„Pro en Contra”

Betreffende Vraagstukken van Algemeen Belang


Serie III. No. 3.

„Evolutie”

Pro: Dr. P.G. Buekers
Contra: Dr. H. Bavinck

Baarn — Hollandia Drukkerij — 1907

a



ProContra




Pro

The only logical necessity is, that where knowledge ends we should admit ignorance.

Brooks.


Waarom valt een steen, als wij hem loslaten?

Dat weten wij niet. Wel weten wij, dat dit zoo gewone verschijnsel een oorzaak moet hebben. Om over die oorzaak te kunnen spreken geven wij er een naam aan: zwaartekracht of graviteit. Een kracht is de oorzaak van iedere verandering in den bewegingstoestand van een lichaam. De zwaartekracht wordt ook wel aantrekkingskracht van de aarde genoemd. Dit is niet zeer nauwkeurig, want de oorzaak van het vallen zetelt evengoed in den steen als in de aarde; zij is wederkeerig. Haar grootte hangt af van iets in de lichamen, dat wij massa noemen en tevens van den afstand tusschen de lichamen, die elkander aantrekken. De massa wordt gemeten door het gewicht, maar zij is niet hetzelfde, want als wij een voorwerp verder van de aarde afbrengen, in een luchtballon bijv., wordt zijn gewicht kleiner, maar zijn massa blijft onveranderd.

Ook moet men weten, dat wij onder het gewicht van een lichaam iets anders verstaan, dan onder het gewicht van de stof, waaruit het bestaat. Het laatste wordt ook soortelijk gewicht en dichtheid genoemd. Als een hoeveelheid lucht uitzet door verwarming, inkrimpt door afkoeling of door een uitwendige drukking samen wordt geperst of ook zich door een inwendige kracht samentrekt, blijft haar gewicht onveranderd, maar haar dichtheid, de massa van 1 c.M3., wordt kleiner of grooter. Dan moet ook de aantrekking of graviteit, die zij op andere lichamen uitoefent, veranderen.

Wordt een gas samengeperst dan wordt het tevens warmer, zet |2| het zich uit, dan koelt het af, als tenminste niet verwarming de oorzaak van de uitzetting was.

De geheele wereldruimte moet gevuld zijn met een uiterst fijn gas, dat buitengewoon licht is, een buitengewoon kleine massa bezit en buitengewoon veerkrachtig is. Licht is eene stoffelijke beweging, want het kan mechanische en scheikundige werkingen uitoefenen. Die beweging kan niet anders dan door een stof van de lichtbron voortgeplant en overgebracht worden naar ons oog. Die voortplanting heeft plaats met een snelheid van 300 millioen meters in de seconde. Toch zijn er sterren bekend, waarvan het licht meer dan 300 jaren noodig heeft gehad om onze aarde te bereiken! Het voertuig, dat deze werking naar de oppervlakte van de aarde bracht, moet dus ook overal tusschen die ster en de aarde aanwezig zijn. Deze afstand nu is nog niets bij de oneindige wereldruimte!

Met hulp van de bovenstaande bepalingen en gewapend met de kennis van deze vaststaande en waarneembare feiten, zullen wij nu een inzicht kunnen krijgen in de nevelvlek- of nebulairtheorie van Kant, die, al dateert zij van meer dan honderd jaren her, toch nog de grondslag is van onze tegenwoordige kosmogenesis.

Die theorie neemt aan, dat alle stof, die nu de zonnestelsels en planeten, de geweldige gebergten zoo goed als het zandkorreltje, elk levend wezen, den mensch zoo goed als de nietigste bacillen, waarvan er duizend millioen in een kubieken millimeter gaan, vormt, oorspronkelijk in uiterst fijn verdeelden, gasvormigen toestand verkeerde. Er bestond in dien chaos geen warmte en geen licht.

Zoodra er, door welke oorzaak dan ook, een of meer punten van grootere dichtheid ontstonden met sterkere graviteit, werd het evenwicht verstoord. Nu moesten zich deelen van dien oernevel rondom die punten op gaan hoopen. Er ontstonden nevelklompen, wolken als men wil. Tengevolge van het steeds meer en met versnelde beweging daarop aanstuiven van deeltjes heerschte daarin sterke beweging. De heele klomp moest zich gaan verplaatsen en ook een steeds sneller wordende aswenteling verkrijgen, van West naar Oost, omdat veel deeltjes er in tangentiale richting tegen aan botsten.

In de kern van de wolk moest de spanning voortdurend toenemen. Daardoor ontstond warmte, die weldra groot genoeg werd om de stof aan het gloeien te brengen. |3|

Zoo werd het licht.

Intusschen moest er nu ook uitstraling van warmte plaats hebben. Daardoor werden de buitenste lagen natuurlijk afgekoeld; zij krompen in en vermeerderden daardoor de inwendige spanning. In de kern nam de massa toe en werd de warmtegraad steeds hooger. Daardoor nam wel is waar de zwaartekracht, door die kern op de omringende deelen uitgeoefend, toe, maar naarmate het uitwendige zich meer samentrok en meer massa kreeg, naar die mate werd ook de kracht noodig om het aanhoudend van richting te doen veranderen, zij beschreven immers een cirkel, grooter en grooter. Eindelijk was die kracht niet groot genoeg meer en kreeg de middelpuntvlieding de overhand. Daardoor moest de gasbol plat worden bij zijn polen, waar de omwentelingsas haar oppervlakte snijdt. Dit deed de snelheid der deelen midden daar tusschen, bij den evenaar, nog toenemen, want zij kwamen verder van hun omwentelingsmiddelpunt af en beschreven dus in denzelfden tijd een grooteren cirkel. Dit stelde nog weer hoogere eischen aan de kracht, die hen van richting moest doen veranderen en zoo, bij deze wisselwerking, moest ten slotte de middelpuntvlieding de overhand verkrijgen. Een ringvormige massa liet los van den hoofdbol en deze kon zich weer samentrekken, van den schijfvorm tot den bolvorm, al bleef ook een afplatting bij de polen bestaan.

Door ongelijke afkoeling moest dan deze ring zich in stukken verdeelen. Volgens niet eens ingewikkelde regels der werktuigkunde moesten die stukken den bolvorm aannemen, zich om het centrale moederlichaam blijven bewegen en tevens ieder hun eigen aswenteling aannemen.

Zoo ontstonden de planeten rondom de centrale kern, met zijn ontzaglijk hooge temperatuur. Bij iedere planeet kan dit proces zich hebben herhaald en daardoor verkreeg zij haar manen of satellieten.

Waar de hitte in de kern van de oneindig veel grootere centrale hoofdmassa nu bleef gehandhaafd en zelfs nog toe moest nemen, daar moesten de losgerukte, zooveel kleinere, planeten zich zeer veel sneller afkoelen. Wij kunnen ons zelfs voorstellen, dat de kleinste, onder de om de overmacht strijdende invloeden van uitwendige drukking en inwendige spanning, van centrale zwaartekracht en peripheere middelpuntvlieding, uit elkander vlogen |4| om, in stukken en brokken, door de eindelooze ruimten van ons zonnestelsel heen, weer op de zon terug te vallen. Dit zijn dan de meteoren en meteorieten.

Zie daar de theorie van Kant in grove trekken, in een voor ieder bevattelijken vorm.

Wat zijn nu de feiten, waarop zij rust, die haar bevestigen en die ten deele, lang na den dood van den genialen schepper der theorie, pas zijn ontdekt?

Zie hier een beknopte opsomming van de voornaamste.

1. Alle planeten draaien met hun manen om de zon en ook om hun as, in de zelfde richting, van West naar Oost,waarin ook de zon zelf om haar as draait.

2. Zij beschrijven een baan, die, tengevolge der onderlinge aantrekking, slechts weinig verschilt van een cirkel.

3. Het vlak, waarin die cirkel gelegen is, maakt ook slechts een kleinen hoek met den aequator van de zon.

4. De buitenste, groote planeten van ons zonnestelsel hebben een geringere dichtheid dan de andere, die niet zoover van de zon zijn verwijderd.

5. Saturnus heeft nog een ringvormige maan.

6. De spektraalontleding doet ons zien, dat de bestanddeelen van de zon en van de aarde dezelfde zijn. Dat geldt ook voor alle andere hemellichamen, die licht uitstralen en dus toegankelijk zijn voor spektroskopisch onderzoek. Ook de meteoren, fragmenten van te gronde gegane hemellichamen, bevatten geen bestanddeelen, die niet tevens voorkomen in onze planeet en op de zon.

7. Alle, boven opgenoemde, overgangstoestanden komen nog voor. De spektroskoop maakt het ons mogelijk om gloeiende gassen met zekerheid van vloeistoffen en vaste lichamen te onderscheiden; om in nevelvlekken en in de kern van kometen nog den oer- of nebulairen toestand vast te stellen en te zien.


Nu verwacht ik hier een tegenwerping. Het valt niet te ontkennen, dat veel theorieŽn lichtvaardig op worden gesteld en voor de ware wetenschap even weinig waarde hebben als bijv. taalregels.

Eenige feiten staan vast; men zoekt naar wat zij gemeen hebben en drukt dit uit in een regel, die dan gepromoveerd wordt tot theorie.

Dan worden dezelfde feiten aangevoerd als bewijzen voor de |5| juistheid der theorie. Dit is met recht het paard achter den wagen spannen.

Al kan zulk een theorie eenige beteekenis hebben als „regel”, als werkhypothese, zij mag en kan niet de grondslag zijn voor een wetenschappelijk stelsel; wij mogen op haar geen wereldbeschouwing opbouwen.

Waarom is die tegenwerping hier niet van kracht?

Omdat de meeste boven meegedeelde feiten eerst later, nadat de theorie was opgesteld, Úf van vermoeden zekerheid zijn geworden Úf pas ontdekt zijn.


Hoe het nu verder met onze aarde gegaan kan zijn, daarvan kunnen wij ons een voorstelling maken met behulp der theorie van La Place. Zij dateert van 1796 en is dus 41 jaar jonger dan die van Kant.

Voor haar geldt, wat haar waarde voor de wetenschap aangaat, hetzelfde als voor de andere. Ook zij heeft niet slechts den toets van de, in den aanvang zeer scherpe, kritiek glansrijk doorstaan, maar nog lang daarna zijn nieuwe feiten en waarnemin en haar komen bevestigen.

Zie hier in korte trekken haar hoofdinhoud.

Toen de afkoeling steeds voortging moest het gloeiende gas vloeibaar worden en daarna moest de buitenste laag stollen tot een vaste korst. Nu moest dezelfde wisselwerking van uitwendige drukking en inwendige spanning zich herhalen en herhaalde malen de aanleiding worden tot hevige vulkanische uitbarstingen.

Waren er toen in dat allerverste verleden, op een andere planeet bewoners geweest, die sterrekundige waarnemingen deden, dan zouden zij de ster, die nu onze woonplaats is, de aarde, van wit rood hebben zien worden; daarna zou zij van het uitspansel zijn verdwenen om van tijd tot tijd, met langere of kortere tusschenpoozen, nog weer eens, donkerrood, op te lichten en dan ten slotte onzichtbaar te worden, behalve als de zon haar bescheen op den naar hen toegekeerden kant, als het dan tevens bij hen nacht was.

Nu moest echter die vaste korst voortdurend in dikte en vastheid toenemen, maar ook de spanning in het inwendige. Deze bewerkte dan vooreerst uitstortingen van vloeibare lava, door vulkanen. Die „veiligheidskleppen” zullen het talrijkst zijn |6| geweest op de plaats, waar oorspronkelijk de barsten ontstonden en daarom in rijen moeten staan of straalvormig gerangschikt zijn, op stervormige barsten.

