Samenwerking

Referaat gehouden op den 14en Bondsdag van den Nederlandschen Bond van Jongelingsvereenigingen op Geref. Grondslag [9 mei 1902] te Amsterdam

door Dr. H. Bavinck

[Ermelo] (Vereeniging „De Gereformeerde Jongelingsbond”) [1902]

a



Het enkele woord, waarin het onderwerp voor dit referaat is aangegeven, ontsluit terstond zulk een wijden en breeden gezichtskring, dat er bij de behandeling voor verdwaling zeer licht, maar voor afdwaling schier geen gelegenheid bestaat. Want op welk terrein is ze niet op te merken? Wie en wat in het gansch heelal werkt niet met elkander saam? Waar is het schepsel, dat los op zichzelf staat, dat ten volle zelfstandig en onafhankelijk is?

Waarheen wij het oog ook wenden, overal ontdekken wij verband tusschen de verschijnselen, samenhang in de gebeurtenissen, overeenstemming bij de verscheidenheid, eenheid in de veelheid. God heeft alle dingen in aard en orde, in maat en getal geschapen, met wijsheid en verstand, door het Woord, dat in den beginne bij Hem en zelf God was. En daarom is het gansch heelal, voortgebracht door en bij voortduur te zamen bestaande in den Eerstgeborene aller creaturen, ééne wereld, waarin alle deelen op elkander inwerken en samenwerken tot één doel. En heel het menschdom is, naar Bilderdijks woord, één tronk, wiens uitgeslagen armen en ranken weerzijds zich omkronkelen, elkaar tot steun verstrekken en tot schutsel. Niets staat los op zichzelf. Alles hangt organisch, als de leden in een lichaam, saam. Het kleinste en het grootste is opgenomen in het alles omvattend geheel en bekleedt daarin zijne eigene plaats. Alle schepselen, hemel en aarde, geest en stof, ziel en lichaam, menschen-, dieren- en plantenwereld staan met elkander in verband. Eene wondere, onbegrijpelijke aantrekkingskracht, die als een beginsel der liefde in het heelal is uitgestort, houdt alle dingen bijeen. En ze werken allen, bewust of onbewust, willens of onwillens, mede ten goede dergenen, die God liefhebben, en naar Zijn voornemen geroepen zijn. Want hunner zijn alle dingen, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende, omdat zij Christi zijn, en Christus Godes is, 1 Cor. 3 : 21-23. |4|

Maar al zou het enkele woord „samenwerking” dus tot eene uitgebreide godgeleerde verhandeling of tot eene diepzinnige wijsgeerige bespiegeling de aanleiding en de stof kunnen bieden, feitelijk wekt het bij ons allen zeker eene veel eenvoudiger gedachte op. De woorden ontvangen nu eenmaal hunne beteekenis door het gebruik. En dat gebruik heeft gewild, dat met het woord samenwerking zich aanstonds in ons bewustzijn een denkbeeld verbindt, dat ons niet opvoert tot de hoogten der wetenschappelijke beschouwingen, maar ons heel eenvoudig binnenleidt op het doornig veld der practische politiek.


*

Vóór alle dingen is het dus noodig, dat wij ons zeer in het kort herinneren, hoe daar het denkbeeld van samenwerking is opgekomen.

De Antirevolutionaire partij heeft in de negentiende eeuw hier te lande hare zelfstandigheid eerst verworven na langen en bangen strijd. Toen in den aanvang dier eeuw de adem van Gods Geest weer leven blies in de dorre doodsbeenderen, keerde in de vrome kringen van den Réveil weer iets van den oorspronkelijken toestand der Jeruzalemsche gemeente terug: allen, die geloofden, waren bijeen, één van hart en één van ziel, en zij hadden alle dingen gemeen, Hand. 2 : 44, 4 : 32.

