Nadere Verantwoording

door M. Noordtzij, D.K. Wielenga, H. Bavinck en P. Biesterveld

Kampen. — J.H. Kok. — 1896

a




§ 1. De geruststelling afgewezen.


Het ware ons lief geweest, indien we na de verschijning onzer brochure 1) in April dezes jaars met een goed geweten het zwijgen hadden kunnen bewaren. Een korten tijd koesterden we ook de stille hoop, dat ons de harde noodzakelijkheid niet meer zou worden opgelegd, om tegen hooggeachte broederen open in het strijdperk te treden.

We meenden voor die hope ook eenigen grond te hebben. Immers, niet onzerzijds is het sein gegeven tot den kamp. Maanden en jaren achtereen hadden sommige broederen in Bazuin, Roeper en Vrije Kerk hun bezwaren kenbaar gemaakt, toegelicht. en in breeden kring onder het volk gebracht. Eerst toen ook de voorgestelde verbeteringen van de Theol. School in het midden der Kerken geworpen werden en als laatste druppel den beker deden overloopen, eerst toen konden en mochten we aan den drang tot spreken niet langer weerstaan.

En toen we nu alzoo in de „Verklaring” en in de brochure ons hadden uitgesproken, meenden we, dat we over en weer gelijk stonden. Beide partijen hadden haar standpunt ingenomen; beide hadden haar positie verdedigd. Van beide zijden waren de bewijzen voor eigen gevoelen en de bezwaren tegen anderer inzicht in het licht gesteld. Zoo had |6| het hierbij nu kunnen blijven; het ware wèl geweest. En daarbij kwam nog, dat de classicale en de provinciale vergaderingen thans allen lang reeds gehouden zijn. Het agendum der generale Synode is reeds gereed en verzonden. Nog een paar weken en de Gereformeerde Kerken komen in Middelburg saam. En op die vergadering der Kerken hebben wij allen als sterngerechtigde of praeadviseerende leden het recht, om nogmaals ons gevoelen uiteen te zetten en ons standpunt te verdedigen. Wat was er dan tegen, om zoolang onderling den strijd te staken en aan de Kerken de beslissing over te laten; met de bede op de lippen en het vertrouwen in het hart, dat God de Heere zelf Zijne Kerken in deze landen straks, als ze in Synode samenkomen, leiden moge door Zijn Woord en Zijn Geest.

Onzes inziens was er dus geen noodzaak of behoefte meer, dat de Kerken vlak voor de Synode nog werden verontrust door den onverkwikkelijken strijd van ambtgenooten aan hare Theol. School. Maar Prof. Lindeboom heeft anders geoordeeld. Hij meende niet te mogen zwijgen. Hij liet tot alle kerkeraden en leden der Gereformeerde Kerken de vermaning uitgaan, om het pand te bewaren, dat hun toebetrouwd was. 2) Natuurlijk betwisten wij hem het recht van spreken niet. Wij wenschen zijne conscientie ten volle te eerbiedigen. Alleen hadden wij de publieke discussie liever gesloten gezien.

Maar hoe dit zij, de strijd is opnieuw geopend. De brochure heeft het licht gezien. En wederom worden wij genoodzaakt, om gezamenlijk en in het openbaar op te treden en rekenschap van gevoelens te geven. |7|

Wij gelooven van harte, dat ons optreden aan onzen ambtgenoot niet aangenaam is geweest. Toch zijn we blijde, en dankbaar, dat hij er geen daad van hartstocht in ziet, bl. 7. Dat is het inderdaad niet geweest en is het ook thans niet. Er is botsing alleen, omdat inzichten en gevoelens verschillen en tegen elkander overstaan. Maar wat eenigszins bevreemdt is dit, dat Prof. Lindeboom in dezelfde brochure, waarin hij zijne smart betuigt over ons optreden, tegelijkertijd zich beklaagt over ons lange en aanhoudende zwijgen. Hij heeft jaren lang getuigd, maar hij heeft de niet bemoedigende ervaring opgedaan, dat men van zijne bezwaren geen kennis noemt, bl. 6. Is het niet vreemd, zoo vraagt hij, dat in al dien tijd noch Dr. Kuyper, noch deze zijne verdedigers (daarmede zijn wij bedoeld) zich hebben verwaardigd, om den bezwaarden broeder daarover te woord te staan? Hij meent zelfs, dat wij ons drie jaren lang „als doof” hebben gehouden, bl. 63.

Dit is nu niet geheel juist en naar waarheid geoordeeld. Wij zijn al die jaren volstrekt niet doof geweest. We hebben goed geluisterd. We hebben veel gehoord, zeer veel. We hebben kennis genomen van alle bezwaren. Ons zwijgen kwam waarlijk niet uit onkunde voort, en evenmin uit hooghartigheid of uit onmacht. Maar wij koesterden de hoop, dat door alle nevelen het licht toch eindelijk wel eens doorbreken zou. Wij meenden, dat het zijn nut kon hebben, om zonder kritiek onzerzijds, de broederen vrij en ongestoord te laten uitspreken al wat hun op het harte lag. Wij dachten aan den vrede en de eenheid der Kerken, en oordeelden, dat ons zwijgen haar dienstiger kon zijn dan ons spreken. Wij hadden zeer weinig verwachting van eene openbare polemiek, die gewoonlijk niet nader brengt, maar verwijdert. Wij zagen er zeer tegen op, om ten aanschouwe van allen op te treden tegen broederen, met wie wij zoo gaarne eenstemmig hadden gedacht en gearbeid. Om die redenen zwegen wij. En we verdroegen het, als veel werd aangevallen wat ons lief was, als er naar onze overtuiging |8| veel kwaad werd gesticht, veel onrust gezaaid, veel wantrouwen gewekt.

