die gelegd, en bij den eersten paal, die geheid wordt. Geen wetenschap is het in strengen zin, geen science exacte, gelijk men ons zoo gaarne diets maken wil, maar eene wereldbeschouwing waarbij het subject zijn parten speelt, eene philosophie, die onzeker is als alle stelsels der wijsgeeren, eene individneele meening, die evenveel waarde heeft als die van elk ander mensch.

De juistheid dezer bewering wordt reeds daardoor bewezen, dat dit stelsel, ofschoon in deze eeuw breeder uitgewerkt en met natuurwetenschappelijke gegevens gestoffeerd, toch in beginsel reeds lang vóór deze eeuw door wijsgeeren uitgedacht en aangeprezen is. Het materialisme is noch in vorige, noch in deze eeuw het resultaat van streng wetenschappelijk onderzoek, maar de vrucht van wijsgeerig denken geweest. Trouwens, de natuurwetenschap kan uit den aard der zaak nooit achter de natuur teruggaan. Zij staat op den bodem der natuur, onderstelt haar bestaan en kan dus op de vraag naar haar oorsprong nooit eenig antwoord geven. Zoodra zij dat beproeft, verlaat zij haar terrein, houdt zij op natuurwetenschap te zijn en wordt philosophie, gelijk staande met andere stelsels van wijsbegeerte, die als het gras en de bloem des velds heden wel bloeien maar morgen |22| verwelken. De natuurwetenschap moge in deze eeuw de wet van het behoud van arbeidsvermogen hebben ontdekt, met geen logische mogelijkheid kan daaruit de gevolgtrekking worden afgeleid, dat stof en kracht eeuwig zijn. Wat thans bestaat, heeft daarom nog niet altijd bestaan. En wat menschelijke kracht niet vernietigen kan, is daarom nog niet onvernietigbaar. Het woord „eeuwig” behoort ook in het woordenboek der natuurwetenschap ganschelijk niet te huis, want zij heeft alleen met het eindige en zienlijke te doen en is tot het relatieve beperkt. Zij gaat haar grenzen te buiten, als ze van eeuwige stof, eeuwige kracht, oneindige ruimte en eindeloozen tijd spreekt. Ze speelt dan met woorden, wier beteekenis ze niet verstaat, en wier verbinding eene tegenstrijdigheid als die van een houten ijzer en een vierkanten cirkel is.

Nog dwazer handelt ze, als zij van eeuwige beweging gewaagt. Eene eeuwige beweging zou ook reeds eeuwig afgeloopen en dus stilstand zijn. Want wat in den tijd valt, is vergankelijk, en wat eeuwig is, valt niet in den tijd. Beweging onderstelt eene bewegende kracht, die den stoot geeft, die haar voortbrengt en onderhoudt. Grieksche wijsgeeren waren daarvan reeds zoo overtuigd, dat zij uit de beweging der wereld tot een eersten beweger besloten. Men kan daartegenover wel zeggen, dat het wereldgeheel |23| zich zelf beweegt, dat het een perpetuum mobile is; maar behalve dat dit een even groot wonder als de schepping ware, is dit feitelijk evenmin van de wereld in haar geheel, als van een harer deelen te denken. Het is immers altijd dezelfde substantie, dezelfde stof en kracht, die in ’t gansch heelal en in elk zijner deelen woont. En beweging is nog niet alles. Beweging is er niet zonder richting. Wat is de kracht, die niet alleen beweegt maar ook de beweging in eene bepaalde richting leidt? Waaraan is het te danken, dat de beweging zulk eene richting neemt, dat zij uitloopt op de formatie van zon en planeten, van hemel en aarde, van delfstoffen en planten, van dieren en menschen in eene stijgende reeks? Een beroep op de blinde kracht der substantie is tot verklaring even ongerijmd, als wanneer iemand, naar het beeld van Cicero, een boek als de Ilias uit een toevalligen worp van duizenden letters verklaart.

Maar afgedacht van dit alles, wat weet de natuurwetenschap van de substantie der dingen af? Omdat zij voortdurend zich beweegt in de wereld der zienlijke dingen, verkondigt zij, dat er niet anders is dan stof en daarin gebondene kracht. Altijd starende op de materie, miskent en loochent zij den geest. De theologie wordt, en niet ten onrechte, beschuldigd, in vroeger tijd al de wetenschappen te hebben |24| opgeslokt. Maar nooit heeft eenige wetenschap dit sterker gedaan, dan de natuurwetenschap in den tegenwoordigen tijd. Zij wil de eenige wetenschap zijn en gaat in annexatiezucht zelfs het Engelsche en Russische Imperialisme te boven. Zij verklaart achtereenvolgens biologie en psychologie, geschiedenis en rechtswetenschap, theologie en philosophie bij haar ingelijfd, zij dringt hare methode aan alle wetenschappen op en acht de mechanische verklaring de eenige, welke op den naam van wetenschappelijke aanspraak heeft!

En toch weet zij met al de verschijnselen, die het object van deze verschillende wetenschappen uitmaken, geen weg en geen raad. Zij weet niet, wat substantie is, en als zij beweert dat deze slechts stof en kracht is, weet zij niet, wat elk van deze beide is, noch hoe zij verbonden zijn. Ook een man als Haeckel, die voor geen raadsel terugdeinst, moet erkennen, dat het innerlijk wezen der dingen onbekend is. En nog veel minder dan in ’t wezen van stof en van kracht, dringt zij tot het binnenste zijn van het leven door. Leven, alle leven, is een geheimenis, dat te eerbiedigen is, maar niet te verklaren. Wie het ontleden wil, doodt het. Alle nasporingen en onderzoekingen hebben nog geen enkelen tip van den sluier opgelicht, die over dit mysterie der |25| schepping hangt. Door de navorschingen, inzonderheid van Pasteur te Parijs, is in ’t licht gesteld, dat het leven ook bij de laagste organische wezens, nl. bij de infusoriën niet vanzelf, door mechanische stofwisseling ontstaat; eene generatio aequivoca is er niet. Wanhopend aan eene mechanische verklaring, namen daarom anderen zooals bijv. de Engelsche natuurkundige Thomson (Lord Kelvin) tot de onderstelling de toevlucht, dat levenskiemen door meteoorsteenen van andere planeten op deze aarde gevallen waren en alzoo aan de organische wezens het aanzijn geschonken hadden — waarmede, gelijk terstond duidelijk is, het probleem slechts verschoven en bovendien het ontstaan van de levende schepselen op aarde aan een zuiver toeval toegeschreven wordt. Of ook liet men zich met Haeckel verleiden tot de uitspraak, dat het leven geen verklaring behoeft, wijl het even eeuwig is als stof en kracht en beweging — wat niet meer dan een spelen met woorden verdient te heeten en met eene betuiging van onmacht gelijk staat. Of men keerde met vele jongere natuurvorschers, zooals Bunge, Rindfleisch, Driesch, Ostwald, Reinke, Pictet e.a. tot de eerst smadelijk verworpen levenskracht terug en nam naast een mechanisch ook een organisch, energetisch principe in de wereldbeschouwing op. Omne vivum ex vivo, al het levende |26| komt uit het levende voort, is nog het laatste woord der wetenschap.