De daarbij aan de oppervlakte der aarde komende lava moet wijd uiteen zijn gevloeid als zij dun vloeibaar was of zich tot koepelvormige bergen op hebben gehoopt als zij meer brijachtig was. Zij moet in onpeilbaar diepe spleten en „gangen” omhoog zijn geperst en in de omringende gesteenten veranderingen tot stand hebben gebracht, die alleen bij zeer hooge temperatuur kunnen ontstaan. Haar samenstelling moet duidelijk den stempel dragen van haar oorsprong; zij kunnen geen spoor van leven bevatten en waar er leven heerschte toen zij ontstonden moet dit blijken uit verkolingsproducten. Komen er uit water gekristalliseerde of in water bezonken mineralen in voor, dan moeten zij die afgebroken en meegevoerd hebben van de wanden van haar „schoorsteenen”.

Eindelijk moeten de randen der barsten op zijn geheven tot gebergten van „oer”gesteente, die de grenzen van de groote vastelanden vaststelden.

Steeds werd nu de temperatuur lager; de inwendige, gloeiende massa werd door zulk een dikken, slechten warmtegeleider omringd, dat het verlies van warmte door uitstraling de ontvangst uit het inwendige vuur ver overtrof. Nu kon er op de aarde vloeibaar water ontstaan. De groote dampwolk, die onze planeet omgaf kon zich gaan verdichten en condenseeren tot vloeistof.

Daarmee begint het tweede, voor ons verreweg het belangrijkste hoofdstuk, van onze geogenesis. Nu is er leven mogelijk geworden en kan de biogenesis een aanvang nemen.

Voor dat ik een beknopte schets geef van den inhoud van dat hoofdstuk laat ik hier eerst weer volgen een korte opsomming en eenige hoofdgegevens, die de geogenetische theorie steunen en dragen.

1. Er zijn sterren, die wit en andere die rood licht geven. Onze zon verkeert nog in het eerste of wel in een overgangstoestand van het eerste tot het tweede stadium. Of zij uit een vaste kern bestaat met een witgloeienden dampkring (ZŲllner), dan wel alleen een witgloeiende damp is (Secchi), daarover heeft de wetenschap haar laatste woord nog niet gesproken.

2. Men kent tegenwoordig sterren, die tijdelijk zijn, nu eens |7| rood oplichten en dan weer verdwijnen; ook verzwakking der lichtsterkte van sterren wordt waargenomen.

3. Het oergesteente, waar het op zeer enkele plaatsen aan den dag komt, is glasachtig, ten bewijze, dat het vloeibaar isgeweest.

4. De hoogste bergketens bevinden zich aan de grenzen van groote vaste landen. Rots- en Andesgebergte, Hymalaya.

5. De meeste vulkanen staan in lange, rechte of gebogen rijen; Westkust van Zuid-Amerika; Sumatra en Java. Later ontstane barsten waren stervormig; zoo een straalvormig gerangschikt stelsel van barsten, waarvan Clermont ongeveer het middelpunt vormt. Door op die scheuren gelegen vulkanen werden bazalten trachietmassa’s omhoog gedreven, die koepelvormige bergen lieten onstaan. Puy de dŰme; Zevengebergte. De scheuren liepen o.a. door den Eifel en het Zevengebergte en Zuidelijk tot in de PyreneeŽn en de Appenijnen, tot in het Fichtelgebergte en Hongarije. Als zoovele getuigen van deze geweldige uitbarstingen in het tertiaire tijdperk zien wij daar de bazalt „koppen” aan den Rijn, de „mooren” van den Eifel, den Tatra en den Matra, als reusachtige wachten over de groote Hongaarsche laagvlakte.

6. Op tallooze plaatsen steken harde, haast onverweerbare granietrotsen uit boven het om hen heen weggevreten, geŽrodeerde, makkelijker verweerbare gesteente. Het zijn de uiteinden van tot op groote diepte vervolgbare „gangen”. In hun omgeving zijn de, uit water bezonken, gesteenten gewijzigd of gemethamorphoseerd; door de hitte, is krijt bijv. veranderd in marmer.

Dit graniet is weer veel ouder dan bazalt en trachiet.

7. Hoe dieper wij in den grond dringen, des te hooger wordt de warmtegraad. Alleen de aller uiterste lagen hebben hun oorspronkelijke „eigen” warmte verloren. Gemiddeld neemt de temperatuur voor elke 33 M. dat wij dieper doordringen 1º C. toe. Te Paruschowitz in Silezie bestaat het diepste gat, dat tot heden is geboord, 2002 M. Op den bodem daarvan steeg de thermometer tot 69.3º C. of ruim 157º Fahrenheit. Dit is niet bizonder heet, maar de middellijn der aarde is niet minder dan 12.754000 M. lang en tegenover een afstand van meer dan 6 millioen M. tot het middelpunt van de aarde is 2000 M. nog maar zeer weinig.

8. Het soortelijk gewicht van onze aarde is ruim 5.5; de gesteenten, waaruit het ons bekende gedeelte van onze planeet |8| bestaat, hebben een soortelijk gewicht van niet meer dan gemiddeld 2.7. „Hieruit volgt, dat het soortelijk gewicht van het inwendige der aarde veel grooter moet zijn dan 5.6 en dit wijst op een oorspronkelijk vloeibaren toestand van den aardbol”. „Uit de toename der dichtheid van de aarde naar het middelpunt toe en ook uit het feit, dat op haar neervallende brokstukken van wereldlichamen of meteorieten, geheel of gedeeltelijk uit nikkelhoudend ijzer bestaan, laat zich het besluit trekken, dat ook het inwendige van de aarde uit zware metalen, in hoofdzaak ijzer, moet bestaan. Daarop schijnen ook de groote 25000 K.G. zware klompen gedegen ijzer te wijzen, die NordenskjŲld bij Ovifak, aan de Westkust van Groenland, heeft gevonden en die met bazalt uit het inwendige der aarde omhoog zijn gebracht”. (Credner).


Toen de temperatuur zoover was gedaald, dat er vloeibaar water kon ontstaan, bedekte dit, als oerzee, bijna de geheele oppervlakte van de aarde. Slechts hier en daar was land, reeksen van hooge bergen, voor het meerendeel vulkanen, gevormd door de eerste groote barsten, waarvan boven sprake was. Nu begint dit water ook zijn werk. Op die bergen vormen zich beken en rivieren, met watervallen en stroomversnellingen. Hun wateren schuren en spoelen zich beddingen uit, zij breken de gesteenten af en nemen den afval mee, om dien bij hun mondingen te laten bezinken. Hier lossen zij bestanddeelen op, om die ginds, na verdamping, weer af te zetten of om met hulp daarvan weer andere bestanddeelen op te lossen en om te zetten. Kortom het water ging weer afbreken, wat door de eerste werking van het inwendig vuur was opgebouwd, maar om van de afbraak op andere plaatsen weer den grondslag te leggen van nieuw land.

Naast en op de oergesteenten van vulkanischen oorsprong, de eruptiefgesteenten, ontstaan nu door het water afgezette neptunische, bezinkings- of sedimentaire lagen.

Hun geboortebewijs vinden wij in hun bouw en samenstelling, hun ligging, maar vooral in de daarin opgesloten overblijfselsvan levende wezens, in de versteeningen, fossielen of petrefakten.

Onze planeet was nu betrekkelijk tot rust gekomen, al hield de inwerking van het geweldig heete en in ontzaglijke spanning verkeerende inwendige vuur op de vaste korst niet op. Zij is nog waar te nemen in de uiterst langzame, daarom seculaire, rijzingen |9| en dalingen van land en zee. Nu het water overal zijn onmiskenbare sporen heeft achtergelaten en waar ook in veel latere tijdperken die bedoelde werking, zoo te zeggen onder onze oogen, nog plaats had en heeft, daar heeft het ons als het ware historische aanteekeningen gemaakt en vermaakt. Als in een boek, wel fragmentair en in een niet altijd gemakkelijk te ontcijferen taal geschreven, kunnen wij daarin zien, hoe het vroeger gesteld was met de levende bewoners van onze planeet en hoe de tegenwoordig haar bevolkende planten en dieren zijn ontstaan.

De mij gestelde grenzen laten niet toe, dat ik hier een overzicht geef van de biogenesis, het belangrijkste onderdeel der kosmogenesis.

Voor ieder, die hierin belangstelt, is een overvloed van litteratuur beschikbaar. Hij zal daarin groot verschil van inzichten aantreffen in de bijzaken. Dat kan niet anders, want wetenschap brengt strijd.

In hoofdzaak is er geen, ook niet de geringste twijfel, of de nu levende organismen, geen enkele, ook de mensch niet uitgezonderd, hebben zich ontwikkeld uit lagere wezens.

In drie zuiver evenwijdige reeksen kunnen wij alle levende wezens rangschikken. 1º. De levende wezens van de oudste versteeningen af tot op onzen tijd. 2º. De thans levende planten en dieren van de laagste, eencellige oervormen tot aan de zoogdieren. 3º. De vormen, die elk levend wezen achtereenvolgens doorloopt van het ťťncellig ei af, tot aan den volwassen staat. Die evenwijdigheid, dat parallelisme is een bewijs van de evolutie, zoo vast en zeker als voor ons menschen een bewijs kan zijn.

De laatste bevoegde bestrijders van de evolutieleer of beter gezegd van haar beteekenis voor de wereldbeschouwing, het tallooze heir van niet deskundige onbevoegden kunnen wij zwijgend voorbijgaan, waren de Zwitsersche Amerikaan L. Agassiz en o.a. de Iersche bisschop Berkeley. De eerste was een uiterst wetenschappelijk palaeontoloog en bioloog, de laatste was wel is waar van huis uit theoloog, maar zijn geschriften (o.a. de „samenspraak tusschen Hylas en Philinous” en „Iris”) zijn zoo helder en getuigen van zooveel nadenken en zoeken naar waarheid, dat ook de aanhanger der evolutieleer, en dat zijn alle biologen, ze met genot lezen en er veel uit leeren zal 1). |10|

Agassiz’s „Essay on classification” zag het licht in 1857, als het laatste eener reeks van boeken over „Natural theology” en ook in: Contributions to the natural history of the United States. Darwin’s boek over „the origin of species” verscheen in 1859 en dit werk „kwam, zag en overwon”, na kortstondigen algemeenen tegenstand.

Waarom?

Agassiz ging deductief te werk. De heele natuur is, volgens hem, door God gemaakt en zij moet dus goed d.w.z. doelmatig zijn. Het „doel” van de schepping is den mensch beter en wijzer te maken; hem te wijzen op zijn nietigheid, maar ook hem te stichten en zijn geest heilzaam en nuttig bezig te houden en te veredelen.

Daarom is de natuur een harmonisch geheel en alles wat wij opmerken bij levende wezens is doelmatig.

Iets doelmatigs nu moet een maker hebben, die zich bewust was van dat doel.

Voor ik mijn oordeel over de hieruit sprekende teleologische en anthropocentrische opvatting rechtvaardig, moet ik spreken over het laatste punt, de doelmatigheid der inrichtingen en handelingen van planten en dieren. Ook in de evolutieleer speelt dit begrip een groote rol, maar in een anderen zin.

Bij de teleologen ligt daarin opgesloten de voorstelling van een denkende, scheppende kracht. De vogel is met vleugels geschapen omdat hij moet vliegen. Voor den bioloog heeft devogel vleugels om en tengevolge daarvan dat hij vliegt. Hadden de kruipende dieren, waaruit zich de vogels hebben ontwikkeld, niet het vermogen verworven om te vliegen en had dat vermogen zich niet steeds meer en volmaakter ontwikkeld tot den toestand, waarin wij het nu aantreffen, dan zouden zij, als legioenen van hun broeders, uit zijn gestorven.