Maar toen kwam er eindelijk een tijd, waarin wij door het belang van School en Kerken saam tot spreken, tot getuigen werden gedrongen. Wij spraken in verzoenenden geest. Het was ons niet om personen, maar om zaken te doen. Wij meenden, dat er geen oorzaak was tot het roepen van gevaar. Wij waren van oordeel, dat de broederen ten onrechte zich zoo bezwaard gevoelden, en dat de verschillen, hoe belangrijk ook, toch niet van zoo ernstigen aard waren, als van de andere zijde word voorgesteld.

Tot op dit oogenblik toe zijn we dankbaar, dat we dat woord van vrede en van verzoening hebben mogen spreken. Het is gezegend boven verwachting. Het heeft gunstiger invloed gehad, dan we hadden durven hopen. Het vertrouwen is er door hersteld. De vrede is er door weergekeerd. De vereeniging is er door bevestigd. Aan onzen God zij er ootmoedig de dank voor gebracht!

Toch vond ons schrijven niet bij allen instemming. In twee kringen werd het allesbehalve met vreugde begroet. Vooreerst in den kring van de broeders Lindeboom, Bos e.a. en ten andere buiten onze Kerken in de kringen van de Wekker, onder redactie van Ds. Wisse te ’s Gravenhage.

Onze brochure, zoo wordt van deze beide zijden gezegd, heeft niet gediend en kan niet dienen tot geruststelling en tot herstel van het vertrouwen, bl. 5. De liefde en het vertrouwen van velen, die tot nu toe veel voor de Theol. School over hadden, en die door het besluit der Synode van ’93 waren gerustgesteld, zijn inzonderheid door de „Verklaring” en door de brochure merkbaar verminderd, De Roeper, 28 Mei 1896.

Onze brochure gaf dan ook geen grondige bespreking, bl. 63, geen wetenschappelijk betoog, bl. 68, geen weerlegging uit Schrift en belijdenis, bl. 63. De kwestie, met name die over de behoudenis van het menschelijk geslacht, |9| ligt veel dieper, dan onze brochure vermoeden doet, bl. 83.

Erger nog, de brochure, welke wij in het licht zonden, was als een schitterend vuurwerk, dat de oogen meer geboeid en verbijsterd heeft dan verlicht, bl. 20. En uit de Wekker van 24 April 1896, het orgaan der Christelijk Gereformeerde Kerk in Nederland, wordt op bladz. 75, hoewel daar als zegsman de Wachter wordt genoemd, met instemming het oordeel overgenomen, dat onze geruststelling meer heeft van een pijnstillend middel en een slaapdrank, dan van een geneesmiddel, Wij wilden immers de verschillende wenschen en gevoelens tot één brengen, maar miskenden daardoor het principieele verschil, dat tusschen beide bestaat, bl. 29. Wij redeneeren over de kwesties heen, we lossen niet op en stellen niet op goede gronden gerust, bl. 29, 64, 66, 68, 78.

Onze oprechtheid wordt zelfs in verdenking gebracht. Heeft de souvereine wetenschap gelijk, zoo lezen we op bl. 35, welnu, men kome daar rond vooruit en eische in klare taal, gelijk sommigen ook al beginnen te doen, de opheffing der School als instituut der Kerken! Maar men deformeere en ondermijne haar niet, onder de vlag van behoud en verbetering. Dat is geen mannenwerk, geen werk van Christelijke oprechtheid en moed!

En ook hierbij blijft het niet. Onze waarde ambtgenoot gaat nog veel verder. Op bladz. 37 geeft hij ons te verstaan, dat wij met onze overtuiging dan alleen eerlijk zouden zijn, als wij de School verlieten en onzen arbeid aan de „eigen inrichting” neerlegden. Wij hadden n.l. gezegd, dat het geven van onderwijs in de Theologie niet uitoefening is van een Kerkelijk ambt, gelijk b.v. de bediening des Woords, Opleiding en Theologie bl. 48. Met het oog daarop wordt nu dit oordeel over ons uitgesproken: „Wie niet als Kerkelijk ambtsdrager aan de Theol. School de Theologie kan onderwijzen, zou moeten beginnen met de verklaring: Geref. Kerken, ik kan u niet langer dienen uit kracht van de benoeming, waardoor gij mij als dienaar des Woords hebt |10| geroepen aan uwe School tot opleiding van Herders en Leeraars.” De Kerken kunnen zulke mannen niet gebruiken, zoolang zij het besluit in zake de eigen inrichting handhaven.

Omdat we dat nu niet deden, hebben we naar het oordeel van onzen ambtgenoot eene bestraffing verdiend. Want omdat de broeders hun ambt niet ter beschikking der Kerken hebben gesteld, verklaart hij terzelfder plaatse, bl. 37, „nu brengen zij de Kerken in de noodzakelijkheid om hen te bestraffen, dat zij op eigen gezag zelve van het besluit van ’92 afwijken en de Kerken er van afvoeren, en om hun te herinneren dat zij aan de Theol. School Kerkelijke ambtsdragers zijn, zoolang de Kerken van dezen dienst huns ambts meenen gebruik te moeten maken.”

In denzelfden geest wordt op bladz. 40, 41 er over geklaagd, dat niet broeders uit de doleantie noch Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit, maar eigen Leeraren der eigen inrichting over dat besluit der Synode zoo hebben durven spreken, als ze in hun brochure hebben gedaan!

En als dan de vraag wordt gedaan, of de Geref. Kerken vier van de vijf Docenten in de Theologie aan de eigen inrichting in het ongelijk zouden durven stellen, dan is terstond het antwoord gereed: „waarom zou een Synode niet den moed hebben, des noodig, tegen de meerderheid van, ja, tegen al de Hoogleeraren op te treden.” Bl. 93.