Nog meer wikkelt de nieuwe wereldbeschouwing zich in een net van tegenstrijdigheden, als zij toekomt aan den oorsprong van den mensch. Er wordt wel gezegd en het wordt door de consequentie van het uitgangspunt geëischt, dat de mensch afstamt van het dier. Maar het is nog door geen enkel verschijnsel bewezen. Dat er allerlei verwantschap bestaat tusschen dier en mensch, was ook vroeger bekend, wordt in de Schrift reeds geleerd, en is hoogstens in deze eeuw in vele bijzonderheden aangetoond. Met de dieren werd de mensch op den zesden dag geschapen. Ook zijn lichaam werd gevormd uit het stof; hij is aardsch uit de aarde. Maar al de trekken van verwantschap geven geen recht tot de conclusie, dat mensch en dier tot ééne familie behooren en dat zij elkander in den bloede bestaan. Want grooter dan de onmiskenbare overeenstemming is het diepgaand verschil, dat reeds door verticalen stand, door vorming van hand, schedel en hersenen, en veel meer nog door rede en zelfbewustzijn, door gedachte en taal, door godsdienst en zedelijkheid, door wetenschap en kunst tusschen mensch en dier getrokken wordt. En daarbij is er van de overgangsvormen, die bij gemeenschappelijke afstamming |27| in grooten getale bestaan moesten hebben,nog nooit één enkel exemplaar te voorschijn gekomen. Sommige vondsten van menschenbeenderen en menschenschedels zijn wel aanstonds als overblijfsels van zulke met smachtend verlangen gezochte overgangsvormen vreugdevol begroet. Maar nauwkeuriger onderzoek bracht altijd weer aan het licht, dat al die overblijfselen afkomstig waren van gewone menschen, van menschen met gelijke bewegingen als wij. Trots al de ijverige nasporingen blijft het tot op dezen dag toe bij het woord van Rudolph Virchow, dat elke fossiele type van eene lagere menschelijke ontwikkeling ontbreekt. Door niemand is tot dusver aangetoond, waar en wanneer en hoe de dieren zich tot menschen hebben ontwikkeld. Zoover wij in het verledene terug kunnen gaan, zijn dieren dieren en menschen menschen geweest. De afstammingshypothese van Darwin moge een onmisbare schakel zijn in de keten der ontwikkelingsleer, zij vindt in de feiten geen steun. De mensch heeft altijd gevormd en vormt nog steeds een eigen soort in de wereld der schepselen.

Daarom blijft er ook in de wetenschap nog plaats voor dat wonderschoone verhaal, dat in het eerste hoofdstuk des Bijbels van den oorsprong der dingen ons staat opgeteekend. Ook wij erkennen eene eenheid, die al het geschapene saamhoudt en verbindt. |28| Maar die eenheid ligt voor ons niet in eene koude, doode substantie, doch in den levenden God, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Zij ligt in zijn bewustzijn, in zijn wil, in zijn raad. In den beginne was niet de chaotische stof, de onbewuste kracht, de redelooze drang, maar het bewuste, gesprokene en tevens sprekende Woord, dat alle dingen in het aanzijn riep. Aan geen emanatie uit, aan geen evolutie van het Absolute, dat is van God, hebben de schepselen hun ontstaan te danken. Want beide zijn met het begrip van het Absolute, dat in zichzelf het onveranderlijke, eeuwige, volmaakte zijn is en dus geen uitvloeiing of ontwikkeling toelaat, ten eenenmale in strijd. Alleen creatie, die zoowel met het wezen Gods als met dat der schepselen overeenstemt, verklaart den oorsprong der dingen. En zoo verhaalt het de Schrift. In eene stijgende reeks, over zes dagen verdeeld, brengt de Almachtige door het woord zijner kracht, alle dingen uit de ongeziene wereld der gedachte te voorschijn. Hij spreekt en het is, Hij gebiedt en het staat. Hij roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren. Hemel en aarde, uitspansel en wolken, bergen en stroomen, zon en maan en sterren, gras en kruid, kruipend en viervoetig gedierte, Hij formeert het alles door den adem zijns Geestes uit den bajert des zijns. En Hij kroont zijn |29| werk met de schepping van den mensch naar zijn gelijkenis en beeld! Alles dus van Goddelijke afkomst, aan den Zoon verwant, door den adem des Geestes bezield; alles berustend op gedachte en wil, op verstand en raad; en daarom ook alles onderling verwant, een wereld, een kosmos, die haar kroon en sieraad, haar heer en gebieder ontvangt in den mensch van Gods geslacht!

Welk een inzicht in den oorsprong der dingen! Wat verheven eenvoud! Hier is poëzie en waarheid en godsdienst één. Dit is natuurwetenschap en wijsbegeerte te zamen. Ervaring en denken, hoofd en hart zijn hier verzoend! Hier is eene beschouwing der wereld, die bewustzijn en geweten beide bevredigt en aan al de aspiratiën des menschen beantwoordt. Van de overzijde moge men ons toevoegen: beter een veredelde aap dan een ontaarde Adam, of: beter het hoogste der dieren dan de laagste der goden; juist dit zeggen verraadt ons den hoogmoed des menschen, die zijn eigen schepper wil zijn en ook in de wetenschap voor de verleiding van de Godegelijkheid bezwijkt. Zij verwerpen niet alleen het Woord Gods en kunnen daarom geen wijsheid hebben. Maar zij dooven ook het licht der rede, zeggende in hun hart: daar is geen God; en zijn verduisterd in hun verstand en verijdeld in de overleggingen van hun hart. |30|


II.

