Opleiding en Theologie

door M. Noordtzij, D.K. Wielenga, H. Bavinck en P. Biesterveld

Kampen. — J.H. Kok. — 1896

a




Voorbericht


Wat ons in het openbaar optreden doet, is in de eerste plaats het belang der School, daarna ook dat der Kerken.

De Curatoren hebben na rijpe overweging een voorstel tot reorganisatie der School aangenomen, dat ons niet onverschillig is. Wij achten de aanneming daarvan van het hoogste belang voor de Theol. School. Er is geen verschil over, of wij de School willen behouden. Dat staat bij ons allen vast. En juist, omdat wij haar willen behouden, achten wij het dringend noodig, dat ze versterkt en verbeterd worde. De laatstgehoudene Synode heeft haar de taak opgedragen, om de aanstaande dienaren des Woords te vormen door de wetenschappelijke studie der Theologie en door de practische opleiding tot het ambt. Het is onze wensch en bede, dat zij onder den zegen des Heeren daaraan beantwoorden kunne en daartoe ook zoo deugdelijk en degelijk mogelijk ingericht zij.

Wij zouden zeker niet opgetreden, zijn, wanneer het voorstel van Curatoren zonder meer aan de Kerkeraden ware voorgelegd en deze nu zonder invloed van den eenen of van den anderen kant tot oor deelen waren opgeroepen. Maar toen van de eene zijde in het openbaar de bezwaren werden opgesomd, die tegen het voorstel van Curatoren bestonden, meenden wij gerechtigd en verplicht te zijn om uit te spreken, waarom wij dit voorstel van ganscher harte steunen en op de aanneming er van ten zeerste aandringen. Te meer werden we daartoe bewogen, omdat dit voorstel al spoedig weer met wantrouwen werd begroet en in een geheel valsch licht werd geplaatst, en door valsche geruchten werd ondermijnd.

Voorts oordeelden wij het wenschelijk, om gezamenlijk optetreden, opdat het den schijn niet hebben zou, alsof dit voorstel een bijzonder lievelingsidee van een onzer wezen zou. Neen, alle leeraren der school zijn op twee na ten opzichte van het aanhangig voorstel volkomen eenstemmig. Wij achten allen eene nieuwe regeling der School overeenkomstig het voorstel van Curatoren dringend noodzakelijk. Ook de leeraren in de letteren, de Heeren van der Valk en Kapteijn, zijn met ons van dezelfde overtuiging en hebben aan al wat in deze |vi| brochure over het litterarisch onderwijs gezegd wordt, hun volle adhaesie gehecht.

Maar voorts heeft ook het belang der Kerken ons tot spreken gedrongen. Liever hadden wij ook hier het zwijgen bewaard. Maar het ging, dunkt ons, niet aan, om eene reeks van ernstige beschuldigingen, die weken en maanden lang tegen een hooggeschatten ambtgenoot en broeder werden ingebracht, geheel onbesproken te laten. Het ware ons liever geweest, indien anderen het woord hadden genomen. Maar nu allen zwegen, scheen spreken ons plicht.

Toch zouden we ons ook dan nog niet in den strijd hebben gemengd, wanneer het bijzondere inzichten op theologisch gebied gegolden had. De beide partijen hadden dan den twist onder elkander kunnen uitstrijden. Maar nu het zulke leerstellingen betrof, welke in de Gereformeerde kerken ten allen tijde waren voorgestaan en verdedigd, en waarin wij, behoudens eigene wijze van voorstelling, van geen principieel verschil ons bewust zijn; nu deze leerstellingen als onschriftuurlijk en ongereformeerd werden voorgesteld en haar verdediger van zeer ernstige afwijking van de waarheid aangeklaagd werft; nu eindelijk ar deze beschuldigingen niet in den kerkelijken weg werden ingebracht ter plaatse, waar ze behoorden, maar midden in de kerken werden geworpen en daar wantrouwen zaaiden, verdeeldheid aanrichtten en den vrede verstoorden; nu kwam het ons voor, dat langer zwijgen plichtverzuim zou geweest zijn en onverantwoordelijk voor God.

In het belang van Kerk en van School, van beider welstand en bloei, is deze brochure geschreven. Moge ze dienen, om het vertrouwen te herstellen, de waarheid en den vrede te bevorderen en alle broederen saam te binden op den grondslag van Gods Woord. En worde ze daartoe door den Koning der Kerk uit genade gezegend!


M. Noordtzij.

D.K. Wielenga.

H. Bavinck.

P. Biesterveld. |7|



§ 1. Vroegere opleiding

Met de Scheiding van 1834 gingen maar weinige predikanten mee. Toen het getal gemeenten zich uitbreidde, ontstond er dus spoedig eene dringende behoefte aan Herders en Leeraars. Mannen uit het volk, uitmuntende door godsvrucht en met gaven tot stichting der gemeente bedeeld, werden soms zonder eenige opleiding en na een hoogst eenvoudig onderzoek toegelaten tot de bediening des Woords. Maar de noodzakelijkheid van eene meer degelijke voorbereiding stond van den aanvang af bij allen vast. De doopersche meening, dat de verkondiging van Gods Woord en de zalving des H. Geestes studie overbodig maakt, is nooit door iemand in onze Kerken verdedigd.

Integendeel, hoe gebrekkig de hulpmiddelen in den eersten tijd ook waren, eenige opleiding werd er al spoedig geëischt. In den regel zocht men deze bij de predikanten, die in dienst waren en voor een deel nog aan de hoogescholen des lands waren gevormd; enkelen gingen naar het buitenland, en studeerden bijv. aan de Theol. School van de Vrije Kerk in Zwitserland, gevestigd te Genève. leder zocht waar hij het best te recht kon. De opleiding was geheel particulier en privaat, zonder orde, zonder regel; elk deed wat goed was in zijne oogen. Er waren schier zooveel plaatsen en methoden van opleiding, als er predikanten waren.

Dat kon op den duur niet zoo blijven. Er moest verandering komen. Er moest eenheid en gelijkheid worden aangebracht. De Synode te Amsterdam in 1836 maakte dan ook reeds een reglement op het examen en de toelating tot het Herders- en Leeraarsambt 1). En de Synode, die in 1840 ter zelfder plaatse samenkwam, was er al ernstig op bedacht om de opleiding te vereenvoudigen en gelijk te maken 2). Ze |8| stelde voor, dat elke „Provinciale Kerkeraad” een predikant zou verzoeken, om zich te belasten met de opleiding van aanstaande Dienaren des Woords. Dan kwam er ten minste in elke Provincie niet meer dan ééne Theol. School! Maar de Provincien hebben aan dit verzoek der algemeene Synode slechts voor een deel gehoor gegeven. De toestand bleef grootendeels, zooals hij geweest was. Ieder predikant, die wilde, was Professor en bereidde discipelen tot het Kerkelijk examen voor.

Maar natuurlijk traden de gebreken en de nadeelen van deze ongeregelde opleiding hoe langer hoe duidelijker aan het licht. Wie afgewezen werd in de eene Provincie, kon toegelaten worden in de andere. En dan rees er natuurlijk ginds weer bezwaar, om zulk een Leeraar en de gemeenten die hem, toelieten, te erkennen. Vandaar, dat de al of niet erkenning van leeraars een der voornaamste twistpunten was tusschen de kerken. Er ontstond door dit alles inderdaad eene hopelooze verwarring. Allerlei inzichten en meeningen kruisten dooreen. Verschil van richting, aan de gedeeldheid der opleiding bijna altijd verbonden, was oorzaak van allerlei onaangename botsing. De predikanten waren het niet met elkander eens en noemden zich de een naar Paulus, en een ander naar Apollos, en een derde naar Cephas hoe kon er dan ware eenheid komen tusschen de Kerken?

De Kerkelijke vergaderingen geleken daardoor meer op een slagveld dan op eene samenkomst van opzieners in de gemeente des Heeren. Van buiten werd niet door ongeloovigen, maar door de vele kinderen Gods, die in de N.H. Kerk waren achtergebleven, de klachte geuit, dat er onder de gescheidenen zoo weinig te bespeuren viel van den geest der zachtmoedigheid en der liefde van Christus 3). Is ze niet roerend, die klacht? Kan er haast wel eene ernstiger beschuldiging dan deze, tegen de gemeente van Christus worden ingebracht? Toch was ze niet ongegrond. De Synode te Amsterdam 1843 werd reeds den tweeden dag door velen verlaten en op den zesden dag door den praeses gesloten; vergaderen was |9| onmogelijk, omdat de overeenstemming en samenwerking ten eenenmale ontbrak 4). Er was letterlijk over alles verschil, over de Kerk, over de Sacramenten, over het verbond der genade, over de algemeene aanbieding van het evangelie, over de Kerkenorde, over het ambtsgewaad enz. Iedere Theologische School had haar eigene zienswijze; elk Professor zijn eigen lievelingsidée; en omdat men dan toch ten slotte in de belijdenis weer één was, verliep de strijd menigmaal in allerlei nietigheden en persoonlijke twisten. De een verketterde den ander. Predikanten en gemeenten stonden gewapend tegenover elkaar.

Daaraan moest een einde komen. Als heel de Scheiding niet in broedertwist zich zelve verteren zou, was verandering dringend noodzakelijk. Velen begonnen in te zien, dat de velerlei opleiding de eerste en voornaamste oorzaak van deze verdeeldheid was. Er werden stemmen gehoord, die op eenheid in de studie aandrongen. Ze werden allengs menigvuldiger en sterker. Ze drongen door tot de Synoden. En reeds in 1846 sprak de Synode te Groningen den wensch uit, dat er ééne „algemeene” Theol. School mocht komen. Ds. de Haan, die met de opleiding in Groningen en Friesland was belast, optwierp er een plan voor, en bood met vriendelijke naïeviteit zichzelf, benevens nog een ander uit een door hem genomineerd drietal als „Hoofdonderwijzer” aan.

Dat was alles nu goed en wel, maar wenschen en hebben zijn twee. Eenheid van opleiding wenschelijk en noodzakelijk, zeqr zeker! Maar waar zou die „algemeene” School gevestigd zijn? Verschillende plaatsen werden genoemd, vooral Franeker en Amsterdam. Aan Kampen dacht natuurlijk niemand. De Synode te Amsterdam in 1849 besloot eene School op te richten met drie Hoofdonderwijzers en wees Franeker als plaats der vestiging aan. De gemeente te Franeker was er zeer mede ingenomen en gedroeg zich roijaal. Maar dat |10| was niet naar den zin van Amsterdam. En hier maakte men zooveel drukte, dat het besluit der Synode eenvoudig niet werd uitgevoerd. Op de Synode te Amsterdam in 1851 werd er weer gesproken over eene „algemeene” Theol. School en over de plaats harer vestiging. Er werd gestemd. Veertien waren voor Amsterdam, elf voor Franeker; de overigen stemden blanco. Er was geen volstrekte meerderheid te verkrijgen. En zoo was men in 1851 nog even ver, als toen men in 1846 begon. De opleiding werd nu maar weer overgelaten aan de verschillende Provinciën.

Zoo sukkelde men voort tot 1854. Maar toen werd het ernst. Weer werd het besluit genomen tot oprichting van ééne algemeene Theol. School. En over de plaats der vestiging kwam er eensklaps eene beslissing, daar Franeker en Amsterdam bij stemming afvielen, en Kampen tegenover Zwolle met het lot werd aangewezen. Den 6en December 1854 werd de School met eene rede door Ds. de Moen geopend. Ze begon met vier Leeraren en zeven en dertig Studenten.

Na lange worsteling en nadat de schade en het gevaar van eene gedeelde opleiding op allerlei wijs aan een ieder was duidelijk geworden, werd dan toch eindelijk de eenheid verkregen. Er was nu eene „algemeene” School voor heel de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk. Natuurlijk was daarmede nu nog niet in eens de vrede in de gemeenten hersteld. Maar de twisten werden uit de Kerken in de School overgebracht. Aan deze School traden het eerst als Leeraren juist die mannen op, die elk eene eigen richting in de Kerken vertegenwoordigden en het hoofd waren van eene „bijzondere” opleidingsschool. Het is alsof de Synode dacht: we moeten die mannen bij elkaar voegen, dan kan de een van den ander het goede overnemen en hem voor eenzijdigheid bewaren; de Studenten hooren ze alle vier en worden niet uitsluitend in ééne richting opgevoed; en de Kerken zijn van de partijmannen verlost! En zoo is het werkelijk gegaan ook.

Maar men kan begrijpen, hoe vriendschappelijk de Docenten |11| en Studenten in den eersten tijd jegens elkander gezind waren! Aan twisten geen gebrek, vooral van leerstelligen aard. Ds. de Haan meende in allen ernst, dat hij de ingeving ontvangen had, om Ds. Brummelkamp te bestrijden 5). De Curatorenvergaderingen hadden het druk met het bijleggen van geschillen en het wegnemen van misverstand. De Synoden te Leiden 1857 en Hoogeveen 1860 hielden zich geruimen tijd met de twisten onder de Docenten bezig. Eerst op de Synode te Franeker 1863 kon met dankbaarheid en blijdschap worden geconstateerd, dat er meer eenstemmigheid verkregen was 6). En inderdaad, door het samenwonen en samenwerken der Leeraren sleten de verschillen uit en werden de tegenstellingen verzacht. De „algemeene” School heeft de eenheid en den vrede in de Kerken der scheiding doen terugkeeren; ze heeft aan de onverkwikkelijke broedertwisten een einde gemaakt; ze heeft onder Gods zegen de scheiding zelve voor den ondergang behoed. De bedienaren des Woords, aan éénzelfde inrichting en door dezelfde Leeraren opgeleid, vertegenwoordigden geen verschillende Scholen en inrichtingen meer. Ze waren door gelijke studie, door vriendschappelijken omgang, door wederkeerige ontmoeting op les, in club en krans, door éénzelfde liefde voor de Kerken der scheiding aan elkander verbonden. In 1854 houdt de donkere tijd in de geschiedenis van de gescheidene Kerken op en neemt haar bloei een aanvang. Er werd allengs iets meer in haar aanschouwd van den geest der zachtmoedigheid en der liefde van Christus. En daardoor niet het minst is de Theologische School voor de Kerken der Scheiding ten rijken en onwaardeerbaren zegen geweest.

Natuurlijk bleef de opleiding aanvankelijk in vele opzichten gebrekkig. Studenten op leeftijd werden dikwerf van de studie der talen of althans van het Hebreeuwsch vrijgesteld. Het kwam niet zelden voor, dat litterarisch en theologisch |12| examen tegelijk werden afgelegd. De diploma’s waren in soorten. Men had gewone attesten, gewijzigde attesten en attesten met lof. Men kon examen doen met voldoende, maar soms ook met „eenige” bekwaamheid 7). Het was toen nog de heerlijke tijd, waarin de Studenten zich niet richtten naar de diploma’s, maar de diploma’s naar de Studenten.

Toch schenen Heeren Curatoren minder dan de Studenten met dien toestand tevreden. Zij wendden telkens pogingen tot verbetering aan. En de Synoden waren van dezelfde gezindheid. Ze handelden telkens over verplaatsing der School 8), en over verandering van den naam der Docenten; maar deinsden dan toch weer voor wijziging terug, omdat de tijd er niet rijp voor was. In 1866 werd de eerste Leeraar benoemd, die alleen onderwijs te geven had in de Letteren. In 1872 werd deze door een tweeden gevolgd. Zelfs hadden de Curatoren in datzelfde jaar den stouten moed, om op de Synode te Groningen te komen met een voorstel tot oprichting van een . . . gymnasium, en zelfs niet alleen ten dienste van hen, die straks aan de School Theologie, maar ook ten behoeve van zulken, die later elders in andere wetenschappen zouden gaan studeeren. En de Synode schrikte zoo weinig voor dit voorstel terug, dat zij het met algemeene stemmen aannam. Alleen om financieele redenen werd later het plan helaas prijs gegeven. Het onderwijs in de Letteren is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Curatoren geweest, en van hun zorg in dubbelen zin. De wisseling in het onderwijzend personeel, het onvoldoend getal Leeraren en de invoeging van de Letteren in het kader der Theol. School hebben steeds veel zorg gebaard. De regeling van het onderwijs in de Theologie schijnt altijd minder moeite te hebben gekost. Hoog was het ideaal niet, dat men daarin zich stelde. Een ander doel, dan de opleiding tot den dienst des Woords heeft de Christ. Geref. Kerk nimmer gehad. Van eene wetenschappelijke roeping der Theologie is op |13| de vergaderingen der Kerk, der Curatoren, der Docenten nooit met één woord sprake geweest. Men was dankbaar en tevreden, als de Kerken door de School van godvruchtige Leeraars werden voorzien. Toen er in den eersten tijd, tot vereffening der geschillen, soms ingrijpende maatregelen van noode waren, namen Curatoren het besluit, dat er bij behandeling der leerstellige Godgeleerdheid eenig compendium bepaald worde in het hoofd geprent! En de Synode te Leiden in 1857 wees zelfs de handboeken aan, die daarvoor dienst konden doen, en noemde niet Calvijn, Zanchius, Voetius of dergelijken, maar wel Marck, Le Roy en Francken.

Van eene hooge opvatting der Theologische studie geven deze bepalingen zeker geen blijk. De opleiding aan de Theol. School had in de vorming van Leeraars der gemeente haar eenige doel. Maar naar die roeping heeft ze dan ook gestreefd met alle kracht. Aan dat doel heeft ze, zij het ook met veel gebrek beantwoord; binnen dezen kring is haar arbeid niet ijdel geweest in den Heere. In een tijdperk van veertig jaren werden 666 studenten ingeschreven; van dezen werd in dat tijdsverloop een getal van 416 door de Curatoren op hunne jaarlijksche vergaderingen als Candidaten tot den Heiligen Dienst aan de Kerken voorgesteld. Door al dezen arbeid is de School ten overvloedigen zegen geweest. Zij heeft de kennis der Gereformeerde belijdenis in wijden kring verbreid, bij velen de liefde tot de waarheid opgewekt of versterkt, de Gereformeerde kerk tot bloei gebracht en het Koninkrijk Gods in deze landen bevorderd.



§ 2. Verandering noodzakelijk.

Wat in de geschiedenis der Christ. Geref. Kerk en ook van de Theol. School wel het meeste treft, is dit, dat alle regeling bijna geheel door practische motieven wordt bepaald. Zeker, men had de Gereformeerde belijdenis van harte lief. Maar aan het onderzoek, hoe deze inwerken moet op alle toestanden van Kerk en School, werd weinig zorg besteed. Opmerkelijk |14| is, daarom, welk eene groote plaats in het Kerkelijk leven wordt ingenomen door het argumeut, dat de tijd er niet rijp voor is. Veranderingen, die overigens aan ieder wenschelijk voorkwamen, werden toch telkens weer uitgesteld omdat het volk of de tijd er niet rijp voor was. Verplaatsing der School, verandering van den titel der Docenten, wijziging van artikelen der Kerkenorde, herziening van het huwelijksformulier enz., werden wel telkenmale ter sprake gebracht, maar ook iederen keer weer verschoven met het oog op het volk en den tijd. Men wilde alles stil laten groeien, maar hield er niet van, om de beginselen in te denken en dienovereenkomstig de practische toestanden te regelen.

Er ligt hierin zeker eene goede gedachte. Het leven heeft ook zijn rechten en de practijk kan niet straffeloos worden veracht. Maar toch is aan de andere zijde de roeping onmiskenbaar, om eigen hoofd en hart en hand, en zoo ook alle terrein des levens om ons heen voortdurend te reformeeren naar het Woord Gods en naar den eisch der Gereformeerde beginselen. Wat vanzelf groeit, zonder toezicht en leiding, brengt gewoonlijk geen edele vrucht voor. Wat van den wijnstok terecht komt, over wien te zijner tijd het snoeimes niet gaat, leert de wingerd in het bosch. En nu is de studie der beginselen en van hare veelzijdige toepassing in de Christ. Geref. Kerk van vroeger tijd ongetwijfeld te kort geschoten. Dit verschijnsel laat zich zeer goed verklaren, maar het kan toch niet worden geloochend. Over al de vraagstukken, die thans aan de orde van den dag zijn, spreidt de vroegere geschiedenis der Christ. Geref. Kerk geen licht. De Theol. School is enkel en alleen uit de behoefte geboren; of een seminarie dan wel eene Theol. Faculteit gewenscht en door de Geref. beginselen geboden is, werd nimmer besproken. De verhouding van de School tot de Kerk is practisch geregeld en telkens naar omstandigheden gewijzigd; maar nooit is eene studie verschenen of eene principieele discussie gevoerd, waarin deze verhouding naar den eisch der Geref. belijdenis werd uiteengezet. De wetenschappelijke roeping der Theologie is nooit |15| ingedacht; haar bestaan schijnt nauwelijks vermoed te zijn. Reeds om deze redenen kan en mag het bestaande geen regel wezen voor onze leer en vom onze gedragingen. En als in de laatste jaren de beginselen op den voorgrond zijn getreden, is het eisch, om daarmede rekening te houden en des noodig daarnaar de bestaande toestanden te verbeteren.

Andere tijden hebben ook andere eischen. En we leven thans inderdaad in andere tijden. Neem alleen maar het feit, dat langzamerhand in onze Kerken het bewustzijn is ontwaakt van eene wetenschappelijke roeping der Theologie. Toen deze roeping in het licht werd gesteld, is ze door niemand weersproken. Dat de Theologie niet alleen een middel was tot practische opleiding maar ook als wetenschap eene taak te vervullen had, werd terstond door allen erkend. Het was een bewijs, dat de Scheiding van 1834 niet uit pietistische of methodistische, maar uit Gereformeerde beginselen is geboren. Met alle kracht is uitgesproken en gehandhaafd, dat de Theol. School niet alleen eene practische opleiding had te geven maar dat ze ook, even goed als eene Theol. Faculteit, de Theologie als wetenschap te beoefenen en daardoor juist de aanstaande Dienaren des Woords te vormen had. De laatstgehoudene Synode verklaarde onomwonden, dat de eigen inrichting te zorgen had voor de geheele Theologische vorming, dat is, de vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie en de practische toebereiding voor de heilige bediening. Op dit punt heerscht er dus volkomen eenstemmigheid. De Theologie heeft tweeërlei niet gescheiden, maar toch onderscheiden taak: beoefening van de godgeleerde wetenschap en opleiding tot den Dienst des Woords. En deze tweeërlei taak wordt behartigd niet alleen door de Theol. Faculteit te Amsterdam maar ook door de Theol. School te Kampen.

Reeds deze ééne belangrijke wijziging in de taak en de roeping der School maakt het noodzakelijk, dat er voor het Litterarisch en het Theologisch onderwijs eene andere regeling kome. Maar dit is lang de eenige reden niet waarom reorganisatie zoo dringend noodig is. De tijden en de gelegenheden |16| zijn in zoovele opzichten veranderd. En alles roept en eischt, dat beide het Litterarisch en het Theologisch onderwijs terdege herzien en opnieuw geregeld worde. De voornaamste redenen, waarom verandering noodzakelijk is, zijn deze:

Ten eerste. Er is een nieuwe regeling noodig om de verandering der tijden.

In de eerste 25 jaren van het bestaan der Theol. School kwamen er gewoonlijk mannen op gevorderden leeftijd, die duidelijk wisten rekenschap te geven van de redenen, die hen noopten om zich te laten opleiden tot het treffelijk ambt van opziener in de gemeente van Christus. Een eigenlijk admissie-examen was er niet. Lezen en schrijven was voldoende. Het toelatingsexamen bestond alleen in een onderzoek naar naam, geboorteplaats, ouderdom, al of niet gehuwd zijn, studiemiddelen en de geestelijke motieven, die tot de keuze hadden geleid.