Dit heet dan aanpassing of adaptatie. Er worden oneindig veel |11| meer organismen geboren dan er kunnen bestaan. Daardoor ontbrandt een strijd op leven en dood, een mededinging of competitie, die het te gronde gaan van de groote meerderheid tot onvermijdelijk gevolg heeft. Welke individuen zullen nu den strijd bestaan? Natuurlijk alleen zij, die het sterkst en het vlugst zijn, die het beste instinkt hebben en de grootste behendigheid en vlugheid in het gebruik daarvan. Ook zij, die het best de uitwendige ongunstige of gevaarlijke levensomstandigheden kunnen verdragen en weerstaan, die van gunstige het meeste voordeel weten te trekken.

Twee wetten of, als men liever wil, verschijnselen, bepalen nu de geschiktheid om uitgekozen te worden tot voortzetters en instandbouders van een soort: erfelijkheid en veranderlijkheid.

Geen twee dieren of planten, ja geen twee bladeren aan een boom zijn volkomen aan elkander gelijk. Toch hebben alle dieren van een soort, alle soorten van een geslacht, alle geslachten van een familie enz. genoeg punten van overeenkomst, een vast gemiddelde en gemeenschappelijke kenmerken, om de vaststelling van zulke groepen te rechtvaardigen. Dit doet de erfelijkheid.

Zoolang de overgeŽrfde eigenschappen passen bij de levensomstandigheden zullen zij haar bezitter handhaven in de natuur. Komt een wijziging tegelijk met een verandering in de uitwendige omstandigheden, dan kan het gebeuren, dat de gewijzigde vorm, de mutatie, betere levenskansen heeft dan de vorm, waarvan zij afstamt. Zulke wijzigingen hebben en hadden er onophoudelijk plaats in de natuur, in klimaat, in de verdeeling van land en water. De top van den Montblanc was eens onder de zee, Middel-Europa had ooit een tropische flora en fauna en was daarna met ijs bedekt! Zoo volgden dan ook dieren- en plantenwerelden elkander op, in oneindige verscheidenheid. Natuurlijke teeltkeus werkte als een zeef, zij behield wat bruikbaar, liet door en te gronde gaan, wat niet voldoende aangepast was.

Darwin gaf, toen hij deze voorstelling staafde met een buitengewoon aantal feiten in eens en voor het eerst een natuurlijke verklaring van wat zich vůůr hem, ook bij Agassiz, alleen langs bovennatuurlijken weg liet begrijpen. Vandaar het ongehoorde succes van zijn beginselen.

Natuurlijk onstond er en heerscht er nog strijd over de bizonderheden van deze evolutie-theorie. Dat is juist een teeken van |12| innerlijke kracht en gezondheid, want het hoofdbeginsel blijft onwrikbaar en onbestreden.

Zoo is het met de aanpassingstheorie tegenwoordig slecht gesteld. Maar sedert onze beroemde landgenoot Hugo de Vries de mutatietheorie schiep, kan de evolutietheorie haar missen, terwijl de scheppings-theorie er mee staat of valt.

De natuur is niet harmonisch, niet doelmatig, niet redelijk en zij predikt geen liefde. Moet dat nog met feiten worden aangetoond, waar alle leven berust op moord en doodslag? Waar millioenen te gronde moeten gaan om aan ťťn het bestaan mogelijk te maken?

Zal een aanhanger van Agassiz willen beweren, dat niett ienmaal meer schepsels uit zijn gestorven, dan er nu leven? Die waren dan toch niet „goed”, niet harmonisch, niet de uiting der hoogste wijsheid; anders waren zij er immers nog! Langzaam of plotseling (de kataklysmen van Agassiz) werden bestaande scheppingen vernield en door nieuwe vervangen. De Schepper moet dan in hebben gezien, dat zijn werk niet deugde en door een beter moest worden vervangen. Mij, ongeloovige, lijkt dit profaan!

Maar er is meer! Veel in de levende natuur is hoogst ondoelmatig en de evolutionisten hebben op dit gebied evenveel, wellicht nog meer, gezondigd dan de aanhangers der scheppingstheorie. Veel te veel heeft men, bij het verklaren van vormen en levensuitingen, aan de verbeeldingskracht den vrijen teugel gelaten. Het zou niet moeielijk zijn dit met tallooze feiten te bewijzen. Wegens de beperkte ruimte geef ik er slechts enkele: Tot wat nut, welke aanpassing kunnen schitterend gouden kleuren zijn binnen in de lichaamsholte van visschen en kikvorschen? Zij komen nooit te zien evenmin als de prachtige kleuren binnen in de schelp van veel slakken.

Bij veel spinnen wordt het mannetje, als het niet buitengewoon listig en behendig zijn vaderplichten vervult, door het wijfje opgegeten! Dit is niet alleen niet nuttig voor het individu, maar het voortbestaan der soort wordt er door in gevaar gebracht. Is dit leerzaam, nuttig en stichtelijk voor „Gods evenbeeld?”

Wat hebben wij aan ons wormvormig aanhangsel, wat hebben de in holen levende dieren aan rudimentaire oogen, de glimwormlarven aan lichtgevende organen, wat veel bacteriŽn aan hun vermogen om licht te geven? Wat heeft een paddestoel aan heldere |13| kleuren? Wat nut heeft het voor ons, dat wij oud en gebrekkig worden, dat ons haar wit wordt en onze zintuigen verzwakken?

Klauwen en tanden hebben nut voor den leeuw, maar zijn slachtoffers? Bewonderenswaardig is de vliegkunst, de scherpe blik van de zwaluwen, maar zijn niet ook de duizende insekten, voor wie dat noodlottig is „goede schepselen Gods?”

Ik zal zoo niet doorgaan.

Voor de evolutieleer van Darwin, met haar hoofdagens, de natuurlijke teeltkeus, was dit ook een bezwaar. De mutatie-theorie steunt op het waargenomen feit, dat zich naast de bovengenoemde, nooit ontbrekende verschillen of variaties, ook plotselinge, over alle kenmerken uitstrekkende, veel grootere wijzigingen zich voor kunnen doen en dat die wijzigingen of mutaties erfelijk kunnen zijn. Zijn zij nuttig voor het individu, geven zij dit een voordeel boven zijn stamouders, dan zal het den grond leggen voor een nieuwe soort, met behulp van teeltkeus en door den strijd om het bestaan. Maar ook geheel nuttelooze, ja in geringen graad schadelijke kenmerken kunnen zoo ontstaan, en zelfs worden gehandhaafd, zoolang zij maar het voortbestaan van zijn bezitter niet onmogelijk maken of hem beletten om genoeg nakomelingen te krijgen. Dit hangt grootendeels af van uitwendige omstandigheden.


In de eerste oerzee moet een bizonder weelderige planktonflora en -fauna hebben bestaan. Hoe is de eerste levende cel ontstaan? Op deze hoofdvraag geeft de wetenschap nog geen beslist antwoord. Van 1828 af, toen WŲhler ureum maakte in zijn laboratorium, tot op heden nu Emil Fischer mooi op weg schijnt te zijn om orgaaneiwit uit zijn bestanddeelen te bereiden, hebben de bewijzen zich opgehoopt, dat bij het ontstaan van de bestanddeelen en voortbrengselen der levende wezens geen andere scheikundige wetten heerschen dan in de doode natuur. Dat nog nooit een levende cel onder den invloed dier wetten onder onze oogen is ontstaan bewijst niet, dat het nooit gebeurd is en evenmin dat het niet nog gebeurt. Toch laat de wetenschap hier nog een vraagteeken staan. Zij gaat niet over ťťn nacht ijs en een wijsgeerig postulaat is voor haar nog geen feit.

„De intellectueele deugd, die het zwaarst te beoefenen valt, is wijsgeerige twijfel en het geestelijk kwaad, waarmee wij het sterkst zijn behept is onze neiging om te gelooven, dat het ontbreken |14| van het bewijs voor een meening een reden is om wat anders te gelooven. Deze neiging heeft reden van bestaan in dingen van de praktijk, die tot handelen roepen, maar de man van de wetenschap staat niet voor de keus om gebrek te lijden of te beslissen. Het opschorten van een oordeel is de hoogste triomf van geestelijke tucht en, waar aarzelen den man van zaken met zwakheid slaat, daar heeft, op geestelijk gebied, geen opinie waarde als zij niet rekening houdt met alle mogelijkheden” (Brooks).


Kort samengevat komt de bovenstaande, toch reeds beknopte en daarom vrees ik wat oppervlakkige schets hierop neer: De stof en de van haar onafscheidelijke kracht zijn eeuwig, de ruimte is onbegrensd, de tijd is zonder begin of einde. Wat wij zien, de vormen der stof en de verschijnselen, zijn bepaalde toestanden en veranderingen.

Door een, vooralsnog onbekende, oorzaak vormden en vormen zich in den chaos zonder licht en warmte punten met grootere dichtheid. Door de algemeene zwaartekracht ontstonden en ontstaan bolvormige nevelvlekken, die in dezelfde richting om hun as draaien, tengevolge van uitstraling van warmte zich samentrekken, in haar kern steeds warmer worden, dan door de middelpuntvlieding stukken wegslingeren, die er om heen blijven draaien en dezelfde veranderingen ondergaan.

Zoo ontstaan centrale zonnen met haar planeten. Door een dergelijk proces kunnen de planeten manen krijgen.

Zoo zonderden ook ons zonnestelsel, onze zon en onze aarde zich af. De laatste kreeg, bij voortgaande afkoeling, eerst een vloeibare buitenlaag, dan een vaste korst. Toen werd de waterdamp, die haar als zware dampkring omhulde, vloeibaar, nadat geweldige uitbarstingen der inwendige spanning de hoofdgrenzen de groote vastelanden had doen ontstaan.

In het water van die oerzee ontstond leven. Hoe, dat is onbekend, maar er bestaat vooralsnog voor de wetenschap geen enkele reden om aan te nemen, dat de oorzaak een andere zou zijnen volgens andere wetten zou moeten werken dan die, waarop alle chemische en psysische verschijnsels, die wij nu waarnemen, berusten.

Dit leven, van het oerplankton in de oerzee, was toen, wat de vormen aangaat waarin het ons verschijnt, als nu onderworpen aan de wetten en de uitkomst van de werking van erfelijkheid en |15| veranderljkheid. De veranderlijkheid deed en doet zich voor in twee vormen: variabiliteit en mutabiliteit. De eerste doet tijdelijke, de tweede vaste, erfelijke wijzigingen ontstaan. De nieuwe vormen, mutaties, blijven naast of ten koste van de ouderlijke vormen bestaan, als er plaats, voedsel en kans om zich te handhaven voor hen is. Die, waarmee dat niet zoo is, gaan weer te gronde, evenals de ouderlijke vormen, die het niet meer met de steeds zich wijzigende levensomstandigheden kunnen vinden.

Deze evolutie wordt geregeld door de natuurlijke teeltkeus, die niet nieuwe vormen doet ontstaan (Darwin), maar het al of niet voortbestaan van nieuwe vormen beslist (de Vries).

Dit alles wordt tot stand gebracht door het verschijnsel, dat er steeds en overal meer leven ontstaat dan er kan bestaan. Zoo komt er een mededinging, een strijd om het bestaan, waaruit betrekkelijk weinige als overwinnaars te voorschijn komen. Dit zijn niet altijd en niet uitsluitend de meest geschikte, want ook andere momenten kunnen in dien strijd beslissen. Daarom is lang niet alles in de levende natuur doelmatig. Daarom moeten wij breken met het beginsel van doelmatigheid of teleologie, niet slechts in dezen zin dat alles er is ten profijte van den mensch (scheppingstheorie) maar ook zoo dat alles wat een levend organisme ons vertoont nuttig is voor hem (teeltkeustheorie).