Even belangrijk als de eerste vraag naar den oorsprong, is de tweede, die naar het wezen der dingen onderzoek doet. Wat is de wereld, wat is de menschbeid en de enkele mensch, wat ben ik? Ook op die vraag is een antwoord voor de eenheid van ons denken, voor den vrede van ons hart onmisbaar noodzakelijk.

De nieuwere wereldbeschouwing is aanstonds met haar antwoord gereed. Zij zegt natuurlijk, dat wezenlijk alle schepselen één en hetzelfde zijn. Er is immers niets dan stof en kracht, die de substantie aller dingen uitmaken en alleen in vormen eindeloos wisselen. Er is geen God, er zijn geen geesten, er is geen hemel, er is geen wereld van onzienlijke dingen, geen rijk van eeuwige goederen, geen zedelijke wereldorde. Daar bestaat niets anders dan deze zienlijke wereld van meet-, en weegbare dingen, die door |31| louter mechanische en chemische krachten voortbewogen wordt. De wereld is in één woord eene machine en loopt als een uurwerk af. Alleen is zij daarin van eene machine, door menschen vervaardigd onderscheiden, dat deze laatste door een redelijken wil in elkaar gezet is en nog voortdurend beheerscht wordt. Maar de wereld is — verwonderlijk om te zeggen! — eene machine, die zichzelve heeft geconstrueerd, die voortdurend zich zelve in beweging houdt, en die volkomen blind en rede- en doelloos eeuwig door- en nimmer afloopt. De wereld is dus geen levende, bezielde organische eenheid, maar een eeuwig eenerlei, een doellooze kringloop, een eindelooze, nuttelooze cirkelgang, eentonig, vermoeiend als het golfgeklots van den oceaan, als het draaiend raderwerk eener fabriek.

In dat mechanisme neemt ook het organisme, het levend wezen, neemt ook de mensch zijne plaats in. Want er zijn geen schepselen, die in wezen van elkander verschillen; er zijn geen soorten, die, schoon verwant, van elkander in afkomst gescheiden zijn. Alle levende wezens zijn automaten, machines, evenals de anorganische schepselen, alleen fijner geconstrueerd, kunstmatiger in elkander gezet. Ook de mensch vormt daarop geen uitzondering. Van eene ziel is er bij hem geen sprake, evenmin van vrijheid |32| of verantwoordelijkheid, van zelfstandigheid of persoonlijkheid. Hij leeft eigenlijk niet, hij wordt geleefd. Wel treffen wij bij hem verschijnselen aan, die we met den naam van psychische of zielkundige aanduiden. Maar men moet daarom niet denken, dat deze eigensoortig zijn. Wij zonderen ze slechts tijdelijk om practische redenen, van andere, physische, zinlijk waarneembare verschijnselen af. Doch in aard en natuur komen ze daarmede geheel overeen. Zij zijn slechts de fijnste producten van de rijkst ontwikkelde stofwisseling.

Alleen omdat de mensch fijner is geconstrueerd dan de dieren en dan wederom zijn hoogste, fijnste constructie in de hersens bezit, alleen daarom levert hij fijner en edeler producten dan andere schepselen af. Daarom hebben ook al de psychische verschijnselen, die wij bij de menschen aantreffen, hunne voorbereiding en analogie bij planten en dieren. Verstand, rede, bewustzijn, wil, gevoel, hartstochten, genegenheden, het komt alles in onontwikkelden vorm ook bij de lagere organismen voor. Er is alleen in graad verschil, niet in soort. En bij den mensch worden al deze verschijnselen op dezelfde, mechanische, chemische wijze voortgebracht. Dat en wat een mensch denkt en wil en doet, dat moet hij denken, willen en doen. Zooals de gal zich afscheidt |33| van de lever, zoo scheidt de gedachte zich af van de hersens. Hoe beter, fijner, grooter hersens, hoe beter, dieper, rijker denken. Ohne Phosphor kein Gedanke! In één woord: wat de mensch eet, dat is hij!

Deze zelfde verklaring wordt toegepast op alle geestelijke en zedelijke goederen, die der menschheid eigen zijn. Taal, godsdienst, zedelijkheid, kunst, wetenschap, recht, geschiedenis, enz., het is alles in laatster instantie product van stofwisseling, vrucht van omstandigheden. Indien de dieren, zegt Darwin, als menschen waren opgevoed, zouden zij ook menschen zijn. Alleen het toeval of het noodlot, al naar gij het verkiest te noemen, heeft het anders gewild. Eerst levende als beesten, klauterend op de takken der boomen, in gemeenschap van vrouwen, zonder eenig besef van recht of wet, van goed en kwaad, hebben zij toch langzamerhand, door de omstandig heden gedwongen, op de wijze der bijen en mieren en kevers kolonies gevormd. En in die kolonies zijn langzamerhand naast en tegenover de aan den mensch oorspronkelijk eigene dierlijke en zelfzuchtige neigingen ook sociale instincten tot ontwikkeling gekomen, die tegen gene opwogen, ze in balans hielden, en de menschen niet uitsluitend voor zichzelven maar tot op zekere hoogte voor anderen deden |34| leven. Deze sociale instincten, beschermd en aangemoedigd door de maatschappij, hebben dan allengs het besef van recht en onrecht, van goed en kwaad, van waar en onwaar, gekweekt en de behoefte aan kunsten en wetenschappen gewekt. Er is daarom geen zedelijke wereldorde, geen objectief recht, geen onveranderlijke zedewet, geen absoluut onderscheid van goed en kwaad. Dit alles is product van de omstandigheden. Onder andere verhoudingen zou de zedewet eene gansch andere zijn, zou goed kwaad en recht onrecht en waarheid leugen zijn. Zelfs de godsdienst heeft geen objectieve waarde. Hij is alleen geboren uit het conflict van zelfgevoel en noodgevoel. Afhankelijk van en menigmaal machteloos tegenover de natuur, grijpt de mensch, om zichzelf in physischen of in ethischen zin te handhaven, onzichtbare machten aan, die hij in analogie met zijn eigen zieleleven in en straks boven de natuur vermoedt te bestaan en tracht door offer en gebed hunne hulp te verwerven in den strijd. Maar een godsdienst, een dienst van God, is er niet, want er bestaat geen God. Religie bezit hoogstens subjectieve waarde. Alleen de mensch is de maatstaf der dingen.