Zoolang het confessioneel bewustzijn niet ontwaakte, voelde men in het algemeene, Christelijke, Protestantsche geloof zich ten innigste verbonden. Leden van verschillende kerken werkten liefelijk saam. De gloed der eerste liefde drong en hield de reeds aanwezige verscheidenheden terug. En toen deze later hoe langer hoe duidelijker aan het licht traden, bleef Groen van Prinsterer er toch steeds naar streven, om alle Christelijke vrienden op politiek terrein als broederen te doen samengaan. Hij was naar zijn eigen woord niet alleen op weren, maar steeds ook op werven bedacht. De schoolstrijd schonk hem daartoe naar zijne overtuiging eene geschikte gelegenheid. In den strijd voor het Christelijk onderwijs waren alle vrienden het eens en trokken zij samen op. Daarom was het onderwijs ook het eenig artikel van zijn program van actie. Alle andere vraagstukken werden meestal zorgvuldig ter zijde gesteld. |5|

En toch is dit verzoenend streven aan den leider slechts zeer ten deele gelukt. Naarmate de beginselen ook op het terrein van het Christelijk onderwijs doorwerkten, gingen de vrienden steeds verder uiteen. Groen zelf zag steeds duidelijker de noodzakelijkheid in, om uit zijne geloofsbelijdenis eene politieke gedachte af te leiden en op dien grondslag tot de vorming eener zelfstandige partij te komen. Vooral na de teleurstelling met van der Brugghen in 1857, door die met van Zuylen in 1866 gevolgd, kwam hij met een eigen, belijnd program voor den dag. Maar toen ook werd hij door velen verlaten, die van partijvorming afkeerig waren, en in de politiek liefst met de Conservatieven samengingen.

Doch de veldheer hield stand, desnoods zonder leger. Uit de omarming der Conservatieven maakte hij de Antirevolutionairen los en deed ze sterkte zoeken in hun isolement. En na zijn aftreden werd deze louteringsarbeid door zijn opvolger in een tiental jaren, van 1871 tot 1881, voortgezet en voltooid. In die merkwaardige periode is de strijd gestreden tegen alle fusie van Antirevolutionairen, Conservatieven en Roomschen. Alle ongezonde Triple-allliantie-politiek, alle valsche partijformatie op een algemeen-protestantschen of vaag-christelijken grondslag is toen met groote beginselvastheid veroordeeld en afgewezen. En de Antirevolutionaïren kwamen uit dien strijd, met een eigen dagblad en kleine pers, met een onderscheiden program van beginselen en van actie, met een Centraal-Comité en een aantal aangesloten Kiesvereenigingen, als eene zelfstandige, bewonderenswaardig georganiseerde partij voor den dag.

Maar hoe onbestrijdbaar hare zelfstandigheid, hoe uitnemend hare organisatie ook was, zij bleef toch klein en zwak. Alleen kon ze weinig beginnen, Roomschen en Liberalen waren veel machtiger dan zij. Winste voor hare beginselen en voor de toepassing daarvan op het staatsleven was er dan alleen te behalen, als zij in bondgenootschap met anderen trad. Zoo kwam het denkbeeld van samenwerking op. Het was al uitgesproken en uitgewerkt in de jaren 1870 en ’71. Maar eerst na 1881, toen de zelfstandigheid der Antirevolutionaire partij een feit en het gevaar voor fusie voorbij was, scheen de tijd voor toepassing gekomen te zijn. |6|


*

Van deze samenwerking, gelijk ze na ’81 onder vele wederwaardigheden tot stand kwam, is eene groote bekoring uitgegaan; en te grooter, naarmate ze tot schitterender uitkomsten leidde. En inderdaad zijn er op politiek, evenals op ander terrein voordeelen aan verbonden, die niet gering zijn te schatten.

Ten eerste legt zij voor ieder, die weet wat ze is en wezen moet, van beginselvastheid een onwraakbaar getuigenis af. Want ofschoon vroeger uitgesproken, werd ze eerst na ’81. voor toepassing vatbaar geacht. Het samengaan der Antirevolutionairen met Conservatieven en Roomschen, in de voorafgaande periode, geschiedde zonder afspraak en overleg, geheel ter goeder trouw, zonder dat men zich over en weer van de beginselen rekenschap gaf. Het was geen welbewust samenwerken, maar een onbewust samengaan, een gedachteloos zich laten meevoeren op den stroom, een onnadenkend zich ondereen vermengen, dat op schade en schande uitloopen moest.

