Het Recht der Kerken en de Vrijheid der Wetenschap

door Dr. H. Bavinck


Ende en desespereert niet.


Kampen. — Ph. Zalsman. — 1899

a




§ 1. Wat er in 1896 gewonnen is.

Het leven is tegenwoordig zoo snel en zoo druk, dat hetgeen voor nauwelijks drie jaren gebeurd is, velen reeds niet helder voor den geest meer staat. De deputaten, die op de Synode van Dordrecht 1893 benoemd werden voor het brengen van meerdere eenheid in de opleiding van dienaren des Woords, stelden in hun Rapport aan de Synode te Middelburg o.a. voor, dat alle vakken aan de Theol. School en de Theol. Faculteit in den regel binnen drie studiejaren zouden afgehandeld worden; dat de vakken, waarin college gegeven moest worden, door de Synode werden vastgesteld; dat de kerken door deputaten der Generale Synode het praeparatoir examen zouden afnemen zoowel aan de Theol. Faculteit als aan de Theol. School 1) enz.

Hoe goed dit alles ook zonder twijfel bedoeld was, velen zagen in dit Rapport toch een ingrijpen van de kerk in de rechten en de vrijheden der wetenschap. Niet alleen werd in ’t wezen der zaak de toenmaals bestaande en veelzins gebrekkige organisatie der Theol. School bestendigd. Maar er werd ook voorgesteld, om zooveel mogelijk de Theol. Faculteit aan de Vrije Universiteit naar het model der Theol. School in te richten en aan haar gelijk te maken. |6|

Tegenover dat Rapport kwam daarom toen het voorstel van Curatoren der Theol. School te staan. Dit ging uit van eene gansch andere gedachte. Het wilde evenmin als het Rapport losmaking van den band tusschen Kerk en School, noch ook miskenning of inkorting van de rechten der kerken. Maar het bedoelde wel, om de innerlijke organisatie van de Theol. School gelijk te maken aan de Theol. Faculteit der Vrije Universiteit en voor de wetenschap die vrijheid van levensbeweging te vragen, welke haar naar heur aard en wezen toekomt.

De strijd tusschen de broederen liep toen dus, althans gelijk hij zich aan mij voordeed, over de vrijheid en zelfstandigheid der wetenschap. Volgens de meerderheid van Curatoren en Hoogleeraren hadden Theol. School en Theol. Faculteit toen eenzelfde belang. Curatoren spraken zich in hun voorstel uit, Hoogleeraren gaven hun brochure Opleiding en Theologie in het licht. En op de Synode te Middelburg, 1896 werkten daarom Hoogleeraren der Vrije Universiteit en Hoogleeraren der Theol. School in één geest samen, om de Synode de aanneming van het Rapport van deputaten te ontraden en die van het voorstel van Curatoren aan te bevelen.

De uitslag is bekend. De beteekenis van het besluit der Middelburgsche Synode inzake de opleiding lag toen en ligt nog voor mij daarin, dat de Gereformeerde kerken de vrijheid en zelfstandigheid der Theologische wetenschap binnen haar eigen kring en op haar eigen erve ten volle hebben erkend. De Theol. Faculteit behield toen de vrijheid, welke zij reeds had; de Theol. School verkreeg toen de vrijheid, welke zij niet om des beginsels wil, doch tengevolge van allerlei omstandigheden, tot dien tijd toe had moeten derven. |7|

Van de Synode in Kampen terugkeerende, heb ik daarom reeds op de eerstvolgende Curatoren-vergadering ongeveer in dezen geest gesproken: Broeders, of de School, aan welke de kerken de opleiding harer aanstaande dienaren toevertrouwen, al dan niet van de kerken uitgaat, is voor mij geen vraag van beginsel maar van practijk. Indien de kerken oordeelen, dat zij die opleiding in de gegeven omstandigheden niet aan het particulier initiatief mogen of kunnen overlaten, dan heb ik daar ten volle vrede mee. Voor mij was hoofdzaak de vrijheid en zelfstandigheid der Theologische wetenschap binnen haar eigen kring. Laten wij daarom, nu deze verkregen is, ons weder aaneensluiten, vergeten wat achter ligt, en met gemeenschappelijke krachten arbeiden aan het bestaan en den bloei onzer Theologische School!

Uit deze verandering in de verhoudingen is de andere toon te verklaren, die in de brochure Theologische School en Vrije Universiteit, in vergelijking met dien in Opleiding en Theologie, wordt aangeslagen. Broeders, die het verschil tusschen 1896 en 1899 voorbij zagen of de in 1896 verkregen winste anders waardeerden, vonden het laatst ingediende voorstel „verwarrend” en vermoedden bij den voorsteller een principiëelen omkeer. Maar zij hebben de brochure, die de vier Hoogleeraren in 1896 in het licht gaven, niet nauwkeurig gelezen. Daarin toch werd duidelijk en scherp de stelling bestreden, dat de studie der Theologie als zoodanig uit de ambten, uit de kerk als instituut opkomt. Ook werd ontkend en weerlegd, dat de kerken altijd, uit beginsel, eene eigene inrichting moeten hebben voor de opleiding tot den dienst des Woords. Maar uitdrukkelijk werd aan de kerken het recht voorbehouden, om zulk eene inrichting te mogen hebben en daaraan de |8| Theologie ook te laten beoefenen in wetenschappelijken zin 2).

Juist omdat de Gereformeerde kerken, het laatst wederom in Dordrecht 1893, pertinent verklaard hadden, dat de eigen inrichting niet alleen dienen moest voor practische opleiding maar daarmede tegelijk voor wetenschappelijke beoefening der Theologie, daarom was reorganisatie der School in 1896 dringend noodzakelijk. Over de personen der Hoogleeraren spreek ik natuurlijk niet. Maar de innerlijke organisatie der Theol. School is tegenwoordig van dien aard, dat zij aan de uitvoering van die dubbele taak hoegenaamd geen bezwaar in den weg legt. De Theologie is er even vrij en even zelfstandig als aan de Theol. Faculteit te Amsterdam. Evenmin als het gymnasium te Kampen alleen daardoor, dat het van de kerken verzorgd wordt, minder in gehalte behoeft te wezen dan dat te Zetten of te Amsterdam, evenmin is dat met de Theol. School het geval.

Na de Synode te Middelburg was er dus grond voor de meening, dat op dit punt overeenstemming was verkregen. Vroeger was, ook naar mijne overtuiging, op de Theol. School veel aan te merken geweest. Maar er bestond nu toch hope, dat de Theol. School in de liefde en waardeering rijzen zou. Die verwachting is niet vervuld. Wij zijn in dit opzicht na 1896 niet vooruit maar achteruit gegaan 3). |9|


§ 2. Wat men denkt van de Theologische School.

Dr. Kuyper van Leeuwarden achtte het in de Friesche Kerkbode van 24 Maart j.l. overbodig en onnoodig, dat ik in mijne laatste brochure er zoo den nadruk op had gelegd, dat de tegenstelling van Theol. School en Theol. Faculteit als practisch en wetenschappelijk valsch was en hoe eer hoe beter verdwijnen moest. Indien dit eene kwestie gold, die mij persoonlijk betrof, zou ik mij door zijn vriendelijk woord dankbaar en voldaan kunnen achten. Maar dat is het ganschelijk niet. Dr. Wagenaar meende wel, dat ik ontstemd was en daarom zoo opgetreden was, |10| als ik deed. Maar hij vergiste zich daarin geheel. Persoonlijke gevoeligheid komt hier in het minst niet in aanmerking. Maar wel staan wij allen, als leden der Geref. kerken, voor de vraag, of de, nog altijd door velen gekoesterde en gevoede tegenstelling tusschen Theol. School en Theol. Faculteit niet de eenheid, den vrede en den bloei der kerken tegenhoudt en daarom zoo spoedig mogelijk dient weggenomen te worden. Niemand weerspreekt de bewering van de Heraut, dat, indien er maar financieele en wetenschappelijke krachten in overvloed waren, de opleiding aan twee of meer inrichtingen evengoed zijn voordeel als zijn nadeel zou hebben. Maar voor die vraag staan wij niet. Zelfs Theol. School en Theol. Faculteit zouden zeer goed naast elkaar kunnen werken, indien zij niet de gescheidenheid in het verleden bestendigden, de liefde en den steun verdeelden en door zoovelen als practisch en wetenschappelijk vijandig tegenover elkander werden gesteld.

En dat toch geschiedt onophoudelijk, ook na de Synode van 1896. Het baat niets, of wij er de oogen voor sluiten. De feiten blijven er toch om bestaan. Indien iemand eraan twijfelen mocht, kan hij door de Kerkbodes van den laatsten tijd voorgoed van zijn twijfel genezen worden.

De Heraut no. 1107 schreef, zooals vroeger reeds, dat het hebben van eene Theol. School uit een oogpunt van veiligheid noodzakelijk is, en helderde dat met het beeld van een brandspuit op. Zij voegde er echter uitdrukkelijk aan toe, dat dit beeld slechts in het derde van vergelijking opgaat: evenals de noodzakelijkheid, om een brandweer te hebben, ligt in het brandgevaar dat rijzen kan, zoo ook schuilt de noodzakelijkheid, om eene Theol. School in stand te houden, in het brandgevaar, dat een universitaire faculteit kan opleveren. |11|

In minder fraaie taal en minder keurig beeld drukte de Overijselsche Kerkbode van 25 Maart 1899 ditzelfde aldus uit: Laat de kerk toch van het schoolmeesteren af blijven evenals de staat. En al doet de kerk het op zijn deftigst, door eene Hooge School er op na te houden, het is haar zaak niet. Alleen, en dat is het standpunt van Prof. Kuyper, bij wijze van aanvulling en noodhulp. Wanneer er geen goede opleiding voor aanstaande dienaren meer zijn zou, dan hebbe de kerk hare school gereed. Als er maar één goede bakker op het dorp woont, en ge hebt een oven thuis, breek die dan nog niet af, want wanneer de bakkerij defect raakt of die bakker gaat knoeien, moet ge zelf weer aan het bakken.