Maar dat is anders geworden. Men krijgt in den regel geen mannen meer, die eerst een ander beroep hebben uitgeoefend en daarna een vaste overtuiging kregen, dat zij zich moesten overgeven voor den dienst des Evangelies. Zij, die thans aankomen, zijn gewoonlijk jongens, die van der jeugd aan hebben geleerd, bij wie langzamerhand de keuze rijpte om predikant te worden, maar die in den regel op hun leeftijd van eene vaste overtuiging, besliste keuze, algeheele overgave nog niet kunnen spreken. Het admissie-examen in den ouden zin is op deze toestanden niet meer berekend. Het past er niet meer op, het sluit er niet meer bij aan. Ten deele is dit gevoeld en is er wijziging aangebracht zelfs op drieërlei manier. 1º. Er is een admissie-examen ingevoerd, dat loopt over de eerste beginselen van het lager onderwijs, maar dat inderdaad nog niet veel te beteekenen heeft. 2º. Er is bijgekomen een onderzoek naar de kennis van Bijb. geschiedenis en Kort Begrip, en de indiening van een Kerkeraadsattest aangaande karakter, godsvrucht en geschiktheid tot het Leeraarsambt; waardoor alle kerkeraden eene soort commissie van admissie-examen geworden zijn. 3º. Er is eene bepaling gekomen over den leeftijd. En hierin komt geheel het tweeslachtige van den |17| toestand uit. Vroeger kwam men op rijperen leeftijd. De vragen naar de geestelijke motieven waren geheel op haar plaats. Maar men voelde toch, dat het wenschelijk was, dat de jongelui wat vroeger kwamen; de ervaring leerde, dat vooral de studie der talen vroeg ter hand dient genomen. Het wetenschappelijk belang dreef dus, om den leeftijd te vervroegen. Maar dan kwam men in botsing met de eischen die in geestelijk opzicht te stellen waren. Aan jongens van twaalf, dertien jaar kon toch geen rekenschap van hunne keuze worden gevraagd, gelijk men die vroeger eischte van mannen van vijf en twintig en dertig jaren. Men heeft toen geschipperd en den leeftijd op zeventien gesteld. Ieder zal de bedoeling waardeeren, maar ook erkennen dat dit geen oplossing is. Handhaving van het onderzoek naar de keuze van het Leeraarsambt in zijn vroegeren vorm, bij jongens van dien leeftijd doet over het hart heen spreken en kweekt onwaarheid; doet antwoorden in vage, algemeene, niets zeggende termen; bevredigt niemand; en geeft geen vrijmoedigheid tot afwijzing; En ook het wetenschappelijk karakter wordt door de bepaling van zeventien jaar niet gebaat maar geschaad. Op zeventienjarigen leeftijd mag een jongen hier komen. Maar wat moet hij vóór dien tijd doen, als hij 12 jaar oud is, van de lagere school komt en den weg der studie wil inslaan. De eigen inrichting zegt: dwaal rond, en word zeventien. Eer is hier de deur niet open. Kostelijke jaren gaan daardoor verloren. De Kerken weten er geen raad mee. Mag men zich dan vóór den tijd niet voorbereiden voor het Leeraarsambt? En zoo ja, waar moet men dan heen? Wel, dergelijke jongens gaan natuurlijk naar een predikant en onderwijzer en nemen privaatles, of ze gaan naar een gymnasium en, zoeken daar hun opleiding. De eigen inrichting met haar zeventien jaar bevordert de Staatsgymnasia. 9) Maar meer nog: zeventien jaar moeten de leerlingen oud zijn, |18| als ze komen aan de Theol. School. Maar dat wil niet zeggen: zeventien jaar oud in de eerste klasse te komen. Neen, wie nog geen zeventien jaar is blijft eenvoudig een paar jaar thuis of gaat naar een gymnasium, komt dan hier en wordt ineens in de derde, vierde of vijfde klasse geplaatst. Elk admissie-examen wordt nl. gevolgd door een klasse-examen; en acht van de tien komen in eene hoogere klasse. De leerlingen zijn dus aan de Theol. School in den regel niet veel ouder dan aan een gymnasium; de bepaling van zeventien jaar is maar schijn. Ze komen op zeventienjarigen leeftijd eenvoudig in eene hoogere klasse. De eerste en tweede klasse zijn daarom sedert jaren slecht bevolkt, bestaan uit twee, drie, vier leerlingen; en de hoogere klassen zijn van vijftien tot twintig leerlingen. En eindelijk brengt dit systeem het groote nadeel mede, dat er geen gang komt in het onderwijs en elke methodische opleiding ontbreekt. Studenten, die geheel van de eerste klasse af hier worden opgeleid, zijn betrekkelijk weinig. De meesten genoten gedeeltelijk hun opleiding elders. En de ellende daarvan, ieder Docent kent ze. De een is aldus, de ander zoo onderwezen. De een heeft deze, de ander die grammatica gebruikt. De een heeft dit, de ander dat gelezen. De eene weet te veel hier, de ander te weinig daarvan, veel van Latijn bijv. maar niets van Nederlandsch enz. En deze gemengde schaar vormt dan eene derde, vierde, of vijfde klasse! Is om deze reden alleen reformatie niet dringend noodig?

Ten Tweede. Als de jongens dan zeventien jaar zijn, en hier aangenomen worden, worden ze terstond ingeschreven als „student.” Dat is hun officieele naam. Er was altijd bezwaar om aan de Docenten een anderen titel te geven. Maar het is toch vreemd, dat men er nooit bezwaar in zag om aan leerlingen, die pas met de voorbereidende studie een aanvang maken, reeds terstond den naam van studenten ie geven. De Leeraren hoofdonderwijzers, maar de leerlingen studenten, ieder gevoelt dat dit toch geen systeem is. Toch laat het zich in den eersten tijd begrijpen hoe men daartoe kwam. De mannen, die vroeger op gevorderden leeftijd aankwamen, konden moeilijk |19| gymnasiasten heeten en als schooljongens behandeld worden. Maar de toestanden zijn gansch anders geworden. En nu gaat het toch waarlijk niet meer aan, dat jongens die pas aan het Latijn beginnen, reeds den naam van studenten dragen en natuurlijk dienovereenkomstig zich gedragen ook! Het is niet alleen belachelijk, het is ook door en door onpaedagogisch en werkt schadelijk op heel de vorming. Is het daarom niet dringend noodig, dat er een geheele verandering kome?

Ten derde. Het voorbereidend onderwijs is verdeeld, nu sedert 1895, over vijf jaren. Is deze tijd nu voldoende, om een degelijken grondslag te leggen voor de wetenschappelijke studie der Theologie? In die vijf jaren moeten geleerd worden zeven talen; Nederlandsch, Fransch, Engelsch, Duitsch, Latijn, Grieksch, Hebreeuwsch; vervolgens Vaderlandsche, Algemeene Geschiedenis, Aardrijkskunde; Logica, Psychologie en Geschiedenis der Philosophie. Er staan nog meer vakken op de lijst en op de diploma’s als N.T. Grieksch, Hellenistisch Grieksch, Patristisch Grieksch, Cultuurgeschiedenis, enz. Rekenen we die echter maar niet mede! Is het nu mogelijk, van al deze vakken in vier, vijf jaar eenige degelijke kennis op te doen? De vraag alleen is belachelijk. Wat is dan het gevolg? Dat aan Wis- en Natuurkunde niets wordt gedaan. Dat de kennis van Fransch, Engelsch, Duitsch, indien ze alleen aan de School wordt opgedaan, zoo goed als niets te beteekenen heeft. Dat men de meeste kracht besteedt aan Latijn, Grieksch, Hebreeuwsch, en het daarin betrekkelijk ver brengt, maar toch nooit zóó ver, dat men er lust in krijgt; dat men zelden of nooit een klassiek stuk eens gaat lezen voor zijn plezier, alleen omdat men het zoo mooi vindt; dat men hartelijk dankbaar is als men die boeken na het examen terzij kan leggen of verkoopen; dat men op enkele uitzonderingen na voor het Hebreeuwsch schrikt, voor een Griekschen zin vol ontzag uit den weg gaat, en ook van ’t Latijn liefst op een eerbiedigen afstand blijft. En wat zullen we nu zeggen van Logica, Psychologie, Philosophie? Deze vakken zijn eenvoudig in zulk een beperkt aantal jaren volstrekt niet op hare plaats. |20|

Ten vierde. Tot voor enkele jaren was het onderwijs in al de gymnasiale vakken bijna uitsluitend in handen van gewezen predikanten. Dat paste in het kader. Heel de voorbereidende studie was middel voor de Theologie en was daarop gericht. De Letteren waren niet zelfstandig, hadden niet ten doel om een tijd lang in de wereld van Griekenland en Rome te doen inleven en daardoor te laten vormen, maar ze dienden alleen, precies als voor de medicijnen thans, om de termen te kunnen verstaan, die in de Theologie gebruikelijk waren. Er lag daarin iets goeds of liever men bedoelde er iets goeds mee. Er kwam in dat litterarisch onderwijs een theologisch element. Alles was gericht op het groote doel. Er liep één lijn door heel de studie. De „eigene inrichting” was inderdaad van de eerste klas af eene Theologische School. Maar natuurlijk was dat op den duur niet houdbaar. Er werden, ofschoon aarzelend, litterarische Leeraren aangesteld. Uit den aard der zaak bezitten dezen dat theologisch element niet. Zij beschouwen de Letteren niet ondergeschikt aan de Theologie en niet uitsluitend als middel, maar ook als een voorwerp van studie, met eigen waarde en beteekenis. En hoe meer litterarische Docenten er bij komen, des te meer zal dit het geval worden. En daarvan is het onvermijdelijk gevolg dat de eenheid, welke in heel het voorbereidend onderwijs werd gebracht door de personen der Docenten, als gewezen predikanten en als theologen met hun hart, geheel en al gaat ontbreken. Het onderwijs in de Letteren verkeert in een staat van verwarring. Er is geen eenheid meer in, geen vaste gang, geen methode, geen systeem. Dit gebrek is niet te wijten aan de Docenten in de Letteren maar aan het kader, waarin het Litterarisch onderwijs is ingevoegd. Het kan zich niet inrichten naar zijn eigen aard. Het kan niet in toepassing brengen die methode, welke ook hier door den aard van het onderwijs geboden is. De Leeraren willen gaarne anders. Zij gaven er reeds treffende proeven van. Zij verlangen, dat de eenheid hersteld worde, dat er weer systeem en orde komen, dat heel dat onderwijs van uit de |21| Gereformeerde beginselen opgebouwd en dienovereenkomstig ingericht wordt. En dit kan niet anders dan doordat er kome een Christelijk, een Gereformeerd gymnasium. De eenheid, die vroeger gehandhaafd werd door de Theologische vorming van de personen der Docenten is voor goed verbroken. Zij is alleen daardoor te vergoeden, dat het Gereformeerd beginsel al het onderwijs beheersche en weer systeem, paedagogie, vormende kraeht voor de aanstaande Bedienaren des Woords aanbrenge in wat uiteengevallen en gebroken is. Met het oog hierop is hervorming zoo gebiedend noodzakelijk. En het is noodig, dat ze spoédig kome, vóórdat de Litterarische Docenten, die er nu zijn en nog zullen komen, moedeloos bij den bestaanden toestand zich neerleggen om hem later misschien uit utiliteit en gemakzucht te verdedigen en dan verandering ten goede tegen te houden.

Ten vijfde. Na vier of vijf jaar worden de studenten dan Theologen. Hoe weinig er vroeger aan wetenschappelijke studie der Theologie werd gedacht, werd boven aangetoond. Thans is deze echter door de Synode officieel en formeel aan de Theol. School opgedragen. Maar op die nieuwe taak is zij niet ingericht. Ieder, die met de Theol. School en met het leven der studenten van nabij bekend is, weet hoe enorm veel tijd er in de drie jaren van Theologische studie besteed wordt aan het maken en aan het houden van preeken. Natuurlijk is er iets verblijdends in, als studenten der Theol. School in de gemeente gaarne worden gehoord. De bediening des Woords is ook het einddoel van heel de studie. Maar het preeken is toch niet het eerste, het naaste doel. En zoo wordt het toch veel te veel beschouwd. Met alle macht legt men zich daarop toe. Boeken, die daarvoor stof leveren, zijn gezocht en worden duur betaald. De concurrentie, die te dezen opzichte tusschen Kampen en Amsterdam bestaat, werkt deze richting in de hand. Te veel wordt vergeten, dat de studententijd geen tijd is voor uitgeven, maar voor verzamelen en vergaderen. De Synode heeft voorgeschreven, dat de vorming geschieden moet beide door de wetenschappelijke |22| studie der Theologie en door de practische opleiding. En dit is volkomen juist. Maar op het laatste valt feitelijk al te zeer de nadruk. De practijk staat aan de wetenschappelijke studie in den weg. En daarom is ook veranderinig te dezen opzichte wenschelijk. Er is eene afwijking van de goede richting, die op den duur schadelijk werken moet. Want wel is het waar, dat, wanneer de studenten gedurende hun studietijd minder preeken maken en minder uitgaan, en meer met alle kracht op de wetenschappelijke studie, maar dan ook van de ambtelijke vakken, zich toeleggen, zij minder spoedig en minder algemeen in de gemeenten zullen voldoen; maar er staat tegenover, dat de kerken er op den duur baat bij zullen vinden. Preeken is toch maar niet het houden van eene stichtelijke toespraak, maar het is verkondiging van den ganschen raad Gods, bediening van zijn gansche woord; het is leeren, onderwijzen, vermanen, troosten; opbouwen van de gemeente in de waarheid, die naar de godzaligheid is.

Ten zesde. De studie in de Theologie aan de School te Kampen is te veel examenstudie en te weinig vrij, zelfstandig onderzoek. Wetenschappelijke studie der Theologie is heel iets anders dan het in het hoofd prenten van een compendium of van een dictaat. Er is iets toe noodig van die brandende waarheidsliefde, waardoor een Augustinus werd verteerd: een zucht, een verlangen om te weten; een dorst om de dingen zelve te onderzoeken, om niet te rusten in wat anderen er over gedacht en gezegd hebben, maar om ze zelve als het ware met eigen oogen te zien en na te speuren in hun wezen. Dit nu wordt door eene studie, die haar doel stelt in het examen, niet bevorderd. Toch is volstrekt niet alleen aan de Theol. School te Kampen, maar schier aan alle hedendaagsche inrichtingen van onderwijs, de studie daaraan te veel ondergeschikt en dienstbaar. Het is zichzelf klaar maken voor de examens; eene andere, eigen, vrije studie is er schier niet. Ieder, die met de toestanden in Kampen bekend is, weet dat heel het jaar eigenlijk uitloopt op de examens in Juli. Werkelijke verbetering kan hierin alleen worden aangebracht, als |23| de School haar eigene examens krijgt, als deze heel het jaar door kunnen worden afgelegd, en de studie van den druk bevrijd, die nu haar vrijheid belemmert. Straks wordt dit punt nog nader in het licht gesteld. Thans zij er alleen nog de opmerking aan toegevoegd, dat het de bedoeling en het streven ganschelijk niet is, om allen even knap te maken. Dat is onmogelijk. Er is onderscheid van gaven ook onder de studeerenden. Ten allen tijde hebben aan alle inrichtingen van onderwijs de minder begaafden evengoed het doel van hun studie bereikt als de rijk bedeeldén. Dit is alleen de vraag, of die enkelen, die rijker zijn bedeeld, gelegenheid hebben om ten volle tot ontwikkeling te brengen de gave, die in hen is.

Ten zevende. De wijze, waarop de examens worden afgenomen, lijdt aan groote onbillijkheid. Het zijn nl. vergelijkende examens. Nu wordt er aan alle inrichtingen ten opzichte van deze of genen bij de examens eenige gratie gebruikt. Dat gebeurt overal en altijd en heeft ook niets tegen. Maar bij de vergelijkende examens leidt de toepassing van dezen maatregel tot onbillijkheden en onrechtvaardigheden. Elken keer komt het haast voor, dat de een om den ander mede toegelaten of afgewezen wordt. Als iemand met weinig kennis maar van rijperen leeftijd bevorderd wordt, kan een ander, die wel jonger is, maar in kennis gelijk staat of hem nog iets overtreft, moeielijk worden teruggezet. Omgekeerd is het bezwaarlijk, om op een getal bijv. van vijftien of twintig examinandi aan één alleen den toegang tot hoogere studiën te ontzeggen. Gewoonlijk wordt hij dan toegelaten, of hij krijgt gezelschap in zijn leed. Al deze moeilijkheden en onbillijkheden keeren jaarlijks bij alle examens terug. Ieder, die de examens te Kampen bijwoonde, kent ze uit de practijk. En het publiek, dat de examens aanhoordt en natuurlijk ook de examinandi onderling vergelijkt, hecht schier nooit zijn zegel aan het oordeel der vergadering.

Ten achtste. Het tegenwoordig stelsel brengt mede, dat er maar eens in het jaar gelegenheid is om examen te doen. Zulk een maatregel behoort nu wel thuis in eene lagere school, |24| waar het onderwijs klassikaal is en telkens op een jaar is berekend. Maar het is in strijd met den aard van het hooger onderwijs. Hier werkt men niet jaarlijks een stuk af, om tot een volgend over te gaan. Maar hier wordt aan het einde der studie een inzicht in het geheel geëischt. Nu werkt de een natuurlijk veel vlugger dan de ander. Maar in den regel zetten zich toch beiden, indien er maar eens in het jaar gelegenheid is, tegelijk voor het examen. Een geheel jaar wachten is zoo lang. De zwakkere wedijvert met den sterkere. En de vergadering huivert, om iemand, die toch zoo trouw zijn plicht heeft betracht, voor een geheel jaar af te wijzen. Wanneer men echter een heel jaar door examen kon doen, zou de zwakkere of ook de minder ijverige student zijn examen twee of drie maanden of een half jaar kunnen uitstellen. En als er dan vóór het eigenlijk examen, evenals aan de Hooge Scholen, nog zoogenoemde tentamina door de Professoren werden ingevoerd, zou aan ieder student, die bij het tentamen te zwak bleek, de raad kunnen gegeven worden, om zijn examen nog een korter of langer tijd uit te stellen en zich nog een paar maanden op een speciaal vak met alle kracht toe te leggen. Bovendien zou dan openlijke afwijzing slechts zelden meer behoeven voor te komen. De schande van het „druipen” werd aan de Studenten bespaard. En de onaangename tooneelen, die er nu plaats hebben als de een wordt afgewezen en de ander toegelaten, behoorden voorgoed tot het verleden.

Ten negende. Het tegenwoordig examenstelsel heeft nog eene andere schaduwzijde. Juist omdat het examen maar eens in het jaar wordt afgenomen en alle Studenten zich gelijk aan het onderzoek aanbieden, gaat er een groot gedeelte van den cursus voor het onderwijs volkomen verloren. Na de Kerstvacantie komt het schrikbeeld van het examen al op. Het begint hoe langer hoe meer hoofd en hart te vervullen. Docenten en Studenten gaan er zich naar inrichten. Repetitie en responsie nemen steeds meer tijd in beslag. Heel de Theol. School wordt eene inrichting en eene africhting voor het |25| examen. In het laatste gedeelte van den cursus is er van eigenlijke wetenschappelijke studie geen sprake meer. Alles wordt beheerscht door en ondergeschikt aan het examen. Indien nu echter ieder afzonderlijk en op ongelijke tijden examen kon doen, zou de cursus van het begin tot het eindegeregeld kunnen doorgaan. Het examen zou geen storenden invloed op het onderwijs kunnen uitoefenen. Wie zich praepareeren wilde voor het examen, zou dit op eigen gelegenheid kunnen doen; maar het onderwijs in de School, de eigenlijke studie zou van den examendruk worden bevrijd. En — om er dit nog bij te noemen — als de Studenten op ongelijke tijden examen deden, zouden ze ook op ongelijke tijden in de gemeenten komen. En dit ware een groot voordeel. Aan het tegelijkertijd beroepbaar verklaald worden van tien tot twintig Studenten zijn schaduwzijden verbonden, die ook zonder nadere aanwijzing voor ieder zichtbaar zijn. En de Studenten van Kampen zouden in dezelfde gunstige conditie komen, als waarin thans de Studenten van Amsterdam verkeeren.

Dit zijn niet alle, maar toch de voornaamste redenen, waarom verandering gewenscht en noodzakelijk is. Laat ons thans zien, hoe het voorstel van Curatoren daaraan tegemoet komt.



§ 3. Het voorstel van Curatoren.

Overtuigd van de noodzakelijkheid van verandering, hebben de Curatoren een voorstel aangenomen tot reorganisatie der School en wenschen dit in te dienen bij de Synode. Reeds voor een paar jaren droegen zij aan de Professoren Lindeboom en Bavinck op, om voor zulk eene nieuwe regeling van het onderwijs aan de Theol. School een concept te ontwerpen. Het ontwerp van Prof. Bavinck is na ampele discussie en na enkele wijzigingen aangenomen.

Maar nu is van de zijde van Prof. Lindeboom al terstond de bedenking ingebracht, dat Dr. Bavinck in dezen zijne bevoegdheid was te buiten gegaan. Curatoren hadden naar zijne meening wel opgedragen een concept tot nadere regeling van |26| den toestand aan de Theol. School, doch ze wilden geen scheiding, maar slechts onderscheiding van de Litterarische en de Theologische opleiding; zij hadden niet de bedoeling, dat ook de splitsing van School- en Kerkelijke examens zou worden voorgesteld. Maar deze redeneering klemt toch niet. Vooreerst had Dr. Bavinck evenals elk ander Leeraar aan de School, toch wel het recht om, zelfs zonder eenige opdracht van de Curatoren, aan hunne vergadering te verzoeken, om zekere veranderingen aan de School, welke hij voor het onderwijs en de opleiding noodzakelijk achtte, in overweging te nemen. Vervolgens weet niemand precies van te voren, als hij een opdracht tot nadere regeling krijgt, hoever deze zich zal uitstrekken. Eerst bij nadenken kwam Dr. Bavinck tot de overtuiging dat eene nadere regeling dan eerst goed en definitief kan getrofen worden, als ze geschiedde op de wijze door hem voorgesteld. Maar bovendien, al ware Dr. Bavinck ook met een te ver reikend voorstel gekomen, de Curatoren hadden immers volkomen het recht, om het geheel of ook ten deele te verwerpen. Zij echter hebben geenszins geoordeeld, dat Dr. Bavinck zijne opdracht was te buiten gegaan. Zij hebben allen aan de bespreking deelgenomen en om de kwestie der al of niet bevoegdheid van geen samenwerking zich onthouden. Prof. Lindeboom staat in deze beschuldiging gansch alleen. En eindelijk, wat alles afdoet, de Curatoren, door de Kerken benoemd, hebben ten allen tijde het recht, zoodanige voorstellen aan de Synode te doen, als zij in het belang der Theol. School noodzakelijk achten. Daar zijn ze juist Curatoren voor. En zoo hebben ze hun roeping ook altijd opgevat. Het merkwaardigste bewijs daarvan is het voorstel, waarmede zij in 1872 ter Synode te Groningen kwamen, om nl. een Gymnasium op te richten. Dat voorstel ging uit van Curatoren en werd door al de Leeraren gesteund. Het was niet eerst besproken in de Kerken, maar de Curatoren namen het initiatief. Zij meenden, dat dit in het belang van de opleiding was. En meer nog, zij zonden dit voorstel niet eerst aan de Kerkeraden, opdat deze er over zouden oordeelen. Neen, zij zonden |27| het rechtstreeks aan de Synode. En de Synode, zonder de Kerkeraden te raadplegen, nam dit voorstel met dankbaarheid en blijdschap en onder algemeene instemming aan. Zoo zijn de tijden veranderd.

De kwestie der bevoegdheid had dus achterwege kunnen blijven. Maar nu het voorstel zelf! Wat is er de inhoud van en waarop komt het neer? Het voorstel is tweeledig en geeft eerst eene regeling van het Litterarisch en daarna van het Theologisch onderwijs.

Het voorstel betreffende de Letteren houdt nu eigenlijk alleen dit in, dat het onderwijs in deze vakken gegeven worde door eigene, bepaaldelijk daarvoor aangestelde Leeraren; dat deze Leeraren een eigen corps vormen en staan onder een eigen Rector; en dat het onderwijs zoowel in gehalte als in omvang worde uitgebreid. Deze veranderingen zijn alle dringend noodzakelijk om de redenen, die reeds boven genoemd en ontwikkeld zijn en daarom hier niet meer behoeven te worden opgesomd. Trouwens, niemand van de Curatoren is hiertegen opgekomen. Integendeel, zij hebben allen één voor één en hoofd voor hoofd deze wijzigingen goedgekeurd. Prof. Lindeboom had een ander voorstel ingediend, maar hij stond daarmede geheel alleen. Zijn voorstel is door niemand gesteund, door niemand overgenomen, door niemand verdedigd. Het is wel op zijn verzoek in het verslag van Curatoren afgedrukt, maar het is enkel en alleen zijn voorstel. Het is ook niet het voorstel van de minderheid van Curatoren, het is uitsluitend een gedachte van Prof. Lindeboom. Wel is de minderheid van Curatoren, gelijk straks blijken zal, op één enkel punt later toevallig met Prof. Lindeboom weer saamgekomen, maar het voorstel van Prof. Lindeboom alleen, heeft niemands steun verworven.