Zoo zijn de „hoogere” levende wezens uit „lagere” ontstaan en nog steeds wordt deze stamontwikkeling of phylogenie weerspiegeld in de persoonsontwikkeling of ontogenie. Elke plant, elk dier, de mensch niet uitgezonderd, begint zijn bestaan als cel, een weinig levend protoplasma. In die cel, zij moge dan een toekomstig wijsgeer of kunstenaar of geleerde zijn, is niets anders te vinden dan in die, welke het heele lijf vormt van de volwassen, laagste dieren. In deze treffen wij alles aan wat de grondslag uitmaakt van alle leven. Zij eet en verteert haar voedsel, zij haalt adem en kan zich vermenigvuldigen, zij is gevoelig voor prikkels en kan met doelmatige bewegingen en werkingen op die prikkels antwoorden. Steeds stelt nu de, sterker wordende, mededinging hoogere eischen aan de wezens, die zullen overwinnen. Mutaties, door niet bekende, aan de levende cel inherente, oorzaken scheppen de mogelijkheid om door arbeidsdeeling aan die eischen te voldoen.

In zooverre, maar ook alleen in dit opzicht sluit het begrip evolutie dat van vooruitgang in. Elk organisme, met meer, door arbeidsdeeling |16| ontstane organen toegerust, staat hooger en kan beter in zijn levensbehoeften voorzien.

Nu is een controverse als die, waarvoor ik hier het pro geef, al van te voren met onvruchtbaarheid geslagen, omdat mij de bewijsvoering in het contra niet bekend is. Daar komt in dit geval nog bij, dat elkander verstaan van de wetenschappelijke en de kerkelijk geloovige partijen reeds a priori uitgesloten is. Ten eerste omdat de eene berust op feiten en zuivere redeneering en inductief te werk gaat, terwijl de andere van een zuiver persoonlijk gevoelsstandpunt uitgaat en deductief redeneert, berust op een „geloof”, dat vast staat en zelfs buiten debat moet blijven.

Ik neem aan dat mijn hooggeachte tegenstander hier zich niet plaatst op een elders door hem ingenomen standpunt, waar hij van de wetenschappelijke zoekers naar waarheid zegt:

„Zij verwerpen niet alleen het Woord Gods en kunnen daarom geen Wijsheid hebben. Maar zij dooven ook het licht der rede, zeggende in hun hart: daar is geen God; en zijn verduisterd in hun verstand en verijdeld in de overleggingen van hun hart”.

Over deze „tirade” en haar bedoeling, over haar voor mij haast onverstaanbare rationeele beteekenis treed ik niet eens in discussie, en mocht dit ook hier het uitgangspunt van het contra zijn, dan is ieder betoog absoluut nutteloos en onvruchtbaar.

Maar, il y a des accomodements, ook voor de kerkelijk rechtgeloovigen.

Men veroorlove mij hier een paar historische herinneringen.

Den 22sten Juni 1633 sprak het „heilige officie” te Rome vonnis in een geding, aanhangig gemaakt door Paus Urbanus VIII tegen GalileÔ, die een boek uit had gegeven over de stelsels van Copernicus en Ptolemaeus en daarin de juistheid van het eerste aantoonde. Een commissie van kardinalen had dit werk zorgvuldig onderzocht. Het vonnis luidde: dat de schrijver knielende zijn denkbeelden af moest zweren; dat hij moest verklaren, dat zij valsch, ongerijmd, kettersch en in strijd met de heilige openbaring Gods waren en moest beloven, dat hij nooit weer iets zou schrijven over dat onderwerp.

In 1905 werd in het Jezuietencollege te Weenen een kostbare installatie gemaakt voor het doen der bekende Slingerproef van Foucault, waardoor de aswenteling van de aarde wordt bewezen!

Vele mijner lezers zullen zich den storm van verontwaardiging |17| herinneren, die er opstak toen Darwin’s afstammingstheorie bekend werd; hij steekt nog steeds nu en dan weer op.

Kort na Darwin’s dood verklaarden de, toch niet van heterodoxie te verdenken, bisschoppen der Anglikaansche kerk, dat de afstammingsleer niet in strijd was met den geopenbaarden godsdienst en dat Darwin een braaf en godvruchtig mensch was geweest.

De bekende mierenkenner Pater Wassmann acht zich een gehoorzame zoon der kerk. Hij „hat sich zu GŁnsten der Entwickelungslehre als naturwissenschaftlicher Hypothese und Theorie ausgesprochen und (ist) fŁr den neueren biologischen Unterricht (d.w.z. voor het leeren dezer theorie op de scholen) eingetreten”. 2)

Als ik nu mag veronderstellen dat in het contra van dit gezichtspunt wordt uitgegaan, dan komen wij op een terrein, dat voor discussie toegankelijk is. Gemakshalve ga ik dan uit van een uiting van denzelfden pater: „Ik geloof niet dat er tegenwoordig nog iemand is, die gelooft aan een zon, die draait om de aarde. 3) Meent men nu echter ook. dat het achterlijk is om te gelooven aan „een begin van de wereld („an einen Anfang der Welt”) dan verwisselt men het monistische Dogma met de theorieŽn der natuurwetenschap, die ons niets kunnen leeren (aussagen) van het eerste ontstaan der dingen, want deze vraag ligt buiten het gebied der natuurwetenschap”. Aan het slot komt dan, wel wat naief, de raad om „alle konflikten tusschen (den leeraar in de) natuurwetenschap en (dien in de) godsdienst te vermijden, doordat ieder op eigen terrein blijve”.

Ik noem dat naief, omdat het onmiddellijk volgt op een zoo willekeurige beperking van dat terrein, die mij doet denken aan de Genestets:

„Zoo is ’t goed, dat nu geen leek,
Verder mee of tegenspreek!”

en aan zijn:

„Kritiek mag alles onderzoeken,
— — — — — — — —
Alleenig maar ’t kritiekste niet”.

Onze eerwaarde tegenstanders geven heel veel toe maar „dan ook zoet en gehoorzaam zijn en zich niet bemoeien met wat gij, wetenschap, toch niet kunt begrijpen”. |18|

Men gaat dan de gesmade rede toch gebruiken. Tijd en ruimte hadden een begin en een aanvang. Eeuwige tijd en oneindige ruimte kan niemand zich voorstellen. Wel een tijd die begon met een tijd, dus toen er nog geen tijd was? Wel een begrensde ruimte, in de ruimte waaromheen geen ruimte was? Zeker, oneindigheid valt buiten ons voorstellingsvermogen, maar kan iemand het tegenovergestelde bevatten? Nu zegt men „in den beginne was het woord, logos”. Dat verklaart alles. Dat woord werd materie, werd natuur met haar wetten en haar (niet bestaande) harmonie, werd menschenbewustzijn en menschenziel.

Ik herinner me uit mijn jongenstijd een gesprek met een eenvoudigen Veluwschen boer: „Hoe kan Jezus den mensch tot voorbeeld worden gesteld als hij werkelijk God was”? „Wel”, luidde het antwoord, „dat is heel eenvoudig; je neemt de twee naturen en je bent klaar”. Verbluft moest ik zwijgen.

Is die andere, boven aangehaalde verklaring (?) of oplossing van het wereldraadsel voor een denkend mensch eigenlijk wel minder naief; meer logisch? Men zal mij tegenvoeren, dat ik door zoo te spreken, bewijs dat ik er niets van begrijp. Ik wil dat graag toegeven, maar dan ligt dat aan de zaak, niet aan mijn vermogen om logisch te denken en evenmin aan mijn goeden wil om mij in te denken in de aan die uitspraak ten gronde liggende wereld van voorstellingen. Niet eens, maar telkens en telkens meer heb ik de philosophische, vaak sophistische betoogen en redeneeringen om logika te brengen in die theorie van den logos trachten te doorgronden, maar nog nooit is mij dat gelukt.

Daarbij komt meestal op den voorgrond een argument, dat ook bij bestrijders der monistische wereldbeschouwing, die ook onder de beoefenaars der wetenschap talrijk zijn, 4) een groote rol speelt. Het is dit: dat deze wereldbeschouwing ons gemoed, ons ethisch voelen en denken niet kan bevredigen.

Eilieve, kan dat dan ook wel een ernstig gewicht in de schaal leggend argument zijn? Moet een theorie, uit waarneembare feiten afgeleid, inductief opgebouwd, met geen enkel waarneembaar verschijnsel in strijd, vallen, omdat haar uitkomst en haar conclusies het gemoed van A of B niet bevredigen? Dat is nog eens een uiting van de echte, ouderwetsche teleologie! |19|

Bewijs mij, zegt men, dat ook uw bewustzijn, uw ziel langs mechanischen weg ontstaat. Dat kan ik niet bewijzen. Maar zoo lang er met de veronderstelling dat dit zoo is geen enkel feit strijdt (want een geloof is geen feit maar een meening) en zoolang de gronden, waarop de veronderstelling rust, volkomen passen bij en afgeleid kunnen worden uit andere feiten, waaraan niemand twijfelt, zoolang mag ik mij daaraan houden, mag ik zeer zeker niet een geheel wetenschappelijk stelsel alleen daarom voor ongegrond verklaren. Ik mag dat het allerminst omdat een veronderstelling iemands gemoed niet bevredigt. Omdat het in botsing komt met het gevoel, dat de een of ander heeft van de „hoogheid” zijner ziel.

Mij „bevredigt” zij ook niet. Ieder verstandig, zedelijk denkend mensch ziet pijnlijke raadsels om zich heen. Hij kan gelooven met mij, dat waarnemen en denken eenmaal de zeven sloten, waarachter het „levensraadsel” verborgen is en die het voor ons ontoegankelijk maken, zullen ontsluiten. Meer dan een gelooven is dat echter niet; het mag nooit de grondslag zijn van een wetenschappelijke opvatting en dus nog veel minder een argument zijn om zulk een opvatting, buiten haar andere gronden om, te veroordeelen, tot een dwaling te stempelen. Men versta mij wel. CeterÔs paribus kan, als bijkomstig argument, het feit, dat een theorie niet slechts ons verstand maar ook ons gemoed en ons gevoel bevredigt gewicht in de schaal leggen, beslissend, afdoend ook tegen gegronde andere argumenten in kan het nooit zijn.

Men houde zich aan den boven aangehaalden raad van Wassmann, maar dan eerlijk en zonder elkander voor te schrijven wat tot ieders gebied behoort. Elk geloof moet een wereldbeschouwing zijn; zijn gebied omvat alles. Maar het laat zich niet voorschrijven of opdringen. Het is er „ondanks alles wat twijfel wekt”. Het verliest zijn waarde, verzwakt zich als het steun gaat zoeken bij de „rede”. Dan spreekt het zijn eigen oordeel. Treedt het in het strijdperk van wetenschap of politiek, dan bezoedelt het zich zelf met stof en bloed. Het moet daarbuiten, daarboven blijven. Is het werkelijk dat, waarvoor zijn dragers het houden, heeft het „de waarheid”, welnu wat kan hem dan het rusteloos zoeken der wetenschap, „van een verdwaalde zuster”, deeren?

Zoo blijven zijn bekenners vrij in hun denken en verzekerd van den eerbied, ook van hun tegenstanders. Deze kunnen zich door |20| hen laten beklagen, maar eischen dezelfde vrijheid en denzelfden eerbied voor zich en hun meening.