Op deze wijze wordt in de brochure „Bewaart het Pand” de geruststelling, die wij gaven, afgewezen. Zij is onderzocht en gewogen, maar te licht bevonden. Wij wenschen liever aan het einde dezer paragraaf van een oordeel ons te onthouden. Toch zij de vraag geoorloofd, of zulk een toon aan een Hoogleeraar tegenover zijne ambtgenooten past? |11|



§ 2. Ten hoogste ontrust.

Hetgeen in de vorige paragraaf is medegedeeld, is nog niets, vergeleken met wat nu volgt. De geruststelling wordt niet alleen te licht bevonden, maar Prof. Lindeboom toont zich in de hoogste mate ontrust. Hij spreekt door heel zijn geschrift heen op een toon, die niet ernstiger zou kunnen zijn, wanneer de dagen der Remonstranten in de Geref. Kerken waren teruggekeerd, en een stroom van ongeloof over onze kerkelijke erve uitgestort was.

De tijden, in welke wij leven, worden op de volgende wijze gekenschetst. Wij zijn thans gekomen aan een keerpunt, zoo heet het telkenmale bl. 3 v. We staan voor eene gewichtige beslissing. Er is gevaar, dat de wissel verzet wordt bl. 4, dat de trein van Kerk en Godgeleerdheid en van de wetenschap in ’t gemeen een anderen weg uitgaat dan de „eenvoudigheid, die in Christus is”, 2 Kor. 11 : 3 leert en van de Godgeleerden eischt, bl. 65. Hij die bezig is, om den wissel te verzetten, is inzonderheid Dr. Kuyper. En wie dat doet gelijk hij, wie aan zijn wetenschappelijk denken veroorlooft aldus over de Schrift heerschappij te voeren, die kan tot alle dwalingen vervallen, bl. 74.

En wij, die verklaarden principieel aan Dr. Kuypers zijde te staan, wij maken mede aan dat verzetten van den wissel ons schuldig. Het trof onzen ambtgenoot, dat de verschijning onzer brochure juist samenviel met den dood van Prof. van Velzen. En de vraag rees op in zijne ziel: zullen de Kerken der scheiding, zullen de vereenigde Kerken nu, nu de vaderen zijn heengegaan, de oude paden verlaten? bl. 105.

Het is naar zijn oordeel een bange tijd. De Gemeenten gevoelen zich tegenwoordig niet vrij en blij. Velen zuchten onder een geest van dienstbaarheid en vreeze. De atmospheer is tegenwoordig drukkend. Bijna nergens is er opgewekt geestelijk leven. En de voornaamste oorzaak daarvan |12| is, dat men zich niet stipt houdt aan hetgeen bij de vereeniging van 1892 is overeengekomen; dat men den weg opgaat van het intellectualisme, d.i. van de verstandsrichting, die in de wijsgeerige wetenschap en theologie zich als gewapenderhand zoekt baan te breken op het terrein der Geref. Kerken, bl. 87-88.

Maar op welk keerpunt staan we dan? Voor welken tweesprong zijn de Gereformeerde Kerken thans geplaatst? De beide wegen, waartusschen thans moet gekozen, zijn: de theologie en de philosophie, bl. 62, 85; de wetenschap, die de H. Geest leert en de „valschelijk genaamde wetenschap.” God en de wereld, Christus en Minerva, de H. Schrift en de schriften, die de vrucht zijn van het verdorven verstand der menschen, bl. 3.

Dat is de ontzaglijke beteekenis van de aanhangige zaken en bezwaren, bl. 5.

In zulk een licht ziet Prof. Lindeboom de thans aan de orde zijnde vraagstukken. Hij bedoelt niet, zoo maar in het algemeen, dat ieder geloovige en dat alle geloovigen saam steeds en voortdurend te waken en te strijden hebben. Wie zou dan niet veel van wat hij zegt, beamen? Zijne klachten zijn echter niet van zoo algemeenen aard. Neen, in de vraagstukken, die thans onder ons aan de orde zijn, in het voorstel van Curatoren, in de gevoelens van Dr. Kuyper over Encyclopaedie, Theologie, Universiteit, over wedergeboorte, rechtvaardigmaking, enz., ziet Prof. Lindeboom niets minder tegenover elkander staan dan theologie en philosophie, Christus en Minerva, God en de wereld. We staan naar zijne meening voor eene crisis, een keerpunt van de ontzaglijkste beteekenis, dat over het wel of wee van onze Gereformeerde Kerken in de toekomst beslist.

Als de zaken nu zoo staan, is het geen wonder, dat Prof. Lindeboom ten hoogste ontrust is. Geen wonder ook, dat zijn schrijven vol is van klachten en verzuchtingen, van beden en wenschen, liefst in den vorm van Schriftuurplaatsen geuit. |13|

Laat ze varen, zoo roept hij ons toe, laat ze varen, die theoriëen en philosophische abstracties buiten en tegen de geschiedenis en het leven. Laat los, opdat gij losgelaten wordt! bl. 38.

Hij hoopt en bidt voor ons, dat het ons nog eens even helder moge worden als hemzelven, en dat wij het klaar mogen inzien, dat het thans om niets minder gaat, dan om de keuze tusschen theologie en philosophie, bl. 85.

Inzonderheid gaat het gebed zijns harten voor Dr. Kuyper op: Moge de Heere hem nog eens geheel van Prof. Scholten losmaken en de Gereformeerde Kerken behoeden, Roeper 16 Juli 1896. Het is zijn wensch, dat Dr. Kuyper nog eens met zijne bijzondere inzichten mocht ophouden, meer werk maken van gezonde exegese en met nieuwe voorstelling der leer wachten, tot de Kerken eventueel die in hare belijdenis hebben opgenomen 3) bl. 77.