Toch schijnen sommigen in de Kerken te meenen, dat het voorstel van Prof. Lindeboom daarom aannemelijker is, wijl het financieel goedkooper is en het kerkelijke karakter van het Litterarisch onderwijs beter vasthoudt. Maar geen van beiden is waar. Trouwens, indien dit zoo ware, zouden deze bezwaren |28| wel tegen het voorstel van Curatoren zijn ingebracht. Maar noch Prof. Lindeboom, noch iemand der Curatoren heeft ook maar met één enkel woord zoodanige bedenking uitgesproken. Financieel is het volkomen hetzelfde, of men het voorstel van Curatoren of dat van Prof. Lindeboom aanneemt. Allen zijn overtuigd, dat het Litterarische onderwijs versterkt moet worden. Ja, welk voorstel men ook aanneme, Leeraren moeten er in de Letteren toch bij benoemd worden. Het zou zelfs reeds geschied zijn, als de personen gevonden hadden kunnen worden. En evenzoo is er geen verschil tusschen het voorstel van Curatoren en dat van Prof. Lindebooin in zake het kerkelijk karakter van het Litterarisch onderwijs. In beide gevallen blijft het geheel en al uitgaan van de Kerken. In beide gevallen blijft het staan onder de zorg der Curatoren. Alleen, omdat de Curatoren slechts eens in het jaar vergaderen, benoemen zij voor het Gymnasium eene Commissie van Toezicht, welke minstens eenmaal in de twee maanden samenkomt, het onderwijs en het gedrag der Leeraren van nabij gadeslaat en verslag uitbrengt aan de Curatoren; precies zooals de Curatoren nu ook al eene commissie van toezicht hebben op de gebouwen. Maar de Curatoren bonden het heft in handen. Zij benoemen, schorsen en ontslaan de Leeraren en zijn daarvoor verantwoordelijk aan de Synode. Het kerkelijk karakter blijft dus geheel ongeschonden. En noch Prof. Lindeboom, noch één der Curatoren heeft in dit opzicht eenig bezwaar gemaakt. Het voorstel van Curatoren regelt wel de verhoudingen in de School, maar laat de verhoudingen van de School tot de Kerk, geheel gelijk zij is.

Het verschil tusschen het voorstel van Curatoren en dat van Prof. Lindeboom ligt in iets anders. Hij is n.l. van oordeel, dat de door Curatoren voorgestelde regeling groote schade zal doen aan de eenheid en samenwerking van het Litterarisch en het Theologisch onderwijs en alzoo de kracht der Theol. School tot vorming van bedienaren des Woords verzwakken zal, inzonderheid voor de leerlingen der gymnasiale afdeeling. Nu verdient het opmerking, dat Prof. Lindeboom ook met dit |29| bezwaar geheel alleen staat; geen enkel Docent en geen enkel Curator staat aan zijne zijde; niemand ziet dit bezwaar in de voorgestelde regeling. Maar van nog meer belang is, dat Prof. Lindeboom zelf in zijn eigen voorstel onder den naam van onderscheiding toch feitelijk het Litterarisch en het Theologisch onderwijs scheidt, dat hij voor beide afzonderlijke Leeraren wil met een eigen naam, en dat hij deze twee groepen van Leeraren, drie van de vier malen in de maand ook afzonderlijk laat vergaderen. Maar om de eenheid vast te houden, geeft hij nu aan beide groepen van Leeraren ook nog een gemeenschappelijken naam, en aan de gemeenschappelijke vergaderingen eens in de maand nog een bijzonderen titel. Deze eenheid in naam en titel is eenvoudig nominaal en heeft inderdaad niets te beteekenen; terwijl de samenkomsten van alle Leeraren eens in de maand, ook in het voorstel van Curatoren werden opgenomen. Feitelijk is de eenheid en samenwerking van het Litterarisch en het Theologisch onderwijs in het voorstel van Prof. Lindeboom niet beter gewaarborgd dan in dat van Curatoren!

Maar er dient meer gezegd: die eenheid en samenwerking komt in het voorstel van Curatoren veel heter tot haar recht. En wel om deze redenen: gelijk reeds vroeger werd gezegd, lag de eenheid van alle onderwijs vroeger in de personen der Docenten, die, wijl ze theologen waren, op alle onderwijs, ook in de Letteren, een theologischen stempel drukten. Die eenheid is echter voorgoed verbroken. Elk geeft toe, dat voor het Litterarisch onderwijs afzonderlijke Leeraren noodig zijn. En als nu de eenheid en samenwerking van Litterarische en Theologische studie behouden zal blijven, moet zij gezocht worden niet in een gemeenschappelijken naam en in een uitwendig van buiten aangebracht mechanisme, maar moet zij innerlijk in het onderwijs zelf worden aangebracht. Geen formeele eenheid, maar eene innerlijke overeenstemming; geen band van buiten, maar een zoodanige organisatie van het Litterarisch onderwijs en van het Theologisch onderwijs in zijn geheel en in zijne deelen, dat het dienstig is aan de vorming van bekwame |30| dienaren des Woords. Daartoe moet het Litterarisch onderwijs die vrijheid van beweging hebben, waardoor het uit kracht van de Christelijke, Gereformeerde beginselen en in het verband met het voorgestelde doel zich innerlijk inrichten en organiseeren kan. Dat nu wordt beoogd in het voorstel van Curatoren. En zoo weinig wordt er de eenheid en samenwerking door geschaad, dat zij er integendeel veel inniger en sterker door wordt en de kracht tot vorming van bekwame dienaren des Woords verhoogen zal.

Zoo geniet het voorstel van Curatoren dus den steun van alle Docenten en Curatoren, behalve van Prof. Lindeboom. Slechts één punt is er, waarin de minderheid van Curatoren met hem instemt. Dit was eerst niet het geval. In de vergadering van Juli 1895 werd het voorstel inzake de regeling van het Litterarisch onderwijs met algemeene stemmen aangenomen. Maar in de voortgezette vergadering, 19 en 20 Sept. 1895 kwamen een paar Broeders Curatoren met een bezwaar, dat bij hen later gerezen was tegen één artikel van het in de vorige vergadering reeds algemeen aangenomen voorstel. Toen werd het voorstel, dat reeds aangenomen was, weer in discussie gebracht, en nu stemden drie Curatoren ten slotte tegen. Het artikel nu, waartegen zij bezwaar hadden en waarom zij nu tegen het voorstel stemden is het veertiende en zegt, dat aan leerlingen, die niet tot den Dienst des Woords worden opgeleid, door de Commissie van Toezicht toegang tot het Gymnasium kan worden verleend. Dit bezwaar is ten deele vreemd en ten deele ongegrond. Vreemd, omdat de Broeders nu in eens zoo gaan ijveren voor de beperkte roeping der Kerk. Hun bezwaar is toch dit, dat dit artikel aan de Kerken eene roeping oplegt, buiten hare bevoegdheid en aan het Gymnasium een gemengd karakter geeft. Nu moet men weten, dat de Curatoren in 1872 niet alleen en niet in de eerste plaats, maar toch mede daarom een Gymnasium wenschten, omdat ouders daar hunne zonen ook ter voorbereiding voor andere wetenschappen dan de Theologie konden laten opleiden. En de Synode oordeelde evenzoo, en wilde wel in de eerste plaats |31| het Gymnasium voor de aanstaande studenten in de Theologie, maar sloot anderen geenszins uit. Ja meer nog. Van verschillende zijde, ook van die der bezwaarden tegen dit artikel, werd vroeger de stelling verdedigd, dat de Theol. School zich allengs moest uitbreiden tot een Universiteit. En toen Ds. Ploos van Amstel in 1893 voor eene Kerkelijke Universiteit pleitte, vond hij in hunne kringen bij velen sympathie. Nog voor een paar jaren werd door een hunner, die nu artikel 14 afkeuren, gezegd, dat alleen de Kerk de verschijnselen en het wezen der dingen kan leeren bestudeeren. In het licht van deze feiten is het bezwaar wel eenigszins vreemd.

Maar het is ook ongegrond. Want wat is de strekking van artikel 14? Dat het Gymnasium moet opengezet worden voor elk en iedereen, ook voor leerlingen, die beslist verklaren voor andere betrekkingen te gaan studeeren danvoorhetambt van Dienaar des Woords? In het minst niet. Er staat niet, dat het Gymnasium voor hen open staat. Er staat alleen, dat aan zulke leerlingen door de Commissie van Toezicht toegang tot het Gymnasium kan worden verleend. Het moet niet; het kan alleen. Er is alleen gerekend op eenige mogelijke gevallen, op enkele uitzonderingen. En onder deze uitzonderingen staat deze bovenaan. Nu reeds komen de studenten aan de Theol. School op jeugdigen leeftijd aan. Maar toch moeten ze 17 jaar oud zijn, althans in den regel. Die bepaling valt bij de nieuwe regeling weg. Zonder twijfel zullen er straks jongens komen op nog jeugdiger leeftijd. Die weten nu dikwerf nog niet zeker en beslist, wat zij worden zullen. Menigmaal wordt die keuze eerst later, niet vóór, maar op het Gymnasium, bepaald. Wordt er nu in volstrekten zin geëischt, dat ze predikant zullen worden, dan is òf de deur voor alle anderen, die er wel over denken om predikant te worden maar het nog niet zeker weten, gesloten; òf ze zeggen dat zij predikant willen worden en worden het later toch niet, dat is, men kweekt door een volstrekt verbod onwaarheid en huichelarij.

Maar nog meer. Het kan ook voorkomen en het komt |32| menigmaal voor, dat een jongen eerst wel van plan was om predikant te worden maar, later in de derde, vierde klasse enz. van keuze verandert. Indien er nu een volstrekt verbod is en er geen plaats is voor uitzondering, zal zulk een leerling terstond vad het Gymnasium worden verwijderd. En indien hij dat voorziet en toch gaarne het Gymnasium wil afloopen, zal hij eenvoudig zijne verandering van keuze verbergen, en hij zal, den schijn aannemende van straks over te gaan naar de Theol. School, in zijn hart een gansch ander plan koesteren. En wederom kweekt een volstrekt verbod onwaarheid en huichelarij. Om dat te voorkomen, is er in artikel 14 met uitzonderingen gerekend. En er is immers in deze wereld, waar alles zoo relatief is, geen regel zonder uitzonderingen. Eindelijk, het Litterarisch onderwijs blijft geheel en alleen ingericht naar de behoeften van hen, die later in de Theologie gaan studeeren. Het wordt volstrekt niet gewijzigd in het belang van dien enkele, die het Gymnasium bezoeken mocht zonder later predikant te worden. Schade doet het artikel dus aan het kerkelijk Gymnasium in het minst niet, noch paedagogisch, noch financieel.

Maar nu hebben de Curatoren nog een -tweede voorstel nl. ter regeling van het Theologisch onderwijs. De verandering hierin voorgesteld is deze, dat er scheiding kome tusschen School- en Kerkelijke examens. Tot dusver worden de examens afgenomen door de Curatoren; maar thans wordt voorgesteld, dat Schoolexamens zullen worden afgenomen door de Hoogleeraren en dat het praeparatoir-examen zal worden afgelegd voor de Curatoren of ook, indien de Synode dat liever wenscht, voor de Classes, gelijk dat nu al het geval is met het peremptoir-examen. Daartegen zijn door Prof. Lindeboom en door een minderheid van Curatoren deze bezwaren ingebracht. Vooreerst zeggen zij, dat de School daardoor eene School wordt van studie en examinatie, waarin metterdaad de souvereiniteit der wetenschap wordt gehuldigd. Vervolgens merken zij op, dat op die wijze de schoolexamina komen te staan naast en boven de kerkelijke examina. En eindelijk voegen zij er aan |33| toe, dat deze regeling een groot deel van het praeparatoir-examen aan de Kerken ontneemt.

Het zijn bezwaren van belang. Desniettemin hebben Curatoren dit voorstel aangenomen. De redenen, waarom deze verandering in de examens zoo dringend noodig zijn, zijn boven breedvoerig uiteengezet. Zij worden door de genoemde bezwaren in geen enkel opzicht van haar kracht beroofd. Het is noodig, dat er verandering kome, met het oog op de studie, met het oog op den aard der School, met het oog op de Studenten, met het oog op de examens zelve, met het oog op de Kerken, met het oog op de overeenkomst bij de vereeniging van 1892. Er kan lang niet alles worden aangevoerd, wat in het belang der verandering pleit. Aan wat boven gezegd werd, moge echter nog het volgende worden toegevoegd. Tegelijk worden daarin dan de ingebrachte bezwaren weerlegd.

Vooreerst dan verdient het de aandacht, dat bij de vereeniging in 1892 van de zijde der Ned. Geref. Kerken het beginsel der eigen inrichting is aanvaard, maar dat evenzeer de Christ. Geref. Kerk harerzijds heeft verklaard, dat daarmede niet vernietigd werd het aloude gereformeerde beginsel van vrije studie, noch ook verandering werd gebracht in de Gereformeerde wijze van kerkelijke examinatie van de aanstaande Dienaren des Woords. Ook dit laatste behoort tot de bedingen, evengoed als het eerste. En wel werd nu voorloopig nog het eindexamen aan de Theol School als praeparatoir examen erkend. Maar de Synode heeft uitgesproken, dat er meerdere gelijkheid komen moet in studie en examina. Nu is het zeer zeker waar, dat het praeparatoir examen oorspronkelijk in de Geref. Kerken hier te lande niet bestond en eerst tijdens de Remonstrantsche twisten is ingevoerd. Belijdenis noch Kerkenorde verplichten tot het invoeren en behouden van het praeparatoir examen. Maar daaruit volgt niet, dat het, indien het behouden blijft — en niemand dringt op afschaffing aan — kan ingericht worden naar willekeur. Indien het bestaan blijft en gehandhaafd wordt, moet het ook ingericht worden naar de Geref. beginselen. Nu was ten allen |34| tijde het praeparatoir examen, waar het bestond, een kerkelijk examen, afgenomen door de Classis. Trouwens er zijn naar Geref. Kerkrecht geen andere kerkelijke examens dan in de Classis. Het examen, dat te Kampen door de Curatoren wordt afgenomen, schijnt wel een kerkelijk examen, maar het is het niet. De Curatoren worden wel door de Kerken in hare Provinciale vergaderingen benoemd, maar zijn daarom geen kerkelijke vergadering. Ze zijn deputaten vanwege de Kerken, maar geen Kerkeraad, Classis of Synode, en dus geen kerkelijke vergadering. Kerkelijke examens zijn alleen zulke, die door de Kerken zelve in haar classicale samenkomsten worden afgenomen. Feitelijk is het examen te Kampen een schoolexamen, dat de Kerken tijdelijk als kerkelijk examen erkennen, maar dat daarom toch niet van natuur en karakter veranderd wordt. Bovendien, het recht om iemand Candidaat te verklaren, tot den Heiligen Dienst, is uitsluitend een recht der Kerken. Geen commissie van deputaten, zij het ook door de Kerken aangewezen, heeft daartoe de bevoegdheid. Gelijk naar Geref. beginselen de Classis alleen iemand tot den dienst des Woords kan aanstellen en uitzenden, zoo is ook het recht der Classis alleen, om iemand praeparatoir te examineeren en hem Candidaat te verklaren.

Goed beschouwd, zijn het dus de Kerken, die het recht tot het praeparatoir examen, tijdelijk aan Curatoren toegestaan, moesten terugeischen. Het is haar belang, dat hierin gemoeid is. En dit is geen fictie maar werkelijkheid, De kerkelijke examens moeten in hun eere worden hersteld. Op deze moet de nadruk worden gelegd. Terwijl vroeger wel eens de meening geuit werd, dat zelfs het peremptoir examen niet veel te beteekenen had, nadat de Curatoren iemand hadden toegelaten, moeten juist de Kerken zich meer en meer harer roeping bewust, worden om te waken, dat er geen onbekwame en ongeschikte bedienaren des Woords in haar binnenkomen. Het is lang niet genoeg, dat er eene School zij en dat er Curatoren zijn, in wie men vertrouwen stelt en aan wie men daaromde zaken gaarne overlaat; maar de Kerken hebben zelve toe te |35| zien en zelve post te vatten aan de deur, die den toegang tot de Bediening des Woords ontsluit. En daarom juist is het wenschelijk en noodzakelijk, dat het praeparatoir examen naar Gereformeerde beginselen wordt hersteld. Daarom is het bezwaar ongegrond, dat deze verandering in het praeparatoir examen iets aan de Kerken ontnemen zou. Integendeel ze geeft aan de Kerken terug wat haar rechtens toekomt en wat maar tijdelijk door haar aan Curatoren is toegestaan.

Bovendien, indien men bovenstaande beschouwing over het karakter van het Curatoren-examen niet deelt, en meent, dat dit examen wel ter dege een kerkelijk examen is, dan laat het voorstel van Curatoreli volkomen vrij, om dat examen, hetwelk den titel geeft van Candidaat tot den Heiligen Dienst, ook in de toekomst door de Curatoren te laten afnemen. Indien de Kerken dit goedvinden, kunnen zij den tijdelijken maatregel die thans bestaat, bestendigen. De Curatoren kunnen jaarlijks naar verkiezen samenkomen en aan de Studenten, die met goed gevolg den cursus aan de Theol. Schoolhebben afgeloopen, gelegenheid geven tot het afleggen van het praeparatoir examen. En hetzij men het praeparatoir-examen late bij de Curatoren of overbrenge naar de Classis, in beide gevallen kunnen de Kerken het zoo zwaar maken als zij willen. Er wordt haar niets, geen klein gedeelte, geen enkel stukske ontnomen. Het gansche, volledige praeparatoir examen komt aan de Kerken toe. De nieuwe regeling zet de Kerken niet ter zijde, maar handhaaft haar rechten en ijvert voor hare belangen.

Maar nu ten tweede. Wat in het voorstel van Curatoren wordt gevraagd, is eigenlijk al iets, dat de Docenten feitelijk bezitten. Nu reeds bezitten de Docenten het recht, om van te voren over de examinandi te oordeelen en hun het examen af of aan te raden. En het spreekt van zelf dat dit recht hun toekomt. Dat vloeit uit de betrekking van Docent vanzelf voort. Een Leeraar van een klasse discipelen heeft als zoodanig van zelf het recht om te verklaren, dat iemand met goed gevolg of zonder resultaat zijn onderwijs heeft |36| bijgewoond. Bij de overgangsexamens is dat recht nooit betwist. Wel is er eene Commissie van Curatoren bij, maar daar is niets tegen en dit zou bij alle examens kunnen ingevoerd worden. Maar de Docenten zijn het toch, die bij de overgangsexamens vragen, oordeelen, beslissen. Maar indien dat recht hun toekomt bij de overgangs-examens midden in den cursus der School, waarom zouden zij dan niet de bevoegdheid hebben om aan het einde van den cursus te verklaren dat de Studenten met vrucht de lessen hebben gevolgd, en om dat naar waarheid te kunnen getuigen, vooraf een examen afnemen. Wat is daartegen? Feitelijk doen de Docenten dat al. Persoonlijk of gemeenschappelijk geven ze al den raad, om al of niet examen te doen. Sommigen nemen al van te voren een tentamen af en bepalen dienovereenkomstig hun oordeel. Wat is er tegen, dat de Docenten, hetgeen ze nu al ten deele doen, voortaan gemeenschappelijk verrichten. En wat is er tegen, dat de Kerken zeggen: voortaan laten we alleen het praeparatoir examen (hetzij dan voor Curatoren of voor Classis) zulke Studenten toe, van wie de Docenten eene gemeenschappelijke, officieele en gegronde verklaring geven, dat zij den geheelen cursus aan de Theol. School met vrucht hebben bijgewoond. Niets anders toch wordt door de Curatoren voor de Docenten gevraagd, dan het recht en de bevoegdheid tot het afgeven van zulk een attest. Maar de School wordt dan, naar men zegt, eene School van studie en examinatie. Wat is daar echter verkeerds in. Dat is ze immers thans ook. Er wordt gestudeerd en geëxamineerd aan de School. Maar dient ze daar juist niet voor? Is dat niet hare eigenlijke roeping en werkzaamheid? Kan ze beter doen, dan aan het einde degelijke, godvruchtige en bekwame Studenten aan de Kerken aan te bieden, die met ijver hebben gearbeid en die daarvan bewijzen gaven op het examen. Maar, zoo kan nog gevraagd worden, als gij feitelijk naar uw eigen zeggen reeds hebt wat ge vraagt, waarom u daarmede dan niet tevreden gesteld? En daarop is het antwoord: enkel en alleen om die ernstige bezwaren uit den weg te ruimen, die aan het tegenwoordig |37| examenstelsel verbonden zijn en die boven in den breede zijn uiteengezet. Het is geen willekeur, die Curatoren bewogen heeft dit voorstel aan de Synode voor te leggen. Het is gegrond op ernstige overwegingen. Het is in het belang van degelijke studie. Het is ten voordeele van Kerk en School beide.

Want in de derde plaats, de verhouding van Kerk en School wordt door deze voorgestelde nieuwe regeling niet geschaad maar gebaat. Toch is het die schade juist, welke gevreesd wordt. Men is beducht, dat de School zal komen te staan boven de Kerken, de katheder boven den kansel, de schoolexamens naast en boven de kerkelijke examina; ja men heeft zelfs gezegd dat deze nieuwe regeling de „souvereiniteit der wetenschap” huldigt. Dat laatste is nu wel een groot woord, maar zegt toch inderdaad niets. Souvereiniteit der wetenschap! Welnu, deze is er inderdaad, en haar te belijden is een privilege van den Gereformeerden Christen. Er is een eigen leven der wetenschap, gebonden aan eigene wetten, door God den Heere er in gelegd. Er zijn voor elk bijzonder terrein des levens ook bijzondere ordinantiën, voor het huisgezin, voor de maatschappij, voor den staat, voor het hoofd, voor het hart, voor het denken, voor het willen, voor de kunst en voor de wetenschap. En het is juist de roeping van den Christen, om, het pantheïsme vermijdende, op ieder terrein die bijzondere wetten op te sporen welke God er in gelegd en er voor vastgesteld heeft en daaraan zich te onderwerpen. In zooverre belijden wij eene souvereiniteit der wetenschap van ganscher harte. Maar de bedoeling der beschuldiging is een gansch andere. Zij spreekt ingewikkeld uit, dat het voorstel van Curatoren eene wetenschap wil, die los is van de Kerk, die onafhankelijk van alle openbaring in ’s Heeren woord en in de historie, eenvoudig oppermachtig dicteert wat zij wil en hare besluiten aan de Kerken oplegt. Indien ze zoo niet opgevat wordt, heeft de ingebrachte beschuldiging geen zin. Maar dan ook, zóó verklaard, weerleggen wij haar niet, maar wijzen wij ze met verontwaardiging van ons. |38|

Want het ingediende voorstel laat de verhouding van Kerk en School onaangetast, ja bevestigt en versterkt ze veeleer. Maar elke verhouding onderstelt twee zijden. Het is de roeping der School, om zich aan de Kerken te binden. Maar het is de plicht der Kerken nauwkeurig toe te zien. Dat is haar taak. En die taak oefent ze rechtstreeks uit door Curatoren, vanwege haarzelve aangesteld. Deze Curatoren hebben het toezicht over geheel de School en over alle hare deelen, en behouden dat onverzwakt. Zij hebben en houden het recht van toegang tot alle lessen, van bijwoning van alle examens, van inspectie over alle Leeraren, van inzage in alle notulen. Er is geen grens aan hun macht. Er is niets in de gansche Theol. School aan hun toezicht onttrokken. Nu is het waar, dat feitelijk al de zorg van Curatoren voor de School tot dusver schier alleen heeft bestaan in het jaarlijksch examen. Anders werd nooit een Curator in Kampen gezien, dan alleen bij toeval, omdat hij er toch moest zijn. De nieuwe regeling verlegt inderdaad het zwaartepunt van de zorg der Curatoren en verlangt, dat die zorge voortaan niet alleen en uitsluitend besta in het afnemen van examen, maar in nauwkeurig toezicht over heel het onderwijs zelf. De veertien dagen, welke de Curatoren thans in Kampen doorbrengen, gaan heen met de examina; aan het einde blijven er nauwelijks een of twee dagen voor andere zaken over. Onder die zaken nemen de financiën, de Bazuin en tuchtzaken allen tijd in beslag. Maar over het onderwijs zelf, over beginselen, methode, gang, vrucht, enz. wordt nooit één enkel woord gesproken. Er is geen tijd voor. De zorg der Curatoren voor de School schijnt uitgebreid te wezen. Maar zij is inderdaad zeer beperkt. Ze wordt geconcentreerd op één enkel punt, n.l. het examen; en vandaar, dat dit dan streng aangebonden wordt en men hierop alle macht en invloed samenvat. Maar het onderwijs zelf in zijn geheel blijft tengevolge van deze toestanden te veel onverzorgd. Officieel weten de Curatoren weinig van gehalte en aard van het onderwijs af. En daarom wenschen de Curatoren zelf daarin verandering te brengen. Ze besloten onlangs voor het eerst, dat |39| beurtelings twee Curatoren de lessen zouden bijwonen. Ze zijn zelf op eene betere regeling van de verzorging der School gesteld. Tot dusver gaat het door in den ouden sleur. Maar verandering is dringend noodig. Curatoren moeten in het vervolg voor andere zaken samen komen dan alleen voor Bazuin, financiën en examens. Er zijn hoogere, geestelijke, wetenschappelijke belangen, die door hen behartigd moeten worden. Daarvoor zijn ze in de eerste plaats aangesteld. Ze zijn iets anders en veel meer dan een Commissie van examen. Ze zijn het toezicht der Kerken zelve op hare School. En de nieuwe regeling dringt er op aan, dat in deze richting de invloed der Kerken op de School meer dan tot dusver zich late gelden. Zij beperkt dus den invloed der Kerken niet, zij breidt dien uit. Zij wil niet, dat de Kerken zich terugtrekken, maar dat zij meer, beter, getrouwer dan tot dusverre het toezicht oefenen over heel de School; dat de Curatoren inderdaad en in der waarheid hare verzorgers zullen zijn, verzorgers niet alleen van haren financieelen toestand maar bovenal en allereerst van hare geestelijke belangen. Wel verre van de souvereiniteit der wetenschap te huldigen, naar de valsche beschuldiging tegen haar ingediend, is de nieuwe regeling er op uit, om den band van Kerk en School vaster te leggen dan ooit. Zij verlangt, dat de Kerken over hare School waken zullen, niet veertien dagen in het jaar, maar van dag tot dag en van uur tot uur. De School behoeft de Kerken niet te vreezen, wier liefde zij bezit; zij geeft zich ook in deze nieuwe regeling met vertrouwen aan haar voortdurend toezicht, aan hare dagelijksche verzorging over. En het is eenvoudig een valsch gerucht, als de nieuwe regeling voorgesteld word, als een poging, om de Kerken van haren invloed op de School te berooven, en de School zelve te ondermijnen en te verzwakken. Waarlijk, wantrouwen zaaien is gemakkelijk maar het moest toch onder broederen niet geschieden. Indien wij, naar de booze bedoeling ons toegedicht, de School wilden verzwakken of afbreken, dan konden wij niet beter doen dan ze zooveel mogelijk te laten blijven wat ze is. Juist |40| de poging, door Curatoren met onzen steun aangewend, om de School in paedagogisch karakter, in wetenschappelijken zin en in waarlijk Christelijk gehalte op te heffen, bewijst dat wij in liefde en waardeering van deze inrichting der Kerken bij niemand wenschen achter te staan.



