Ouders of getuigen

Toelichting van art. 56 en 57 der Dordsche Kerkorde

door Dr. H. Bavinck

Kampen, — Ph. Zalsman — 1901

a



IIIIIIIVVVIVIIVIIIIXXXIXIIXIIIXIVXVXVIXVIIXVIIIXIXXX



Om aan den uitdrukkelijken wensch van velen te voldoen, wordt de artikelenreeks: Ouders of Getuigen, opgenomen in de Bazuin van 31 Augustus 1900 en verv. afzonderlijk in het licht gegeven. Mogen zij ook in dezen vorm aan het recht verstand van Gereformeerde leer en praktijk bevorderlijk zijn.


Kampen, April 1901.

Bavinck.




I.

De derde vraag in het Doopsformulier luidt: Of gij niet belooft en u voorneemt, dit kind, als het tot zijn verstand zal gekomen zijn, waarvan gij vader of getuige zijt, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen of te doen en te helpen onderwijzen?

Bij de woorden vader of getuige teekent Professor Rutgers in zijne uitgave van de Liturgie aan:

„Bij deze uitdrukking staat geene kantteekening. Niet alsof zij altijd letterlijk aldus zou te gebruiken zijn. Maar omdat het wel vanzelf spreekt, dat zij te wijzigen is naar gelang van omstandigheden (b.v. wanneer bij eene Doopsbediening geene getuigen gebruikt worden, of wanneer de vader overleden of afwezig is, enz.)”

Deze kantteekening zegt wel niet met zoovele woorden, maar onderstelt toch duidelijk, dat, wanneer de moeder bij den doop van haar kind tegenwoordig is, ook deze mag en behoort gevraagd te worden. De opmerking van Prof. Rutgers rekent immers met verschillende omstandigheden, die bij de Doopsbediening van een kind kunnen intreden, |8| en wil, dat de bewoordingen van „vader of getuige,” daarnaar gewijzigd zullen worden. Zij wijst met geen enkel woord aan en laat zelfs in de verste verte niet vermoeden, dat de moeder bij den doop van haar kind niets te maken heeft. Zij ademt een ruimen, vrijen geest.

Maar daar zijn er tegenwoordig velen in de Gereformeerde kerken, die hierover anders oordeelen.

Niet alleen wordt het eene zonde tegen den Heere genoemd, als men den doop aan zijn kind niet laat toedienen in de eerste vergadering der geloovigen, welke na de geboorte gehouden wordt, en er veertien dagen of drie weken mede wacht, totdat de moeder hersteld is.

Maar anderen zijn, zooals gewoonlijk in dergelijke zaken het geval is, veel verder gegaan, en hebben beweerd, dat de moeders bij den doop van haar kind niets te maken hadden; dat zij, ook al waren zij tegenwoordig, niet behoorden gevraagd te worden; dat het te doopen kind niet door de moeder maar beslist door den vader ten doop gehouden moest worden enz.

Zelfs is het voorgekomen, dat, toen ergens eens bij den doop van een kind de vader niet, maar wel de moeder en een getuige tegenwoordig waren, de vragen van het Formulier wel aan den getuige maar niet aan de moeder werden voorgelegd; deze werd eenvoudig gepasseerd; er werd geen notitie van haar genomen.

Nog sterker is een ander geval, dat als historisch juist verhaald wordt. In zekere gemeente werd een kind gedoopt, geruimen tijd na de geboorte, zoodat de moeder geheel hersteld en ook in het kerkgebouw tegenwoordig was. Maar het werd haar niet vergund, om naast haar man voor den kansel te staan; zij moest in het ruim op haar gewone plaats blijven zitten en mocht van daar, uit de verte, evenals alle anderen, den doop van haar kind aanzien. |9|

Geen wonder, dat een zeker predikant het al buitengewoon ver met de reformatie zijner kerk meende gebracht te hebben, toen hij op de vraag: hoe het hem in zijne gemeente ging? ten antwoord kon geven: O uitnemend, de vrouwen zijn er al buiten! Hij bedoelde, dat de moeders in het geheel niet meer bij den doop van hare kinderen tegenwoordig waren.

Daarbij blijkt het leven soms sterker dan de leer te zijn. Zeker predikant had er bij zijne gemeente steeds sterk op aangedrongen, dat de doop der kinderen zoo spoedig mogelijk na de geboorte begeerd moest worden en niet mocht worden uitgesteld tot den tijd, dat de moeder hersteld was. Maar toen hij zelf in het geval kwam, werd het duidelijk, dat de vrouw ook nog iets te zeggen had; zijn eigen kind werd in tegenwoordigheid der moeder gedoopt.

Soms wordt er eene gewetensquaestie van gemaakt, wie het kind op de armen houdt, terwijl het gedoopt wordt. Zelfs dan, als de moeder aanwezig is, zijn velen van oordeel, dat de vader en hij alleen dit doen mag en doen moet.

Hier en daar geeft dit tot twist en tweedracht aanleiding. Er komen voorstanders van de nieuwe en verdedigers van de oude practijk tegenover elkander te staan. Genen zien op dezen dikwerf uit de hoogte neer en achten hen min zuiver in belijdenis, of althans min kundig in het Gereformeerde kerkrecht. En de laatsten voelen zich door de eersten gekrenkt, omdat zij altijd met wat nieuws komen aandragen en van kleinigheden een beginsel maken.

Tot verhooging van den eerbied voor het sacrament, dragen al deze dingen weinig bij. Veelmeer zijn zij oorzaak van wrevel en ergernis. De hoofdvraag wordt, wie gelijk heeft. Aan beide zijden blijft men op zijn stuk staan. Of het komt tot een compromis, dat dikwerf geen van beiden bevredigt. |10|

De plechtigheid van de Doopsbediening lijdt er soms onder. De schrijver van een ingezonden stuk in dit blad wees er onlangs op (zie de Bazuin van 27 April j.l.). Als een vader op onhandige wijze den zuigeling van de moeder overneemt; als de moeder angstig toeziet, hoe het wel afloopen zal; als het kind, door de ongewone behandeling, ongewoon lastig wordt enz., dan is dat alles zeker allerminst geschikt, om de waardigheid van het sacrament te handhaven en de plechtigheid ervan te verhoogen.

Daarom kan het goed zijn, om de onder ons bestaande verschillen over tijd en wijze van Doopsbediening eenigermate uit de geschiedenis toe te lichten.

Dit is tot dusver al te veel verzuimd. Wel is er over de doopspractijk veel gesproken en geschreven. Ook heeft men de Schrift er over geraadpleegd en haar zoowel ten gunste als ten nadeele van de tegenwoordigheid der moeders bij den doop harer kinderen laten pleiten. Maar de geschiedenis, die achter de woorden: vader of getuige in ons Doopsformulier verscholen ligt, is niet of in elk geval niet voldoende geraadpleegd.

En zij kan toch alleen over de beteekenis en strekking dier woorden ons het licht verschaffen, dat wij tot recht verstand van hun zin van noode hebben. Geschiedenis is zulk eene heerlijke zaak. Zij is niet alleen de wortel van het heden, maar ook rijk aan lessen voor de toekomst. Zij plaats de dingen menigmaal in een gansch ander licht, dan waarin wij ze ons voorstelden, en bewaart ons voor overdrijving en eenzijdigheid. Zij leert ons tusschen het wezenlijke en het bijkomstige onderscheid maken en is daarom uitnemend geschikt, om geschillen te beslechten, broeders die uiteengaan samen te brengen en onderlinge waardeering en liefde te bevorderen. |11|


II.

Voordat wij de geschiedenis raadplegen, welke aan de woorden: vader of getuige in ons Doopsformulier is voorafgegaan, wijzen wij in het kort op hetgeen de H. Schrift over tijd en wijze der Doopsbediening ons leert.

Gelijk men weet, kwam de besnijdenis in de oudheid en komt zij ook thans nog bij vele andere volken, behalve de Joden, voor. Maar ofschoon er gelijkheid was in de uitwendige handeling, bestond er van den aanvang af toch een groot onderscheid in de besnijdenis, gelijk zij bij de Heidensche volken in gebruik was en gelijk God haar bij Abraham instelde.

Ten eerste was de besnijdenis bij de Heidensche volken alleen eene zichtbare handeling en geen sacrament; maar aan Abraham en zijn zaad gaf de Heere de besnijdenis tot een teeken van zijn verbond, tot een zegel van de rechtvaardigheid des geloofs. Ten tweede werd de besnijdenis bij de Heidensche volken dikwerf niet alleen aan jongens maar ook aan meisjes voltrokken, maar onder Israël had zij naar Gods gebod alleen plaats bij kinderen van het mannelijk geslacht. En ten derde werd de besnijdenis bij de Heidensche volken dikwerf op veel later leeftijd, vooral tusschen den zes- en den vijftien-jarigen leeftijd, verricht en in verband gebracht met de puberteit, maar bij Israël moest zij naar des Heeren bevel geschieden op den achtsten dag na de geboorte.

De redenen, waarom dit sacrament der besnijdenis niet aan kinderkens van het vrouwelijk geslacht bediend werd en eerst op den achtsten dag na de geboorteplaats hebben mocht, zijn ons onbekend. Maar het is zeker niet al te gewaagd, om te onderstellen, dat zij saamhangen met de onreinheid, die volgens het Oude Testament aan alle |12| geboorte en dood verbonden is. De zonde openbaart bij den mensch hare macht vooral in het vleesch. Daarom maken alle verschijnselen van het geslachtsleven onrein; de vrouw blijft zeven dagen na de geboorte van een zoon en veertien dagen na die van eene dochter onrein, en wordt ook dan eerst na drie-en-dertig of zes-en-zestig dagen door eene offerande in de kerkelijke gemeenschap opgenomen; het kind deelt in die onreinheid en wordt, wanneer het is van het mannelijk geslacht, eerst op den achtsten dag na de geboorte besneden.

De voltrekking van deze besnijdenis was in de dagen des Ouden Testaments aan geen ambt gebonden. Ieder Israëliet mocht haar uitoefenen; gewoonlijk deed het de huisvader, Gen. 17 : 23, en in geval van nood ook de moeder, Ex. 4 : 25, 1 Makk. 1 : 64, 65. In lateren en ook in den tegenwoordigen tijd wordt zij in huis voltrokken door een arts of door een daartoe gediplomeerden mohel (besnijder); in het bijzijn van den vader of van getuigen.

De tijdsbepaling van den achtsten dag is afdoend bewijs, dat de besnijdenis niet mag opgevat worden als eene uitwendige handeling, welke de geestelijke weldaad der zondenvergeving en van de besnijdenis des harten bewerkte en tot stand bracht. Dan toch zouden alle kinderen, die vóór den achtsten dag stierven, onder Israël van het koninkrijk der hemelen uitgesloten zijn geweest, en dat krachtens eene Goddelijke beschikking, zonder eenige schuld van de zijde des menschen.

Toen later onder de Joden de gedachte opkwam, dat de besnijdenis volstrekt noodzakelijk tot de zaligheid was, raakte men met deze Goddelijke tijdsbepaling verlegen. En het gebruik kwam op, om zulke kinderen, die vóór den achtsten dag gestorven waren, nog te besnijden op de |13| begraafplaats; eene gewoonte, die ook hier te lande onder de Joden nog heden ten dage gevolgd wordt.

Maar juist omdat het Jodendom aan de uitwendige besnijdenis de zaligheid verbond en uit de werken der wet zijne eigene gerechtigheid zocht op te richten, stelde God in den aanvang des Nieuwen Testaments het nieuwe sacrament van den doop in. In dien doop toch verkondigde Johannes aan de Joden van zijn tijd, dat zij, ofschoon besneden zijnde, schuldig en onrein waren en eene gansche vernieuwing van noode hadden, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. De doop van Johannes was eene veroordeeling van het Jodendom, eene luide prediking, dat de uitwendige besnijdenis zonder meer tot niets nut is; dat die niet de ware Jood is, die het in het openbaar in het vleesch is, maar dat die een Jood is, die het in het verborgen is en de besnijdenis des harten deelachtig is.

Maar die doop was toch ook nog iets anders en iets meer. Hij was het onomstootelijk bewïis, dat God zijn verbond bleef gedenken en zijne beloften vervullen wilde. Want niettegenstaande de Joden schuldig en onrein waren, de Heere verwierp hen niet maar kwam in het sacrament van den doop hun opnieuw zijne genade betuigen. De doop was eene prediking van der Joden verdoemelijkheid, maar ook eene verkondiging van Gods trouw in het vervullen zijner beloften, van zijne gezindheid om alle zonden te vergeven en zijn volk wederom in genade aan te nemen. Ja, naarmate de zonde te meerder werd, openbaarde zich Gods genade te overvloediger. Rijker nog dan in de dagen des Ouden Testaments zou immers straks in Jezus Christus de volheid van Gods genade en waarheid aan het licht treden. De wet werd wel door Mozes gegeven; maar de genade en de waarheid zijn in Jezus Christus geworden.

Daarom heette die doop bij Johannes dan ook doop der |14| bekeering tot vergeving der zonden. Niet alsof hij slechts naar de vergeving der zonden in de toekomst heenwees; maar de doop was een teeken en zegel van dat oprechte geloof en die waarachtige bekeering, welke de vergeving der zonden meebrengen. Johannes was immers geen prediker der wet alleen, maar ook een verkondiger van het evangelie; hij wees heen naar het Lam, dat de zonden der wereld zou wegdragen, en verkondigde met het oog op dien komenden Messias de nadering van het Godsrijk, waartoe de doop der bekeering den toegang ontsloot.


III.

De plaats, waar Johannes de Dooper met zijne prediking van bekeering en vergeving der zonden optrad, was de woestijn van Judea. Daar was hij geboren; daar verkeerde hij in de dagen zijner jeugd; daar kwam het Woord Gods tot hem; en daar trad hij eindelijk op dertig-jarigen leeftijd op, predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden.

Zijne prediking maakte een geweldigen opgang. Van alle kanten stroomden de scharen toe, om van zijne lippen de vermaning tot bekeering met het oog op het naderend Godsrijk te vernemen. Jeruzalem ging tot hem uit en geheel Judea en het geheele land rondom de Jordaan. Er waren Pharizeën onder en Sadduceën, priesters en levieten, tollenaren en zondaren. En allen werd door den boetgezant in krachtdadige en profetische taal aangezegd, dat zij zich bekeeren zouden van hunne booze werken en hunne zouden belijden, om alzoo deel te hebben aan de goederen van het koninkrijk der hemelen, dat straks door den Messias op aarde gesticht worden zou.

Allen nu, die zijne prediking aannamen en belijdenis van hunne zonden deden, werden door Johannes gedoopt. Aan |15| den doop ging eene openlijke, duidelijke belijdenis van zonden vooraf; eene belijdenis, die zeker niet voor allen dezelfde en niet in een bepaalde formule vervat was, maar die verschilde naar het onderscheid der personen en van hunne toestanden en verhoudingen. En op die belijdenis volgde de doop onmiddellijk; er verliep schier geen tijd tusschen. Want die doop had niet plaats in eene vergadering der geloovigen, in een daarvoor bestemd gebouw. Maar hij werd voltrokken in de open lucht, in de rivier de Jordaan; ten aanschouwen van vele, zeer onderscheidene hoorders; zonder formulieren of plechtigheden, in grooten eenvoud en soberheid.

Op die wijze werd ook Jezus gedoopt. Hij kwam zelf met opzet uit Galilea tot Johannes bij de Jordaan, ten einde van hem gedoopt te worden. Het zich laten doopen door Johannes was een wezenlijk bestanddeel van het werk, dat de Vader Hem opgedragen had om te doen. Hij moest daarin de gerechtigheid vervullen, dat is, datgene volbrengen, wat door den Vader van Hem geëischt werd. In dien doop vatte Hij zich als de ware Knecht des Heeren met zijn schuldig en onrein volk samen; voltrok Hij over zichzelf het oordeel, dat zijn volk had verdiend; maar werd Hij daarom ook, terstond nadat Hij uit het water opgeklommen was, met den Geest Gods gezalfd en openlijk van uit den hemel door God als zijn geliefde Zoon erkend.

Jezus liet zich echter niet alleen door Johannes doopen, maar Hij nam den doop ook van Johannes over. Toen Hij voor de eerste maal na zijn optreden op het Paaschfeest te Jeruzalem was, ging Hij van daar met zijne discipelen naar het land van Judea, en vertoefde daar een tijd, om te doopen. Zelf doopte Hij wel niet, maar Hij liet toch doopen door zijne discipelen. En dezen bedienden den doop ongetwijfeld op dezelfde manier als Johannes; |16| niet in eene vergadering der gemeente, maar in de open lucht en terstond na belijdenis van zonden en van geloof.

Ook later, toen de discipelen van Jezus tot eene gemeente afgezonderd en georganiseerd waren, werd deze gewoonte nog gevolgd. Want toen op den Pinksterdag velen het woord van Petrus gaarne aannamen, werden zij, omtrent drie duizend zielen in getal, terstond gedoopt. De Samaritanen, die Filippus geloofden, als hij hun het evangelie van het koninkrijk Gods en den naam van Jezus Christus verkondigde, werden terstond gedoopt, beide man nen en vrouwen. Toen de Kamerling door dezen zelfden evangelist tot het geloof in Christus was gebracht, werd hij, onderweg bij een zeker water aangekomen zijnde, na belijdenis gedoopt. Tusschen de bekeering van Paulus op den weg van Damaskus en zijn doop verliepen slechts enkele dagen. Petrus ging terstond tot doopen over, toen hij zag, dat de Heilige Geest gevallen was op allen, die in het huis van Cornelius te Cesarea zijn woord hoorden. Lydia ontving den doop, nadat de Heere haar het hart geopend had, zoodat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. De stokbewaarder werd met al de zijnen terstond gedoopt, nadat Paulus en Silas hun het Woord Gods verkondigd hadden. En de discipelen te Eféze werden na het hooren van Paulus in den naam van den Heere Jezus gedoopt.

De regel in den apostolischen tijd was dus deze, dat iemand het evangelie hoorde verkondigen, en zoodra hij betuigde te gelooven, den doop ontving. Op eene bepaalde samenkomst der geloovigen, op eene formeele godsdienstoefening in het midden der gemeente werd in het geheel niet gewacht. De doop had plaats, zoodra er gelegenheid toe was; soms, zonder dat iemand erbij tegenwoordig was, zooals in het geval van den Kamerling en van Paulus; |17| in het open veld of in eene private woning; zonder voor geschreven gebruiken of vastgestelde ceremoniën.

Toch is het zeer wel mogelijk en ook waarschijnlijk, dat er nu en dan een langere tijd verliep tusschen het oogenblik, waarop iemand bekeerd werd en dat, waarop hij den doop ontving. Van Paulus weten wij, dat er minstens drie dagen tusschen verliepen, waarin hij niet zag en niet at en niet dronk. Voorts is ons ook bekend, dat bediening van het Woord en bediening van den doop niet altijd samengingen. Jezus predikte zelf wel maar doopte niet en liet dit over aan zijne jongeren. Petrus beval wel, dat Cornelius en de zijnen gedoopt zouden worden, maar doopte hen zelf niet. En Paulus verklaart uitdrukkelijk, dat hij in Corinthe slechts enkele personen gedoopt heeft en dat Christus hem niet gezonden had om te doopen, maar om het evangelie te verkondigen. Meermalen moet het daarom zijn voorgekomen, dat er verkondiging des evangelies plaats had, zonder dat er tegelijk gelegenheid werd gegeven tot het ontvangen van den doop.

De godsdienstige handelingen van de eerste Christengemeenten bestonden dan ook in leer, gemeenschap, breking des broods en gebeden. En van den doop is daarbij geen sprake. Deze was een teeken en zegel van de opneming in de Christelijke gemeenschap, van het aandoen van Christus, van het ingelijfd worden in zijn lichaam en ging dus aan de samenkomsten der gemeente meer vooraf, dan dat hij er een bestanddeel van uitmaakte.

Dit wordt te begrijpelijker, wanneer men bedenkt, dat de Christelijke gemeenten in den eersten tijd niet gelijk thans bij ons uit de kinderen der geloovigen gebouwd, maar uit Joden en Heidehen gevormd, en dus overal voor het eerst gesticht werden. Evenals de dienaar des Woords, die tegenwoordig onder de Heidenen arbeidt, eerst door |18| prediking en doop eene gemeente vormen moet, die dan langzamerhand beter en vaster wordt georganiseerd, zoo was het ook in den apostolischen tijd.

De doop werd daarom bediend op tijden en plaatsen, die voor ons geen maatstaf meer kunnen zijn. Evenmin als het feit, dat de doop gewoonlijk geschiedde in eene rivier of in een water op het open veld, is ook de regel, dat de doop terstond op de bekeering volgde, voor ons bindend. De doopsbediening behoort volgens aller overtuiging thans te geschieden in de openbare vergadering der geloovigen en is daardoor vanzelf ook van eene strikte tijdsbepaling losgemaakt.


IV.

Behalve de bovengenoemde redenen zijn er nog andere, die het duidelijk maken, dat de doop niet altijd terstond op de bekeering volgen kon. Het sacrament is geen magisch werkend toovermiddel, maar onderstelt van de zijde des ontvangers het geloof; het is alleen voor de geloovigen ingesteld en eischt dus, dat aan zijne bediening eene kortere of langere belijdenis des geloofs voorafga.

