Het Probleem van den Oorlog

door Dr. H. Bavinck

Kampen. — J.H. Kok — 1914

a



Dit opstel werd eerst geplaatst in de November-aflevering van Stemmen des Tijds, en ziet thans op verzoek afzonderlijk het licht. Wijl er, sedert het geschreven werd, alweer eenige weken verloopen zijn, veroorloofde ik mij hier en daar eene kleine wijziging en aanvulling.


B.


Amsterdam, 1 Dec. 1914.




Vier maanden scheiden ons reeds van den dag, waarop de oorlog uitbrak, en nog altijd woedt hij voort, dood en verderf spreidend onder de volken van Europa. Zijne verschrikkingen en gruwelen zijn zoo talrijk en zoo groot, dat wij ze ons niet in den geest realiseeren kunnen. Maar toch blijft hij ons bezighouden dag aan dag; hij neemt schier heel onze ziel in beslag, en legt aan ons verstand en geweten een probleem voor, zwaar als het rotsblok, dat voor de voeten van den wandelaar van de bergen valt en hem den weg verspert. Wij zitten met dezen oorlog in groote verlegenheid, en weten hem geene plaats te geven in onze redelijke, zedelijke, Christelijke wereldbeschouwing. Wie kan ook aangeven, wat de oorzaak van dezen oorlog is, waarom hij ondernomen werd en waartoe hij dienen moet? Van welke zijde men hem beziet, nergens valt een lichtpunt op te merken, rondom is hij in duisternis gehuld. Het schijnt, dat hij niet meer in ons leven past, en valt buiten het kader van dezen tijd.

Immers, de beschaving had een hoog peil bereikt. Jarenlang waren wij in het westelijk deel van Europa aan rust en veiligheid gewend en hadden we aan werken des vredes onze aandacht en onze kracht gewijd. Elders, in minder beschaafde landen, mocht de oorlog nog voortduren, hier scheen hij onder de hoogstaande cultuurvolkeren hoe langer zoo meer tot de onwaarschijnlijkheden, ja zelfs de onmogelijkheden te gaan behooren. Bij de behandeling van het ontwerp-kustverdediging werd het door een lid der Tweede Kamer nog in April 1913 uitgesproken, dat vorsten en staatslieden geene oorlogzuchtige bedoelingen koesteren, en dat de oorlog de macht der publieke opinie tegen zich heeft. De berekening der kosten, op welke een Europeesche oorlog de volken aan goed en bloed te staan kwame, zou alle regeeringen in toom en van oorlogsverklaring terughouden. De enorme krijgstoerustingen, die van jaar tot jaar in alle landen toenamen en schatten gelds verslonden, schenen, naar het bekende spreekwoord, |8| slechts een voorbereiding tot en een waarborg van den vrede te zijn. Dit stil vertrouwen werd versterkt door de vredesbeweging, die eerst meer utopistisch optrad, en van een eeuwigen vrede droomde, maar in de latere jaren solieder basis zocht en een vaster vorm verkreeg. Was het ook niet een feit, dat het internationalisme op allerlei wijze toenam, dat door wereldverkeer, credietwezen, handelsverdragen, tentoonstellingen, congressen enz. de volken meer en meer samen groeiden tot één geheel, en hunne belangen steeds meer ineengestrengeld werden? De volken staan immers niet langer geïsoleerd naast elkander, maar organiseeren zich tot ééne groote, internationale cultuurgemeenschap. Overal werken dezelfde krachten en komen dezelfde bewegingen op, voor algemeen stemrecht, vrouwenemancipatie, sociale wetgeving, democratische ontwikkeling. Verschillen van ras en karakter, van godsdienst en wetenschap slijten uit; overal denken geleerden gelijk en arbeiden naar dezelfde methode en in dezelfde richting; eene wereldtaal bereidt zich langzamerhand voor. De weg der geleidelijke en rechtlijnige evolutie scheen een merkwaardig assimilatieproces aan te wijzen, waarin allengs meerdere volken werden opgenomen. Er daagde, zij het ook nog in de verre verte, eene broederschap der menschen, die aan allen oorlog een einde zou maken. 1)

Op heel deze beweging scheen de kroon gezet te worden door de vredesconferenties, die naar aanleiding van het manifest van den Czaar van 28 Aug. 1898, vanwege de mogendheden in den Haag in het leven werden geroepen, ter bespreking van middelen, om aan alle volken de zegeningen van een wezenlijken, duurzamen vrede te verzekeren en vóór alles een einde te maken aan de steeds voortgaande vermeerdering der bestaande strijdkrachten. Nu is dit doel op de twee gehouden conferenties naar aller erkentenis lang niet bereikt, maar ze waren toch niet nutteloos. |9| Want behalve dat zij aan de studie en ontwikkeling van het volkenrecht dienstbaar waren, brachten zij op tal van punten, betreffende dit recht, de mogendheden tot overeenstemming en samenwerking. In verband daarmede werd een arbitragehof opgericht, dat reeds verscheidene malen uitspraak deed en geschillen tot vreedzame oplossing bracht; en kwam er eene internationale Akademie tot stand, die aan de studie van het volkenrecht is gewijd. En heel deze vredesactie kreeg haar dornicilie in het Vredespaleis, dat Aug. 1913 in tegenwoordigheid van vele Regeeringsafgevaardigden onder goede auspiciën geopend werd. Zoo scheen er inderdaad eene nieuwe periode in de geschiedenis der menschheid aangebroken te zijn.

Daarbij kwam ten slotte nog het beroep, dat door de pacificisten van allerlei schakeering gedaan werd op de Christelijke ethiek. Het oordeel over den persoon van Christus, zegt men, moge nog zoover uiteenloopen, men houde Hem voor den Zone Gods, voor een heilig mensch, voor een dweeper of wat ook; alle tot oordeel bevoegden moeten het hierover eens zijn, dat Hij een prediker der liefde en des vredes was. Indien iets vaststaat, dan is het toch wel dit, dat de oorlog lijnrecht in strijd is met het Christendom, zoo niet der kerken en confessies, dan toch van het Nieuwe Testament, en van de Bergrede vooral. Bij de geboorte van Christus werd reeds in de velden van Ephrata het lied aangeheven van den vrede op aarde, en heel zijn leven door heeft Hij tegen den rijkdom en de macht zijne stem verheven, totdat Hij ten slotte viel als een offer hunner tirannie. En aan zijne discipelen heeft Hij geen ander gebod gegeven dan om God en den naaste lief te hebben, te bidden voor de vijanden, niet te dooden, zelfs niet in gedachte en woord, om den booze niet te wederstaan, om volmaakt te zijn als hun Vader in de hemelen. Naarmate deze Christelijke geest in de volken doordrong, zou de oorlog niet anders dan als een onrecht en eene misdaad worden beschouwd, die voorgoed uit de menschheid verdwijnen moest.

En zie, daar brak voor nu vier maanden plotseling de oorlog uit, en sloeg den bodem in aan de schoonste verwachtingen. Was het wonder, dat velen den moed verloren, aan beschaving, volkenrecht, arbitrage, Christelijke beginselen wanhoopten, en het pessimisme en fatalisme zich in de armen wierpen? Had heel |10| de beschaving niet bankroet geslagen? Bleek ze iets meer dan een dun laagje vernis, dat heengestreken was over de dierlijke ruwheid der menschelijke natuur? Was de mensch niet een dier, een tijger in zijn hart, en bleef hij dit niet op het standpunt der hoogste cultuur? Kwam de vredesbeweging aan het einde niet in al hare armoede en ijdelheid uit? En het Christendom? Als dit onmachtig was, om den vrede te bewaren, waartoe het dan nog gepredikt en den volken als een evangelie des vredes voorgesteld? Indien de kerken, zoo schreef onlangs de Amerikaansche Episcopaalsche predikant G. Monroe Royce, 2) zulk een bloedbad, zulk eene beleediging der menschheid niet beletten kunnen, dan weigeren wij een stuiver op te brengen tot hun onderhoud. De geestelijken strijden zelven mede en ondersteunen dezen oorlog, ieder in zijn eigen land, en deze hunne daden ontnemen aan de kerken en de dienaars van Gods woord alle geestelijke beteekenis.

Zoo geraakt door dezen oorlog niet alleen het socialisme en de vrijmetselarij, maar ook de beschaving en de vredesbeweging en met name het Christendom in het gedrang. Het loont daarom zeker de moeite, een antwoord te zoeken op de vraag, welke houding de Christelijke ethiek tegenover den oorlog aanneemt. Is er in de Christelijke, of meer algemeen in eene redelijkzedelijke wereldbeschouwing nog plaats voor den oorlog, of moet deze altijd en overal als eene misdaad veroordeeld en bestreden worden? Heeft de oorlog een „zin”, of is hij nooit iets anders dan gruwelijk onrecht, brutaal geweld, duivelswerk?


Bij dit onderzoek behoeft het Oude Testament ons niet lang op te houden, want niemand betwist, dat de oorlog daar telkenmale tot een goddelijk recht wordt herleid. Van zijn uittocht uit Egypte af in de 15e of 14e eeuw vóór Christus tot den val van Jeruzalem toe in 70 n.C. is Israel alle eeuwen door in strijd geweest met de volken rondom, en die strijd werd religieus-ethisch beschouwd als een krijg, door den God van Israel tegen de goden der heidenen gevoerd.