En elders luidt het nog sterker: God zij ons en onzen kinderen genadig en brenge Dr. Kuyper en al de broederen, die sprekend of zwijgend hem laten begaan en steunen, terug tot de eenvoudigheid die in Christus is, bl. 79. Als dat niet geschiedt, dan is de toekomst donker, en schijnt alles verloren. Wat moet er dan worden, zoo roept hij uit, van de Vrije Universiteit, van de Theologische School, van de Geref. Kerken? Bange gedachte! bl. 72, 73. Er is bijna geen hoop meer. Of er hoop is, zoo vraagt hij, op zulk een bekeering van zoo voorname mannen? Hij heeft maar één troost: „Wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God. O allen gij, die weent over Sion, gaat met dat woord in uwe binnenkamer en worstelt, als Jakob weleer, met uwen God. Wie weet, Hij mocht ons genadig zijn!” bl. 73.

Vooral worden de kerkeraden en leden der Gereformeerde Kerken tot waakzaamheid aangespoord. Bewaart het pand, |14| u toebetrouwd — dat is de titel en dat is voor een groot gedeelte de inhoud der brochure.

Maar wat is dat pand, dat inzonderheid thans, in dezen tijd, nu op dit oogenblik bewaard moet worden? De brochure geeft den indruk, dat het niets minder is dan alles, wat door den Heere aan zijne Kerken geschonken is. Alles staat op het spel. Alles is in gevaar. Er schijnen mannen te zijn, die heel dat pand willen aanranden, schenden, rooven.

Het is, zoo wordt er verklaard, het pand des geloofs. Het is het pand der belijdenis. Het is het pand der godzaligheid, bl. 94-96. Het is bovenal ook het pand der eigene opleiding en der eigen inrichting, bl. 96. Al deze panden zijn in gevaar. En daarom wordt aan kerkeraden en leden toegeroepen: bewaart al die panden! Houdt dat gij hebt! bl. 93-106.

Deze ernstige toon wordt nog overtroffen door en bereikt zijn toppunt in het motto, dat op de keerzijde van den titel, bl. 2, is afgedrukt en ontleend is aan 1 Tim. 6 : 20, 21. Het luidt aldus: o Timotheus, bewaar het pand u toebetrouwd, eenen afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdelroepen en van de tegenstellingen der valschelijk genaamde wetenschap, dewelke sommigen voorgevende, zijn van bet geloof afgeweken. De genade zij met u, Amen.

In het licht van dezen tekst stelt Prof. Lindeboom den toestand, in welken wij thans leven. Paulus zag in zijne dagen bedriegelijke leeraars optreden in de gemeenten des Heeren, die zich bezig hielden met „spitsvondige krakeelingen” met allerlei „ijdele quaestien”, die tegen de gezonde leer streden. Hij zag, dat ze op die valsche, ijdele wetenschap zich beroemden en dat ze door die ijdele wijsheid van de ware wijsheid vervielen en van het geloof afweken. En daartegen zijn zoon Timotheus waarschuwende, roept hij uit: Bewaar het pand des geloofs, dat U toevertrouwd is. Vergelijk de kantteekening op 1 Tim. 6 : 20, 21.

Nu wenschen we ook hier liever geen oordeel uit te spreken |15| over de schets, welke onze ambtgenoot van den tegenwoordigen toestand geeft.

Alleen veroorlooven we ons toch te vragen: is deze teekening naar waarheid? Is het werkelijk thans zoo met onze Kerken gesteld? Mag het woord van Paulus hier, op onzen toestand, zoomaar, zonder nadere uitlegging worden toegepast? Wordt het oordeel over broederen, dat daarin door Prof. Lindeboom wordt geveld, door de Kerken, door de medestanders van Prof. Lindeboom, zelfs door de broeders in de Christelijke Gereformeerde Kerk gedeeld? En is het geoorloofd, van de Schrift op deze wijze gebruik te maken? Bestaat er niet eene schuchterheid in het heilige?



§ 3. Zwakke bestrijding.

Billijk mocht verwacht, dat iemand die alzoo schrijft en oordeelt, vasten grond onder de voeten zal hebben. Hij zal al het mogelijke hebben gedaan, om zijne tegenstanders allereerst goed te verstaan en daarna ook met deugdelijke bewijzen uit Schrift en belijdenis te overleggen. Het doet ons leed te moeten zeggen, dat zelfs aan de bescheidenste verwachting niet is voldaan.

In de eerste plaats is er van bestrijden uit de Schrift of uit de belijdenis. in de brochure met geen woord sprake. Dit klemt te meer, omdat juist van die zijde altijd met zekeren nadruk op Schrift en belijdenis gewezen wordt en er ons van verwaarloozing van beide telkens een verwijt wordt gemaakt. Welnu, noch bij de verdediging der „eigen inrichting”, noch bij een van de dogmatische geschillen wordt ook maar de schijn van een bewijs uit de Schrift of uit de belijdenis gevonden. Het is waar, teksten komen er genoeg in de brochure voor, maar, gelijk boven is aangetoond, alleen om te vermanen en te bestraffen. |16|

In de tweede plaats laat de brochure ons meermalen zeggen, wat we niet hebben beweerd. Twee voorbeelden mogen dienen ten bewijze. Het eerste is ontleend aan het verband, dat er tusschen bet realisme en de Christelijke leerstukken bestaat. In de Bazuin van 27 Maart 1896 zeiden wij, dat alle rechtzinnige theologen realisten waren en gingen dan aldus voort: „realistisch is heel de Gereformeerde Belijdenis, bijv. in de leer der Triniteit, van de vleeschwording, de voldoening, het werkverbond, het genadeverbond, ja in alle leerstukken.” Daarvan maakte nu de Roeper van 2 April jl. deze bewering, „dat wij de leerstukken van de vleeschwording, de voldoening enz. aan het Realisme, dus aan de philosophie hebben te danken.” En in denzelfden geest laat de brochure ons zeggen: „dat ook in de belijdenis der Geref. Kerken de vrucht is te zien van de realistische, een philosophische, wijze van denken en zeggen” bl. 70.