Hun „non possumus” eerbiedigen zij; maar bij hun „non licet” leggen zij zich nooit neer.


Haarlem, Juni 1906.

P.G. Buekers. |21|




1. Men verwarre niet evolutieleer met Darwinisme. De buiten de wetenschap staande en, uit den aard van hun standpunt laag op die wetenschap |10| neerziende bestrijders van de ontwikkelingsleer, versmaden toch de hulp van die wetenschap niet. Waar zij er kans toe zien, wordt een beroep gedaan op: o. a. Fleischmann, Bunge, Rindfleisch, Driesch, Ostwald, Reinke, Pictet, enz. Maar, geschiedt het uit onkunde of met voorbedachten rade (ik geloof het eerste)? De meeste der aangehaalde natuurkundigen en biologen denken er niet aan om de evolutie van het organisch leven te ontkennen. Zij maken slechts aanmerkingen op onderdeelen van het „hoe” of bestrijden in hun oog te ver gaande of te haastige conclusies.

2. Zie: „Natur und Schule” van 15 October 1906, blz. 509.

3. Is dit dan niet een „geopenbaarde” waarheid?

4. De geloovige noemt hen inconsequent. Terecht?




Contra

Het begrip, dat met het woord evolutie zich verbindt, is zoo onvast en veranderlijk, dat eene duidelijke omschrijving van wat er onder verstaan wordt, aan het positie nemen pro of contra dient vooraf te gaan.

Het woord komt reeds in het klassieke Latijn voor, maar had toen eene andere beteekenis dan die er tegenwoordig aan gehecht wordt. Het werkwoord evolvere, waarvan het afgeleid is, beteekent in de eerste plaats: iets dat van binnen en verborgen is naar buiten wentelen, en wordt daarom gebezigd bijv. van ingewanden, die ter aarde worden uitgestort. Voorts krijgt het den zin van uiteenrollen, uiteenslaan, openslaan en wordt dan gebruikt van een kleed, dat uiteengerold, of van eene boekrol, die opengeslagen wordt. En verder neemt het de beteekenis aan van een ordelijk en geleidelijk behandelen van een onderwerp, dat in rede of geschrift ontvouwd moet worden. Vandaar komt evolutio bij Cicero voor in den zin van het naslaan en lezen van een boek, en had het voorts ook de beteekenis van eene geregelde behandeling van een onderwerp. De woorden evolvere en evolutio werden dus oorspronkelijk gebezigd in methodologischen zin, en behielden die beteekenis zeer langen tijd. Eerst in de achttiende eeuw komt, vooral door Leibniz, het gebruik op, om het Latijnsche evolutio, het Fransche dťveloppement, en het Duitsche en Nederlandsche woord ontwikkeling op het reŽele worden, op het worden der dingen in de natuur, toe te passen.

Veel ouder dan het woord, is de gedachte, die tegenwoordig in deze benamingen wordt uitgedrukt. Wel stond, naar de opmerking van Eucken, in de oudheid het begrip van het zijn op den voorgrond; en de Eleatische school dreef dit begrip zůů op de spits, dat alle veelheid en beweging in schijn werden opgelost. |22| Maar daartegenover maakte Heraclitus zich aan eene zelfde overdrijving schuldig, als hij alle zijn ontkende en de bijzondere dingen niet alleen, doch ook het wereldgeheel aan eene eeuwige verandering onderwierp; er is volgens dezen wijsgeer geen zijn, er is alleen worden; het worden alleen, het geschieden, de beweging is God. De wijsbegeerte, die op deze richtingen gevolgd is, heeft zich voortdurend gekenmerkt door het streven, om beide uitersten te vermijden en om zijn en worden, eenheid en veelheid, rust en beweging, het absolute en het relatieve zoo goed mogelijk met elkander te vereenigen. Daarmede hielden zich niet alleen Empedocles, Anaxagoras, de Atomisten, maar ook Plato en Aristoteles bezig. En van laatstgenoemden wijsgeer kan met recht gezegd worden, dat hij de eerste is geweest, die een „systeem der ontwikkeling” gaf.

Aristoteles toch vatte het zijnde op als het in de verschijnselen zich ontwikkelende wezen. Het waarachtig zijnde bestaat niet afgezonderd boven en buiten, doch het is in de dingen; echter is het daarin niet terstond en van den aanvang af ten volle aanwezig, maar het realiseert zich langzamerhand in de dingen in een vorm van een proces. Alle worden (geschieden, bewegen) bestaat in het overgaan uit de potentie in de actualiteit. Aristoteles verklaart het geschieden dus niet, als de Atomisten, uit een mechanischen druk of stoot, maar hij ontleent zijn begrip van ontwikkeling aan het organische leven; het worden is bij hem eene actualiseering, eene verwerkelijking van wat potentiŽel, in kiem, van den aanvang af in de verschijnselen aanwezig is; hij verklaart het worden uit het zijn; de genesis is er bij hem terwille van de ousia. Daarmede wint Aristoteles nu ook dit groote voordeel boven de Atomisten, dat het worden bij hem niet geheel en al van buiten af, door toevallige omstandigheden, wordt bepaald, maar dat het van den aanvang af in eene bepaalde richting geleid wordt. De aard, de natuur, het wezen, de idee van een ding wijst den weg aan, in welken de ontwikkeling plaats hebben zal. Omdat de evolutie organisch wordt gedacht, is zij ook door en door teleologisch. En wijl Aristoteles deze idee van ontwikkeling niet slechts op bijzondere dingen, maar ook op het wereldgeheel toepast, ontdekt hij orde en plan, gang en opklimming in de wereld der schepselen. Het hoogere onderstelt altijd het lagere en is daarop gebouwd, maar het is er nooit een |23| louter product van, het is op zijne beurt weer iets zelfstandigs en gaat er boven uit. Evolutie draagt een organisch en teleologisch, maar daarom ook een progressief karakter.

Dit begrip van ontwikkeling werd door het Christendom niet vervangen of bestreden, maar overgenomen en verrijkt. Vooral in twee opzichten heeft de Christelijke wereldbeschouwing aan het begrip der ontwikkeling winst gebracht. Ten eerste door de leer van de creatie. Aristoteles wist in zijn systeem geen weg met de stof. Evenals Plato en de meeste Grieksche wijsgeeren bleef hij dualist; geest en stof, het goddelijke en het lichamelijke stonden van eeuwigheid naast elkaar. De stof was van huis uit en bleef ten einde toe eene weerbarstige massa, een irrationeele rest, van welke niet in te zien was, hoe zij deel kon krijgen aan de idee. Maar het Christendom leerde, dat ook de stof uit en door het woord was ontstaan en dus in goddelijke gedachte rustte. Hier werd dus duidelijk, hoe de wereld deel kon hebben aan de idee; zij had er niet slechts gemeenschap mede, maar zij was er uit voortgekomen, zij was belichaming van gedachte; aan alle dingen ligt „Vernunft” ten grondslag. De natuur is geen donkere, daemonische massa, maar vleesch geworden woord, oneindig diep van inhoud en toch klaar tot op den bodem. Toch verviel het Christendom daarmede niet in de dwaling van Hegel, om al het werkelijke redelijk te noemen; het hield een oog voor al het disharmonische, dat in deze wereld aanwezig is, maar het vatte dit op als eene tijdelijke, occasioneele deformitas en verklaarde het, niet uit het wezen der dingen, uit de materia, doch uit de anomalie, uit de anomia der dingen, niet physisch dus, maar ethisch. Het Christendom heeft geen dualistische scheiding gebracht, maar toch een onuitwischbaar onderscheid gemaakt tusschen het physisch en het ethisch proces, en daardoor het begrip en het systeem der ontwikkeling ongemeen verrijkt.

Dit treedt nog duidelijker aan het licht, wanneer wij in de tweede plaats in aanmerking nemen, welke nieuwe, grootsche opvatting het Christendom voor de historie aan de hand heeft gedaan. Kort geleden nog sprak Von Wilamowitz-Moellendorff het uit: „die Griechen haben eine wirkliche Geschichtswissenschaft nicht erzeugt”. Hun horizon was beperkt. Zij kenden volken, geen menschheid en konden daarom ook niet komen tot eene „einheitliche” geschiedenis. De historie ging op in een opkomen |24| en ondergaan der volken, in een eentonigen terugkeer van het verleden; wat er nu plaats heeft, heeft reeds talloos vele malen plaats gehad en zal nog even dikwerf plaats hebben. Er is een rusteloos worden en vergaan van werelden, maar in dat eindeloos proces is er geen vooruitgang, geen hope op eene eeuwige rust. Maar in het Christendom komt er eene historie der menschheid, eene ontwikkeling, die van een bepaald punt uitgaat en naar een bepaald doel zich voortbeweegt, een voortgang naar het absolute ideaal, naar het waarachtige zijn, naar het eeuwige leven. De geschiedenis wordt een ontzaglijk drama, dat door lijden tot heerlijkheid leidt, eene divina comoedia, welke de langzame maar zekere verwezenlijking van het Godsrijk te aanschouwen geeft en over deze sombere aarde de glanzen werpt van Goddelijke heerlijkheid.

Deze Christelijke idee van ontwikkeling drong ook door in de nieuwere philosophie; wij vinden ze het zuiverst bij Leibniz, maar treffen ze toch ook in het wezen der zaak aan bij Herder en Goethe, bij Hegel en Schelling en eigenlijk bij alle geschiedvorschers van naam. Wel is waar wordt bij velen hunner de ontwikkelingsidee losgemaakt van den theÔstischen grondslag, waarop zij in het Christendom rust, en dus op bedenkelijke wijze ondermijnd. Zij ruilen menigmaal het theÔsme voor het naturalisme in, maar hun naturalisme is dan toch van eene bijzondere soort. Voor Goethe, op wien Haeckel zich zoo gaarne beroept, en voor al zijne geestverwanten was de natuur niet eene doode machine, maar een volheid van goddelijk leven, eene eeuwig vormende kracht, eene nimmer uitgeputte, scheppende kunstenares. De verandering, welke voortdurend in de wereld valt waar te nemen, wordt daarom ook gedacht als eene ontwikkeling van binnen uit; in de deelen werkt het geheel. De ontwikkeling blijft dus organisch opgevat en behoudt daarom ook haar teleologisch karakter; zij is de werking van eene absolute „Vernunft”. De bekende versregels van Goethe: was wšr’ ein Gott, der nur von aussen stiesse enz., zijn van deze wijsgeerige ontwikkelingsgedachte de dichterlijke vertolking. Als deze mannen dan ook spreken van eenheid in de ontwikkeling, als zij van geen „saltus”, van geen sprongen in de natuur willen weten, en overal zoeken naar geleidelijke overgangen, dan bedoelen zij daarmede geen physische descendentie maar eene logische, ideŽele orde in de schepselenreeks. |25| De rijkdom van vormen is hun een bewijs van de eeuwige, steeds hooger stijgende scheppingskracht der door hen geapotheoseerde Natuur.

Dit begrip van ontwikkeling heeft in de vorige eeuw bij velen voor eene gansch andere opvatting plaats gemaakt. Volstrekt nieuw was ook deze moderne opvatting niet, want zij werd in de oudheid reeds voorgedragen door Leucippus, Democritus en Epicurus; zij kwam in de nieuwere philosophie weer op bij Gassendi en bij Cartesius in zijne leer over het dierlijk lichaam, en zij vond in de achttiende eeuw ingang bij sommige Fransche Encyclopaedisten. Maar door verschillende oorzaken kwam zij in de negentiende eeuw toch weer tot een nieuw en krachtig leven. Ten eerste werd zij voorbereid door de idealistische philosophie, in zooverre deze de ontwikkelingsgedachte lossneed van den theÔstischen wortel. Ten tweede werd zij bevorderd door den enormen bloei van de materiŽele cultuur, en door de buitengewone vlucht der natuurwetenschap, waarvan de vorige eeuw sedert haar tweede kwartaal getuige was. En ten derde werd zij met jeugdige geestdrift aangegrepen en verdedigd door eene schare van mannen, zooals Vogt, BŁchner, Moleschott, Czolbe, die er de oplossing in zagen van alle raadselen des zijns.