Jahveh, de God van Israel, is de Heer van de legerscharen, |11| de God der slagorden Israels, 1 Sam. 17 : 45, een krijgsman Exod. 15 : 3, geweldig in den strijd, Ps. 24 : 8, die mee ten strijde uittrekt, Richt. 4 : 14, de richters door zijn Geest bekwaamt Richt. 3 : 10, Davids vingeren ten strijde leert, zijne lendenen omgordt met kracht, en zijne vijanden hem ter vernieling overgeeft, 2 Sam. 22 : 35v. Gelijk Hij somtijds ter bestraffing en verootmoediging, de nederlaag van zijn volk beschikt, zoo is Hij het ook, die door zijne hulp in den strijd de overwinning schenkt In tal van psalmen en liederen wordt daarom die hulp ingeroepen of voor de overwinning gedankt, Exod. 15, Richt. 5, 2 Sam. 22 Ps. 3, 27, 46, 68 enz. En dit is niet alleen de beschouwing van den oorlog bij het volk, maar evenzeer bij de profeten; Abraham nam deel aan den strijd tegen de overheerschers van Sodom en Gomorra, Gen. 14; Mozes en Jozua, de richters en de koningen leiden Israel ten krijg tegen de vijanden in en buiten Kanaan; Debora wekt hare landgenooten op tot den strijd tegen Sisera, den krijgsoverste der Kananieten, Richt. 4 : 6, 14; Samuel vergadert de kinderen Israels tegen de Philistijnen, 1 Sam. 7 : 5v; een ongenoemd profeet spoort Achab aan tot den strijd tegen Benhadad van Syrië, 1 Kon. 20 : 13v. En de latere profeten, van Amos af, verkondigen de een na den ander, dat de groote en doorluchtige Dag des Heeren voorafgegaan zal worden door schrikkelijke oorlogen, Am. 5-7, Jes. 13 : 6-18, Joël 3 : 9-17 enz. Maar daarna zal het rijk des vredes komen, voor Israel en voor alle volken der aarde. Dan zullen ze hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen, het eene volk zal tegen het andere geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leeren; de vrede zal zoo rijk en overvloeiende zijn, dat zelfs dierenwereld en natuur erin deelen zullen; de wolf zal met het lam verkeeren en de leeuw zal stroo eten als een rund, Jes. 2 : 1-4, 9 : 2-7, 11 : 6-9 enz. En al die vrede zal te danken zijn aan den Messias, die een Vorst des vredes is, Jes. 9 : 5, Mich. 5 : 5, Zach. 6 : 13, en aan wiens koninkrijk van gerechtigheid en vrede geen einde zijn zal, Ps. 72 : 17, Jes. 9 : 6.

Nu verkeerde Israël in den ouden dag in gansch andere omstandigheden dan de Christelijke gemeente in de dagen van het Nieuwe Testament, zoodat zijne geschiedenis ons niet zonder meer ten regel en voorbeeld kan zijn. Maar in de Oud-testamentische |12| beschouwing van den oorlog ligt toch opgesloten, dat hij niet op zichzelf en in ieder geval onrechtvaardig en ongeoorloofd is, dat hij voorts als een middel voor hoogere doeleinden, voor de komst van het koninkrijk Gods, in Gods hand dienst kan doen, en dat hij tijdelijk is en eens met de komst van den Messias voor het rijk van den eeuwigen vrede plaats maken zal.

Deze laatste gedachte is het nu, waarbij het NieuweTestament zich aansluit. De Messias toch, die thans in Jezus verschenen is, brengt vrede op aarde, Luk. 2 : 14, richt onze voeten op den weg des vredes, Luk. 1 : 79, en sticht een koninkrijk, welks goederen gerechtigheid, vrede en vreugde zijn, Luk. 19 : 38, Rom. 14 : 17. Deze vrede is nu zeker in de eerste plaats religieus van aard, objectief bestaande in de vredesverhouding, die door Christus tot stand gebracht is tusschen God en den mensch, Ef. 2 : 17, en subjectief zich openbarend in het blijde bewustzijn, dat wij in eene verzoende verhouding tot God staan en door geene schuld meer uit zijne gemeenschap worden verwijderd, Rom. 5 : 1. Deze vrede wordt der gemeente toegebeden van den Vader, die de God des vredes is, Rom. 1 : 7, 15 : 33, vormt inhoud van het Evangelie, dat het Evangelie des vredes heet, Hand. 10 : 36, Ef. 6 : 15, en wordt thans reeds door de geloovigen als vrucht des Geestes, Gal. 5 : 22, genoten. Maar deze religieuze vrede werkt ook ethisch door. Want Christus heeft door zijne offerande niet alleen verzoening aangebracht en vrede gesticht tusschen God en den mensch, maar ook tusschen volken en menschen, Ef. 2 : 14v, zoodat er nu niet meer is Griek en Jood, barbaar en scyth, dienstknecht en vrije, man en vrouw, maar zij zijn allen één in Christus Jezus, Gal. 3 : 28. Jezus spreekt daarom, behalve de armen van geest, de reinen van hart enz., ook de vreedzamen of de vredemakers zalig, en zegt, dat zij Gods kinderen genaamd zullen worden, Matth. 5 : 9. Hij vermaant in de bergrede zijne discipelen, om niet te toornen, om welgezind te zijn jegens de wederpartij, om den booze niet te wederstaan, om de vijanden lief te hebben, om tot zeventigmaal zevenmaal te vergeven, enz. En in dienzelfden geest vermanen ons de Apostelen, om den vrede na te jagen en zoo mogelijk met alle menschen vrede te houden, Rom. 12 : 18, Hebr. 12 : 14. |13|

Deze moraal van het Nieuwe Testament staat zoo hoog, dat zij in de werkelijkheid van het leven voor geene toepassing vatbaar schijnt. En de tegenstelling tusschen deze woorden des vredes en de gruwelijke practijk van den oorlog is zoo scherp, dat verzoening ondenkbaar lijkt. Christus beveelt ons, om den booze niet te weerstaan en den vijand lief te hebben, maar in den oorlog is vlak het tegendeel geoorloofd: moorden, branden, plunderen, vernielen en al wat maar tot verderf en ondergang van den vijand strekken kan. De antinomie is van oude tijden af in de Christelijke kerk gevoeld en heeft in verschillende richting naar oplossing doen zoeken. Sommigen hebben de wereld prijsgegeven als een gebied van den satan, en hebben in de eenzaamheid of in een kleinen kring de beginselen van Jezus’ leer in toepassing trachten te brengen. Anderen hebben omgekeerd deze leer als door en door onpractisch verworpen en er, althans voor het openbare leven, alle waarde aan ontzegd. En nog anderen hebben een accoord getroffen; tusschen hoogere en lagere moraal, tusschen raden en geboden, tusschen geestelijken en leeken onderscheid gemaakt.

Dezelfde richtingen komen nog heden ten dage in heel de Christelijke wereld voor. Daar zijn er in de vrome kringen velen, die de wereld om zich heen steeds angstvallig gadeslaan; zij stellen in haar schoonheid geen belang, missen het vermogen, om ze ooit kinderlijk en onbevangen te genieten, en trekken zich liefst in den kleinen kring van gezin of gezelschap terug. Anderen, zooals bijv. de schrijver van Jozua Davids, en Sheldon, de auteur van: Wat zou Jezus doen? maken er den Christenen een verwijt van, dat zij in het leven met de voorschriften der bergrede geen ernst maken en slechts Christenen zijn in naam, en zij dringen er op aan, dat die voorschriften letterlijk zullen worden opgevolgd ook in het openbare leven. Daar zijn er ook, die dit onmogelijk achten, die openlijk uitspreken, dat de moraal van Jezus, schoon goed en schoon voor haar tijd, in onze eeuw met haar positieve cultuurtaak niet meer past, en die daarom langs positivistischen of metaphysischen weg naar een anderen grondslag zoeken, waarop het zedelijk leven rusten kan. 3) En |14| zoo zijn er in dezen tijd ook, die heil zoeken in een compromis. Men moet onderscheid maken tusschen het goede in idealen en in practischen zin; de moraal van Jezus is uitnemend voor het private leven, voor de Christenen onderling, maar ze is niet bestemd noch geschikt voor het openbare leven, en allerminst op politiek terrein. Dit laatste was de meening van Bismarck; politiek had niets met ethiek te maken. Politiek moest Realpolitik zijn en had alleen te rekenen met het belang van den staat. Zij heeft geen rechterambt uit te oefenen en loon of straf uit te deelen, maar zij moet zich alleen laten leiden door het voordeel van eigen land. Gemoedelijke overwegingen komen bij haar evenmin als in den handel te pas. Politik ist eben an sich keine logische und keine exacte Wissenschaft, sondern es ist die Fähigkeit, das am wenigsten Schädliche oder das Zweckmässigste zu wählen, en stoort zich dus ook niet aan de beschuldiging van inconsequentie; ze is eenvoudig utilistisch, zonder meer. 4)

Of gelijk Friedrich Naumann, die na zijne reis naar Palestina zich tot deze politiek bekeerde, het uitdrukte: niet heel onze zedelijkheid, maar slechts een deel daarvan wortelt in de ethiek van Jezus. Das Leben braucht beides, die gepanzerte Faust und die Hand Jesu, beides nach Zeit und Ort. 5)

Toegepast op den oorlog, leiden deze verschillende richtingen tot de overtuiging, dat de oorlog altijd en overal verwerpelijk is, wijl niets dan onrecht en misdaad, òf dat hij in de evolutie der menschheid onmisbaar en, trots al zijne ellenden, toch ook rijk aan zegeningen is. Het eerste gevoelen werd reeds door de |15| Manicheën omhelsd, vond later ingang bij de Wederdoopers en de Kwakers, en wordt in den tegenwoordigen tijd verdedigd door allen, die den invloed van Tolstoi of Bertha von Suttner hebben ondergaan en sterkte vinden in de namelooze ellenden, welke de oorlog over de volken uitstort. En inderdaad, wie onder den indruk van deze ellenden leeft, kan haast tot geen ander oordeel komen, dan dat de oorlog in strijd is met Gods wil, altijd demoraliseerend werkt, en op geenerlei wijze met vroomheid of godsdienst verbonden kan worden. 6) Daartegenover vond het recht, de noodzakelijkheid en de nuttigheid van den oorlog krachtige voorspraak bij mannen als Hegel, Cousin en Spencer, Bismarck en Von Moltke, Treitschke, Von Bernhardi en vele anderen; de oorlog moge schrikkelijk zijn, hij heft uit egoïsme en materialisme op, kweekt verschillende deugden van patriotisme, heldenmoed, offervaardigheid, eendracht enz., en draagt in belangrijke mate bij tot verhooging en verbreiding der cultuur. 7)


Met het Christendom laat zich geen van beide gevoelens in overeenstemming brengen. Wel beroepen zich de voorstanders van den vrede tot eiken prijs met voorliefde op Jezus’ uitspraken in de bergrede, maar zij vergeten daarbij andere waarheden, die niet minder klaar in het Evangelie vervat zijn. De bergrede valt toch niet met het Christendom samen, en het probleem van den oorlog is niet zoo eenvoudig, dat het met beroep op een enkelen tekst kan worden opgelost. Veeleer is het een onderdeel van dat veelomvattende vraagstuk, dat de verhouding van het Christendom |16| tot heel het natuurlijke leven, tot de gansche zondige wereld en tot al hare goederen raakt.