Zoo denkt zich de nieuwere wereldbeschouwing het wezen der stoffelijke en geestelijke verschijnselen. |35| Bijna zou men vragen: hoe het mogelijk is. En in elk geval: hoe kan men voor zulk eene beschouwing geloof eischen in naam der wetenschap? Want dit is al aanstonds duidelijk, dat er op dit standpunt geen objectief onderscheid bestaat van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waarheid en leugen. Alles is goed en schoon en waar, in zijn tijd, op zijn plaats, naar ieders believen en keus. En toch beweren de aanhangers der nieuwere wereldbeschouwing de waarheid te hebben, de zuivere, de volle waarheid, die de nevelen wegvaagt, de dwaling verdrijft en den gelukstaat opent. Zij meenen eene wereld te hebben, zonder raadsel, zonder mysterie en dringen deze met ongekende stoutmoedigheid aan anderen op. Aan de eene zijde, naar hun beginsel sceptisch, zijn ze in de practijk verstokte dogmatisten, dweepers dikwerf in veel erger mate dan de aanhanoers van eenig godsdienstig geloof. Geen objectieve waarheid erkennend, zijn ze van de waarheid hunner eigen leer toch zekerder dan menig rechtzinnige overtuigd. Reeds door dit enkele feit huldigen zij op een principieel, beslissend punt het recht en de waarde der oude wereldbeschouwing. De zonde is altijd gedoemd, om ondanks zichzelve hulde te brengen aan de deugd, en de leugen is gedwongen, in het gewaad, waarin zij zich hult, eerbied te betuigen aan de waarheid, |36| die zij bestrijdt. Als de voorstanders der nieuwe wereldbeschouwing, in naam van de wetenschap, dat is in naam van de waarheid, geloof voor hun stelsel eischen, dan kunnen zij dat niet anders doen dan met erkenning van het objectieve, van menschelijke opinie onafhankelijke onderscheid van waarheid en leugen en dus ook van goed en kwaad, van recht en onrecht, van schoon en onschoon.

Ja meer nog, als zij met gloed van overtuiging, met kracht van, taal, met sterkte van bewijzen hun waarheid tot het gemeengoed der menschheid willen maken en daardoor willen arbeiden aan den gelukstaat der toekomst, aan het rijk van het ware, goede en schoone, deze „triniteit van het monisme”; dan erkennen zij daarmede eene wereld van onzienlijke goederen, die in waarde de wereld der zichtbare dingen verre te boven gaat en ze beheerscht en regeert. Met hun ernstig denken en hun krachtig willen den natuurdwang trachtende te breken, toonen zij daarmede, zelven burgers van eene hoogere, redelijke en zedelijke wereld te zijn, die boven de mechanische natuurorde verheven is en van haar in wezen verschilt. Zelven berusten zij niet in de physische noodzakelijkheid, maar eeren de zelfstandigheid en vrijheid der menschelijke persoonlijkheid. Zij leveren zelf het krachtigst bewijs, dat zij geen |37| machines, geen dieren zijn, maar menschen, menschen van Gods geslacht en naar zijn beeld geschapen.

Trouwens, dat beeld laat zich nooit ganschelijk uitwisschen. Het werkt na ook in den diepst gezonken en verst afgedwaalden mensch. Het draagt een onverdelgbaar karakter en wreekt zich, tot in de ontroering en de beschuldiging der conscientie toe. De mensch kan de leugen aanhangen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo dat hij ze voor waarheid houdt en alzoo aan de waarheid hulde brengt. Hij kan de zonde dienen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo, dat hij het kwaad voor goed rekent en alzoo aan het goede zijn eerbied betuigt. Hij kan voor een afgod nederknielen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo dat hij in den afgod den waarachtigen levenden God meent te zien en alzoo voor het Eeuwige Wezen nog zijn ontzag en vreeze belijdt. God laat zich aan geen mensch onbetuigd. In ieders bewustzijn en geweten, in aller rede en hart openbaart zich een rijk van eeuwige en onzienlijke goederen, dat voor geen twijfel uit den weg gaat en voor geen stoute ontkenning terugwijkt. De materialist moge zich blind turen op de stoffelijke wereld; geestelijke, ideale goederen zijn ook goederen, al zijn ze niet te meten noch te wegen, en niet om te |38| zetten in een bankbiljet. Zonde, schuld, berouw, angst, wroeging, genade, vrede, liefde, troost, schuldvergiffenis enz., zijn ook verschijnselen, die verklaard moeten worden, even goed als de wereld van ponderabele stof en mechanische kracht.

Wat de nieuwere wereldbeschouwing ons nu ter verklaring van deze geestelijke, zedelijke verschijnselen biedt, is werkelijk den naam van verklaring niet waard. Of wat dunkt u, mag dat eene verklaring heeten, als de persoonlijkheid van haar vrijheid en zelfstandigheid beroofd; als het objectief bestaan van waar en valsch, van goed en kwaad, van recht en onrecht geloochend; als godsdienst en zedelijkheid in een waan worden opgelost? Wij betwisten het recht niet, om het onmiskenbaar verband, de wederkeerige betrekking der geestelijkcen der stoffelijke verschijnselen zoo ver en zoo diep mogelijk op te sporen. Maar evenmin als wie anatomisch en physiologisch de hersenen onderzoekt, de gedachte; of wie anatomisch en physiologisch het hart onderzoekt, de liefde verklaart; evenmin heeft hij het geheim van godsdienst en zedelijkheid, van kunst en wetenschap ontdekt, die hun verband in het licht stelt met de sociale toestanden van iederen onderscheidenen tijd. Wie dat meent, spot inderdaad met de nooden van het menschelijk hart. Zij doen |39| als de onbarmhartige vriend in Jezus’ gelijkenis: als wij hen bidden om brood, zoo geven zij ons een steen; en als wij hen vragen om een visch, zoo bieden ze ons een slang, ten bewijze dat de barmhartigheden der goddeloozen nog wreed zijn. En wie zich voeden wil met deze spijze der wetenschap gaat het, naar Jesaja’s woord, gelijk wanneer een hongerige droomt dat hij eet, en als hij ontwaakt, is zijne ziel ledig; of gelijk wanneer een dorstige droomt dat hij drinkt, maar als hij ontwaakt, zoo is hij nog mat en zijne ziel is begeerig.