Toch droeg zij bij al deze hare voorstanders een te wijsgeerig karakter, dan dat zij zonder meer de geesten lang zou hebben geboeid en beheerscht. Maar toen viel haar het voorrecht te beurt, om door de ernstige en nauwkeurige, uitgebreide en scherpzinnige onderzoekingen van Charles Darwin een wetenschappelijken grondslag te ontvangen. De moderne evolutiegedachte bestond reeds vůůr Darwin, evenals de socialistische verwachting reeds vůůr Marx hare profeten had. Maar Darwin heeft er naar gestreefd, om aan deze evolutiegedachte een hecht fundament in de feiten te geven, op gelijke wijze als Marx naar de meening van zijne volgelingen het utopistisch socialisme in een wetenschappelijk socialisme heeft omgezet. En Darwin is daarbij niet blijven staan. Hij heeft niet alleen in eene verbazende massa van feiten ons de treffende analogieŽn laten zien, die er tusschen de door Linnaeus in soorten ingedeelde organische schepselen bestaan, en daarop de leer der descendentie gebouwd. Maar hij trachtte deze afstamming ook te verklaren door de hypothese van de „natural selection”, welke in den „struggle for life” den |26| „survival of the fittest” verzekert en alzoo de ontwikkeling ook als vooruitgang waarborgt.

Dientengevolge kreeg evolutie in de nieuwere wetenschap een gansch andere beteekenis, dan die er vroeger mede verbonden was. Vroeger verstond men over het algemeen onder ontwikkeling een organisch, progressief, teleologisch proces en legde men door haar tusschen de schepselen eene logische, ideŽele orde. Thans draagt het begrip en het systeem van ontwikkeling de volgende kenmerken:

1º. Evolutie is bepaaldelijk in den zin van descendentie te verstaan; menschen zijn uit dieren, dieren uit planten, planten uit cellen, cellen uit anorganische stoffen ontstaan; al het hoogere is voortgekomen uit het lagere; de geest uit het stof, de ziel uit het lichaam, het denken uit de hersens, het leven uit den dood; nergens is er een nieuwe aanvang, nooit treedt er in de eindelooze schepselenreeks eene nieuwe kracht op. 2º. De krachten, die deze evolutie veroorzaken, zijn alle van mechanischen en chemischen aard, en werken dus ook naar vaste, onveranderlijke natuurwetten. 3º. Voor een wezen en natuur der dingen is er geen plaats; van eene leidende gedachte, van een plan en een doel is er in het ontwikkelingsproces geen sprake; wat, uit het standpunt der oorzaken beschouwd, noodwendig is, draagt, uit een teleologisch gezichtspunt bezien, een toevallig karakter.

Over deze drie karaktertrekken van de moderne evolutieleer bestaat geen verschil. Daarentegen loopen de meeningen wel uiteen, als de vraag aan de orde komt, of deze ontwikkeling met vooruitgang of met achteruitgang samenvalt. Ontwikkeling is op zichzelf een neutraal woord, en kan dus zoowel achter- als vooruitgang wezen. Bovendien sluiten deze termen een waardeeringsoordeel in en onderstellen dus een maatstaf, waarnaar men oordeelt. Wijl de moderne evolutieleer alle leidende gedachte en doel ontkent, vermag zij ook geen norma aan de hand te doen, waaraan voorof achteruitgang te meten zouden zijn. Desniettemin wordt ontwikkeling bijna altijd en onwillekeurig in den zin van vooruitgang verstaan; de evolutionisten profeteeren op grond van de descendentieleer eene voortgaande verbetering van het menschelijk geslacht, en de spiritistische richtingen breiden deze verwachtingen tot de overzijde van het graf uit; als eene wilde horde zich ontwikkelen kan tot eene geregelde maatschappij, bestaat er alle |27| hoop, dat deze geregelde maar toch nog altijd zeer gebrekkige maatschappij zich ontwikkelen zal tot een socialistischen heilstaat, en als een aap langzamerhand in een mensch kan overgaan, bestaat er groote kans, dat de mensch hiernamaals langzamerhand in een engel verandert. Maar de vraag, of de moderne evolutieleer voor het geloof aan zulk eene „diesseitige” of ook „jenseitige” progressie genoegzame gronden biedt, kan hier onbesproken blijven. Genoeg is het voor ons doel, te weten, dat het nieuwere ontwikkelingssysteem zich aan ons voordoet in den vorm van eene mechanische, ateleologische descendentieleer.

Tegen deze leer bestaan zoo vele en zoo gewichtige bezwaren, dat er niet aan te denken valt, om haar met ernst te houden voor de solutie van het wereldprobleem. Het kort bestek, hier ter plaatse aan deze controvers gegund, laat slechts bet maken van enkele opmerkingen toe, maar deze kunnen toch reeds voldoende zijn, om de weerspraak te rechtvaardigen, welke het mechanisch monisme in vele kringen, zoo binnen als buiten het terrein der wetenschap, vindt.

In het algemeen lijdt de mechanische wereldbeschouwing reeds terstond aan eene al te naÔeve en oppervlakkige opvatting van het mysterie van het zijn. De wereld eene machine, het klinkt wel eenvoudig, maar dat daarin de korte formule gelegen zou zijn voor al wat zich beweegt en leeft, dat al het denken en streven, al het worstelen en lijden in mensch en menschheid ten slotte tot eene mechanische beweging te herleiden zou zijn en van een druk en een stoot van ziellooze atomen zou uitgaan, dat stelt aan ons geloof, al is het wonder ook zijn liefste kind, een al te zwaren eisch. De wereld is nergens iets, dat vanzelf spreekt. Naarmate het wetenschappelijk onderzoek dieper doordringt, wordende verschijnselen ingewikkelder, en nemen de raadselon toe.

Dat komt al aanstonds uit bij de vraag naar den oorsprong der dingen. Wel is waar heeft de natuurwetenschap, indien zij zich beperkt tot het haar toekomend terrein, met deze vraag zich niet in te laten. Staande op den grondslag van het bestaande, kan zij over den oorsprong en het ontstaan der dingen geen oordeel uitspreken. Maar wijl hare beoefenaren ook menschen zijn, die een hart in den boezem dragen en boven het „metaphysische BedŁrfnis” niet verheven zijn, gaat de natuurwetenschap |28| dikwerf ongemerkt in natuurphilosophie, de waarneming der feiten menigmaal in theoretische beschouwingen over. De mechanische opvatting, die in sommige gebieden der natuur volkomen op hare plaats is, breidt zich dan tot eene mechanische wereldbeschouwing uit en kondigt het dogma af van de eeuwigheid der stof. Wie zoo optreedt, spreekt dan echter niet meer als natuurvorscher, maar als wijsgeer, als geloovige, evengoed als wie het ontstaan der dingen door schepping verklaart. En in onderscheiding van dezen wikkelt hij zich in eene onoplosbare tegenstrijdigheid.

De wereld toch, welke de physica ons doet kennen, bestaat in vormen van ruimte en tijd. Deze vormen maken het onmogelijk, om de wereld absoluut, eeuwig en oneindig te denken. De wijsgeer Kant heeft in zijne antinomieŽn der rede onweerlegbaar aangetoond, dat wij, deze wereld houdende voor de eenige, waarachtige werkelijkheid, met ons denken vastloopen. Noch tijd- noch ruimtevorm laat zich toch, uit den aard der zaak, op het absolute overdragen. De gedachte, dat de wereld geen begin heeft gehad en geen grenzen kent, brengt ons tot de antinomie van een oneindigen tijd en van eene oneindige ruimte. De som van eindige deelen, hoe groot ook, leidt echter nooit tot de oneindigheid. Tijd en ruimte zijn dus wel bestaansvormen van de wereld en voorstellingsvormen van onze waarneming, maar zij kunnen niet eigen zijn aan datgene, wat de absolute grond van al het zijnde is. Een oneindige tijd en eene oneindige ruimte sluiten eene innerlijke tegenspraak in.

Op dezelfde wijze is het met de beweging der wereld gesteld. Nu de wetenschap tegenwoordig veel meer dan vroeger kennis draagt van het energieverbruik en van de mechanische warmteleer, kan zij de wereld niet zoo maar met eene machine gelijk stellen. Want indien de wereld inderdaad eene machine is, moet zij ook eens haar loop begonnen hebben. Eene eeuwig voortloopende machine is eene uitdrukking, welke met zichzelve in strijd is. Indien de wereld, als machine gedacht, eeuwig ware, dan had zij ook eeuwig hare kracht reeds verbruikt en stond zij ook reeds eeuwig stil. Tegenwoordig wordt dan ook algemeen aangenomen, dat deze wereld een begin heeft gehad en een einde hebben zal. Indien dit zoo is, staat men voor de vraag, hoe en waardoor deze wereldmachine in beweging is gebracht. Is deze beweging aan eene voorafgaande te danken, dan komt men tot een regressus |29| in infinitum en geeft men feitelijk de mechanische wereldbeschouwing prijs; indien echter de beweging toen voor het eerst haar aanvang nam, is er op mechanisch standpunt geen verklaring te geven, door welke oorzaak de rust in beweging is overgegaan, en nog veel minder, ten gevolge waarvan de beweging der stof juist zulk eene richting nam, dat zij aan deze tegenwoordige wereld het aanzijn gaf. In ťťn woord: er bestaat geen mogelijkheid, om het absolute en het relatieve, het noodwendige en het toevallige, God en wereld met elkander te vereenzelvigen. Wie het beproeft, geeft woorden in plaats van begrippen. De wereld is niet noodwendig, zij kan, zonder tegenstrijdigheid, als niet bestaande gedacht worden, zij draagt een contingent karakter. Daarom dringt zich altijd de vraag weer op, vanwaar zij is en waarom zij is. Dat is het raadsel, waarvoor wij staan. Het zijn zelf is mysterie. En de mechanische wereldbeschouwing heeft dit evengoed als iedere theologie of wijsbegeerte te erkennen en te eerbiedigen.

Men kan hiertegen opmerken, dat deze oorsprong der dingen inderdaad een mysterie is, maar in de mechanische wereldbeschouwing dan ook het eenige mysterie uitmaakt. Doch bij dit eerste raadsel voegt zich terstond een tweede, dat in het wezen der dingen zich aan ons voordoet. Wij zijn gewoon van stof en kracht en natuurwet te spreken, alsof wij daarin met de eenvoudigste dingen ter wereld te doen hadden. Maar de zaken, welke wij met die woorden aanduiden, zijn vol verborgenheid. Langen tijd was de atoomtheorie in eere, werden uiterst kleine stofdeeltjes als laatste bestanddeelen der wereld beschouwd en deze stofdeeltjes voor dragers der krachten gehouden. Men rustte daarin, ofschoon noch het wezen der stof noch het wezen der kracht noch ook beider verband daarmede ook maar in de geringste mate opgehelderd waren. De nieuwere physica en chemie kwamen echter bij voortgezet onderzoek tot de ontdekking, dat de atomen niet de laatste bestanddeelen van het universum zijn. Heel de atoomtheorie is daardoor aan het wankelen gebracht. Op de vergadering van natuurvorschers te Kassel in Sept. 1903 verklaarde de beroemde Engelsche chemicus Ramsay dan ook: tegenwoordig gelooft niemand meer, dat de wereld te begrijpen is door alle verschijnselen tot atomen terug te leiden, die, van krachten voorzien, zich bewegen naar de wijze der zonnen en planeten. |30| Het oog is ervoor opengegaan, dat, al zijn ons ten deele de wetten bekend, waarnaar de verschijnselen plaats hebben, deze zelve in hun natuur vůůr en na een geheimenis voor ons blijven. „Was dabei im Innern sich vollzieht, durch welche verborgene Vorgšnge der Uebergang von der einen Erscheinung zur andern sich vollzieht, das bleibt fŁr uns ewig ein Geheimnis”. (Classen).