Daarbij verdient het terstond reeds de aandacht, dat, ofschoon de passieve moraal in het Nieuwe Testament op den voorgrond staat, toch de actieve en positieve zijde volstrekt niet ontbreekt. Onder de deugden, die den Christen in dien tijd werden aanbevolen, nemen geduld, lijdzaamheid, vergevensgezindheid, onderworpenheid enz. eene breede plaats in. Hoe kon dit ook anders ineen tijd, waarin de discipelen van Jezus weinigen in getal, gering naar de wereld, en van allen invloed op het openbare leven verstoken waren? Maar des te meer treft het, dat het Christendom aan alle ascetisme is gespeend en van stonde aan zich in eene positieve verhouding tot heel de wereld stelt. Dat ligt principiëel opgesloten in het woord, dat God de wereld liefgehad heeft, en dat Christus gekomen is, niet om de wereld te verderven, maar om ze te behouden. En van dit middelpunt uit worden naar alle richtingen de lijnen getroffen, die de plaats en de houding der Christenen in de zondige wereld aanwijzen. Zij moeten niet uit de wereld gaan, maar in de wereld zich bewaren van den booze, Geen ding is onrein in zichzelf; alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde. Het huwelijk is eerbaar onder allen. De overheid is Gods dienares, en heeft aanspraak op gehoorzaamheid en eere. Wie Christen wordt, blijve in de roeping, waarin hij geroepen werd. De bede van Jezus’ discipelen is, dat Gods naam worde geheiligd, dat zijn koninkrijk kome, dat zijn wil op aarde geschiede als in den hemel. Altemaal aanwijzingen, die niet op een mijden, maar op eene heiliging van de wereld doelen.

Hiermede in verband krijgt het eenige beteekenis, dat het Nieuwe Testament den krijgsmansstand nooit als zoodanig afkeurt. 8) De soldaten, die tot Johannes den Dooper kwamen, ontvingen wel het bevel, om niemand overlast te doen enz., maar niet, om hun dienst te verlaten, Luk. 3 : 14. Over het groot geloof van den hoofdman te Kapernaüm sprak Jezus zijne verwondering uit, en genas zijnen dienstknecht, Matth. 8 : 5 v., en later werd |17| de hoofdman Cornelius met heel zijn huis gedoopt en opgenomen in de gemeente, Hand. 10. Zonder schroom ontleende Jezus eene van zijne gelijkenissen aan een koning, die uitgaat ten krijg en eerst nederzit en overlegt, of hij machtig is met tienduizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt, Luc. 14 : 31, en Paulus schept behagen in beelden, uit den krijgsdienst genomen, om daarmede het leven van den Christen te beschrijven, Rom. 6 : 13, 1 Cor. 9: 7, Ef. 6 : 10-18, 2 Tim. 2: 3 enz. Sterker nog, Jezus verbiedt wel uitdrukkelijk, het zwaard te gebruiken tot zijne verdediging, want de wapenen van den strijd der geloovigen zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God, Matth. 26 : 52, 2 Cor. 10 : 4; doch Hij zegt even beslist, dat Hij niet gekomen is, om vrede te brengen op aarde, maar het zwaard, dat is, om de menschen, zelfs van één gezin, tegen elkander tweedrachtig te maken, Matth. 10 : 34, 35. Als de discipelen daarom straks in de wereld zullen uitgaan, om het Evangelie te verkondigen, dan hebben zij van die wereld vervolging en haat te verwachten, en dan zullen zij niet alleen een geldbuidel en een reistasch, maar ook een zwaard van noode hebben, d.i. ten volle bereid moeten zijn, om tegen die wereld den geestelijken strijd aan te binden, Luk. 22 : 36.

Deze uitspraken van Christus houden duidelijk in, dat er geestelijke goederen zijn, die veel hooger waarde hebben dan de welvaart en de vrede. De geboden der zedewet staan niet alle op gelijke hoogte, maar nemen een verschillenden rang in; God gaat vóór den mensch; de liefde tot Hem is het eerste en groote gebod, Matth. 22 : 38, Hem moet men meer dan den menschen gehoorzamen, Hand. 5 : 29. Zijn koninkrijk en Zijne gerechtigheid moeten daarom vóór alle dingen gezocht worden, Matth. 6 : 33, want het koninkrijk der hemelen is een schat en eene parel van groote waarde, Matth. 13 : 44-46. En zoo is een mensch meer waard dan heel de wereld, Matth. 16 : 26, de ziel meer dan het lichaam, het leven meer dan het voedsel, het lichaam meer dan de kleeding, Matth. 6 : 25. Al deze geestelijke en stoffelijke goederen sluiten op zichzelf elkander niet uit; ze kunnen tezamen bezeten en genoten worden. Maar in deze tegenwoordige wereld kunnen ze telkens in tegenstelling en botsing geraken, zoodat wij voor de keuze geplaatst worden, om de eene |18| of de andere te kiezen. En dan leert ons het onderwijs van Christus en van de apostelen, dat wij zonder aarzelen het mindere zullen prijsgeven, om het hoogere deelachtig te worden en te behouden. Om Christus’ en des Evangelies wil moet het rechteroog uitgetrokken en de rechterhand afgekapt worden, Matth. 5 : 29, 30, moeten vader en moeder, zoon en dochter verlaten, het leven verloren, het kruis opgenomen worden, Matth. 10 : 37-39, 16 : 24-26 enz. De Christelijke ethiek sluit volstrekte zelfverloochening in; het leven, de welvaart, de vrede zijn de hoogste goederen niet; er zijn gevallen, waarin het liefste verlaten, prijs gegeven, bestreden moet worden. De martelaren hebben ons daarvan het voorbeeld nagelaten, en Christus zelf heeft zichzelf niet behaagd, maar voor de vreugde, die hem voorgesteld was, het kruis verdragen en de schande veracht, Rom. 15 : 3, Hebr. 12 : 2. Eenigen tijd geleden werd er in een onzer groote bladen bevreenlding over uitgesproken, dat de martelaren in den tijd der hervorming voor eene idee zooveel hadden overgehad. Maar ten eerste streden en leden zij niet voor eene idee, indien daaronder zooveel als een waan wordt verstaan, en ten andere zijn martelaren in engeren en ruimeren zin het levend bewijs, dat de historie der menschheid door de wet van het „Stirb und Werde” wordt beheerscht.

Dezelfde gedachte laat zich nog toelichten van eene andere zijde. Aan de zedewet beantwoordt onzerzijds de liefde; deze is de vervulling der wet en de band der volmaaktheid, Rom. 13 : 10, Col. 3 : 14. Maar door deze omschrijving onderscheidt zich de Christelijke liefde essentiëel van het Buddhistisch medelijden eener- en van de zoogenaamde vrije liefde andererzijds. Volgens het Buddhisme ligt de oorzaak van alle ellende in het zijn; alle schepsel, vooral het levend schepsel, is dus beklagenswaard en voorwerp van medelijden; en dat medelijden moet beoefend worden voornamelijk om ons zelfs wil, om eigen verlossing te bewerken en de begeerte naar het leven in ons te dooden. Schopenhauer heeft dit medelijden ten onrechte met de Christelijke liefde vereenzelvigd, 9) want deze is rijker en staat veel hooger. In het Christendom is de barmhartigheid, gelijk de naam |19| reeds uitdrukt, veel inniger dan medelijden, en is zij niet de eene, alles beheerschende deugd, maar de gezindheid en uiting der liefde in ééne bepaalde richting, met het oog op den nood en de ellende in de wereld. En de liefde gaat veel dieper terug, en strekt zich veel verder uit; zij heeft in de eerste plaats God met al zijne deugden tot object, en dan voorts al zijne werken en schepselen, niet omdat ze beklagenswaardig, maar omdat zij in God leven, zich bewegen en zijn. Evenzoo is de Christelijke liefde van de tegenwoordig veelvuldig aangeprezen vrije liefde in wezen onderscheiden. Deze vrije liefde toch is niets anders dan tuchteloosheid, emancipatie van sentiment of hartstocht. De Christelijke liefde echter is vervulling der wet, door Gods wil bepaald, en voor den mensch een plicht, die hem in de conscientie bindt. Liefde is dus geen willekeur, geene zaak van eigen keuze; het staat niet in onze macht, te bepalen, wie of wat wij moeten liefhebben. Maar wij zullen God liefhebben, zooals Hij zich openbaart, en niet zooals wij Hem veizinnen; wij zullen den naaste liefhebben, dien God naast ons plaatst, en niet, dien wij uitkiezen; wij zullen den man, de vrouw, de ouders, de kinderen liefhebben, die God ons schonk, en niet een anderen man en eene vreemde vrouw. Wij zullen liefhebben alwat waarachtig, alwat rechtvaardig, alwat rein is; en de zonde zullen wij haten en vlieden, onder welken schoonen vorm zij zich ook voordoe.

Daar is dus eene ware, maar ook eene valsche, onechte, nagemaakte liefde. En evenzoo is er een goede vrede, dien wij zooveel mogelijk met alle menschen zoeken en onderhouden moeten; maar er is ook een valsche, zondige vrede, die te breken is. Als wij met de leugen en de ongerechtigheid, uit toegevendheid, om des lieven vredes wil, een verdrag sluiten of haar stil laten begaan, dan is dat een karakterloos bedrijf, een verraad aan de waarheid en de deugd. Tegenover zulk een valschen vrede, verg. Jer. 6 : 14, stelde Jezus het woord, dat Hij gekomen was, om vuur op de aarde te werpen, Luk. 12 : 49. Er zijn machten in deze wereld, met welke wij nooit op voet van vrede leven mogen; en er zijn waarheden en rechten, geestelijke goederen en onzienlijke schatten, voor welke wij alles moeten overhebben, vrede, rust, eer en goeden naam, tot zelfs de liefde van ons gezin en ons leven toe. Zoo ernstig en gecompliceerd kunnen de |20| verhoudingen in deze onbegrijpelijke wereld zijn, dat de liefde zelve ons tot het breken van den vrede en het aanbinden van den strijd verplichten kan. Profeten als Jeremia hadden veel liever gezwegen en in stille rust hunne dagen doorgebracht; maar zij konden en mochten niet; zij spraken, omdat zij geloofden, en zij streden tegen hun volk, omdat zij het liefhadden. En Jezus zelf werd door zijne groote liefde tot God en menschen bewogen, om alle booze macht tot in den dood toe te wederstaan.