Maar de toestand was in deJaren ’71-’81 een gansch andere geworden. De Antirevolutionaire partij had zich eene zelfstandige plaats veroverd onder de staatkundige groepen in ons vaderland. Ieder wist, kon althans weten, wat hij aan haar had. Haar beginsel en streven was duidelijk geformuleerd. Wie zich met haar verbond, kon niet voorwenden door onkunde misleid te zijn. Het strenge isolement, waartoe de Antirevolutionaire partij was opgevoed, bood thans juist de gelegenheid tot samenwerking aan, wijl het fusie, althans voor den eersten tijd, onmogelijk had gemaakt.

Daarbij getuigt samenwerking van een gezonden, nuchteren, practischen zin. Want of men er mede ingenomen is of niet, de macht rust thans bijna op ieder gebied bij de meerderheid. Pers, stembus, vereenigingsleven zijn de beweegkrachten dezer eeuw. Wij kunnen ons daartegen verzetten en weigeren er gebruik van te maken; maar wij doemen ons dan tot onvruchtbaarheid, stellen ons buiten den stroom van het nationale leven, en geven de hope op kerstening van het volk prijs. Natuurlijk, als pers en stembus op zichzelf ongeoorloofde middelen zijn, dan mogen zij door ons niet in gebruik genomen worden; want het doel heiligt de middelen niet. Maar wie durft zoo iets beweren? En |7| indien zij het niet zijn, mogen en moeten ze in den dienst gesteld worden van den strijd en de zegepraal onzer beginselen. Hiermede rekening houdend, beoogt samenwerking met behulp der meerderheid te komen tot de macht.

Te meer bestaat hiertoe het recht, wijl principieele veroordeeling van alle samenwerking zoo licht overdreven individualisme voedt, geestelijken hoogmoed kweekt en onedele concurrentie bevordert. Aan alle valsche isolement is zoo spoedig het gevaar van geveinsdheid en schijnheiligheid verbonden. Zoo gemakkelijk vat dan de gedachte post in ons hart, dat wij heiliger dan anderen zijn. Uit de hoogte zien wij op hen neer, en miskennen het ware en goede, dat ook in hun kring nog gevonden wordt. Tegen al deze eenzijdigheden en overdrijvingen worden wij door samenwerking behoed. Zij brengt ons in aanraking met degenen, die meer of minder ver van ons afstaan, doet aan het licht treden, wat bij alle verschil ons gemeen is, en brengt ons daardoor tot het ootmoedig besef, dat wij deelen zijn van een veel grooter geheel.

Dat besef past ons als menschen en tevens als Christenen. Wij zijn leden van een geslacht, van een volk, van eene natie en hebben als zoodanig verplichtingen tegenover hen, die naar Gods bestel met ons burgers zijn in denzelfden staat. Wij zijn Christenen en belijden als zoodanig ééne heilige, algemeene, Christelijke Kerk, wier grenzen niet die van geen enkele kerk samenvallen. Er zijn zedelijke, geestelijke goederen, die wij samen hebben te bewaren en te verdedigen. Niet òns uitsluitend is de schat der waarheid toebetrouwd. Al gelooven wij met heel ons hart, dat de Gereformeerde belijdenis de zuiverste uitdrukking der waarheid is, wij houden desniettemin of liever juist daarom onze armen wijd uitgebreid, en waardeeren met dankbaarheid, alwat God in zijne algemeene of bijzondere genade aan menschen en Christenen buiten den kring van onze geloofsgenooten heeft geschonken.

Samenwerking stelt daarom dikwerf in staat, om krachtiger en in ruimer kring de roeping te vervullen, die wij niet alleen tegenover onszelven hebben, maar ook tegenover hen, die buiten zijn. Wij zijn niet alleen leden van eene kerk, maar ook burgers van den staat, leden der maatschappij, |8| en behooren daarin weder tot een bepaalden rang en stand, tot eene bijzondere groep en klasse van personen. En ook in deze hoedanigheid rust de plicht op ons, om het Evangelie, dat het principieel geneesmiddel voor alle kwalen is, te prediken aan alle creaturen, en zoovelen als mogelijk is te doen deelen in den zegen, die aan de onderhouding van Gods geboden verbonden is. Tot de wet en tot de getuigenis, dat is de roepstem, die steeds van de Christenheid tot de wereld uitgaat. En die roepstem is te krachtiger en maakt te dieper indruk, naarmate zij met de geestdrift des geloofs door eene breeder schare aangeheven wordt.