Belijdenis des geloofs is echter niet mogelijk zonder eenige kennis der waarheid. Jezus had daarom vóór zijne hemelvaart bevolen, dat de apostelen aan alle creaturen het Evangelie moesten verkondigen en alle volken tot zijne discipelen moesten maken, door hen te doopen in den naam van den drieëenigen God en door hen te leeren onderhouden, alwat Hij hun geboden had.

Naarmate de gemeente zich uitbreidde, werd op die kennis en belijdenis der waarheid steeds sterker nadruk gelegd. In den allereersten tijd kon iemand, gelijk de kamerling en de stokbewaarder, volstaan met de korte belijdenis, dat hij geloofde, dat Jezus de Christus was. Maar |19| weldra ontwikkelden zich in en buiten de gemeente allerlei dwalingen en ketterijen. De belijdenis van Jezus als den Christus bleek niet meer voldoende; zij sloot volstrekt niet uit, dat iemand daarbij verkeerde voorstellingen en inzichten omtrent de waarheid koesterde. In de latere geschriften des Nieuwen Testaments, bijv. in de brieven aan Timotheüs en Titus, in de brieven en in het boek der Openbaring van Johannes, komt daarom telkens de vermaning aan de geloovigen voor, om te blijven in de zuivere, gezonde leer, welke door de apostelen is overgeleverd, en niet uit te vallen van hunne vastigheid.

Daarbij kwam, dat de zuiverheid der bedoeling en de oprechtheid der gezindheid van hen, die tot het Christendom overkwamen, hoe langer hoe meer in verdenking kwam. De gemeente deed spoedig bittere ervaringen met sommigen harer leden op. Simon de toovenaar wilde de gave des H. Geestes koopen voor geld. Demas kreeg de tegenwoordige wereld weer lief. Hymeneüs en Alexander en vele anderen leden schipbreuk van het geloof. Velen keerden na korter of langer tijd aan de gemeente den rug toe, waarbij zij zich eerst hadden aangesloten, maar tot welke zij nooit in waarheid met hun hart hadden behoord. En toen later de vervolging kwam, werd dit aantal nog grooter. Bij velen ging het woord van Jezus in vervulling, dat hun geloof geen wortel had in zichzelve en slechts was voor een tijd; toen verdrukking en vervolging kwam om des Woords wil, werden zij terstond geërgerd.

En afgedacht van dit alles, toen het Christendom zich uitbreidde, werd het des te meer geplant in steden en vlekken, die buiten de middelpunten der beschaving gelegen en in het schrikkelijkst bijgeloof verzonken waren. Ook al was iemands bekeering oprecht en al was zijne begeerte, om gedoopt te worden, zuiver en onverdacht, de onkunde was |20| toch zoo groot, en de kennis der waarheid zoo gering, dat er eerst een tijd van beproeving en onderwijzing aan den doop diende vooraf te gaan.

Al deze oorzaken deden in de tweede eeuw het zoogenaamde catechumenaat ontstaan. Voor hen, die uit Joden- en Heidendom tot de gemeente wilden overkomen en hunne begeerte naar den doop te kennen gaven, werd allengs overal een kortere of langere proeftijd ingesteld. Deze proeftijd droeg van den eersten tijd af zoowel een dogmatisch als een ethisch karakter. De kerk was er van den aanvang af op uit, om zulke personen, die zich bij haar wilden voegen, te onderwijzen in de leer der waarheid en tegelijk in zedelijken zin voor te bereiden voor de ontvangst van den doop. Onderwijs en opvoeding gingen in de catechese saam; leer en tucht waren daarin ten nauwste met elkander verbonden. De voorafgegane Joodsche en Heidensche levensbeschouwing en levenswijze; de aard der Christelijke waarheid, die immers eene waarheid naar de godzaligheid is; de toetreding tot de gemeente van Christus en de ontvangst van den heiligen doop bepaalden het karakter van den proeftijd en drukten er dezen dubbelen stempel van onderwijs en opvoeding op.

De duur van het catechumenaat was zeer onderscheiden. Al vielen volgens het Nieuwe Testament in den eersten tijd het hooren van het Evangelie en de ontvangst van den doop dikwerf op éénen dag samen; de kerk nam zeer terecht de vrijheid, van deze tijdsbepaling af te wijken en tusschen beide handelingen een korteren of langeren proeftijd in te schuiven. Deze proeftijd verschilde in duur in verschillende tijden en op verschillende plaatsen en ook ten aanzien van verschillende personen. De oudkerkelijke getuigenissen spreken nu eens van enkele dagen, dan weer van eenige maanden, en dikwerf ook van twee of drie |21| jaren. Een korte proeftijd was voldoende, als de kennis der waarheid genoegzaam en de oprechtheid der bekeering onverdacht was. Maar toen de vervolging velen wankelen deed en de kerk op haar eigen veiligheid bedacht moest zijn, of ook, toen de overgang tot het Christendom eene zaak van mode werd en door velen om uitwendige voordeelen gemaakt werd, toen moest de proeftijd dikwerf wel over maanden en jaren worden uitgebreid.

De personen, die op deze wijze voor den doop werden onderwezen en voorbereid, woonden in den eersten tijd de godsdienstige samenkomsten der geloovigen niet bij. Wel stond volgens Paulus, 1 Cor. 14 : 23 v., in de gemeente van Corinthe die godsdienstoefening, waarin het lezen en verkondigen van Gods Woord plaats had, ook voor ongeloovigen open. Maar toen later de vervolging uitbrak, moesten de leden der gemeente in het belang hunner veiligheid toezien, dat geen vreemden hunne vergaderingen bijwoonden. De samenkomsten der gemeente kregen daarom vanzelf een gesloten karakter; alleen zij werden toegelaten, die tot de broeders en zusters behoorden, die den doop hadden ontvangen en deelnamen aan het avondmaal.

Zij, die zich bij de gemeente wenschten te voegen, kregen daarom privaat onderwijs, hetzij van een ambteloos lid der gemeente, hetzij van een diaken, presbyter of bisschop. Soms nam het zelfs, bijv. in de catechetenschool te Alexandrië, een meer methodisch, wetenschappelijk karakter aan, werd het in cursussen verdeeld, en diende het tot bevordering van de wetenschap der Theologie.

Maar spoedig moet daarin toch reeds eene verandering gekomen zijn. Want volgens Tertullianus en Origenes woonden de catechumenen niet dan eerst de samenkomst der geloovigen bij, wanneer zij gedoopt en der gemeente ingelijfd werden, maar hadden zij reeds lang te voren, |22| althans tot een gedeelte van de godsdienstoefening, toegang. Zelfs schijnt het, dat er onder de catechumenen allerlei onderscheidingen kwamen. Daar waren er, die alleen privaat onderwijs genoten; anderen mochten de prediking des Woords in de openbare godsdienstoefening bijwonen; en nog weer anderen mochten ook blijven bij het gebed, dat aan het einde der prediking uitgesproken werd.

Maar zonder onderscheid moesten allen, die nog niet gedoopt waren, de samenkomst der geloovigen verlaten, voordat het avondmaal werd gevierd. Dit had alleen plaats in het midden der gemeente en werd uitsluitend door broeders en zusters bijgewoond.


V.

In de tweede eeuw kwam er dus eene groote tusschenruimte tusschen de kenbaar gemaakte begeerte, om gedoopt te worden, en de ontvangst van den doop zelve, en in verband daarmede ook eene groote scheiding tusschen hen, die door onderwijs en tucht voor den doop werden voorbereid, en degenen, die reeds door den doop der gemeente waren ingelijfd.

De eersten mochten alleen de prediking des Woords in de godsdienstoefening der gemeente bijwonen, maar de laatsten bleven ook in de vergadering tegenwoordig, wanneer het homiletisch gedeelte der godsdienstoefening voorbij was en door het eucharistisch deel, door de viering van het heilig avondmaal, vervangen werd.

De godsdienstoefening der gemeente viel daarom in twee, scherp onderscheiden en gescheiden, deelen uiteen. Maar deze onderscheiding droeg een gansch ander karakter, dan die, welke uit het Nieuwe Testament ons bekend is. En het is van belang, om van dit verschil zich helder rekenschap te geven. |23|

Volgens Hand. 2 : 46 en 5 : 42 bestonden er in de gemeente te Jeruzalem twee onderscheidene samenkomsten. Ten eerste hadden de geloovigen aldaar de gewoonte, om dagelijks, vooral bij het morgen- en avondoffer, in den tempel, inzonderheid in den voorhof van Salomo, samen te komen en deel te nemen aan de voorlezing der Oud-Testamentische Schrift en aan de gebeden. Zij braken dus niet op revolutionaire wijze met den Joodschen godsdienst, en scheidden niet eigenmachtig en willekeurig zich af, maar wachtten, totdat God zelf hen uit den tempel en uit het Jodendom uitleiden en dezen aan de verwoesting en aan de verharding prijsgeven zou.

Maar al is het, dat zij nog dagelijks in den tempel samenkwamen, zij vormden toch onder de Joden reeds eene zelfstandige, Christelijke gemeente. Want zij zwegen niet van het geloof, dat hen van de Joden scheidde, maar maakten van de gelegenheid in den tempel en ook elders gebruik, om openlijk aan allen Jezus als den Christus te verkondigen, Hd. 2 : 22, 3 : 13, 4 : 10, 5 : 20, 42 enz. Deze samenkomsten droegen daarom vooral een missioneerend karakter; zij dienden tot prediking van het Evangelie aan hunne volksgenooten.

Maar uit den aard der zaak hadden de Christenen aan die openbare samenkomsten in den tempel niet genoeg. Zij vergaderden ook dagelijks in private woningen, oefenden gemeenschap met elkander onder de breking des broods, aten te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten, volhardden in de leer der apostelen en in degebeden, en dankten en prezen God. Prediking des Woords en viering van het heilig avondmaal, gebed en gezang waren van het ontstaan der Christelijke gemeente af de hoofdbestanddeelen van hare godsdienstoefeningen. De breking des broods nam daaronder de voornaamste plaats in; al het |24| andere groepeerde zich om haar henen: naar haar werd heel de samenkomst genoemd; zij had dagelijks, in de huizen der geloovigen, plaats; de avondmaalsviering, begeleid van leering en gesprek, van gebed en gezang, was het hart en het middelpunt van heel den Christelijken eeredienst.

Maar lang kon deze toestand niet blijven. De houding van de Joden tegenover de jeugdige Christengemeente werd hoe langer hoe vijandiger en ging spoedig in vervolging over. Aan de samenkomsten der geloovigen in den tempel kwam een einde; de dagelijksche vergaderingen in de private woningen werden bemoeielijkt en verminderden in aantal; de voornaamste samenkomsten werden langzamerhand op den eersten dag der week, den gedenkdag van Christus’ opstanding gesteld. En de scheiding, die in Jeruzalem eerst langzamerhand tusschen Joden en Christenen zich voltrok, was in de gemeenten uit de Heidenen van huis uit aanwezig.

Toch weten wij uit 1 Cor. 11-14, dat ook in die gemeenten uit de Heidenen twee onderscheidene samenkomsten bestonden. De eerste had waarschijnlijk op den dag des Heeren in den morgenstond plaats, stond ook voor ongeloovigen open, en was vooral gewijd aan leer (door profetie, glossolalie, en voorlezing), gezang en gebed. Daarvan was eene andere samenkomst onderscheiden, die gewoonlijk in den avond plaats had, alleen voor de geloovigen en gedoopten toegankelijk was en vooral bestond in het vieren van het met een liefde-maaltijd verbonden heilige avondmaal.

In deze samenkomsten kwam er in de tweede eeuw eene groote verandering. De oorzaken voor die verandering zijn onbekend en worden daarom verschillend aangegeven. Maar het feit staat vast en is voor geen tegenspraak vatbaar. |25|

Ten eerste werd de viering van het avondmaal, die in den apostolischen tijd altijd met het houden van liefdemaaltijden verbonden was, van die liefde-maaltijden losgemaakt en uit de avond-godsdienstoefening in die van den vroegen morgenstond verlegd. Gezang, voorlezing der Schrift, prediking des Woords, gebed en avondmaalsviering werden aldus in ééne godsdienstoefening samengevoegd.

Maar ten andere werd tegen het einde der eeuw deze ééne godsdienstoefening wederom in twee deelen gesplitst. Het eerste deel bestond in de voorlezing der Schrift en in eene vermanende toespraak en werd ook voor de catechumenen opengesteld; in het tweede deel had de viering van het avondmaal plaats, welke niet aanving, dan nadat alle niet-gedoopten verwijderd en alleen de gedoopte en belijdende geloovigen overgebleven waren.

Deze splitsing der ééne godsdienstoefening in twee deelen scheidde de gemeente in twee groepen, in die der niet- en die der wèl-ingewijden.

De aanleiding tot deze splitsing was misschien vrij onschuldig. Eenerzijds wilde men de catechumenen, die reeds een tijd lang privaat onderwijs in de waarheid ontvingen, niet van de openbare prediking des Woords uitsluiten; en anderzijds was men erop bedacht, om het heilige voor ontwijding en de gemeente voor verdachtmaking en vervolging te vrijwaren.

Maar zeer waarschijnlijk heeft op die splitsing de inrichting der in dien tijd wijdverbreide Heidensche mysteriën invloed gehad. Er bestonden toen onder de Heidenen allerlei geheime genootschappen, die in verschillende afdeelingen gesplitst waren en hunne leden langs vele trappen heen en onder allerlei ceremoniën door tot de diepste verborgenheden inleidden.

Waarschijnlijk werd ook de Christelijke godsdienstoefening |26| langzamerhand onder zulk een gezichtspunt beschouwd. Door privaat en publiek onderricht heen werden zij, die Christenen wilden worden, voor den doop voorbereid en dan door dien doop tot het inwendig deel der godsdienstoefening, tot de heerlijkste acte der gemeenschap, tot de viering des avondmaals ingeleid.

De doop werd alzoo de groote inwijdingsacte tot de Christelijke gemeente en tot hare mysteriën, de verborgenheden des geloofs.


VI.

De splitsing der morgengodsdienstoefening in twee onderscheiden deelen had ten gevolge, dat het tweede gedeelte, waarin de viering van het avondmaal de hoofdzaak was, hoe langer hoe meer, ook onder den invloed der Heidensche mysteriën, in een geheimzinnig waas werd gehuld.

Alleen de ingewijden, de gedoopte geloovigen, mochten daaraan deelnemen. Aan alle anderen, niet slechts aan de ongeloovigen, maar ook aan de catechumenen en gecensureerden, was de toegang en de bijwoning ontzegd.

En een lange voorbereidingstijd was noodig, eer zij, die de begeerte te kennen hadden gegeven om Christenen te worden, tot den doop en door de inwijdingsacte van den doop tot het avondmaal werden toegelaten.

Het grootste deel der catechumenen bestond uit Joden en Heidenen, die de begeerte geuit hadden, om Christen te worden. Maar een ander deel werd gevormd door hen, die uit Christen-ouders geboren waren, doch in hun jeugd den doop niet hadden ontvangen.

Natuurlijk was de proeftijd, die aan deze catechumenen gesteld werd, in verschillende kerken en in verband met het verschil van personen en toestanden, onderscheiden in duur. |27|

Maar langzamerhand kwam daarin toch op vele plaatsen een zekere orde en een meer geregelde gang. De catechumenen werden als het ware in klassen verdeeld, en bij iedere bevordering hadden er dan eene reeks van plechtigheden plaats.

Vooral drie groepen zijn er te onderscheiden. De eerste groep bestond uit hen, die zich bij een of ander lid der gemeente aanmeldden, om van hem eenig voorloopig onderwijs in den Christelijken godsdienst te ontvangen, en den wensch te kennen gaven, om later gedoopt te worden. Reeds bij de aanneming van deze personen hadden er soms eenige plechtigheden plaats, bestaande in afzwering van de Heidensche dwalingen, in het kenbaar maken van de begeerte om van de kerk het geloof te ontvangen, in het uitdrijven bij hen van de booze macht van den duivel, in de zegening met het kruisteeken op hoofd en borst, en in oplegging der handen.

Na een tijd lang van een of ander lid der gemeente onderwijs te hebben ontvangen, werden deze personen opgenomen in den engeren kring der catechumeni, die niet alleen privaat onderricht genoten, maar ook toegelaten werden tot het eerste deel der godsdienstoefening. n.l. tot de lezing en de prediking des Woords, en later ook tot het gebed, dat aan het einde der prediking door de gemeente in het bijzonder voor de catechumenen werd opgezonden. Ook deze opneming in den kring der catechumeni ging met verschillende plechtigheden gepaard, o.a. met de handoplegging en met de zegening en overgave van een korrel zout, als symbool ervan, dat de geloovigen het zout der aarde moeten zijn.

Eindelijk volgde de groep dergenen, die binnen enkele dagen of weken den doop zouden ontvangen. Ofschoon n.l. de kerk steeds erkende, dat de doop op alle tijden en |28| aan alle plaatsen bediend mocht worden, bracht het stelsel van het catechumenaat toch mede, dat er allengs bepaalde tijden voor den doop werden bestemd. Als zulke dooptijden golden vooral de gedenkdagen van Christus en van de martelaren en onder deze vooral het Paaschfeest. Want in den doop werden de geloovigen immers de gemeenschap met Christus, in zijn dood en in zijne opstanding, deelachtig.

De twee, drie of zes weken, welke aan het Paaschfeest voorafgingen, waren voor die catechumenen, welke op dien dag den heiligen doop zouden ontvangen, een tijd van ernstige zelfbeproeving, eene voorbereiding in engeren zin. Zij moesten dan van vele dingen zich onthouden, zich oefenen door vasten en waken, door gebed en overpeinzing, teneinde straks op waardige wijze het sacrament van den doop te ontvangen. En als dan de groote dag der inwijding tot de Christelijke mysteriën gekomen was, werd de doop aan de catechumenen op de plechtigste wijze, onder allerlei ceremoniën toebediend. Duivelbanning, opening van ooren en mond voor het hooren en verkondigen van Gods Woord, zalving en handoplegging, naamgeving en het aandoen van eene nieuwe kleeding symboliseerden den grooten overgang, die door den doop uit het rijk der duisternis in dat des lichts plaats greep.

Na de vijfde eeuw is deze instelling van het catechumenaat langzamerhand in verval gekomen. Immers maakte toen de doop van volwassenen in het gekerstend Europa hoe langer hoe meer voor den Kinderdoop plaats. Er kwam toen wel onderwijzing van de gedoopte kinderen voor in de plaats. Maar deze droeg een gansch ander karakter dan het catechumenaat, hetwelk bepaaldelijk eene voorbereiding was voor den doop, voor de opneming en inlijving in de Christelijke gemeente. Maar wat hierbij vooral opmerking verdient, is dit, dat |29| de liturgische gebruiken en de kerkelijke ceremoniën, die door het catechumenaat in zwang gekomen waren, bestaan bleven en op den Kinderdoop werden toegepast. De toestanden mochten veranderen, maar de kerk hield aan hare gebruiken vast. Zij bracht hier en daar wel eenige wijziging aan, en paste de oude vormen aan de nieuwe toestanden aan, maar zij schafte die vormen niet af en hield ze tot op den huidigen dag in eere.

Men behoeft nog slechts oppervlakkig kennis te nemen van het ritueel, dat in de Roomsche kerk bij den doop in acht genomen wordt, om van de waarheid hiervan overtuigd te worden. Al de gebruiken, die vroeger door het catechumenaat opgekomen waren en over heel den tijd der voorbereiding heen zich uitbreidden, zijn bij den doop in de Roomsche kerk wel tot eenige oogenblikken saamgedrongen, maar toch in het wezen der zaak onveranderd bewaard gebleven.

Eerst wordt de doopeling naar de kerk gebracht, aan welker ingang de priester, met paarse stool gekleed, uit droefheid over den geestelijken dood, waarin de doopeling nog gevangen ligt, hem opwacht. Want als slaaf van Satan mag de doopeling niet terstond de kerk, het huis Gods, binnentreden. Daar ontvangt hij een nieuwen naam, den naam van een heilige, opdat hij in dezen een voorspraak hebbe bij God. Bij dezen nieuwen naam spreekt de priester den doopeling aan en vraagt hem, wat hij verlangt. Deze geeft ten antwoord: het geloof, dat is het geloof, dat de Christelijke kerk belijdt. Hij zegt niet: den doop, want hij wordt, evenals eertijds degenen, die zich voor het eerst aanmeldden om Christen te worden, ondersteld nog niet de leer des geloofs te bezitten, en moet dit dus eerst door onderwijs van de kerk ontvangen. De priester doet hem daarop de vraag: wat geeft u dat geloof? En het |30| antwoord luidt: het eeuwige leven. Waarop de priester wederom zegt: indien gij ten leven wilt ingaan, zoo bewaar de geboden: gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw hart en geheel uwe ziel en geheel uw verstand, en den naaste als uzelven.

Na dit korte onderwijs in de leer des geloofs en des levens, blaast de priester den doopeling driemaal zacht in het aangezicht, om den onzuiveren geest te verdrijven en voor den H. Geest plaats te doen maken. Vervolgens teekent hij voorhoofd en borst van den doopeling met het teeken des kruises, om hem aan Christus en zijn dienst te wijden. Daarna legt hij de hand op zijn hoofd en smeekt Gods genade over den doopeling af; legt hem het gewijde zout in den mond, om hem van alle besmetting der zonde te reinigen; bezweert ten tweeden male den Satan, om den doopeling onverwijld te verlaten, en vernieuwt de handoplegging.