Deze moraal heeft nu zeker in de eerste plaats op individueele personen betrekking, maar zij heeft ook hare beteekenis en kracht voor de volken. Een volk toch is geen hoop zielen, op een willekeurig stuk grond door menschen samengebracht, maar een levend organisme, dat diep in het verleden zijn wortelen slaat en door de vaderlandsliefde trilt en trekt in ieder van zijne leden. Sommigen scheppen er behagen in, om de vezelen dezer liefde uiteen te rafelen, om ze in hare factoren van klimaat, bodem, geschiedenis, zede enz. te ontbinden, en ze dan in hare dwaasheid ten toon te stellen. Maar zulk oppervlakkig bedrijf oordeelt zichzelf, en staat tegenover de realiteit dezer liefde volkomen machteloos. Liefde, ook die tot het vaderland, draagt altijd een mysterieus karakter; zij komt uit de diepte op en wordt uit verborgen bronnen gevoed; een tijd lang kan ze sluimeren en slapen, maar dan ontwaakt zij weder met zoo onweerstaanbare kracht, dat de koelste kosmopoliet en de trouwste aanhanger van de Internationale er door meegesleept wordt; en zij toont zich dan zoo geestdriftig, verheven en belangeloos, dat zij tot het brengen der zwaarste offers bereid en bekwaam maakt.

Dat wijst erop, dat, toen de Allerhoogste de menschenkinderen vaneenscheidde, Hij aan de natiën een erfdeel toewees en de grenzen der volkeren vaststelde, Deut. 32 : 8. Hij bescheidde de tijden tevoren geordineerd en de bepalingen van hunne woning, Hand. 17 : 26, en gaf aan elk hunner eene plaats en eene taak in de geschiedenis der menschheid. Daarbij maakt het geen wezenlijk verschil, of een volk klein is of groot. Door Lloyd George en James Bryce werd er onlangs terecht aan herinnerd, dat kleine volken naar evenredigheid even veel en meer dan groote natiën hebben bijgedragen tot vermeerdering van de edelste goederen der cultuur. Zoo is het dan geen willekeur, maar roeping |21| en plicht, om deze goederen te verdedigen, desnoods met het zwaard in de hand. Het is waar, dat Jezus in de bergrede, met name in Matth. 5 : 38-42, zijne discipelen tot eene vergevensgezindheid roept, die lijnrecht — men houde dit wel in het oog — tegen den eisch van vergelding overstaat en voor geen quantitatieve berekening vatbaar is, verg. Matth. 18 : 22. Maar het is even zeker, dat Jezus hier tot verstandigen spreekt, geen wetsartikel formuleert, dat naar de letter moet worden betracht, maar een geestelijk beginsel aangeeft, dat in de verschillende omstandigheden des levens ook eene verschillende toepassing eischt. Jezus zelf heeft alzoo gehandeld, Joh. 18 : 22, 23, en Paulus, die dezelfde vergevensgezindheid predikt, Rom. 12 : 17-21, Thess. 5: 15, verg. 1 Petr. 3 : 9, komt toch voor het recht van zijn Romeinsch burgerschap op, Hand. 22 : 25. Persoonlijke beleedigingen kunnen en moeten vergeven worden; maar als in iemands persoon de waarheid of het recht wordt aangerand, dan is naar Christelijke beginselen, die immers het koninkrijk en de gerechtigheid Gods boven alles stellen, getuigen en verdedigen plicht. Zelfs ligt deze verplichting opgesloten in de Christelijke deugd der zelfverloochening; want als deze eischt, dat wij om Christus’ en des Evangelies wil alles zullen verlaten, onderstelt ze tevens, dat al die dingen, die wij moeten prijsgeven, op zichzelve goederen, zij het ook van ondergeschikte waarde, zijn. Wat immers niets waard is en ons niets kost, vordert ook geene zelfverloochening, als wij er afstand van moeten doen. Zoo is dan ook bijv. het leven een goed, dat, indien niet in strijd met hoogere belangen, verdedigd mag en moet worden. In geval van nood, heeft ieder mensch het recht en den plicht, om zijn leven met de wapenen in de hand te verdedigen. Een indringer in mijn huis mag met geweld worden weerstaan. En zoo draagt ook de overheid, die geroepen is, om het recht te handhaven, het zwaard, ook het oorlogszwaard, niet te vergeefs. Desnoods, in geval van noodweer, heeft zij dat zwaard te hanteeren, naar binnen en naar buiten. Want waarheid en gerechtigheid zijn voor een mensch, voor een volk en voor heel de rnenschheid meer waard dan het leven, dan vrede en welvaart en rust.

Opmerkelijk is dan ook, dat de Christelijke kerk in al hare afdeelingen nooit den krijgsmansstand en den oorlog veroordeeld |22| heeft. 10) Natuurlijk heeft zij zelve nooit iets anders te doen, dan het Evangelie des vredes te verkondigen, en te strijden met geestelijke wapenen; een „heilige oorlog” ter verbreiding der waarheid is haar door het woord van Christus tot Petrus verboden. Maar zij heeft toch aan de overheid het recht tot het voeren van oorlog in geval van nood nimmer betwist. Pacificisten hebben haar dit wel euvel geduid, maar waarschijnlijk zou van dezelfde zijde een nog heftiger verwijt tot de kerk worden gericht, als ze de vrijheid nam, zich te mengen in de zaken van den staat en aan den oorlog zonder meer in deze bedeeling alle bestaansrecht te ontzeggen. Dat kan en dat mag de kerk inderdaad niet doen; het is hare roeping, om naar het woord van Christus, Gode te geven wat Godes is, maar ook den keizer, wat des keizers is.

De Christelijke ethiek laat dus inderdaad geene andere conclusie toe dan deze, dat er goede en rechtvaardige oorlogen kunnen zijn. Misschien zijn ze zeer weinige in getal en nog veel minder, dan wij denken; ook hebben er in elken oorlog, zelfs den rechtvaardigsten, vele dingen plaats, die door Christendom en humaniteit ten sterkste veroordeeld worden. Maar Schrift en geschiedenis, met name ook die van ons eigen land, bieden niemand genoegzamen grond, om elken oorlog onvoorwaardelijk af te keuren. Een oorlog kan goed en rechtvaardig wezen, mits hij aan den eisch van hoogere beginselen voldoe, tot handhaving der gerechtigheid dient, en niet dan in den uitersten nood ondernomen wordt. Zijn recht rust dus niet op het recht van den sterkste, op de deugden van patriotisme, heldenmoed, geduld, standvastigheid, eendracht, offervaardigheid enz., die hij kweeken kan; nog minder op de zegenrijke gevolgen, verruiming van den gezichtskring, verbreiding der cultuur, of zelfs van het Christendom, |23| die hij eventueel meebrengen kan; en allerminst op de philosophische overweging, dat alwat bestaat redelijk is en de oorlog een onmisbaar en kostelijk moment vormt in de evolutie van het menschelijk geslacht. Indien een oorlog te verdedigen is, moet hij zelf den strengen toets van het recht kunnen doorstaan. En ook dan nog blijft hij, evenals al de rampen en tegenspoeden in dit leven, een kwaad (malum physicum), dat echter in Gods heilige handen tot opvoeding der menschheid dienen kan. Einde en doel blijft dus de vrede, de eeuwige vrede van het koninkrijk Gods.


Met dit alles is nog hoegenaamd geen oordeel geveld over den gruwelijken oorlog, die thans Europa teistert. Ook wie zich verplicht en in staat acht, hem te rechtvaardigen, moet erkennen, dat het probleem van den oorlog, op zichzelf reeds zoo zwaar, door dezen krijg nog aanmerkelijk verzwaard wordt. Van welke zijde men hem ook bezie, hij biedt weinig lichtpunten, en vele donkere, zwarte plekken aan.

Daar zijn in de eerste plaats de oorzaken van dezen krijg. De tijd is nog lang niet gekomen, om hierover een beslist oordeel uit te spreken en voor elk van de betrokken volken en regeeringen de juiste maat van schuld of onschuld af te wegen. Zelfs wanneer later alle bescheiden openbaar zijn gemaakt en onpartijdig onderzocht, zal verschil van inzicht blijven bestaan, wijl immers voor den kundigsten geschiedvorscher nog de diepste roerselen van het menschelijk hart eene verborgenheid zijn. Maar zooveel mag wel met de noodige omzichtigheid worden gezegd, dat de schuld van dezen ontzettenden oorlog niet bij één persoon en in ééne richting te zoeken is, maar meer of min alle betrokken regeeringen en volken drukt. Er is niet ééne, er zijn vele oorzaken, die hem ten slotte hebben doen ontbranden. De politiek van Bismarck en zijne school, die zich losmaakte van alle ethiek, de annexatie van Elsas-Lotharingen, die de revanche-idee in Frankrijk deed opkomen, de buitengewone voorspoed, dien Duitschland na den oorlog van 1870 in nijverheid en handel genoot, en die met den vlootbouw den naijver van Engeland prikkelde, de omsingelingspolitiek van koning Edward, die Duitschland in benauwdheid bracht, de van jaar tot jaar |24| toenemende krijgstoerustingen, het imperialisme en het militairisme, het nationalisme en de koloniehonger, het wantrouwen, de jaloezie en de haat tusschen de volken, door de pers dikwerf op onverantwoordelijke wijze gevoed, al deze dingen hebben allengs een toestand geschapen, zoo gespannen en angstig, dat vroeg of laat wel eene uitbarsting volgen moest. En ten slotte kwam ze, lang gevreesd, telkens dreigend, soms ook voorspeld, en toch aan het einde nog zoo onverwacht, dat ieder uit de grootste gerustheid opgeschrikt werd.

Als wij voorts naar de redenen vragen, waarom deze oorlog ondernomen werd, ontvangen we weinig concrete, en veel vage en algemeene antwoorden. Engeland verklaarde aan Duitschland den oorlog na de schending van Belgie’s neutraliteit, maar niemand gelooft, dat dit de eenige en voornaamste oorzaak was; Engelsche staatslieden als Churchill en Aquith sommen zelven daarnaast andere redenen op. Maar alle oorlogvoerende volken, tot zelfs Botha in Zuid-Afrika toe, beweren, dat zij een rechtvaardigen oorlog voeren, in het belang van beschaving, vrijheid en vrede. Soms maken zij er zelfs een heiligen oorlog van, van Christus tegen den antichrist, van God tegen den duivel, stellen de vijanden als Hunnen en Vandalen voor, en meenen Gode een welgevallig werk te doen. Allen zijn overtuigd van het rechtvaardige van hun zaak, maken God tot hun partij, en rekenen vast op de overwinning. Geen der volken doet daarin voor het andere onder. Zij werpen alle schuld van zichzelven af en schuiven ze geheel op den vijand; zij zeggen alle, dat zij tot den einde toe den vrede hebben willen handhaven en dat de oorlog hun opgedrongen werd. En van verootmoediging en schuldbelijdenis wordt weinig vernomen. Hetwelk alles te droever stemt, wijl deze oorlog, naar het hun, die van de gepubliceerde bescheiden kennis nemen maar daarmede nog niet in de geheimen zijn ingewijd, toeschijnt, met een weinigje meer vertrouwen en met wat minder overhaasting gemakkelijk had vermeden kunnen worden. Zoo gaat deze oorlog dus niet om een groot geestelijk of zedelijk goed, maar om belangen, voorrang en macht. En al mag ook van deze de waarde niet worden miskend, verheffend werkt een oorlog, om zulke redenen ondernomen, althans op den buitenstaander niet. De vele pogingen, om hem te rechtvaardigen met edeler motieven, hebben alleen dit verblijdende, dat zij alle uitgaan van |25| de gedachte, dat een oorlog dienstbaar moet zijn aan de gerechtigheid, en dat de publieke conscientie eene macht is, waarmede gerekend dient te worden.