§ 4. Eigene inrichting.

De verschillende pogingen tot verbetering der Theol. School zouden zeker beter slagen, wanneer er ten aanzien van de beginselen meer eenstemmigheid bestond. Nu wordt ieder voorstel tot wijziging van den toestand met wantrouwen begroet, wijl men vermoedt, dat er iets achter schuilt of dat het tot gevaarlijke consequentiën leiden zal. Sedert de Synode te Assen is de strijd over het beginsel ontbrand; en het laat zich aanzien, dat deze strijd niet eindigen zal, voordat hij ten volle is uitgestreden. Toch wenschen wij thans aan dien strijd niet mede te doen. De bepaling, welke de Synode te dezen opzichte genomen heeft, blijve gelden zoolang de Kerken in het algemeen hierin niet tot eene andere overtuiging komen. In het vervolg van deze brochure wordt van deze bepaling uitgegaan; evenals er in de Kerken thans niemand aan denkt, om de eigene inrichting op te heffen, zoo wenschen wij ook alleen daaraan mede te werken, dat zij zoo deugdelijk mogelijk zij. Wel echter is het wenschelijk, dat de bepaling, welke de Synode in deze gewichtige zaak nam, beter dan tot dusver ingedacht en in hare beteekenis verstaan worde. En dat zal wel door niemand ongeoorloofd of ook onnoodig worden geacht.

Het heeft daaraan tot dusver al te zeer ontbroken. Er is nog geen heldere gedachte over, wat onder eene „eigene inrichting” te verstaan zij. De uitdrukking is voor tweeërlei uitlegging vatbaar. Op het gebied van het lager onderwijs hoort men meermalen spreken van kerkelijke scholen. Daaronder verstaat men dan niet dat zulke scholen, een stuk der Kerk, een element in het kerkelijk leven zijn; dat de |41| onderwijzers daar onderwijs geven in naam der Kerk en als kerkelijke ambtsdragers daar hun roeping vervullen. Maar kerkelijke scholen worden zulke genoemd, die door of vanwege een Kerkeraad worden opgericht, die onder kerkelijk toezicht staan, waar alleen de kinderen der gemeente worden onderwezen, in wier kosten geheel of gedeeltelijk uit kerkelijke fondsen wordt voorzien. Maar niemand denkt eraan, dat de school zelve daardoor Kerk wordt; beide blijven onderscheiden; hoe nauw de band ook zij, en hoezeer de school ook ëene eigene inrichting der plaatselijke Kerk voor de opvoeding harer kinderen kan genoemd worden, zij is toch iets anders dan de Kerk. Niet als kerkelijk ambtsdrager, maar als onderwijzer geeft de leeraar les; hij stelt de regelen vast, die in de school zullen gelden, hij schikt de klassen, hij bepaalt de methode van onderwijs, hij is souverein in eigen kring, schoon ook in zoover het onderwijs met de confessie in aanraking komt, onder toezicht staande van den kerkeraad.

De Theol School is nu ook eene eigene inrichting der Gereformeerde Kerken. Maar in welken zin? Daar zijn er, die zeggen: de Theol. School is in dien zin kerkelijk, dat de Kerk zelve daarin de Theologie beoefent en doceert. De Professoren zijn kerkelijke ambtsdragers. Zij geven les in de qualiteit van doctoren, en dit is naar art. 2 der Kerkenorde een kerkelijk ambt. Het onderwijs in de Theologie aan de aanstaande Dienaren des Woords is niets anders dan eene uitbreiding van wat elk predikant op de catechisatie aan de jeugdige lidmaten der gemeente biedt. De School staat niet buiten de Kerk. Zij staat geheel en al in de Kerk. Zij is een stuk een element van het kerkelijk leven zelf. De vergaderingen der Docenten zijn kerkelijke vergaderingen. De Docenten behooren dus in hun qualiteit ook zitting te hebben in den Kerkeraad, in elk geval ook op de Classis enz. vertegenwoordigd te zijn.

Er zijn er niet velen, die dit gevoelen voorstaan, maar ze zijn er toch. Maar deze voorstelling dunkt ons onhoudbaar. Want waarlijk, indien ze juist ware, dan moest de |42| Theol. School in eene gansch andere verhouding tot de Geref. Kerken gtaan dan waarin zij nu tot haar is geplaatst. Dan ware het zelfs onjuist, van een verband en verhouding tusschen Kerk en School te spreken, want dan was de School zelve Kerk; dan is alle onderscheiding en tegenstelling van kansel en katheder onjuist; dan is het ongerijmd te zeggen, dat niet aan de professorentafel op de Synode, maar aan de tafel der afgevaardigden het hart der Kerken klopt; ja dan moet de School ingelijfd worden in het kerkelijk leven, ingevoegd worden in het verband van de eene of andere plaatselijke Kerk. Als het werkelijk de geïnstitueerde Kerk zelve is, die in de eigene inrichting Theologie beoefent of doceert, en de Professoren als zoodanig kerkelijke ambtsdragers zijn, dan moet heel de School als eene functie en werkzaamheid van eene plaatselijke Kerk worden beschouwd en behandeld en moeten de Hoogleeraren zitting hebben in den Kerkeraad. Want er is geen ambt buiten of boven de plaatselijke Kerk. Er zijn geen kerkelijke vergaderingen, dan die van Kerkeraad, Classis en Synode. Ja, voor heel het college van Curatoren zou dan geen plaats meer zijn, omdat eene Kerk onder geen ander toerzicht mag staan dan van den Kerkeraad en de meerdere kerkelijke vergaderingen. Het beroep op het doctorenambt in Art. 2 der Kerkenorde is voor deze opvatting maar schijnbaar een argument. Vooreerst toch wordt dat ambt in de belijdenis heel niet genoemd, en naar de voorstanders van dit gevoelen is het juist deze alleen die uitmaakt wat Gereformeerd is. Vervolgens leert de historie duidelijk, dat in de eeuw der Reformatie over het Doctorenambt allerlei verschil van gevoelen bestond. En eindelijk is een bewijs uit de Schrift voor dit ambt niet te leveren, want in Ef. 4 : 11 zijn Herders en Leeraars waarschijnlijk dezelfde ambtsdragers, blijkens weglating van het woord sommigen; en al ware dit niet zoo, dan zijn met Leeraars toch geen anderen bedoeld dan die in 1 Tim. 5 : 17 beschreven worden als Ouderlingen die arbeiden in de leer.

Hoe dit alles ook zij, feitelijk wordt deze opvatting door |43| de Kerken ook niet gehuldigd. School en Kerk worden door bijna allen wel ter dege onderscheiden. Voor machtsoverschreiding der School is men daarom zeer bevreesd. De katheder wordt tegenover den kansel gesteld. De School, hoe nauw aan de Kerken verbonden, heeft toch haar eigen terrein. Daarom zijn de Professoren geen Dienaren des Woords meer in actieven zin, maar emeriti, en hebben ze geen zitting in den Kerkeraad der Kerk van Kampen; alleen hebben ze op de Synode eene adviseerende stem. Daarom hebben de Kerken voor de verzorging der School afzonderlijke Deputaten-Curatoren aangewezen, die wel door de Kerken worden benoemd, maar in dat college niet zitten als ambtsdragers en dus ook wanneer zij samenkomen geen kerkelijke vergadering vormen. En daarom eindelijk ook, hoezeer men meer en meer den weg opgaat om de Kerken over de geringste veranderingen en over allerlei zaken van onderwijs te laten oordeelen, het is toch nog niet zoover gekomen, dat men door de Synoden laat vaststellen en voorschrijven de methode van onderwijs, de inrichting der studie, het gebruik der handboeken enz. Ieder moet toestemmen en stemt ook feitelijk toe, dat de School een relatieve zelfstandigheid bezit, dat ze, hoe klein dan ook, eene souvereiniteit heeft in eigen kring. Wie dat niet erkennen wil, moet de School opheffen. School is nu eenmaal iets anders dan Kerk. Hoe nauw de band ook zij, ze zijn twee, niet één. Er woont tot op zekere hoogte in beide een eigen leven, niet door ons alzoo uitgevonden, maar door God den Heere er in gelegd; en daarom in beide een eigen wet, waaraan in overeenstemming met Gods Woord dat leven gebonden is. En Gereformeerd en Christelijk is het, dat leven en die wet op te sporen en daaraan zich te onderwerpen.

Als dus de Theol. School eene eigene inrichting der Gereformeerde Kerken wordt genoemd, dan kan dit alleen in dien zin worden verstaan, dat zij door de Kerken opgericht, onderhouden, verzorgd, geleid, bestuurd wordt enz. Eene andere opvatting is niet mogelijk. Het gaat hier niet over de meerdere of mindere zorg, welke de Kerken aan de School te |44| besteden hebben. De kwestie is niet deze, wáár de grenzen vallen tusschen Kerk en School. Men trekke deze zoo nauw megelijk; men make het terrein der School zoo eng als maar kan men late Professoren benoemen en ontslaan door de Kerken men late alle examens, die van overgang en admissie incluis, afnemen door Deputaten van wege de Kerken; het doet er thans niets toe. Maar wat men niet vernietigen kan dan met vernietiging der School zelve, is dit, dat ze binnen haar nog zoo kleinen kring haar eigen leven bezit, haar eigen methode heeft, door eigen door God aan het schoolleven ingeschapen wetten wordt beheerscht. En daaruit volgt, dat niemand het onderscheid tusschen beide geheel uitwisschen kan. Daarom is er over de verhouding van Kerk en School ook strijd mogelijk. Die strijd loopt niet over het principe, want er is een onderscheid volgens aller instemming, maar loopt over datgene wat uit die onderscheiding voortvloeit. De strijd loopt over beider machtsbevoegdheid, over de grensregeling welke tusschen beide getroffen moet worden. En deze is altijd eene moeilijke zaak. Daarom is het niet goed elkander in de hitte van den strijd toe te roepen: gij wilt de School losmaken van de Kerk en den katheder verheffen boven den kansel. Want alle verschil loopt over de vraag, waar de grenzen getrokken moeten worden. Dat er grenzen zijn kan niemand ontkennen, die eene school, die onderwijs, die wetenschap wil. Het gaat niet aan, te zeggen: principiis obsta, want het principe ligt daarin, dat eene School iets anders is dan eene Kerk, nog eens, niet naar onze willekeur, maar naar Goddelijke ordinantie. Het weerstaan van de principia ware gelijk aan eene vernietiging der School.



§ 5. Kerk en Theologie.

De Gereformeerde Kerken hebben eene eigene inrichting voor de opleiding tot den dienst des Woords. Er is niemand, die hieraan iets wil afdoen en de Theol. School wil vernietigen. Wel zijn de ontwerpers van de concept-regeling van 1893 van |45| dezen boozen toeleg beschuldigd. Ze zijn herhaaldelijk, tot in de laatste maanden toe, aan het volk voorgesteld als onbetrouwbare mannen, verbrekers van beloften, schenders van bedingen, die het eene oogenblik ja en het andere neen zeiden. Maar deze beschuldigingen blijven voor rekening van wie ze inbrachten en werden steeds pertinent tot den huidigen dag toe door de Deputaten zelven van zich geworpen. Er is geen verschil hierover, of de Gereformeerde Kerken eene eigene inrichting zullen hebben voor de opleiding tot den dienst des Woords.

Maar wel is er verschil over de vraag, waarom zulk eene eigene inrichting voor de Kerken van noode is. Zelfs de Synoden geven op die vraag geen eensluidend antwoord. Assen oordeelde dat in geen geval het beginsel mocht worden prijsgegeven, dat de Kerk hare eigene inrichting tot opleiding harer Leeraren had. Kampen zei eenvoudig: de gezamenlijke Kerken zullen hare eigene Theologische School hebben en sprak van geen beginsel. Leeuwarden ging een stap verder en handhaafde het beginsel, dat de Kerk geroepen is eene eigene inrichting te hebben tot opleiding harer Leeraren; maar voegde zij er bij: tenminste wat de godgeleerde vorming betreft. Even verschillend waren de voorstellen der Provinciale Synoden, naar aanleiding waarvan de Generale Synode bovengenoemde besluiten nam. De meeste provinciën hielden zich buiten de eigenlijke beginselkwestie; zij waren er alleen op bedacht, dat er een nauw verband moest gelegd worden tusschen Kerk en School, maar lieten in het midden of die School de bestaande Theol. School of de Theol. faculteit aan de Vrije Universiteit zou zijn. En evenzoo onderling verdeeld zijn degenen, die in het openbaar over deze zaak hebben geschreven.

Er moet echter worden opgemerkt, dat over heel deze belangrijke kwestie nog geene enkele principieele, wetenschappelijke studie het licht heeft gezien. De Synode te Assen heeft het eerst dit beginsel uitgesproken. Vóór dien tijd is er nooit anders dan even ter loops over gehandeld. Op conferentiën en vergaderingen was ze in de Christ. Geref. Kerk nooit ter |46| sprake geweest. De Kerkeraden, Classes of Provinciën hebben er nimmer over geoordeeld. Voor de Synode te Assen hadden slechts twee provinciën er een voorstel over op de agenda; en deze eischten niets meer dan een streng toezicht en een nauw verband van Kerk en School. Op de Syn:ode kwam deze zaak eerst aan het einde van alle punten betreffende de vereeniging in behandeling, op een Zaterdagvoormiddag, toen niemand zulk eene principieele beslissing meer verwachtte. De discussie was zoo uiteenloopend, dat de notulen officieel meedeelen, dat eene nadere bestudeering van dit punt niet overbodig zal zijn. Desniettemin is het beginsel bij tweede stemming, met 23 tegen 14, stemmen aangenomen.

Er zijn er dan ook maar enkelen, die dit besluit in zijn vollen ernst durven opvatten. De Synoden spraken uit, dat het een beginsel is, d.w.z. dat het door Gods Woord en door de belijdenis geboden is, dat de Kerken een eigene inrichting hebben. De vraag is dus niet, of de Kerken zulk eene eigene inrichting zullen of kunnen of mogen hebben; neen, zij moeten haar hebben. Indien zij geen eigen School oprichten en in stand houden, verzaken zij hare roeping, handelen zij in strijd met Gods Woord, en doen zij te kort aan de Gereformeerde belijdenis.

Daar zijn er niet velen, die op dit standpunt staan. Er zijn er slechts weinigen, voor wie dit beginsel, door de Synoden geaccepteerd, een stuk der belijdenis, een artikel des geloofs, in vollen zin een dogma is. Maar zij zijn er dan toch en hebben gesproken in dezen geest. Zij eischen, dat de erkenning van vrije studie, mede naast het beginsel der eigene inrichting door de Synode aanvaard, worde ingetrokken. Zij beseffen, dat deze twee niet met elkander te vereenigen zijn, nl. dat eenerzijds de Kerken krachtens Gods Woord een eigene inrichting moeten hebben en toch daarnaast eene particuliere vereeniging en School erkennen, wier Candidaten toegang tot de Kerken hebben. Zij verklaren zelfs, dat de samenvoeging der Theologie in den cyclus der wetenschappen en in de Universiteit eene valsche eenheid is, aan de wereldsche Universiteiten ontleend en in den |47| grond uit pantheïsme voortkomend. En een hunner heeft gezegd: wie de Theologie coördineert met de andere wetenschappen, moet haar object (God) coördineeren met de objecten der andere wetenschappen, verlaagt God en het goddelijke, maakt het aan het kosmische en menschelijke gelijk, en moet komen tot de stelling dat God op pantheïstische wijze in den Kosmos begrepen is. Een ander sprak uit, dat wie de eenheid der wetenschappen zoekt in eene Universiteit, haar niet vindt, want zij ligt in Christus en in de H. Schrift. En een derde liet zich aldus hooren, dat de Synode voorloopig wel beide, de Theol. School en de Theol. faculteit handhaafde, maar dat dit op den duur zoo niet blijven kan; er zal tusschen beide gekozen moeten worden; en de schrijver ontveinst daarbij niet, aan welke zijde hij zich scharen zou. Zoo drijft de consequentie van het aanvaarde beginsel bij sommigen tot vernietiging van het Gereformeerde beginsel der vrije studie en bepaaldelijk ook van de Theol. faculteit aam de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ja, een enkele maal gaat zelfs een stem op, dat heel de Universiteit eigenlijk van de Kerk moet uitgaan. De Kerk, is er gezegd, en zij alleen kan in den diepsten grond, op de rechte wijze, met het ware doel, de verschijnselen en het wezen der dingen leeren bestudeeren.

Het is waar, gelijk gezegd is, er zijn er maar weinigen, die alzoo spreken, maar ze zijn er toch. Er is gesproken van gevaar voor de Theol. School; er is minstens evenveel recht om te spreken van gevaar voor de vrije studie, welke evengoed als de eigene inrichting, door de Synode werd erkend. Maar hoe dit zij, de voorstanders van dit gevoelen beroepen er zich op, dat de Theologie door Christus aan de Kerk is gegeven en van de Kerk, bepaaldelijk van de institutaire Kerk, moet uitgaan. Buiten haar is er geene Theologie. Deze uitdrukking verdient echter nadere overweging. Ze is verre van duidelijk. Evenals de woorden: eigene inrichting, kan ook de stelling, dat de Theologie van de Kerk moet uitgaan, in verschillenden zin worden opgevat. Ze zou kunnen beteekenen, dat ieder geloovige, als lid der institutaire Kerk, of in elk geval, ieder |48| kerkelijk ambtsdrager de Theologie in wetenschappelijken zin had te beoefenen. Maar dat zal zeker de bedoeling niet zijn. Want al zegt men ook dat de geloovigen in zekeren zin allen Theologen zijn, ze zijn het dan toch slechts in zekeren zin, en niet in denzelfden zin als zij, die de Theologie wetenschappelijk beoefenen. Later zal dit duidelijker worden in het licht gesteld. Maar thans mag toch zooveel gezegd, dat lang niet alle geloovigen en ook zelfs niet alle ambtsdragers, die Theologische vakken hebben te beoefenen, welke in de School worden gedoceerd. Het gevoelen der Hebreën, die alle geloovigen verplichtten tot het leeren der Schrifttalen, vindt, naar ons bekend is, geen voorstanders.

De bewering is dus onhoudbaar, dat de wetenschappelijke Theologie opkomt uit en uitgaat van de ambten als zoodanig. Het ambt der geloovigen, der diakenen, der ouderlingen en ook der leeraren is een ander, dan de beoefening der wetenschappelijke Theologie. Wij bespreken hier nog niet de vraag, of deze ook in verband staat met de ambten; maar ontkennen, dat de beoefening der Theologie in wetenschappelijken zin als zoodanig opkomt uit en een essentiel bestanddeel is van de ambten. In de formulieren ter bevestiging van deze ambten worden deze in den breede omschreven; maar van de taak der Theol. wetenschap in engeren zin is daarbij geen sprake. Evenmin wordt iets dergelijks van de ambten gezegd in de belijdenisschriften, in de Gereformeerde schrijvers, of in de H. Schrift. De beoefening der wetenschappelijke Theologie is geen ambtelijke werkzaamheid, evenmin als het Professoraat een kerkelijk ambt is. En omdat zij dus niet opkomt uit eenig ambt in de Kerk, kan ze evenmin opkomen uit de vergaderingen der kerkelijke ambtsdragers in Kerkeraad Classis of Synode. Wat van geen der deelen geldt, geldt ook net va het geheel. Het is onbewijsbaar, dat de Theologie in wetenschappelijken zin uitgaat van de Kerk als instituut.

Inderdaad kan die formule niets anders beteekenen, dan dat de geïnstitueerde Kerken te zorgen hebben dat de Theologie ook in wetenschappelijken zin wordt beoefend. Zij zijn het |49| niet zelve, die door en in hare ambtsdragers, en uit kracht van het ambt, de Theologie wetenschappelijk beoefenen. Maar zij hebben toch om allerlei redenen te zorgen, dat dit geschiede. Ongetwijfeld zal dit de bedoeling der uitdrukking wel zijn. Duidelijk is ze dan niet, maar zij heeft toch zin. Dan is de wetenschappelijke Theologie een voorwerp van de aanhoudende zorge der Kerken. De Theologie in dezen engeren zin is dan niet eene kerkelijke werkzaamheid, eene ambtelijke functie, zooals bijv. de armenzorg, de Dienst des Woords, de regeering der Kerk, de Zending; maar de Kerken hebben dan toch naar deze opvatting belang bij de Theologische wetenschap, en de roeping om te zorgen, dat deze beoefend worde. Zij zeggen dan niet: wij zijn de eigenlijke, wetenschappelijke Theologen, wij beoefenen de Theologie in engeren zin, maar: wij zorgen voor haar, wij waardeeren ze hoog, wij achten het onze roeping, om te waken dat ze beoefend worde.

Indien deze voorstelling van de uitdrukking juist is, zal niemand eenig bezwaar tegen haar koesteren. Integendeel gave God, dat de Kerken deze roeping wat beter verstonden! Dan zou er uit volgen, dat zij aan die mannen, die de noodige gaven van den Heere ontvingen, plaats, tijd, gelegenheid boden, om aan deze beoefening der Theologie zich te wijden met al hunne krachten. Dan zou eene plaatselijke Kerk, die een predikant met zulke talenten ontving, dezen van velerle gemeentelijken arbeid ontslaan, naast hem een ander voor dit werk beroepen, en hem veel tijd en gelegenheid gunnen voor de wetenschappelijke studie. Het ware te wenschen, dat de Theologie, in dezen zin wat meer van de Kerken uitging.



§ 6. Kerk en Opleiding.

Zoo blijkt de stelling onhoudbaar, dat de Theologie in wetenschappelijken zin uitgaat en uitgaan moet van de Kerken, en dat hare beoefening eene speciaal ambtelijke werkzaamheid is. Zij echter, die oordeelen, dat een Kerk een eigene inrichting hebben moet, brengen nog een ander argument |50| bij, ontleend aan de opleiding. Daargelaten of de Theologie van de institutaire Kerk uitgaat; het is een feit, dat de Kerken behoefte hebben aan Dienaren des Woords en dat zij dientengevolge eene inrichting hebben moeten, waaraan deze Dienaren worden opgeleid. Op dit standpunt hebben de Synoden zich geplaatst. Deze hebben niet in het afgetrokkene over de Theologie geredeneerd maar zij hebben het beginsel geponeerd, dat de Kerken eene eigene inrichting hebben moesten tot opleiding voor hare Leeraren, ten minste wat de Godgeleerde vorming betreft. Dit argument is sterker dan dat, hetwelk boven aan de Theologie werd ontleend. Het is ook meer in overeenstemming met den aard der Kerken, die geen afgetrokken bespiegelingen houden, maar redeneeren uit het leven en tot grondslag hebben de H. Schrift. Bovendien is het onder Gereformeerden buiten kwestie, dat de Dienaren des Woords een afzonderlijk ambt dragen, en dat zij daartoe zoo deugdelïjk moeten worden opgeleid.

Des te meer verdient deze vraag overweging, of de Kerken onder gebondenheid aan Gods Woord verplicht zijn tot het oprichten eener eigene School, voor hare aanstaande Dienaren. Want dit en dit alleen is hier het punt in kwestie. Is eene Kerk daartoe van Gods wege verplicht? Verzaakt zij hare roeping, indien zij alzoo niet handelt? Is zij Gode ongehoorzaam, als zij hare dienaren laat opleiden aan eene andere School, dan die zij zelve heeft opgericht en in stand houdt?