Dit alles heeft nog buiten de kerk aan den ingang plaats. Maar na deze ceremoniën legt de priester het uiterste deel van zijn stool op den doopeling en leidt hem zoo ten teeken van zijne kerkelijke macht, de kerk binnen. Maar nog is de doopeling niet genoegzaam voor de ontvangst van den doop voorbereid. Nog mag hij niet ineens tot het doopvont naderen. Op een afstand daarvan blijft de priester met den doopeling staan; spreekt de Apostolische geloofsbelijdenis en het Onze Vader uit; bezweert ten derde male den Satan; bestrijkt de ooren van den doopeling met speeksel, om ze te openen voor het Evangelie, en den neus, om hem de heilige gezindheid mede te deelen, die zijne werken Gode aangenaam maakt; doet, daarna aan den doopeling de drie vragen: verzaakt gij den duivel, en zijne werken, en al zijne ijdelheden? — en zalft hem ten slotte borst en schouders met de heilige olie.

Nu is eerst het oogenblik gekomen, dat de doop zal |31| toebediend worden. De priester legt de paarse stool af en doet eene witte aan, tot bewijs van zijne vreugde, dat de doopeling uit den staat der zonde in dien der genade zal overgaan. Maar vooraf doet hij den doopeling nog eenige vragen, of hij gelooft in God den Vader, in Christus, in den H. Geest, in de ééne, heilige, Katholieke kerk enz., welke alle met: „ik geloof”, beantwoord worden. De laatste vraag luidt dan: wilt gij gedoopt worden? En na het antwoord: „ik wil”, wordt dan de doop toegediend, met heilig water, dat op Paasch- of Pinkster-Zaterdag gewijd is en heel het jaar door in het doopvont bewaard wordt.

Ook na den doop volgen nog eenige ceremoniën. De gedoopte wordt op de kruin van zijn hoofd gezalfd, als zinnebeeld van de zalving met den H. Geest. De priester reikt hem een wit kleed over, ten teeken van de reinheid, waarmede hij thans voor God staat en die hij vlekkeloos bewaren moet. Hij geeft hem eindelijk eene brandende kaars in de hand, tot zinnebeeld van het licht des geloofs, dat in zijne ziel ontstoken is en waarin hij voortaan te wandelen heeft. Daarna laat hij hem gaan met de woorden: ga heen in vrede en de Heere zij met u!

Al deze ceremoniën nu, waarmede de doop in de Roomsche kerk omgeven is, zijn ontstaan in de tweede tot de vijfde eeuw, waarin het catechumenaat opkwam en bloeide. Zij onderstellen, dat degene, die gedoopt wilde worden, volwassen was: dat hij eerst nog door onderwijs de leer des geloofs van de kerk ontvangen moest; dat hij uit het Heidendom, het gebied van den Satan, overkwam; dat hij zelf persoonlijk van zijn geloof belijdenis deed; dat hij bij den doop door onderdompeling zijn oud gewaad aflegde en een nieuw aandeed enz.

In één woord, de doop der Volwassenen is in alle opzichten het voorbeeld en model van den Kinderdoop geweest. |32|


VII.

Al de plechtigheden, die in de eerste eeuwen bij en rondom den doop zijn ontstaan, onderstellen, dat hij aan volwassenen werd bediend. Men kan er zich, tot recht verstand van het wezen van den doop, haast niet genoeg van doordringen, dat de bejaardendoop in de eerste eeuwen van het Christendom de algemeene regel is geweest.

Dit lag trouwens ook in den aard der zaak. Het Christendom had wel onder Israël zijne voorbereiding gehad, maar het was toch een nieuwe godsdienst, die de verdoemelijkheid van Joden en Heidenen onderstelde en hun allen den éénen Naam verkondigde, dien God onder den hemel tot zaligheid voor menschen gegeven had. De prediking van het Evangelie richtte zich dus tot de volwassenen; de gemeente moest eerst onder de volken geplant worden, eer zij zich voortzetten kon van geslacht tot geslacht; de ouders moesten eerst voor de belijdenis van Christus gewonnen worden, eer hunne kinderen met hen als burgers in het koninkrijk der hemelen konden worden opgenomen.

Zoo was de toestand in de eerste eeuw, toen de apostelen uitgingen, om het Evangelie te verkondigen. Maar zoo bleef de toestand ook nog enkele eeuwen daarna. De Christelijke gemeente bleef eene zendingsgemeente. Wel plantte zij zich aanstonds ook voort van ouders op kinderen; maar bovenal breidde zij zich uit in altijd wijder kring onder de Joodsche en Heidensche bevolking. Hoe langer hoe meer hadden er overgangen tot het Christendom plaats. Vooral als de vervolging gematigd of gestaakt werd, boden gansche scharen zich aan, om opgenomen te worden in de Christelijke gemeente.

Het spreekt vanzelf, dat op deze uitbreiding al de aandacht viel, en dat de inwendige, geestelijke groei in de |33| schaduw trad bij de snelle, massale, uitwendige vermeerdering van het aantal belijders van Christus. En wijl de doop het teeken en zegel was van de inlijving in Christus en zijne gemeente, werd hij vanzelf het middelpunt van allerlei plechtige ceremoniën, de lang voorbereide inwijdingsacte tot de kerk en hare mysteriën. De proselietendoop, de doop, aan zulke volwassen personen bediend, die uit Joden- of Heidendom overkwamen, was de doop bij uitnemendheid; van dezen is schier uitsluitend sprake in het Nieuwe Testament en bij de oud-kerkelijke schrijvers; en van den Kinderdoop wordt, althans in uitdrukkelijke woorden, nergens gesproken.

De eerste, die er eenige melding van maakt, is Tertullianus. En deze bestrijdt hem wel is waar, maar de reden, waarom hij dit doet, is zeer opmerkelijk. Hij bestrijdt den Kinderdoop niet, omdat deze met de leer der apostelen in strijd en eene ongeoorloofde nieuwigheid zou zijn. Ware dat het geval, dan zou het getuigenis van Tertullianus tegen den Kinderdoop van groote beteekenis zijn. Doch dit is niet zoo. Zijn getuigenis behelst niets dergelijks en levert daarom veel meer bewijs, dat in de dagen van Tertullianus de Kinderdoop al vrij algemeen gebruikelijk was en als apostolisch beschouwd werd. Origenes zegt dan ook reeds, dat de doop in zijne dagen algemeen aan de kinderen der geloovigen bediend werd en dat men alzoo handelde in overeenstemming met de apostolische traditie.

De reden, waarom Tertullianus den Kinderdoop bestrijdt, was eene gansch andere. De doop was eene afsterving van den ouden en eene opstanding van den nieuwen mensch. Maar hoe, als de gedoopten later weer eens in grove zonden terugvielen? De oude kerk peinsde hierover, maar had er geen antwoord op. Later is Rome door dit probleem tot de invoering van het sacrament der boete gekomen; |34| maar in den eersten tijd wist men er geen oplossing voor. Sommigen waren zeer streng en achtten, dat zij, die van het Christendom tot het Heidendom terugvielen of in de vervolging Christus verloochenden, voor eeuwig verloren waren. Anderen onthielden zich van een oordeel en lieten zulke afvalligen aan Gods genade over. Nog anderen meenden, dat dergelijke personen toch wel weer, na oprecht en ernstig berouw, in de kerk konden worden opgenomen.

In elk geval bestond er te dezer zake groot verschil van gevoelen. Vandaar scheen het aan velen het veiligst toe, om den doop zoo lang mogelijk uit te stellen. Men liep dan geen gevaar, om later door eene of andere zonde de genade des doops wederom te verliezen, en misschien dan voorgoed van de zaligheid of althans van de gemeenschap der kerk te worden uitgesloten.

Zoo weten wij bijv. van velen, zelfs van zulken, die uit Christenouders geboren waren, dat zij eerst op lateren leeftijd werden gedoopt. Met Ambrosius en Augustinus was dit het geval; en Gregorius van Nazianz, keizer Valentinianus II, (die daarom stierf, zonder gedoopt te zijn,) Constantijn de Groote en vele anderen stelden den doop langen tijd na hunne bekeering uit. Natuurlijk geschiedde dit menigmaal ook uit minder edele beweegredenen. Daar de doop tot een Christelijk leven verplichtte, meenden sommigen, dat zij, zoolang zij niet gedoopt waren, vrij aan hun booze lusten konden botvieren; en zij geloofden, dat zij, als zij zich maar op hun sterfbed lieten doopen, door het water van den doop ineens van alle zonden gereinigd zouden zijn. Anderen vreesden voor de gevaren en de verzoekingen der jeugd, en meenden beter te doen, als zij het doopkleed der onschuld niet bloot stelden aan mogelijke verontreiniging door de zonden der jongelingsjaren. Zoo |35| oordeelde bijv. Monica, de moeder van Augustinus. Nog weer anderen lieten hunne kinderen eerst op later leeftijd doopen, omdat zij dan zelven de beteekenis van den doop konden verstaan.

Zoo verschillend waren dus de redenen, waarom door velen in de eerste eeuwen de doop, dikwerf zoo lang mogelijk, werd uitgesteld. Tot degenen, die zulk een uitstel goed en nuttig oordeelden, behoorde ook Tertullianus. Waarom, zoo vraagt hij, zal men bij kinderen, die betrekkelijk nog onschuldig zijn, zoo haasten met den doop? Als men den ernst en het gewicht van den doop indenkt, is het veel begrijpelijker, dat men den doop zoo lang mogelijk uitstelt, dan dat men hem zoo spoedig mogelijk begeert.

Maar, al is het mogelijk, dat soortgelijke beschouwing hier en daar den Kinderdoop tegenhield, feit is toch, dat hij langzamerhand allerwegen in de Christelijke kerk in gebruik kwam. De gang is daarbij deze geweest, dat in den eersten tijd schier uitsluitend de bejaardendoop regel was; dat vervolgens naast den bejaardendoop de Kinderdoop opkwam en steeds breeder plaats innam, en dat eindelijk de bejaardendoop, behalve op het gebied der zending, alleen als uitzondering bleef bestaan, en de Kinderdoop algemeene regel werd.

Maar bij dezen overgang van den bejaardendoop tot den Kinderdoop zag de Christelijke kerk zich voor een moeilijk vraagstuk gesteld. Dogmatisch luidde dit: wat is het recht van den Kinderdoop? op welken grond mogen ook kinderen van geloovigen gedoopt worden? En dit dogmatisch vraagstuk sloot een Liturgische quaestie in: hoe kunnen de gebruiken en ceremoniën bij den doop, hoe kan heel de doopsbediening, die tot dusver op volwassen geloovigen ingericht is geweest, toegepast worden op kleine kinderen der gemeente? |36|

Dit was een vraagstuk, dat diep ingreep en nog ingrijpt in het leven der kerk. Vast staat toch, dat de doop voor geloovigen is ingesteld en belijdenis des geloofs onderstelt.

Zoo leerde de gansche Christelijke kerk, en heel het catechumenaat was op die leer gebouwd. Als kinderen dus recht zouden hebben op den doop, dan moesten zij ook gelooven en van dat geloof belijdenis doen. Doch van geloof, althans van geloofsbelijdenis, kan er bij kinderen geen sprake zijn. Hoe dan toch den Kinderdoop te rechtvaardigen?

De Christelijke kerk gaf daarop in den ouden tijd antwoord door het stelsel van getuigen.


VIII.

Het getuigenstelsel is het practisch antwoord, dat de Christelijke kerk oudtijds gaf op de vraag naar het recht van den Kinderdoop.

Getuigen zijn er overal en altijd, vooral voor de rechtbank, opgeroepen geworden, om eene of andere zaak te bevestigen en boven allen twijfel te verheffen. Op den mond van twee of drie getuigen zal alle zaak bestaan. Maar ofschoon er in de Schrift menigmaal van getuigen sprake is, komen zij toch nergens bij de bediening van besnijdenis en doop voor. Onder de Joden zijn zij later bij de besnijdenis in gebruik gekomen, doch het is onbekend, van welken tijd deze gewoonte dagteekent, en evenzeer, of zij op de invoering van getuigen bij den Christelijken doop invloed heeft gehad.

Verschillende overwegingen hebben veroorzaakt, dat de Christenen in sommige gevallen bij den doop getuigen eischten. De doop was als het ware een verdrag tusschen Christus en den doopeling, waarbij deze zich verbond, om |37| Hem trouw te volgen en te dienen; een krijgseed, dien de doopeling aflegde, om onder de banier van Christus tegen de zonde te strijden.

Maar in de hevige vervolgingen, die door den Romeinschen staat tegen de gemeente ondernomen werden, kwam het menigmaal voor, dat velen hun geloof verloochenden en beweerden, dat zij nooit Christenen geweest waren en nooit den doop hadden ontvangen. En in latere tijden, toen de kerk tot eer en aanzien gekomen was, was het ook niet zeldzaam, dat iemand zich om des voordeels wil voor een Christen uitgaf, die nooit gedoopt was geworden. In al deze gevallen kon de waarheid alleen door getuigen uitgemaakt worden, die bij den doop tegenwoordig waren geweest. En de kerk drong er op aan, teneinde zekerheid te hebben van iemands doop, dat ook bij den doop van volwassenen en vrijen er getuigen zouden tegenwoordig zijn.

Nog meer schenen zulke getuigen van noode te wezen als kinderen werden gedoopt, omdat men op die wijze alleen den doop van kinderen rechtvaardigen kon.

Immers, alwat wij thans op Gereformeerd standpunt tot rechtvaardiging van den Kinderdoop aanvoeren, was aan de oudkerkelijke schrijvers onbekend. Zij kenden het onderscheid niet tusschen het vermogen en de daad des geloofs, noch ook tusschen de wedergeboorte in engeren zin als instorting van het eerste levensbeginsel, en die in ruimeren zin als vernieuwing van het gansche leven. Zij konden daarom de kinderen der geloovigen niet zelven als geloovigen erkennen en als zoodanig hun den doop toedienen. En bovenal zij hadden geen kenteeken, waaraan de aanwezigheid van het vermogen des geloofs in het hart der kinderen naar het oordeel der liefde onderkend kan worden, want zij hadden geen besef van de beteekenis der verbondsgedachte. |38|

Dat wil niet zeggen, dat zij het woord verbond en de daardoor uitgedrukte zaak niet tot op zekere hoogte kenden; want immers, in de Schrift kwam dat woord herhaaldelijk voor en in hun lezen en verklaren van de Schrift moesten zij dus van de beteekenis van dat woord zich eenige rekenschap geven. Maar toch beseften zij de diepe gedachte van het verbond niet en grepen haar niet aan tot rechtvaardiging van den Kinderdoop.

Indien zij dezen dus wilden handhaven en verdedigen, dan moesten zij een anderen weg inslaan. En dat deden zij, door aan het geloof der kerk bij den doop harer kinderen een plaatsvervangend karakter toe te kennen.

Kinderen waren op zichzelf schuldig en onrein, zoo leerde de kerk algemeen, vooral na Augustinus; zij hadden dus in zichzelf geen aanspraak op den doop. Ook hadden zij geen persoonlijk geloof, noch konden zij van zulk een geloof belijdenis doen. Maar het geloof hunner ouders, het geloof dergenen, die hen ten doop hielden, het geloof der gansche kerk kwam aan de kinderen ten goede. Het is de ééne, algemeene kerk van heiligen en geloovigen, die het kind ten doop houdt, die voor dat kind gelooft en belijdt, die over dat kind Gods genade afsmeekt, die voor dat kind in de toekomst borg spreekt. En die ééne, heilige, algemeene kerk wordt bij den doop van ieder kind door de getuigen vertegenwoordigd.

Deze getuigen, die reeds in de tweede eeuw bij den doop van volwassenen en van kinderen voorkwamen, hadden daarbij eene verschillende taak en kregen dienovereenkomstig ook verschillende namen. Zij hadden den doopeling, indien het een kind was, aan te bieden of te presenteeren voor den doop; zij moesten het naar de doopplaats heen dragen en op hun arm houden; op hen rustte de plicht, om in naam van het kind op de doopvragen te |39| antwoorden en belijdenis des geloofs af te leggen; zij moesten hulp verleenen op het oogenblik, dat het kind gedoopt werd, en het bepaaldelijk uit de doopvont, waarin het ondergedompeld werd, opheffen; zij moesten ervoor instaan, dat het kind in overeenstemming met zijn doop zou opgevoed en in de leer des geloofs onderwezen zou worden en traden dus in de toekomst als borgen voor het kind op; zij waren de geestelijke ouders, die voor de geestelijke belangen van het kind hadden zorg te dragen.

Nu zou men verwachten, dat de natuurlijke ouders van het kind bij zijn doop ook als zulke getuigen zouden opgetreden zijn. Het lag toch voor de hand, afgedacht zelfs van het verbond der genade, dat dezen het best voor de geestelijke opvoeding van hun kind konden zorg dragen. In den eersten tijd was dit dan ook het geval. De ouders waren volstrekt niet uitgesloten; zij waren, indien niet de eenige, dan toch de eerste en voornaamste getuigen.

Maar langzamerhand ontwikkelde zich tusschen ouders en getuigen eene tegenstelling, die er ten slotte toe leidde, dat de ouders bij den doop van hun kind zoo goed als geheel werden uitgesloten. Deze tegenstelling is niet daaruit te verklaren, dat ouders al vanzelf tot Christelijke opvoeding van hun kind verplicht zijn, of ook door den dood in de vervulling van hun plicht verhinderd kunnen worden. Want deze overwegingen zouden er alleen toe hebben kunnen leiden, dat de getuigen naast de ouders moesten optreden en tot aanvulling dienden.

Doch de ontwikkeling van het getuigenstelsel is een gansch anderen kant uitgegaan. Reeds in 813 werd op het Concilie te Mainz bepaald, dat niemand bij zijn eigen zoon of dochter als doopheffer optreden mocht. En in den Roomschen Catechismus wordt hetzelfde verbod gegeven met de bijvoeging: opdat daaruit temeer moge blijken, |40| hoezeer de geestelijke opvoeding van de vleeschelijke verschilt.

Dit drukt de gedachte uit, die aan de tegenstelling van ouders en getuigen ten grondslag ligt. Het is dezelfde gedachte, als die, welke in Rome ieder oogenblik bij de verhouding van natuur en genade, wereld en Godsrijk, staat en kerk, aarde en hemel wederkeert. Beide zijn niet slechts onderscheiden, doch ook geheel gescheiden; zij kunnen niet samengaan. Wie God in volmaaktheid wil dienen, moet uit de wereld gaan en zich in een klooster opsluiten. Wie geestelijke wil worden, moet met al het natuurlijke breken. En evenzoo sluit bij den doop de geestelijke verwantschap de natuurlijke uit.

De ouders zijn de vleeschelijke verwanten van het kind en zijn de oorzaak, dat het kind in zonden ontvangen en geboren wordt en een slaaf van Satan is. Als diezelfde ouders nu bij den doop als getuigen optraden, zou voor het Roomsche bewustzijn het onderscheid van natuur en genade uitgewischt worden. En daarom moeten de getuigen bij den doop anderen zijn dan de ouders van het kind.

Zoo sterk is zelfs die tegenstelling bij Rome, dat de geestelijke verwantschap, die in den doop tusschen den dooper en de doopgetuigen eenerzijds en den doopeling en zijne ouders anderzijds gesloten wordt, een hindernis voor het aangaan van een huwelijk is. De getuigen hebben in de Roomsche kerk de ouders bij den doop van hun kind geheel op zijde geschoven.


IX.

Er kwam nog eene andere reden bij, waardoor de ouders bij den doop van hun kind in de Roomsche kerk langzamerhand geheel werden uitgesloten. |41|

De Roomsche theologie kent geen verbond der genade, dat zich voortzet van geslacht tot geslacht. Zij ziet in de ouders niets anders dan de natuurlijke, vleeschelijke voortbrengers van het kind. En dat kind is dus in zonden ontvangen en geboren, een slaaf van Satan, een onderdaan der wereld. Wat er van genade in dat kind inkomt, kan er slechts ingebracht worden door het instituut der kerk. Buiten dat instituut werkt God met zijne genade niet en is er niets dan de orde der natuur, de heerschappij van Satan, de macht der duisternis.

Natuurlijk ligt hier eenige waarheid in. Want van nature zijn wij allen kinderen des toorns. En zelfs de geboorte uit geloovige ouders is geen waarborg van wedergeboorte. Genade is geen erfgoed. Maar desniettemin belijden wij, dat God, als Hij zijn verbond met de ouders opricht, het ook bevestigt aan hun zaad en krachtens dat verbond ook in het hart der kinderen, vóór hun bewustzijn en buiten het instituut der kerk om, werkt en werken kan met zijn genade en Geest. De kinderen, uit geloovige ouders geboren, zijn in Christus geheiligd, ook voordat zij persoonlijk met het instituut der kerk in aanraking komen en door den doop er worden ingelijfd.