Eene Theol. School en eene Theol. Faculteit zijn daarom principiëel verschillend. Ds. Klaarhamer zet dat uiteen in de Utrechtsche Kerkbode van 8 en 15 April 1899: beide vertegenwoordigen tweeërlei inrichting en tweeërlei opleiding. Eene Universiteit is nu eenmaal geen opleidingsschool. En eene opleidingsschool is nu eenmaal niet eene Universiteit. Dezelfde inrichting kan niet tegelijk beide zijn. Elk van beide heeft een eigen aard en leven en doel. Beide te willen vereenigen is de quadratuur van den cirkel zoeken. Wel geeft hij een oogenblik toe, dat het onderwijs aan eene opleidingsschool ook wetenschappelijk kan zijn. Maar desniettemin: eene Universiteit heeft tot eerste en voornaamste doel: de opbouwing van de wetenschap; eene opleidingsschool bedoelt opleiding tot staatsambtenaar of tot kerkedienaar, zij brengt de wetenschap niet verder, zij leeft van de Universiteit, verwerkt de daar gevonden stof, en wendt deze aan tot practisch gebruik.

Van gelijkheid is dus geene sprake. Alles verschilt, colleges, studiegang, wijze van arbeiden enz. enz. Ook de |12| examens, zoo wordt er gezegd, loopen verre uiteen. Er moet veel langer voor gestudeerd en veel harder voor gewerkt worden aan eene Theol. Faculteit dan aan eene Theol. School. Amsterdam kan die van Kampen niet erkennen. De Vrije Universiteit is vrij, meer te eischen en eischt feitelijk meer dan de kerken noodig achten en dan in Kampen geëischt wordt. Zij behoeft zich dus met een in Kampen afgelegd examen niet tevreden te stellen.

Natuurlijk, als de zaak van eene Theol. School zoo wanhopig staat, rijst de vraag vanzelf op, of de kerken niet het best zouden doen, met ze zoo spoedig mogelijk op te ruimen. Ds. Klaarhamer zegt in de Utr. Kerkbode van 15 April ronduit: indien we eens voor de vraag kwamen te staan, wie van beide moest worden losgelaten, dan zou het antwoord voor elk man van beginsel en dieper en verder doorzicht voor de hand liggen.

Nog minder windt Dr. Wagenaar er doekjes om. Hij geeft den welgemeenden raad: men houde de Theologische School van Kampen stilletjes nog maar wat aan, totdat men algemeen gevoelt, dat zij toch eigenlijk geen kerkelijke opleiding geeft, omdat onze Gereformeerde kerken hiervoor geen ambt bezitten; dat ze ook eigenlijk geen „School voor Theologie” is en ook eigenlijk geen veiligheidsmaatregel maar eerder een gevaar.

Dit laatste is bepaald eene vinding van Dr. Wagenaar. Op die gedachte was tot dusver nog niemand gekomen. Dr. Kuyper en anderen willen de Theol. School als veiligheidsmaatregel handhaven. Maar Dr. Wagenaar ziet juist groot gevaar in het hebben van een Theol. School. Men raadt in tienen niet, waarom. Dr. Wagenaar zal het u zeggen: de hoogleeraren aan zulk eene School zijn de kinderen, de mannen, de lievelingen, soms schier de afgoden |13| dier kerken. Hun invloed is overwegend groot. Men durft ze niet aan. Wie hen zou willen aanklagen, kreeg juist in de kerken aanvankelijk den wind van voren.

Ik vermoed, dat er een glimlach om de lippen van Dr. Wagenaar heeft gespeeld, toen hij deze woorden neerschreef. Doch ik laat het hierbij. Sapienti sat. Ook treed ik thans niet in eene beoordeeling van al deze uitspraken. Ik geloof van harte, dat de broederen uit beginsel zoo spreken en niet anders spreken kunnen. Mij is het voorloopig voldoende, deze feiten te constateeren en er het argument aan te ontkennen, dat het tot eenheid van opleiding komen moet.

De eenheid, de vrede, de toekomst van de Gereformeerde kerken staan op het spel.


§ 3. Wat onder een compromis verstaan wordt.

Tot dusver werd, naar ik meen, onder compromis een zoodanig vergelijk tusschen twee partijen verstaan, waarbij van weerszijden met behoud van beginselen het een en ander toegegeven werd, om eenheid en vrede te verkrijgen.

Niemand kan tegenspreken, dat van de eene zijde, van den kant der voorstanders van de Theol. School, sedert 1892 het een na het ander, dat hun lief was, losgelaten en prijsgegeven is. Wat mij zelven betreft, stem ik toe, dat de veranderingen, in de Theol. School achtereenvolgens aangebracht, niet het karakter van concessies hebben gedragen, doch veeleer als verbeteringen met blijdschap zijn begroet. Doch dat neemt niet weg, dat ze door velen slechts noode en niet dan ter wille van de liefde en den vrede toegestaan zijn, dat zij alleen om andere en hoogere |14| belangen erin hebben gerust en zich ermede hebben verzoend. Het komt mij voor, dat, tenzij beginselen het verbieden, ook met hun wenschen rekening moet worden gehouden. Voor de dure roeping toch, welke aan de Gereformeerde kerken in deze landen in deze eeuw is toebetrouwd, hebben wij de toewijding, de samenwerking, de onverdeelde liefde van allen noodig. Zelfs al zou door stemmenmeerderheid in de kerkelijke vergaderingen de loslating van gymnasium en Theol. School verkregen kunnen worden, het zou toch, gelijk de ervaring in de laatste jaren mij geleerd heeft, slechts op de verbeurte van al die liefde en steun komen te staan, welke voor het beantwoorden aan onze roeping onmisbaar noodig zijn. Er is niemand, die dit dan ook wenscht of voorstelt. Maar daarom is het te meer eisch, om bij de opleiding tot den dienst des Woords ook te behouden en te bevestigen de algeheele liefde van hen, die, en toch waarlijk niet zonder geldige redenen, op het behoud eener eigen inrichting gesteld zijn.

Te meer mag hierop worden aangedrongen, wijl zij in het voorstel, dat in Theol. School en Vrije Universiteit is geformuleerd, stel, dat het hunnerzijds wordt overgenomen, opnieuw tot zeer belangrijke concessiën bereid zijn. In de bladen is hierop weinig gelet. Het feit, dat de voorstanders der Theol. School over het algemeen met genoemd voorstel instemming hebben betuigd, heeft velen over het hoofd doen zien, wat hunnerzijds prijsgegeven werd, en is zelfs een reden geweest, dat anderen hun sympathie hebben onthouden of teruggetrokken. Wat oorzaak van vreugde had moeten zijn, werd een reden, om het voorstel te verdenken.

Toch is de winste zeer groot, welke de voorstanders van universitaire opleiding in dit voorstel verkrijgen. Immers toegegeven wordt, dat |15|

1. alle band van gymnasium en Theol. School losgemaakt en het gymnasium, indien mogelijk, door de kerken aan eene vereeniging wordt overgedragen.

2. dat de Theol. School te Kampen verplaatst en naar eene zelfde stad met de Vrije Universiteit wordt overgebracht.

3. dat het propaedeutisch jaar aan de Theol. School vervalt en in de litterarische faculteit van de Vrije Universiteit wordt opgenomen.

4. dat het aantal Curatoren, staande over de Theol. School, van tien tot vijf beperkt, en niet meer door de Provinciale, doch door de Generale Synode wordt aangewezen.

5. dat benoeming, schorsing en ontslag van de Hoogleeraren in de Theologie door de Synode aan genoemde vijf Curatoren wordt overgelaten.

6. dat deze Curatoren, voordat zij tot genoemde handelingen overgaan, van te voren overleg plegen met de Curatoren der Vrije Universiteit, echter zonder dat dit over en weer bindt.

7. dat Directeuren, Curatoren en Professoren vanwege de kerken voor gemeenschappelijke belangen saam vergaderen en één college vormen met Directeuren, Curatoren en Professoren der Vrije Universiteit.

8. dat de Theologische School opgenomen wordt als faculteit in de Vrije Universiteit, en officiëel zelfs haar naam verliest.

Dat alles wordt van de eene zijde toegestaan. Niet omdat men dit zoo gaarne wenscht. Maar bij wijze van compromis. Om des vredes wil. Uit liefde tot de eenheid en den bloei der kerken. Met opoffering van persoonlijke inzichten en verlangens.

Wat stelt men daar van de andere zijde tegenover? De vraag is billijk bij een compromis. Maar ik vermag ze |16| niet te beantwoorden. Tot dusver is er van de andere zijde nog niets tegenover gesteld.

Natuurlijk is het mogelijk, dat het voorstel niet genoegzaam rekent met de belangen der Vrije Universiteit. Maar het liet naar de bedoeling van den ontwerper op allerlei punten ruimte over voor amendement. De ééne bepaling bijv., dat Curatoren vanwege de Synode bij benoeming enz. eerst overleg plegen met Curatoren der Vrije Universiteit, had lichtelijk zoo aangevuld of gewijzigd kunnen worden, dat de laatsten meer zeggenschap kregen. Ik zeg niet, dat ik zulk een amendement zou overnemen, doch de weg tot toenadering ware niet in eens gesloten geweest.

Dit heeft, indien wij uitsluitend oordeelen naar de Kerkbodes, die echter de kerken niet zijn, alzoo niet mogen gebeuren. Alleen de Heraut laat tot dusver daarvoor de mogelijkheid open. De meeste kerkelijke bladen hebben het voorstel onaannemelijk verklaard en verder hoogstens voorgesteld, om òf de Concept-regeling weer voor den dag te halen, òf de Theol. School voortaan dienst te laten doen als een seminaristisch aanhangseltje van de Theol. Faculteit, òf af te wachten, totdat de Theol. School langzamerhand vanzelve uitsterft door gebrek aan sympathie.

Het is een beginsel, zeggen zij, dat hen van aanneming van het voorstel terughoudt. Daarom moeten zij op dit punt nader worden gehoord.


§ 4. Waarom het voorstel onaannemelijk is.

Het ééne, groote, principieele bezwaar is van verschillende zijden aldus geformuleerd, dat door de aanneming van mijn voorstel de Vrije Universiteit onthoofd en het hart haar uit het lichaam gesneden zou worden. |17|

Inderdaad een moorddadig plan! Indien de beschuldiging juist ware, zou mijn voorstel nog wel hoegenaamd geen gevaarlijker strekking hebben dan hetgeen door vele broederen, gelijk wij boven gezien hebben, ten opzichte van de Theologische School gedacht, gewenscht, bedoeld en uitgesproken wordt. Maar dat ontneemt toch niets aan den ernst van de aanklacht.