Vandaar dat in den jongsten tijd het atomisme meer en meer voor het dynamisme plaats maakt. Als laatste bestanddeelen van het zijnde gelden dan niet stoffelijke atomen, maar energieŽn of krachtcentra, die dan Úf krachten zonder dragers zijn Úf een zelfstandig bestaan moeten hebben, zooals dat aan zielen of geesten wordt toegekend. Deze energetische wereldbeschouwing zoekt steun bij de positivistische „Erkenntnistheorie”. Als de wetenschap alleen mag uitgaan van wat in den strikten zin van het woord gegeven is, dan kunnen geen atomen buiten ons maar alleen gewaarwordingen in ons daarvoor in aanmerking komen. Positief in eigenlijken zin zijn alleen de voorstellingen in ons bewustzijn. Al laat dit idealistisch standpunt nu evenmin toe, om van krachten als van atomen buiten ons te spreken, en al leidt het consequent tot solipsisme en scepticisme, toch bewijst het tegenover het mechanisme dezen dienst, dat het de oppervlakkigheid van de atoomtheorie in het licht stelt. Stof en kracht en het verband tusschen beide zijn werkelijk zoo eenvoudig niet, als het materialisme ons wil doen gelooven. Het spreekt „ein grosses Wort gelassen aus”.

Nog onbegrijpelijker zoo mogelijk is het verschijnsel van het leven, dat wij in de wereld aantreffen. De ontwikkeling der biologie is in de voorgaande eeuw buitengewoon voorspoedig geweest. Tusschen de producten en verschijnselen in de vrije natuur en in het levende organisme is eene treffende overeenkomst ontdekt; anorganische en organische chemie blijken nauw verwant te zijn. Planten en dieren toonen fundamenteele overeenkomst in elementaire structuur, in levensverschijnselen en levensverrichtingen. In het levend organisme zijn organen en functies opgenomen, zooals stofwisseling, bloedsomloop, voedingsproces, die aan mechanische en chemische wetten onderworpen zijn. Organische substantiŽn, die onder natuurlijke verhoudingen alleen in levende lichamen voorkomen, zijn ook kunstmatig in het laboratorium voortgebracht. De irritabiliteit en spontaneÔteit der levende organismen vinden merkwaardige analogieŽn in verschijnselen der anorganische natuur, |31| bijv. in de vorming der kristallen.

Des te opmerkelijker is het, dat het raadsel des levens tot den huidigen dag onopgelost voor ons is blijven staan. Voortgezet microscopisch onderzoek heeft niet tot eenvoudige atomen maar tot allerkleinste levenseenheden geleid. De merkwaardigste ontdekking, welke na vroegere voorbereidingen der biologie in de negentiende eeuw te beurt viel, is die der cel geweest. En in de cellen, de laatste elementaire bestanddeelen van het organisme, staan wij voor hetzelfde probleem, dat ieder levend wezen ons voorlegt. De vraag naar den oorsprong en het wezen des levens is tot die aangaande den oorsprong en het wezen der cel terug gebracht. Of deze cellen, niet chemisch en physisch natuurlijk maar biologisch nog weer samengesteld zijn, blijve aan latere onderzoekingen overgelaten. Thans valt alleen te constateeren, dat wij in de cellen met de laatste biologische eenheden van he organisme te doen hebben. En evenzoo bestaat er geen verschil van meening over, dat deze cellen niet vanzelf door louter mechanische krachten uit anorganische stoffen ontstaan. Of het later gelukken zal, om het levende uit het levenlooze voort te brengen, is eene vraag, waarover men verschillend oordeelen kan. Maar omnis cellula e cellula is thans nog het einde der biologische wijsheid. Ook zij, die de generatio aequivoca als sluitsteen van hun stelsel aannemen, zijn toch gedwongen tot de erkentenis, dat de oorsprong en het wezen des levens ons vooralsnog onbekend is. Het baart daarom geen verwondering, dat het mechanisme in den laatsten tijd bij tal van natuurvorschers voor het vitalisme heeft plaats gemaakt.

De voorstanders der mechanische evolutieleer zeggen nu wel, dat de generatio aequivoca, schoon nog niet bewezen, toch aangenomen behoort te worden, wijl zij een postulaat der wetenschap is. Maar in deze bewering is alleen dit juist, dat spontane generatie een postulaat van de door hen vooropgezette mechanische wereldbeschouwing is. Deze valt echter vooralsnog niet met de wetenschap saam. Wie op grond van de aan het licht gebrachte feiten de mechanische verklaring van het leven verwerpt en tot de overtuiging komt, dat in het leven nog eene andere kracht werkt dan in de levenlooze natuur, heeft wetenschappelijk evenveel recht van spreken als de voorstander der mechanische wereldbeschouwing. Met een dualistisch supranaturalisme heeft dit niets |32| van doen. Wat de natuur is, de natuur in haar vollen omvang, dus plant en dier en mensch mede inbegrepen, en welke krachten in haar werken, dat hebben wij niet in naam van onze opvatting van de wetenschap aan haar voor te schrijven, maar hebben wij ootmoedig en kinderlijk van haar te leeren. Naturae parere, libertas.

Deze regel eischt nog strenger toepassing, als wij toekomen aan het probleem van den oorsprong des menschen. Het gevaar is toch niet denkbeeldig, dat de hypothese van de dierlijke afstamming van den mensch vereenzelvigd wordt met de feiten, waarop zij gebouwd is. De feiten zijn geen andere, dan de talrijke punten van overeenkomst, welke in anatomie, physiologie en psychologie tusschen mensch en dier zijn aangewezen. Natuurlijk was die groote overeenkomst ook vroeger niet onbekend, zij ligt voor de hand en springt een ieder in het oog. De definitie van den mensch als animal rationale drukt de overeenstemming en het verschil tusschen mensch en dier kort en duidelijk uit. Maar toch zijn door en sedert Darwin de gegevens, die de overeenkomst in het licht stellen, belangrijk vermeerderd en in bijzonderheden aangewezen; de overeenkomst komt niet alleen uit in geraamte, beenderenstelsel, wervelkolom, schedel, hersenen, hart, longen, geslachtsorganen, placenta enz., maar zij toont zich ook in de rudimentaire organen, in de embryonale ontwikkeling en in de voor enkele jaren door Dr. Friedenthal te Berlijn experimenteel geconstateerde bloedverwantschap tusschen den mensch en de zoogenaamde anthropoide apen.

De overeenstemming in al deze en dergelijke verschijnselen is zoo sterk en zoo verrassend, dat zij, bij het wegvallen van het creatiegeloof en het verwaarloozen van andere gegevens, allicht op de gedachte brengen kon, dat de mensch langzamerhand uit het dier zich ontwikkeld heeft. Toch dient deze hypothese van de feiten, waarop ze rust, streng onderscheiden te worden. In de leer van de dierlijke afstamming van den mensch hebben wij het niet met een waarneembaar en wel geconstateerd feit, maar met eene op bovengenoemde feiten gebouwde redeneering, met eene hypothese te doen. Dat wil niet zeggen, dat zij daarom en als zoodanig reeds verworpen dient te worden. Hypothesen hebben in de wetenschap ontwijfelbaar recht van bestaan en zijn onmisbaar tot haar vooruitgang. Voorloopig opgesteld tot verklaring van eenige waargenomen verschijnselen, kan eene hypothese |33| door verdere onderzoekingen bevestigd worden en allengs het karakter gaan aannemen van eene theorie. Maar het is natuurlijk ook mogelijk, dat zij door latere en betere waarnemingen verzwakt en omvergeworpen wordt.

De leer van de dierlijke afstamming van den mensch schijnt nu eene onderstelling te zijn, die schoon aanvankelijk als de eenig ware oplossing met gejuich begroet, bij voortgezet onderzoek niet aan waarschijnlijkheid wint maar verliest. Men bedenke daarbij, dat de descendentieleer volgens haar eigen aanhangers insluit, dat de mensch enkel en alleen door de werking van mechanische en chemische krachten allengs uit het dier is voortgekomen, evenals het organische door de werking dierzelfde krachten uit het anorganische is ontstaan. Wie eene andere kracht aanneemt, eene levenskracht bijv. of ook een zelfstandig zieleleven, breekt volgens Haeckel het systeem, haalt het dualisme en het supranaturalisme binnen en lijdt, zooals bijv. Kant, Du Bois-Reymond, Virchow, Wundt, Pasteur, aan verval van verstandelijke krachten. Het mechanische stelsel eischt, dat alle leven, en dus ook het menschelijk leven eene vorm van beweging, eene ingewikkelde machine zij. Van deze hypothese aangaande de afstamming des menschen laat zich niet zonder grond beweren, dat zij door voortgezet onderzoek niet bevestigd maar verzwakt wordt.

Vooraf ga de opmerking, dat men met het bouwen van genealogische verwantschap op grond van eene reeks van analogieŽn in de wetenschap haast niet te voorzichtig kan zijn. De vergelijkende methode heeft zonder twijfel recht van bestaan en bezit ook groote waarde, maar zij verleidt zeer licht tot het maken van overijlde conclusiŽn. De „religionsgeschichtliche” methode, welke tegenwoordig zoo ruime toepassing vindt, levert daarvan vele merkwaardige voorbeelden. Men merkt eenige trekken op tusschen twee verhalen, sagen, mythen en is dan aanstonds gereed met de bewering, dat beide zakelijk identisch zijn, dat de verschillen slechts den vorm betreffen, en dat zij tot elkander in historische relatie staan. Van verschillende zijden is tegen deze voorbarige conclusiŽn protest aangeteekend. Maar ook in de natuurwetenschap is eene dergelijke waarschuwing niet overbodig. De descendentieleer steunt voornamelijk op de vergelijkende anatomie, physiologie en psychologie. Maar deze worden onwillekeurig gedreven door de zucht, om analogieŽn te vinden, om deze in het |34| volle licht te plaatsen, en om de verschillen en eigenaardigheden op den achtergrond te schuiven en van minder beteekenis te achten.

En toch zulke verschillen bestaan er, bij alle overeenkomst, tusschen mensch en dier. De menschheid is als ťťne groep van levende wezens door onderscheidene kenmerken van alle andere soorten van wezens afgezonderd. Daartoe behooren in physiologisch opzicht vooral de opgerichte gang, de vorm van de hand, den schedel en de hersenen. En deze, hoe weinige in aantal, zijn toch van zoo groote beteekenis, dat niemand zich in het onderscheid van dier en mensch vergist, en de systematicus niet de minste moeite heeft, om ze in verschillende klassen te rangschikken. Deze indeeling zelve bewijst, dat mensch en dier onderling aanmerkelijk verschillen, want indien zij genealogisch samenhingen, zouden er vele vormen moeten zijn, die niet of zeer moeilijk onder de hoofdgroepen waren te rangschikken.