Het onderscheid tusschen wat door ons beweerd en hetgeen ons toegedicht wordt, springt duidelijk in het oog. Wij zeggen geenszins, dat de dogmata vrucht zijn van de philosophie, ook niet van het realisme. Integendeel wortelen alle leerstukken der Kerk in de H. Schrift. Maar wel dragen ze alle van huis uit een realistisch karakter. Ze zijn bij eene nominalistische wijze van denken en zeggen, noch te verstaan noch te handhaven. En daarom zijn alle nominalisten ten allen tijde geëindigd met af te wijken van de leer der H. Schrift en van de belijdenis der Kerken.

Een tweede voorbeeld is op bladz. 76 te vinden. Wij bespraken in onze brochure ook de kwestie van wedergeboorte en doop, en zeiden ten slotte, dat er ten aanzien van eenig bijzonder kind, dat gedoopt werd, nooit volstrekte zekerheid was te verkrijgen, of het waarlijk wedergeboren was; en voorts, dat er in de Kerken altijd verschil over bestaan had, of de wedergeboorte bij de uitverkoren kinderen in den regel geschiedde vóór, onder of ook korter of langer tijd na den doop. En dan eindigden we met deze woorden: in dit alles (nl. in deze dingen, die daar laatst werden genoemd |17| en die niet zeker zijn uit te maken) behoort er vrijheid van gevoelen te zijn, Opleiding en Theologie, 79.

De brochure laat deze woorden echter slaan op al hetgeen door ons aangaande wedergeboorte en doop werd gezegd, en roept dan uit: in dit alles behoort er vrijheid van gevoelen te zijn! Hoe is dat mogelijk? Is dat niet in beginsel leervrijheid?, bl. 76. Het is dunkt ons onnoodig, zulk eene be strijding van de tegenpartij in hare zwakheid nader aan te toonen.

In de derde plaats gaat de brochure op de meeste kwestiën in ’t geheel niet in. Ook hiervan mogen enkele voorbeelden dienen tot bewijs.

Wij beweerden, dat het examen aan de Theol. School, afgenomen door de Curatoren, niet is een kerkelijk examen; Curatoren zijn wel door de Kerken benoemd, maar ze zitten in het Curatorium niet in hunne qualiteit als kerkelijke ambtsdragers en vormen saâm ook geen kerkelijke vergadering. Evenmin als bijv. de deputaten voor de correspondentie met de Hooge Overheid, ofschoon door de Kerken benoemd, in hun samenkomst eene kerkelijke vergadering zijn. Hierop wordt nu geantwoord, dat inderdaad de Curatoren niet eene gewone „kerkelijke vergadering” zijn, blad. 37. Men zou zeggen, dat hiermede het pleit was beslist, want ongewone kerkelijke vergaderingen zijn er toch niet. Doch in het minst niet. Al zijn de Curatoren geen gewone kerkelijke vergadering, toch is hun examen een kerkelijk examen. Waarom? Omdat ze door de Kerken worden benoemd.

Doch hierover liep de kwestie in het geheel niet. De vraag is deze, of de Curatoren in hun vergadering zitting hebben, en handelen als ambtsdragers, en of ze eene kerkelijke vergadering zijn, gelijk de classis, de provinciale en de generale synode, die eene kerkelijke vergadering, d.i. eene vergadering van Kerken zijn. Dit nu kan door niemand worden beweerd. En alzoo zijn de examens, door Curatoren afgenomen, geen kerkelijke examens gelijk die, welke in de classis door de Kerken zelve worden ingesteld. |18|

Wij toonden aan, dat het „beginsel der eigen inrichting” indertijd zonder voorafgaand genoegzaam onderzoek van Schritt en historie was uitgesproken en vastgesteld; dat het door verschillende personen zeer verschillend word uitgelegd; en dat het naar onze overtuiging niet kon of mocht worden opgevat als een dogma door de Schrift geleerd en dies de conscientiën bindend, Opleiding en Theologie 45 v. Dit is zeker een gewichtig punt. Wat wordt er tegen ingebracht? Wordt onze opvatting weerlegd? In geenerlei wijze. Er wordt alleen gezegd: „wij zullen ons niet laten verlokken tot eene discussie over den zin en veel minder over het rechtmatige van dat beding”, bl. 41. Dat is nu wel gemakkelijk, maar het is toch geen bewijs van kracht. Wij hebben waarlijk de discussie over het beginsel niet aan de orde gesteld. Neen, zij die zich bij uitnemendheid de voorstanders van dat beginsel achten, zijn onderling over de uitlegging verdeeld, gelijk in onze brochure is aangetoond. En de voorsteller en verdediger van dit beginsel op de Synode te Assen verklaarde onlangs op eene kerkelijke vergadering, welke een onzer toevallig eenige oogenblikken bijwoonde, dat dat beginsel indertijd ten onrechte naast de belijdenis en de Kerkenorde tot een beding der vereeniging was gemaakt. Maar het schijnt, dat de broeders op het indenken van aard en strekking van dit beginsel niet durven ingaan. ’t Moet door zichzelf vaststaan. ’t Moet gelden als een paal boven water bl. 41. Wie hieraan raken durft, wordt in den ban gedaan, bl. 37. Roma locuta, causa finita.

Wij betoogden, dat het geven van onderwijs in de theologie niet is uitoefening van een kerkelijk ambt, zooals de bediening van woord en sacrament, de regeering der Kerken, de dienst der barmhartigheid. Want al zijn de Docenten ook door de Kerken benoemd, daarom en daardoor zijn ze toch nog geenszins werkzaam als kerkelijke ambtsdragers. Een koster wordt ook door eene Kerk benoemd en is dus in kerkelijken dienst; maar daarom is hij toch nog niet drager van een kerkelijk ambt. Maar ook tegenover dit |19| betoog wordt niets dan eene afkeuring geplaatst. Van ont zenuwing van dit betoog, van verdediging van het ander gevoelen geen schaduw of zweem. Alleen wordt het vonnis gestreken: wie niet als kerkelijk ambtsdrager aan de Theol. School de theologie kan onderwijzen, moet zijn ambt neerleggen, bl. 37.