*

Maar deze onmiskenbare voordeelen mogen aan, de andere zijde de oogen niet sluiten voor de bezwaren en gevaren, die aan alle samenwerking verbonden zijn. Het denkbeeld van samenwerking is van politieken oorsprong en is het eerst hier te lande door de Antirevolutionaire partij ontwikkeld en bepleit.

Maar het is daarom toch geen privaat eigendom van haar alleen; het is geen zonderlinge inval van haar leider. Want het heeft ook in andere landen en bij andere partijen verdediging en toepassing gevonden; het komt altijd op, als minderheden op geen andere wijze dan door bondgenootschap aan de oppermacht der tegenpartij een einde kunnen maken; het is een gebruik maken van het recht en de macht, die nu eenmaal in onze moderne maatschappij aan de meerderheid is geschonken. Men kan daarom zeggen, dat het in de lucht zit, dat het samenhangt met heel het leven en streven onzer eeuw, dat het overal en op alle terreinen, zij het ook onder andere namen, gehuldigd en toegepast wordt.

De Revolutie toch ving haar werk aan onder de bekoring van den natuurstaat van Rousseau, en hield, onder de leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap, eene groote opruiming van al de oude en inderdaad ook in velerlei opzicht verouderde organisaties, die de menschen onderling verbonden. Zij beschouwde de individuen als de laatste bestanddeelen van gezin, maatschappij en staat en proclameerde deze als mondig, als sonverein en vrij. Dit atomistisch beginsel werkt nog heden door op alle gebied des levens. Emancipatie is |9| de leuze der eeuw, emancipatie van alle Goddelijke en menschelijke wet. Staat, maatschappij, huisgezin; wetenschap, zedeleer, kunst; mannen, vrouwen, werklieden, dienstboden, onderdanen — allen streven naar vrijheid en onafhankelijkheid. In het egoïstisch stelsel van Max Stirner en Friedrich Nietzsche ontwikkelde zich dit beginsel tot in zijn laatste gevolgtrekking toe.

Maar het spreekt vanzelf, dat deze ontbinding, indien ze rusteloos doorwerkte, tot Anarchisme en Nihilisme leiden zou en alle menschelijke samenleving onmogelijk zou maken. Daarom was de Revolutie op een tegenwicht bedacht en vond dit in het denkbeeld van het contract. Individuen waren de laatste factoren van alle organisaties; bij hen berustte oorspronkelijk alle recht, gezag en macht. Maar zij konden toch elkander niet missen en voegden zich daarom uit vrije beweging weer saam. Alle samenleving der menschen in gezin, maatschappij, kerk, staat; alle verhoudingen tusschen heeren en knechten, overheid en onderdanen, onderwijzers en leerlingen zijn dus vrucht van vrije wilsdaad, vrijwillige overeenkomsten van souvereine individuen. Zelfs het huwelijk is een contract en de verloving heet tegenwoordig een engagement.

Wat de menschen alzoo samendrijft en in bepaalde, wederkeerige verhoudingen doet leven, is in één woord het belang. Van roeping, van plicht, van persoonlijke verbintenis, van zedelijken drang, van zelfopofferende liefde is bijna geensprake meer. Belangen drijven en houden de menschen bijeen. Onder de werking van dit beginsel vervormen zich allengs alle instellingen; alles verkeert in een staat van wording, van overgang, van evolutie, waarvan niemand weet, wat het einde zal zijn.