Alverder doen de schrikkelijke ellenden, die deze oorlog veroorzaakt, de vraag opkomen, of de belangen, waarvoor men strijdt, inderdaad zoo ontzettende kosten van goed en bloed waard zijn. Oorlog heeft natuurlijk altijd ten doel, den vijand afbreuk te doen en zijne strijdkracht te breken. Maar nooit heeft de menschheid het in de kunst van vernielen zoo ver als in dezen oorlog gebracht. Alwat wetenschap en techniek in de laatste eeuw hebben uitgedacht, wordt in dienst van de vernieling gesteld. De oorlog wordt gevoerd te land en in de lucht, op en onder de zee. Machinegeweren, mitrailleuses, onderzeeërs en aeroplanes, bommen en granaten, wilde treinen en explosiemiddelen van allerlei aard zaaien verderf en dood om zich heen. Steden en dorpen worden verbrand, onschuldigen met schuldigen gefusilleerd, kunstschatten vernield, en alwat de cultuur in eeuwenlangen arbeid had opgebouwd, in enkele oogenblikken in een puinhoop verkeerd. En terwijl voorheen duizenden, of enkele honderdduizenden tegen elkander in het veld werden gebracht, staan thans millioenen tegenover elkander in slagorde geschaard. Jongelingen, mannen en vaders worden bij duizenden in de kracht van het leven weggemaaid, en thuis blijven de vrouwen, de kinderen, de grijsaards, de zwakkelingen over. Wetenschap en barmhartigheid spannen zich samen in, om een zwak kind, een ziekelijke vrouw, een afgeleefden grijsaard, om gebrekkigen en achterlijken met groote moeite en kosten in het leven te houden, en hier worden de krachtigste levens stelselmatig, met het schranderste opzet en met alle middelen der kunst, geknakt, verwoest, gedood. Als eene ramp, gelijk de Titanic of de Empress of Ireland trof, enkele honderden menschen in de golven doet omkomen, gaat er een schok door de wereld, maar hier, op het moderne slagveld, zijn wij getuigen van een moedwillige slachting van duizenden bij duizenden. En alsof dit alles nog niet genoeg is, worden gekleurde troepen uit Afrika en Indië ontboden, om deel te nemen aan den onderlingen strijd der blanken. Japan werd uitgenoodigd, om in het Oosten den strijd aan te binden en in het Westen met de Russen zich te vereenigen, en in Europa worden |26| de neutrale staten nauwelijks met rust gelaten, en rechtstreeks of zijdelings bewerkt, om de neutraliteit te laten varen, om partij te kiezen en mede het werk der vernieling ter hand te nemen. 11) Waarlijk, op de studeerkamer kan men gemakkelijk philosopheeren over den oorlog, maar wie hem meemaakte, spreekt er niet afschuw van. De moderne oorlog is geen oorlog van menschen maar van machines, het slagveld is een abattoir geworden, en de mensch wordt in den krijg menigmaal een dier of een tijger gelijk.

Eindelijk, met al deze ellenden en gruwelen zouden we misschien nog verzoend kunnen worden, als de oorlog ons recht en reden gaf tot blijde verwachtingen voor de toekomst. Maar het is vóór ons uit even donker als achter en rondom ons heen. Daar zijn er, die een schoonen droom droornen en hopen, dat deze oorlog de laatste zal zijn. Niemand minder dan minister Churchill voorspelde zelfs onlangs in eene rede te Liverpool, dat er na dezen oorlog een nieuw en beter Europa, een nieuw en beter Christendom zou komen, dan wij ooit hebben gekend. Uit den strijd zag hij verrijzen ten eerste het groote beginsel van het recht der nationaliteiten, ten tweede dat van de onschendbaarheid van staten en volken, en ten derde ook het volkenrecht zoo gevestigd, dat de stoutmoedigste mogendheid ze niet zal durven aantasten. 12) Het einddoel van dezen kamp is voor de vier groote mogendheden, die eraan deelnemen, ook werkelijk een nieuwe regeling van de machtsverhoudingen in het centrum van Europa en daardoor eene wijziging in den bloedsomloopvan het geheele politieke organisme der oude wereld. En men stelt zich dan voor, dat Rusland eene nieuwe periode zal intreden, aan Finland en Polen zelfstandigheid, en aan de „lieve” Joden vrijheid zal schenken; dat het Duitsche Keizerrijk in verschillende staten ontbonden en Oostenrijk-Hongarije verdeeld zal worden; dat het Pruisisch militairisme gebroken, de Duitsche vloot vernietigd, de Kruppfabrieken afgebroken, de forten op de Russische en Fransche grens geslecht zullen worden; dat Sleeswijk-Holstein |27| aan Denemarken, Posen aan Polen, het Duitsche Kongogebied aan België, Elzas-Lotharingen aan Frankrijk zal komen en België zelf voor al zijne doorgestane ellende schadeloos zal gesteld worden.

Maar dat is alles gemakkelijk te zeggen doch moeilijk uit te voeren. De tijd voor het stellen van zulke vredesvoorwaarden schijnt nog lang niet gekomen te zijn. Niemand weet, wat er nog gebeuren kan, hoelang de oorlog nog duren en hoever hij zich nog uitbreiden zal. 13) Wie is zeker van de toekomst van ons land en van onze koloniën, van de geheime wenschen der Hindoes, wier troepen toch niet gansch belangeloos medevechten in den Europeeschen broederkrijg? Eén ding staat slechts vast, dat deze oorlog eene verbittering en haat tusschen de volken van Europa zaait, zoo diep en heftig, dat tientallen van jaren en meer noodig zullen zijn, om ze tot bedaren te brengen. Denk alleen maar aan de gemoedsgesteldheid van een man als Maurice Maeterlinck, die nu reeds waarschuwde tegen het mededoogen, dat misschien na de overwinning jegens den verslagen vijand zou ingeroepen worden, en die dan den tijd alleen beschikbaar wilde stellen voor vergelding en wraak. Breng voorts in rekening, al de schadelijke gevolgen, welke de oorlog politiek en sociaal, financieel en oeconomisch medebrengt. Houd eindelijk vooral in gedachtenis, dat God volstrekt niet altijd staat aan de zijde der sterkste, zelfs niet der triumfeerende bataillons, want God laat zich door geen vorst of volk indeelen bij eenige partij, en schenkt de overwinning lang niet altijd aan wie het recht aan zijne zijde heeft. En er ligt haast geene |28| andere conclusie voor de hand, dan deze: War does not pay. 14)


Al die gevolgen wenschen we nu niet te bespreken, hoe belangrijk ze ook zijn mogen. Slechts zij met een enkel woord gewezen op de geestelijke en zedelijke schade, die het Christendom door dezen oorlog lijdt. Het moge waar zijn, dat in sommige kringen de levensernst is verhoogd, het kerkbezoek toegenomen en het gebed vermenigvuldigd; De Tijd van 15 Sept. l.l. schreef zelfs, dat het katholieke Frankrijk herleeft en „tracht den hemel te verzoenen en zich in het einde de overwinning waardig te maken”. Maar diep gaat deze bekeering over het algemeen niet, na enkele weken vertoont ze reeds merkbare inzinking. Daarbij vergete men niet, dat deze vernielingskrijg in veel grootere mate — zij het ook ten onrechte — het geloof aan de macht van het Christendom heeft ondermijnd, velen ten aanzien van de voorzienigheid en de liefde Gods sceptisch heeft gestemd, en niet zelden, vooal als hij door alle partijen in Gods heiligen naam ondernomen heet, tot bitteren spot aanleiding gaf. Nog grooter is de schade, welke aan de verbreiding van het Christendom door dezen oorlog wordt toegebracht. Er deden zich in de laatste jaren zoovele moedgevende teekenen op het gebied der zending voor. Vergelijking met andere godsdiensten bracht ook onverschilligen tot de erkentenis, dat het Christendom religieus en ethisch de hoogste plaats inneemt. De zending vond meer en meer waardeering en werd ook van radicale zijde, vooral ten opzichte van animistische volken, als een cultuurfactor van beteekenis erkend. De regeeringen namen er eene welwillende houding jegens aan. En in de kringen dergenen, die de zending voorstonden en steunden, nam de belangstelling en de offervaardigheid van jaar tot jaar toe. Vooral na de conferentie te Edinburg ontwaakte de behoefte, om dezen arbeid niet alleen met kracht door te zetten, maar ook om op dit terrein zooveel mogelijk samen te werken en naar één plan te werk te gaan. Vele velden in de Heidenwereld schenen ook wit, om te oogsten; zelfs de cultuurlanden van Japan, China en Indië schenen een groote en krachtige deur voor de verkondigers van het Evangelie te openen; |29| indien de gunstige gelegenheden thans niet aangegrepen werden zou later de schade nooit meer in te halen zijn. 15)