Maar zoo oordeelt Rome niet. Voor haar staan de kinderen van Christenouders volkomen met Heidenen gelijk. Dit blijkt duidelijk daaruit, dat heel het ritueel van den ouden proselietendoop op den Kinderdoop is overgedragen. Er is niets van weggelaten; het is alles slechts in enkele snel op elkaar volgende acten saamgetrokken. De kinderen worden buiten de kerk aan den ingang opgewacht. Zij vragen van de kerk niet als geloovigen den doop, maar als ongeloovigen het geloof. Zij worden gezegend met het teeken des kruises. Zij worden tot driemalen toe geëxorciseerd, dat is, van de macht des Duivels verlost enz. Zij |42| zijn volkomen gelijk aan de Heidenen, die voor het eerst de begeerte te kennen gaven, om Christen te worden en dan gedurende vele maanden of jaren voor den doop werden voorbereid.

De geboorte uit geloovige ouders heeft dus voor den doop niet de minste beteekenis, en die ouders zelven hebben bij den doop eigenlijk niets te maken. Zij zijn alleen de natuurlijke oorzaak, dat het kind bestaat, anders niet. Voor den doop van het kind is het alleen de vraag, niet, uit wie het geboren is; maar, wie het overneemt. Of liever nog, de vraag is alleen, of de kerk, vertegenwoordigd in de getuigen, het voor hare rekening neemt, het aan Gods genade opdraagt, er borg voor spreekt, en met haar geloof en belijdenis voor het kind tusschenbeide treedt. Het kind, dat gedoopt wordt, is op het oogenblik dat het gedoopt wordt, niet een kind van zijne natuurlijke ouders, maar een kind van de kerk, een kind van zijne geestelijke ouders, die in naam der kerk als getuigen bij zijn doop optreden.

Dat dit de eigenlijke beschouwing van Rome is, blijkt uit de leer en uit de practijk der Roomsche kerk. In de scholastiek was er tusschen de Thomisten en de Scotisten reeds verschil over, of onmondige kinderen van Joden en Heidenen ook zonder of tegen den wil hunner ouders gedoopt mochten worden. De eersten bestreden dit, omdat het in strijd was met het natuurrecht der ouders en licht het gevaar meebracht, dat kinderen, die op deze wijze gedoopt waren, later toch weder zouden afvallen en de ontvangen genade verliezen. Maar de Scotisten waren van meening, dat, daar God den doop van alle menschen wil, het recht der ouders voor het recht Gods wijken moest, en achtten het zelfs geoorloofd, dat Christelijke vorsten de Joodsche en Heidensche ouders dwongen, om zelf den doop te ontvangen en hunne kinderen te laten doopen. |43|

In theorie hield nu de Roomsche kerk wel vast, dat kinderen in het algemeen niet zonder het weten en den wil hunner ouders gedoopt mogen worden. Maar deze regel is toch op allerlei wijze beperkt. Alle Roomsche theologen zeggen, dat onmondige kinderen van ongeloovige ouders gedoopt mogen worden, wanneer zij op eene of andere wijze aan het ouderlijk gezag onttrokken zijn; wanneer eene Christelijke opvoeding dier kinderen in de toekomst op eenige goede gronden te verwachten is; of ook wanneer de kinderen verkeeren in gevaar des doods en misschien spoedig sterven zullen. Ieder beseft, hoe rekbaar deze voorwaarden zijn in de practijk. En de geschiedenis der Roomsche practijk, vooral ook op het gebied der zending, bewijst hoe weinig er menigmaal met het geloof en met de toestemming der ouders gerekend wordt. In geval van levensgevaar worden kinderen van ongeloovigen en ketters door de Roomsche priesters heimelijk gedoopt; en ook al bestaat er geen gevaar voor het leven, wordt toch de doop menigmaal aan zulke kinderen bediend, indien het maar geschieden kan citra insignem contumeliam parentum, d.i. buiten erge beleediging van de ouders.

De Roomsche kerk moest tot deze leer en practijk komen, omdat zij den Kinderdoop nooit in verband heeft gezet met het verbond der genade, maar alleen met het plaatsvervangend geloof van de kerk. De doop onderstelt bij kinderen niets, althans niets positiefs, geen wedergeboorte of geloof, maar hoogstens alleen een niet opzettelijk wederstand bieden aan de ontvangst van de genade des doops. Zulk een positieve, opzettelijke tegenstand kan natuurlijk in kinderen niet vallen. En daarom zijn alle kinderen als zoodanig, uit welke ouders ook geboren, geschikte objecten voor den doop.

Terwijl die doop dus niets onderstelt, schenkt hij daarentegen |44| zelf alle goederen des heils. De doop deelt de bovennatuurlijke genade van rechtvaardiging en wedergeboorte mede, enkel en alleen daardoor, dat hij bediend wordt. De handeling zelve deelt de genade mede. Het uitwendig waterbad is tegelijk, vanzelf en noodzakelijk, bij alle kinderen zonder onderscheid, de afwassching der zonden door het bloed van Christus. Ja, de gedoopte is terstond, nadat hij gedoopt is, niet alleen van alle schuld, maar ook van alle smet der zonde bevrijd. De erfzonde wordt ganschelijk in hem te niet gedaan. Als de doop deze weldaad onfeilbaar schenkt alleen door de handeling zelve, waarom zou men hem dan, indien men maar even in de gelegenheid is, ook niet aan kinderen toedienen? Den doop in zulk een geval te onthouden, zou op Roomsch standpunt de hardheid zelve zijn; het zou wezen eene opzettelijke uitsluiting uit het koninkrijk der hemelen en een moedwillig prijsgeven aan de eeuwige straf.


X.

De leer en practijk, die bij het optreden der Reformatie in de kerk van Rome ten aanzien van den Kinderdoop bestond, was dus de volgende:

Ten eerste kwamen de ouders bij den doop hunner kinderen zoogoed als in het geheel niet in aanmerking. De ouders waren wel de natuurlijke voortbrengers van het kind, maar hadden voor zijne geestelijke hoedanigheid hoegenaamd geen beteekenis. Ook al is een kind uit geloovige ouders geboren, vóór den doop is en blijft het een kind der duisternis, een onderdaan van Satan. Het is niet opgenomen in het verbond der genade, het heeft nog geen deel aan eenig goed der kerk, het is nog verstoken van elke weldaad des heils. Het staat in dit alles met kinderen, |45| uit ongeloovige of Heidensche ouders geboren, op één lijn. Alleen heeft het boven deze laatste kinderen dit voor, dat het onder omstandigheden geboren is, die het gedoopt worden mogelijk maken.

Ten tweede, alle weldaad der genade wordt voor het eerst geschonken in en door den doop. Het uitwendig waterbad is de afwassching der zonden zelve. De doopbij kinderen onderstelt niets. maar schenkt alles; en hij geeft alles enkel en alleen daardoor, dat hij voltrokken wordt, uit kracht van het gedane werk. De doop is dus bij kinderen principieel van alle geestelijke en zedelijke onderstellingen losgemaakt; hij gaat niet uit van de gedachte, dat de kinderen van geloovige ouders kinderen des verbonds zijn, door God in genade aangenomen en dus buiten hun weten de weldaden des verbonds deelachtig. Maar de doop maakt de kinderen tot kinderen des verbonds, tot leden der kerk, tot deelgenooten der genade. Hij stort door zijne verrichting de genade der wedergeboorte en der vergeving in het hart der kinderen uit; ja, hij bevrijdt van alle schuld en straf en neemt ook zelfs de smet der zonde ganschelijk en volkomen weg.

En ten derde, dat een kind, alzoo in zonden ontvangen en geboren, desniettemin gedoopt mag worden, rechtvaardigt Rome door het stelsel van getuigen. Een kind, uit geloovige ouders geboren, is en blijft vóór den doop een kind des toorns. Maar nu komen de getuigen als vertegenwoordigers der kerk; zij nemen het kind als het ware over; zij nemen het in geestelijken zin voor hunne rekening; zij laten plaatsvervangend hun geloof en belijdenis aan het kind ten goede komen; het geloof der kerk komt te staan in de plaats van het geloof van het kind. De ouders zijn de natuurlijke voortbrengers van het kind; maar de getuigen zijn zijne geestelijke ouders. De ouders hebben dus |46| bij den doop hunner kinderen niets te maken; zij worden door de getuigen, door de geestelijke ouders, op zijde geschoven. De genade onderdrukt de natuur.

Zoo was de leer en de practijk van den Kinderdoop bij Rome in de dagen der Reformatie. En men dient hiervan eene heldere voorstelling te hebben, indien men de leer en practijk, welke de Hervorming daartegenover stelde, recht wil verstaan.

Men dient er ook bij te weten, dat heel dit Roomsche stelsel, vooral dat van de getuigen, tot de droevigste uitkomsten had geleid. In theorie werd de roeping der getuigen ten aanzien van hunne peetkinderen steeds breeder en nauwkeuriger omschreven. Zij moesten niet alleen in de plaats en ten behoeve van het kind de belijdenis des geloofs afleggen, en later, in geval van twijfel en onzekerheid, optreden als getuigen, dat het kind werkelijk den doop had ontvangen. Maar zij werden langzamerhand ook zooveel als borgen, die er voor instonden, dat het kind overeenkomstig zijn doop in de Christelijke leer onderwezen en opgevoed zou worden.

De beteekenis van de getuigen was dus in den loop der tijden gewijzigd. In den eersten Christelijken tijd waren zij vooral gebezigd, om ten opzichte van volwassenen, die de begeerte te kennen gaven om gedoopt te worden, een goed getuigenis van hun wandel af te leggen. De kerk kende zulke personen niet altijd en eischte dan, dat een paar leden der gemeente, die hen wel kenden, een getuigenis aflegden, opdat de kerk hen met vrijmoedigheid doopen kon.

Later dienden zij vooral ook daartoe, om van sommige personen, aangaande wier doop twijfel was gerezen of onzekerheid bestond, te getuigen, dat zij wel gedoopt waren. Tegenwoordig houdt de kerkeraad boek van degenen, die |47| in de gemeente gedoopt zijn, en kan dan later daaruit zekerheid bekomen, of iemand gedoopt is. Maar dit gebruik bestond nog niet in de oude kerk. Men moest dus op het getuigenis van personen afgaan.

In deze beide gevallen waren de getuigen dus getuigen in den eigenlijken zin van het woord. Zij legden in bepaalde gevallen van twijfel getuigenis af, om uit te maken, dat iemand al dan niet gedoopt was. Maar toen de Kinderdoop algemeen werd, veranderde dit getuigenstelsel van karakter. De getuigen werden de geestelijke ouders van het kind, dat gedoopt moest worden. Zij vervingen met hun geloof de plaats van het kind, dat nog niet gelooven en belijden kon. En zij werden borgen, dat het kind overeenkomstig zijn doop opgevoed zou worden.

Deze plicht en roeping der getuigen werd nu hoe langer zoo breeder uitgewerkt en omschreven. Zij moesten toezien, dat het kind in de leer der kerk onderwezen werd. Zij hadden ervoor te zorgen, dat het kind de beginselen van het Christelijk geloof, dat is, het Onze Vader en de Apostolische Geloofsbelijdenis leerde kennen. Zij werden verplicht, om door hun Christelijk geloof en door hun vromen wandel het kind tot een goed voorbeeld te strekken; zij moesten in één woord zijn de geestelijke vaders en moeders van het kind.

Doch, hoe mooi de theorie ook klonk, de practijk was gansch anders. Van het stelsel der peetouders werd allengs een schrikkelijk misbruik gemaakt. Het aantal getuigen werd hoe langer hoe grooter, want het werd een eer voor ouders en kind geacht, als er een groot aantal getuigen bij den doop optraden. De concilies mochten daartegen waarschuwen en erop aandringen, dat men niet meer dan twee of drie of vier getuigen nemen zou. In de practijk hield men zich hier in het geheel niet aan. En |48| dan vooral kwam er een misbruik in het kiezen van getuigen. Hoe langer hoe minder lette men op belijdenis en wandel; maar de vraag werd meer en meer, of het menschen van naam en stand en vermogen waren. Met zulk peetouders kon men pronken bij den doop der kinderen. Daar kon men aan zien, hoe hoog de ouders van het kind in achting stonden bij de rijken en voornamen des lands, bij edellieden, vorsten, geestelijken. De hoogere standen gingen bij dit misbruik voorop, en de lagere volgden.

Het stelsel van getuigen werkte daarom totaal verkeerd. Het ontaardde geheel en al. Het had juist het tegendeel tot gevolg van wat men er oorspronkelijk mee bedoeld had. Men had de getuigen van ouds tot geestelijke ouders van het kind gemaakt, om een beteren waarborg te hebben voor de Christelijke opvoeding, dan men van de natuurlijke ouders meende te kunnen verwachten. Maar de natuur wreekte zich hier gelijk overal, wanneer zij onderdrukt wordt. De schending van de natuurlijke ordeningen geschiedt nooit straffeloos. In den tijd van de Hervorming was het getuigenstelsel totaal verbasterd.

De Roomschen erkennen dit zelf. De Roomsche Catechismus (II, 2 qu. 22) klaagt er over, dat van het ambt der getuigen niets dan de ijdele naam is overgebleven en de menschen in de verte niet meer vermoeden, wat heilige verplichting deze dienst voor de getuigen ten opzichte van hunne peetkinderen in zich sloot.


XI.

Omdat het stelsel van getuigen in de Roomsche kerk zoo schrikkelijk was ontaard en in de H. Schrift met geen woord geboden was, zijn de Hervormers van de getuigen tot de ouders teruggegaan. Zij waren de natuurlijke |49| voortbrengers, maar zij waren naar Gods inzetting, en moesten dus ook zijn, de geestelijke verzorgers en opvoeders van het kind.

Niet getuigen, maar de ouders waren het, die daarom het kind ten doop moesten aanbieden (presenteeren), die het ten doop moesten houden (ten doop heffen), die het na den doop Christelijk moesten opvoeden. De natuurlijke ouders werden tevens weer de geestelijke ouders van het kind.

De Hervorming is dus ook een reformatie, een herstel van het recht en den plicht der ouders geweest. Ook ouders, als zoodanig, beide als vader en als moeder, hebben zoo ontzaglijk veel aan de Hervorming te danken. Zij hebben door haar de plaats weer terugontvangen, welke God hun in het onderwijs en de opvoeding hunner kinderen aangewezen had.

De Hervorming is immers geen hervorming der kerk alleen geweest. Zij heeft heel de wereld van het bewustzijn en alle terreinen des levens in beginsel herschapen, gereformeerd. Zij is eene herstelling van de natuur, van het recht van het natuurlijke geweest, dat door Rome onderdrukt en in boeien geklonken was. Zij is eene emancipatie, eene vrijmaking geweest, niet eene vrijmaking van God en zijn Woord, gelijk het Humanisme wilde, maar eene vrijmaking toch van de Roomsche kerk, van haar hierarchie, van hare menschelijke inzettingen, die de geboden Gods krachteloos maakten.

En tot die terreinen des levens, die door de Hervorming weer in hunne zelfstandigheid werden erkend, behoorde ook het huisgezin. De ouders ontvingen de hun van God gegeven rechten en daarmede tevens de hun van God opgelegde verplichtingen terug. De Roomsche tegenstelling van het natuurlijke en het bovennatuurlijke werd |50| verworpen en door die van zonde en genade vervangen. De ouders werden daarom vanzelf weer de geestelijke verzorgers van het kind, gelijk zij dit ook waren op stoffelijk gebied.

Wel is waar werden de getuigen bij den Kinderdoop door de Hervorming niet ganschelijk afgeschaft. Van de Lutherschen was het te verwachten, dat zij dit niet deden, want in den regel behielden zij, wat niet bepaald door de Schrift verboden was. Maar ook de Gereformeerden zijn hierbij niet radicaal te werk gegaan. Men zegt gewoonlijk wel, dat, terwijl de Lutherschen alles behielden, wat niet verboden was, de Gereformeerden alles afschaften, wat niet geboden was; maar dit is een veel te algemeene regel, dan dat hij altijd gelden en niet vele uitzonderingen toelaten zou.

Het behouden van het getuigenstelsel toont dit duidelijk aan. De Gereformeerden waren geen Wederdoopers, die in omverwerpen behagen schepten. Zij gingen ook bij de hervorming van leer en leven, van kerk en maatschappij met verstand en gematigdheid te werk. Wat heeft een man als Calvijn in Genève op het stuk van de regeering der kerk niet toegegeven, om maar vrede te verkrijgen en bij de handhaving van wat beginsel was, des te sterker te staan.

Zoo is ook ten opzichte van het stelsel van getuigen gehandeld. De Gereformeerden erkenden algemeen, dat getuigen bij den doop in de Schrift niet geboden werden en dus ook niet noodzakelijk waren. Zij lieten het nemen van getuigen aan de ouders over en legden hun geen verplichtingen op. Als zij het doen wilden, was het goed; maar wie het lieten, waren niet te veroordeelen.

De Synode te Emden 1571, art. 20, sprak het algemeen gevoelen uit, als zij zeide, dat getuigen in den doop te nemen of niet te nemen, een middelmatig ding is, en dat |51| men daarom aan de kerken haar oude gewoonte, aan ieder naar hare vrijheid, laten moest, tot den tijd toe, dat eene Generale Synode daarover anders besloot.

Natuurlijk was er onder de Gereformeerden wel verschil over de nuttigheid van getuigen bij den doop. Sommigen achtten ze eene gansch onverschillige zaak en hechtten er weinig waarde aan. Anderen waren van oordeel, dat getuigen wel niet noodzakelijk maar toch zeer nuttig waren. Terwijl genen tot langzame afschaffing neigden, waren dezen erop gesteld, dat het oud gebruik gehandhaafd werd. De Synode te Dordrecht 1574, art. 62, was van dit gevoelen en zelfs de Synode van Dordrecht 1618/1619 zeide nog in hare kerkorde, art. 57, dat het gebruik wel vrij maar niet lichtelijk te veranderen is.

Ook spreekt het vanzelf, dat getuigen in sommige gevallen noodzakelijk zijn, niet alleen vroeger maar ook nog in onzen tijd. Als beide ouders, niet alleen de vader maar ook de moeder, gestorven zijn, of om eene of andere reden niet in staat zijn, om de doopsbelofte af te leggen en voor de Christelijke opvoeding van het kind in te staan, dan moeten er getuigen bij den doop optreden, om de plaats der ouders in te nemen.

Maar desniettemin hebben de Gereformeerden aan het stelsel van getuigen een gansch ander karakter toegekend, dan het in de Roomsche kerk droeg. Dat blijkt voornamelijk daaruit, dat zij, enkele bijzondere gevallen daargelaten, nooit de noodzakelijkheid doch hoogstens alleen de nuttigheid van een paar getuigen bij den doop hebben geleerd.

Maar het komt nog in andere wijzingen uit. Ten eerste werd zooveel mogelijk het Roomsche spraakgebruik vermeden, dat de getuigen peetvaders en peetmoeders, geestelijke ouders enz. noemde. De Gereformeerden bezigden |52| het liefst den eenvoudigen naam van getuigen, omdat deze het minst tot misverstand en dwaling aanleiding gaf.

Voorts legden zij er zonder ophouden en altijd bij vernieuwing den sterksten nadruk op, dat, als men getuigen nam, men daarvoor toch geschikte, vrome mannen en vrouwen zou kiezen, die gezond waren in het geloof en onbesproken in den wandel, en wier belofte dus metterdaad waarborg bood voor de Christelijke opvoeding van het kind.

Op de Synode te Emden 1571 bijv. kwam eene vraag van de broeders te Keulen, of men ook zulke personen als vaders zou toelaten, die, hoewel de zuivere leer toegedaan, toch zich nog niet tot de gemeente hadden begeven. En het antwoord was, dat men zulke personen wel mocht toelaten als getuigen in dien zin, dat zij getuigenis aflegden, dat het kind gedoopt was, maar niet in dien zin, dat zij ook zorgden voor de onderwijzing van het kind. In dit geval moesten zij leden der kerk zijn, en, gelijk latere Synoden telkens zeiden, gezond in het geloof en onbesproken in den wandel, menschen, die den Heere vreesden, die in leer en leven een voorbeeld waren en de kinderen in den weg der godzaligheid leerden wandelen.

Het nemen van getuigen is daarom in de Gereformeerde kerken, ook hier te lande, wel langen tijd nog in gebruik gebleven. Maar de nuttigheid, die eruit voortvloeide, schijnt niet groot te zijn geweest. Evenals in de Roomsche kerk, breidde men ook in de Gereformeerde kerken het getal der getuigen bovenmatig uit. De Provinciale Synode van Zeeland, in 1597 te Goes gehouden, droeg bijv. aan deputaten op, om de Staten der Provincie te verzoeken, dat zij op de veelheid der getuigen orde zouden stellen en op straffe verbieden zouden, meer dan vier getuigen voor ieder kind te nemen (Reitsma en Van Veen V 40, 44, 102). |53|

Ook in de keuze der getuigen ging men zeer lichtvaardig te werk. Dikwerf lette men meer op stand en rang, op voordeel en eere, dan op zuiverheid van leer en leven. De Provinciale Synode van Zeeland, gehouden te Veere in 1610, klaagde erover, dat openbare goddelooze spotters en verachters der religie als getuigen, werden toegelaten en vermaande de gemeenten, zulke personen niet als getuigen aan te nemen (ib. 99).

Langzamerhand is het nemen van getuigen in de Gereformeerde kerken hier te lande in onbruik geraakt. In Engeland drongen de Puriteinen reeds veel vroeger op afschaffing aan. Maar ook in ons land was de nuttigheid te gering en het misbruik te groot, dan dat het zich bij ernstig gezinden kon staande houden.