Nu is het echter altijd gevaarlijk, in beelden te denken. In de Tweede Kamer is dat al meermalen uitgekomen, als de verhouding van de Kroon tot den Staat moest worden bepaald. Beurtelings is de Kroon een ornament, een fundament, een vliegwiel, het hoofd en het hart van den Staat genoemd. En het is nog aan niemand gelukt, om uit al deze omschrijvingen eene heldere voorstelling en een duidelijk begrip zich te vormen.

Zoo gaat het ook, als men zegt, dat de Vrije Universiteit door mijn voorstel van haar hoofd en hart wordt beroofd. Het is eene klinkende leus, die bij de bestrijding uitnemenden dienst bewijst maar overigens weinig waarde bezit.

Er ligt de gedachte aan ten grondslag, dat de Theologie in het organisme der wetenschap dezelfde plaats inneemt, als hoofd en hart in het menschelijk lichaam. Ds. Klaarhamer zegt het zeer duidelijk in de Utr. Kerkbode van 22 April: de Theologie is de Koningin, de lampe voor den voet der overige wetenschappen, het hart in het lichaam der wetenschap. Eene Universiteit zonder medische of filosofische faculteit kan ook op den duur bestaan. Maar eene „Republiek der wetenschappen” zonder theologische faculteit is der ontbinding prijs gegeven.

Nu staat ook voor mij vast, dat de Theologie eene wetenschap is en dus eene plaats inneemt in den cyclus der wetenschappen. Ik zeg niet, dat eene Theologische School |18| per se ongeschikt is, om de Theologie als wetenschap te beoefenen. Maar ik erken gaarne, nu gelijk vroegger, dat eene Theologie, die alleen in eene Theologische School wordt beoefend, gevaar loopt, om tot eenzijdigheid te vervallen, den band met de wetenschap te verliezen en haar roeping tegenover deze te verwaarloozen. Daarom kan ik ook mijne instemming niet betuigen met de brochure van Veritas, en stel ik juist voor, om de Theol. School in zoo nauw mogelijk verband te brengen met de Vrije Universiteit.

Maar is daarom de Theologische faculteit het hoofd en het hart der Universiteit? In beeld, nu, dan kan men zoo spreken, indien men er maar bij bedenkt, dat alle beeld slechts voor een klein gedeelte, in het derde van vergelijking, opgaat. Indien men het verder toepast, hinkt het niet alleen aan beide zijden, maar valt het vlak voorover op den grond.

Immers, worden de verschillende wetenschappen uit de Theologie gevormd, gelijk de leden des lichaams uit het hoofd? Ontvangen de verschillende wetenschappen uit de Theologie haar bloed, gelijk het lichaam uit het hart? Kunnen de andere wetenschappen niet leven en bloeien zonder de Theologie, en zijn ze zonder haar der ontbinding prijsgegeven?

De vraag is zelve reeds antwoord. Theologen kunnen zoo iets beweren, maar wie zegt het anders dan zij? De historie getuigt luide het tegendeel. Tot de helft der 14e eeuw toe en nog langer was van de meeste, dat is van twee derde, der Hoogescholen, de Theologie uitgesloten 4). En nog bestaan er verschillende universiteiten, o.a. in Frankrijk 5) |19| en Amerika, 6) in welke de Theologische faculteit niet opgenomen is. Er is mijnerzijds geen tegenspraak te, wachten, als men beweert, dat zulke universiteiten incompleet zijn en niet ten volle aan hare idee beantwoorden. Maar te zeggen, dat zij niet bestaan kunnen en der ontbinding zijn prijsgegeven, dat ze dood zijn zooals een lichaam zonder hoofd of hart, dat is m.i. onwaar, al te zeer in strijd met de historie en eene miskenning van de relatieve zelfstandigheid der andere faculteiten. De Schrift is de lamp voor den voet der overige wetenschappen, maar niet de Theologie. Deze heeft geen recht, aan gene de wetten voor te schrijven noch om als eene Koningin over haar zusteren te heerschen.

Van dat beeld kunnen wij dus wel afstappen. Gelukkig, dat anderen hun principieel bezwaar duidelijker hebben geformuleerd. Het luidt dan ongeveer aldus: het voorstel van Dr. Bavinck moge goed bedoeld zijn, maar het ontneemt aan de Vrije Universiteit toch de Theologische Faculteit, brengt er de Theologische School voor in de plaats en zet deze met de Universiteit in zoo los verband, dat de Theol. School desnoods in Haarlem, en de Universiteit met hare vier faculteiten in Amsterdam gevestigd kan zijn.

Daardoor wordt nu niet alleen de eenheid der wetenschap en der Universiteit verbroken. Maar indien dit voorstel doorging, zou bij het volk het principe zegevieren, dat de opleiding van de kerk moet uitgaan, dat de Theologie uitsluitend domein is van de kerk, dat de Theol. Faculteit vernietigd wordt ten bate van de Theol. School. Geen wonder, dat daarom de voorstanders der laatste in het |20| voorstel zich vinden kunnen, maar dat de anderen bezwaar hebben en voor zulk eene van de Theol. Faculteit beroofde Universiteit hun liefde en hun geld niet meer zouden over hebben 7).

Nu kan vooraf een klein misverstand terstond uit den weg worden geiuimd. De bedoeling van het voorstel is volstrekt niet, dat Theol. School en Vrije Universiteit op verschillende plaatsen zouden kunnen gevestigd blijven. Indien de Kerken en de Vereeniging over de plaats van vestiging niet tot eenstemmigheid konden komen, zou het vanzelf vervallen zijn. Want hoe men ook oordeele over het verband, dat in het voorstel tusschen Theol. Schoolen Universiteit gelegd wordt, er staat toch duidelijk in, dat Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren wederzijds één college vormen en dat de Vrije Universiteit met de Theol. School naar buiten en officiëel optreedt als één geheel.

Ook is het zonder meer niet juist, dat de Theol. Faculteit aan de Vrije Universiteit ontnomen wordt. Zij zou er voor in plaats krijgen de Theologische School, die in al de rechten optreedt, welke eener faculteit toekomen. Deze opmerking kan, ik gevoel het, hier ter plaatse nog weinig kracht uitoefenen tegenover de broederen, wijl zij haar terstond beantwoorden met de tegenwerping: dat is alleen nominaal, in schijn, doch niet in werkelijkheid! Daarom maak ik ze hier slechts voorloopig en kom er later op terug.

Eerst moet duidelijk worden, wat het „fijne puntje” in het voorstel is. Dr. Kuyper van Leeuwarden heeft dit zeer goed begrepen 8). Ontdaan van zijn vorm en inkleeding, |21| komt het voorstel hierop neer, dat de Vereeniging voor Hooger Onderwijs de benoeming van de Hoogleeraren in de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit voortaan geheel overlate aan de Curatoren, vanwege de Synode der Gereformeerde kerken benoemd.

Dat is de kern van het voorstel. Zoo heeft ook Ds. Sikkel het verstaan in het eerste artikel, dat hij in Hollands Kerkblad van 11 Febr. 1899 aan het voorstel wijdde. Hij zegt daar, dat naar mijn voorstel de kerken, om onafhankelijk tegenover de wetenschap te blijven, volledige zeggenschap moeten hebben over eenige inrichting van Theologisch Hooger Onderwijs en dat toch de Theologie een eigen erve en eigen school moet hebben en in gemeenschap en eenheid staan met de andere wetenschappen. Zakelijk komt het voorstel geheel overeen met wat hijzelf zou begeeren en aldus uitdrukt: de kerk belaste hare doctoren met onderwijs en opleiding voor de Theologie en deze kerkelijke doctoren treden op als de Hoogleeraren in de Theologie aan de Universiteit, die met de andere faculteiten één senaat en één Universiteit vormt.

Hoewel Ds. Sikkel later geheel op zijn oordeel terugkwarn, betuigde hij eerst met het voorstel zijne warme sympathie en zag er in elk geval den weg in aangewezen, om tot eene bevredigende oplossing te geraken. Maar bij anderen bleven, ofschoon zij de hoofdgedachte van het voorstel goed hadden begrepen, de bezwaren bestaan. Deze zijn twee in getal: de eenheid van wetenschap en Universiteit wordt verbroken, en het principe van kerkelijke opleiding en kerkelijke theologie zegeviert. Elk van deze bezwaren eischt eene afzonderlijke bespreking. |22|


§ 5. Waarin het wezen eener Universiteit ligt.

Het eerste bezwaar heeft zijn grond in een onjuist begrip van het wezen eener Universiteit.

De scholen van wetenschap, waaruit de latere Universiteiten in onzen zin zijn voortgekomen, hebben haar ontstaan daaraan te danken, dat enkele personen zich saam verbonden tot het beoefenen en onderwijzen van eene of andere wetenschap. Zij waren oorspronkelijk eene universitas magistrorum et scholarium, een gilde, een corps, eene kleine maatschappij van leeraren en studenten. Zij konden moeilijk anders dan als vrije corporaties ontstaan, wijl niemand toenmaals op de gedachte kon komen, om eene Universiteit te stichten. De idee van eene Universiteit was onbekend en moest eerst in de historie aan het licht treden. Gelijk altijd ging ook hier het leven aan het bewustzijn vooraf.

Het geboorteuur der Universiteiten sloeg dus, toen enkele mannen, zonder eenige benoeming of aanstelling, vrij en uit eigen initiatief een corps gingen vormen tot beoefening en onderwijs van eene bepaalde wetenschap, medicijnen, rechten of theologie. Maar langzamerhand kwam daar door allerlei oorzaken verandering in. Om zulk een corps te vormen, was in de Middeleeuwen reeds de toestemming der overheid van noode. Er was voorts behoefte aan een gebouw, aan het levensonderhoud van de professoren, aan privilegiën van allerlei aard, aan het recht om graden uit te reiken, die allerwege in de Christenheid werden erkend enz. Zoo mengde zich allengs de overheid, de keizer, de paus in de aangelegenheden der Universiteit, en hun macht breidde zich gaandeweg uit.