En zie, in zulke hoopvolle tijden barst de oorlog los. Het onmiddellijk gevolg was, dat de inkomsten voor de zending verminderden, dat sommige genootschappen het salaris hunner zendelingen tot op de helft moesten verlagen, dat de uitzending van nieuwe arbeiders uitgesteld moest worden, dat het werk voor een aanzienlijk deel stil gelegd werd. 16) Maar voorts brengt deze oorlog tusschen de volken van Europa eene scheuring, die voor den arbeid der zending allerverderfelijkst is. Naar afkomst en cultuur, krachtens Christelijke en Protestantsche belijdenis, om hun gemeenschappelijken arbeid voor het koninkrijk Gods behooren Engeland en Duitschland bijeen. En thans graaft deze ellendige oorlog tusschen beide volken eene klove, die hen voor langen tijd van elkander verwijderen en samenwerking onmogelijk zal maken. Zoodra toch eene poging ondernomen wordt, om hen onderling in overleg te doen treden of in ééne conferentie samen te brengen, moeten zoovele gevoeligheden ontzien en zoovele klippen vermeden worden, dat aan eene eenparige actie niet te denken valt: familietwisten zijn de ergste, omdat ze de teederste betrekkingen verstoren. De toestand wordt daardoor nog verergerd, dat de oorlog naar het Oosten, naar Japan en China, naar het Midden en het Zuiden van Afrika, naar Turkije, Perzië en Egypte wordt overgeplant, en troepen van kleurlingen naar Frankrijk worden overgebracht, om hier den broederkrijg tot beslissing te brengen. Wat indruk moet dat alles maken op de volken, die wij door het Evangelie zoeken te kerstenen en te beschaven? Niet genoeg, dat wij aan de heidensche volken menigmaal, met of zonder het Evangelie, den alkohol en het opium brachten, wij laten ze thans ook nog overkomen, om hen te doen zien, hoever wij het met onze schitterende uitvindingen in de kunst van vernielen hebben gebracht. |30| Wij bieden hun de gelegenheid en kennen hun het recht toe, om bij den strijd tusschen blanke volken en Europeesche Christenen hun zwaard in de schaal te werpen; aan Turko’s en Singaleezen, aan Japanners en Hindoes en Turken leggen wij in onze verblinding voor een deel het lot van Europa in handen. Meent men, dat dat zonder schade, dat dat straffeloos geschieden kan? Laat men dan bedenken, dat deze oorlog, mede door de wijze, waarop hij gevoerd wordt, aan één doel uitnemend beantwoordt, om n.l. bij al die vreemde volken een krachtig zelfbewustzijn te doen opwaken, en om hun van Christelijken godsdienst en Christelijke beschaving een hartgrondigen afkeer in te boezemen. It has already been urged publicly that what has taken place in Europe refutes the claim, that the West has any religious message in trust for the world, zoo schreef reeds in October de redacteur van The International Review of Missions, 17) en deze afwijzing van Europa’s aanspraken zal zich nog wel luider en verder laten hooren. De waarschuwing aan de volken van dit werelddeel, om hunne heiligste goederen te bewaren, is snoodelijk in den wind geslagen. Een paar jaren geleden liet iemand in genoemd tijdschrift zich uit, dat een Europeesche oorlog in deze voor de zending zoo hoogstbelangrijke tijden een van de grootste misdaden der geschiedenis en een verraad aan het koninkrijk Gods zou zijn. Was dat te sterk gesproken, of drukt er deze oorlog het zegel op?


Wie al deze dingen overdenkt, kan moeilijk instemmen met hen, die deze tijden hoopvol noemen voor het koninkrijk Gods, den broederkrijg een zegen achten en er eerder een dank-, dan een bedestond voor zouden willen houden. En meer voelt hij zich aangetrokken door de prediking, die den 9 Aug. I.I. door Mej. Mossel in eene kleine, onafhankelijke gemeente te Dundee werd aangehoord, en waarin tonen werden vernomen van ootmoed en smartgevoel, op belijdenis van eigen zonden en de zonden der natiën werd aangedrongen, en Gods ontferming werd ingeroepen tot beëindiging van den krijg. 18) |31|

Maar wie zoo bidt en bidden kan, die heeft reeds in zijn hart op het probleem van den oorlog de overwinning behaald. Want bidden in geest en in waarheid is gelooven, dat boven de wereld eene goddelijke Almacht staat, die ook het kwade regeert; en verwachten, dat zij te harer tijd helpen kan en helpen zal. Zonder zulk een geloof bestaat er in deze tijden gevaar, om tot onverschilligheid en moedeloosheid te vervallen, aan pessimisme en fatalisme zich over te geven, en aan Christendom en beschaving te wanhopen. Practisch is dit gevaar zoo groot niet, als het schijnt, want zoolang er leven is, is er hoop. En die hoop wordt niet van buiten af, door redeneering bijgebracht, maar wortelt in het leven zelf. Leven is hoop, geen onlust maar positieve lust, niet ellende, gelijk het Buddhisme leert, maar eene goede gave, zooals het Christendom predikt, en dus met een onuitroeibaren drang tot zelfbehoud toegerust. Het reageert na elken slag, en het heft zich op van onder den zwaarsten druk. Niemand kan berekenen, wat een mensch, wat een volk, wat de menschheid niet lijden kan. Uit deze onverwoestbare levenskracht en levenshoop laat zich verklaren, dat na den oorlog menigmaal eene krachtige herleving komt. De geschiedenis van Frankrijk zoowel als van Duitschland na 1870 levert daarvan het overtuigendst bewijs.

Indien men dus van „zegeningen” van den oorlog wil spreken, behoeft de waarheid daarvan niet in elk opzicht ontkend te worden. Alleen maar, deze zegeningen vloeien grootendeels niet uit den oorlog voort, die immers rechtstreeks niets dan vernieling bedoelt, maar zij komen op uit die levenskracht, welke ook door den oorlog niet altijd uitgeput en uit de goddelijke Levensbron in de menschheid en de volken onderhouden wordt. En wijl de tegenwoordige oorlog niet met algeheele vernietiging van een der strijdende volken eindigen mag noch waarschijnlijk eindigen zal, mogen wij de hoop koesteren, dat hij, niet door maar ondanks zichzelf, iets goeds voor Europa en de wereld uitwerken zal. Indien bijv. aan het einde eens dit resultaat werd verkregen, dat het militairisme verzwakt, de oorlogsuitgaven verminderd, het recht der kleine staten beter gewaarborgd, en in het algemeen de gespannen verhouding tusschen de volken gewijzigd en verbeterd werd, dan zou de verdrukking toch ten slotte ook nog weer eene oorzaak kunnen worden van berusting en dank. Natuurlijk laat zich hiervan |32| niets met zekerheid voorspellen en het ziet er ook volstrekt nog niet naar uit; maar midden in den oorlog levende en van alle zijden door zijne ellenden omringd, zijn wij ook niet in staat, hem in zijn geheel te overzien en zijn plaats te bepalen in de geschiedenis der menschheid. De mogelijkheid te betwisten, dat hij in weerwil van al zijn leed toch ten slotte nog eenigszins ten goede medewerken kan, ware ongeloof en met de lessen der historie in strijd. Onder het wonderlijk bestel, dat over deze wereld gaat, bergt de vloek menigmaal een zegen in zijn schoot.

Voorts spreekt het vanzelf, dat wij, onder den onmiddellijken indruk van dezen oorlog verkeerende, hem als iets vreemds en ongehoords ondervinden, te meer omdat de beschaving in deze eeuw zoo ver gevorderd scheen, dat zij voor den oorlog geene plaats meer liet. Maar deze verwachting getuigt van een niet geringe mate van zelfverheffing, alsof wij zoo geheel andere en betere menschen geworden waren dan die voor ons geleefd hebben, en tevens van een zoo groote vergeetachtigheid, dat ook hetgeen gisteren plaats greep heden reeds uit het geheugen verdwenen is. Immers ondanks alle verzekeringen, dat de oorlogen eerlang tot het verleden zouden behooren, en ten spijt van alle vredescongressen en vredestractaten, zijn zij in de 19e en 20e eeuw niet verminderd maar toegenomen; in de laatste twintig jaren volgde de eene oorlog den anderen op, van China tegen Japan 1894, van Turkije tegen Griekenland 1897, van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika tegen Spanje 1898, van Engeland tegen Transvaal c.a. 1899, van Rusland tegen Japan 1904, van de Balkanstaten tegen Turkije en onderling 1912/13. Wij moeten ons dus niet aanstellen, alsof ons iets vreemds en onbillijks overkwame, want Schopenhauer zegt niet ten onrechte: Die Geschichte zeigt uns das Leben der Völker, und findet nichts, als Kriege und Empörungen zu erzählen; die friedlichen Jahre erscheinen nur als kurze Pausen, Zwischenakte, dann und wann ein Mal. 19) En nog oppervlakkiger is de meening, dat deze oorlog buiten ons staat en alleen de schuld is van enkele vorsten en diplomaten. Want dezelfde wijsgeer voegt aan de geciteerde woorden met niet minder waarheid het volgende toe: Und ebenso |33| ist das Leben des Einzelnen ein fortwährender Kampf, nicht etwan bloss metaphorisch mit der Noth oder mit der Langenweile, sondern auch wirklich mit Andern. Er findet überall den Widersacher, lebt in beständigem Kampfe und stirbt, die Waffen in der Hand. Zelfs in den kleinen kring van een gezin, eene familie, eene vereeniging, een partij enz. wordt telkenmale de vrede gestoord; en niet zelden wordt er tusschen menschen van één bloed en van één geloof een strijd gestreden, die, schoon niet met vleeschelijke wapenen gevoerd, toch diepe, ongeneeslijke wonden slaat. Nijd, haat, toorn, wraakgierigheid liggen, volgens Jezus’ woord, Matth. 5 : 21, op de lijn van den doodslag.

Daarom staan oorlogen in de geschiedenis der menschheid niet op zichzelve; zij hangen, ook als ze om rechtvaardige redenen gevoerd worden, met de boosheid van het menschelijk hart samen, dat alle eeuwen door, ook onder het kleed van fatsoen en beschaving, hetzelfde blijft; en zij maken met rampen, onheilen, ziekten, dood enz. deel uit van dat namelooze leed, dat aan de menschheid te dragen opgelegd is. Al deze wederwaardigheden staan in onderling verband, en ze vormen met elkander de lichamelijke zijde van die geestelijke ellende, welke in iederen menschelijken boezem woont. Het probleem van den oorlog is dus niet op te lossen zonder het probleem van het lijden in het algemeen. En dit probleem is het godsdienstig en wijsgeerig vraagstuk bij uitnemendheid: unde malum? Vanwaar deze wereld met al haar moeite en verdriet, met al haar bloed en tranen? Heeft ze een „zin”, een reden en een doel voor haar bestaan? Is zij voor het verderf of voor de heerlijkheid bestemd?