Wij verklaarden, in welken zin eene souvereiniteit der wetenschap door ons als Gereformeerde Christenen moest worden erkend, maar ook in welken zin zij beslist door ons werd verworpen, Opleiding en Theologie, bl. 37, 38. Desniettemin wordt aan Dr. Kuyper en aan ons de meening toegedicht, dat de wetenschap eene eenige plaats, de hoogste macht heeft; dat zij souverein is over alle souvereinen, over Kerk, Staat, Maatschappij, over alle organische kringen; dat het aan de Kerken niet toekomt, over haar te oordeelen; dat zij geene dienares is, maar Koningin! bl. 32.

Als heldere uiteenzetting van eigen gevoelen bij de tegenpartij zoo weinig vrucht heeft, is verdere redeneering onnut en overbodig. Het is dan het best, om zulke punten voorts te laten rusten en van nieuwe pogingen tot overeenstemming af te zien.



§ 4. Principieel verschil.

Tot dusver bespraken we nog slechts enkele verschillen, die in den omtrek lagen. Indien er geen andere zaken tusschen ons in debat waren, zou men heel den strijd kunnen houden voor een wolkje, dat voorbijdrijft. Maar dan zou ook de ernstige toon niet te verklaren zijn, waarin de brochure telkens spreekt. Dan zou er geen plaats zijn voor al die klachten en beden, verzuchtingen en vermaningen, waaraan ze thans zoo rijk is. Deze laten zich alleen daaruit verklaren, dat er onder en achter alles een dieper verschil ligt, een verschil van beginsel. |20|

Prof Lindeboom ziet en beziet de dingen en toestanden gansch anders dan wij. Volgens hem staan we op een keerpunt, op een tweesprong, zoowel wat de School als wat de theologie betreft. En in de beschouwing van deze beide komt het verschil van beginsel klaar voor den dag.

Wat de Theol. School betreft, is hij van oordeel, dat het thans de vraag geldt van Opleidingsschool of Universiteit, bl. 20 v. Het groote bezwaar, dat bij hem tegen de voorgestelde nieuwe regeling bestaat, is hierin gelegen, dat zij de Theol. School van haren oorspronkelijken aard en bestemming berooft en haar vervormt naar universitair model. Al het kwaad, dat in het voorstel van Curatoren schuilt, komt vooral uit in art. 11, waarbij aan de Professoren het recht van examineeren wordt toegekend. Tegen dat artikel worden alle wapens gesmeed, en alle pijlen gericht.

Het is een boos artikel, waar niets goeds van te zeggen valt. Het is eene herhaling van de beruchte Concept-regeling, bl. 24, en eene nabootsing van de Universiteit, bl. 25. Het ontneemt aan de Curatoren het voornaamste deel van hun taak, bl. 26 ; het huldigt de souvereiniteit der wetenschap, bl. 27; het plaatst School en wetenschap boven het recht der Kerken, bl. 28; het is principieel fout, bl. 29; het is in strijd met de Geref, wijze van examinatie, bl. 39; het erkent de souvereiniteit der docenten, bl. 34; het maakt de School onafhankelijk van de Kerken, bl 34; tot een instituut van de souvereine wetenschap, bl. 34; het maakt de eigen inrichting overbodig en bereidt haren ondergang voor, bl. 35, 41.

Het kost moeite, om onder deze reeks van bezwaren en klachten de noodige kalmte en nuchterheid te bewaren. En toch is de zaak zoo hoogst eenvoudig. Ze wordt in Opleiding en Theologie, bl. 32 v., klaar en helder in ’t licht gesteld. Men legge bl. 32-40 van onze brochure eens naast de bladzijden 20-51 van het geschrift van onzen ambtgenoot, leze beide en oordeele daarna! Art. 11 houdt dan niets anders in, dan dat het examen in de theologie voortaan |21| afgenomen wordt door de Docenten. De redenen, waarom dit voorgesteld wordt, behoeven hier niet herhaald, maar ze zijn zoo overwegend, dat in den laatsten tijd velen heel hun bezwaar tegen Art. 11 hebben laten vallen. Maar overigens blijft alles wat en zooals het is. De School blijft, de Curatoren blijven, het toezicht blijft, de benoeming van Docenten en Curatoren door de Kerken blijft, het recht der Kerken blijft. Heel de eigen inrichting blijft. Alleen wordt eene nieuwe regeling van de examina voorgesteld.

Maar dit erkennen wij, voor Prof. Lindeboom schuilt in Art. 11 een beginsel. Tusschen zijne en onze beschouwing van Art. 11 is er een principieel verschil.

Van welken aard dat verschil is, wordt echter eerst duidelijk bij het tweede punt, dat nu even dient besproken te worden, n.l. zijne opvatting van de verhouding van Theologie en Universiteit.

Deze kwestie is van groot belang. De stelling nu, waarvan Prof. Lindeboom uitgaat, is deze, dat eene Theologische faculteit in eene Universiteit als zoodanig de theologie onderwerpt aan de philosophie. Eene Universiteit n.l. leeft uit het begrip wetenschap, en dit brengt vanzelf eene andere theologie mede, dan die, welke aan de Kerken is toebetrouwd, bl. 23. Dit geldt niet alleen van de ongeloovige Staatsuniversiteiten, maar evenzeer van de Vrije Universiteit, al is het ook, dat deze op Gereformeerden grondslag staat.