Na de Reformatie werd door Gereformeerden en Lutherschen |23| het recht tot stichting en verzorging van scholen voor lager en hooger onderwijs aan de overheid toegekend. Het is waar, gelijk Dr. H.H. Kuyper in zijn boek: De Opleiding tot den Dienst des Woords bij de Gereformeerden heeft aangetoond, dat de Gereformeerden de kerkelijke scholen hebben laten varen. Maar zij hebben dat niet gedaan, omdat zij zich helder rekenschap hadden gegeven van het beginsel, wie het recht en de bevoegdheid bezit tot het stichten en onderhouden van scholen. Zij kwamen er in de practijk veelszins toe, omdat zij van de kerk en hare scholen zoo bittere ervaring hadden opgedaan. En zij verlieten de kerkelijke scholen niet, om nu voor het stelsel van vrije scholen te kiezen, die door ouders, door eene vereeniging, door particulieren werden opgericht 9). Maar overal, waar de overheid met de Reformatie meeging, wekten zij haar tot het oprichten van scholen op. Ook hiervan beweer ik niet, dat zij dit deden met klaar inzicht in het beginsel. Maar voorzoover zij over het principiëele recht tot stichting van scholen van wetenschap zich uitlieten, kenden zij dit aan de overheid en niet aan particulieren toe 10).

Het beginsel, dat eene school van wetenschap door eene vereeniging kan en mag worden opgericht, is het eerst in de Gereformeerde kringen hier te lande door Dr. A. Kuyper uitgesproken en tegenover de bestrijders in zijn Strikt genomen |24| 1880 verdedigd. En dit pleidooi is door Dr. Kuyper niet zoo bedoeld, alsof anderen dan eene vereeniging scholen van wetenschap niet zouden mogen oprichten. Pas heeft hij in de Heraut 1109 nog gezegd, dat zelfs eene kerk in sommige omstandigheden eene Universiteit kan en mag oprichten. Het eenige, wat hij naar mijne opvatting heeft willen betoogen en betoogd heeft, is, dat ook eene vereeniging het mag doen, en dat in den tegenwoordigen toestand, d.i. onder eene neutrale overheid, er geen andere oplossing van de onderwijskwestie is, dan dat de Staat zich van het schoolmeesteren onthoude en de scholen, lagere en hoogere, aan ouders en particulieren, d.i. aan de maatschappij, en dus wat ons betreft aan de mannen van Christelijke professie, overlate.

Wat ik met dit alles wil betoogen, is dit, dat de vraag, wie de Hoogleeraren benoemt, volstrekt niet beslist over het wezen eener Universiteit. Deze benoeming is geschied en kan geschieden op zeer verschillende wijze. Zij kan plaats hebben door coöptatie (door de professoren zelven) door de studenten 11), door corporaties binnen den kring der Universiteit, door eene stads-, provinciale of landsoverheid, door een koning en keizer, door een paus en een bisschop, door eene kerk en eene vereeniging. Zelfs doet het tot het wezen van eene Universiteit volstrekt niet af, dat alle professoren door dezelfde personen of corporaties worden benoemd. Indien verschillende personen en corporaties zich verstaan en contractueel verbinden, kunnen de hoogleeraren in de verschillende faculteiten zeer goed op verschillende wijze worden benoemd. Met het wezen eener Universiteit heeft dit niets te maken, want het wezen eener Universiteit ligt |25| niet in de personen, die haar oprichten verzorgen, maar alleen in het corps van Hoogleeraren en studenten. Er is eene Universiteit, zoodra een groep van bekwame mannen krachtens eenzelfde beginsel, naar wetenschappelijke, methode de wetenschap beoefent en deze aan een kring van discipelen onderwijst.

Omdat men dit wezen eener Universiteit niet inzag, heeft men het ingediende voorstel onaannemelijk verklaard, en luide uitgeroepen, dat de eenheid der wetenschap en der Universiteit verbroken werd, dat de Theologische Faculteit werd opgeheven, dat de Vrije Universiteit van haar hoofd en hart werd beroofd. Het voorstel zelf werd „onbekookt” genoemd en de voorsteller van allerlei booze aanslagen verdacht.

Dit is ook gansch natuurlijk, als men in de enge voorstelling leeft, dat eene Universiteit dan alleen bestaan en wetenschappelijk zijn kan, wanneer zij uitgaat van eene Vereeniging en hare professoren op eene bepaalde wijze, door Curatoren en Directeuren, worden benoemd. Men vergeet dan, dat Vereeniging, Directeuren, Curatoren in het geheel niet tot het eigenlijk lichaam der Universiteit behooren; dat zij maar dienst doen als hulpmiddelen, als stutten en krukken, om de Universiteit in stand te houden; dat zulk een dienst niet alleen door eene Vereeniging maar door allerlei personen en corporaties, door overheid en kerk kan worden verleend; dat de wetenschap zelve opkomt uit den drang van den menschelijken geest, en eene gave Gods is; en dat, wijl één persoon daartoe veel te beperkt is, verschillende personen zich saamvoegen tot één corps, om gezamenlijk, kon het zijn, de gansche wetenschap te beoefenen, ze aan anderen mee te deelen en haar zoo door de geschiedenis heen over te leveren en te vermeerderen van geslacht tot geslacht. |26|

Daarbij komt nog, dat de vraag naar de beste wijze, waarop Hoogleeraren aan eene Universiteit moeten benoemd worden, lang niet zoo eenvoudig en gemakkelijk is, als velen zich voorstellen. En dit geldt zeker wel voornamelijk, maar toch lang niet alleen de Professoren in de Theologie. Bij het Universiteitsfeest te Lyon in 1894 was er een afzonderlijk congres belegd tot behandeling van de vraag, hoe Universiteitsprofessoren het best konden worden benoemd; en de antwoorden op die vraag liepen verre uiteen 12). En hier te lande klaagde Prof. van Geer voor eenige jaren over de wijze, waarop de benoeming der Hoogleeraren aan onze Overheidsuniversiteiten plaats had; het raadplegen van de faculteit bij die benoemingen heeft de schaduwzijde, dat alle verscheidenheid uitgesloten, alle botsing vermeden en alleen vrienden worden voorgedragen 13). Wie onzer is zulk een vreemdeling in Jeruzalem, dat hij van deze kleinheid van geest bij de mannen van wetenschap nooit heeft gehoord?

Van de wijze, waarop aan de Vrije Universiteit de Hoogleeraren worden benoemd, zal ik thans niet veel zeggen. Dr. Wagenaar zou allicht weer gaan denken, dat ik een „aanval” tegen de Vereeniging smeedde. Alleen veroorloof ik mij in alle bescheidenheid maar toch ook met allen ernst de vraag: gelooft men waarlijk, dat vijf Curatoren en vijf Directeuren in staat zijn, om te oordeelen over de bekwaamheid en de geschiktheid van Hoogleeraren in niet minder dan vijf faculteiten? Zoolang de Universiteit klein en zwak is, wordt dat bezwaar niet zoo gevoeld. Maar stel eens, dat wij hadden eene heusche Universiteit, en niet |27| waar, gelijk Dr. H.H. Kuyper het noemde, eene Hoogeschool voor de Theologie met een aanhangsel, dus eene Universiteit met minstens vijftig Professoren, zou er dan geen gevaar bestaan, dat de Professoren bij benoeming, schorsing en ontslag alle macht in handen kregen, en dat Curatoren en Directeuren zoo goed als niets hadden te zeggen? Het is maar eene vraag. Doch als de Overheid, die toch eene onafhankelijke macht is, reeds aan dit gevaar niet ontsnapt, is het dan onbegrijpelijk, dat ten opzichte van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs de vreeze veler hart bekruipt, vooral bij de benoeming van de Hoogleeraren in de Theologie? Zou het geen overweging waard zijn, dat de Gereformeerde kerken en de Vereeniging voor Hooger Onderwijs eene zoodanige verbintenis sloten, waarbij de gewichtige arbeid van benoeming van Hoogleeraren aan de Universiteit verdeeld werd?

Ik stem toe, dat dit niet mag en niet kan, als het beginsel het niet gedoogt. Maar ik meen te hebben aangetoond, waarom voor mij althans hierbij geen beginsel gemoeid is. Het wezen eener Universiteit ligt alleen in het corps van Hoogleeraren en studenten, die saam, elk op hunne wijze, maar toch in éénen geest, krachtens eenzelfden drang, naar de methode, welke God voor dit denkend leven vastgesteld heeft, aan de wetenschap zich wijden.

De eenige vraag, waarop het dus aankomt, is deze: zou de Vereeniging voor Hooger onderwijs zulke Hoogleeraren, die niet door hare Directeuren benoemd zijn, maar van buiten af, door anderen haar worden aangeboden, als Professoren mogen erkennen, opnemen in den kring van alle Hoogleeraren en hun met dezen gelijken rang en gelijke eere willen schenken?

Zoo algemeen de vraag gesteld, kan ik mij haast niet |28| voorstellen, dat iemand zeggen zal: dat mag en kan niet. Als de Vereeniging zulk een aanbod kreeg en dan daarbij natuurlijk de waarborgen, dat de alzoo aangeboden Hoogleeraren met haar beginsel en bedoelen overeenkwamen, dan zou het mij dwaas voorkomen, als zij het aanbod afsloeg en zeide: ik mag en kan het niet doen want dan gaat de eenheid der wetenschap te loor, dan wordt het wezen der Universiteit vernietigd, dan verliest ze nu wel misschien geen hoofd en geen hart, maar dan toch een arm of een been!

Ik kan deze vraag echter verder laten rusten, hoewel er veel van te zeggen zou zijn en het dikwijls is voorgekomen, dat op deze of soortgelijke manier leerstoelen en „colleges” aan bestaande Universiteiten zijn toegevoegd. Maar dit alles zou toch misschien niet overtuigend zijn. Want wij staan niet voor het geval, dat overheden of vorsten, rijke particulieren of machtige corporaties tot de Vereeniging met zulk een aanbod komen. Maar het zijn, indien mijn voorstel eens aangenomen wierd, de Gereformeerde kerken in Nederland, die zich verstouten aan de Vereeniging zulk een aanbod te doen. Misschien zou men nu bereid zijn, om van alle anderen zulk een aanbod aan te nemen, alleen van de kerken niet. Zij toch, zoo spreekt men tegenwoordig, kunnen en mogen geen Professoren in de Theologie benoemen; dat is haar taak niet; zij staan er wetenschappelijk te laag voor; de wetenschap kwam er door in gevaar. Ook dit bezwaar is opzettelijke overweging waard.


§. 6. Wat recht in dezen aan de kerken toekomt.

De omschrijving van dit recht wordt vereenvoudigd, door de overeenstemming, die op verschillende punten |29| reeds als resultaat van lange redeneering verkregen is.