De ontwikkelingstheorie is daarom tot verklaring van den rijkdom en de verscheidenheid der schepping ten eenenmale onbekwaam. Trouwens, zelfs het woord ontwikkeling komt op het standpunt der mechanische wereldverklaring niet te pas. De evolutionisten hebben het zich wel wederrechtelijk toegeëigend en gebruiken het als eene leuze, die hun armoede verbergt, als een vlag, die de lading niet dekt. Maar ontwikkeling staat niet tegenover schepping, doch is alleen op haar grondslag mogelijk, en hoort alleen bij hare belijdenis thuis. Ontwikkeling toch brengt zelve niets voort, zij is geen moeder des zijns of des levens; zij is niets dan een vorm van beweging, die slechts tot openbaring brengen kan, wat innerlijk in de kiem verborgen is. Maar de |40| zoogenaamde ontwikkelingstheorie kent geen kiemen; zij weet van geen aanleg of vermogen, van geen geschikthedén en vatbaarheden. In haar stelsel is er alleen plaats voor atomen en complexen van atomen, die in zichzelve geheel passief zijn en alleen door omstandigheden van buiten op mechanische of chemische wijze saam worden gevoegd. En hierbij is er van ontwikkeling in eigenlijken zin geen sprake. Niemand denkt er aan, om bij eene machine, wier deelen in eene fabriek stuksgewijze vervaardigd en daarna in elkaar zijn gezet, van ontwikkeling te spreken. Voor ontwikkeling wordt dan eerst de gelegenheid geopend, als door almachtige schepping aan wezens het aanzijn wordt geschonken, die in den weg van organischen groei worden moeten, wat zij in kiem en beginsel reeds zijn. Wie ontwikkeling zegt, zegt gedachte, plan, wet, doel; wie ontwikkeling noemt, noemt God, die in de „hyle” den „eidos”, in de kiem het volwassen organisme, in het heden de toekomst legde en bij de schepping alle tijden en gelegenheden overzag. Zoo weinig staat dus ontwikkeling tegen schepping over, dat er veeleer geen keuze overblijft dan tusschen schepping met de rijkste ontwikkeling eenerzijds en mechanische verbinding door het toeval van een heirleger van gelijke atomen aan den anderen kant. Ontwikkeling staat tusschen |41| oorsprong en einddoel in; zij leidt onder Gods voorzieniaheid van het eerste tot het laatste heen en brengt tot ontvouwing al den rijkdom des zijns en des levens, waaraan God bij de schepping het aanzijn gaf.

Als wij daarom tegenover de materialistische eenzijdigheid niet sommige maar alle verschijnselen in ons wereldbeeld opnemen, hoe verandert en verruimt zich dan onze blik op het heelal! Dan is de wereld geen eentonig eenerlei, geen mechanisch proces, geen redelooze machine, maar een organisch, levend geheel. Er is daarin niet alleen stof en kracht, maar ook geest en bewustzijn, rede en wil. Er werken daarin niet alleen mechanische en chemische, maar ook geestelijke en zedelijke krachten. Er heerschen daarin niet alleen wetten voor de stoffelijke natuur, maar ook wetten voor planten en dieren, voor engelen en menschen, voor het maatschappelijk en het staatkundig leven, voor godsdienst en zedelijkheid, voor wetenschap en kunst, voor al de rijken van het ware en goede en schoone. De wereld is eene eenheid; maar die eenheid openbaart zich in de rijkste, schoonste verscheidenheid. Hemel en aarde zijn van den beginne af onderscheiden; zon en maan en sterren ontvingen hun eigene taak; plant en dier en mensch hebben hun eigen natuur. Alles wordt door God geschapen met een eigen aard en bestaat en leeft |42| naar eene eigene wet. En toch, onderscheiden, zijn de schepselen niet gescheiden. Zij vormen samen één geheel, een organisme, een kunstwerk, waarvan God zelf de kunstenaar en de bouwmeester is. In Hem, in zijn raad, in zijn wil vinden alle schepselen hun oorsprong en houden zij alle hun bestand. Alles komt uit Hem voort en alles is en beweegt zich en leeft in Hem. Hij is geen Deus ex machina, geen noodhulp, dien de mensch ten slotte, als hij ten einde raad is, tegen de machtige natuur ten bijstand roept. Maar Hij is de Sprinkader van alle zijn, de Oorsprong van alle leven en licht, de overvloedige Fontein aller goeden, die in de wereld zijne deugden tentoonspreidt en haar met zijne heerlijkheid vervult.

En dan, de nieuwere wereldbeschouwing heeft geen behoefte aan God; zij heeft nog minder behoefte aan Christus. Zij kent geen zonde en zij weet van geen schuld. Zij heeft geen Redder van noode maar zaligt zich zelve. Zij spreekt wel van ontwikkeling en veredeling en beschaving, die het hart onveranderd laten en hoogstens het „wilde dier” in den mensch een tijdlang aan banden leggen. Maar zij weet van geen wedergeboorte en vernieuwing door den H. Geest, van geen geloof, dat rechtvaardigt en de wereld verwint. Zij is de wereldbeschouwing van het Heidendom, dat God kennende, Hem als God niet verheerlijkt |43| en dankt, dat de waarheid Gods in de leugen verandert en het schepsel eert en dient boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid. Zij versmaadt de redding van boven en wil van beneden zich zelf opheffen naar omhoog; van eene menschwording Gods wil zij niet weten en stelt er ijdellijk eene Godwording van den mensch voor in de plaats.

Doch zie, voor ons staat te midden eener wereld van zonden en jammeren, van raadselen en mysteriën op de hoogte van Golgotha het kruis van Christus opgericht. En over dat kruis heen geven God en wereld, geven engelen en menschen, geven volken en natiën, geven alle schepselen elkander de hand, de hand der verzoening en des vredes. In het kruis lossen alle raadselen des zijns en des levens in beginsel zich op. Want daardoor heeft God de wereld met zichzelven verzoend en over alle overheden en machten volkomen getriumfeerd. Alle dingen zijn uit God, maar ze zijn en blijven ook in God en door God, en keeren daarom ook eenmaal uit hunne verstrooiing tot Hem weder. Wat dunkt u, is zulk eene wereldbeschouwing niet waarachtiger, niet schooner, niet rijker dan die, welke in het gansche heelal niets anders dan een toevallig spel van levenlooze atomen aanschouwt? |44|


III.