En werkelijk bestaat er geen reden, om wederinvoering van dit oude gebruik te wenschen. In enkele gevallen zijn bij ontstentenis der ouders getuigen van noode. Maar indien de ouders leven en in staat zijn, om de doopsbelofte af te leggen, dan zijn zij daarvoor de aangewezen en verantwoordelijke personen.

Getuigen hebben immers juist in gevallen, als het erop aankomt, toch niets te zeggen. De ouderlijke macht breekt, indien zij wil, allen invloed der getuigen. Hun belofte is daarom, hoe goed gemeend ook, toch in zulke gevallen, waar het noodig zou zijn, van schier geen waarde.

De ouders zijn de natuurlijke en geestelijke verzorgers van het kind.

Dat is het beginsel geweest, waar de Gereformeerden van uitgingen. En daardoor hebben zij het getuigenstelsel van zijn beteekenis beroofd en langzamerhand doen uitsterven


XII.

De Reformatie heeft de rechten en plichten der ouders |54| bij de opvoeding hunner kinderen hersteld en daardoor het uit de Roomsche kerk af komstige getuigenstelsel langzamerhand, en gelukkig, schier geheel doen verdwijnen. Getuigen werden wel toegelaten. Maar zij kwamen op de tweede plaats te staan. De ouders gingen voorop. Gelijk het in de derde vraag van ons Doopsformulier heet, zoo komt het ook telkens in de kerkelijke bepalingen voor, dat „vader of getuige” het kind ten doop moeten houden en de belofte des doops moeten afleggen.

In dit licht moet men de besluiten bezien, die te dezer zake door de vergaderingen van Gereformeerde kerken hier te lande menigmaal genomen zijn. Allen nadruk leggen zij erop, dat de vaders, dat de ouders in de eerste plaats hunne kinderen ten doop zullen aanbieden en ten doop zullen houden. In de Roomsche kerk bemoeiden zich de vaders schier in het geheel niet met den doop hunner kinderen. Zij lieten dat aan de getuigen, aan de peetouders over. Maar dat moest anders worden in de Gereformeerde kerken. De ouders waren aansprakelijk voor de opvoeding van hunne kinderen. Zij, en niet de getuigen, waren de aangewezenen, om de kinderen ten doop te houden. Getuigen mochten er bijkomen, maar zij mochten nooit, dan in geval van ontstentenis, de plaats der ouders innemen.

Nu verdient het echter opmerking, dat, evenals in ons Doopsformulier, zoo ook in de kerkelijke bepalingen dikwijls van de ouders alleen de vader wordt genoemd en van de moeder ganschelijk gezwegen wordt.

Men heeft uit dit verzwijgen der moeder in den laatsten tijd allerlei vreemde gevolgtrekkingen afgeleid. Ten eerste, dat het zonde was voor God en minachting van zijn sacrament, als men met den doop van het kind wachtte, totdat de moeder hersteld was. Ten tweede, dat de moeder |55| bij den doop van haar kind niets te maken. had, want de vader is het hoofd des gezins; in zijne belofte is ook die der moeder begrepen; als de vrouw aan de zijde van haar man bij den doop van haar kind de belofte mede afleggen wil, dan matigt zij zich rechten aan, die haar niet toekomen en maakt zij zich aan hoogmoed schuldig. En ten derde, zelfs ingeval het kind eerst gedoopt wordt, nadat de moeder hersteld is, dan mag de moeder toch niet het kind ten doop houden; zij mag op de vragen niet antwoorden; zij moet in de kerk op haar eigen plaats blijven zitten en den doop van haar kind uit de verte aanzien!

Wanneer wij echter deze nieuwe voorstelling beschouwen in het licht der historie, blijft er zoogoed als niets van over.

Natuurlijk is er geen verschil over het feit, dat in onze oude kerkelijke bepalingen bij den Kinderdoop dikwerf alleen van den vader sprake is en van de moeder in het geheel geen melding geschiedt.

Dat is het geval in ons Doopsformulier. Dat zegt de Synode te Dordrecht 1574 in art. 61: de vaders zijn gehouden en behooren vermaand te worden, bij den doop hunner kinderen tegenwoordig te zijn, opdat zij met de gevaders de voorgestelde vragen beantwoorden, tenzij dan dat zij door gewichtige oorzaken verhinderd worden. En de latere Synoden spreken dikwerf evenzoo. De Synode van Dordrecht 1618/1619 bepaalt in art. 57, dat de dienaars hun best zullen doen, en daartoe zullen arbeiden, dat de vader zijn kind ten doop presenteere.

Over het feit is dus geen verschil. Maar wel is er verschil over de verklaring van dit feit.

Ligt de reden van dit noemen van den vader alleen, zonder van de moeder melding te maken, daarin, dat de Gereformeerden met opzet de moeder van den doop van haar kind hebben willen uitsluiten? Mag zij naar de |56| Gereformeerde beschouwing van den doop daar niet bij tegenwoordig zijn? Mag zij het kind niet ten doop houden? Mag zij op de voorgestelde vragen niet zelve naast haren man antwoorden?

Reeds van te voren laat zich vermoeden, dat een ontkennend antwoord op deze vragen onjuist zou zijn. Want wat zou de Gereformeerden toch hebben kunnen bezielen, om zoo tegen de tegenwoordigheid der moeder bij den doop van haar eigen kind gekant te zijn? De Schrift spreekt er geen woord van en maakt zelfs met letterlijke woorden van den Kinderdoop geen gewag. Vrouwenhaat kan aan de Gereformeerden niet ten laste worden gelegd. Miskenning van de beteekenis der moeder voor de opvoeding van haar kind is evenmin bij hen te ontdekken. De Gereformeerde werken over opvoeding en moraal leeren het wel anders.

Wat zou hen dan wel bewogen kunnen hebben, om bij den Kinderdoop zoo scherp en streng tegen de moeder op te treden?

Er is maar één antwoord op, n.l. dat de houding, welke door de Gereformeerden bij den Kinderdoop tegenover de moeder zou zijn aangenomen, alleen in de verbeelding van sommige leden der tegenwoordige Gereformeerde kerken bestaat, maar in de werkelijkheid nooit is voorgekomen.

Dit is met de stukken te bewijzen.

Immers, het is wel waar, dat vele kerkelijke bepalingen aangaande den Kinderdoop alleen van den vader melding maken en van de moeder niet spreken.

Maar het is even zeker en gewis, dat tal van kerkelijke bepalingen de ouders noemen als degenen, die het kind ten doop moeten houden.

Ons eigen Doopsformulier noemt in de derde vraag alleen vader of getuige, maar heeft tevoren verklaard, dat de |57| ouders gehouden zijn, hunne kinderen in het opwassen van de leer des verbonds breeder te onderwijzen.

En sterker spreken nog vele Synoden. Enkele aanhalingen mogen volstaan.

De Prov. Synode te Dordrecht 1574 bepaalde in art. 61, dat de vaders gehouden zijn, om bij den doop hunner kinderen tegenwoordig te zijn. Maar de Synode van dezelfde Provincie in het volgende jaar te Rotterdam zeide: het is behoorlijk, dat de ouders zullen tegenwoordig zijn bij den doop hunner kinderen (Reitsma en Van Veen II 169).

De Provinciale Synode te Rotterdam 1581 klaagde erover, dat er veel wanorde bij den doop der kinderen voorkwam, omdat de ouders zelf niet kwamen en er ongeschikte getuigen genomen werden (ib. II 199).

De Provinciale Synode te Rotterdam 1586 zegt, dat de ouders present zullen verschijnen bij den doop (ib. II 275).

De Geldersche Synode te Zutfen in het jaar 1605 nam de vraag in overweging, of men den doop niet weigeren zou aan kinderen, wier ouders, ofschoon gezond en ter plaatse aanwezig, zich lichtelijk van den doop hunner kinderen absenteerden (ib. IV 135.)

Die te Zutfen in het jaar 1620 klaagt over de negligentie der ouders, die hunne kinderen jaren lang ongedoopt lieten liggen, en droeg aan de predikanten op, om zulke ouders te vermanen tot het vervullen van hun plicht (ib. IV 346).

De Friesche Synode te Dokkum van het jaar 1591 besluit, dat de ouders zullen vermaand worden, om hunne kinderen zelven ten doop te brengen (ib. VI 61).

Doch genoeg. De aangehaalde plaatsen, die nog te vermeerderen zouden zijn, stellen het in het helderste licht en verheffen het boven allen twijfel, dat de Gereformeerden aan een stelselmatig uitsluiten van de moeder bij den doop van haar kind nooit hebben gedacht. |58|


XIII.

De Gereformeerden hebben, blijkens deze Synodale bepalingen, aan een stelselmatig uitsluiten van de moeder bij den doop van haar kind nimmer gedacht.

Als zij nu en dan bij den Kinderdoop alleen van de tegenwoordigheid des vaders spreken, dan kan dat zijne oorzaak niet hebben in de tegenwoordig door sommige broederen hun toegeschreven meening, dat de moeder bij den doop van haar kind niets te maken had en zelfs niet tegenwoordig mocht zijn, noch op de vragen antwoorden mocht.

Er moet eene andere reden wezen ter verklaring van het feit, dat soms alleen de vader genoemd en de moeder verzwegen wordt. Die reden zal ons later duidelijk worden. Eerst willen wij nog een ander en zoo mogelijk nog krachtiger bewijs aanvoeren, dat het noemen van den vader alleen, hoegenaamd niet eene stelselmatige uitsluiting der moeder bedoelt.

Dat bewijs ligt in de getuigen, die. de Gereformeerden bij den Kinderdoop hebben overgenomen en toegelaten. Zij hebben niet gezegd, dat getuigen noodzakelijk waren, maar zij hebben ze toch over het algemeen geoorloofd en nuttig geacht.

Hoe zou het nu mogelijk zijn, dat men getuigen toeliet en de moeder stelselmatig weerde en uitsloot? Het een strijdt met het ander zoo sterk mogelijk. Getuigen, die in elk geval in veel lossere betrekking stonden tot het kind dan de moeder, zou men bij den doop hebben toegelaten; en de eigen moeder, die na den vader het kind het naast staat, die het kind voedt en verzorgt en bij dag en bij nacht onder haar toezicht heeft, die zou men met opzet en stelselmatig van den doop van haar kind hebben willen uitsluiten! |59|

Het is te ongerijmd, om te denken. En daar komt nog bij, dat niet alleen mannen maar ook vrouwen als getuigen werden toegelaten. Vreemde vrouwen mochten dus bij den doop van een kind tegenwoordig zijn en op de voorgestelde vragen antwoorden en verplichtingen op zich nemen voor de Christelijke opvoeding van het kind. Maar de eigen moeder zou geweerd zijn! Zij zou zelfs niet bij den doop van haar kind tegenwoordig mogen zijn! Zij zou op de vragen niet zelve hebben mogen antwoorden! Getuigen, mannelijke en vrouwelijke, werden toegelaten, en dan dikwerf getuigen, op wie de kerk dikwerf heel wat aan te merken had; maar de Gereformeerden zouden tegen de moeder hebben gezegd: gij moogt er niet bij zijn, gij hebt er niets bij te maken, uwe belofte is in die van den man begrepen!

Nog eens, het is al te dwaas, om zulk eene meening aan onze vroede vaderen toe te schrijven.

Maar er is nog meer. De Gereformeerden hebben de getuigen bij den doop door de ouders vervangen. Als zij getuigen toelieten, dan was dit op de tweede plaats. Op de eerste plaats stonden de ouders. Zij moesten het kind ten doop aanbieden en ten doop houden.

Waarom deden zij dat? Wat was de drijfveer daarvan? Waarom waren zij er zoo eenparig en zoo bijzonder op gesteld, dat de ouders bij den doop hunner kinderen tegenwoordig zouden zijn?

De reden was deze. De Gereformeerden verwierpen de leer der Roomsche kerk, dat de doop de wedergeboorte werkte, dat het uitwendig waterbad de afwassching der zonden zelve was.

Maar hierdoor kwamen zij in eene eigenaardige moeilijkheid. Want de Schrift leerde duidelijk, dat de sacramenten alleen voor de geloovigen ingesteld waren. En dus moesten zij òf den Kinderdoop verwerpen, wijl de kinderen |60| geen geloovigen waren, òf zij moesten op de eene of andere wijze aantoonen, dat de kinderen der geloovigen ook zelven tot de geloovigen te rekenen waren.

De Wederdoopers waren spoedig met hunne conclusie gereed. De sacramenten waren voor de geloovigen ingesteld en konden eerst bediend worden na voorafgaande belijdenis. Maar kinderen konden niet gelooven, want geloof is eene werkzaamheid des verstands; zij konden nog veel minder belijdenis afleggen van hun geloof; en dus was de Kinderdoop te verwerpen.

Het scheen, dat tegen deze redeneering niets was in te brengen. Zij sloot ineen als eene bus. De Lutherschen bezweken zelfs voor deze redeneering en keerden tot het Roomsche gevoelen terug, dat de doop bij jonge kinderen de wedergeboorte werkte door de kracht van het woord, hetwelk met den doop gepaard ging en het water des doops tot een levend, Goddelijk water maakte.

Maar de Gereformeerden gingen een anderen kant uit. Zij erkenden, wijl de Schrift alzoo leerde, dat de doop alleen voor geloovigen ingesteld was. En dus gaven zij toe, dat de kinderen òf als geloovigen te beschouwen waren, òf dat zij anders geen recht hadden op den doop en dus de Kinderdoop te verwerpen was.

En nu deden zij een gewichtvollen stap; zij beleden, dat God ook buiten alle middelen om met zijne genade in het hart van kinderen werken kon. Zonder woord en zonder sacrament kan Hij door zijn Geest het doode hart van den zondaar wederbaren ten eeuwigen leven. Kinderen van geloovigen kunnen ook geloovigen zijn, niet met de daad maar in beginsel. Zij kunnen hebben het beginsel, het vermogen des geloofs, zooals zij van nature ook hebben het vermogen des gezichts en het vermogen des gehoors, zonder dat zij er daadwerkelijk gebruik van kunnen maken. |61|

Doch dit was natuurlijk niet genoeg, om den Kinderdoop te rechtvaardigen. Daartoe waren nog twee andere dingen noodig; en wel ten eerste, dat de kinderen der geloovigen dat beginsel des geloofs niet maar in het afgetrokkene kunnen hebben maar dat werkelijk hebben, en ten tweede, dat dat geloof ook beleden wordt, want geloof en bekeering geven nog geen recht op den doop, maar moeten eerst in belijdenis zich uiten, eer de doop mag worden toebediend.

En toen, voor deze ernstige en gewichtige vraag geplaatst, hebben de Gereformeerden eenparig geantwoord met de verwijzing naar het verbond der genade. In dat verbond zeide God tot Abraham en in hem tot alle geloovigen: Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad na u. In dat verbond zijn de geloovigen niet alleen, maar met hen hunne kinderen opgenomen. Dat verbond is de vaste grond van den Kinderdoop. Want kinderen der geloovigen zijn evengoed als hunne ouders in het verbond der genade begrepen. Ook hun komt de belofte toe. Gelijk zij zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, zoo worden zij ook zonder hun weten door God in genade tot zijne kinderen aangenomen.

Daarmede hadden de Gereformeerden het vaste steunpunt gevonden, dat zij in den strijd tegen de Wederdoopers van noode hadden. Geen subjectieve meeningen, geen menschelijke gissingen, geen abstracte mogelijkheden, maar Gods verbond en zijne belofte waren de hechte grondslagen van den Kinderdoop.

Maar indien dit zoo was, dan kwam bij den doop der kinderen ook alles aan op de ouders. Bij de Roomschen en de Lutherschen is dit niet het geval, want bij hen werkt de doop de wedergeboorte. Het is bij hen tot op zekere hoogte geheel onverschillig, wie de ouders zijn. Als het kind maar door getuigen in naam der kerk voor |62| hunne rekening genomen wordt, dan is alles in orde en kan de doop zonder bezwaar worden toebediend.

Maar de Gereformeerden konden zoo niet redeneeren. Kinderen hadden dan alleen recht op den doop, als zij zelven geloovigen waren. En voor geloovigen konden zij dan alleen gehouden worden, als zij kinderen van geloovige ouders waren en met die ouders in het verbond der genade waren opgenomen.

En zoo kwam bij den Kinderdoop altijd de vraag hierop neer: zijn de ouders geloovigen, zijn zij in het verbond der genade begrepen? Zoo ja, dan liep de lijn des verbonds over hen heen ook tot de kinderen door.

Bij den doop der kinderen kwam dus het zwaartepunt in de ouders te liggen. En indien dit zoo was, dan kwam het niet alleen op den vader, maar wel terdege ook op de moeder aan.

Want immers in Christus is geen man en geen vrouw. In het geestelijke telt de vrouw evengoed mede als de man. Daarom betoogt Paulus in 1 Cor. 7, dat, al is de vader een ongeloovige, de lijn des verbonds toch over de moeder heen doorloopt tot de kinderen. Want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.

Daarom konden de Gereformeerden er niet aan denken, om bij den doop der kinderen de moeder uit te sluiten. Zoo iets lag ver buiten hun gedachtenkring. De ouders, beide de vader en de moeder, zijn in het verbond der genade begrepen; beiden hebben voor hun zaad de belofte des genadeverbonds; beiden zijn voor de Christelijke opvoeding hunner kinderen verantwoordelijk.


XIV.

Tot dusver is betoogd, dat het noemen van den vader |63| alleen, in de derde vraag van ons Doopsformulier volstrekt niet de bedoeling heeft, om de moeder opzettelijk van den doop van haar kind uit te sluiten.

Maar het spreekt vanzelf, dat daarmede de vraag nog niet beantwoord is, hoe het komt, dat de Gereformeerden in den eersten tijd bij den Kinderdoop dikwerf alleen van den vader spreken en over de moeder een diep stilzwijgen bewaren.

Er is tot dusver wel aangewezen, dat de tegenwoordig door velen aangenomen verklaring van dit spraakgebruik niet deugt; maar er is nog niet gezegd, wat dan de ware en juiste verklaring is van dit onloochenbaar en opmerkelijk feit.

Gelijk men zich uit de voorafgaande historische mededeelingen herinneren zal, werd de doop in de Christelijke kerk op zeer verschillende tijden bediend. In de dagen des Nieuwen Testaments had hij dikwerf terstond na eene korte belijdenis des geloofs in het open veld en buiten de vergadering der geloovigen plaats. Later, toen een steeds grooter aantal van Heidenen tot het Christendom overging, werd hij na een proeftijd van soms drie jaren, en vooral dikwerf op hooge feestdagen bediend. Toen de Kinderdoop algemeen in gebruik kwam, werd deze op den achtsten, of den veertigsten, of op een vroegeren of lateren dag na de geboorte bediend. Er heerschte te dien opzichte groote verscheidenheid.

Maar langzamerhand kwam in de kerk de gedachte op, dat de doop de deur des heils en de poort der zaligheid was. De doop werkte de wedergeboorte. En deze beschouwing had natuurlijk ten gevolge, dat de kinderen zoo spoedig mogelijk na de geboorte gedoopt moesten worden, en dat, als er geen geestelijke aanwezig was, de doop in geval van nood door een leek bediend mocht |64| worden. Aan den doop hing de zaligheid. En verloren ging, wie ongedoopt stierf.

De gewoonte, om het kind zoo spoedig mogelijk na de geboorte te doopen, is opgekomen onder invloed van en hangt historisch samen met de Roomsche leer van de volstrekte noodzakelijkheid van het sacrament voor de zaligheid.

In de Middeleeuwen was het daarom gebruikelijk, dat een kind zoo spoedig mogelijk na de geboorte, liefst nog op denzelfden dag gedoopt werd. Dat gebruik bestond algemeen in de dagen der Reformatie. En de Hervormers zagen geen enkele reden, om dit gebruik af te schaffen. Zij lieten het bestaan. Zij eerbiedigden het. Zij wilden geen minachters van het sacrament heeten, en konden daarom ook niet bepalen, dat de doop bij de kinderen tot lateren tijd moest worden uitgesteld. Welk Gereformeerde zou zoo iets voor zijne rekening durven nemen? Te minder wilden onze vaderen dat, wijl zij anders allicht den schijn op zich hadden geladen, dat zij min of meer met het gevoelen der Wederdoopers instemden.

En toch, dat was het geval geenszins. Kinderen van geloovigen waren van het eerste oogenblik van hunne geboorte af in het verbond der genade begrepen. Zij waren in dat verbond geboren, ja zij behoorden tot dat verbond reeds, voordat zij het levenslicht aanschouwden. En daarom hadden zij, als kinderen des verbonds, recht op den doop terstond bij hunne geboorte. Waarom zou men uitstellen, eene weldaad te ontvangen, waarop de Heere naar zijne belofte reeds terstond bij de geboorte het recht gegeven had?

Van deze gewoonte, van deze onderstelling gingen de Gereformeerden uit, als zij bij den doop der kinderen alleen van den vader spraken en erop aandrongen, dat de |65| vader bij den doop van zijn kind tegenwoordig zou zijn.

Tegen dit gevoelen van de Gereformeerden is weinig in te brengen. Zij hebben heel verstandig gedaan, met dit gebruik van den vroegen doop te bestendigen, omdat zij anders allicht door de Roomschen van minachting van het sacrament waren beschuldigd.