Voor de zaak, waarom het ons hier te doen is, maakt het geen verschil, of de Universiteit uitgaat van eene Christelijke of van eene on- of anti-Christelijke philosophie. Fout is, dat de theologie in zulk eene Universiteit uitgaat en afhankelijk wordt van de philosophie in het algemeen. Bazuin 14 Febr. 1896. Want Prof. Lindeboom gelooft Dr. Kuyper op zijn woord, als deze in zijne Encyclopaedie verklaart, dat het begrip wetenschap eerst door en sedert Kant is ingedacht. Eene theologische faculteit leidt dus de theologie vanzelve af uit een begrip van wetenschap, dat door de philosophie wordt vastgesteld, en maakt ze daardoor afhankelijk van eene anti-Christelijke wijsbegeerte, als wier |22| patroon nu eens Cartesius, dan Spinoza, nu eens Kant, dan Hegel wordt genoemd, bl. 32, 33, 65, 70-75. Vergelijk L. Lindeboom, Godgeleerden, bl. 58 v.

Eene theologische faculteit is dus bij Prof. Lindeboom principieel geoordeeld. In zijne Rede over Godgeleerden, bl. 73 v. zeide hij reeds: de Universiteitsidee is pantheïstisch. Zij wischt de grenzen uit tusschen God en mensch. Zij maakt de Godgeleerdheid tot een onderdeel der menschelijke kennis. Zij stelt den wetenschappelijken mensch boven den geloovige, boven het geloof, boven de Kerk, boven God en Zijn Woord. Al trekt men niet terstond de consequentie, het beginsel is toch pantheïstisch. Het begrip van wetenschap, waarvan de Vrije Universiteit uitgaat is de dood voor de Godgeleerdheid. In de Roeper van 4 Juni 1896 klaagde hij: Vele broederen zijn nog niet vrij van het juk der Universiteiten. Zij hebben de organisatie van het Genootschap verworpen, maar de niet minder jukachtige en gevaarlijke organisatie der Universiteiten houdt hen nog gebonden. En in de brochure zegt hij, niet van de ongeloovige Staatshoogescholen, maar van de Vrije Universiteit, letterlijk deze woorden: „die Universiteit met het Minervabeeldje op den rectoralen staf, is zelve niet vrij, gebonden als ze is aan het meergenoemde „organisme der Wetenschap”, dat geboren is uit een anti-Christelijke philosophie”, bl. 99.

Er is bij Prof. Lindeboom geen andere dan Kerkelijke theologie, niet in dien zin alleen, dat de Kerken hare eigen School hebben tot opleiding voor den dienst des Woords, maar bepaaldelijk in dien engeren en engsten zin, dat de beoefening der theologische wetenschap, precies als de bediening des Woords en der Sacramenten, aan de geïnstitueerde Kerken is opgedragen. Het zijn Kerkelijke ambtsdragers, die de theologie moeten onderwijzen. Indien er dus theologie beoefend wordt aan een Universiteit, dan gaat deze niet van de Kerken uit, dan wordt ze niet door de Kerken in hare ambtsdragers gedoceerd, dan staat ze in dienst van eene andere |23| macht dan die der Kerken, nl. in den dienst der wetenschap, der philosophie. Er kleeft aan haar, ook al is ze tijdelijk nog zoo rechtzinnig, een vitium originis. Er ligt in haar van huis uit een ontbindend, een verwoestend element.

Daarom werd in de Bazuin van 1 Mei 1896 zoo sterk het gevoelen van Dr. Kuyper bestreden, dat de herboren menschheid, de Kerk als organisme het subject der theologie zou zijn. Onder anderen werd daartegen ingebracht, dat de Heere nergens de leiding des Geestes aan zoo’n „generaal subject”, als de herboren menschheid, belooft. Dit generale subject zal eene subjectieve Theologie baren, eene subjectieve leer, en eene subjectieve wijsheid. Dit subject zal nooit recht en kracht hebben om te zeggen, wat de Kerk, zich houdende aan het Woord, in den naam haars Heeren zeggen kan en mag: „Dit is de weg, wandelt in denzelven”. Want niet aan dat subject, hetwelk in de Schrift ganschelijk niet wordt beloofd of genoemd, maar aan de Gemeente en hare dienaren zijn de sleutelen des Hemelrijks gegeven.

In dit licht wordt nu eerst de tegenstelling duidelijk, welke in de brochure wordt gemaakt tusschen de „valschelijk genaamde wetenschap” en de wetenschap, die de Heilige Geest leert, bl. 3. Ze wil in concreto niet anders zeggen, dan dat aan de Theologische School de theologie wordt gedoceerd door de Kerken zelve, in naam des Heeren, door den H. Geest, die aan de geïnstitueerde Kerk is beloofd en gegeven. Van die theologie kunnen de Kerken verklaren: dit is de weg, wandelt in denzelven. Maar de Vrije Universiteit, en in haar de theol. faculteit, is niet opgekomen uit de Kerken; zij komt op uit dat generale subject, waaraan de leiding des Geestes niet is beloofd; de theologie, die daar wordt beoefend en onderwezen, is in haar beginsel en wezen „valschelijk dusgenaamde wetenschap.”

Toch verklaart Prof. Lindeboom, dat hij volstrekt niet begeert den kwaden dag der Vrije Universiteit, bl. 6, en is hij overtuigd, het goede voor haar te zoeken, Roeper 23 Juli 1896. Wij laten die verklaring voor wat ze is, maar moeten |24| toch uitspreken, dat hij dat goede zoekt op eene eigenaardige manier.

Deze bestaat nl. hierin, dat hij de opleiding voor den dienst des Woords geheel aan de Kerken wil toevertrouwen en dus wil overbrengen naar de Theol. School. De theologische faculteit aan de Vrije Universiteit moet voortaan afzien van alle opleiding voor den dienst des Woords. En dan, ja dan mag ze, indien ze wil, de wetenschap beoefenen om haar zelve; zij mag de theologie onderwijzen in hare beteekenis voor de andere faculteiten. Hoe ze dat kan en waarom ze dat nog mag, is niet goed in te zien; maar het wordt haar toch toegestaan. En op die wijze kan ze dan dienen als theologische propaedeuse voor de studie der andere facultelten. De beoefenaars van de andere wetenschappen zouden zoo van haar kunnen profiteeren, want dezen hebben behoefte aan de kennis van het licht, dat de bijzondere openbaring verspreidt over al Gods werken. En voorts zouden de Kerken dan ook van haar nog gebruik kunnen maken tot de toerusting van doctoren; maar dan moest ze zich eerst toch weer losmaken van het betwist „beginsel” van wetenschap, waarvan ze thans uitgaat. Dit alles is te lezen in de Bazuin van 15 Mei 1896 en op bl. 48 der brochure.