Nog eene derde vraag, niet minder belangrijk dan de beide vorige, blijft ten slotte ter beantwoording over, die naar het doel en de bestemming der dingen. Wat is het einde dezer wereld? Waar loopt de geschiedenis der menschheid op uit? Waar ga ik zelf heen?

Op dit punt bovenal komt de ongenoegzaamheid en het onbevredigende van de theorie der ontwikkeling uit. Want om terstond en in één woord alles te zeggen: zij kent geen doel; er is bij haar geen sprake van een plan, van een bestemming der dingen; zelfs voor eene geschiedenis van wereld en menschheid is er in haar stelsel geen plaats. ’t Is waar, het leven blijkt dikwerf sterker dan de leer en de practijk wint het menigmaal van de theorie. Herhaaldelijk vinden wij in evolutionistische werken toch weer van een doel gesproken. Zoo zegt bijv. Haeckel: |45| de inrichting van oor en oog en hand is zoo wonderbaar doelmatig, dat zij ons tot de dwalende hypothese van een „schepping naar een voorbedacht plan” kon leiden! Maar dit spreken van een doel geschiedt dan òf onbewust, òf zonder grond. Want het stelsel der ontwikkelingsleer biedt geen ruimte voor een plan of een doel. Er heerscht daar niets dan de dwang van het noodlot of de grilligheid van het toeval. Alles is zooals het is, zonder reden, zonder doel. Op de vraag, waartoe dan toch alles gediend heeft, heeft de evolutie-theorie hoegenaamd geen autwoord. Bij die vraag blijft zij verlegen en zwijgende staan.

Er is geen doel voor den enkelen mensch. Hij is er, maar waarom en waartoe hij er is, valt niet te zeggen. Hij is er, blijft een tijd en gaat henen. Dan is het uit, la farce est jouée, de dood is het einde van een erbarmelijk leven. Wijl er geen ziel is en geen geest, is onsterfelijkheid dwaasheid, en het geloof daaraan niets dan egoïsme. Het graf, of nog beter de lijkoven, is ’s menschen allerlaatste verblijf.

Er is ook geen doel voor de menschheid. De geschiedenis toch is geen tooneel der vrijheid, maar zij is even noodzakelijk en evenzeer door mechanische krachten en wetten beheerscht als de physische |46| wereld. Gansch verkeerd is die beoefening der historie, welke met den wil, met de individuen, met de personen rekent en van dezen den gang der geschiedenis afhankelijk acht. En in eere moet komen de natuurwetenschappelijke methode, welke in de maatschappij, in de massa, in de oeconomische verhoudingen, in de sociale toestanden, den eenigen, alles beheerschenden factor der geschiedenis ziet en daaruit de menschen met hun gedachten en wenschen, met hun godsdienst en zedelijkheid, met hun kunst en wetenschap verklaart. Redeloos, planloos, doelloos gaat de menschheid haar ondergang tegemoet.

Er is geen doel voor de aarde, voor de tegenwoordige wereld in haar geheel. De wetenschap leert, dat er eens zeker een einde komt aan heel het planetenstelsel, waarvan de aarde een deel uitmaakt. Zooals het eens uit een nevelmassa opkwam, zal het daarin ook weder eenmaal ondergaan. Wel zijn er enkelen, die beweren, dat de tegenwoordige toestand eeuwig zal duren. Maar de natuurkundige wetenschap [weer]spreekt deze bewering ten stelligste en acht ze onhoudbaar. Een oneindige tijd met een oneindigen vooruitgang is ook zoowel voor de aarde als voor het menschelijk geslacht eenvoudig ondenkbaar. Er moet een einde aan komen. Te rekenen met millioenen van jaren, in het verleden of in de |47| toekomst, is kinderspel, ernstige mannen onwaardig, in den grond van dezelfde waarde als de reusachtige getallen der indische mythologie. Alle natuurkundigen leeren dan ook, dat er eenmaal na millioenen van jaren een einde aan deze aarde zal komen. Hoe rijk ook, zij is niet onuitputtelijk: steenkolen, hout, turf, delfstoffen, enz. nemen gaandeweg af en te meer naarmate het menschelijk geslacht toeneemt en de gansche aarde overdekt. Reeds om deze reden kan de ontwikkeling der menschheid niet als eindeloos voortgaande gedacht worden. Maar daar komt bij, dat er langzamerhand eene geweldige storing komen moet in heel ons planetenstelsel. De omdraaiïngssnelheid der aarde neemt, volgens berekening, minstens ééne seconde in de 600.000 jaren af. Dit moge nog zoo weinig zijn; na biljoenen van jaren brengt dit een omkeer in de verhouding van dag en nacht teweeg, die alle leven op aarde onmogelijk maakt. Er is in de natuurwetenschap alleen verschil over, wie van beide het het langst uithouden zal: de zon of de aarde. Indien de zon het eerst haar voorraad van warmte verteert, dan gaat de aarde den dood der verstijving tegemoet. Indien de aarde het eerst is uitgeput, komt ze in de zon terecht en vindt daar haar ondergang. Maar, hetzij door bevriezing, hetzij door verbranding, de dood is voor |48| de wereld evengoed het einde als voor den enkelen mensch en voor heel het menschelijk geslacht.

En als dan aan de voorstanders van de ontwikkelingsleer met het oog op deze toekomst gevraagd wordt: waartoe alles dan toch bestaan en geleefd heeft, hebben zij niets te antwoorden en laten ons verlegen staan. Als het eenmaal, zegt Von Hellwald, zoover gekomen zal zijn, dan zal de eeuwige rust des doods over de aarde heerschen. De aarde zal dan, van haar dampkring en haar levende wezens beroofd, in eeuwige maangelijke verwoesting om de zon wentelen, als te voren; maar het menschelijk geslacht, zijn cultuur, zijn worstelen en streven, zijne scheppingen en idealen zullen geweest zijn. En met de onbeantwoorde vraag: waartoe? eindigt hij zijne geschiedenis der cultuur.