Als de Gereformeerden in onzen tijd dan ook in dezen zelfden geest spraken en handelden, dan zouden zij zeker weinig tegenspraak te wachten hebben. Er bleef dan altijd nog een onderscheid, n.l. dat de Gereformeerden in de zestiende eeuw het gebruik van den vroegen doop allerwegen aantroffen en hoegenaamd geen reden zagen, om dat gebruik te wijzigen en den doop opzettelijk eenige dagen of weken te verschuiven. Thans echter was het gewoonte geworden, om de kinderen enkele weken na de geboorte te laten doopen, wanneer de moeder hersteld was en bij den doop tegenwoordig kon zijn.

Handelend in den geest der vaderen, had men zich dus de vraag moeten stellen: is deze langzamerhand opgekomen gewoonte zoo verkeerd, dat men haar beslist veroordeelen en tot het gebruik der vaderen terugkeeren moet? En wie weet, wat dan het antwoord ware geweest.

Maar die vraag werd niet gesteld. Het feit word geconstateerd, dat de Gereformeerden in vroeger tijd den doop aan de kinderen zeer spoedig na de geboorte hadden bediend, voordat de moeder hersteld was en erbij tegenwoordig kon zijn. Tegenwoordig was dat anders. En dus was de tegenwoordige gewoonte verkeerd. Ze getuigde van minachting van het sacrament; zij was eerst opgekomen na het Synodaal Genootschap van 1816; ze was eene groote zonde voor God. En daarom moest zij zoo spoedig mogelijk door het oude gebruik vervangen worden. |66|

Toch staat het te bezien, of de Gereformeerden van vroeger tijd, indien zij in onze dagen geleefd en onze toestanden aanschouwd hadden, ook zoo reformeerend zouden zijn opgetreden, als sommigen nu hebben gedaan? Want als de Gereformeerden van vroeger tijd waarschuwden tegen het uitstel en aandrongen op het spoedig laten bedienen van den doop, onderstelden zij gansch andere toestanden, dan die wij heden ten dage kennen. De wanorde en ongeregeldheid in de practijk van den doop kende hier te lande in de zestiende en ook in de zeventiende eeuw schier geen grenzen. Men kan er zich thans haast geen voorstelling van maken, hoe vreemd het met den doop der kinderen toeging.

Ten eerste waren er velen, die nog hingen aan de Roomsche religie en die in elk geval er nog op gesteld waren, dat hun kind na de geboorte zoo spoedig mogelijk gedoopt werd, opdat het, ingeval het eens sterven mocht, niet van de zaligheid verstoken zou zijn. Zij zochten dus de eerste de beste gelegenheid, om het gedoopt te krijgen. Als er geen Gereformeerd predikant was, dan namen zij tot een Roomschen geestelijke of een rondzwervenden monnik of een leek de toevlucht. Indien de vader hiervoor niet zorgde, dan deden het de getuigen.

Ten andere waren zeer velen met de Doopersche dwaling bevangen. Zij wilden van geen Kinderdoop weten, of maakten er in elk geval hoegenaamd geen haast mede, om den doop aan hunne kinderen te laten bedienen.

En eindelijk was er ook eene groote groep van lichtzinnigen en onverschilligen, die aan de sacramenten weinig of geen waarde hechtten en daarom den doop gedachteloos van dag tot dag en van maand tot maand en zelfs van jaar tot jaar uitstelden. |67|

Dat dit de toestand was, blijkt overtuigend uit de Handelingen der kerkelijke vergaderingen.


XV.

De Handelingen van de kerkelijke vergaderingen, die hier te lande in de zestiende en zeventiende eeuw gehouden werden, werpen op de practijk, die ten aanzien van den doop bestond, een droevig licht.

Er waren eenerzijds velen, die aan de sacramenten, en vooral aan den Kinderdoop, uiterst geringe waarde hechtten en daarom zeer nalatig waren in het gebruik; daar waren anderen, die nog aan de Roomsche religie hingen, die in den doop een waarborg der zaligheid zagen en hem daarom buiten de Gereformeerde kerk door Roomsche geestelijken of monniken aan hunne kinderen lieten toedienen.

Tegen de eerstgenoemden ging onophoudelijk de waarschuwende en vermanende stem van de kerkelijke vergaderingen uit. In Gelderland moet de toestand al zeer droevig geweest zijn. Herhaaldelijk hielden de Synoden in die Provincie zich met deze zaak bezig.

De Acta van de Provinciale Synoden te Arnhem in 1593 en 1598 en te Zutfen in 1604, 1605, 1618, 1620 getuigen ervan, hoe ver het uitstel van den doop der kinderen zich uitgebreid had. Op het platteland vooral liet men de kinderen, „niet alleene eenige weecken ende maenden maer oock jaeren, tot merckelicke verachtinge des h. doops” ongedoopt liggen. De redenen van dit uitstel waren zeer verschillend. Eene ervan was, dat de ouders den doop soms verschoven „om der kinderbieren wille.” Dat wil zeggen: in dien tijd waren de doopmalen nog in gebruik en deze waren soms vrij kostbaar. De ouders zagen er daarom tegen op, stelden den doop uit of lieten soms |68| enkele kinderen tegelijk doopen, om met één doopmaal te kunnen volstaan.

De Synoden drongen er daarom bij de kerkeraden en bij de predikanten op aan, dat zij tegen dit uitstel van den doop met allen ernst waarschuwen en de beteekenis en de waarde der sacramenten in het licht stellen zouden. Ja hierbij lieten zij het menigmaal niet, maar besloten aan de Heeren van het Hof van Gelderland te verzoeken, dat het hun believen mocht, om dit kwaad bij plakkaat te remedieeren, en een zekeren tijd voor te schrijven, binnen welken een ieder gehouden zou zijn, om zijne kinderentot den h. doop aan te bieden (Reitsma en van Veen IV 41, 69, 123, 135, 303, 346).

Op de Overijselsche Synode te Zwolle in het jaar 1615 werd op dezelfde wijze besloten, om aan Heeren Gedeputeerden te verzoeken, dat zij het plakkaat zouden vernieuwen, waarbij onder anderen voorgeschreven werd, dat men het doopen van de jonge kinderen niet te lang zou uitstellen (ib. V 297).

De toestanden, die toenmaals op kerkelijk gebied werden aangetroffen, waren dus gansch andere, dan die wij over het algemeen tegenwoordig kennen. En geen wonder is het, dat de kerkelijke vergaderingen niet aflaten, omtegen dergelijk achteloos uitstel en schromelijk verzuim van het sacrament met allen ernst te vermanen. Aan haar onvermoeiden arbeid is het te danken, dat langzamerhand betere toestanden zijn ingetreden, en dat de doop der kinderen in den regel door de ouders binnen niet al te groot tijdsverloop wordt begeerd.

Maar er was ook een kwaad aan den anderen kant. Velen, die van huis uit in de Roomsche religie waren opgevoed, konden de gedachte niet van zich zetten, dat de doop noodzakelijk voor de zaligheid was. En als de |69| Gereformeerde kerk daarvoor niet terstond na de geboorte van een kind gelegenheid bood, dan zochten zij hem bij Roomsche geestelijken, monniken of leeken. Indien het kind maar gedoopt was, deed het er heel weinig toe, door wien de doop werd bediend.

Ook met deze gevoelens en wenschen hadden de Gereformeerde kerken hier te lande te rekenen. Ook al hadden zij er op zichzelf hoegenaamd geen bezwaar in gezien, om den doop der kinderen eenige weken na de geboorte uit te stellen, dan hadden zij zoo iets toch nooit officieel kunnen uitspreken en invoeren. Er waren onder degenen, die met de Reformatie medegingen, al te velen, die op dit punt nog tot de zwakgeloovigen behoorden en wien men daarom eenigermate tegemoet moest komen. Reeds de gezindheid van deze zwakgeloovigen eischte, dat men het oude gebruik van de na de geboorte zoo spoedig mogelijk volgende doopsbediening in eere hield.

Velen waren zelfs geneigd, om met het oog op zulke gevallen den huisdoop toe te staan. Dr. H.H. Kuyper schrijft hier in zijn uitnemend werk over de Post-Acta bl. 172 v. in hoofdzaak het volgende van: de vroegere Synodes hadden van den aanvang af het Gereformeerde beginsel gehandhaafd, dat de doop niet anders mocht bediend worden dan bij de bediening des Woords, in de vergadering der geloovigen. Toch stuitte de toepassing van dit beginsel in de practijk vaak op moeilijkheden. Reeds op het Convent te Wezel 1568 was een dier moeilijkheden besproken, n.l. hoe een predikant handelen moest, wanneer ouders, bij wie de Roomsche zuurdeesem van de absolute noodzakelijkheid des doops nog nawerkte, verlangden, dat hun ziek kind aan huis zou gedoopt worden, en de vrees bestond, dat de ouders bij weigering naar den pastoor zouden gaan. |70|

Het advies was destijds geweest, dat men in zulke gevallen aan het verlangen der ouders zou voldoen, maar dan enkele geloovigen erbij zou laten komen, om zoodoende eenigermate eene vergadering van geloovigen te hebben.

In later tijd had men evenzeer moeitè gekregen met misdadigers, die ter dood waren veroordeeld, en in de gevangenis wilden gedoopt worden, en met kranken, die in stervensnood zijnde, den doop aan huis begeerden.

De Zuidhollandsche Synode te Delft in 1596 had ten aanzien van dit laatste geval geoordeeld, dat men zulke personen eerst en vooral zal zoeken tevreden te stellen met goede onderrichting uit Gods Woord, dat de zaligheid aan den doop niet is gebonden; maar dat men hun, indien zij in hun begeerte volhardden, toch den doop toedienen zou, doch met voorgaande kennis van den kerkeraad en in tegenwoordigheid van een goed getal geloovigen enz.

De Noordhollandsche afgevaardigden daarentegen gaven op de Synode van Dordrecht 1618/1619 een veel beslister advies. Volgens hunne meening moest men ten aanzien van den huisdoop blijven bij de besluiten der vorige drie Generale Synoden. Daar toch had men bepaald, dat men den doop niet anders bedienen zou dan in de openbare vergadering, alwaar Gods Woord gepredikt wordt en dat men dienvolgens hen, die een private bediening des doops in huis verlangden, met redenen uit Gods Woord behoorde te onderrichten; want de sacramenten behooren niet, gelijk in het pausdom geschied is, van de prediking van Gods Woord gescheiden en in bijgeloovige ceremoniën veranderd te worden. Ook behoorde de grove superstitie van de absolute noodzakelijkheid des doops uit de harten der menschen uitgeroeid te worden, dewijl niet het |71| ontberen maar de verachting der sacramenten verdoemt. En men moet wel toezien, dat men, zoekende eenige bijzondere zwakken te verlichten, ondertusschen de gemeene zwakheid niet meer voede en vermeerdere dan de private verbetere.

Dat was kloeke taal. Maar, gelijk Dr. H.H. Kuyper verder verhaalt, de Synode te Dordrecht nam, misschien door den invloed van Zuidholland, een toegeeflijker standpunt in, en stond den huisdoop in gevallen van grooten nood toe, mits in tegenwoordigheid van den kerkeraad, als representeerende de gemeente. Het is echter opmerkelijk, dat dit besluit niet alleen niet in de Kerkenorde is opgenomen, maar dat de Synode zelfs besloot, dat het in de gedrukte Acta niet vermeld mocht worden. Blijkbaar was de Synode voor misbruik van dit besluit bevreesd.

Uit al deze bepalingen kan men zien, hoe de Gereformeerden in vroeger dagen, trots hunne beginselvastheid, wars waren van alle doctrinairisme en ten allen tijde rekening hielden met de eischen der practijk.

Aan de eene zijde was men al tevreden, als de doop der jonge kinderen — gelijk de Overijselsche Synode van 1615 het uitdrukt — niet al te lang werd uitgesteld.

En aan den anderen kant waren velen zelfs geneigd, om ter wille van de zwakgeloovigen allerlei concessies te doen en zelfs den huisdoop toe te staan.

Deze toegefelijkheid komt ook nog in eene eigenaardige bepaling van de Kerkenorde van Dordrecht 1618/1619 voor den dag.


XVI.

Behalve het Dordsche besluit in betrekking tot den huisdoop, is nog eene andere bepaling in de Kerkenorde dier Synode belangrijk. |72|

Het 56e artikel houdt n.l. in, dat het verbond Gods aan de kinderen der Christenen met den doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld zal worden, en dat in openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt.

Maar het gaat dan aldus voort: Doch ter plaatse, waar niet zoovele predikatiën gedaan worden, zal men een zekeren dag in de week verordenen, om den doop extra-ordinairlijk te bedienen, zoo nochtans, dat hetzelve zonder predikatie niet geschiede.

De eigenlijke zin en bedoeling van deze bepaling springt niet terstond in het oog.

Oppervlakkig zou men eruit kunnen afleiden, dat de Gereformeerde vaderen op de spoedige toediening van den doop aan de kinderen der gemeente zoo sterk gesteld waren, dat zij er zelfs eene bijzondere weekbeurt voorhebben ingevoerd. Zij wilden zelfs niet, dat men met den doop van een kind, dat in het begin der week geboren was, een kleine acht dagen, tot den volgenden Zondag, zou wachten, maar zij stelden in het midden der week nog eene bijzondere gelegenheid voor de vaders open, om hun kind ten doop te presenteeren.

Zoo is de inhoud van deze bepaling dan ook door velen opgevat.

Maar deze opvatting schijnt bij nadere overweging toch niet de juiste te zijn.

Ten eerste blijkt dit uit vergelijking van dit artikel met artikel 59 der Provinciale Synode van Dordrecht van het jaar 1574. Hier toch lezen wij, dat in de plaatsen, waar zelden de predikatiën geschieden en nochtans kinderen ten doop gebracht worden, een tijd zal geordineerd worden, dat men de kinderen in de kerk ten doop brengen zal en dat men dan een teeken met de klok zal geven, om het |73| volk saam te roepen, en een korte vermaning voor den doop zal doen.

Na de Reformatie was er natuurlijk in den eersten tijd op vele plaatsen gebrek aan bediening des Woords. De kinderen moesten daarom op den doop dikwerf weken en maanden wachten. En daarom bepaalde de Provinciale Synode van Dordrecht, dat men op zulke plaatsen, waar zelden predikatiën geschiedden, van tijd tot tijd eene gelegenheid zou openen, om de kinderen ten doop te brengen. Als er een predikant in de buurt kwam of door de plaats reisde, moest hij uitgenoodigd worden, om het Woord en het sacrament te bedienen. En zulk eene gelegenheid moest dan door klokgelui aan de gemeente bekend gemaakt worden.

Zonder twijfel heeft het gebrek aan geregelde bediening des Woords aanleiding gegeven tot de bepaling in art. 59 der Prov. Synode van Dordrecht 1574.

En een dergelijke toestand wordt ook ondersteld door de tweede zinsnede in art. 56 der Kerkenorde van Dordrecht 1618/19.

Maar toch heeft deze laatste bepaling nog eene andere oorzaak. Het is een feit, dat in vele Gereformeerde kerken hier te lande, ook waar des Zondags geregelde bediening van Woord en sacrament plaats had, toch nog eene bijzondere weekbeurt met doopsbediening gehouden werd. Wat is de reden, dat deze weekbeurt met doopsbediening werd ingevoerd? Waren de Gereformeerden van meening, dat het wachten met den doop van het kind, zelfs tot den eerstvolgenden rustdag, eene minachting was van het sacrament?

Zoo oordeelen velen, maar Voetius geeft er in zijne Pol. Eccl. I 729 eene andere en meer aannemelijke verklaring van. Hij zegt daar, dat de Gereformeerde kerken, om aan |74| zwakken en twijfelmoedigen in het geloof tegemoet te komen en hen niet tot de doopsbediening van Roomsche priesters of sectarische predikers de toevlucht te doen nemen, behalve de samenkomsten der gemeente op den Zondag, ook nog eene samenkomst in de week tot het bedienen van den doop hebben ingevoerd. Zulk eene bijzondere samenkomst behoefde natuurlijk niet op die plaatsen te worden ingevoerd, waar zij al gebruikelijk was. Maar er waren nog vele plaatsen, waar de gemeente alleen des Zondags vergaderde, en dus de ouders met den doop hunner kinderen tot den volgenden Zondag moesten wachten. Dat stond echter velen ouders niet aan, omdat zij van oudsher in de Roomsche kerk eraan gewend waren, dat de doop der kinderen zoo spoedig mogelijk na de geboorte plaats had. En daarom verordende de Synode, dat er op zulke plaatsen ook nog in de week gelegenheid voor het ontvangen van den doop gegeven zou worden.

Maar, om het beginsel te handhaven, dat de doop alleen in het midden der gemeente bediend mocht worden, werd er nog iets bij bepaald. Zulk eene gelegenheid in de week moest dan door klokgelui of op eene andere wijze in de plaats worden bekend gemaakt, opdat ook enkele ouderlingen, diakenen, vrienden en buren ze konden bijwonen. Het karakter van eene gewone samenkomst der geloovigen mocht er niet bij teloor gaan. En dan moest de doop daarbij bediend worden op de gewone wijze, dat wil zeggen, de dienaar des Woords moest er eene korte predikatie of althans eene korte verklaring van de beteekenis van den doop aan laten voorafgaan en er speciaal op wijzen, dat de doop om bijzondere redenen op deze wijze bediend werd, niet omdat hij in zichzelf, als middel der wedergeboorte, maar alleen wijl hij om het gebod Gods noodzakelijk was.

De verklaring, welke Voetius van de boven aangehaalde |75| zinsnede der Dordsche Kerkenorde geeft en die ook nog van elders bevestigd wordt (Reitsma en van Veen III 271, 445), wijkt van de gewone opvatting nogal belangrijk af. Zij stelt duidelijk in het licht, welke gedachten de Gereformeerden bij hun aandringen op de spoedige bediening van den doop hebben bezield.

Zij waren volstrekt niet van meening, dat zulk eene spoedige bediening van den doop op den dag der geboorte, of uiterlijk binnen een paar dagen na de geboorte, moest plaats hebben en niet tot den volgenden Zondag mocht worden uitgesteld, omdat men zich in dat geval aan minachting van het sacrament en aan overtreding van een gebod zou schuldig maken.

En toch waren zij op hunne hoede tegen overdrijving aan de andere zijde. Zij rekenden met de zwakgeloovigen, die nog niet geheel en al van den Roomschen zuurdeesem bevrijd waren. En zij voerden daar, waar ze niet bestonden, gelegenheden in tot het ontvangen van den doop, om aan de twijfelenden tegemoet te komen en hen niet van de Gereformeerde kerk en religie te vervreemden.

De bepaling is eene concessie, die van het ruime hart der Gereformeerde vaderen spreekt.

Nu staat het natuurlijk volkomen vrij, om deze verklaring van Voetius te verwerpen en door eene betere te vervangen. Want Voetius was een knap man en in het Gereformeerde kerkrecht aardig thuis, maar onfeilbaar is hij niet.

Doch dan moet men ook eene andere en betere verklaring dan de zijne aan de hand kunnen doen, en deze is moeilijk te vinden. De bovengenoemde opvatting, die tegenwoordig door sommigen voorgestaan wordt, kan er bezwaarlijk voor. in aanmerking komen.

Want als de Gereformeerden werkelijk de overtuiging |76| hadden gehad, dat het uitstellen van den doop van een in het begin der week geboren kind tot den volgenden Zondag zoo verkeerd was, dat er eene speciale doopsbediening in de week voor ingevoerd moest worden, dan hadden zij nooit zoo kras, als zij gedaan hebben, den huis- en den nooddoop kunnen af keuren en de bediening van den doop kunnen binden aan de openbare vergadering der geloovigen.

Daar komt nog iets bij. Wie van meening is, dat de bedoelde zinsnede der Dordsche Kerkenorde geboren is uit de overtuiging, dat de doop hoogstens tot een paar dagen na de geboorte mag worden uitgesteld, die moet daarnaar ook handelen en, het eene doende, het andere niet nalaten.

De eerste zinsnede van art. 56 houdt in, dat men zijn kind moet laten doopen in de eerstvolgende openbare vergadering der geloovigen.

Terecht kan men zich hierop beroepen, om alle noodeloos uitstel van den doop der kinderen af te keuren.

Maar als men nu de bovengenoemde opvatting van de tweede zinsnede toegedaan is, dan moet men zich daaraan houden, en eischen, dat er ook in de week, overal waar het noodig is, eene gelegenheid tot het ontvangen van den doop geopend worde.

Want het gaat niet aan, om de eene zinsnede in toepassing te brengen en de tweede, die dan volgens deze opvatting van dezelfde grondgedachte uitgaat, willekeurig terzijde te stellen en te doen, alsof zij in het geheel niet bestond.

Indien daarentegen de verklaring van Voetius de juiste is, dan heeft de tweede zinsnede van art. 56 der Dordsche Kerkenorde hare beteekenis voor ons verloren en zijn wij van hare toepassing in de practijk ontslagen. Eene „extraordinaarlijke” gelegenheid tot bediening van den doop is in den tegenwoordigen tijd niet meer noodig. Wij hebben althans in den regel aan de gewone gelegenheden genoeg. |77|


XVII.

Nog ééne kerkelijke bepaling blijft er over, die ten slotte de aandacht verdient.

De Provinciale Synode te Dordrecht 1574 bepaalde in art. 57, dat het verbond Gods in de kinderen, zoo spoedig als men den doop bekomen kon, met dien doop verzegeld moest worden. Zij beperkte echter deze bepaling door de bijvoeging: tenzij er eenige zware oorzaak zij, om den doop een tijd uit te stellen, waarover de kerkeraad oordeelen zal.