Intusschen heeft in overeenstemming met dezen geest der eeuw het vereenigingsleven eene vlucht genomen als nimmer te voren. Jongelingen, jongedochters, mannen, vrouwen, onderwijzers, leeraren, studenten, gymnasiasten, burgerlijke- en staatsambtenaren, natuur- en geneeskundigen, philologen en juristen, kunstenaars en intellectueelen, fabrikanten en kooplieden, patroons, werklieden, dienstboden, volken, staten, allen zoeken zich te vereenigen met hen, die door dezelfde belangen worden voortgedreven. En zoo ontstaan de tallooze soorten van vereenigingen, clubs, bonden, partijen, |10| genootschappen, maatschappijen, vennootschappen, combinaties, coalities, trusten, syndicaten enz., ten einde gemeenschappelijke belangen te behartigen en gemeenschappelijke kracht te ontwikkelen in de pijnlijke worsteling om het bestaan. Expansion, imperialisme — het is waarlijk niet alleen aan Engeland eigen, het zit allen menschen heden ten dage in het bloed. De philosophie van den „Wille zur Macht,” van den wil, om voornaam, om groot, om machtig te zijn, beheerscht bewust of onbewust alle klassen en standen, alle volken en staten.

Nu zijn het in de eerste plaats materieele belangen, die aan deze verschillende vereenigingen het aanzijn schenken en er behartiging in vinden. En deze belangen zijn niet zondig in zichzelve. De mensch, die naar Gods beeld word geschapen, heeft daarin juist de roeping en de kracht ontvangen, om heel de aarde te onderwerpen en te beheerschen. Maar het is toch buiten allen twijfel, dat de moderne cultuur door een materialistischen geest wordt bezield, die niet alleen aan alle religie, maar ook zelfs aan alle idealisme is gespeend. Mammon is de God dezer eeuw, die de zinnen verblindt. Denk alleen maar aan de trusts, die met de macht van het geld alle concurrentie dooddrukken, en dan, met het monopolie toegerust, de menschen exploiteeren ten bate van het steeds aangroeiend kapitaal. Aan die macht van het geld heeft niemand sterker dan Cecil Rhodes geloofd; zelfs in den godsdienst bleef hij financier in zijn hart, hij durfde de kansen voor het bestaan van God niet hooger schatten dan 50 percent.

Maar datzelfde vereenigingsleven is ook door vele geloovigen op Christelijk terrein overgeplant en aan geestelijke belangen dienstbaar gemaakt. Het moest wel het orgaan worden voor allerlei Christelijke werkzaamheden, toen in deze eeuw de kerken haar roeping verzaakten en de staten hoe langer zoo meer zich onttrokken aan de handhaving der eerste tafel van Gods wet. Vereenigingen werden er toen opgericht voor zending en evangelisatie en werken van barmhartigheid, voor bijbel- en tractaatverspreiding, voor scholen van lager, middelbaar en hooger onderwijs, voor leniging van allerlei ellenden en nooden. Door den staat ter deure verwezen, door de Kerk menigmaal verloochend, is de Christelijke religie haar |11| sociale periode ingetreden en breidt zich thans over alle terreinen des levens en tot aan de einden der aarde uit. Zij is ingegaan in de vormen van dezen tijd. Zij heeft het rijke veelvormige leven ook van onze eeuw zich geassimileerd, en daarin opnieuw een bewijs geleverd van haar wondere kracht en van hare wereldomvattende catholiciteit.

Maar natuurlijk dreigt daarmede het gevaar, dat zij met den vorm den inhoud van het mundane leven overneemt. In de wereld ingaande, gelijk hare roeping is, maakt zij zichzelve zoo licht der wereld gelijkvormig. Dat is gebleken, toen zij haar intrede deed in de Grieksch-Romeinsche wereld; dat is uitgekomen, toen zij op Germaanschen bodem werd overgeplant; dat is opnieuw bewezen, toen zij na de Reformatie in dienst zich stellen ging van de philosophie der rede in de 17e eeuw. En dat gevaar blijft dreigen, en neemt in ernst toe, naarmate de eeuw, in welke wij leven, door hare schitterende uitvindingen, door hare reusachtige ondernemingen, door haar machtige cultuur ons tot dankbaarheid en tot bewondering dwingt.

Als wij nu in ons persoonlijk leven, of als vereeniging, als partij of als kerk, onder de bekoring van deze machtsverheerlijking gekomen zijn, gaan wij allengs steeds verder en gemakkelijker mee. Het is een hellend vlak, waarop wij dan den voet hebben gezet; en sterke beenen zijn het, die de weelde dragen. Macht is zoo zoet; eere bij menschen zoo verleidelijk. Organisatie geeft ons het bewustzijn van macht, samenwerking sterkt dat bewustzijn. En eer wij het weten, geven wij onze zelfstandigheid prijs, komen wij tot verzwijging, straks tot verzaking van onze beginselen, en durven en kunnen niet meer terug, uit vreeze voor de ontdekking van de kleinheid onzer kracht.