Er staat in de eerste plaats over het algemeen onder ons vast, dat studie en onderwijs der Theologie niet uit de ambten, uit de institutaire kerk opkomt. Noch in het ambt van diaken of ouderling, noch ook in dat van dienaar des Woords zijn daarvoor als zoodanig de gegevens aanwezig. Of het professoraat in de Theologie misschien niet naast de bestaande een eigen ambt vormt, is nog lang niet uitgemaakt. Bij de Roomschen is tot de uitoefening daarvan de missio ecclesiastica door den bisschop noodig 14). De Lutherschen hielden het voor een ministerium evangelicum 15). Vele Gereformeerden van vroeger en later tijd handhaafden het als een kerkelijk ambt. En de H. Schrift spreekt op dit punt niet zoo duidelijk, dat alle verschil van gevoelen uitgesloten wordt. Maar dit punt kan hier verder onbesproken blijven, hoe belangrijk het ook zij. Er is in elk geval tegenwoordig onder ons vrij groote eenstemmigheid daarover, dat de Theologie niet uit de bestaande ambten, uit de institutaire kerk opkomt.

Toch bestaat er in de practijk nog veel spraakverwarring. Om een paar voorbeelden te noemen: Dr. Wagenaar denkt en hoopt, dat de Theol. School wel langzamerhand wegsterven zal, wijl men algemeen zal gaan gevoelen, dat zij toch geen kerkelijke opleiding geeft 16). Dr. Kuyper van Leeuwarden is omgekeerd daarom voor de aanneming van mijn voorstel zoo bevreesd, wijl er het beginsel door zegevieren zou, dat Theologie en Opleiding van de kerk moeten uitgaan 17). De Heraut 1109 verklaart, dat, genomen de |30| tegenstelling, ambtelijk of particulier initiatief, beide, zoowel de Vrije Universiteit als de School te Kampen, onder het particulier initiatief vallen en opkomen uit de kerk als organisme. Het vreemdst drukt zich Ds. Klaarhamer uit, als hij in de Utrechtsche Kerkbode van 22 April zegt: Niet aan de institutaire kerken maar ' aan de „Gemeente” zijn de woorden Gods toebetrouwd, en dit feit brengt juist de Gemeente ertoe, om voor haar welzijn een kerkelijk instituut te stichten en evenzeer (let wel: evenzeer) tot de komst van het koninkrijk der hemelen tot stichting van eene Universiteit over te gaan.

Instituut der kerk en Universiteit komen hier op ééne lijn te staan; het zijn beide vrije scheppingen en stichtingen der gemeente, die zij voor haar welzijn en arbeid van noode heeft. Ik denk en hoop niet, dat velen het met deze stelling van Ds. Klaarhamer eens zullen zijn; haar ongereformeerde oorsprong is te zeer aan allen bekend; volgens de H. Schrift en de belijdenis onzer Geref. kerken is niet eene Universiteit maar wel het instituut der kerk eene stichting van Christus. Maar de onderscheiding van kerk als organisme en kerk als instituut begint tegenwoordig dienst te doen, om alwat uit de eerste opkomt te verheerlijken en de kerk als instituut te verachten. Toch heeft de kerk als organisme, indien wij dit spraakgebruik voor een oogenblik laten gelden, geen andere organisatie dan juist in het instituut; en dit instituut is niet willekeurig maar door Christus zelf aan zijne kerk geschonken. Te zeggen, dat de Vereeniging voor Hooger onderwijs of de Vrije Universiteit uit de kerk als organisme opkomt, kweekt blijkbaar spraakverwarring. Al ligt er eene goede gedachte in, men mag toch niet vergeten, dat men dan evengoed kan zeggen, dat wanneer een tiental Christenen |31| saam een broodfabriek oprichten, deze broodfabriek opkom uit de kerk als organisme.

In de tweede plaats is er ook onder ons geen verschil daarover, dat de kerk het recht heeft, om eene Theol. School te stichten en in stand te houden. De Heraut 1109 gaat terecht nog veel verder en zegt zeer juist: de geïnstitueerde kerk kan ook eene Universiteit stichten, ze kan een Faculteit tot stand brengen (ik cursiveer), ze kan een seminarie in het leven roepen. En dat volstrekt niet alleen voor de theologen, maar voor elke wetenschap en voor alle wetenschappen. Deze woorden geven mij alwat ik begeer. Want daarover is natuurlijk geen verschil, dat de kerk, dit doende, het niet doet krachtens haar ambt, maar oindat zij het om de eene of andere reden voor haar welzijn en bloei noodzakelijk vindt. Maar de kerk doet het dan toch en heeft in sommige omstandigheden het recht, alzoo te doen. Nu laat ik hierbij verder het recht van de kerk tot stichting eener Universiteit onbesproken. Mij is het thans alleen om de Theol. School of Faculteit te doen. En dan staat het onder ons vast, dat de kerk daartoe volkomen het recht en de bevoegdheid bezit. Trouwens kan hierover ook geen verschil bestaan. Er is zulk een nauw verband tusschen Theologie en kerk. De eene kan niet leven en bloeien zonder de andere. De kerk heeft voor de opleiding harer dienaren aan de Theologie onmisbare en rechtstreeksche behoefte.

Maar bij deze dubbele overeenstemming voegt zich nu tweeërlei verschil. Ten eerste daarover, dat, wanneer de kerk eene Theol. School opricht, deze uitteraard niet anders kan zijn dan eene opleidingsschool. Het wordt wel toegegeven, dat er aan zulk een School ook eens knappe menschen kunnen optreden, maar dat is dan meer toeval en |32| eigenlijk met aard en inrichting van zulk eene School in strijd. Dit beweren wordt met twee bewijzen gestaafd, een practisch en een theoretisch. Practisch heet het aldus: eene Synode van kerken kan geen benoeming doen, die waarborgen geeft voor wetenschappelijkheid van het onderwijs. Elk, zegt men, die met onze kerkelijke vergaderingen bekend is, zal dit van harte beamen, en erkennen, dat benoeming door zulke vergaderingen het wetenschappelijke karakter eener School in groot gevaar zou brengen 18). Dr. H.H. Kuyper en Ds. Klaarhamer, die dit bezwaar inbrengen, moeten van die kerkelijke vergaderingen al zeer smartelijke ervaringen hebben opgedaan. Maar, al vind ik dit argument niet bijzonder sterk, beiden erkennen, dat het eigenlijk niet tegen mijn voorstel geldt. Want daarin wordt de benoeming door de kerken opgedragen aan vijf Curatoren, door de Synode benoemd. Hiertegen nu brengt Ds. Klaarhamer in het geheel geen bezwaar meer in; maar Dr. Kuyper zegt, dat zulk eene benoeming door Curatoren vanwege de Synode toch weer geen kerkelijke benoeming is in zuiveren zin, en dat die Curatoren dan toch weer door de Synode worden benoemd en dus al de bezwaren tegen de waarborgen van wetenschappelijkheid bij deze benoeming terugkeeren. Het eerste moest nu mijn voorstel in de oogen van Dr. H.H. Kuyper tot eene aanbeveling verstrekken. Want immers hij vreest van de aanneming van mijn voorstel vooral dit, dat het volk er de zegepraal van het kerkelijk beginsel van Opleiding en Theologie in zal zien. En hier zegt hij toch weer, dat de Theol. School of de Theol. Faculteit, wier Hoogleeraren door vijf Curatoren vanwege de kerken worden benoemd, geen kerkelijke inrichting is in |33| zuiveren zin; want de benoeming is het hoofdpunt, waarom bij mijn voorstel alles draait. En het tweede, dat de bezwaren alleen verschoven worden en bij de benoeming van de vijf Curatoren door de Synode terugkeeren, is afdoende te beantwoorden met de wedervraag, of de wijze van benoeming van Curatoren in de Vereeniging voor Hooger onderwijs dan andere en betere waarborgen geeft? Ja, ik ga verder en beweer, dat eene benoeming door Curatoren vanwege de Synode veel meer waarborgen geeft van wetenschappelijk en zuiver onderwijs in de Theologie, dan eene benoeming door Curatoren en Directeuren, die in elk geval voor het meerendeel geen theologen zijn, buiten het wetenschappelijk leven van kerk en Theologie staan, en niets anders doen kunnen dan afgaan op het advies der Hoogleeraren.

Ds. Klaarhamer vergenoegt zich echter niet met dit practisch bewijs. Hij voegt er een theoretisch en principiëel argument aan toe. Reeds vroeger in een ander verband hebben wij zijne woorden aangehaald. Eene Theol. School en eene Theol. Faculteit verschillen in beginsel, aard, doel, leven, studiegang, wijze van arbeiden enz. 19). Ik noodig mijn geachten opponent uit, om deze bewering met rationeele en historische bewijzen te staven. Ik noodig hem uit, om aan te toonen, dat dit niet dikwerf zoo is en kan zijn (want het omgekeerde kan ook zijn, dat eene Theol. Faculteit zeer slecht en eene Theol. School zeer goed is), maar dat dit zoo moet wezen. En alvast verwijs ik hem naar de Theol. School te Princeton, uitgaande van de Presbyterian Church in Amerika, welke naast de Universiteit staat, en een getal van elf Hoogleeraren bezit, 20) die voor |34| een deel zelfs een Europeeschen naam hebben verworven. Of ook naar de Theol. School van Montauban, die wel den naam van Faculté de théologie draagt maar wezenlijk eene op zichzelve staande vakschool 21) is en onder haar hoogleeraren een man als Doumergue telt, den beroemden kenner en nu ook den uitnemenden biograaf van Calvijn. |35| Is het waar, dat eene Theol. School van eene Theol. Faculteit verschillen moet in gehalte van onderwijs, in aantal van colleges en vakken, in gang en methode van studie, in peil van examen?

Het is moeilijk te gelooven, dat iemand dat in ernst beweert en zulk een beweren tegenover de getuigenissen der historie handhaaft. Laat desnoods het verleden rusten, maar leert ook het heden de ongegrondheid van zulk een beweren niet op alle manieren? Wie eenig besef heeft van de ontzaglijke uitbreiding der wetenschap in den tegenwoordigen tijd, weet, dat al onze Universiteiten hoe langer hoe meer in vakscholen uiteenvallen, die bijna door geen anderen dan een uitwendigen band nog eenigszins met elkander vereenigd zijn. Er is hier, afgedacht nog van het tegenwoordig algemeen heerschend neutraliteitsbeginsel, een groote schaduwzijde aan verbonden, ik erken het; maar houden zij nu in diezelfde mate op, scholen van wetenschap te zijn? Ligt er ook niet iets goeds in? Moet de reuzentaak der wetenschap niet hoe langer hoe meer leiden tot steeds voortgaande verdeeling van arbeid 22)?