Hoe moeilijk dit probleem nu ook voor het denken zij, feitelijk houdt de menschheid zich altijd door staande en geeft den moed niet op; zij worstelt in tegen den druk en sterkt zich door het geloof en door het gebed. En daar kan geen onderzoeker en geen denker der eeuw zich boven verheffen. Misschien kan hij door redeneering het zoover brengen, dat bij aan het gebed, dezen ademtocht der ziel, den doorgang tot zijne lippen verspert, omdat het met de natuurwet strijdt en „toch niets geeft”. Hoewel ook dit resultaat niet zonder inspanning bereikt kan worden, want, gelijk James zegt, wij bidden omdat wij het niet laten kunnen. Toch, laat een mensch het zoover brengen, dat hij wetenschappelijk en kunstmatig |34| aan het gebed des harten het zwijgen oplegge; het geloof des harten is sterker dan alle redeneering of bewijs. 20) Het geloof n.l., dat de wereld ondanks al hare irrationaliteit een doel heeft en het licht tegemoet gaat. Wie dit geloof en deze hoop theoretisch en practisch prijsgaf en prijsgeven kon, zou niet meer tot leven in staat zijn. Wie leven, dat is, denken, arbeiden, strijden wil, die kan op de donkere aarde deze „lichten des hemels” niet missen. Er is geene verstand en hart bevredigende beschouwing van natuur en geschiedenis mogelijk, zonder dat ze op de fundamenten dezer zielsovertuigingen rust. Want zonder geloof en hoop wordt de natuur redeloos wreed en zinkt ze neer tot eene daemonische macht, die speelt met het menschelijk lot; en zonder deze beide opbeurende krachten houdt de geschiedenis op geschiedenis te zijn en wordt ze een spel van noodlot, of toeval. Wie immers van geschiedenis spreekt, denkt vanzelf aan leiding, plan, ontwikkeling, doel; hij gelooft, dat in den strijd iets wordt, wat van onvergankelijke waarde is; en hij leeft en arbeidt in de overtuiging, dat de wereld met al haar jammer en leed onder het bestuur staat (niet van een abstract, machteloos begrip als: het goede, maar) van een wijzen, heiligen en almachtigen Wil, die door den strijd heen den vrede najaagt en door den toorn heen zijne liefde openbaart. Als dus Prof. G. Heymans zijne belangrijke rede over de toekomstige eeuw der psychologie met de woorden besluit: ich denke, es wird noch alles gut, dan is deze hoop bij hem op andere gronden betoogd 21) maar zij is toch in het wezen der zaak geen andere dan die van den ouden mysticus, dien hij in die woorden citeert, geen andere ook, dan die door Paul Kruger nog eenvoudiger aldus werd uitgedrukt: alles zal rech kom: zij is in al deze gevallen eene verwachting des geloofs. |35|

Dit geloof nu, zooals het onuitroeibaar in het hart van mensch en menschheid is geplant, is zelf een bewijs voor de realiteit van zijn inhoud. Het is immers eene kracht, die niet uit de ellende der wereld te verklaren is, maar tegenover haar staat en den strijd tegen haar aanbindt. Het is eene van de regenereerende krachten, die naast en tegenover de degenereerende in de wereld waar te nemen zijn, het is er zelfs de voornaamste van, want het is de wortel van alle beschaving en cultuur, en het wijst in zijne universaliteit en continuïteit op dien almachtigen wil terug, die niet de wijsheid en de goedheid één is, en die zelf met deze gevallen wereld worstelt om haar behoud. Daardoor brengt dit geloof ook de onafscheidelijke en inderdaad onmisbare overtuiging mede, dat wij toch eigenlijk niet tegen het kwade krijg voeren, maar dat deze strijd principiëel is aangebonden en geleid wordt door God Almachtig, waarbij wij slechts als zijne instrumenten dienst mogen doen.

Aldus ziet het Christendom deze wereld aan, heel anders dan het Buddhisme en het Mohammedanisme. God stoot de wereld van zich af in zijn toorn en Hij trekt ze toch tot zich in zijne liefde; Hij brengt ze in het oordeel, en leidt haar daardoor tot behoudenis; in het kruis verbindt Hij recht met genade en genade niet recht. En daarin geeft Hij ons het recht en houdt ons tevens de roeping voor, om eenerzijds de wereld en alwat in haar is niet lief te hebben, en anderzijds toch zoo tegen haar te strijden, dat ze gewonnen en verlost wordt. Vele Christenen verstaan dit niet, en meenen, dat de Christelijke ethiek in den plicht der lijdelijke berusting opgaat. Maar het Christendom roept ons ten strijde tegen alle booze macht, gelijk Christus zelf op aarde kwam, om alle werken des duivels te verbreken en daardoor de wereld te behouden. En in dien strijd waarschuwt het ons tegen zelfverheffing, alsof wij eigenlijk dien grooten strijd zouden strijden en door onze beschaving en cultuur de overwinning moesten behalen; en het bewaart ons tegelijk voor moedeloosheid, want het is onze strijd niet, maar de strijd der Almacht zelve, en dus de overwinning op haar tijd zeker. Dwaas is het daarom, te zeggen, dat het Christendom en de cultuur bij dezen oorlog bankroet hebben geslagen. Dat is evenmin met deze beide machten het geval, als met de wetenschap, die eenige jaren geleden door Brunetière failliet werd |36| verklaard. IJdel zijn gebleken de onzinnige verwachtingen, die soms door menschen gekoesterd zijn, maar Christendom, wetenschap en cultuur blijven regenereerende krachten, die God in zijne genade schenkt, en die ieder in zijne mate en op zijne wijze ons van de ellende des levens bevrijden.

Dit alles is ook op den oorlog toepasselijk. Oorlogen zullen er naar Jezus’ woord blijven tot het einde der wereld, maar dit woord is evenmin als dat over de armoede een bevel, dat wij zorgen moeten uittevoeren, doch eene profetie, die ons bij den arbeid voor misrekening behoedt. Oorlog is evenals alle ramp en leed, indien niet altijd een ethisch, dan toch steeds een physisch kwaad, dat daarom bestreden worden mag en moet. Zelfs de overtuiging, dat wij ziekte en dood nooit in deze wereld overwinnen zullen, mag ons geen oogenblik doen verslappen in hunne bestrijding; want al zijn ze binnengedrongen, zij behooren toch in Gods schepping niet thuis. Met den oorlog verkeeren wij in hetzelfde geval, gelijk de arbeid van het Roode Kruis met de daad bewijst. Als de krijgsman gewond op het slagveld neervalt, strekt de hand der barmhartigheid zich tot zijne genezing uit. Aan Nederland is daarbij in deze droeve tijden eene bijzonder schoone taak toebetrouwd. Het werd tot dusver van den oorlog verschoond, opdat het eene schuilplaats en hospitaal zou wezen, en overeenkomstig de Troonrede, met open armen ontvangen zou alle ongelukkigen, die binnen zijne grenzen een toevlucht zoeken.

Misschien wordt het Nederland vergund, nog iets anders en meer te doen. De Nederlandsche Anti-Oorlog Raad, die den 8en Oct. l.l. werd opgericht, liet een Oproep tot heel het Nederlandsche Volk uitgaan, om naar krachten mede te werken aan eene beëindiging van het bloedige geschil, welke redelijken waarborg biedt, dat onze beschaving niet wederom door eenzelfde ramp getroffen worde. Hoe ware het te wenschen, dat heel ons volk en alle neutrale landen aan zulk een actie deelnamen; 22) |37| ze zou een macht kunnen vormen, die aan den vrede ten goede kwam. Voorts riep de Raad terecht niet alleen steun en medewerking van individueele personen in, maar ook van vereenigingen en corporaties van allerlei aard. Met name hebben de kerken hierbij een roeping te vervullen. Wat zouden deze met een protest tegen den oorlog sterk staan, indien zij één waren over de gansche aarde, en de wereld daardoor tot het geloof kwam, dat Christus door den Vader gezonden was! Nu zijn ze hopeloos verscheurd, wordt de kracht van haar getuigenis gebroken, en gaat in de veelstemmigheid meestal de eenheid te loor. Maar indien zij ten minste in deze zaak zich vereenigden en in het belang van de heiligste goederen, immers van het koninkrijk Gods, eenparig op den vrede aandrongen, dan zou dit toch niet nalaten een diepen indruk te maken. En als dan al die stemmen uit alle |38| landen zich samenvoegden, zouden ze gesteund en versterkt door de pers aanzwellen tot een stroom, die de plannen, om den oorlog voort te zetten tot het bittere einde, verzwakken en verijdelen zou. Want de publieke opinie is bij dezen oorlog gebleken eene macht te zijn, voor welke alle regeeringen zich hebben trachten te rechtvaardigen; en zij zal in de democratische richting, waarin wij ons bewegen, altijd toenemen in gewicht.

Daarom, ten slotte, verdient het ook geene goedkeuring, om met beroep op dezen oorlog alle vredescongressen belachelijk, en van het ten onrechte dus genaamde Vredespaleis eene goedkoope caricatuur te maken. Deze oorlog houdt ons de les voor, dat er in de richting des vredes niet te veel, maar nog veel te weinig gedaan is, dat wij niet stilstaan en terugkeeren, maarmet vaster wil en taaier volharding voorwaarts moeten gaan. Want ook hier schuilt de oorzaak der teleurstelling niet in de pogingen, tot verzekering van den vrede aangewend, maar in de overdreven verwachtingen, die erop gebouwd werden. Zeker, het internationale recht is als recht machteloos, zoolang het niet door eene internationale politie zichzelf handhaven kan. En eene internationale politie of gendarmerie laat zich evenmin als een Europeesche Statenbond improviseeren. Ook is arbitrage alleen bij enkele rechtsgeschillen mogelijk, en ontoepasselijk bij conflicten, waarbij de zelfstandigheid of de eer der staten is gemoeid. ja zelfs kunnen afspraken en verdragen tusschen de mogendheden nooit absoluut binden, omdat nood inderdaad wet breken kan 23) en er geen scheidsrechter bestaat, die over de al of niet aanwezigheid van zulk een noodstand beslist.

Maar desniettemin, indien niet alles en zeker niet alles op eens door de actie, die sedert het manifest van den Czaar in tal van landen ter hand genomen is en in den Haag haar centrum heeft, te bereiken is, er kan toch wel iets en zelfs veel verkregen worden. Elke arbitrage-uitspraak, die in minnelijken weg een geschil tot oplossing brengt, is een triumf van het recht over de macht. En de studie van het internationale recht kan er in belangrijke mate toe bijdragen, dat ook volken, evenals individuen, zoo niet den lust in hun hart, dan toch in hunne conscientie den |39| plicht gaan gevoelen, om zooveel mogelijk met elkander in vrede te leven. Want er is wel een internationaal recht, en er zijn wel rechten en plichten van de volken ten opzichte van elkaar, maar deze rechten en plichten zijn machteloos, als zij niet wortelen in de conscientie. 24)

Daarom drong Lord Haldane onlangs in eene redevoering, welke hij in Canada hield, op internationale „Sittlichkeit” aan. Daarom kwam Groen van Prinsterer zoo krachtig in verzet tegen de Realpolitiek van Bismarck, die om de Christelijk-ethische beginselen zich niet bekommerde. En daarom schreef bisschop Von Ketteler deze schoone woorden: Die Beziehungen der Völker ruhen wesentlich auf denselben Grundlagen, wie die Beziehungen der einzelnen Menschen unter einander, auf der Verwirklichung und gegenseitigen Anerkennung der von Gott in uns gelegten Gesetze der Sittlichkeit, des gegenseitigen Wohlwollens, des Gebotes: Was du nicht willst, dasz dir geschebe, das thue auch einem Andern nicht. 25)




1. Verg. Wereldwelvaart, Wereldrecht, Wereldvrede door Mr. Dr. M.J. v.d. Flier enz. Maatsch. voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam. Met beroep op Buckle zeide reeds Bertha von Suttner, De wapens neergelegd blz. 38, dat hoe verder men in het barbaarsche verleden teruggaat, de onderlinge oorlogen veelvuldiger en de grenzen des vredes enger worden. En deze gedachte is op interessante wijze uitgewerkt door Prof. Heymans in zijne rede over De oorlog en de vredesbeweging, Groningen 1914.