Op politiek terrein hebben wij reeds een en andermaal zulk leergeld betaald. De inlijving in de Conservatieve partij is ons te staan gekomen op een duren prijs. Het bondgenootschap met Rome is niet louter voordeel voor ons geweest en is het ook heden ten dage nog niet. En nog erger nadeel treedt in, als wij op het veld der gemeene gratie een bodem meenen gevonden te hebben, waarop wij met Liberaal, Radicaal en Socialist broederlijk kunnen verkeeren en omgaan. Van de Gereformeerde gaat men dan allengs tot de |12| Protestantsche, van deze tot de algemeen-Christelijke beginselen terug, om ten slotte aan te landen bij de holle abstracties van een ziellooze neutraliteit. De neutrale zône, waarop samenwerking mogelijk wordt geacht, neemt in breedte steeds toe. Totdat eindelijk het belang boven plicht, het succes boven recht gaat, en de leuze van het: blind in de toekomst, maar ziende in het gebod, in haar tegendeel wordt omgekeerd.


*

Gij gevoelt het dus, dat samenwerking geoorloofd is en goed, maar dat bij hare toepassing eene groote mate van wijsheid en voorzichtigheid te pas komt. Samenwerking in eigen kring, met gelijkgezinden, met hen, die even dierbaar geloof met ons ontvangen hebben, is zelfs roeping en plicht. Christus heeft zelf aan zijne kerk eene organisatie gegeven in het instituut. De geloovigen vormen eene gemeenschap der heiligen; zij zijn een lichaam, waarvan het oog niet kan zeggen tot het oor, en de hand niet tot den voet: ik heb u niet van noode. Calvijn heeft inzonderheid ook door strenge organisatie het werk der Hervorming van den ondergang gered. De Gereformeerden hier te lande hebben in onderscheiding van de Anabaptisten, den strijd tegen Rome en Spanje daarom kunnen aanbinden en tot een goed einde brengen, wijl zij kerkelijk en staatkundig zich organiseerden en als pijlen zich tot één onbreekbaren bundel vereenden. Zij zouden thans niet staan als eene macht in den lande, als zij niet aaneengesloten waren op eene wijze, die andere partijen tot jaloerschheid verwekt. En zelf hebt gij, Jongelingen van Gereformeerden huize, de kracht en de beteekenis der organisatie beseft, als gij u vereenigdet tot een bond, die van Noord tot Zuid, en van Oost tot West zich uitstrekt over het gansche land.

Nu kan men zich aaneensluiten tot zeer verschillende doeleinden, tot het behartigen van stoffelijke en geestelijke, van politieke, sociale en van allerlei andere belangen. Al naarmate deze belangen van meer materieelen aard zijn en liggen in den omtrek van ons leven, heeft de belijdenis des geloofs er te minder invloed op. Het is waar, in volstrekten zin is niets neutraal. Beginselen werken door, en doordringen ons gansche bestaan, gelijk het ééne zieleleven |13| stroomt door al onze ledematen heen. Maar er is toch groot onderscheid. Het leven klopt warmer in het hart dan in het hoofd, het is zwakker en flauwer in haren en nagels dan in armen en beenen. Men kan ook het goede overdrijven. Prinzipienreiterei en Consequenzmacherei zijn Duitsche woorden, maar de hoedanigheden, die er door aangeduid worden, zijn soms ook aan Nederlanders en aan Calvinisten niet vreemd. Vereenigingen, voor zuiver commercieele of industrieele belangen opgericht, behoeven werkelijk niet aan eene geschreven belijdenis gebonden te worden. En als men met eenige vrienden eene schaakclub opricht, is het niet beslist noodzakelijk, om vooraf de drie Formulieren van Eenigheid te onderteekenen.