Maar, zegt Ds. Klaarhamer, eene Universiteit en dus ook de Theol. Faculteit heeft tot eerste en voornaamste doel en reden van bestaan: de opbouwing van de wetenschap enz., terwijl het gereedmaken van ambtenaren ondergeschikt en tweede doel is; maar eene Opleidingsschool bedoelt opleiding tot ambtenaar in kerk of staat. Nu ja, eene Opleidingsschool bedoelt natuurlijk opleiding; dat spreekt wel vanzelve! Maar de vraag is, of eene Theol. School, vanwege de kerken (of ook, want dat is best mogelijk, |36| vanwege de overheid of vanwege eene Vereeniging) opgericht, altijd en uitsluitend opleidingsschool moet wezen en uitteraard niet kan wezen eene school voor Theologie.

Het antwoord op die vraag kan principiëel en historisch geen ander dan bevestigend wezen. Of zit soms al het verschil daarin, dat bij eene Theol. Faculteit de beoefening der wetenschap eerste en de opleiding tot het ambt tweede en ondergeschikte doel is; terwijl het in het gunstigste geval bij eene Theol. School toch altijd omgekeerd is?

Laat ik dan ter beantwoording dezer vraag voor een oogenblik het woord mogen geven aan een onzer volksvertegenwoordigers, die in Dec. 1897 in de Tweede Kamer over het Hooger Onderwijs aldus sprak:

Bij de Universiteit moet onderscheid gemaakt worden tusschen haar tweeledig karakter, als zijnde (let wel) in de eerste plaats eene school voor de opleiding van studenten voor beroepen in het leven; en als hebbende in de tweede plaats de roeping om te zijn, als ik het zoo mag uitdrukken, een Groot-laboratorium voor de wetenschap.

Voor wat aangaat de opleiding van studenten voor beroepen, kan eene Universiteit van vijf faculteiten zeer wel volstaan met — laat mij een cijfer noemen — met een vijftigtal hoogleeraren, maar daarentegen moet eene Universiteit, die een Groot-laboratorium voor de wetenschap zal zijn, minstens bezet zijn met honderd man. Dit laatste is niet te hoog gerekend 23).

Ds. Klaarhamer zal zeker wel weten, wie deze spreker was. Zijn naam is Dr. A. Kuyper, stichter en hoogleeraar van de Vrije Universiteit. Ik verklaar volkomen met deze zijne woorden in te stemmen en laat de toepassing ervan |37| op het tusschen ons bestaande verschil gaarne aan mijn geachten tegenstander over.

Gelijk boven gezegd werd, is er echter nog een tweede verschil. Dit loopt over de vraag, in welk geval eene kerk tot het stichten van eene Theol. School moet overgaan en, indien zij ze bezit, met het onderhouden daarvan moet voortgaan. Er is eenstemmigheid daarover, dat eene kerk eene Theol. School mag stichten. Maar de vraag is: wanneer moet eene kerk dat doen? in welke omstandigheden en toestanden is eene kerk daartoe voor haar eigen bestaan en bloei verplicht? Natuurlijk is daarvoor geen vaste regel aan te geven. Gewoonlijk gaat eene kerk daartoe vanzelve over, als zij in nood verkeert, zonder nauwkeurig te berekenen, waarom zij dat hic et nunc moet doen. Maar zoodra zulk eene berekening opkomt, loopen de gevoelens uiteen. Beoordeeling van omstandigheden en toestanden verschilt. De een heeft een anderen blik op de dingen dan de ander. Sommigen zijn optimistisch aangelegd en weten van geen zorgen, anderen zijn pessimistisch gestemd en zien de toekomst donker in. In zulk een toestand verkeeren wij. Daar zijn er, die grondslag, inrichting en School der Vereeniging voor Hooger onderwijs voortreffelijk en onverbeterlijk achten en de Theol. school gansch overbodig rekenen. Daar zijn anderen, die ook de Vereeniging voor Hooger onderwijs een goed hart toedragen en den bloei harer School van ganscher ziele begeeren, maar die toch bezorgd zijn, die liever eerst de kosten overrekenen, voordat zij den toren gaan bouwen, en daarom het zekere voor het onzekere kiezen. Ideaal en practijk, idee en werkelijkheid, toekomst en heden komen hier in botsing met elkaar. Maar dat behoeft toch niet. Beter is het, elkander te verstaan en te waardeeren. Laat naar |38| een tusschen kerken en Vereeniging te sluiten verdrag de benoeming van de Professoren in de Theologie aan de kerken over; en gij hebt de eischen van het heden erkend en de rechten der toekomst gehandhaafd.


§ 7. Wat om thans te doen staat.

Er zijn omstandigheden genoeg, die mij aanleiding zouden kunnen geven, om mijn voorstel terug te nemen.

Enkele Kerkbodes hebben het terstond onaannemelijk verklaard. Er zijn principiëele bezwaren tegen ingebracht. Vreesachtige naturen hebben het onvoorzichtig en voorbarig genoemd. En velen zien den strijd uit de verte aan en dekken zich met het schild der neutraliteit.

Ik verheel mij den ernst van den toestand ganschelijk niet. Maar indien dergelijke overwegingen den doorslag gaven, hadden zij ook in de jaren 1886-1892, toen de vereeniging van de kerken aan de orde was, en in 1892-1896, toen de opleiding ter sprake kwam, van inmenging in den strijd moeten af houden. Ook toen stonden partijen scherp tegenover elkaar. De strijd met broederen was pijnlijk voor het hart. Maar het is meermalen reeds gezien, dat, juist op het oogenblik, als alle toenadering en verbroedering scheen afgesneden, God in zijne genade de breuke herstelde en den vrede terugkeeren deed. Ik heb vertrouwen, dat diezelfde God, die tot dusver zijne kerken in Nederland bewaarde en beschermde, ook thans en in de toekomst over zijn volk in deze landen zich erbarmen en het samenbinden zal in de vreeze zijns Naams.

Voor „partijwezen in de kerk” heeft de Heraut gewaarschuwd. En zonder twijfel heeft die waarschuwing bij |39| allen instemming gevonden. Voor politieke kiesmanoeuvres is in de kerk van Christus geen plaats. Maar het ingediende en veelbesproken voorstel heeft aan dat partijwezen niet de minste schuld. In de kerken en op de Synoden stonden telkens in de laatste jaren partijen tegenover elkaar. En de verschillende akten en regelingen, die ontworpen werden, strekten niet, om het partijwezen in de kerk van Christus wakker te roepen, maar juist, om er voor goed een einde aan te maken. Dat zelfde is met het voorstel tot vereeniging van Theol. School en Vrije Universiteit het geval. Het schept het partijwezen niet, maar strekt, om het uit te roeien met wortel en tak. Want niemand ontkent, dat het bestaat. De verschillende Kerkbodes hebben in dat opzicht met de brochure Theologische School en Vrije Universiteit volle instemming betuigd. Sommige vonden, dat het voorstel te rechter tijd was ingediend. En hoe ernstige bezwaren er ook tegen geopperd zijn, over het algemeen was de polemiek van boozen hartstocht vrij en had de discussie plaats in broederlijken geest. Ja, tot op zekere hoogte bestaat er reden, om dankbaar te zijn, dat de broederen, die bezwaar hadden, hun gedachten, met name over de Theologische School, zoo ondubbelzinnig uitspraken. Het is veel beter, rond en open zijne meening te zeggen, dan ze diep te verbergen in het hart. Dat de partijen anders gegroepeerd zijn dan vroeger, is een gevolg van de veranderde verhoudingen en dus eer bate dan schade te rekenen. De discussie heeft geleerd, wat wij aan elkander hebben, hoe wij tegenover elkander staan, en daarbij ook, langs welken weg wij elkander zoeken en tot elkander naderen moeten.

De verbinding van School en Universiteit moet het zegel drukken en de kroon zetten op de vereeniging der kerken |40| in 1892. Indien wij tot die verbinding nu of in de naaste toekomst niet kunnen komen, dan zou de vereeniging der kerken in 1892 een fout geweest en jammerlijk mislukt zijn. Niet omdat deze niet door Gods Woord en door den eisch onzer beginselen geboden ware, maar wijl wij door de hoogheid van ons hart en de dwaasheid van ons verstand haar voor ons zelven, voor ons land en ons volk onwaardig hebben gemaakt.

Daarentegen kan God de Heere in dit jaar der Synode haast geen grootere gunst ons schenken, dan wanneer Hij met eene samenstemming over de opleiding tot den dienst des Woords de in 1892 gesloten vereeniging der kerken kroont. Niet vurig genoeg kan deze van den Heere worden begeerd, niet ernstig genoeg kan zij worden nagejaagd. De toekomst der kerken zou er middelijkerwijze door verzekerd, en het bestaan der Vrije Universiteit door gewaarborgd zijn.

Wat men gezegd heeft van de verflauwing der liefde en offervaardigheid voor de Vrije Universiteit, indien de door mij voorgestelde regeling der opleiding ingevoerd werd 24), gaat dan ook geheel buiten de concrete werkelijkheid om. Alsof ons Gereformeerde volk voor de abstracte idee van eene benoeming der Theol. Professoren door Curatoren en Directeuren eener Vereeniging van liefde blaken zou, en niet veeleer diep uit het hart een danktoon naar God zou laten uitgaan, als kerken en vereeniging eene zoodanige regeling troffen, waardoor de breuke geheeld en de broedertwist voorgoed bezworen werd. Het geeft nog niet veel maar is toch een teeken, dat een broeder mij onlangs schreef, dat hij, wanneer het voorstel aangenomen werd en |41| dientengevolge de Vrije Universiteit met de oprichting eener medische faculteit een aanvang maken kon, hij daarvoor eene gift van duizend gulden bestemd had. Ter wille van de Hervormde en andere broederen behoeft men een nauwer verband van de Vereeniging met de Geref. kerken niet te mijden. Want niet alleen draagt die Vereeniging met hare School toch reeds in hun oog eene kerkelijke kleur; maar er is van hun kant zoowel bezwaar tegen de benoeming van de Theol. Hoogleeraren vanwege de Geref. kerken, als ook tegen de toch volgens allen noodige bepaling, dat de Hoogleeraren in de Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit leden der Geref. kerken moeten zijn.