Maar zóó de vraag gesteld, wie durft dan bevestigend antwoorden? Want zeer zeker eischt de Schrift, dat de ouderlingen bekwaam zullen zijn om te leeren, maar nergens schrijft ze met een enkel woord voor, waar en hoe die bekwaamheid verkregen moet worden. Er is nergens ook maar met een enkel woord sprake van, dat de Kerken als Kerken voor de opleiding zorgen moeten. Wel leert ons de Schrift, dat Jezus zijne discipelen onderwees, en dat de Apostelen weer anderen onderrichten. Maar dit alles bewijst niets voor eene opleiding, die van de Kerken moet uitgaan en voor eene School, tot welker oprichting de Kerken verplicht zijn. Veeleer |51| zouden deze voorbeelden van dienst kunnen zijn om te bewijzen, dat deze opleiding niet in de School, in eene afzonderlijke inrichting, maar geheel bijzonder door de ambtsdragers geschieden moet. En zoo was het inderdaad in de eerste eeuwen. Wie stond naar het ambt, zocht opleiding en onderwijs bij bekwame Leeraars, gelijk dat later telkens weer voorkwam en ook in den eersten tijd der Scheiding plaats had. De scholen, die er allengs opgericht werden, gingen volstrekt niet van de Kerken uit; ze hadden geenszins alleen de opleiding van aanstaande Dienaren ten doel; en ze zijn ganschelijk niet opgericht uit gehoorzaamheid aan een uitdrukkelijk bevel Gods, maar naar de behoefte der omstandigheden en om den nood der tijden. En zoo is het altijd geweest. Zoo was het met de Universiteiten in de Middeleeuwen. Zoo met de Hoogescholen, na en onder den invloed der Hervorming gesticht. Zoo met de Seminaria, door de Roomsche en door sommige Protestantsche Kerken opgericht. En zoo was het met de Theol. School, die door de Christ. Geref. Kerk in 1854 te Kampen werd gesticht. Ze is volstrekt niet in het leven geroepen, omdat men oordeelde, dat God dat uitdrukkelijk gebood, maar wijl de Kerk haar van noode had.

En nog hebben de Gereformeerde Kerken deze overtuiging niet. Want immers, ze hebben art. 8 der Dordsche Kerkenorde niet willen te niet doen en niet te niet gedaan, dat mannen met singuliere gaven zonder opleiding aan de School der Kerken konden worden toegelaten tot den dienst des Woords. Ze hebben uitdrukkelijk, het beginsel van vrije Studie gehuldigd. Ze hebben toegestemd in een verband met de Vrije Universiteit en laten de Candidaten harer Theol. Faculteit tot het praeparatoir examen toe. Welnu, indien dat alles zoo is, gelijk het is, dan is daarmede de opvatting niet te rijmen, dat de Kerken een eigen inrichting moeten hebben naar Gods Woord, en dat ze zonder deze ongehoorzaam zijn aan het bevel van Christus. En is hier geen derde: òf het beginsel van vrije studie is uit den booze òf een eigene inrichting is voor de Kerken niet absoluut noodzakelijk, d.i. |52| krachtens een uitdrukkelijk bevel van Christus, gelijk bijv. de Dienst des Woords en der Sacramenten.

Maar dan is het eigenlijk ook onjuist te spreken van een beginsel. Dan moge een eigene inrichting ter opleiding om allerlei gewichtige omstandigheden gewenscht zijn; geboden door het Woord Gods is ze niet. Dan komt de kwestie in een heel ander licht te staan. Dan kan niet meer gezegd worden: de Kerken moeten een eigene inrichting hebben, daar toe zijn ze van Godswege verplicht. Maar dan luidt de vraag: zijn de toestanden in en buiten de Kerken van dien aard, dat eene eigene inrichting, wenschelijk, aanbevelenswaard, nuttig, voordeelig, ja in dezen zin noodzakelijk is? En dan is er kans elkander te ontmoeten in vrede. Zoolang men de absolute noodzakelijkheid op grond van Gods gebod bepleit, heeft men recht te zeggen: waar is dat gebod Gods? Eerder onderwerp ik mij niet! Maar als eene eigene inrichting bepleit wordt op gronden, aan de historie, aan de omstandigheden, aan de nuttigheid, aan de veiligheid, aan de wenschelijkheid ontleend, dan is toenadering en overeenstemming mogelijk. Want hierover is nooit verschil geweest, dat de Kerken eene eigene inrichting wel niet moeten, maar zeer zeker toch mogen hebben, ja, dat er verschillende redenen zijn, waarom zulk eene eigene inrichting noodig is. Zelfs kan en mag hierover geen strijd wezen, of zulk eene eigene inrichting der Kerken ook wetenschappelijk kan zijn en de Theologie in echt wetenschappelijken zin zou kunnen beoefenen. Waarom zou dat niet mogelijk zijn? Zeer zeker zijn de Theol. Scholen altijd en overal, ook die te Kampen, uit practische behoeften geboren, en hebben zich uitsluitend de opleiding der aanstaande dienaren ten doel gesteld. Maar het laat zich denken, dat eene Kerk allengs tot het inzicht komt, dat er toch nog iets meer noodig is, dat ook de wetenschappelijke studie der Theologie èn op zichzelve èn in haar eigen belang noodzakelijk is. De Geref. Kerken hebben uitdrukkelijk uitgesproken, dat ze zorgen willen voor de geheele Theologische vorming, dat is, de vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie en de practische toebereiding |53| voor de heilige bediening. Op de formuleering moge aanmerking te maken zijn, maar de zaak zelve is verblijdend. De Geref. Kerken zijn op wetenschappelijke studie der Theologie ten zeerste gesteld.

Het komt er dan alleen op aan, om dit geloof uit de werken te toonen. Want indien men de zorgen daarvoor op zich neemt, brengen deze terstond eigenaardige verplichtingen mede. Dan is er meer geld, meer studietijd, dan zijn er meer krachten van noode dan waarover de Theol. School thans beschikt. Dan moeten de Kerken meer dan tot dusverre rekenen met de eischen welke God de Heere zelf in de wereld der gedachte, in het leven der wetenschap heeft ingeschapen. Dan behooren ze ook in dit opzicht hoe langer hoe meer Gereformeerd te worden en acht te geven op de ordinantien, welke God voor de wetenschap in onderscheiding van die voor de andere terreinen des levens heeft vastgesteld. En zoo komen we dan tot de conclusie, dat er inderdaad zeer groote overeenstemming heerscht onder de strijdende partijen. Met uitzondering van enkelen, die een eigene inrichting door God geboden achten en eene Theol. Faculteit in strijd achten met zijn bevel, zijn allen van oordeel, dat de Geref. Kerken eene eigene inrichting mogen hebben en in de gegeven omstandigheden ook moeten hebben; dat echter daarnaast eene Theol. Faculteit niet ongeoorloofd is en niet in strijd met Gods gebod.



§ 7. Tweeërlei Theologie.

Achter al de vraagstukken in betrekking tot Kerk, School en opleiding schuilt nog het verschil over de tweeërlei Theologie. Zoodra deze onderscheiding tusschen eene tweeërlei Theologie werd gemaakt, is ze van verschillende zijde ernstig bestreden. De Schrift, zoo sprak men, wist niets van zulk eene tweeërlei Theologie en kende geen aparten stand van Theologen. Aan de Gereformeerden was die onderscheiding geheel onbekend; ze hadden geen naam voor de Theologie als wetenschap, wijl zij de zaak niet kenden. Wat is ook zoo’n |54| Theologie als wetenschap; ze wordt niets anders dan Philosophie, onafhankelijk van en staande boven de Kerk; ze wordt één van de vijf stengels dier wereldsche wetenschap, welke hare eenheid zoekt in de universiteit. En daarom: Geref. Kerken, laat u toch niet van de wijs brengen door groote woorden en schoonschijnende voorstellingen van idealiseerende broederen, die redeneeren uit een begrip van wetenschap, dat zij van de wereldsche universiteit hebben ingezogen en dat zij als een juk, niet minder erg dan dat der organisatie van 1816 moeten leeren afwerpen! De bestrijding van eene tweeërlei Theologie is dus zoo kras en ernstig mogelijk.

Wat nu in de eerste plaats wel het meeste bevreemdt, is dit, dat deze zelfde mannen, die tweeërlei Theologie zoo beslist verwerpende, ze toch terstond en op het zelfde oogenblik zelven aanvaarden en erkennen. Ze spreken zelfs niet van tweeërlei maar van „velerlei Theologie.” Ze nemen aan eene Godgeleerdheid in engeren en in ruimeren zin. Zij spreken uit, dat zij wel degelijk begeeren eene wetenschappelijke Theologie, eene Theologische wetenschap, eene wetenschap der Godgeleerdheid, waartoe al die vakken behooren, welke gewoonlijk in eene Theol. School of Theologische Faculteit worden onderwezen. Zij erkennen, dat er onderscheid is tusschen de velerlei Theologie in mate, graad en trap; maar het eenige wat zïj bestrijden, is dat die velerlei Theologie principieel verschillend zou zijn; principieel en essentieel is er maar ééne Theologie.

Welnu, datzelfde leeren ook wij en datzelfde wordt ook door Dr. Kuyper en door alle Gereformeerden geleerd. De Schrift leert duidelijk dat er verschillende gaven zijn van den H. Geest, en dat er onderscheid is ook van kennis en wijsheid. Dit vindt bij niemand weerspraak. Alle geloovigen verschillen onderling. In zoover zijn er zoovele onderscheidene maten en graden van kennisse Gods (Theologie), als er geloovigen zijn. Maar dit kunnen we thans ter zijde laten. Ons gaat thans alleen aan, het onderscheid tusschen de Godskennis, welke het |55| deel is van de geloovigen in het algemeen, en die kennisse Gods, welke naar eene bepaalde methode van studie beoefend wordt in de Scholen door de zoogenaamde Theologen in engeren zin. Ook dit onderscheid kan niet ontkend en wordt door ieder aanvaard. De bestrijders van tweeërlei Theologie spreken zelven van wetenschappelijke Theologie, Theologie als wetenschap. De Synode sprak van vorming der aanstaande Dienaren door de wetenschappelijke studie der Theologie. En allen willen, dat de studenten onderwezen zullen worden in allerlei vakken, hermeneutiek, exegese, archaeologie, kanoniek, kerkhistorie enz. enz., waaraan de gewone gemeenteleden niet doen. Er is dus een onloochenbaar onderscheid tusschen de Theologie, die het deel is van alle geloovigen, die een stuk is van het zaligmakend geloof, en die Theologie, welke naar wetenschappelijke methode beoefend wordt in de Scholen.

Deze onderscheiding alleen is het, welke bedoeld wordt, als er gesproken is van tweeërlei Theologie. De bestrijders dezer tweeërlei Theologie, hoewel feitelijk ze zelven aanvaardende, beroepen zich tegen haar op de H. Schrift. Maar ze laten na, zelven uit de Schrift dat onderscheid aan te toonen, dat door hen wordt erkend. Het is volkomen waar dat de Schrift niet met zooveel woorden van de wetenschappelijke Theologie, d.i. van de Theologie welke in de Scholen beoefend wordt, gewaagt. Er is nog in de Schrift geen Theologie in den engeren zin des Woords. De Schrift is geen eigenlijk wetenschappelijk boek, maar het boek der openbaring Gods. Hij maakt daarin zichzelf bekend. Eerst toen die openbaring voltooid en de Schrift af was, kon ze object worden van het wetenschappelijk nadenken. Al die vakken, die nu tot den cyclus der Theologie behooren, zijn opgekomen na de voltooiing der openbaring, in de eeuwen, waarin de Christelijke Kerk optrad in de wereld. Maar daarom is die wetenschappelijke Theologie nog niet in strijd met de Schrift; integendeel, de bestrijders en de voorstanders der tweeërlei Theologie verkeeren in hetzelfde geval. Indien genen kunnen betoogen, dat het overeenkomstig de Schrift is, om de Theologie met |56| al hare vakken in de Scholen te onderwijzen, dan zijn dezen daarmede volkomen tevreden. Zij verlangen niets anders te bewijzen, want zij willen en leeren niets anders.

Maar nu de Gereformeerden, hoe hebben zij over die kwestie gedacht? Zij hebben altijd, evenals de Roomschen en Lutherschen, zeer vele soorten van Theologie onderscheiden. Zij spraken van eene Theologie in God, in Christus, in de Engelen, in Adam, de Aartsvaders, Mozes, de Profeten, de Apostelen, in de geloovigen hier op aarde en in den hemel enz. Maar zij kenden wel degelijk ook het onderscheid tusschen die Theologie, welke het deel was van alle geloovigen en die, welke in de Scholen beoefend werd. Vooreerst blijkt dat duidelijk uit het feit, dat zij niet tevreden waren met die kennisse, welke in het zaligmakend geloof ligt opgesloten, maar dat de kennisse Gods wetenschappelijk werd beoefend. Vervolgens hebben ze dit onderscheid ook zeer duidelijk geformuleerd. Ze spraken namelijk van eene Tbeologia infusa, d.i. van eene kennisse Gods, die aan alle geloovigen door den H. Geest in het geloof werd geschonken, en eene Theologia acquisita, d.i. van eene Godskennis, die door nadenken in studie uitgebreid en vermeerderd kon worden. Onder deze laatste spraken ze dan dikwerf weer van eene Theologia scholastica, d.i. van eene Theologie, die naar de methode der School, op wetenschappelijke manier beoefend en behandeld werd, zoodat er geen twijfel aan is, of de Gereformeerden kenden en erkenden wel terdege een „tweeërlei Theologie,” eene Theologie, die alle geloovigen bezaten, en eene Theologie, die in de Scholen wetenschappelijk werd bestudeerd. Er is haast geen tegenspraak mogelijk. Allen, die werkelijk eene School, eene wetenschappelijke opleiding tot den Dienst des Woords wenschen, moeten zulk een onderscheid aanvaarden. Het springt al te duidelijk in het oog. Alleen zij, die gelijk de Dooperschen alle Theologie en alle opleiding verwerpen, kunnen deze onderscheiding afkeuren.

Maar de bestrijders eener tweeërlei Theologie zullen ongetwijfeld antwoorden: neen, deze onderscheiding verwerpen wij |57| niet, in dezen zin kunnen wij inderdaad van eene tweeërlei Theologie spreken. Maar wat wij op de voorstanders der tweeërlei Theologie tegen hebben, is dit: zij maken tusschen beide een principieel, een essentieel onderscheid; volgens ons is het maar een onderscheid in trap, mate, graad. Maar indien degenen, die bezwaar maken tegen eene tweeërlei Theologie, alzoo spreken, dan is er reeds veel gewonnen. Want dan loopt de vraag niet over het onderscheid, dat door allen wordt aangenomen, maar over den aard van dat onderscheid.

Om nu den aard van dat onderscheid te bepalen, verdient het allereerst opmerking, dat het woord Theologie een begrip was dat zeer verschillende zaken heeft gedekt. Het woord was van heidenschen oorsprong; naar zijne afleiding kon het beteekenen zoowel het spreken van als het spreken over God of de goden; en bij de Christenen bleef het in gebruik niet alleen voor de ware kennisse Gods, welke in de Schrift was geopenbaard, maar ook voor die andere kennisse Gods, welke uit de natuur werd verkregen maar in de heidensche Philosophie en Mythologie verbasterd en vervalscht werd. Toch werd dit alles met éénzelfden naam, met den naam Theologie aangeduid. De naam op zichzelf, zonder meer, bewijst dus volstrekt niet, dat de zaken die er door werden aangeduid, niet grootelijks verschilden, niet alleen in mate en graad maar ook in beginsel en inhoud. De Theologia Naturalis en de Theologia Revelata werden met denzelfden naam aangeduid, ofschoon ze toch zeer zeker in principe en wezen verschilden. En zelfs de geheel verbasterde Godskennis in Mythologie en Philosophie werd met dienzelfden naam genoemd.

Maar meer nog. Ook bij God sprak men van Theologie wijl Hij absoluut zichzelven kent. Nu is het toch klaar als de dag, dat de kennis, die God van zichzelven heeft, beide in principe en wezen verschillen van de kennis, welke Hij van zichzelven meedeelt aan den mensch. Datgene wat wij wetenschappelijke studie der Theologie noemen, is in God zelfs niet denkbaar. Ook hier bewijst de eene naam nog geenszins, dat er niet een hemelsbreed onderscheid bestaat. |58|

Eindelijk is het — om niet meer te noemen — bekend, dat de naam Theologie in wetenschappelijken zin eigenlijk alleen aanduidde de thans zoogenaamde Dogmatiek. Deze was de eigenlijke Theologie, zooals de titels van werken als van Marck, Francken enz. bewijzen. De andere vakken, die thans tot de Theologie gerekend worden, waren nog niet in het organisme der Theologie opgenomen; ze werden nog niet van uit één organisch Theologisch beginsel geconstrueerd. Dit is eerst geschied in deze eeuw, sedert het begrip van wetenschap helderder is ingedacht. Kant bekleedt in dit opzicht eene beteekenisvolle plaats. Materieel niet, maar formeel is aan hem en de latere Duitsche wijsbegeerte veel te danken. Dit en niets anders bedoelt voorzeker ook Dr. Kuyper, als hij zegt, dat de wetenschap der Theologie eerst in deze eeuw tot haar volle bewustheid is gekomen. En dat kan en zal door niemand worden ontkend, die met de nieuwere wijsbegeerte ook maar eenige kennis heeft gemaakt.

Omdat de Gereformeerden nu bij de Theologie alleen dachten aan de Dogmatiek, konden zij zeggen, dat tusschen deze en de Theologie van alle geloovigen slechts een verschil was in graad. Want dat zeiden ze inderdaad. En hier is niets tegen. Integendeel, het is volkomen juist. Het omgekeerde zou leiden niet tot eene tweeërlei, maar tot eene dubbele Theologie, tot eene lagere soort kennis, waarmede de geloovigen konden volstaan en eene hoogere, die alleen toegankelijk was voor de geleerden. Zoo zou er eene allerverderfelijkste scheiding komen tusschen eene populaire en een geleerde Theologie, tusschen de massa en de wijsgeeren, tusschen Theologie en Philosophie in den trant van Hegel. In zoover de bestrijding der tweeërlei Theologie tegen zulk eene scheiding gericht was, was ze geheel op hare plaats. Alleen ze streed tegen windmolens.

Want ook al wordt volmondig toegestemd, dat tusschen de Dogmatiek en de geloofskennis geen onderscheid is in beginsel maar alleen in mate en graad, daarmede zijn we er niet. Want thans behoort tot de Theologie die gansche kring van wete nschappen welke door de Gereformeerden gewoonlijk nog |59| niet onder dien naam worden begrepen. En de vraag is deze dus: wat onderscheid is er tusschen de kennisse Gods, die het deel is van alle geloovigen, en die, welke in de Theologie als wetenschap met al hare vakken aan de scholen wordt beoefend. En nu is er wederom niets tegen, om te zeggen dat dit onderscheid ook maar in graad en mate bestaat. Dit is immers volkomen juist, zoolang men let op de idee der Theologie, welke alle vakken organisch verbindt en het klaarst in de Dogmatiek als het centrale vak uitkomt. Maar desniettemin sluit deze bepaling van het onderscheid niet uit, dat om de Dogmatiek een gansche kring van wetenschappen zich groepeert, die in de gemeente ganschelijk niet beoefend en zelfs niet bij name gekend worden.

En eindelijk komt daarbij nog, dat het wezen en het karakter der wetenschap thans dieper ingedacht is dan in vroegere eeuwen. De aard van het kenvermogen, de wijze waarop we in het algemeen tot kennis komen, het onderscheid tusschen de empirische en de wetenschappelijke kennis en allerlei vragen, die daarmede in verband staan, zijn thans allerwege aan de orde gesteld en nemen aller denkend hoofd in beslag. En ook hier wederom is er geen bezwaar om het verschil tusschen de gewone kennis en die, welke in de School wordt nagestreefd, als gradueel aan te duiden. Maar daarmede is de kwestie toch niet ter helfte opgelost. Er zijn nog andere diepere vragen mee gemoeid. Er komen nog veel andere dingen bij in aanmerking. En daarom is men met één enkel woord van de twestie niet af. Er is onderscheid; allen stemmen dit toe; maar het is niets dan oppervlakkigheid, dit onderscheid met één enkel woord te willen uitmaken.

Immers, als men zegt, dat de kennis Gods bij de gewone geloovigen en de Theologie in wetenschappelijken zin verschilt in trap, mate, graad, dan moet toch worden aangenomen, waardoor en op welke wijze dit onderscheid tusschen beide tot stand komt. Het is volstrekt niet alleen daarin gelegen, dat de gewone geloovige wat minder en de man van wetenschap wat meer weet; het is geen verschil alleen in quantiteit. Maar |60| het onderscheid ligt veel meer in de methode, waardoor de kennis verkregen wordt. De Gereformeerden gaven dit daardoor te kennen, dat ze spraken van eene Theologia Scholastica, d.i. van eene Theologie, zooals die in de Scholen en naar de methode der Scholen beoefend wordt. Ieder mensch weet en kan beseffen, dat dit onderscheid op elk terrein van kennis doorgaat. De gewone mensch ziet evengoed de zon en de maan en de sterren, als de astronoom, maar deze laatste ziet deze niet alleen en kent niet alleen de verschijnselen, maar hij zoekt ze ook in te denken, hij spoort de wetten na, die al die verschijnselen beheerschen, hij tracht ze te verklaren en de oorzaak er van op te sporen. En dat is eerst echte wetenschap, niet het dat maar het hoe en waarom der dingen te kennen. Zoo is het met de kennis der natuur, van het recht, van de taal, en van alle dingen. Het is inzonderheid de methode, die tusschen de kennis van den eenvoudige en die van den wetenschappelijken mensch onderscheid maakt. Het ligt veel meer in de methode dan in de quantiteit. Geleerdheid toch is nog geen wetenschap. Een student, die niets anderrs doet dan dictaten in het hoofd prenten, legt misschien een uitstekend examen af, maar hij heeft nog in niets bewezen van wetenschappelijken zin te zijn. Hiertoe is meer noodig dan een sterk geheugen; het komt op oordeel, denken, indenken van de voorhanden stof aan. In de wetenschap is het het streven, om de dingen organisch te kennen, gelijk ze door God gedacht zijn en in zijne werken bestaan. En nu werpe men niet tegen, dat dit ideaal der wetenschap onbereikbaar is, dat alleen het „dat” der dingen te kennen valt maar het hoe en het waarom verborgen blijft. Want dat moge het positivisme zoo leeren, het is de belijdenis niet van den Christen. Hoewel alle weten in alle wetenschap, en vooral ook in de Theologie, stukwerk blijft, het ideaal mag niet lager gesteld worden. Wetenschap is niets anders dan rerum dignoscere causas, de oorzaak der dingen te kennen.

Het komt ons voor, dat deze onderscheiding door niemand kan worden gewraakt. Is het dat niet, wat wij van Studenten |61| verlangen, dat zij niet zweren zullen bij het woord van den meester maar dat zij zelven tot de bronnen zullen gaan, en de dingen zelve zullen zien en ze zelve zullen onderzoeken en kennen en begrijpen? Kunnen, mogen we met iets minder tevreden zijn? Dienen daartoe niet al de hulpmiddelen, die hun worden geschonken? Leeren ze daarom, om maar bij één vak te blijven, niet de talen en de hermeneutiek en de exegese, om zelf de Schrift te onderzoeken en haar zin na te speuren? En is er tusschen den echten exegeet, die den Schriftzin denkende opspoort, en den eenvoudigen Bijbellezer, die de kantteekening raadpleegt of een zoogenaamd student, die een, commentaar naschrijft, niet een belangrijk verschil, niet een verschil van methode? 10)

En dat is het onderscheid, hetwelk ook door Dr. Kuyper tusschen de tweeërlei Theologie wordt geleerd. Hij zegt, dat het twee zeer verschillende zaken zijn. Hij geeft er de voorkeur aan, om de ééne Godskennis en de andere overeenkomstig het gewone spraakgebruik Theologie te noemen. Hij legt tegenover de vereenzelviging van beide, thans doorvelen voorgestaan, den nadruk op het onderscheid. Maar nergens zegt hij, dat er tusschen beide een principieel verschil bestaat, gelijk hem toegedicht wordt. Hij verklaart uitdrukkelijk, dat ze niet geïsoleerd mogen worden. Het zijn geen twee stroomen, die parallel naast elkaar loopen. Neen, ze staan in het nauwste verband, ze grijpen telkens in elkaar. Zij zijn de eene voor de andere onmisbaar. Helder wordt het Theologisch karakter der Theologie in heel de Encyclopaedie in het licht gesteld. De Theologie als wetenschap, ze heeft de H. Schrift tot eenig principium; ze heeft, schoon verschillend in methode, het wezen, dat is, de idee der Godskennis met de eenvoudigste geloovigen gemeen; ze heeft tot leidsman |62| den Doctor ecclesiae, den H. Geest; ze wil niet anders wezen dan ectype, afdruk van die kennis, welke God van zichzelven bezit en welke Hij aan schepselen medegedeeld heeft. Dit alles staat duidelijk in de Encyclopaedie te lezen en wordt er breedvoerig in ontwikkeld. Waarom dan deze onderscheiding van eene tweeërlei Theologie op zoo onbillijke wijze misbruikt en uitgelegd in een zin, die door den schrijver geheel wordt verworpen?