Maar hoe meer de belangen, die wij behartigen, een geestelijk karakter dragen, werkt er het geloof op in en komt er de belijdenis bij te pas. In hoofdzaak zijn deze belangen tot vier groepen te herleiden. Zij betreffen den arbeid der evangelisatie, of het werk der barmhartigheid, of de beoefening der wetenschap met het onderwijs der scholen, of eindelijk ook de regeering van staat en maatschappij. Ook hier is weer onderscheid in mate en graad. Op het gebied van evangelisatie en missie is samenwerking tusschen wie niet dezelfde belijdenis toegedaan zijn en tot dezelfde kerk behooren zoo goed als onmogelijk, en in elk geval veel moeilijker dan op dat van barmhartigheid en onderwijs. En hier stuit zij weder op veel ernstiger bezwaren dan in zaken van politiek. Maar desniettemin, geen van deze belangen gaat buiten de religie en de confessie om. Neutraliteit is in al deze zaken theoretisch en practisch onhoudbaar gebleken. Zij maken al te zamen den wijden kring van onze „Christelijke Belangen” uit.

Natuurlijk gaat het niet aan, om in enkele oogenblikken voor elk van deze belangen aan te geven, in hoever religie en confessie daarop inwerken en invloed behooren te oefenen. Evenzoo is het ondoenlijk, om thans voor ieder van deze terreinen de grenzen te bepalen, binnen welke samenwerking met andere vereenigingen of partijen mogelijk, geoorloofd en nuttig is. In bijzonderheden zou dit telkens toch slechts met het oog op speciale gevallen aan te wijzen zijn.

Maar zeker mag gansch in het algemeen voor alle |14| samenwerking op een van deze terreinen als eerste regel worden vastgesteld, dat onze beginselen er geen schade bij lijden. De belijdenis van de waarheid, die naar de godzaligheid is, is ten slotte het kostelijkste goed, dat wij bezitten. Geen geld of goed, geen macht of eer of aanzien is met haar te vergelijken. Uit genade werd zij door God onsgeschonken, door onze vaderen werd ze met hun bloed bezegeld, als een kostelijk pand werd zij ons in deze tijden toebetrouwd; en zoo hebben wij ze, indien mogelijk nog gezuiverd en verrijkt, over te leveren aan het navolgend geslacht en te bewaren tot de toekomst van onzen Heere Jezus Christus. Alle samenwerking, die ons belemmert in de vrijheid van ons getuigen en belijden, die ons rechtstreeks of zijdelings dwingt, om van de Gereformeerde tot de Protestantsche, en van deze tot de algemeen-Christelijke beginselen, tot een Christendom boven geloofsverdeeldheid, terug te gaan, is daarmede geoordeeld. Beter is weinig met de vreeze des Heeren, dan een groote schat en onrust daarbij.

Geleidelijk sluit zich daarbij dan de tweede regel voor samenwerking aan, dat geen kansberekening of winstbejag den doorslag geve. Zeker behoeven we voor de vrucht van onzen arbeid niet volkomen onverschillig te zijn. God heeft tusschen deugd en geluk, tusschen geloof en leven, tusschen vlijt en zegen een verband gelegd, dat wij niet in overgeestelijk idealisme hebben te verbreken. Te overwegen, in welken weg de geestelijke belangen, die wij voorstaan, het best behartigd en het meest bevorderd kunnen worden, is roeping en eisch. Doch ook daarbij is de eerste vraag niet: wat is nuttig en voordeelig? maar: wat is onze plicht? wat is eisch van ’s Heeren Woord? welke gedragslijn hebben wij in overeenstemming met onze beginselen te volgen? En dan kan, dan zal het zelfs menigmaal gebeuren, dat, wij een bondgenootschap verwerpen, ofschoon het voordeel oplevert, omdat het de eere onzer beginselen te na komt; dat wij samenwerking, ondanks hare nuttigheid, afslaan, wijl ze onze geestelijke kracht ondermijnt; dat wij persoonlijk en ook als vereeniging, als partij of als kerk alleen blijven staan en onszelven verloochenen, omdat de navolging van Christus dat eischt. Maar zijn wij daartoe als Christenen niet bij den voortduur geroepen? En heeft de Heere juist niet in |15| dien weg zijn zegen beloofd, opdat de uitnemendheid der kracht zou blijken Godes te zijn en niet uit ons?