Dat is de eschatologie, de leer der laatste dingen in de dogmatiek der ontwikkelings-theorie. Het spreekt echter wel vanzelf, dat niemand bij zoo droeve verwachting leven kan. De voorstanders der evolutie zeggen wel telkens tot ons, dat het in de wetenschap niet de vraag is: wat troost, maar wat waar is. En zij spotten met de eerste vraag van den Heidelberger: wat is uw eenige troost in leven en sterven? Maar ten slotte kunnen ook zij den troost in het leven niet missen. En omdat in de verre toekomst alles |49| donker en doodsch voor hen is, troosten zij er zich mee, dat het nog lang, nog van jaren duurt, eer het zoover komt. Actueel zijn de boeken en geschriften niet, zeide Prof. Haga in zijne boven reeds aangehaalde rede, waarin de aarde beschreven wordt als alle zonnewarmte missende, en het laatste menschenpaar wordt afgebeeld in koude omarming te sterven. Kinderachtig ware het, zegt Henne am Rhyn, om er over te treuren, dat eens alles geweest zal zijn en dat niemand dan van ons en van ons streven en werken kennis zal nemen. Want wij hebben nog tallooze eeuwen voor ons en het is de moeite wel waard, om voor onze kinderen en kindskinderen nog iets degelijks tot stand te brengen.

Naarmate de laatste toekomst donkerder en treuriger is, koesteren de evolutionisten te hooger verwachting van de naaste, voor de hand liggende toekomst. Zonder hoop kan de mensch nu eenmaal niet leven. De individu moge te gronde gaan; het menschelijk geslacht eens na millioenen van jaren verbranden of verstijven; in de eerstvolgende eeuwen breekt voor de menschheid eene heerlijke, zalige toekomst aan. Het paradijs in het verleden was een vrucht der verbeelding, in de toekomst zal het volgens de profeten der ontwikkelingsleer eerlang tot tastbare werkelijkheid worden. Een hemel boven de aarde |50| is een vrome doch ijdele droom, maar een hemel op deze aarde is spoedig aanstaande. De ontwikkelings-theorie wordt aan deze verwachting dienstbaar gemaakt. Zie, hoe ver de mensch het reeds gebracht heeft. Hij was een dier, hij werd een mensch, waarom zou hij niet langzamerhand een engel worden! Zijne heerschappij over de aarde breidt zich gaandeweg uit. Alle krachten der natuur worden hem onderworpen. De raadselen der schepping verdwijnen voor zijn onderzoekenden blik. Het leven wordt door zijn uitvindingen en ontdekkingen verrijkt en verheerlijkt. Nog een kleinen tijd, en het paradijs is op aarde gesticht. Uit de nevelen zal de dag eenmaal rijzen.

Met schitterende kleuren wordt deze toekomststaat door vele evolutionisten geteekend. Als die dag gekomen zal zijn, dan zal, zegt Haeckel, de dienst van het ware, goede en schoone algemeen zijn, en den ouden godsdienst vervangen. De moderne mensch zal geen kerkgebouw meer van noode hebben. Maar overal, in de vrije natuur, waar hij zijn blik laat weiden in het eindelooze heelal, vindt hij zijne kerk in de natuur zelve. Dan zal, profeteert Nordau, de menschheid geen abstract begrip meer zijn, maar eene werkelijkheid. Gelukkig de later geboren geslachten, wien het bescheiden zal zijn, van de zuivere lucht |51| der toekomst en van haar helderen zonneschijn omspeeld, in dit broederverbond der menschheid te leven, waar, wijs, vrij en goed. En Allard Pierson roept uit: in die toekomst zal de man, die op hoogere beschaving prijs stelt, de vrouw liefhebben als zijne zuster, en de vrouw, die zichzelve eerbiedigt, den man beminnen als haren broeder; en de edelste menschen zullen in waarheid kinderen zijn van een en hetzelfde gezin. De jonge man zal met de jonge vrouw verkeeren, en niets hun geest afleiden van de overpeinzing en behartiging der hoogste aangelegenheden; de onschuld zal weergekeerd zijn!

Zoo droomen en dweepen, nu niet de rechtzinnig geloovigen, maar de voorstanders van de zoogenaamd streng-wetenschappelijke ontwikkelingstheorie. Aan grooter illusiën geven zij zich nog over dan de chiliasten onder de Christenen, die in deze bedeeling een Christusrijk op aarde verwachten. Want wat weet de wetenschap van de toekomst af? Wie verzekert ons, dat de hooge cultuur, door de volken bereikt, zal blijven bestaan en niet in dreigende revolutiën te gronde zal gaan? Waar is de cultuur van Babyloniërs en Assyriërs, van Egyptenaren en Perzen, zelfs van Grieken en Romeinen gebleven? Heeft men niets gehoord van het zwarte, het gele en het roode gevaar, van de sociale omwentelingen, die |52| heel onze beschaving met nivelleering en ondergang dreigen? En wat kan men bouwen op eene ontwikkeling, die in dagen als deze dienstbaar gemaakt wordt aan het recht van den sterkste, aan den triumf van het geweld, aan de verheerlijking van den „Wille zur Macht”?

Doch van deze droombeelden weerlegging genoeg! De Leekedichter heeft met deze dwaze verwachtingen reeds geestig den spot gedreven als hij zong:

Gij weet het groote nieuws, en hoe door ’t nieuwe licht
Van Theologen, Filosofen, Oekonomen, En andere Oomen,
Na eerlang hier op aard de hemel wordt gesticht!
Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
’t Duurt nog een groote veertien dagen.

En het anarchisme weigert nog langer geduld te hebben en is met de ijdele voorspiegeling eener heerlijke toekomst in de verte niet langer tevreden. De mannen der ongeloovige wetenschap hebben het den Christenen voortdurend verweten, dat zij de armen troosten met de belofte van een zalig leven hiernamaals. De aanklacht daalt thans neer op hun eigen hoofd; zij wordt hun door hun eigen geesteskinderen voor de voeten geworpen. Wat baat het ons, zoo roepen dezen uit, dat onze nakomelingen over duizenden jaren welvaart en voorspoed en vrede zullen smaken, indien wij thans met onze gezinnen omkomen van, honger en gebrek. De orthodoxen |53| trekken een wissel op den hemel, de liberalen op eene nevelachtige toekomst. Beide is even onzeker. Verschaft ons heden ten dage de middelen, om te leven, te eten en vroolijk te zijn! En de bedreigingen nemen toe, dat, indien men dit alles niet goedwillig wil schenken, men het met geweld, met behulp van petroleum en dynamiet, van revolutie en moord, zich zal weten te verwerven. Neen, waarlijk, de gouden eeuw, door zoo velen verwacht en beloofd, is nog niet gekomen. Haar dageraad is zelfs nog niet aan de kimmen te zien. Wachter, wat is er van den nacht?