Voor de vreeze, dat de aanneming van het voorstel der Vereeniging voor Hooger Onderwijs tot schade zou verstrekken, bestaat dan ook niet de minste grond. Veeleer mag met goede hope verwacht worden, dat de oplossing van het geschil over de opleiding op alle manieren der Vereeniging ten goede zou komen, de liefde voor hare Hoogeschool bij alle leden der Gereformeerde kerken zou doen ontwaken en versterken, en haar bloei en zegen voor de toekomst zou waarborgen. Toch, al ligt het bestaan en de ontwikkeling der Vrije Universiteit schrijver dezes zeer na aan het hart, en al zou geen voorstel bij hem instemming vinden, dat haar bestaan bedreigen of haar bloei belemmeren kon, toch is zijn voorstel niet in de eerste plaats met het oog op haar belang ingediend. Want boven de Vereeniging voor Hooger Onderwijs staan toch volgens aller overtuiging de Gereformeerde kerken in Nederland. En het is het belang der kerken, dat door die kerken zelve vóór alle dingen bij de vraag naar de deugdelijkste opleiding van haar aanstaande dienaren behartigd moet worden. |42|

Niemand kan er bezwaar tegen inbrengen, dat de kerken zelve op hare vergaderingen, en zoo ook op de aanstaande Synode, daarmede in de eerste plaats rekening houden. Dit is geen misplaatst en zondig eigenbelang, maar getrouwheid aan de dure roeping, welke van Gods wege op haar rust.

Tot op zekere hoogte is het schrijver dezes persoonlijk onverschillig, hoe de zoo noodzakelijke eenheid van opleiding verkregen wordt. De opleiding van dienaren des Woords en de verhouding waarin deze tot de kerken staat, kan op zoo velerlei wijze geschieden. Het rijke leven, waaraan de Heraut ons nog onlangs in verschillende artikelen herinnerd heeft, spot dikwerf met de enghartigheid van het systeem en de bekrompenheid der theorie. Variis modis bene fit. Er ligt waarheid in het woord, dat onlangs geuit werd: verdeeldheid schept niet hij, die eene andere meening voorstaat, maar alleen hij, die zijne meening als de eenig ware wil doen gelden.

Maar indien ik mij niet vergis, worden de Gereformeerde kerken in dit jaar voor een tweesprong geplaatst. Niet omdat ondoordacht en te kwader ure de vraag over de opleiding aan de orde gesteld en in de kerken geworpen werd. Maar omdat eenerzijds het verband van de kerken met de Vereeniging voor Hooger Onderwijs krachtens de opdracht aan deputaten op de Synode ter sprake moet komen; en omdat andererzijds de financiëele toestand van Gymnasium en Theol. School voorziening en regeling behoeft. De Gereformeerde kerken staan voor de keuze, om op den ingeslagen weg voort te gaan of om, indien eenigszins mogelijk, tot eenheid van opleiding te komen.

Wat ik bij het doen van zulk eene keuze, die voor eene reeks van jaren beslissen zal, vóór alles beoog en verlang, is dit, dat de kerken zulk eene beslissing niet zullen nemen |43| dan met volle bewustheid, na rijp overleg, met klaar inzicht in de eischen en nooden van dezen tijd. Ook kerken mogen zich niet schuldig maken aan het laisser faire en het laisser passer. Zij hebben zich duidelijk rekenschap te gevenvan de roeping, welke haar in deze eeuw werd toebetrouwd. Tegen de borst moet een ieder stuiten het door enkelen gehuldigde systeem, om de Theol. School langzamerhand, door gebrek aan sympathie en aan geld, te laten uitsterven. Indien de Theol. School moet opgeruimd worden, het zij zoo; maar dan moeten de kerken daartoe besluiten, niet in blind vertrouwen op personen, maar welbewust en met vaste overtuiging. Dan moeten zij weten wat ze doen, beseffen, wat ze prijsgeven en overwegen wat zij winnen.

Wie met dit oordeel instemt, kan uit hetgeen over het voorstel geschreven werd, geen anderen indruk bekomen, dan dat dit besef, deze heldere overtuiging, aan de kerken nog in velerlei opzicht ontbreekt. Over grondslag en organisatie der Vereeniging voor Hooger Onderwijs, aan welke de kerken de opleiding zullen toevertrouwen, werd zoo goed als geheel het zwijgen bewaard. Het scheen, of de kerken daarover niet mochten oordeelen. Van de Theologische School mocht alles gezegd worden, maar van een boozen „aanval” werd hij verdacht, die ook maar met den vinger durfde wijzen naar de Vereeniging voor Hooger Onderwijs. Hier en daar werd zelfs het voorstel onaannemelijk geacht, omdat, indien de Vereeniging straks soms een non possumus uitsprak, wij toch geen stap verder kwamen. Dat is geen besef van roeping en plicht, gelijk het aan Gereformeerde kerken past!

Veeleer geldt daartegenover de kloeke vermaning van de Heraut 1047: De kerk ’t eerst! Schrandere geloovigen hebben steeds den eisch erkend, om in de eerste plaats |44| voor het voortbestaan en den bloei hunner kerk zorg te dragen. Voor het voortbestaan en den bloei dier kerk spanden zij zich niet in, alsof buiten die kerk niets op hun toewijding aanspraak zou mogen maken. Maar wat zij staande hielden was dit: Zorg voor uw kerk het eerst. Waar die bloeit, ontvangt al het andere vanzelf verhoogde levenskracht. Waar zij kwijnt, loopt de welstand van al het andere gevaar.

Dit is uit mijn hart geschreven. En daarom versta ik ook niet de bedenking, dat bij mijn voorstel de rechten en de vrijheden der Theologische wetenschap schade zouden lijden. Zulk een bezwaar is begrijpelijk op het standpunt van hen, die in school en wetenschap het beginsel der neutraliteit huldigen. Maar als eene Theologische Faculteit staan moet, gelijk allen onder ons erkennen, op den grondslag van de belijdenis der kerken, dan is de wetenschap aan zulk eene Faculteit in geen enkel opzicht vrijer en heeft zij hoegenaamd geen meerdere rechten dan aan eene Theol. School. De benoeming van de Hoogleeraren vanwege de kerken of vanwege de Vereeniging laat de rechten en vrijheden der wetenschap in dezelfde mate onaangetast, of legt ze naar het oordeel onzer tegenstanders in volkomen dezelfde mate aan banden.

Daarom, resumeerende, wat in het voorafgaande betoogd werd, neem ik ter oplossing van het geschil over Opleiding en Theologie, het volgende standpunt in.

In 1896 ging het om het recht en de vrijheid der Theologische wetenschap. Thans in 1899 schijnt het mij toe, te gaan om het recht en de vrijheid der kerken.

Dat recht der kerken dient gehandhaafd te worden in dezen vierderlei zin:

1. Het is het recht der kerken, om zelve te zorgen voor |45| de opleiding harer dienaren en te dien einde op te richten en in stand te, houden eene Theologische School. Niemand mag haar dat recht ontnemen, of ook om des beginsels wil eischen, dat zij daarvan afstand doe.

2. Het is het recht der kerken, om, indien zij daartoe bij machte zijn, deze School zoo in te richten, dat ze niet alleen dienst doe tot opleiding, maar ook eene School zij voor Theologie. Daargelaten, of het doctoraat een ambt zij, de didaskalia, de beoefening der Theologie is toch eene gave des H. Geestes. De kerk kan van deze gave zich bedienen en doctoren aanstellen, die krachtens deze gave de waarheid Gods uitleggen, verdedigen, onderwijzen, beoefenen in wetenschappelijken zin.

3. Het is het recht der kerken, om zelve vrij en zelfstandig te oordeelen, of zij aan eene bestaande School of Faculteit, welke niet van haar, maar van de overheid of van eene Vereeniging uitgaat, de opleiding harer dienaren wil toevertrouwen al dan niet. Zoo is geschied bij de Concept-regeling, welke op de Synode te Dordrecht ingediend werd; zoo bij de Leiddraad, die daarna op dezelfde Synode door dezelfde deputaten werd aangeboden; zoo bij het Rapport inzake de opleiding, dat op de Synode te Middelburg ter tafel kwam. In geen van deze gevallen is vooraf met de verschillende colleges der Vereeniging voor Hooger Onderwijs geraadpleegd, hoe gewichtig de veranderingen ook waren, die in hare organisatie der Synode werden voorgesteld. Zoo behoort ook thans te geschieden. Hetzij men minder of meer bezwaar hebbe, dat de kerken met eene bestaande School in nauwer contact treden, het recht moet aan de kerken verblijven, om daar zelve op hare vergaderingen zelfstandig over te oordeelen. Voor een non possumus behoeft zij, indien zij goede gronden heeft, niet uit |46| den weg te gaan. Aan het beginsel van vrije studie, dat de Geref. kerken hebben te handhaven, doen zij daarmede in het minst geen afbreuk.

4. Het is het recht der kerken, om bij het aangaan van een verband met eene bestaande Universiteit zich te bedingen de benoeming van de Professoren in de Theologie. De eenheid, de vrijheid, de zelfstandigheid der Universitaire wetenschap wordt daardoor niet verbroken. Boven zijn de bewijzen voor deze stelling geleverd. Ik voeg er hier ten slotte nog twee veelzeggende getuigenissen aan toe. Het eene is van Calvijn:

Aan de Academie, in 1559 te Genève opgericht, worden de leeraren van het voorbereidend gymnasium door het college van predikanten en hoogleeraren gekozen en dan aan den raad der stad ter goedkeuring voorgedragen; de professoren in de talen werden op dezelfde wijze aangesteld; de verkiezing van den Rector (Beza) geschiedde door de predikanten buiten de overheid om, maar werd door haar van kracht verklaard; Calvijn en Beza traden misschien zonder bepaalde aanstelling op als Hoogleeraren in de Theologie; latere Professoren in de Theologie werden misschien op dezelfde wijze als die in de letteren verkozen; maar de medische en juridische Hoogleeraren werden rechtstreeks door den Raad benoemd, terwijl slechts het advies der predikanten gevraagd werd 25). Zoo groot was |47| de invloed, welke door Calvijn bij de benoeming van Professoren in letteren en theologie aan de kerk toegekend werd.