§ 8. Theologie en Philosophie.

Al de bezwaren, die van de andere zijde tegen de dezerzijds voorgestane regeling der School, opleiding en tweeërlei Theologie worden ingebracht, vatten zich ten slotte saam in de ééne groote aanklacht, dat de Theologie op deze wijze van haar eigen karakter beroofd, aan de wereldsche wetenschap gelijk gemaakt en aan de Philosophie onderworpen wordt. Het is deze beschuldiging vooral, welke telkens weer tegen de Encyclopaedie van Dr. Kuyper te berde wordt gebracht. Nu zouden wij deze aanklacht geheel met stilzwijgen kunnen voorbijgaan en aan Dr. Kuyper gerustelijk de verdediging zijner eigene zaak kunnen overlaten, indien niet tweeërlei reden ons tot spreken drong.

Vooreerst is het werk van Dr. Kuyper door velen terstond onder een bepaald gezichtspunt gesteld, nl. onder dat van de „eigene inrichting”, en van daaruit beoordeeld. En ten andere werd het aanstonds in zijne beginselen voor de rechtbank van het volk gebracht. Gemeente- en Kerkeraadsleden moesten deze beginselen kennen en beoordeelen. De kritiek is dus niet beperkt gebleven tot eene wetenschappelijke discussie; zij is terstond overgegaan in eene ernstige beschuldiging van grove dwalingen en wijsgeerige ketterij. In wijden kring is daardoor wantrouwen gewekt, verdeeldheid gezaaid. En daarom komt het ons wenschelijk voor, om over de belangrijkste vraagstukken, die aan de orde van den dag zijn, onze meening te zeggen. Misschien kan dit er toe bijdragen, om het vertrouwen |63| te herstellen en den vrede onder de broederen te doen terugkeeren. Natuurlijk is de bedoeling niet, om alles te bespreken. Er zijn zoovele vragen opgeworpen en zoovele bedenkingen uitgesproken. En evenmin is het ons streven, alle vraagstukken principieel en volledig te behandelen. Daar zouden boekdeelen voor noodig zijn. Slechts zij het ons vergund, bij de voornaamste verschillen datgene in het licht te stellen, waar het naar onze meening om gaat, en dan aan te wijzen, dat er in den grond der zaak in al deze kwesties onder Gereformeerden geen principieel verschil bestaat noch ook bestaan kan.

Vooreerst dan is er aanmerking op gemaakt, dat Dr. Kuyper onderscheidt tusschen idee en begrip der Theologie. Naar haar idee is zij kennisse Gods; naar haar begrip is zij wetenschap. En daaruit wordt geconcludeerd, dat Dr. Kuyper de idee der Theologie aan God ontleent, het begrip aan den mensch; en de Theologie als wetenschap dus opbouwt uit den mensch, zoodat zijn Theologisch stelsel niet Theologisch maar Anthropologisch en Philosophie is. En daartegenover zegt de beoordeelaar, dat hij van het object uitgaat en beide, idee en begrip der Theologie, aan God ontleent. Heel deze kritiek berust onzes inziens op misverstand. De bedoeling van deze onderscheiding is toch eenvoudig deze: de Theologie als wetenschap, d.i. zooals ze in de scholen bestudeerd wordt, heeft met de kennis Gods in de geloovigen, met de kennis Gods in God zelven, in Christus enz. dit gemeen, dat ze naar haar idee, naar haar wezen, kennisse Gods is. Er is dus — dat blijkt hier duidelijk uit — geen essentieel verschil tusschen de kennis Gods in de geloovigen en de eigenlijke Theologie, want ook deze is wezenlijke kennisse Gods. Maar nu is ertusschen beide wel een verschil in methode. Want in de Scholen wordt naar die kennisse Gods gestreefd overeenkomstig de eischen der wetenschap, op wetenschappelijke manier en methode. Dat is iets eigenaardigs, een karakteristiek onderscheid van de Theologie als wetenschap. Want er is in God wel kennis van zichzelven, maar — het zij met eerbied gezegd — Hij studeert daarvoor niet. Ook de geloovigen, al kunnen ze |64| Theologen heeten in ruimeren zin, wijl zij van God zijn geleerd, zijn toch geen Theologen in engeren zin; zij studeeren niet, leeren geen talen, beoefenen geen hermeneutiek, exegese enz. Dit studeeren in wetenschappelijken zin maakt dus uit het begrip der Theologie als wetenschap. Dit begrip is tijdelijk. Hier op aarde moeten wij in de scholen studeeren, maar dat houdt eens op, als we zien zullen van aangezicht tot aangezicht. Dan verandert heel de methode; maar wat blijft, is de kennisse Gods, d.i. de idee der Theologie. De Theologie als wetenschappelijk, methodisch onderzoek gaat voorbij, de Godskennis blijft. Wat is hier in strijd met het wezen der Theologie?

Een ander bezwaar geldt de definitie van wetenschap. Die definitie is verschillend. Nu eens wordt wetenschap door Dr. Kuyper genomen in den zin van het wetenschappelijk onderzoek en dan eens in dien van het wetenschappelijk resultaat. Er is geen enkele reden, om hierop eenige aanmerking te maken. Want deze tweeërlei omschrijving van het woord wetenschap is volstrekt niet eigen aan Dr. Kuyper alleen, maar is algemeen erkend en aangenomen. Ieder handboek over logika en elk werk, dat over het wezen der wetenschap handelt, spreekt er over in gelijken geest. Nu eens is wetenschap de aanduiding voor den weg tot, en dan voor de som van het weten. In laatstgenoemden zin wordt de wetenschap door Dr. Kuyper omschreven als geordende, organische, systematische kennis van het geheel der dingen, van den Kosmos. Ook hiertegen is bedenking gerezen. Wetenschap zou er reeds dan zijn, zoo werd gezegd, wanneer men een voorwerp, bijv. één boom, kende in zijn bestaan en in de organische verhouding van zijne bestanddeelen. Maar dat is met alle definitie van wetenschap in strijd. Wetenschap in eigenlijken zin, wel te onderscheiden van het gewone, empirische weten, wordt altijd en overal als systematische kennis omschreven. De scholastiek drukte het uit met één enkelen zin: scientia non est singularium. Wie één taal kent, kent er geen een. Wie één voorwerp kent, kent het niet in wetenschappelijken zin. En wijl |65| alle dingen nu organisch samenhangen en een systeem vormen, zoo is het werkelijk waar, dat wetenschap in volstrekten zin naar haar idee is: systematische kennis van den Kosmos. Eerst dan, wanneer we het geheel kenden, zouden we eerst klaar en volkomen elk deel begrijpen. Maar dan is er geen wetenschap, zoo zegt men, en is ze niets dan een onbereikbaar ideaal. In volstrekten zin genomen, is dit ook zoo. Al ons weten is stukwerk. Niets kennen we in absoluten zin. Wij jagen er naar of wij het ook grijpen mochten.

Een derde bedenking geldt het subject der wetenschap. Dr. Kuyper zegt, dat het subject niet is de eene of andere individu, maar het algemeen menschelijk bewustzijn, de menschheid als één geheel gedacht, d.i. het generale ik der menschheid. Maar nu onderscheidt hij tusschen tweeërlei wetenschap, eene geloovige en eene ongeloovige. De eerste, de ware, echte, Christelijke wetenschap komt op uit de geloovige menschheid als één geheel gedacht, d.i. het generale ik der geloovige menschheid. Nu is het klaar als de dag, dat deze uitdrukking: „het generale ik”, ofschoon op zichzelve voor misverstand vatbaar, niets anders beteekenen kan dan de geloovige menschheid als organisch geheel. Er wordt geen apart persoon mee aangeduid buiten en boven die geloovige menschheid. Maar er wordt alleen mede te kennen gegeven, dat niet enkele individuen zoo naar toeval of willekeur, maar dat de geloovige menschheid zelve het ééne subject, het ik der wetenschap is. Ook hier houdt Dr. Kuyper vast aan de organische opvatting, waarvan hij altijd uitgaat. De wetenschap is een proces, dat langzamerhand zich ontwikkelt door de eeuwen heen. De enkele mannen, die in elken tijd de wetenschap in eigenlijken zin beoefenen, staan niet los op zich zelf; en zij zijn het niet, die zoo eens bij toeval of naar willekeur aan deze zaak zich wijden. Maar ze staan in organisch verband met hun volk, hun land, hun eeuw; zij zijn afhankelijk van den kring, waarin zij leven; zij staan op de schouders der voorgeslachten; zij arbeiden voort aan de taak, door anderen vroeger reeds ter hand genomen. Er is in de ontwikkeling |66| der wetenschap door de eeuwen heen een geschiedenis op te merken; er is gang, gedachte, plan, orde in. En dat wijst er op, dat er in die wetenschappelijke ontwikkeling van de menschheid eene Goddelijke actie schuilt. Het is een drang in de menschheid, door God in haar geiegd, onderhouden, geleid, geregeerd. In de wetenschap is een hoogere factor dan de menschelijke werkzaam. God zelf is het, die ook in dezen drang der menschheid naar wetenschap alle dingen werkt haar den raad van zijn wil. Is dit alles niet schoon en is het niet echt Gereformeerd? Toch zien sommigen hier pantheïsme in. Maar is het niet zuiver theïsme, dat God alle dingen werkt en dat Hij dus ook de Schepper, Onderhouder en Regeerder is van die logische actie, welke de wetenschap geboren doet worden?

Deze beschuldiging van pantheïsme wordt bij dit punt nog door eene andere redeneering aangedrongen. Op eene andere plaats en in een ander verband zegt Dr. Kuyper namelijk, dat Christus het centrale subject is, waar uit de wijsheid in de enkele geloovigen indringt. Deze plaats wordt met die over het generale ik in verband gebracht, en de redeneering is klaar: het subject der wetenschap is het generale ik der getoovige menschheid; Christus is dat centrale bewustzijn, dat generale ik; dus Christus is het subject der wetenschap; de menschheid wordt hier een almensch, waarvan Christus een deel is; dit is pantheïsme. Deze redeneering is hoogst onbillijk. Ze brengt twee geheel verschillende plaatsen op den klank af met elkaar in verband, maakt die tot twee praemissen en dwingt daaruit den schrijver eene conclusie op, welke hij met zijn gansche ziel, in al zijne werken, zijn gansche leven door verfoeit. Met zulk een exegese is het gemakkelijk om den rechtzinnigsten Theoloog tot een aartsketter te maken; en uit twee regels schrift iemand aan de galg te brengen. Wat zegt Dr. Kuyper dan op die plaats? Niets anders dan wat de Apostel getuigt, dat in Christus alle schatten der wijsheid tn der kennis verborgen zijn. Christus is onze wijsheid. Maar die wijsheid moet evenals ook zijne heiligheid, uit hem als |67| het centrale bewustzijn in het bewustzijn der geloovigen worden ingedragen en overgeplant. Dat geschiedt nu niet alleen, maar toch óók in de Theologie als wetenschap. God gebruikt het denken en den drang tot kennis, dien Hij in de geloovige menschheid heeft gelegd, alzoo, dat de schatten der wijsheid uit Christus hoe langer hoe meer het eigendom worden van het bewustzijn der geloovigen. Maar ook al waren die schatten nu eens volkomen uit Christus in de geloovigen overgedragen, wat echter onbereikbaar is, dan nog zou er tusschen de wijsheid, die in Christus is, en de wetenschap, die in de geloovigen woonde, een groot verschil blijven; beiden zijn van een geheel anderen aard. Het verschil tusschen Christus en de geloovigen wordt dus niet uitgewischt; integendeel principieel en tot in eeuwigheid toe gehandhaafd en van pantheïsme is er geen spoor.

Een ander bezwaar, dat ook tegen Dr. Bavincks rede over de Algemeene Genade is ingebracht, wordt ontleend aan het voorbijgaand karakter, hetwelk de bijzondere, soteriologische openbaring zou dragen. Men heeft er op gewezen, dat de bijzondere openbaring in Christus toch volstrekt niet opgaat in de herstelling van den natuurlijken toestand van Adam vóór den val. Want vooreerst blijft de zonde nawerken tot in alle eeuwigheid toe; millioenen menschen gaan verloren, die buiten de zonde nooit in het verderf zouden zijn gekomen. En ten andere brengt de bijzondere openbaring geen herstelling alleen van den toestand van Adam vóór den val maar geeft ze ook een rijkere kennis van God, een hoogeren trap van volmaaktheid, een zaliger toestand dan Adam ooit bezat. Deze opmerkingen zijn volkomen juist, en worden door niemand weersproken. Alleen ze komen hier in het geheel niet te pas. Het is toch bekend, dat Rome in overeenstemming met zijne leer van het beeld Gods oordeelt, dat de bovennatuurlijke openbaring absoluut noodzakelijk is om den mensch te brengen tot de hoogste zaligheid in den hemel. Zelfs al ware er geen zonde tusschen beide getreden, dan zou deze toch voor dat doel noodzakelijk zijn geweest. Maar het Protestantisme stelde |68| daartegenover, dat het beeld Gods behoorde tot de natuur, het wezen van den mensch, en dat deze dus in den weg der werken, door gehoorzaamheid aan de lex naturae, aan de wet van het werkverbond, tot de hemelsche zaligheid gekomen zou zijn. De bovennatuurlijke openbaring was dus hier niet absoluut noodzakelijk, al wordt daarmede geenszins ontkend dat er ook buitengewone openbaring was in het Paradijs. Zij werd eerst toevallig van noode door de zonde. Niet toevallig met het oog op den raad Gods, in welken alles van eeuwigheid is bepaald; maar toevallig met het oog op de zonde, die er immers niet behoefde te zijn en niet mocht wezen, maar die door ongehoorzaamheid ontstond. De bijzondere openbaring na den val is dus ingetreden om der zonde wil en draagt daarom een soteriologisch karakter.

Daarmede hangt nu nog terstond iets anders samen. Volgens Rome schenkt de bovennatuurlijke openbaring iets, wat niet natuurlijk is, wat niet tot de natuur van den mensch behoort, wat aan zijne natuur van buiten en van boven toegevoegd wordt. Maar volgens het Protestantisme dient de bijzondere openbaring daartoe, om den mensch terug te geven, niet alleen wat hij in Adam had, maar wat hij in Adam, indien deze ware staande gebleven, verkregen zou hebben, nl. de hemelsche zaligheid, het eeuwige leven. De weg der genade is dus een zijweg, door God ingeslagen, om den mensch te doen komen tot datzelfde, wat hij anders langs den weg der werken bereikt zou hebben. De hemelsche zaligheid, het eeuwige leven, de aanschouwing Gods is dus niet iets bovennatuurlijks in dien zin, dat het bij het wezen van den mensch bijkomt. Neen, het is van den aanvang af door God opgenomen in de idee, de natuur van den mensch, dat is in het beeld Gods, waarmede hij geschapen werd, maar dat hij door de zonde verloor. Maar, wat hij door zijne schuld verloor, ontvangt hij door Gods genade terug. Wanneer dan ook die toestand ingetreden zal zijn, dat de gemeente der uitverkorenen vergaderd en zonder vlek of rimpel aan den Vader voorgesteld zal zijn, dan heeft de bijzondere openbaring haar einde bereikt. Christus heeft |69| zijn werk volbracht. Het Koninkrijk wordt aan den Vader overgegeven. God zal zijn alles in allen. Natuurlijk is er geen sprake van, dat Christus geëffaceerd zal worden. Hij blijft het Hoofd der gemeente. Uit de bijzondere openbaring vloeit eene winste voort, die eenwiglijk blijft, nl. de kennisse van Gods genade en van zijne grondelooze ontferming. Maar die toestand, waarin de gemeente dan door de verlossing van Christus is overgebracht, is toch niet een goed, dat oorspronkelijk vreemd was aan den mensch. Neen, hij was er van den beginne af op aangelegd en ervoor bestemd; de hemelsche zaligheid behoorde als het ware tot zijne natuur, tot het beeld Gods, waarmede hij geschapen werd. En heel die onderscheiding en tegenstelling tusschen natluur en genade, schepping en herschepping, gelooven en weten, welke ons hier op aarde dikwerf zoo bang en zoo smartelijk valt, zal dan verdwenen zijn. Kinderen Gods te wezen en Hem eeuwiglijk te dienen in zijnen tempel — het zal ons zoo natuurlijk eigen zijn, als dat beeld Gods, waarmede wij oorspronkelijk werden geschapen. Van hoe rijke beteekenis deze reformatorische leer is, kan thans niet worden aangewezen. Maar daaruit vloeit o.a. voort, dat de wedergeboorte niet is uitstorting van eene nieuwe substantie, maar niets anders dan herschepping en vernieuwing van wat in den mensch aanwezig is. En dat was ook de gedachte van Dr. Kuyper, als hij, in een overigens minder schoon beeld zeide, dat door de wedergeboorte alleen het rad der geboorte in het centrum van ons wezen op eene andere spil werd gezet.

Eindelijk, het meest besproken bezwaar tegen Dr. Kuyper’s werk bestaat daarin, dat hij de Theol. encyclopaedie tot de wijsgeerige wetenschap rekent en alzoo de Theologie van de Philosophie afhankelijk maakt, ja in deze doet overgaan. Dit bezwaar spreekt te sterker, omdat Dr. Kuyper vroeger in deze kwestie een ander standpunt innam. De vraag is van zeer ingewikkelden aard en door de Theologische encyclopaedisten van allerlei richting verschillend beantwoord. Onderstel nu al het ergste geval, dat Dr. Kuyper aan de Theol. encyclopaedie eene plaats had aangewezen in die wijsgeerige vakken, welke |70| aan de Universiteit worden ingedeeld bij de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte, dan heeft hij daarmede toch uitdrukkelijk alleen eene Christelijke wijsbegeerte bedoeld, die gebonden is aan Gods Woord. Is nu zoodanige plaatsing reeds op zichzelve van dien aard, dat iemand van philosophische vervalsching der Theologie mag worden aangeklaagd en als een gevaarlijk mensch voor Kerk en Theologie aan de gemeente mag worden voorgesteld? Deze beschuldiging komt ons onbillijk voor. Immers, de kwestie raakt niet het karakter der Theologie en van hare encyclopaedie, maar alleen de plaats, welke aan de encyclopaedie ideëel toekomt in het organisme der wetenschappen.

Immers, Dr. Kuyper verklaart uitdrukkelijk, dat de Theol. encyclopaedie geen speculatieve, maar eene positieve wetenschap is; dat inhoud en structuur der Theologie niet uit de Wijsbegeerte gekend wordt, maar door de Theologie zelve wordt bepaald; dat het de Theoloog is, die aan het einde van zijn taak gekomen in het lichaam der Theologie den logos opspoort, het organisme van zijne wetenschap indenkt en haar beeld opvangt in zijn bewustzijn. En heel zijne encyclopaedie is van het begin tot het eind eene schoone poging, om de zelfstandigheid der Theologie te handhaven, en uit haar zelve haar eigen principium, inhoud, methode, doel en organisme vast te stellen. Feitelijk en ook naar zijne eigene verklaring is de Theol. encyclopaedie bij hem een Theologisch vak.

Maar hoe komt Dr. Kuyper er dan toe, om ze meer dan eenmaal eene wijsgeerige wetenschap te noemen? Er schijnt daarvoor eene dubbele reden te zijn. In de eerste plaats zegt hij, dat de mensch in de encyclopaedie zich rekenschap geeft van de wereld zijner gedachten en dus niet met den inhoud der vakken zelven, maar alleen met hun logisch verband zich bezig houdt; dat de Theologie eerst voleind moet zijn eer haar beeld kan worden geschetst; de logos, die in het lichaam der Theologie schuilt, kan eerst worden opgespoord als dat lichaam der Theologie klaar voor onzen geest staat; en het opsporen van dien logos is eene wijsgeerige werkzaamheid. Hierin ligt deze |71| waarheid, dat de encyclopaedie niet gecoordineerd kan worden met de andere Theol. vakken; zij verheft zich boven deze en is gelijk aan den toren, van waaruit het landschap der Theologie wordt overzien. Desniettemin blijft het ook volgens Dr. Kuyper de Theoloog, die het beeld dezer wetenschap in zijn bewustzijn opvangt, en ook alleen opvangen kan. Maar dan volgt daaruit alleen, dat de Theol. encyclopaedie meer dan eenig ander vak in de Theologie wijsgeerige vorming en aanleg vereischt, maar er vloeit niet uit voort, dat zij eene wijsgeerige wetenschap is.

Integendeel, alleen de Theoloog is in staat, om het wezen en het organisme der Theologie op te sporen en het Theologisch karakter van elk harer vakken in het licht te stellen; reeds de practische overweging, dat niemand daartoe bekwaam is dan wie diepe en lange studie van de Theologie heeft gemaakt, eischt dat de Theol. encyclopaedie eene plaats hebbe in de wetenschap der Theologie zelve. Werkelijk is Dr. Kuyper het hiermede blijkens zijne eigene verklaring volkomen eens.

Maar er is een tweede reden, die hem toch de Theol. encyclopaedie eene wijsgeerige wetenschap doet noemen.

De vraag kan namelijk gedaan worden of zulk eene bijzondere encyclopaedie het hoogste is wat in de wetenschap valt na te streven. En dan is natuurlijk het antwoord ontkennend. Het hoogste is niet, dat het organisme van eene bijzondere wetenschap, maar van alle wetenschappen saam, van heel de wetenschap wordt ingezien en de logos daarvan wordt opgespoord. Natuurlijk gaat deze taak, de opsporing van den logos der gansche wetenschap, boven alle bijzondere wetenschappen uit. Ze valt, om zoo te zeggen, buiten den kring der wetenschappen aan eene universiteit; zij staat er boven en overziet het gansche uitgestrekte terrein van alle wetenschap. Deze taak nu is inderdaad eene wijsgeerige; maar goed beschouwd is er voor haar geen plaats in den cyclus der wetenschappen; zij is zelfs geen vak, dat gedoceerd kan worden. Philosophie is zeker als geschiedenis der Philosophie en als onderwijs in een zeker stelsel, dat erkend en aangenomen wordt, eene |72| wetenschap, die gedoceerd en bestudeerd kan worden. Maar de Philosophie in eigenlijken zin is evenmin als de kunst een studievak. Wijsgeeren en kunstenaars worden niet gemaakt, maar geboren. Ze zijn zeldzaam, ze treden op autoritate sua en trachten een stelsel te ontwerpen van al wat is. Zij sporen ook het organisme der wetenschap op. Maar natuurlijk, hoe hoog hun denkarbeid ook wordt gewaardeerd, het blijft een stelsel, dat alle gezag mist, dat alleen zooveel waarde heeft als het waarheid bevat. Voor Christenen, voor Theologen moge formeel veel uit hen te leeren zijn; materieel staan ze gewoonlijk vijandig tegenover ons geloof. Wij verbieden hen niet, om ook den logos aller wetenschap in te denken, maar ieder bijzonder encyclopaedist weigert terecht zijn vak aan deze weinige Philosofen af te staan, of ook uit hunne handen zijne wetenschap te ontvangen. En zoo komen wij tot het resultaat, dat de algemeene encyclopaedie, die het organisme der gansche wetenschap beschouwt wel het hoogste is en wel wijsgeerig is van aard, maar dat zij kan niet ingedeeld worden in den kring der wetenschappen; er is voor haar in den cyclus geen plaats.

Alle encyclopaedie blijft dus binnen den kring der wetenschappen bijzonder, encyclopaedie van eene speciale wetenschap. Natuurlijk staat het aan iederen encyclopaedist van eene bijzondere wetenschap vrij, om zijne wetenschap in te voegen in het verband aller wetenschappen en de onderlinge verhouding te bepalen. Maar ook dan blijft zijne encyclopaedie bijzonder; de Theol. encyclopaedie blijft Theologie; en hoeveel wijsgeerigen aanleg en zin iemand daarbij ook aan den dag legge, het is en kan alleen de Theoloog zijn, die deze wetenschap doceert. Gaat hij echter boven zijn vak uit, en tracht bij het organisme der gansche wetenschap op te sporen en het systeem daarvan weer te geven, dan houdt hij op speciale encyclopaedie te geven en houdt hij dus op in casu Theoloog in specialen zin te zijn. Dan is hij wijsgeer, maar mag zijn werk ook niet meer geven onder den naam eener bijzondere encyclopaedie. Wij komen dan tegenover zijn stelsel te staan als tegenover dat van alle wijsgeeren. |73| En de Theologische encyclopaedie dient, evenals elke andere, tegenover het organisme der wetenschap, dat de wijsgeer biedt, op hare hoede te zijn.