Geen wonder, dat daarom steeds meerderen aan alle verwachting voor de toekomst zich spenen en in doffe wanhoop het pessimisme prediken. Het is louter illusie, zoo zeggen zij, om op betere tijden te hopen. Socialistische gelijkheid is dwaasheid. De menschen zijn altijd een kudde dieren geweest en zullen dat blijven. Slechts enkelen is het gegeven, om ten koste van het leven en het geluk van duizenden aan het schoone zich te wijden, te leven in weelde en pracht en gebruik te maken van het recht van den sterkste. Dat zijn de Uebermenschen, de uitverkorenen, de eenige zaligen, de goden der aarde. Maar de menschen zijn dieren geweest en zullen dat blijven. Daarom, gelijk het met den mensch gaat, |54| zoo gaat het ook met de menschheid. Het kind leeft voor het oogenblik, de jongeling dweept met zijn idealen, de man streeft naar kennis en rijkdom en eer, en dan komt de grijsaard, ziet de ijdelheid van alle streven in en legt levenszat het moede hoofd ter ruste. Zoo doorleeft ook de menschheid haar kindsche, haar jongelings-, haar mannelijke jaren. Daarna wordt zij oud en verliest hare kracht. Aan het einde ziet zij de ijdelheid in van al haar streven en worstelen en jagen. Dan laat zij alle hoop varen, komt tot de ontdekking, dat deze wereld de slechtst mogelijke is en beter nimmer hadde bestaan, en begeert dan niets dan rust en stilte, de rust van den dood, de stilte van het graf, de eeuwige smarteloogheid van het niet!


Een volslagen bankroet, zedelijk en geestelijk, is het einde der moderne wereldbeschouwing. Het diepzinnig woord van Paulus wordt er in bevestigd, dat wie zonder God en zonder Christus is, ook zonder hope is in de wereld. Wij Christenen hebben echter, Gode zij dank, eene andere hope en eene gegronder verwachting. Wij weten van heerlijker dingen te spreken, wijl God ze ons geopenbaard heeft in zijn Woord. De H. Schrift is een wonder boek; geen ander boek is haar gelijk. Zij begint met den oorsprong aller |55| dingen, met de schepping van hemel en aarde. Zij verhaalt ons van ’s menschen geschapen zijn naar Gods beeld, maar ook van zijn ontzettenden val in zonde en dood. Maar dan vangt ze ook aanstonds aan met de beschrijving, hoe God in zijn genade voor een verlorene menschheid bij den Held, uit eene vrouw geboren, hulp en heil heeft besteld. Terwijl zij de Heidenen wandelen laat op hunne eigene wegen, verhaalt zij dan in historie en profetie, in psalm en sprenke de verlossingen, die Hij wrocht voor zijn volk, en al de wondere daden, waarmede Hij heeft voorbereid de komst van zijn Zoon in het vleesch. En als de tijden vervuld zijn, leidt zij ons naar de kribbe heen, plaatst ons aan den voet van het kruis, waar de Christus sterft, dragende onze zonden en verzoenende de wereld met God. Door de Apostelen worden ons daarna de schatten ontsloten van genâ en ontferming, die in dat kruis zijn verborgen. En eindelijk wijst ze ons heen naar een heerlijk verschiet, naar den nieuwen hemel en aarde, waar God bij zijn volk wonen en alles in allen zal zijn.

Dat is de „ontwikkelingstheorie”, dat is de gang der geschiedenis volgens de H. Schrift; dat is haar verwachting voor de toekomst; en dat dus ook de hope en het verlangen der kinderen Gods. Zij koesteren deze hope, zonder eenige vreeze dat de wetenschap |56| haar deze zou kunnen ontnemen, want wat weet de wetenschap van den dag van morgen, en welke dwáze verwachtingen stelt zij voor de hope der Christenen in de plaats! Er is inderdaad geen andere keuze, dan tusschen den ondergang van het bestaande, gelijk de hedendaagsche wetenschap dien leert, en de hope der heerlijkheid der kinderen Gods, gelijk de H. Schrift ons die predikt. En kan dan de keuze een oogenblik twijfelachtig en onzeker zijn? ’t Is waar, die toekomst van Christus nadert niet dan door eene geweldige crisis en worsteling heen. Jezus is op aarde gekomen, niet om den vrede, maar om het zwaard te brengen, om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen hare moeder en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. Zij zullen des menschen vijanden zijn, die zijne huisgenooten zijn. Christus is gekomen tot eene opstanding maar ook tot een val voor velen. Zijn woord is een oordeelaar van de gedachten en overleggingen des harten. Dwars door de menschheid heen gaat de scheiding van belijders en bestrijders van Christus.

Maar desniettemin, de toekomst is heerlijk en de hope gewis. In de bedeeling van de volheid der tijden wordt alles bijeenvergaderd in Christus, beide dat in de hemel en dat op aarde is. Het koninkrijk der hemelen, door Jezus op aarde gesticht, het is en |57| het blijft en wordt nimmermeer van de aarde gebannen. Het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen die zijne zijn. De poorten der hel zullen zijne gemeente niet overweldigen. Voor de wereld en Satan moge de naaste toekomst zijn, de laatste is zeker voor Christus.

O zeker, indien we van niets wisten dan van immanente zelfontwikkeling, wij hadden voor deze hope geen grond. Langs lijnen van geleidelijkheid is het koninkrijk der hemelen niet eenmaal gekomen en komt het ook in de toekomst niet. Niet van beneden maar van boven verwachten wij de gerechtigheid en het leven, de zaligheid en de heerlijkheid Gods. Maar Christus, die op aarde is nedergedaald, is dezelfde ook, die opgevaren is boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. En Hij is daartoe verhoogd, opdat eens alle knie voor Hem zich buigen zou en alle tong belijden, dat Hij de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.




a. Eerder gepubliceerd in: Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 8 (1901) 5,217-257. In Engelse vertaling verschenen in The Methodist Review 83 (1901) 849-874.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004