2. Algemeen Handelsblad 19 Sept. 1914.

3. Zoo Strauss, Nietzsche, Haeckel enz., ef Ernst Horneffer, Jesus im Lichte der Gegenwart, Leipzig 1910.

4. Otto Baumgarten, Bismarcks Stellung zu Religion und Kirche, Tubingen, Mohr 1900, bl. 32. Schaamteloos werd deze machtspolitiek ook verheerlijkt in een boek van den Missionsinspektor J. Witte over Ostasien und Europa. Daarin staat volgens De Banier, Christelijk blad voor Ned. Indië, overgenomen in Hollandia, het volgende geschreven: Iedere Duitscher is verplicht ertoe mede te werken, dat het Duitsche volk sterk worde. Of andere volken door ons toenemen of in bloei achteruitgaan, doet er niets toe. Den krachtigste heeft God de wereld beloofd. Dit is niet brutaal, maar de zeer waardevolle zedelijke wedijver om den grootsten vooruitgang. Welvaart in het volksleven brengt geld voort en geld geeft macht. En macht is het wezen van den staat. Voor het eigen volk de grootst mogelijke mate van macht te verkrijgen, is het doel van alle staatsbestuur enz.

5. Naumann, Briefe über Religion, 1903.

6. Aldus Ds. van Beversluis onlangs op de vergadering der Groningsche Predikantenvereeniging.

7. Verg. R.S. Steinmetz, Die Philosophie des Krieges 1907, en de bespreking van dit werk door Generaal Staal, Gids 1907, III, 515-542. Friedrich Lenz schreef in de Deutsche Rundschau van Oct. l.l. een opstel over die geschichtliche Voraussetzungen des modernen Krieges, en zeide daarin, blz. 7: Oorlog en Techniek zijn de belde middelentotheerschappij, de eerste over de menschen, de tweede over de natuurkrachten. Beide zijn „die zugleich unentbehrlichen und unzertrennlichen Voraussetzungen jedes gesellschaftlichen Fortschrittes, die Pfeiler jeder objektiven Ordnung in Macht, Recht und Kultur.”

8. Verg. F.E. Kröder, Das Militär im Neuen Testament, Leipzig z. j., aangehaald door Prof. Van Veldhuizen in De Schatkamer, Nov. 1914, bl. 161.

9. Bijv. Parerga und Paralipomena, Leipzig 1888, II, 217.

10. Verg. Dr. de Jong, Dienstweigering bij de oude Christenen, Leiden 1905. Harnack, Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten drei Jahrhunderten.2 Leipzig Hinrichs 1906 I 258 v. II 41 v. Id., Militia Christi. Die Christliche Religion und der Soldatenstand in den ersten drei Jahrhunderten. Tubingen Mohr 1905, waarbij men echter vergelijke Pirngruber, Harnacks Militia Christi, Stimmen aus Maria Laach 1906 bl. 269-285. Voorts schreef Luther in 1526 eene verhandeling: Ob Kriegsleute auch im seligen Stande sein können, en Calvijns gedachte over den oorlog kan men leeren kennen uit het opstel van Prof. E. Doumergue, L’opinion de Calvin sur la guerre, in Le Christianisme au XXe siècle van 22 Oct. 1914.

11. Denk bijv. aan de rede van den heer Cornelissen, 8 Oct. l.l. te Amsterdam gehouden en het artikeltje in de Saturday Review, aangehaald in het Alg. Handelsblad 16 Oct. 1914, Avondblad, maar gelukkig van andere zijde en ook door de Engelsche regeering bestreden.

12. Verslag in de N. Rott. C. van 25 Sept. Av. B.

13. Intusschen opende Turkije op den 29en Oct. in de Zwarte Zee de vijandelijkheden tegen Rusland en kwam daardoor ook in oorlog met Engeland, en Frankrijk, België en Servië. Turksche troepen trokken reeds naar het Sinaitisch schiereiland en drongen door tot het Suezkanaal, om zoo mogelijk den Khedive in Egypte op zijn troon te herstellen. De Japanners namen den 7en Nov. Tsingtao in, drongen zuidelijk door, en beschikten over de Duitsche koloniën in de Stille Zuidzee ten gunste van Australië. Engeland nam 2 Nov. het besluit, om de Noordzee tot militair gebied te verklaren, en pleegde daarmede een aanslag tegen den neutralen handel van Zweden, Noorwegen, Denemarken, Nederland en de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, wat een krachtig protest uitlokte van Prof. De Louter te Utrecht. In Zuid-Afrika brak onder leiding van Maritz, daarna van Beijers en De Wet, een burgeroorlog uit. Portugal besloot reeds tot mobilisatie. De Balkanstaten worden zoo bewerkt, dat zij ieder oogenblik in den strijd partij kunnen kiezen. Wat voor geest bezielt en drijft de volken toch!

14. Aldus Norman Angell in zijn beroemd werk The great illusion, ook in het Nederl. vertaald, Leiden 1909.

15. De Wereldconferentie van 1910 vestigde de aandacht op de buitengewone belangrijkheid der volgende tien jaren voor de geestelijke evolutie der menschheid, en zeide, indien deze jaren werden verspild, havoc may be wrought that centuries are not able to repair, J.H. Oldman, The war and missions, in: The international Review of Missions, Oct. 1914, bl. 625.

16. O.a. ook doordat de Engelsche regeering alle Duitsche zendelingen in Kamerun en in Engelsch-Indië interneert.

17. J.H. Oldham, in het boven aangehaalde artikel.

18. Vergelijk ook de schoone proclamatie van President Wilson tot het houden van een biddag op 4 Oct. j.l.

19. Parerga und Paralipomena, Leipzig Brockhaus 1888 Il 313.

20. Prof. Land maakte op soortgelijke wijze onderscheid tusschen religie en godsdienst. Religie was volgens hem vertrouwen, eerbied, liefde jegens den grond van ons bestaan of de hoogste macht, waarmede wij terekenen hebben. Maar deze religie sluit nog geen godsdienst in, welke den grond der wereld persoonlijk denkt en hem als zoodanig vereert, zie Land, De Wijsbegeerte in de Nederlanden, ’s Gravenhage, M. Nijhoff 1899, bl. 79.

21. Verg. ook de reeds aangehaalde rede van denzelfden Hoogleeraar over De oorlog en de vredesbeweging, bl. 25.

22. In Amerika is soortgelijke actie op touw gezet door Mevr. Tingley, idie daarbij uit allerlei kringen steun ontving, Alg. Handelsblad 20 Oct. l.l.

Allerwege begint zich een sterk verlangen en een krachtige drang naar vrede te openbaren. De Van-Dag-tot-Dag-Schrijver in het Handelsblad stelde onlangs de vraag aan de orde: Is bemiddeling mogelijk? (Handelsblad, 16 Nov. Av. 2e blad) en ontving vele betuigingen van instemming. De Paus |37| zond eene encycliek in de wereld, die met eene dringende smeekbede aan de mogendheden begon, om den terugkeer der vredesgoederen onder de volken te bespoedigen. De Gereformeerde Kerken in Nederland, onlangs in synode te ’s Gravenhage vergaderd, spraken de bede uit, dat God welhaast zulk een vrede mocht schenken, als Zijn naam ter eer, Zijn koninkrijk tot zegen en den volken tot heil verstrekken kan, en wekten alle kerken op, om gezamenlijk en krachtiger dan tot dusverre te pleiten voor het herstel en behoud van den vrede in den weg van het recht. Dr. N. Söderblom, aartsbisschop van Upsala, richtte een oproep aan de vertegenwoordigers der Protestantsche landskerken en vrije kerken in vele landen, om eene gemeenschappelijke verklaring af te leggen over den oorlog en een spoedig te hopen vrede. De bekende Duitsch-Amerikaansche bankier J.H. Schiff sprak voor enkele dagen de meening uit, dat, zoowel om redenen van menschelijkheid als om redenen van eigenbelang de Vereenigde Staten alles moesten doen, om het conflict tusschen de volken tot een goed einde te brengen, en voegde eraan toe, dat de Amerikaansche pers goed zou doen, als zij propaganda ging maken voor het houden eener conferentie, waar de oorlogvoerenden hunne geschillen zouden kunnen bespreken. Telkens duiken er vredesgeruchten op, die dan wel terstond weer tegengesproken worden, maar toch bewijzen, dat er iets in de lucht zit, en dat het vredesdenkbeeld hoe langer hoe meer in de harten post vat. Vooral de neutrale staten nemen bij dezen oorlog eene beteekenisvolle plaats in. Alleen het feit, schreef De Standaard in haar hoofdartikel van 21 Nov., dat er in den thans in gang zijnden oorlog van een heilig beginsel geen sprake is, geeft hun het recht en legt hun den plicht op, om in hunne neutraliteit te volharden, om door samenwerking en goede leiding hunne kracht te verhoogen, de goede beginselen van het volkerenrecht in eere te doen houden, en om (zoo mag er bijgevoegd) te gelegener ure voor het recht en den vrede te pleiten.

23. Verg. Matth. 12 : 1-5.

24. Verg. Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, Gedachten over oorlog en vrede, Den Haag, Daamen 1914.

25. Aangehaald bij Groen van Prinsterer, Nederl. Gedachten No. 62, 11 Jan. 1871, bl. 93. Verg. ook Mr. D.P.D. Fabius, Volkenrecht, Amsterdam 1907, en Baron Creutz, Nederland en de internationale rechtsorde, Stemmen des Tijds, Aug. 1913.




a. Verbeterde uitgave van een opstel verschenen in Stemmen des Tijds 4 (1914v) 1 (nov. 1914); opnieuw uitgegeven in Oorlog en Christendom, 30-58.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004