En zij verklaarde bovendien, dat de affectie der ouders, die den doop hunner kinderen begeerden uit te stellen tot den tijd toe, dat de moeders zelven hare kinderen presen teeren, of op de gevaders lang wachten, geen wettige oor zaak is om den doop uit te stellen.

Deze bepaling is wel belangrijk, maar zij verliest aan gewicht, doordat zij ten eerste alleen voorkomt in de Handelingen eener Provinciale Synode, en ten tweede door geene latere, hetzij Particuliere hetzij Generale, Synode is overgenomen.

Dit laatste is te opmerkelijker, wijl de eerste woorden van dit artikel wel in volgende Synoden overgingen en o.a. ook in de Handelingen der Synode van 1618/19 voorkomen. Daar toch leest men in art. 56 ongeveer met dezelfde woorden: het verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen met den doop, zoo haast men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden, en dat in de openbare vergadering, wanneer Gods Woord gepredikt wordt.

De weglating van wat verder in art. 57 der Particuliere Synode van Dordrecht in 1574 volgde, kan dus geen toeval zijn. Zij is opzettelijk geschied. De Generale Synode |78| van Dordrecht in 1618/19 zag zonder twijfel de onmogelijkheid in, om een kerkeraad te laten oordeelen over ieder speciaal geval, waarin de doop werd uitgesteld, en liet daarmede ook de opinie der Prov. Synode over de affectie der ouders weg. Het oordeel over de redenen voor het uitstellen van den doop in ieder bijzonder geval, liet zij aan de ouders over.

Maar zij handhaaft in het algemeen — en zeer terecht — het beginsel, dat het verbond Gods aan de kinderen der gemeente met den doop verzegeld moest worden, zoo spoedig als men de bediening daarvan hebben kon. De eenige beperking, die zij eraan toevoegt, bestaat daarin, dat de doop bediend moet worden in eene openbare vergadering der geloovigen en dus in elk geval tot zoo lang moet worden uitgesteld. De nooddoop wordt verworpen, en de huisdoop hoogstens bij wijze van concessie en uitzondering toegestaan.

Met dit beginsel komen de uitspraken der Gereformeerde theologen overeen. Gemeenlijk handelen zij niet zeer breedvoerig over den tijd van den doop. Zij bepalen er zich in den regel toe, om tegenover de oude kerk, die de doopsbediening aan bepaalde tijden in het jaar bond, uit te spreken, dat de doop ten allen tijde, mits in het midden der gemeente, bediend mocht worden, en ook bij kinderen niet noodeloos en zonder oorzaak mocht worden uitgesteld.

Van eene nadere tijdsbepaling onthouden zij zich. Ook schrijven zij niet voor, wie het kind ten doop moet houden, de vader, de moeder of een der getuigen. Evenmin zeggen zij, dat, ingeval het kind na herstel der moeder gedoopt wordt, de vader alleen het kind ten doop mag houden of alleen op de vragen van het formulier antwoorden mag. In dit alles laten zij volkomen vrijheid. Alleen voegen |79| zij bijna altijd en eenparig aan de vermaning, om den doop niet uit te stellen, met het Doopsformulier de waarschuwing toe, om den doop niet uit gewoonte of bijgeloovigheid te gebruiken.

Meermalen vindt men bij hen ook, evenals in de vroeger aangehaalde bepalingen der kerkelijke vergaderingen, van de ouders gewag gemaakt als degenen, die het kind ten doop moeten brengen en ten doop moeten houden.

Voetius spreekt bij afwisseling van ouder in het enkelen ouders in het meervoud. In zijne Pol. Eccel. I 703 vraagt hij bijv., of er naast de ouders, die het kind ten doop presenteeren (parentes offerentes) nog getuigen van noode zijn enz.

Koelman, in zijn Pligten der Ouders 1724, spreekt de ouders aan en vermaant hen, om hunne kinderen, zoo haast als zij geboren zijn, tot de gemeenschap van Gods genadeverbond en tot den Christelijken doop te brengen; om zelven in het openbaar de belofte voor God en de gemeente te doen, dat zij hunne kinderen in de waarheid en godzaligheid zullen opvoeden; en om geen peters of meters te nemen, wijl dit maar eene menschelijke instelling is, die door God niet gezegend en uit het pausdom afkomstig is (bl. 7, 8).

Joannes de Swaef zegt in zijne Geestelycke Queeckerye 1740, dat de ouders in den doop hunner kinderen Gode de belofte gedaan hebben, dat zij hen godzalig zullen opvoeden; dat God aan de ouders de genade doet, dat Hij voor hunne oogen aan de lichamen hunner kinderen zijn verbond laat verzegelen; dat de ouders hunne kinderen door den doop Gode toeëigenen; dat de ouders hunne kinderen tot den doop presenteeren enz. (bl. 73 v.)

Deze en dergelijke plaatsen geven den indruk, alsof de doop der kinderen, althans meermalen, ook in tegenwoordigheid |80| der moeder en nadat zij mede de belofte had afgelegd, bediend werd.

Noodzakelijk volgt dit er wel nog niet uit. Het kan ook zijn, dat beide ouders gerekend werden, hun kind ten doop aan te bieden en de belofte af te leggen, ofschoon alleen de vader bij den doop tegenwoordig was. In ons Doopsformulier staat boven de vragen: Vermaning aan de ouders en die mede ten doop komen, terwijl toch in de derde vraag alleen van den vader en den getuige sprake is.

Maar in ieder geval blijkt eruit, dat de Gereformeerden bij het ten doop houden, bij het afleggen der belofte en bij het opvoeden der kinderen evengoed met de moeder als met den vader rekenden. Dat de moeder niet zelve bij den doop van haar kind tegenwoordig is en niet zelve het ja-woord op de belofte uitspreekt, heeft, om zoo te zeggen, zijne oorzaak in eene toevallige omstandigheid. Zij kan dat niet, omdat zij nog niet hersteld en aan haar huis gebonden is. Maar zij heeft er op zichzelve even veel recht en even dure verplichting toe als de vader.

Schijnbaar is dit een klein verschil met de tegenwoordig soms voorgedragen opvatting. En in zekeren zin is dat ook zoo. Er bestaat volstrekt geen noodzaak, om het breed uit te meten. Maar het is toch wel van eenige beteekenis en de opmerkzaamheid waard.

Als men zegt, dat de vrouw in den man is begrepen en in en door hem de belofte aflegt, dan valt alle zelfstandig recht en alle eigen verplichting naast den man bij den doop der kinderen ten eenenmale weg.

En dan volgt daaruit met logische gevolgtrekking, gelijk sommigen dan ook hebben gezegd en toegepast, dat, ook wanneer eventueel het kind na het herstel der moeder gedoopt wordt, die moeder toch niet naast haar man mag plaats nemen, dat zij niet gevraagd worden en op de vragen |81| niet antwoorden mag. Indien zij dat toch doet, matigt zij zich een recht aan, dat haar niet toekomt; dan verheft zij zich naast en tegenover haar man; dan maakt zij zich aan hoogmoed en ongehoorzaamheid schuldig.

Tegen deze beschouwing is op grond van de Gereformeerde leer en practijk wel eenig bezwaar in te brengen.

Het verschil loopt niet zoozeer over den tijd van den doop, hoewel ook op dit punt de wijsheid en de voorzichtigheid meermalen uit het oog is verloren. Maar wel loopt het over het zelfstandige recht en de persoonlijke verplichting der Christelijke vrouw en moeder.

Indien het kind gedoopt wordt, nadat de moeder hersteld is, dan mag niet alleen, maar dan behoort de moeder ook bij dien doop tegenwoordig te zijn en op de vragen van het Formulier te antwoorden. Zij heeft er dan niet alleen het recht maar ook de verplichting toe.

En de derde vraag van het Doopsformulier moet dan door den dienaar overeenkomstig die omstandigheid gewijzigd worden, behalve tot den vader ook tot de moeder zich richten, en door beiden met ja beantwoord worden.


XVIII.

In de Handelingen der kerkelijke vergaderingen en in de werken der godgeleerde schrijvers is er telkens sprake van, dat de ouders hunne kinderen ten doop moeten houden, de doopsbelofte moeten afleggen enz.

Daaruit werd boven afgeleid, dat de Gereformeerden bij den Kinderdoop evengoed met de rechten en verplichtingen der moeder als met die van den vader rekenden.

Maar tevens werd opgemerkt, dat er nog niet met noodzakelijkheid uit volgde, dat de doop vroeger reeds in den regel of meermalen in bijzijn der moeder en na haar herstel plaats had. |82|

Immers is het moeilijk te zeggen, op welken tijd gewoonlijk in de Gereformeerde kerken hier en elders de doop aan de kinderen der gemeente bediend werd. Er zou daarvoor een uitgebreid historisch onderzoek moeten worden ingesteld. Doopboeken, Kerkeraadsnotulen, Handelingen van Classicale vergaderingen enz. zouden daarvoor moeten opgeslagen worden.

En dan ware het nog niet zeker, of men, uit hetgeen men vond, een zuiver beeld van den feitelijken toestand verkreeg. Want de Synoden hier te lande gaven wel menigmaal den raad, om Doopboeken aan te leggen en daarin de namen op te teekenen van de gedoopte kinderen, de ouders en de getuigen. Maar op tal van plaatsen is die raad zeker niet opgevolgd. Op andere zijn zij misschien aanwezig geweest maar verloren gegaan en op nog andere is men er eerst zeer laat mede begonnen.

Het Doopboek van de Ned. Herv. gemeente te Kampen begint bijv. eerst met den zesden Januari van het jaar 1793 en geeft dan in de eerste jaren nog niets voor de vraag, die ons bezig houdt, omdat het wel den datum van den doop, maar niet dien van de geboorte van het kind vermeldt.

Eene generale uitspraak, dat het doopen van de kinderen in tegenwoordigheid der moeders eerst na de Ned. Herv. Synode van 1817 een aanvang heeft genomen, heeft daarom weinig historische waarde.

Reeds ten tijde van de Synoden in de 16e en 17e eeuw waren de toestanden, gelijk wij gezien hebben, plaatselijk zeer verschillend. Terwijl eenerzijds velen den doop voor hun kind zoo spoedig mogelijk na de geboorte begeerden, wachtten anderen er dikwerf maanden en jaren mede. En ofschoon de kerken voor genen zelfs doopbeurten in de week openstelden en dezen niet nalieten te waarschuwen |83| tegen uitstel van den doop, het is wel niet waarschijnlijk, dat er langzamerhand in alle kerken eene zekere eenstemmigheid in de practijk tot stand is gekomen.

Vermoedelijk is er in verschillende kerken en onder de leden derzelfde kerken eene uiteenloopende practijk blijven bestaan. Wie dicht bij eene kerk woonden, waren in gunstiger conditie dan wie er door een grooten afstand en een slechten weg van verwijderd waren. In vacante gemeenten moest men vanzelf wachten, totdat een dienaar van elders het Woord kwam bedienen. Wanneer de vader ongesteld of gestorven was, was òf een getuige òf de moeder zelve aangewezen, om het kind ten doop te houden. Allerlei omstandigheden brachten zeker wijziging aan in den tijd van den doop.

Toch is het een feit, dat in onderscheidene kerken tot op het begin der vorige eeuw toe de gewoonte bestond, om het kind in de eerstvolgende openbare samenkomst der geloovigen ten doop te houden. Het Doopboek van de gemeente te Kampen begint eerst van het jaar 1803 af geregeld, behalve den datum van den doop, ook dien van de geboorte van het kind op te geven. Van dien tijd af kan men dus zien, binnen welken tijd na de geboorte de doop in den regel bediend werd.

En dan blijkt, dat de kinderen der geloovigen over het algemeen en meestentijds gedoopt werden tusschen den eersten en den achtsten dag na hunne geboorte, in de eerstvolgende Woensdag- of Zondag-godsdienstoefening. Maar meermalen had de doopsbediening toch ook langeren tijd, twee, drie, vier weken, soms zelfs twee, drie maanden enz. na de geboorte plaats, zonder dat de reden van dit uitstel opgegeven wordt.

En zoo was de gewoonte ongetwijfeld ook nog in vele ande re kerken in het begin der vorige eeuw. Dit wordt |84| bewezen door de Handelingen van de Algemeene Christelijke Synode der Hervormde kerk in het koninkrijk der Nederlanden in den jare 1817. Deze Synode trachtte verschillende verbeteringen aan te brengen in den openbaren godsdienst in ’t gemeen en in de bediening van doop en avondmaal in ’t bijzonder.

Wat de laatste betreft, daar de doopsbediening, gelijk zij toenmaals plaats had, weinig indruk maakte, stelde zij in eene circulaire van den 11en Juli aan de gemeenten voor, om die bediening niet te dikwijls te herhalen, de gelegenheden ervoor te verminderen, en ze in de weekbeurten geheel af te schaffen.

En daarbij voegde zij nog de volgende, zeer eigenaardige opmerking: „Voorts zou het ongetwijfeld den indruk des doops vergrooten, wanneer niet alleen de vader maar ook de moeder met het kind ten doop kwam en daartoe hare herstelling gerustelijk afwachtte.”

Deze moederlijke raadgeving en gemoedelijke overweging blijve geheel voor rekening van de Algemeene Christelijke Synode der Hervormde kerk. Maar zij heeft er zeker wel toe bijgedragen, om langzamerhand den doop uit te stellen en te doen plaats hebben in de tegenwoordigheid der moeder.

Zij heeft ertoe bijgedragen maar is er toch niet de oorzaak en in elk geval niet de eenige oorzaak van.

Want ten eerste werd de doop reeds vóór het jaar 1817 in vele gevallen verscheidene weken en soms maanden na de geboorte bediend. Ten tweede zou zulk eene raadgeving van de Ned. Herv. Synode op zichzelve volstrekt niet in staat geweest zijn, om een oud gebruik plotseling af te schaffen, wanneer het niet al te lang tevoren van zijne beteekenis was beroofd. En eindelijk gaf niet de wensch, om de plechtigheid des doops door de tegenwoordigheid |85| der moeder te verhoogen, bij het uitstellen van den doop den doorslag, maar wel de bepaling, dat men de gelegenheden tot doopen verminderen moest.

Langzamerhand werd die bepaling in de gemeenten toegepast. Eerst werd de doopbeurt in de week afgeschaft, vervolgens werd er slechts eens in de twee weken, en daarna slechts eenmaal in de maand gelegenheid tot doopen gegeven.

En daarvan was nu het gevolg, dat de moeder erbij tegenwoordig kon wezen en er allengs ook geregeld bij tegenwoordig was.

Echt Synodaal was de overweging, dat het bijzijn der moeder de plechtigheid van den doop verhoogen en den indruk ervan vergrooten zou.

Maar dat was toch de hoofdzaak niet. Deze lag in de beperking der doopsgelegenheden.

Indien deze goed te keuren ware, dan zou er (afgedacht natuurlijk van die verhooging der plechtigheid, welke voor rekening der Synode blijft) niets tegen maar alles voor te zeggen zijn, dat de moeder mede het kind ten doop bracht. Want zij heeft er evengoed als de vader het recht en den plicht toe. Als zij daaraan niet voldoen kan, heeft dat zijne oorzaak in eene toevallige omstandigheid, evenals de vader soms ook door ziekte of dood zijn recht en plicht niet uitoefenen kan.

In de circulaire der Herv. Synode hangt dus het uitstel van den doop en de wensch, dat de moeder erbij tegenwoordig zij, ten nauwste met het verminderen van het aantal doopbeurten saam.

En evenzoo eischt het gebruik van den spoedigen doop in de vroegere Gereformeerde kerken, dat er gelegenheid zij voor de ouders, om den doop voor hun kind te ontvangen, bij iedere samenkomst der geloovigen, indien er althans een dienaar des Woords aanwezig is. |86|

Want het heeft geen zin, om eenerzijds tot de ouders te zeggen, dat zij hun kind ten doop moeten houden, zoo spoedig als het kan, en anderzijds het aantal doopbeurten te beperken en daarin uit te spreken, dat, ofschoon de ouders den doop voor hun kind zoo spoedig mogelijk begeeren, de kerk niet genegen is, om aan dien wensch te voldoen.

Dat ware eene minachting van het sacrament, die niet bij de ouders maar nog veel minder bij de ambtsdragers, bij den kerkeraad, te pas komt.

Indien dus de eerste zinsnede van art. 56 der Dordsche Kerkorde het wederinvoeren van de doopspractijk der vaderen eischt, dan mag door den kerkeraad het aantal gelegenheden voor het ontvangen van den doop niet tot één maal in de veertien dagen of in de vier weken beperkt worden. Zoo dikwijls er bediening des Woords is, moet er dan ook gelegenheid gegeven worden tot het ontvangen van den doop.


XIX.

Behalve de beperking der doopbeurten, welke na de Synode van 1817 in de Ned. Herv. kerk werd ingevoerd, is er nog eene reden geweest, waarom de doop aan de kinderen des verbonds langzamerhand tot na het herstel der moeder werd verschoven. En dat was het allengs in onbruik komen van het stelsel van getuigen.

De Gereformeerden namen uit de Roomsche kerk in den eersten tijd den dienst der doopgetuigen over. Zij zagen er over het algemeen geen noodzaak in, om met deze oude en eerwaardige gewoonte te breken. Het was wel geen gebod des Heeren, maar had om zijne oudheid en algemeenheid toch op eerbied aanspraak. Het was met eene goede bedoeling ingevoerd, n.l. om van het geloof der ouders en van den doop des kinds getuigenis af te leggen, en om |87| later in verband met of in plaats van de ouders het kind in de leer der waarheid te onderwijzen en in de vreeze des Heeren op te voeden. En bovendien viel de afschaffing zoo moeilijk, omdat velen eraan gehecht waren en deze oude gewoonte niet wilden laten varen.

Vandaar, dat de Gereformeerden dit gebruik lieten bestaan en er alleen voor zorgden, dat de getuigen niet de plaats der ouders zouden innemen. Dezen moesten voorgaan; op hen lag allereerst de roeping om het kind ten doop aan te bieden en ten doop te houden. De getuigen mochten hoogstens de tweede plaats innemen.

Maar dit alles nam toch niet weg, dat velen van den beginne af tegen heel dit stelsel van getuigen ernstige bezwaren koesterden en op afschaffing aandrongen. Koelman bijv. ried de ouders aan, om zelven het kind ten doop aan te bieden en geen peters of meters te nemen. Want al was dit een oud gebruik, het kwam in Gods Woord niet voor en was uit het Pausdom afkomstig.

Deze overweging droeg ertoe bij, dat het nemen van getuigen hoe langer hoe meer in onbruik kwam. Het langst bleef nog de gewoonte in stand, om eene vrouwelijke getuige mede te brengen bij den doop van een kind.

Ten minste was dit blijkens het Doopboek in de kerk te Kampen het geval. Dit Doopboek vangt aan met jen 6en Januari 1793 en noemt dan, behalve de namen der kinderen, ook die der ouders en getuigen.

Zeer opmerkelijk is daarbij nu, dat een doopvader en doopmoeder te zamen slechts uiterst zelden naast den vader van het kind bij den doop voorkomen; dat een doopvader alleen eene hooge uitzondering is; en dat in verreweg de meeste gevallen, als er een getuige bij den doop tegenwoordig is, deze eene vrouwelijke getuige is. Enkele keeren wordt er uitdrukkelijk bij gezegd, dat deze vrouwelijke |88| getuige als doophefster is opgetreden, dat wil zeggen, dat zij het kind op de armen heeft gehouden, op het oogenblik dat het door den dienaar des Woords gedoopt werd.

Zonder te groote lichtvaardigheid mag hieruit zeker wel afgeleid worden, dat de mannen bij het laten doopen van hun kind de vrouwelijke hulp moeilijk ontberen konden. Mannen zijn soms zoo verbazend onhandig, zelfs als het betreft het op de armen houden van hun eigen kind. Voor vele mannen moet het in vroeger dagen evengoed als tegenwoordig eene uitkomst zijn geweest, dat de kerk bij den doop der kinderen vrouwelijke getuigen toeliet, die veel geschikter dan zij zelven de kinderen — gelijk men het noemde — ten doop konden heffen. En daarom heeft vermoedelijk het nemen van vrouwelijke getuigen bij den Kinderdoop het langst stand gehouden. Wijl de moeder zelve niet tegenwoordig kon zijn, nam eene andere vrouw, gewoonlijk een lid der familie, hare plaats in.

Maar dat stelsel van getuigen hebben wij thans niet meer. En er is zoo veel tegen te zeggen, dat de wederinvoering werkelijk niet meer te wenschen is. Het is waar, dat de Gereformeerden het over het algemeen overnamen en goedkeurden, dat het in vele Kerkenordeningen voorkomt, dat het Doopsformulier er melding van maakt; en toch zal er waarschijnlijk niemand in onze kerken zijn, die de historie op dit punt zou willen reconstrueeren. Allen leggen zich bij de bestaande toestanden neer en laten de uitspraken der vroegere Gereformeerde kerken en theologen voor wat ze zijn.