*

Waarschijnlijk zal deze voorstelling bij zeer weinigen bezwaar ontmoeten. En naar wij vertrouwen, vindt zij ook bij Dr. Kuyper instemming. Wie alleen op ééne enkele uitdrukking let of slechts ééne enkele bladzijde leest, moge eene andere gedachte hebben. Maar wie geheel áe Encyclopaedie bestudeert, kan geen anderen indruk bekomen dan dat Dr. Kuyper de Theol. Encyclopaedie alleen in zooverre eene wijsgeerige wetenschap noemt, als zij de Theologie eene plaats aanwijst in en in verband zet met de andere wetenschappen. Nu kan er inderdaad verschil zijn over de vraag, of deze taak werkelijk tot de Theol. Encyclopaedie behoort, en inhoeverre zij deze dan inderdaad, in onderscheiding van de algemeene Encyclopaedie, te vervullen heeft. Maar hierover kan toch geen twijfel bestaan, dat de opsporing van het verband tusschen al de wetenschappen onderling eene wijsgeerige werkzaamheid is.

Het komt ons dan ook voor, dat de strijd eigenlijk niet hierover loopt, of zulk eene denkwerkzaamheid wijsgeerig van aard is, maar over de vraag, of zulk eene opsporing van het organisme aller wetenschap mogelijk en geoorloofd is. Er zijn er, die beweren, dat de Theologie niet mag ingevoegd worden in het organisme der wetenschap en daarom ook niet als eene eigene faculteit mag geïncorporeerd worden in de Universiteit. Theologie is iets gansch bijzonders, onderscheiden en gescheiden van alle andere wetenschappen. Wie de Theologie in den kring der wetenschappen opneemt en met deze coördineert, verlaagt haar en maakt haar aan de andere wetenschappen gelijk. Hij moet er toe komen om God als het voorwerp der Theologie los te laten en de eenheid der wetenschappen in den Kosmos, de wereld, te zoeken.

Nu zegt Dr. Kuyper inderdaad, dat het voorwerp der wetenschappen de Kosmos is, en dat de Theologie, indien zij |74| opgenomen wordt in den kring der wetenschappen, niet God, maar iets in den Kosmos, n.l. de bijzondere openbaring tot voorwerp heeft. Als daaruit nu mocht worden afgeleid, dat de wetenschappen, en bepaaldelijk ook de Theologie, niets met God zelven te maken hadden, dan zou deze voorstelling van Dr. Kuyper niet alleen bedenkelijk, maar beslist verwerpelijk zijn. Maar niemand gelooft toch waarlijk, dat dit zijn bedoelen kan zijn. Hoe dit echter ook zij, wanneer de zaak duidelijk voorgesteld wordt, is er, dunkt ons, haast geen verschil mogelijk. De Theologie speurt niet het verborgen wezen Gods na maar kent God alleen omdat en in zoover Hij zich geopenbaard heeft. Zij heeft dus die openbaring tot rechtstreeksch en naastbijliggend object en zoekt daardoor God zelven te kennen, gelijk Hij zich in die openbaring te kennen gegeven heeft. Maar ook de andere wetenschappen, opgevat in Christelijken zin, hebben het met openbaringen Gods te doen. Ook de natuur, de mensch, de geschiedenis, het recht, de logos, enz. die de voorwerpen der andere wetenschappen zijn, zijn openbaringen Gods, verwerkelijking van zijn raad, belichaming van zijne gedachte. En ook deze wetenschappen zoeken door en in deze speciale objecten Gods gedachte en wil te leeren verstaan en alzoo God zelven te kennen, gelijk Hij zich in heel de schepping geopenbaard heeft. Heel de tegenstelling is dus valsch, dat de Theologie God en de andere wetenschappen de wereld tot object zouden hebben. Evenmin als God en wereld dualistisch naast elkaar staan, is dit ook het geval met de Theologie en de andere wetenschappen. Alle wetenschap, met inbegrip der Theologie, heeft hare diepste eenheid in God, in zijn zelfbewustzijn, in zijne gedachte, in zijn raad, die immers niet uit tegenstrijdige en gescheiden besluiten bestaat, maar één geheel vormt. Ze heeft voorts hare eenheid ondergeschikt en afgeleid in de schepping, in alle de werken Gods, die, zij het ook in verschillende mate en op verschillende wijze, alleen God en zijne gedachten openbaren. En zij heeft eindelijk hare eenheid in den menschelijken geest, die niet rust en niet rusten kan, voordat hij orde en harmonie in heel de wereld zijner gedachten heeft |75| ontdekt. Alle wetenschap te zamen is, neen niet Theologie in den engeren zin des Woords als speciale wetenschap, maar wel ter dege kennisse Gods; kennis van God in al zijne werken en van alle werken in God. En dit is het grootsche doel eener Christelijke Universiteit.



§ 9. Dogmatische verschillen.

Bij al deze vraagstukken over opleiding en Theologie komen dan nog enkele dogmatische controversen. De voornaamste zijn die over wedergeboorte en doop, eeuwige rechtvaardigmaking en behoudenis van het menschelijk geslacht. Over deze ten slotte nog eenige korte opmerkingen.

De Gereformeerde leer van de Sacramenten kan het best verstaan worden in tegenstelling met die van Rome. Rome was allengs gekomen tot de opvatting, dat de Sacramenten werken ex opere operato, daardoor alleen, dat ze werden bediend. Zij onderstelden dus niets van de zijde des ontvangers dan alleen een niet beslisten, positieven wederstand. Met name is bij de kinderen van geen vooraf vereischt geloof sprake. Kinderen kunnen niet zelf gelooven, maar gelooven door het geloof der Kerk, die de eenheid der geloovigen handhaaft en het geloof des eenen aan den ander kan doen ten goede komen. En in den doop wordt nu aan de kinderen uit kracht van het volbrachte werk ingestort de genade van de wedergeboorte en van de habitueele deugden geloof, hoop, liefde.

Maar de Reformatie verwierp deze leer op verschillende gronden en stelde daartegenover, dat niet het Sacrament als zoodanig, maar de H. Geest het geloof werkt door het Woord, en het versterkt door de Sacramenten. Deze onderstellen dus het geloof en zijn dus alleen voor de geloovigen ingesteld. Op het persoonlijk zaligmakend geloof als noodig voor het ontvangen van het Sacrament werd door de Hervormers alle nadruk gelegd. Maar daardoor kwamen ze in conflict met de Anabaptisten, die datzelfde leerden maar daaruit nu afleidden, |76| dat de kinderdoop ongeoorloofd was, wijl de kinderen zelf niet gelooven en belijden konden.

Daardoor kwamen de Gereformeerden en de Lutherschen, indien zij den kinderdoop wilden handhaven, gelijk ze deden, voor dit dilemma te staan; dat zij òf vasthielden en aantoonden, uit de Schrift, dat de kinderen even goed als de volwassenen geloovigen waren, òf dat zij den kinderdoop verzwakten, en in beteekenis en waarde achterstelden bij den bejaardendoop en bij het avondmaal. Het eerste is nu het standpunt geweest van alle Gereformeerden tot ongeveer het midden der zeventiende eeuw toe. Er zijn maar twee Sacramenten, geen drie. Doop en avondmaal staan op dezelfde lijn en mogen niet gescheiden worden. Tusschen kinder- en bejaardendoop is geen onderscheid; het is een en dezelfde doop, van gelijke waarde en kracht. En de kinderen, die recht hebben op dien doop, zijn even goed geloovigen als die na belijdenis dit Sacrament ontvangen. Op de bedenking der Anabaptisten, dat kleine kinderen toch niet gelooven konden, gaven zij in den eersten tijd gewoonlijk ten antwoord, dat er niet alleen eene daad, maar dat er ook was eene hebbelijkheid, een kiem, een zaad, een vermogen des geloofs. En dit werd door den H. Geest aan de kinderkens geschonken; zonder hun weten zijn ze in Adam der verdoemenis deelachtig, zonder hun weten worden ze in Christus tot genade aangenomen. Later, toen de wedergeboorte, die bij Calvijn e.a. nog aanduidt de gansche vernieuwing des menschen door het geloof, in engeren zin werd opgevat, als instorting van het eerste levensbeginsel, werd gewoonlijk gezegd, dat de kinderen der gemeente de wedergeboorte deelachtig waren en als zoodanig behoorden gedoopt te wezen. En de grond, waarom men de kinderen der geloovigen voor geloovigen, wedergeborenen, uitverkorenen houden mocht en dus mocht doopen, lag daarin, dat zij kinderen von geloovigen waren, in het verbond der genade waren begrepen en de beloften van dat verbond hun evengoed golden als hun ouders.

Maar later, ongeveer sedert het midden der zeventiende eeuw, |77| is heel deze beschouwing van den kinderdoop gewijzigd. De tucht werd in de Kerk schromelijk verwaarloosd. Alle waarborg ging ontbreken, dat men werkelijk met geloovigen te doen had. Er kwam eene schrikkelijke tegenstelling tusschen theorie en practijk, tusschen leer en leven. En in plaats van toen herstel te zoeken in terugkeer tot de tucht, ging men de leer van den kinderdoop verzwakken en van al haar kracht en troost berooven. De kinderdoop was maar eene uitwendige, zinnelijke handeling, een bewijs dat de kinderen waren in een uitwendig verbond, dat ze heilig waren in objectieven zin. In den kinderdoop werd alleen verzegeld de objectieve waarheid der belofte, dat er in Christus vergeving is voor een iegelijk die gelooft. Velen kregen bezwaar in sommige uitdrukkingen van het doopsformulier; anderen gingen het verklaren in geheel voorwerpelijken zin; nog anderen namen de toevlucht tot de Roomsche leer van het plaatsvervangend geloof. En schier niemand durfde meer uitspreken, dat de kinderen der gemeente geloovigen waren even goed als de volwassenen en derhalve moesten gedoopt worden. Deze beschouwing heeft doorgewerkt tot in onzen tijd toe. De doop was geen teeken en zegel meer van het met de kinderen opgerichte verbond en werd niet voorafgegaan door het geloof; neen, hij was eene voorbereiding, eene paedagogie tot het geloof. Het zwaartepunt werd geheel en al uit den doop in het zoogenaamd persoonlijk aanvaarden van het verbond, in de geloofsdaad, in het doen van belijdenis verlegd. De Gereformeerde doopsleer was geheel en al verbasterd.

Toen de oude Gereformeerde leer nu onder degenen, die medegingen met de Reformatie van 1886, weder opkwam, zijn er soms heel begiijpelijk onjuiste en overdreven uitdrukkingen gebezigd. Men hoorde soms, dat de doop eene verzegeling was van de wedergeboorte, dat ieder kind hoofd voor hoofd was wedergeboren, dat de uitverkorene Heidenen werden wedergeboren, lang voordat het Evangelie tot hen kwam enz. Zoo is door de Gereformeerden in vroeger dagen nooit gesproken. Hierover behoort geen verschil te bestaan, dat de Sacramenten |78| teekenen en zegelen zijn van het Verbond der genade met al zijne beloften, samengevat in de eene groote belofte: Ik zal uw God zijn. En hierover is ook feitelijk geen verschil.

Minder overeenstemming schijnt er te wezen ten aanzien van de onderstelling en den grond van den doop. En toch is ook hierbij geen wezenlijk verschil. Want als sommigen zeggen, dat de wedergeboorte de onderstelling is van den doop, is deze uitdrukking wellicht voor misverstand vatbaar, maar zij kan toch in zeer goeden zin worden opgevat. Er is volstrekt geen reden, om haar zoo te verklaren, dat de doop dus maar rusten zou op eene geheel onzekere, subjectieve onderstelling, om er dan bij wijze van tegenstelling aan toe te voegen, dat de doop niet rust op eene onderstelling, maar op de belofte Gods. Want evenals men van den bejaardendoop en het avondmaal zeggen kan, dat zij bij het ontvangen van het Sacrament het geloof onderstellen, zoo is het volkomen juist, te verklaren dat de kinderdoop de wedergeboorte onderstelt. En evenzoo, wanneer de wedergeboorte de grond van den doop wordt genoemd, dan is de bedoeling daarvan geenszins deze, dat de bedienaar van het Sacrament zijne vrijmoedigheid tot het doopen ontleent aan het vermoeden, dat het kind wedergeboren zal zijn, maar alleen dat hij juist op grond van Gods belofte het kind voor wedergeboren heeft te houden en dus als zoodanig heeft te doopen. De zaak staat derhalve aldus: wijl de Sacramenten alleen zijn ingesteld voor de geloovigen, moeten ook de kinderen geloovigen zijn, om recht te hebben op den doop. Maar om nu niet te vermoeden en te meenen doch vastelijk te gelooven, dat de kinderen wedergeboren zijn en alzoo behooren gedoopt te wezen, hebben wij een uitwendig kenteeken noodig, waaraan wij dat weten kunnen. En dat is nu bij de kinderen niet hun geloof en niet hun wedergeboorte, die immers bij gebreke van belijdenis, voor ons niet zichtbaar zijn, maar enkel en alleen het verbond der genade en de belofte Gods, welke niet alleen de geloovigen, maar ook hun zaad omvat.

Maar hier komt nu eerst het eigenlijk verschil voor den dag, |79| dat er heerscht in de opvatting van wedergeboorte en doop. De vraag nl. is deze: moeten we inderdaad vastelijk gelooven, dat de kinderen des verbonds wedergeboren zijn, niet kunnen maar werkelijk zijn? Is de geboorte uit geloovige ouders en het zijn in het verbond der genade voldoende grond en genoegzaam bewijs, dat de kinderen ook inwendig de goederen en weldaden van dat verbond deelachtig zijn? Deze vraag heeft altijd aanleiding gegeven tot verschil van opvatting. Zij is nooit in absoluten zin beantwoord. Er is geen volstrekt ja en ook geen volstrekt neen op te geven. Dat onder de kinderen der gemeente ook het zaad der belofte schuilt, is zeker en vast te gelooven op grond van Gods belofte, die aan de geloovigen en aan hun zaad geschiedt. Maar dat alle kinderen hoofd voor hoofd, die in de gemeente gedoopt worden, zouden wedergeboren zijn, is in strijd zoowel met Gods Woord als met de ervaring, want er is altijd kaf onder het koren en niet allen zijn Israel, die uit Israel zijn. Wij gelooven dus vastelijk op grond van Gods Woord, dat onder de kinderen der gemeente ook uitverkorenen en wedergeborenen zijn, niet kunnen zijn, maar werkelijk zijn. Wij houden ook alle gedoopte kinderen voor wedergeboren, totdat uit hun leer en Ieven het tegendeel blijken mocht, evenals wij dat doen ten aanzien van alle leden der gemeente en alle Avondmaalgangers. Zekerheid ten aanzien van eenig kind of eenig persoon in het bijzonder verkrijgen wij nooit. En wijl nu dikwerf bij het opwassen blijkt, dat een gedoopt kind den weg des Verbonds verlaat en dan soms later tot bekeering komt, aarzelden vele Gereformeerden te zeggen, dat de wedergeboorte bij de uitverkorenen altijd plaats had voor den doop. Er was ten allen tijde verschil over, of de wedergeboorte bij de uitverkoren kinderen geschiedde vóór, onder of ook korter of langer tijd na den doop. En ook hier is op grond van Gods Woord geen absolute beslissing te geven. In dit alles behoort er vrijheid te zijn van gevoelen. De een zal ruimer, de ander enger oordeelen. In den eenen tijd zal men meer op het eene, in den anderen tijd meer op het andere moment den nadruk leggen. |80| Maar dit maakt geen verschil van beginsel en behoort over en weer in liefde gedragen te worden.


*

Een tweede punt van verschil is de eeuwige rechtvaardigmaking. Toch bestaat ook hierover, altijd binnen den kring der Gereformeerde belijdenis, meer een verschil in den naam dan in de zaak, meer in vorm dan in wezen. De zaak, waarop het aankomt en waarover alle Gereformeerden eenstemmig zijn en moeten wezen, is deze, dat de vergeving der zonden in geen enkel opzicht, noch voor het geheel, noch voor een gedeelte, tot stand komt door een werk van den mensch. Zij is niet en mag niet wezen een vrucht, een loon, een verdienste van het geloof. De vergeving der zonde komt niet door het geloof tot stand; het geloof bewerkt niet, dat God de zonden vergeeft; het geloof neemt alleen Christus met al zijne weldaden, dus ook met de vergeving der zouden aan. Deze vergeving gaat dus aan het geloof vooraf. Zij is juist de inhoud van het evangelie; want het evangelie luidt niet dat God de zonden verzoenen en vergeven zal indien de mensch gelooft maar dat Hij verzoend is, dat Hij de zonden vergeven, dat Hij zijn toorn afgelegd heeft, en dus wordt de mensch nu ook van Godswege vermaand tot het geloof, tot het aannemen van deze gewisse getuigenis, tot het vertrouwen op deze zekere belofte. Leg gij, o mensch, ook uwerzijds de vijandschap af, laat u met God verzoenen, neem de hand der verzoening aan, welke God u biedt! De vergeving is eene weldaad, een goed, een schat, eene belofte, die er is vóór het geloof en die verworven is enkel en alleen door Christus. Dit leert de Schrift ook uit drukkelijk in Rom. 4 : 25 waar Paulus zegt, dat Christus opgewekt is niet tot, maar om, vanwege (dia c. acc) onze rechtvaardigmaking, d.i. omdat wij in Hem door zijn dood gerechtvaardigd waren, gelijk Hij vooraf gestorven is om onzer zonden wil; en evenzoo in 2 Cor. 5 : 19, waar de verzoening der wereld in Christus daardoor omschreven wordt, dat God hun de zonden niet toerekende. De Schrift spreekt dus |81| duidelijk van eene rechtvaardigmaking, van eene vergeving der zonden in de opstanding van Christus vóór het geloof. Maar de Schrift geeft ons recht om nog vroeger terug te gaan. Zij leert immers, dat God niet zijn toorn behouden heeft tot op den dood van Christus en dat Hij door dien dood tot genade en liefde bewogen werd. Neen, Christus, hoezeer ook verworven hebbende de liefde Gods, die vergeven kon, heeft niet verdiend of bewerkt die liefde, welke vergeven wilde. Veeleer is Christus bewijs, gave van die liefde. En van eeuwigheid heeft de Vader de zijnen aan Christus gegeven, en heeft Christus zich in volstrekten zin voor die gegevenen Borg gesteld. En dit is zakelijk en wezenlijk hetzelfde, wat door anderen geleerd wordt onder den naam van eeuwige rechtvaardigmaking. Deze is niets anders dan wat feitelijk alle Gereformeerden erkennen en belijden in den Raad des vredes. Op dat Woord, op die belofte namelijk van den Zoon kon de Vader aan. Hij behoefde met vergeven niet te wachten op de offerande des Zoons in den tijd. Hij kon die weldaad der vergeving ook reeds schenken vóórdat ze zakelijk verworven was door den dood des Zoons; en Hij schonk ze reeds in vollen zin in de dagen des O. Testaments. Ja, wijl de vergeving niet een physisch goed is, eene soort substantie uit den dood van Christus ons toekomende, maar eene aanduiding van de gunstige gezindheid Gods, welke de zonden niet gedenkt, zoo kan in zekeren zin gezegd worden, dat ze eeuwig in God bestond. In Hem toch is geen verandering of schaduw van omkeering; Hij is de Onveranderlijke. Verandering kan er alleen vallen in de relatie Gods tot ons, nooit in God zelven. Hij heeft de zijnen liefgehad met eene eeuwige liefde, en die liefde sluit eeuwiglijk de vergeving en de rechtvaardigmaking in. Ook de Schrift leert dit alles, uitdrukkelijk; al gebruikt ze daarvoor ook niet het woord rechtvaardigmaking, de zaak spreekt zij duidelijk uit. Nu is de naam van ondergeschikte beteekenis. Indien iemand meent, dat hij voor deze zaak den naam rechtvaardigmaking niet gebruiken moet, wijl de Schrift daarin niet voorgaat, dan is er toch geen verschil aanwezig. Want |82| vast staat onder alle Gereformeerden, dat Gods liefde, Gods verkiezing, Gods vredegedachten van eeuwigheid zijn. Wanneer nu echter uit dit alles soms is afgeleid, dat ook de roeping, de heiligmaking, de verheerlijking eeuwig zijn dan is deze gevolgtrekking beslist af te wijzen. Het heeft zin te spreken van eene eeuwige rechtvaardigmaking, wijl daarmede aangeduid wordt die verandering in de gezindheid Gods, waardoor Hij de zijnen eeuwiglijk in liefde heeft gekend. Maar roeping, heiligmaking, verheerlijking zijn uitgaande daden Gods, zij onderstellen het schepsel en vallen dus uitteraard in den tijd.

Maar al is er geen verandering in het goddelijk Wezen zelf, omdat Hij de zijnen eeuwiglijk genegen is, er is wel verandering in de relatie Gods tot zijn schepsel. Die relatie is anders vóór en na de schepping, vóór en na Christus, vóór en na het geloof. Door het geloof treedt die verandering in, dat de mensch nu in den staat der rechtvaardigheid voor God komt te staan. Zij bestaat objectief daarin, dat God den schat der vergeving, die in Christus volkomen aanwezig is, nu aan den zondaar aanbiedt en meedeelt door het geloof; en zij bestaat subjectief daarin, dat de zondaar die weldaad, welke in het Evangelie hem aangeboden wordt, door het geloof aanneemt. En deze verandering in de relatie is het, welke nu in de Schrift doorgaans met den naam van rechtvaardigmaking aangeduid wordt. Zij is uit en door het geloof en valt na de roeping. Deze rechtvaardigmaking bestaat niet hierin, dat God nu eerst de zonden verzoent en vergeeft, maar daarin dat Hij de verworven verzoening en vergeving individueel uitdeelt en toepast. Wat den uitverkorene om de verdiensten van Christus uit kracht van het verbond der genade rechtens toekomt, wordt nu door het geloof zijn feitelijk en persoonlijk bezit. De mensch gelooft deze vergeving der zonden. Hij verwerft en bewerkt ze niet, maar neemt ze dankbaar aan. En wel komen er dan nog telkens allerlei twijfelingen op in de ziel. Maar hij wordt door het geloof naarmate het opwast en ook uit de vruchten versterking ontvangt, meer en meer van deze weldaad verzekerd. Wij kunnen, wij durven het eerst haast |83| niet gelooven, dat al onze zonden vergeven zijn. Maar het geloof neemt meer en meer in vertrouwen toe; het verlaat zich op de belofte, het gelooft God op zijn woord. En eens in den dag der dagen worden wij gerechtvaardigd openlijk voor het oog van alle creaturen, als wij vrijgesproken worden in het gericht.


*

Eindelijk is in den laatsten tijd aan de boven besproken punten van verschil nog toegevoegd de vraag naar de behoudenis van het menschelijk geslacht. Het verschil loopt hierover, of in Christus het menschelijk geslacht als organisme, dan wel of er enkelen uit dat geslacht worden behouden. Allen zijn het hierover eens, dat er menschen uit ons geslacht behouden, en dat er menschen uit ons geslacht verdorven worden. Maar nu wordt eenerzijds beweerd, dat in die menschen, welke door Christus gered worden, het menschelijk geslacht zelf behouden wordt; natuurlijk niet in quantitatieven maar in qualitatieven, organischen zin, gelijk in Adam en Eva het menschelijk geslacht aanwezig was; gelijk in Noach met de zijnen het menschelijk geslacht werd gered, gelijk in den tronk van Isaï het geslacht van David bleef voortleven; gelijk een boom blijft bestaan, als de stam wordt bewaard, ook al kapt men al zijn takken af. Anderzijds stelt men daartegenover dat de H. Geest in Christus een nieuw menschengeslacht formeert door herscheppende genade, uit het midden der menschen. Al het geslacht uit Adam is verloren en gaat verloren; alleen het geslacht, dat in Jezus Christus zijn levenswoitel heeft, het nieuwe geslacht wordt behouden. Een nieuw geslacht dus, een eigen volk uit het midden van Adams geslacht.

Nu zal met de uitdrukking: een nieuw geslacht, wel niet bedoeld zijn: een nieuw geschapen geslacht, maar alleen: een vernieuwd geslacht, een vernieuwd en herschapen menschelijk geslacht. Maar zoo zou de gansche tegenstelling verdwijnen en heel het verschil hield op te bestaan; want er werd ook van deze zijde erkend, dat in Christus het menschelijk |84| geslacht werd behouden, maar zoo dat het door zijnen,Geest werd vernieuwd en dus in zoo verre een nieuw geslacht werd. En deze voorstelling vindt wederom bij de voorstanders van het eerste gevoelen in het geheel geen bezwaar. Integendeel, zij belijden van harte, dat het menschelijk geslacht in Christus vernieuwd, herschapen wordt en in zoover een nieuw geslacht mag heeten; want al wat in Christus is, is een nieuw schepsel.