Het andere, nog sterker sprekend getuigenis is van Dr. A. Kuyper. Van het begin van zijn optreden af gaf deze er de voorkeur aan, dat eene Christelijke Universiteit door particulier initiatief en niet door de kerk zou worden opgericht, al verwierp hij dit laatste denkbeeld volstrekt niet. Maar als zulk eene Universiteit door mannen van Christelijke professie werd opgericht, dan kon de kerk met haar in nauwer verband treden voor de opleiding harer aanstaande dienaren. En zij kon dat doen op verschillende wijze. „Zij stichte dan in verband met zulk eene inrichting een kweekschool, en sluite òf een verdrag met die inrichting, waarbij de benoeming der hoogleeraren in de godgeleerdheid aan haar wordt overgelaten (ik cursiveer), òf benoeme voor haar kweekschool eigen hoogleeraren, zoo dikwijls de keuze van de Curatoren der vrije inrichting haar reden tot beduchtheid geeft” 26).

Van de twee mogelijkheden, welke Dr. Kuyper hier stelt, geeft hij thans, naar ik meen, de voorkeur aan de laatste, terwijl ik de eerste beter acht. Maar de eerste wordt toch ook door hem uitdrukkelijk gesteld en zelfs voor de andere genoemd. En wel is het nu lang geleden, dat Dr. Kuyper deze denkbeelden uitsprak. Maar in de Heraut van 26 Maart 1899 keert dezelfde gedachte terug: evenals eene vereeniging kan ook de geïnstitueerde kerk eene Universiteit stichten, eene Faculteit tot stand brengen (ik cursiveer), een Seminarie in het leven roepen.

In zulk gezelschap waag ik het, mijn voorstel te handhaven.




1. Zie hun Rapport inzake de opleiding van aanstaande Dienaren des Woords, Middelburg Littooy 1896 bl. 7, 8, 10 v.

2. Opleiding en Theologie, vooral bl. 52.

3. Verandering is mij ook toegeschreven in de beoordeeling van Art. 2 der Statuten van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs. De Heer Bergmeijer kon zich daarvoor terecht beroepen op het door mij op de Synode te Middelburg (Acta bl. 127) uitgebrachte Rapport, Geref. Volksblad, uitgever Herdes 29 Apr. 1899. Daartegen heb ik slechts op te merken:

1º. dat de bezwaren, toen tegen Art. 2 ingebracht, ten deele andere waren dan die ik in mijne laatste brochure heb uitgesproken. Men wilde toen ook schrapping van de woorden: een zoodanig gezag daaraan hechtende enz., en liet, althans naar mijne meening, niet genoeg uitkomen, dat er ook andere Geref. beginselen voor de |9| verschillende wetenschappen kunnen zijn, dan die in de Formulieren van Eenigheid voor de Theologie zijn geformuleerd. 2º. dat ik tegen de formuleering van Art. 2 reeds lang bezwaar had vóór de Synode van Middelburg, en dit vooral in al zijne zwaarte heb gevoeld tijdens de droeve geschiedenis aan de Vrije Universiteit, in welke ik onwillekeurig betrokken werd en die op de Jaarvergadering te Leeuwarden 1896 tot een einde kwam. 3º. dat ik de weerlegging van het bezwaar, aan het woordeke mitsdien ontleend, als gevoelen der Commissie in het Rapport heb opgenomen, en toen persoonlijk hoegenaamd geen roeping of verplichting gevoelde, om er tegen op te komen, wijl er eene gansch andere kwestie aan de orde was en het verband van de kerken met de Vereeniging toen toch niet nader geregeld kon worden.

Overigens is het mijne bedoeling ganschelijk niet geweest, om in de brochure Theol. School en Vrije Universiteit iets onaangenaams te zeggen aan het adres van genoemde Vereeniging. Het is niet vriendelijk van Dr. Wagenaar, om in de Zuider Kerkbode van 24 Maart 1899 van mijn „aanval op de Vereeniging voor Hooger Onderwijs” te spreken.

Op zijne vraag, of ik de „Gereformeerde beginselen” in Art. 2 zou willen formuleeren, antwoord ik liever met verwijzing naar de bekende verklaring der Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit (Heraut 5 Mei 1895 n. 906), naar de door hen gepubliceerde stellingen (Heraut 5 Jan. 1896 n. 945), en naar de rol, welke deze kwestie in de geschiedenis van het jaar 1895 en 1896 heeft gespeeld.

Van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs zal ik daarom thans niet verder spreken. Het eenige, wat ik handhaaf, is het recht der kerken, om, voordat zij met die Vereeniging in nader verband treden, zelve nauwkeurig den grondslag te onderzoeken, waarop deze staat, en de wijze, waarop zij ingericht is. De Gereformeerde kerken zijn daartoe verplicht. Zij leven bij geen andere autoriteit dan bij die van Gods Woord.

4. Denifle, Die Universitäten des Mittelalters bis 1400. Erster Band. Berlin 1885 S. 27. 703.

5. De oude faculteiten voor Roomsche Theologie zijn in Frankrijk in 1885 met toestemming der kerk opgeheven.

6. Van de groote Universiteiten in Amerika hebben alleen Yale, Harvard en Chicago eene Theologische inrichting.

7. Zie vooral de Friesche Kerkbode 3, 17, 24 Maart 1899 en de Utrechtsche Kerkbode 15, 22 April 1899.

8. Friesche Kerkbode 24 Maart 1899.

9. De redeneering van Dr. H.H. Kuyper in zijn aangehaald werk bl. 179-230 zou dit kunnen doen vermoeden; maar de historie, die hij zelf zoo helder en nauwkeurig verhaalt, leert bij Calvijn en bij de Gereformeerden hier te lande gansch anders. Deze historie doet een eigenaardig licht vallen op de vraag van Dr. Wagenaar: waarom moet het nu anders zijn dan in de dagen onzer vaderen, die als een eenig man eene Geref. Universiteit tot bloei trachtten te brengen! Alsof zij dat ooit, en nog wel als een eenig man, hadden gedaan en niet veeleer op den sterken arm der overheid hadden gesteund!

10. Voetius, Pol. Eccl. II 324. III 743.

11. Denifle t.a.p. 197.

12. Van Hamel, Gids 1894 IV 411. 412.

13. Vragen des Tijds. April 1887 bl. 96 v.

14. Richter, Lehrb. des Kath. u. evang. Kirchenrechts, Achte Auflage 1886 S. 1255.

15. Phil. Melanchtonis Consilia, ed. Christ. Pezel 1600 p. 189.

16. Zuider Kerkbode 28 April, 1899.

17. Friesche Kerkbode 24 Maart 1899.

18. Friesche Kerkbode 24 Maart. Utrechtsche Kerkbode 22 April.

19. Utrechtsche Kerkbode 8 en 15 April.

20. Heraut 1102. Tusschen de Universiteit en de Theol. School te Princeton |34| bestaat geenerlei verband. Beide inrichtingen hebben een geheel verschillenden oorsprong. De Universiteit, welke tot voor een paar jaren een „college” was, is veel ouder en staat, wat hare statuten betreft, ook niet op Gereformeerden grondslag. Dat zij altijd onder overwegend Presbyterischen invloed heeft gestaan, is eenvoudig een gevolg van de historische ontwikkeling. Maar de Theol. School is opgericht door de kerk. In den eersten tijd werden hare professoren door de Generale Synode benoemd. Maar later is daarin verandering gekomen. Thans worden de Hoogleeraren benoemd door een college van directeuren, dat zichzelf aanvult en de School besturen moet naar eene wet, welke door de Synode gewijzigd kan worden; tegenover de benoeming van Hoogleeraren door Directeuren heeft de kerk op haar volgende Generale Synode het recht van veto. Ik dank deze inlichtingen aan een mijner vrienden in Amerika, die het weten kan. Over de uiteenloopende wijze, waarop daar te lande de professoren aan de Theol. Scholen worden benoemd, en den invloed, dien de kerken daarbij uitoefenen, kan men raadplegen een leerrijk artikel van Prof. Roberts, Methods of control of the theological seminaries, Presbyterian and Reformed Review, Jan. 1893.

21. Universiteit en faculteit hebben officieus en hadden tot de wet van Juli 1896 toe ook officieel in Frankrijk eene andere beteekenis dan bij ons, cf. De toestand van het Hooger Onderwijs in Frankrijk, door Mr. Salverda de Grave, Vragen des Tijds April 1898. Protestantsche theol. faculteiten zijn er in Frankrijk slechts twee: ééne te Parijs, die thans behoort tot het corps des facultés, vormende de den 19 Nov. 1896 ingewijde Université de Paris; en ééne te Montauban, die op zichzelve staat en geen andere vakken van onderwijs naast zich heeft, cf. van Hamel, Gids Jan. 1897 bl. 169. Naar ik meen, worden de hoogleeraren te Montauban benoemd door den Staat, op voordracht van de Nationale Geref. kerk. Tot het wezen eener Theol. School behoort ook niet, dat zij door eene kerk wordt opgericht. Zij kan evengoed gesticht worden, en is menigmaal ook door de overheid gesticht, en natuurlijk ook door particulieren. Het wezen van eene Theol. School ligt alleen daarin, dat zij op zichzelve staat, zonder verband met de andere faculteitswetenschappen aan eene Universiteit. Mijn voorstel komt dus daarop neer, gelijk Ds. Sikkel nog in Hollands Kerkblad 1 April 1899 opmerkt, dat ik de universitaire opleiding wil, maar daarbij van het hier te lande bestaande systeem-Theologische School behouden wil de waarborging van de rechten der kerken.

22. Verg. Mr. Steinmetz in het Handelsblad van 23 April 1899, 1e Blad, 2e bladzijde.

23. Kamerverslag 11 Dec. 1897. Heraut 1044.

24. Utrechtsche Kerkbode 22 April.

25. Dr. H.H. Kuyper, De Opleiding enz. bl. 170-173. Van belang blijft ook altoos nog het bekende plan tot stichting van eene Nationale Universiteit hier te lande uit de jaren 1619-1628, waarbij de benoeming van alle professoren aan de Nationale Synode werd opgedragen uit eene voordracht van den Senaat. Dat de Gereformeerden er toen principieel tegen waren, is niet te bewijzen, Maresius keurde het in elk geval goed. Maar het plan was natuurlijk in dien tijd volkomen onuitvoerbaar en bleef een plan op papier. Verg. Dr. H.H. Kuyper, t.a.p. bl. 604-612-619-630.

26. Ons Program bl. 505, in een artikel uit het jaar 1870.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004