Van meer beteekenis zijn nog die eigenaardigheden, welke in het hoogere zieleleven van den mensch uitkomen, in zijn verstand en rede, hart en geweten, wil en vrijheid en voorts in al die geestelijke goederen van taal en godsdienst, zedelijkheidenrecht, wetenschap en kunst, welke door de redelijke natuur der menschen verworven zijn en daardoor gedragen worden. Daarom wordt over de afstamming van den mensch niet alleen door de natuurwetenschap beslist; ook psychologie, religie en ethiek hebben recht, om daarbij een woord mede te spreken. En zij hebben daar te meer roeping toe, als deze tot haar terrein behoorende eigenaardigheden van den mensch in de anatomie en physiologie uit den aard der zaak niet genoegzaam tot haar recht kunnen komen of ook zelfs in haar recht worden miskend. Dat is het geval, als de descendentieleer ook van den oorsprong der taal, der religie, der zedelijkheid enz. eene verklaring tracht te geven. Hoevele pogingen daartoe ook aangewend zijn, ze zijn tot dusver geen van alle geslaagden loopen altijd weer uit op miskenning van het verschijnsel, dat zij verklaren willen. Kortheidshalve zij alleen de verklaring van het menschelijk bewustzijn vermeld. Indien de materialistische descendentieleer gelijk heeft, en de gedachte tot de hersens staat als de gal tot de lever, dan is het bewustzijn niet anders dan eene begeleidende weerspiegeling van sommige materiŽele processen in de hersenen, welke op den gang van zaken hoegenaamd geen |35| invloed heeft en er totaal buiten staat. De wereldgeschiedenis zou dan hetzelfde verloop hebben gehad, ook al ware de menschheid van bewustzijn en denken verstoken geweest. Deze conclusie, die logisch uit het principe volgt, wordt echter door allen verworpen, die niet door het materialisme verblind zijn. Want de zwakste gewaarwording is in aard en wezen van de materiŽele processen zoo hemelsbreed verschillend, dat ervan eene verklaring der eerste uit de laatste geen sprake kan zijn. Ziehen zegt daarom terecht, dat het materialisme het probleem niet alleen niet opgelost, maar zelfs niet begrepen en zuiver gesteld heeft. In de psychologie heeft het materialisme dan ook bij velen voor het psychophysisch parallelisme of ook voor het psychisch monisme plaats gemaakt.

Wanneer de dierlijke afstamming van den mensch nu een feit ware, zou zij ondanks dit alles aanvaard moeten worden. Maar dat is volstrekt het geval niet. Rechtstreeksche bewijzen zijn er niet voor. Niemand heeft ze ooit waargenomen. Tegenwoordig leven wij in eene periode, waarin de soorten constant zijn. Zelfs de sterke, ofschoon dikwerf zeer overdreven overeenkomst tusschen de embryonale ontwikkeling van mensch en dier doet het feit niet te niet, dat beide van huis uit in eene verschillende richting zich ontwikkelen. En voorzoover het wetenschappelijk onderzoek ons tot oordeelen in staat stelt, schijnt dit ook in het verleden het geval geweest te zijn. Zoover wij kunnen nagaan, zijn menschen menschen en dieren dieren geweest. Van een langzamen, geleidelijken overgang is geen sprake. De „missing link” is tot dusver niet gevonden; de fossielen, zooals de schedel van het Neanderdal en de pithecanthropus erectus kunnen daarvoor, naar het oordeel van vele deskundigen, niet in aanmerking komen. Bovendien staan deze gevallen veel te geÔsoleerd, dan dat zij tot eene zoo ver strekkende conclusie als de descendentieleer recht geven. Wanneer de afstamming plaats had gehad in den weg van een ontzaglijk aantal kleine veranderingen, over een onnoemlijk aantal jaren verdeeld, zouden de overgangsvormen in grooten getale aanwezig moeten zijn. Maar de palaeontologie leert, dat, al is er eene successie in het ontstaan der organismen geweest, verschillende soorten steeds naast elkaar hebben bestaan, en door geen overgangsvormen hun genealogische verwantschap bewijzen. Bovendien is de selectie-theorie, die eene verklaring poogde te geven van de |36| wijze, waarop hoogere organismen uit lagere konden ontstaan, en daarmede het Darwinisme in engeren zin tegenwoordig zoo goed als geheel prijsgegeven en door geen meer aannemelijke verklaring vervangen. De jaren lang volgehouden stelling van Virchow, dat de descendentieleer niet bewezen is, wordt dan ook tegenwoordig door velen als juist erkend. De hoogleeraar Branco zeide op het zoŲlogen-congres te Berlijn in 1901, dat de mensch in de diluviale periode plotseling, zonder voorvaderen, ten tooneele verschijnt. En Reinke getuigde een jaar te voren in zijne rede over de ontwikkeling der natuurwetenschappen in de negentiende eeuw: „RŁckhaltlos mŁssen wir bekennen, dass kein einziger vŲllig einwurfsfreier Beweis fŁr ihre Richtigkeit vorliegt”.

Indien het met de mechanische descendentieleer alzoo geschapen staat, blijkt zij duidelijk meer eene zaak van wenschen en gelooven, dan van weten te zijn. Zij wordt niet door de feiten bewezen maar door het systeem geŽischt. Indien creatie apriori verworpen en het bestaan eener hoogere dan mechanische en chemische kracht van tevoren als dualistisch supranaturalisme buiten het terrein van elke wetenschappelijke discussie gesteld wordt, spreekt het vanzelf, dat de mensch van het dier afstammen moet. Hij moet toch ergens vandaan komen. En op zijn standpunt vraagt Haeckel aan Virchow terecht: „woher stammt er denn sonst?” Maar heel de opvatting van de wetenschap, die aan deze redeneering ten grondslag ligt, gaat van eene verkeerde onderstelling uit. Men meent n.l., dat er dan alleen van weten in echten zin sprake kan zijn, als de dingen chemisch kunnen ontleed worden en al hunne werkingen tot mechanische beweging herleid kunnen worden. Dit is echter eene overschatting van het „chemisch-physikalische Wissen”, waartegen Nšgeli en Oskar Hertwig terecht hebben gewaarschuwd. „Es wird hierbei Łbersehen, dass auch dieses Wissen, wie jedes menschliche, nur ein StŁckwerk ist und an iedem Punkt auf Grenzen der Naturerkenntnis stŲsst, die uns zur Zeit als unŁberwindlich erscheinen, und dass Chemie und Physik in dieser Beziehung vor der Biologie prinzipiell nichts voraus haben”. Niet alleen in de biologie en de anthropologie, maar ook in de anorganische natuur kunnen wij zonder eene almachtige en alomtegenwoordige kracht, door welke God alle dingen onderhoudt en regeert, niet uit. Want alles in de natuur, zeide Prof. van der Waals in zijn bekend Gidsartikel Maart 1903, |37| is verwerkelijking van eene alles omvattende en toch ondeelbare Godsgedachte. Achter alles staat een hoog verheven verstand want overal zijn wetten en regels. En Prof. Bakhuis Rooseboom besloot zijne rede over: De tegenwoordige stand van de problemen der chemie ten jare 1904 met de woorden: Hoe verder wij zullen doordringen in de kennis der nu nog onontgonnen terreinen, hoe meer oorzaak er zijn zal voor bewondering der Goddelijke wereldorde, die zich ook op dit gebied der natuur openbaart en welke die menigvuldige verscheidenheid terugleiden laat tot eenige weinige grondgedachten.

De verhouding tusschen geloof en wetenschap zal er beter op worden, als dezerzijds de mechanische wereldbeschouwing prijsgegeven en de vijandschap tegen den godsdienst, met name tegen den Christelijken godsdienst afgelegd wordt, en als generzijds meer dan tot dusverre het belangrijk bestanddeel van waarheid erkend wordt, dat in de leer van evolutie en descendentie ongetwijfeld opgesloten ligt. Dat er evolutie is, mits niet beperkt tot mechanische beweging en chemische verbinding en scheiding, wordt immers bewezen door ieder organisme, dat ontstaat en vergaat, door de geschiedenis der volken en der menschheid. Er is herediteit, maar er is ook variabiliteit, blijkens de verschillende kinderen, die uit hetzelfde ouderpaar geboren worden, blijkens de rassen in het menschelijk geslacht, blijkens plantencultuur en dierenteelt. Hoever die variabiliteit zich uitstrekt, valt thans nog niet te zeggen. Maar zeker is ze niet beperkt binnen de grenzen der soorten, door Linnaeus in zijn systema naturae aangegeven. Ons soortbegrip is onzeker en staat lang niet vast; het kan ieder oogenblik door het wetenschappelijk onderzoek gewijzigd, ingekrompen of uitgebreid worden. De soorten, die wij thans in planten- en dierenwereld aannemen, vallen dus volstrekt niet samen met die, welke door de scheppende kracht Gods bij den aanvang in het aanzijn werden geroepen. Waarschijnlijk waren deze laatste veel minder in aantal, dan Linnaeus in zijn tijd nog vermoeden kon. In dat geval is er niet alleen voor evolutie, maar ook, hetzij door langzame verandering, hetzij door plotselinge mutatie, in een wijden kring van organische wezens voor descendentie plaats.

Mits evolutie niet verstaan worde in mechanischen zin, is er dan ook tusschen schepping en ontwikkeling geen tegenstelling. Maar zoo |38| kan zij ook niet verstaan worden. De Hoogleeraar Eucken legt er in zijne geschriften herhaaldelijk den nadruk op, dat juist de hedendaagsche hooge cultuur, die immers een product is van den arbeid van den menschelijken geest, de „Ueberlegenheit” van dien geest bewijst. In het geestesleven der menschheid met zijne onvergankelijke normen, met zijn zoeken naar en ten deele bezitten van waarheid, met zijne diepe innerlijkheid, met zijn zucht en streven naar zelfstandigheid en persoonlijkheid, naar vrijheid en oneindigheid, in dat geestesleven openbaart zich eene andere hoogere werkelijkheid, dan die in de natuur ons tegemoet treedt. Dat is alles waar en schoon gezegd; het geestesleven is meer dan natuur en als product van mechanische beweging niet te begrijpen. Maar er is daarmede toch niet genoeg gezegd; zonder meer, bracht het ons niet verder dan tot het antieke dualisme van geest en stof. Doch ook het natuurmechanisme is zonder eene intelligente oorzaak niet te verklaren. Reeds in zoover het eene machine is, wijst het daarop terug, evenals elk werktuig, dat menschelijke vinding en energie tot stand bracht, den stempel van den geest zijns makers draagt. Het natuurmechanisme kan niet de laatste oorzaak en de verklaring der dingen zijn, wijl het zelf om verklaring roept; het is niet heer der wereld, maar dienaar des geestes. De vormen, waarin het werkt, tijd en ruimte, maat en getal, orde en wet, zijn „Urverhšltnisse des Geistes”. Zooals de machine den mensch dient, moet het natuurmechanisme ondergeschikt zijn aan de regeering en leiding van een allesbeheerschend Goddelijk verstand.

En zoo komt er plaats voor ontwikkeling in waarachtigen zin. Indien de gansche wereld niets dan ťťne groote machine is, dan is ontwikkeling buitengesloten. Want wie ontwikkeling zegt, zegt plan en wet, richting en doel; ontwikkeling staat tusschen begin en einde in en leidt van het eerste tot het laatste heen; ontwikkeling is niet een mechanisch, maar een organisch, teleologisch begrip. Daarom kan ze alleen tot haar recht komen op den grondslag der creatie, die aan eene wereld het aanzijn schenkt, welke in kiem en beginsel is hetgeen zij worden moet. Aristoteles zag het reeds in: het worden is er ter wille van het zijn, niet omgekeerd. Er is alleen een worden, indien en omdat er een zijn is.


H. Bavinck.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004