Maar daardoor is het eigenlijk bezwaar toch nog niet weggenomen. Door een ander wordt het ongeveer aldus geformuleerd: de tegenstelling tusschen de „enkelingen”, die verloren gaan, en „het menschelijk geslacht”, dat behouden wordt, geeft aanleiding tot misverstand. Het geeft den indruk, dat zij, die verloren gaan, niet tot ons menschelijk geslacht behooren. Daarom is het beter te zeggen, dat het menschelijk geslacht ten deele behouden wordt. Want beiden, de verlorenen en de gezaligden, behooren tot hetzelfde menschelijk geslacht. Heel die tegenstelling tusschen enkelingen en menschelijk geslacht is daarom onjuist en verwerpelijk.

Hier is het verschil duidelijk en juist geformuleerd. De vraag is dus deze: wat is het object van de verkiezing des Vaders, van de verlossing des Zoons, van de vernieuwing des H. Geestes? Zijn het enkele, individueele personen uit de menschheid, uit de wereld, zoodat die menschheid en die wereld zelve verloren gaan, of is het die menschheid en die wereld zelve, ofschoon er velen uit haar verdorven worden?

Misschien zal het echter bezwaar ontmoeten, dat de vraag aldus wordt gesteld. Want men zal zeggen: juist dit aanvaarden we niet, dat uit het feit, dat enkele personen uit de menschheid verkoren en behouden worden, volgen moet, dat de menschheid zelve verloren gaat. De menschheid gaat juist deels verloren en deels wordt ze behouden. Zij valt in twee deelen uiteen. Men kan en mag die tegenstelling van enkelingen en geslacht heel niet maken. Daarop zij geantwoord, dat men toch aan de boven gemaakte tegenstelling niet ontkomen kan. Wel bij de engelen, omdat dezen in eens, tegelijk, naast elkaar zijn geschapen en niet uit elkander zijn |85| voortgekomen. Maar de menschheid is één geheel, één organisme, één geslacht, uit éénen bloede voortgekomen. En daarom kan men niet ontkomen aan de vraag: wordt in Christus dat menschelijk geslacht behouden, zoodat zij, die verloren gaan, geen eenheid, geen organisme, geen geslacht, geen menschheid meer zijn, maar slechts op zich zelf staande, individueele menschen; of worden juist in Christus slechts zulke eenlingen behouden en gaat de menschheid verloren? Op deze vraag nu is het antwoord der Schrift niet twijfelachtig. Want zeer zeker wordt de gemeente dikwerf voorgesteld als verkoren, geroepen, vergaderd, verlost, behouden uit de volken, uit een verkeerd geslacht, uit de wereld, Gen. 12 : 1, Deut. 1 : 6, 30 : 3, Jer. 29 : 14, 51 : 45, Ezech. 11 : 17, Hos. 11 : 1, Hd. 2 : 40, Phil. 2 : 15, 1 Petr. 2 : 9 enz., de N. Test. namen voor uitverkiezing, ¯klogj, en kerk, ¯kkljsia, wijzen dit trouwens al duidelijk aan. Maar even duidelijk leert de Schrift dat het voorwerp van Gods verkiezende liefde, van zijne redding en vernieuwing niet enkele menschen uit de wereld, maar de wereld zelve is. God heeft immers de wereld liefgehad, Joh. 3 : 16. Haar heeft Hij in Christus met zichzelven verzoend, hun de zonden niet toerekenende, 2 Cor. 5 : 19. Jezus is op aarde gekomen niet om de wereld te veroordeelen maar om ze te behouden, Joh. 3 : 17, 12 : 47. Hij is het licht, het leven, de Zaligmaker der wereld, Joh. 1 : 12, 4 : 14, 6 : 33; eene verzoening niet alleen voor onze zonden maar voor de geheele wereld, 1 Joh. 2 : 2. In Hem zijn dan ook alle dingen in den hemel en op aarde met God verzoend, Col. 1 : 20, en onder Hem worden ze alle vergaderd tot één. Gelijk ze allen in Adam sterven, worden ze allen in Christus levend gemaakt, 1 Cor. 15 : 22. De wereld, door den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haren erfgenaam bestemd, Col. 1 : 16, Hebr. 1 : 2. Eens worden de koninkrijken onzes Heeren en zijns Christi, Openb. 11 : 15. Er komt een nieuwe hemel en eene nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont, 2 Petr. 3 : 13. Klaar treedt bij dit alles in het licht, hoe organisch de Schrift heel het werk der herschepping beschouwt en in |86| haar eene herstelling ziet van de oorspronkelijke schepping. De schepping in haar geheel, de wereld als organisme gaat niet verloren. Tijdelijk wordt de gemeente wel uit de wereld afgezonderd, en wandelt ze als een pelgrim en vreemdelinge op aarde. Maar zij is in Christus erfgename van alle dingen. Het is alles haar eigendom, 1 Cor. 3 : 21-23. Satan wordt eens buiten geworpen, de goddeloozen worden verdelgd van de aarde, zij vormen geen eenheid, geen rijk, geen menschheid meer; maar het organisme der schepping, de wereld als geheel, de menschheid als natuur en geslacht wordt in Christus behouden. En daarom is de gemeente de herschapen en vernieuwde menschheid, de nu zeer zeker nog onvolkomen maar eenmaal volmaakte organisatie van al dat rijke, volle leven, dat door God in de menschheid is gelegd.


*

Er zijn behalve de hierboven kortelijk besprokene onderwerpen ook nog andere punten van leerstelligen en practischen aard in debat gebracht. Maar deze zijn deels van minder beteekenis, deels hebben ze minder algemeen de aandacht getrokken, zoodat ze in deze brochure gevoegelijk met stilzwijgen kunnen worden voorbijgegaan.

Aan het einde mogen wij met eenige beslistheid uitspreken, dat er geen enkele kwestie is, die de broederen principieel verdeelt en van elkander scheidt. Voor het grootste gedeelte is de strijd, die gevoerd is, te verklaren uit de betrekkelijke nieuwheid der onderwerpen, uit de vreemdheid der terminologie, uit verschil van voorstelling en uitdrukking, uit wel te betreuren, maar toch verklaarbaar misverstand.

Toch is daarmede de mogelijkheid niet uitgesloten, dat hier en daar, bij dezen en genen de strijd uit een dieper liggend, principieel verschil voortkomt. Als bijv. beweerd is, dat een eigen School tot opleiding voor de Kerken in volstrekten zin noodzakelijk is op grond van Gods gebod, zoodat zij, zonder deze ongehoorzaam is aan ’s Heeren Woord; als er geleerd is, dat eene Theologische faculteit als zoodanig reeds, enkel door |87| hare coördinatie met de andere wetenschappen, uit eene wereldsche, pantheïstische gedachte voortvloeit; als er uitgesproken is, dat sommige dogmatische stellingen, welke vroeger in de Gereformeerde Kerken steeds werden erkend en gedoogd, onschriftuurlijk en ongereformeerd zijn; dan kan de mogelijkheid van een diepgaand principieel verschil niet worden ontkend.

Maar de stemmen, die in dezen geest zich lieten hooren, zijn weinige geweest en vertolken niet de gedachte der Kerken. Veeleer mag aan het einde met blijdschap en met dank aan den Heere worden geconstateerd, dat er over het algemeen bij den strijd der partijen geen beginselen betrokken zijn. Alle broederen staan op denzelfden grondslag; zij scharen zich om éénzelfde banier; zij beoogen éénzelfde doel, den bloei der Gereformeerde Kerken, de deugdelijkheid van de opleiding der aanstaande dienaren des Woords, de eere van Godes heiligen naam en de uitbreiding van zijn Koninkrijk.

Nu is zulk een verschil en strijd onder broederen niet verkwikkelijk. Maar een Roomsch geleerde heeft eenmaal opgemerkt, dat er bij de Heidenen geen dogmatische twisten voorkomen, omdat ze geen waarheid, geen leer hebben, welke stof tot denken heeft. In Christus heeft God ons echter zijne waarheid geopenbaard, welke de diepste gedachten bevat en daarom ook altijd, vanwege onze zwakheid en beperktheid, de mogelijkheid opent voor verschil van inzicht en onderscheidene wijze van voorstelling. En indien dit verschil van inzicht en voorstelling maar niet opkomt uit of leidt tot een verschil van richting, is er geen oorzaak, om over deze schakeering van meeningen bedroefd of bezorgd te zijn. Wat gereformeerd denkt en leeft, wandelt toch in hetzelfde spoor.

Daarom hebben wij goeden moed, dat de dissentieerende broederen weldra nader tot elkaar zullen komen. De geschiedenis, die achter ons ligt, geeft er ons hope op. De vroegere Christ. Geref. Kerk is door de leiding des Heeren nog wel andere twisten te boven gekomen; de strijd, die thans wordt gevoerd, haalt in hevigheid van verre niet bij de twisten die |88| vroeger de broederen verdeelden. En de verschillende beschouwingen over het reglement, de doleantie enz., welke van 1886 tot 1892 tegen elkander indruischten, zijn zoo verzoend en in der minne opgelost, dat er thans schier geen enkel woord meer aan wordt gewijd.

Zoo hopen wij dan, dat allen ook in de zaken, welke thans in geschil zijn, weldra tot eenstemmigheid zullen komen. Bovenal wenschen wij, dat de Theol. School nu eens zóó ingericht wordt, dat de ernstige bezwaren worden weggenomen, welke reeds sedert geruimen tijd tegen hare regeling bestaan. Daarom dringen wij op aanneming van het voorstel van Curatoren ten sterkste aan. Dit voorstel immers neemt die bezwaren geheel uit den weg. Het doet in niets te kort aan het recht der Kerken, ja handhaaft en bevestigt dit. Het maakt ernst met de taak, welke de Synode aan de School opdroeg, nl. opleiding tot den dienst des Woords beide door wetenschappelijke studie der Theologie en door practische voorbereiding voor het ambt. En zoo mogen ook de Kerken toonen, dat zij deze beide op prijs stellen! Indien men waarlijk beide wil, is er naar onze overtuiging geen andere regeling mogelijk, dan die door Curatoren wordt voorgesteld. Moge deze dan aangenomen en eerlang aan de Theol. School worden ingevoerd. Dan is daarmede ook de zaak der School voor jaren beslist en houdt ze op eene oorzaak van twist en verdeeldheid te zijn. Dan kunnen tijd, en kracht aan anderen arbeid worden besteed en kan de School onder den zegen des Heeren arbeiden aan de gewichtige taak, door de Gereformeerde Kerken haar opgedragen! 11) |89|




Bijlage.


Het voorstel der Curatoren luidt als volgt:

De Curatoren van de Theologische School,

overwegende, dat het Litterarisch onderwijs aan de Theologische School noodzakelijk in gehalte en omvang moet worden uitgebreid;

dat jongelieden, die het voorbereidend onderwijs voor de Theologische studiën ontvangen, op één lijn behooren te worden gesteld met leerlingen van gewone gymnasia;

dat er verandering in studietijd noodig is, alsmede dat de propaedeuse worde overgebracht bij de Theologische opleiding;

en eindelijk, dat het in het belang der Theologische studie wenschelijk is te achten, dat aan het einde dier studie door de Hoogleeraren een examen worde afgenomen, om te onderzoeken of zij de gewenschte resultaten opleverde; en dat dit examen behoort gescheiden te worden van het praeparatoir examen en de beroepbaarstelling;

besluiten de volgende Algemeene Bepalingen en Reglementen aan de eerstvolgende Generale Synode ter approbatie voor te stellen.

*

Algemeene Bepalingen.


A. Het Litterarisch onderwijs wordt voortaan alleen gegeven door eigene, bepaaldelijk daarvoor aangestelde Leeraren.

B. Deze Leeraren vormen een eigen Corps en staan onder een eigen Rector.

Voor in het Reglement aan te wijzen vakken kan het onderwijs worden opgedragen aan Hoogleeraren in de Theologie.

C. Het Litterarisch onderwijs wordt zoowel in gehalte als in omvang uitgebreid, en bevat o.a. ook de Moderne talen en de beginselen van Wis- en Natuurkunde.

D. De vereischten voor Admissie-, Overgangs- en Eindexamens, zijn in hoofdzaak gelijk aan die van gewone gymnasia, behoudens de wijzigingen door onze beginselen en het eigenaardig doel dezer inrichting geëischt.

E. Vóór de toelating tot de Theologische studiën zal een |90| onderzoek worden ingesteld naar de beweegredenen, die geleid hebben tot de keuze van het ambt van Dienaar des Woords.

F. Dit Litterarisch onderwijs zal staan onder eene Commissie van Toezicht, bestaande uit vijf leden, te benoemen door de Deputaten-Curatoren van de Theologische School.

De vijf leden moeten zijn twee Hoogleeraren in de Theologie, twee leden van het Curatorium en één lid buiten deze twee Colleges.

De Hoogleeraren die les geven aan de gymnasiale opleiding, kunnen niet tegelijk zijn leden van de Commissie van Toezicht.

Bovendien vergaderen de Leeraren der gymnasiale opleiding en de Hoogleeraren in de Theologie gezamenlijk minstens éénmaal ’s maands, om zaken van tucht en geestelijke belangen der leerlingen met elkander te bespreken.


*

Reglement voor de Gymnasiale Opleiding aan de Theologische School van de Gereformeerde Kerken in Nederland.


Art. 1. De Gereformeerde Kerken onderhouden een gymnasium ten dienste van hen, die tot den Dienst des Woords wenschen opgeleid te worden.


Art. 2. Dit gymnasium is gevestigd te Kampen en kan alleen verplaatst worden door besluit der Generale Synode.


Art. 3. De verzorging van dit gymnasium is opgedragen aan het College van Curatoren der Theologische School, dat daarvoor eene Commissie van Toezicht benoemt, bestaande uit vijf leden. (Zie Algem. Bep. Lett. F.)


Art. 4. De Commissie van Toezicht vergadert minstens eenmaal in de twee maanden, ter plaatse waar het gymnasium gevestigd is; woont de Admissie-, Overgangs- en Eindexamens bij; houdt opzicht op den geheelen gang van het onderwijs, op belijdenis en wandel der Leeraren, en brengt jaarlijks verslag uit aan de Curatoren der Theologische School.


Art. 5. De benoeming, schorsing en het ontslag der Leeraren geschiedt door de Curatoren der Theologische School, na voordracht van de Commissie van Toezicht.


Art. 6. De Leeraren van het gymnasium moeten bij hunne definitieve |91| aanstelling leden zijn van eene Gereformeerde Kerk, en onderteekenen bet Formulier van Rectoren enz., vastgesteld door de Synode van Dordrecht, 1618/19; Postacta, Sessie 164.


Art. 7. Het inkomen en het pensioen der Leeraren, benevens de verzorging hunner wedumen en weezen, worden door de Curatoren in de instructiën der Leeraren geregeld.


Art. 8. Het aantal Leeraren, en de vakken door hen te onderwijzen, worden door de Curatoren vastgesteld, na advies der Commissie van Toezicht.


Art. 9. De Leeraren houden toezicht en tucht op de leerlingen. Zij vergaderen minstens eenmaal per maand met de Hoogleeraren in de Theologie, ter bespreking van de geestelijke belangen der leerlingen en tuchtzaken, onder presidium van den Rector van de Theologische School.

Deze vergadering heeft het recht, om in het uiterste geval een leerling van het gymnasium te verwijderen, na toestemming der Commissie van Toezicht.


Art. 10. Een der Leeraren wordt door de Curatoren, na voordracht der Commissie van Toezicht, tot Rector benoemd. Hij moet den graad bezitten van Doctor in de Klassieke Letteren. Als Rector heeft bij toezicht op het onderwijs, regelt de loopende zaken en belegt de vergadering der Leeraren.


Art. 11. De vereischten voor het Admissie-examen zijn: lezen, schrijven, rekenen, de beginselen der Ned. taal, Aardrijkskunde en Algemeene en Vaderlandsche geschiedenis en de beginselen der Fransche taal.

Het examen wordt afgenomen door de Leeraren, in tegenwoordigheid der Commissie van Toezicht, welke bij verschil van meening beslist.


Art. 12. De vakken waarin onderwijs gegeven wordt, zijn: Nederl. taal en letterkunde; Latijnsche, Grieksche en Hebreeuwsche taal; Fransche, Engelsche en Hoogduitsche taal; Algem. en Vaderlandsche geschiedenis; Aardrijkskunde; de beginselen der Wis- en Natuurkunde; benevens Bijbelsche Geschiedenis en de Christelijke Religie. |92|


Art. 13. Dit onderwijs wordt gegeven in een vijfjarigen cursus. Geen leerling wordt tot eene hoogere klasse bevorderd, dan na met goed gevolg het voorafgaand Overgangs-examen te hebben afgelegd voor de Leeraren en de Commissie van Toezicht.

Aan het einde van den vijfjarigen cursus wordt een examen afgenomen door de Leeraren onder medewerking van de Commissie van Toezicht, die ook bij deze examina — bij verschil van meening — beslist. Bij goeden uitslag wordt een diploma uitgereikt.


Art. 14. Aan leerlingen, die niet tot den Dienst des Woords worden opgeleid, kan door de Commissie van Toezicht toegang tot het gymnasium (behoudens het bepaalde in Art. 11) en vrijstelling van één of meer vakken worden verleend.


Art. 15. De cursus vangt aan den eersten Dinsdag in September en eindigt den laatsten Zaterdag in Juni. Tusschentijds is er eene Kerst- en Paaschvacantie van hoogstens 14 dagen.


Art. 16. Het leergeld bedraagt tachtig gulden ’s jaars.


*

Reglement voor de Theologische Opleiding aan de Theologische School van de Gereformeerde Kerken in Nederland.


Art. 1. De Gereformeerde Kerken in Nederland onderhouden eene Theologische School ten dienste, van hen, die tot de Bediening des Woords wenschen opgeleid te worden.


Art. 2. Deze School is gevestigd te Kampen. Verplaatsing kan alleen geschieden bij besluit der Generale Synode.


Art. 3. De gezamenlijke Kerken verzorgen deze School door Deputaten-Curatoren, die te dien einde door de Generale Synode worden gemachtigd en geïnstruëerd. De aanwijzing van deze Deputaten wordt opgedragen aan de Prov. Synoden. Elke Prov. Synode wijst één Curator aan.


Art. 4. Deze Deputaten-Curatoren vergaderen minstens eenmaal ’s jaars ter plaatse, waar de School is gevestigd. De Hoogleeraren der School wonen deze vergadering bij met adviseerende stem. |93|


Art. 5. De Deputaten-Curatoren oefenen toezicht op de belijdenis der Hoogleeraren en Lectoren, opdat alles uit hun onderwijs geweerd blijve, wat afbreuk zou doen aan de belijdenis der Kerken. Zij regelen met de Hoogleeraren de vakken, die door elk hunner onderwezen worden; stellen jaarlijks, op voordracht der Hoogleeraren de Series Lectionum vast; en hebben ten allen tijde recht van toegang tot de lessen en van bijwoning der examina.


Art. 6. De aanstelling, de schorsing en het ontslag van hen, die aan deze School onderwijs geven, geschiedt, na voordracht van de Curatoren door de Generale Synode. — De Curatoren hebben het recht van voorloopige schorsing. —

Zij voeren den titel van Hoogleeraar of Lector.


Art. 7. De Hoogleeraren en Lectoren moeten leden zijn van eene Geref. Kerk, onderteekenen bij hun optreden het verbindingsformulier voor de Professoren der H. Theologie, vastgesteld door de Synode van Dordrecht, 1618/19, (zie Postacta, Sessie 175) en verbinden zich tot onderwerping aan het toezicht der Curatoren.


Art. 8. Het inkomen en pensioen der Hoogleeraren en Lectoren benevens de verzorging van hunne weduwen en-weezen, wordt in hunne instructiën geregeld.


Art. 9. Het aantal Hoogleeraren en Lectoren en de vakken door elk hunner te onderwijzen, worden bepaald door de Curatoren, onder nadere goedkeuring van de Generale Synode.


Art. 10. Het College van Hoogleeraren oefent toezicht en tucht over de studenten en heeft het recht, om als uitersten maatregel een student van de School te verwijderen, onder nadere goedkeuring van de Curatoren.

In den regel komen zij eenmaal ’s weeks samen, om de belangen der School gezamenlijk te bespreken.


Art. 11. Het College van Hoogleeraren heeft het recht van examineeren in de Theologie en tot verleenen van den graad van Candidaat tot het Praeparatoir examen.


Art. 12. Beurtelings wórdt één der Hoogleeraren door de Curatoren voor een jaar tot Rector benoemd. Als zoodanig oefent hij toezicht |94| op den gang van dit onderwijs, regelt de loopende zaken en heeft het recht tot samenroeping van eene vergadering.


Art. 13. Tot de lessen der Theologische School worden toegelaten zij, die een goed getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel kunnen overleggen en voorts òf het Eind-examen aan het gymnasium van de eigene Inrichting der Kerken, òf een daarmede gelijkstaand Admissie-examen met goed gevolg hebben afgelegd. (Zie voorts: Algemeene Bepalingen, B.)


Art. 14. De studie aan de Theologische School duurt vier jaren, één voor de Propaedeuse en drie voor de Theologie.


Art. 15. De Propaedeuse omvat inzonderheid de vakken: Hebreeuwsche taal, N. Testamentisch, Hellenistisch en Patristisch Grieksch, en Patristisch Latijn, Logica, Psychologie en Geschiedenis der Philosophie, en Nederl. taal en Letterkunde. Het examen wordt afgenomen door de Hoogleeraren en Lectoren.


Art. 16. Het Candidaats-examen is in twee gedeelten gesplitst, waarvan het eerste loopt over de vakken: Isagogiek, Tekstcritiek, Hermeneutiek, Exegese O. en N.T., Bijbelsche Geschiedenis, Kerkgeschiedenis en Hebr. Antiquiteiten;

en het tweede over de vakken: Dogmatiek, met inbegrip van de Inleiding op de Godgeleerdheid, Theologia Naturalis, Geschiedenis der Idololatrie en Ethiek, Geschiedenis der Gereformeerde Kerken in Nederland, Homiletiek en Symboliek.


Art. 17. De cursus vangt aan medio September en eindigt de laatste week van Juni. Tusschentijds is er eene Kerst- en eene Paaschvacantie, elk van hoogstens drie weken.


Art. 18. Voor het volgen der lessen wordt telken jare honderd gulden betaald, te voldoen in twee termijnen, n.l. bij den aanvang van den Cursus en primo Maart.


Art. 19. Voor elk examen wordt vijfentwintig gulden gestort. Wie niet slaagt, wordt bij herhaald examen van betaling vrijgesteld.




1. Handelingen, art. 44.

2. Handelingen, art. 7.

3. Verslag van de Synode te Amsterdam 1840, bl. 13.

4. De notulen dezer Synode zijn nooit in het licht verschenen. Ze berusten nog altijd bij onzen ambtgenoot S. van Velzen, die als praeses ze van den scriba in bewaring nam.

5. Handelingen der Curatoren 12 Oct. 1859 art. 39.

6. Handelingen, art. 48.

7. Syn. Leiden 1857. art. 81. Hoogeveen 1860 art. 70. Amsterdam 1866 art. 108. ’s Bosch 1875 art. 79.

8. Syn. Amst. 1849 bl. 26. ’s Bosch 1875 art. 73.

9. Het is misschien hieruit te verklaren, dat sterke voorstanders van het onveranderd behoud der tegenwoordige litterarische opleiding aan de Theol. School zelf hunne zonen eerst naar Zetten, of zelfs naar Staatsgymnasia zenden.

10. Aan Studenten wordt menigmaal den raad gegeven, om de Schrift niet alleen voor exegese, historie enz. te bestudeeren, maar om toch vooral den Bijbel te lezen, gelijk een geloovige dien leest, tot onderwijzing, vermaning, vertroosting. En dan werd er menigmaal bijgevoegd, dat het eene zoo iets geheel anders was dan het andere. Het waren „twee zeer verschillende zaken.” Is dat niet juist? Maar is dat ook niet bewijs voor eene tweeërlei Theologie?

11. Deze brochure was reeds geschreven en ook reeds gedeeltelijk afgedrukt, toen het Rapport inzake de opleiding verscheen. Dit Rapport heeft ons geen reden gegeven, om iets in de brochure te veranderen of op onze meening terug te komen Veeleer zijn wij door lezing ervan versterkt in de overtuiging, dat alleen het voorstel van Curatoren in de behoeften der Theol. School voorziet en aan de bezwaren, welke tegen hare tegenwoordige inrichting bestaan, voldoende tegemoetkomt. Daarom blijven wij het voorstel van Curatoren van harte steunen en op de aanneming ervan ten sterkste aandringen. Desnoodig, zullen wij ook hiervan later rekenschap geven.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004