Als echter de doop van het kind enkele dagen na de geboorte plaats heeft, zoodat de moeder het niet ten dogp kan houden, zal onwillekeurig hier en daar de behoefte weer ontwaken, om, ten einde aan de onhandigheid van vele mannen tegemoet te komen, de hulp eener andere |89| vrouw dan van de moeder in te roepen. Althans hoorde men zoo nu en dan reeds eene klacht over de onbeholpenheid, waarmede de vader zijn kind ten doop hield en die de aandacht der gemeente, vooral van de vrouwelijke helft, schier geheel van de bediening des doops had afgeleid.

Het in onbruik raken van het stelsel van doopgetuigen heeft er daarom naar alle waarschijnlijkheid mede toe bijgedragen, dat de doop langzamerhand zoo lang werd uitgesteld, totdat de moeder hersteld was en zelve hare hulp bij het ten doop houden van haar kind verleenen kon.

Deze onderstelling vindt daarin steun, dat het uitstellen van den doop tot na het herstel der moeder niet alleen hier te lande maar ook elders in vele Gereformeerde kerken algemeen in gebruik is gekomen. Er is daar geen „Algemeene Christelijke Synode” geweest, gelijk de Ned. Herv. kerk die ten jare 1817 bezat en die de plechtigheid des doops daardoor meende te moeten vergrooten, dat niet alleen de vader maar ook de moeder erbij tegenwoordig was. En toch is daar dezelfde practijk in eere gekomen, die langzamerhand ook hier te lande ingang vond.

Althans in de (Dutch) Reformed Church en in de Presbyteriaansche kerken in Amerika is het regel, dat zoowel de moeder als de vader bij den doop van het kind tegenwoordig is, dat de moeder bepaald het kind ten doop houdt, en dat zij met den vader op de doopvragen antwoordt. Niet zelden gebeurt het ook in de laatstgenoemde kerken, dat de moeder het kind vóór den doop aan den dienaar overgeeft, die het dan vasthoudt in den linkerarm en doopt met de rechterhand.

Dit laatste gebruik is volstrekt niet te veroordeelen. Wel zijn er in den laatsten tijd enkelen in onze kerken geweest, die het doorgedreven hebben, dat alleen de vader het kind ten doop mocht houden. Zij beriepen zich voor deze |90| meening op art. 57 der Dordsche Kerkenorde, waar staat, dat de vader zijn kind ten doop moet presenteeren. Maar dit beroep geschiedde zonder eenigen grond. Ten doop presenteeren beteekent volstrekt niet ten doop houden, in de armen houden, terwijl het kind gedoopt wordt.

Ten doop presenteeren beteekent: het kind bij den kerkeraad aangeven en verzoeken, dat het bij de eerstkomende gelegenheid gedoopt worde. Dit is natuurlijk de plicht van den vader. Evenals hij de geboorte van zijn kind aangeeft bij den burgerlijken stand, zoo geeft hij er ook kennis van aan de kerkelijke gemeente. Getuigen heeft hij daarbij niet noodig. De burgerlijke overheid vraagt dezen wel, opdat zij met hunne handteekening bekrachtigen, dat hetgeen door den ambtenaar van den burgerlijken stand is opgeschreven, volkomen overeenstemt met wat door den vader in hun bijzijn aangaande de geboorte van zijn kind is medegedeeld. Maar de kerk vertrouwt hare leden en beschouwt hun ja als ja en hun neen als neen. En de Gereformeerde Kerkordeningen leggen er nu nadruk op, dat deze aangifte geschiede door den vader, niet in tegenstelling met de moeder, maar in tegenstelling met de getuigen, die bij de Roomsche kerk daarvoor aangewezen waren en den vader het werk uit de handen namen.

Maar dit presenteeren voor den doop is heel iets anders dan het ten doop houden of, gelijk men vroeger teide, het ten doop heffen. Wie dit laatste doet, is tot op zekere hoogte onverschillig. Het doet tot het wezen en ook tot den zuiveren vorm van den doop niets af, of de vader of de moeder, of een mannelijke dan wel een vrouwelijke getuige, of de predikant of de baker of iemand anders het kind in de armen houdt op het oogenblik, dat het gedoopt wordt. Dit alles behoort tot de zoogenaamde „middelmatige” dingen. |91|


XX.

Het onderzoek, dat tot dusver naar den tijd van den doop werd ingesteld, kan ten slotte in de volgende stellingen kortelijk worden samengevat.

1. De Heilige Schrift bevat hoegenaamd geen bepaling of voorschrift over den tijd van den doop. Wel werd in de dagen des Nieuwen Testaments de doop in den regel zeer spoedig na het afleggen van de belijdenis des geloofs bediend. Maar deze gewoonte kan ons niet rechtstreeks binden, omdat de doop toen alleen aan volwassenenen werd bediend; menigmaal op het open veld of in huis, buiten de vergadering der geloovigen om, plaats had; en ook in de wijze der bediening, n.l. als onderdompeling, door de Christelijke kerk niet nagevolgd is.

2. Toen de gemeente in de wereld zich uitbreidde, werd daarom langzamerhand en in vele gevallen zeker terecht en op goede gronden aan hen, die uit het Heidendom of Jodendom wenschten over te komen, een kortere of langere tijd van beproeving en voorbereiding gesteld. Menigmaal zelfs had de doop eerst na een tijdsverloop van twee of drie jaren plaats, en werd de doopsbediening gansch verkeerdelijk aan bepaalde tijden in het jaar, vooral aan de hooge Christelijke feestdagen gebonden. En daarbij kwam nog, dat velen den doop soms jaren lang uitstelden, in de meening dat door dat sacrament alleen de zonden van het verledene werden uitgewischt.

3. Nadat de Bejaardendoop langzamerhand door den Kinderdoop vervangen was, werd deze eerst op verschillende tijden bediend, nu eens op den achtsten, dan op den veertigsten, of ook op een nog lateren dag na de geboorte. Maar de allengs opkomende leer van de noodzakelijkheid des doops tot de zaligheid deed de gewoonte ontstaan, om |92| het kind terstond na de geboorte ten doop te bieden. Wanneer de omstandigheden verhinderden, dat het kind in de kerk door den bedienaar van het sacrament werd gedoopt, mocht het zelfs aan huis van een niet-ambtelijk persoon den doop ontvangen. Vroegdoop, huisdoop en nooddoop waren alle drie gevolgtrekkingen uit de leer van de volstrekte noodzakelijkheid des doops.

4. De Gereformeerden hebben, rekening houdende met de practijk, den vroegdoop niet afgeschaft. Zij voerden hem niet in, maar lieten hem volkomen terecht bestaan, omdat een vermaan tot uitstel op zichzelf onverdedigbaar zou zijn, omdat bij velen juist tegen een maanden- en jarenlang uitstel gewaarschuwd moest worden, en omdat men ook met de zwakgeloovigen, die uit de Roomsche kerk overkwamen, rekenen en aan hunne bezwaren tegemoet komen moest.

5. Toch hebben zij zijdelings in den tijd van den doop eene belangrijke wijziging gebracht. Want ten eerste leidden zij de verplichting, om het kind ten doop te houden, van de getuigen weder tot de ouders terug. Ten andere bonden zij de doopsbediening aan de openbare samenkomst der geloovigen. En ten derde schaften zij den nooddoop af en stonden den huisdoop en de doopbeurt in de week slechts bij wijze van concessie aan de zwakgeloovigen toe.

6. Als sommige Kerkorden alleen van den vader spreken als dengene, die het kind ten doop moet houden, dan is daarmede nooit bedoeld, dat de moeder het niet mag doen. Want het noemen van den vader alleen is daaruit te verklaren, dat toenmaals in den regel de doop binnen enkele dagen na de geboorte plaats had. De moeder was feitelijk, wijl zij nog niet hersteld was, van de bijwoning der doopsplechtigheid en van het antwoorden op de doopvragen verstoken. Maar deze afwezigheid berustte op eene eeuwenlange gewoonte en niet op eenige theorie. |93|

7. Meermalen toch is er in de Gereformeerde Kerkorden en ook in de geschriften der theologen van de ouders sprake. Bij de opvoeding werd door de Gereformeerden evengoed met de moeder als met den vader gerekend. Niet alleen werden mannelijke, maar ook vrouwelijke getuigen bij den doop toegelaten en tot het beantwoorden der doopvragen verplicht. De meening, dat de moeder, indien zij er toe in staat is, het kind niet mede ten doop mag brengen en niet ten doop mag houden en niet op de vragen antwoorden mag, is van allen grond ontbloot.

8. Het is niet waarschijnlijk, dat er hier te lande ten aanzien van den tijd van den doop eene volkomene overeenstemming in de practijk heeft bestaan., Verschillende omstandigheden, plaatselijke gewoonten, langdurige vacatures, groote afstanden enz. legden daartoe, toen evenals nu, te groote hinderpalen in den weg. En ofschoon het zonder twijfel in vele gemeenten langen tijd gewoonte bleef, om de kinderen in de eerstvolgende vergadering der geloovigen te laten doopen, toch is onder andere redenen het allengs in onbruik raken van het getuigenstelsel oorzaak geweest, dat de doop, niet alleen hier te lande maar ook elders, allengs tot na het herstel der moeder werd uitgesteld.

9. De tegenwoordig algemeen heerschende gewoonte, om het kind in tegenwoordigheid der moeder te doopen, is historisch geworden, evenals bijv. ook het vieren van het avondmaal enkele malen des jaars. Zij is niet een gevolg van de gemoedelijke overweging der Ned. Herv. Synode van 1817. Ook mag men niet zeggen, dat zij uit minachting van het sacrament is voortgekomen. Noch ook behoort zij voorgesteld te worden als ongehoorzaamheid aan Gods gebod, wijl er in dezen van een positief gebod, zooals er in het Oude Testament voor de besnijdenis bestond, geen sprake is.

10. Wie desniettemin van oordeel is, dat de vroegere |94| practijk de voorkeur verdient, geniete in de Gereformeerde kerken niet alleen voor zichzelven de vrijheid, om haar na te volgen, maar hebbe ook het volle recht, om deze voorkeur op goede gronden te bepleiten. Doch hij onthoude er zich van, om anderen, die een ander gevoelen zijn toegedaan, van minachting van het sacrament of ongehoorzaamheid aan Gods gebod te beschuldigen. En hij ga, bij de poging tot reformatie, met die wijsheid en voorzichtigheid te werk, welke onze vaderen toepasten, als zij, onverzettelijk op het stuk van beginsel, steeds rekening hielden met de practijk, en wachte zich bovenal voor die overdrijvingen, welke aan de beste zaak dikwerf eene onherstelbare schade berokkenen.

Want zeer terecht heeft de Heraut onlangs gezegd: „Behoefte, om door strijd verwarmd en bezield te worden, toont, dat het geestelijk leven inzonk en verraadt algemeene geestelijke krankheid.

Wat toch is van zulk een stemming het natuurlijk, het noodzakelijk, het niet te vermijden gevolg?

Dit, dat men, in het hooge en heilige eenstemmig, zich met zijn strijdlust werpen gaat op inzichtsverschillen van geheel ondergeschikten aard, en dan, om zijn kleinzieligheid te verbergen, die ondergeschikte geschillen opblaast tot aangelegenheden van het allerhoogste gewicht.

Zoo zijn er dan jeugdige predikanten in de kerken ingegaan, die in tal van kerkrechtelijke en liturgische aangelegenheden eene usantie vindende, waarop wel eenige critiek was te oefenen, gewaand hadden het heil der kerken het best te dienen, door die critiek zoo scherp mogelijk tegen de bestaande usantie over te stellen en er de ware reformatie in zagen, als nu die niet onberispelijke usantiën op staanden voet gekeerd werden.”

Dit is over het algemeen genomen juist gezien en gezegd, |95| en al wat er verder aan toegevoegd wordt, is waard om herlezen, overdacht en behartigd te worden.

Te meer, omdat het bijna niet te begrijpen is, dat de zucht tot reformatie zich wel niet uitsluitend maar toch met voorliefde op dit punt van den doop heeft gericht.

Waren de toestanden dan zoo slecht, dat hier vóór alles en op staanden voet hervorming moest worden ingevoerd? Er is zeker niemand, die, ook al is hij niet blind voor vele gebreken in ons kerkelijk leven, dit zou durven beweren. Want in vergelijking met de toestanden, die er in de zestiende en zeventiende eeuw aangetroffen werden, hebben wij stof tot ootmoedigen dank. En toch, welk een voorzichtigheid hebben de Gereformeerden toen betracht, en welk een geduld hebben zij geoefend! Hoeveel te meer reden bestond er dan voor onze jeugdige predikanten, om naar de vermaning in de Heraut, eerst eens een tiental jaren in de gemeente te werken door onderwijs en gesprek, zoodat de overtuiging langzaam rijpte en de rijpe vrucht dan vanzelf in den schoot viel.

Bovendien is het feit, dat in den tijd der Hervorming de gewoonte eene andere was dan tegenwoordig, geen genoegzame reden tot verandering. Want niet alleen wijken wij telkens in allerlei kerkrechtelijke en liturgische aangelegenheden van de practijk onzer vaderen af. Maar het zou ook invoering van een valsch ongereformeerd beginsel zijn, indien wij daarom in den tegenwoordigen tijd iets afkeurden, wijl onze vaderen anders deden. Want het Doopsformulier zegt daartegenover terecht, dat wij den doop onzer kinderen niet uit gewoonte zullen begeeren, ook niet op een bepaalden tijd.

Ook kan de oorzaak voor het ter hand nemen van de reformatie op dit punt niet hierin gelegen zijn, dat de doop noodzakelijk tot de zaligheid is. Want dit leeren wel de |96| Roomschen maar niet de Protestanten; en het zou voorts eischen, dat de doop ook niet tot de eerstvolgende vergadering der geloovigen werd uitgesteld, (want uitstel is uitstel, hetzij het acht of veertien dagen dure), maar terstond na de geboorte desnoods in huis en door een niet-ambtelijk persoon werd bediend. Doch het Doopsformulier zegt wederom terecht, dat wij den doop niet uit bijgeloovigheid zullen begeeren. De bevreemding over het haastig aandringen op verandering neemt nog daardoor toe, dat velen zich wel over den tijd van den doop ernstig bezorgd maken, maar over andere en veel ergere toestanden niet de minste ongerustheid toonen.

Er is, om maar iets te noemen, niet alleen een tijd voor den doop, maar ook een tijd voor het avondmaal. Te dezen aanzien bestaat onder ons eene gewoonte, die verre afwijkt van die in den apostolischen tijd. Toen werd het avondmaal dagelijks of in ieder geval elken Zondag gevierd. Eerst langzamerhand vond de gewoonte ingang, om het avondmaal slechts enkele malen in het jaar te gebruiken. In de Middeleeuwen namen velen er slechts eenmaal in het jaar deel aan, zoodat kerkelijke vergaderingen de bepaling moesten maken, dat de geloovigen het minstens driemaal in het jaar moesten vieren.

Ofschoon deze practijk verre afweek van die in de eerste Christengemeenten en veel minder verdedigd kon worden, dan die bij den doop in zwang kwam, hebben de Hervormingsgezinden in hoofdzaak dezen toestand bestendigd. Wel ging er nu en dan een stem op, dat men het avondmaal eigenlijk iederen rustdag moest vieren. Calvijn wilde, dat de gemeente minstens eenmaal in de maand den dood des Heeren zou verkondigen. Maar bij deze wenschen bleef het dan ook.

In onze Kerkorden werd bepaald, dat men in de kerken, |97| die niet meer onder het Kruis zaten, het avondmaal eens in de twee maanden vieren zou. En daaraan werd dan nog de beperkende bepaling: zooveel het mogelijk is, toegevoegd.

Doch ook dit besluit werd volstrekt niet gehandhaafd. Voetius klaagde er over, dat in zijn tijd het avondmaal in vele gemeenten niet meer dan tweemaal ’s jaars werd gevierd, en dat vele leden er slechts eenmaal ’s jaars gebruik van maakten.

En soortgelijke toestanden bestaan nog heden ten dage. Ofschoon de Kerkorde zes malen voorschrijft, wordt het avondmaal in vele kerken slechts vier of een nog minder aantal malen bediend. En er zijn tal van gemeenteleden in onze kerken, die er niet slechts eenmaal in het jaar, maar die er zelfs nooit gebruik van maken.

Deze toestand is veel erger dan de practijk, die ten aanzien van den Kinderdoop heerschende werd. Het eene doende, moest men nu het andere niet nalaten. Indien werkelijk de heilighouding van het sacrament en de gehoorzaamheid aan Gods gebod de drijfveer is, dan moet deze nog veel meer bij het avondmaal dan bij den doop tot afkeuring van alle uitstel leiden. En toch komt het voor, dat het oog daarvoor geheel gesloten blijft. Ja, daar zijn er, die wel de nieuwe practijk huldigen en hun kind zoo spoedig mogelijk na de geboorte laten doopen, maar die er niet aan denken, om zelven ten avondmaal te gaan, of er in elk geval geen geregeld gebruik van maken. En dat, terwijl de avondmaalsviering in den apostolischen tijd iederen rustdag en thans slechts vier of hoogstens zes malen in het jaar plaats heeft.

Is het wonder, dat op deze wijze de practijk geen vertrouwen wekt en tot moeilijkheden aanleiding geeft.

Daar komt — waartoe het verheeld? — ten slotte nog |98| bij, dat velen den indruk krijgen, alsof het kind zeker als wedergeboren is aan te merken, indien het maar gedoopt is. De bedoeling is dit zeker niet van hen, die de practijk der vaderen wenschen te herstellen. Maar desniettemin wordt bij velen de vreeze gewekt, dat men door overdrijving ten slotte bij Rome terecht komt. Overdreven moge die vreeze zijn, er moet toch mede gerekend worden. Want indien er maar eenige schijn van grond voor aanwezig ware, zou de laatste dwaling veel erger kunnen worden dan de eerste. Wat men gewonnen had in zuiverheid van practijk, zou men verloren hebben in zuiverheid van leer.

Zonder twijfel hangt dan ook de nieuwe practijk met de nieuwe doopsbeschouwing saam. Zij verklaart, waarom juist de aandacht zich zoo eenzijdig op dit punt heeft gericht.

Men stelt het in vele kringen zoo voor, dat de aloude Gereformeerde belijdenis omtrent den doop eerst door den dogmatischen arbeid der Vrije Universiteit teruggevonden was. Nu eerst leerde men weer inzien, dat de Kinderdoop bediend moest worden op grond van onderstelde wedergeboorte; nu eerst ging men weer onderscheiden tusschen wedergeboorte en bekeering; en nu kwam er eerst weer plaats voor de beschouwing van den Kinderdoop als sacrament.

Deze voorstelling is, zooals ze daar ligt, onjuist. Misschien hebben ook vele leden der tegenwoordige Gereformeerde kerken de kennis der belijdenis, ook in het stuk van den Kinderdoop, aan den dogmatischen arbeid der Vrije Universiteit te danken. En ook zijn alle kerken ten hoogste dankbaar voor het helderder licht, dat door dien arbeid over menig artikel onzer belijdenis ontstoken is.

Maar toch is het te veel gezegd, dat de aloude Gereformeerde belijdenis over den doop eerst door dien arbeid teruggevonden is. In de Christelijke Gereformeerde kerk |99| was die belijdenis reeds jaren lang bekend en geliefd. Zeker was er velerlei gebrek, gelijk dit ook nog heden ten dage het geval is. Maar over het algemeen was de leer des doops zuiver en in overeenstemming met die der vaderen.

Het nieuwe, dat door den dogmatischen arbeid der Vrije Universiteit over den doop aan het licht is gebracht, bestaat hoofdzakelijk in de voorstelling, dat de onderstelde wedergeboorte de grond van den doop is. Zonder nu een oogenblik te miskennen, dat deze voorstelling voor velen den doop weer in waarde heeft doen rijzen, mag toch ter andere zijde niet vergeten, dat zij in breeden kring veel misverstand en groote verwarring heeft veroorzaakt. Niet zoozeer in den zin, waarin zij door Dr. Kuyper bedoeld, als wel door velen zijner volgelingen opgevat is. Ook staat het nog niet zoo aanstonds vast, dat zij beter is dan de vroegere beschouwing, dat het verbond der genade, de belofte Gods de grond voor den Kinderdoop was.

Immers behoeft men slechts deze drie vragen te overwegen, om te weten, of wij in de leer van den doop er thans beter dan vroeger aan toe zijn.

Vooreerst: is de doop altijd en overal, waar bij zuiver bediend wordt; een bewijs van wedergeboorte?

Ten tweede: indien dit niet zoo is, is er dan een kenteeken, waardoor wij weten, in welk geval de doop wel en in welk geval hij niet een bewijs van wedergeboorte is?

Ten derde: indien zulk een kenteeken ontbreekt, is er dan voldoende grond in de H. Schrift, om met zekerheid ter beweren, dat althans alle uitverkoren kinderen vóor hun doop worden wedergeboren?

Wie deze vragen indenkt, zal beseffen, dat wij, menschen, altijd blijven staan voor het mysterie van Gods raad en |100| voor de vrijmachtige werking zijns Geestes. God ontfermt zich, diens Hij wil en Hij verhardt, dien Hij wil.

Daarom is er geen reden, om in de leer of in de practijk des doops elkander te veroordeelen. Indien aan den eenen kant het gevaar dreigt van onderschatting, is aan de andere zijde de vreeze niet denkbeeldig voor overschatting van het sacrament. Er is geen beginsel, maar alleen eene ondergeschikte quaestie van practijk in geschil. En daaraan mag de vrede en de eenheid der kerken niet worden opgeofferd.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004