Mits deze beide regelen in acht genomen worden, kan samenwerking in bepaalde omstandigheden soms noodig en goed zijn, niet alleen om ons zelven voor een valsch en hoogmoedig separatisme te bewaren, maar ook om te beter de roeping te vervullen, die ons tegenover onze naasten, tegenover ons volk en ons land toebetrouwd is. Want Jezus heeft niet alleen gezegd: wie met mij niet is, die is tegen mij, en daarmede allen tot eene besliste keuze vermaand; maar Hij heeft ook met het oog op hen, die duivelen uitwierpen in zijnen naam, doch bij den kring zijner discipelen zich met aansloten, dit schoone woord van ootmoed en waardeering gesproken: wie tegen ons niet is, die is vóór ons, Mark. 9 : 40. Laat het zijn, dat velen ons niet willen volgen, Jezus zelf gebiedt het ons, om allen te achten en te eeren, die duivelen uitwerpen in zijnen naam. Zij zijn niet tegen maar vóór ons en werken met ons samen aan den bouw van het Koninkrijk Gods.

En daarom kan samenwerking met anderen niet ten allen tijde en onder alle omstandigheden verboden zijn. Maar indien deze tot stand komt, behoort daarbij als laatste regel steeds in acht genomen te worden, dat wij over en weer duidelijk weten, wat wij aan elkander hebben. Niet alleen onze belijdenis, benevens de aard en het doel van ons streven, maar ook datgene, waarin en waartoe wij wenschen samen te werken, moet in ondubbelzinnige woorden omschreven en voor alle misverstand gevrijwaard zijn. Geen samenwerking dus voor allerlei vage Christelijke belangen, „ins Blaue hinein,” voor een algemeenen gang van zaken, die door „Vertrauensmänner” is vast te stellen. Dat loopt altijd en overal op verwarring uit. Zulk eene samenwerking kan alleen naar ons hart zijn, die een welomschreven program tot grondslag heeft, op duidelijke afspraak berust, voor een bepaald doet ondernomen wordt en daarom de innerlijke zelfstandigheid en vrijheid ten volle bewaart. Daar kan kracht van uitgaan. Daar kan zegen op rusten. Want waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen en het leven tot in eeuwigheid. |16|


*

Het verheugt mij ongemeen, dat de Gereformeerde Jongelingsbond in zijne samenwerking met het Nederlandsch Verbond van Jongelingen dit alles ingezien en toegepast heeft. Het strekt mij tot groote blijdschap, dat de minder aangename verhouding van weleer voor eene vredelievende toenadering heeft plaats gemaakt, en dat deze zelfs tot een zekeren vorm van samenwerking heeft geleid. Ik wensch er mijne hartelijke vreugde over uit te spreken, dat deze samenwerking strekt, om gemeenschappelijke belangen der Jongelingsvereenigingen samen te behartigen, om zooveel mogelijk allen onbroederlijken strijd te vermijden, om met elkander eene goede correspondentie te onderhouden.

Nog eens, daarin verblijd ik mij, ja zal ik mij ook verblijden. Want naast de polemiek, hoe noodig en goed op haar tijd, heeft ook de ireniek hare rechten. De heiligheid is eene eigenschap van de gemeente van Christus en van al hare leden, maar ook de catholiciteit. En meer dan door eenige andere belijdenis wordt deze door de Gereformeerde erkend en geëerd. Deze catholiciteit is het, welke onsvoor zelfoverschatting en zelfgenoegzaamheid bewaart. Zij snijdt allen hoogmoed bij den wortel af; doet ons niet alleen zien op hetgeen het onze, maar ook op hetgeen der anderen is; doet ons anderen uitnemender achten dan ons zelven zij kweekt nederigheid en ootmoed en kinderlijken zin en bevordert de liefde, die lankmoedig is en goedertieren, en alle dingen hoopt en verdraagt. Zij strekt tot eere van den Vader, die meer dan éénen zegen heeft, en tot eere van den Zoon, wiens genade overvloedig is over allen, en tot eere van den Heiligen Geest, die aan een iegelijk in het bijzonder zijne gaven uitdeelt, gelijkerwijs Hij wil.


Ik heb gezegd.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004