Hiermede zal nu wel aan ieder duidelijk zijn, dat Prof. Lindeboom in deze belangrijke kwestie op een geheeleigenaardig standpunt staat en van een gansch bijzonder beginsel uit denkt en redeneert. Het zou merkwaardig zijn te weten, wie in onze Kerken dit beginsel voor zijn rekening neemt.

Wij zullen niet aanwijzen, door wie in den loop der tijden dit zelfde standpunt tngenover de wetenschap en tegenover heel het terrein der schepping ingenomen en verdedigd is. Maar dit is zeker, dat het bij de Gereformeerde Kerken en theologen nergens is te vinden. En wij aarzelen niet te verklaren, dat dit beginsel door ons met onze gansche overtuiging verworpen en bestreden wordt. De tijd ontbreekt om de valschheid van dit principe te betoogen. De tijd ontbreekt ook, om aan te toonen, hoe dit beginsel merkbaar |25| is in zijn oordeel over klassieke studie en over de leeraren in de letteren, bl. 57, in zijne bestrijding van de scheiding van Gymnasium en Theol. School, bl. 53-56, hoe het geïnfluenceerd heeft op het Rapport inzake de Opleiding; hoe het zich heeft laten gelden in de voorgestelde regeling van het verband der Kerken met de Theol. faculteit, van de methode en het gehalte van het onderwijs, van de inrichting der examina enz. Wij volstaan thans, met dit beginsel duidelijk in het licht te stellen, opdat de Kerken straks, tot beslissing geroepen, weten wat zij doen. Voor Gereformeerden is het noemen van dit beginsel ook volkomen voldoende.



§ 5. Nadere uitwerking.

De opmerking zou kunnen gemaakt worden, dat dit beginsel bij Prof. Lindeboom op zich zelf staat, alleen in zijne opvatting van School en Universiteit te bespeuren valt, maar voorts op de andere punten van verschil van geen invloed is. Dit is echter volstrekt niet het geval. Trouwens, een beginsel zou geen beginsel zijn, wanneer het niet al het denken en handelen beheerschte. Daarom vestigen we nog op enkele punten de aandacht, waarin dat beginsel door werkt en toegepast wordt.

1. Vooreerst zij de wedergeboorte en de doop genoemd. Wij hadden geschreven in onze brochure: wijl de sacramenten alleen zijn ingesteld voor de geloovigen, moeten ook de kinderen geloovigen zijn, om recht te hebben op den doop, bl. 78. We meenden waarlijk, dat hiertegen niets in te brengen viel en dat dit op grond van Schrift en Belijdenis in onze Gereformeerde Kerken voor allen vaststond. Wij hebben ons echter vergist. Prof. Lindeboom verklaart uitdrukkelijk van bovengenoemde zinsnede: dat is het standpunt der Dooperschen, bl. 76. Het verschil tusschen de |26| Gereformeerden en de Dooperschen heeft dus naar zijne meening volstrekt niet daarin bestaan, of de kinderen der geloovigen zelven geloovigen waren, en alzoo recht hadden op den doop. Maar waarover liep de strijd dan? Misschien zal geantwoord worden: daarover, of de kinderen in het verbond begrepen waren of niet. Dit is echter òf hetzelfde met de vraag, of zij geloovigen waren, òf het is iets anders. Indien het iets anders is, wordt het verbond der genade verzwakt, valt het fundament onder den doop weg, is er onderscheid in wezen tusschen den bejaarden- en den kinderdoop, en zijn er in beginsel niet twee, maar drie sacramenten. De verklaring van den doop in het formulier is echter voor kinderen en bejaarden eene en dezelfde. En van de kinderen leggen we tegenover de Dooperschen deze heerlijke belijdenis af: men mag dezelve van den doop niet uitsluiten, aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn en alzoo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden.

2. Op bladz. 79 wordt instemming betuigd met ons zeggen, dat Christus wel verwierf de liefde Gods, die vergeven kon, maar niet die, welke vergeven wilde. Maar verder schijnt daaruit deze gedachte te worden afgeleid, dat de liefde die vergeven wilde wel eeuwig was, en bestond in een voornemen en besluit om te vergeven, als de voldoening was geschied; maar dat de liefde, die vergeven kon, eerst in den tijd is ontstaan en werken ging, nadat de voldoening is aangebracht.

Immers, er wordt gezegd: als de liefde, die vergeven wilde, zakelijk en wezenlijk hetzelfde was als de eeuwige rechtvaardigmaking, dan zou er geen reden meer zijn geweest voor het verwerven van de liefde, die vergeven kon. Er zou dan geen Borg meer noodig zijn geweest.

Maar immers, de liefde die vergeven kon, is niet eerst in God ontstaan, op het oogenblik, dat de voldoening door Christus aan het kruis in den tijd was aangebracht. Hoe ware er dan volle vergeving mogelijk geweest in de dagen des O. Testaments, gelijk de Gereformeerden steeds tegen |27| Coccejus staande hielden. Bovendien, er is in God geen verandering noch schaduw van omkeering. Ook de liefde die vergeven kon, was in God eeuwig, omdat ze rustte op de borgtocht des Zoons, die eeuwiglijk op zich nam om te bestemder tijd voor de Zijnen te voldoen.

3. Bij de vraag naar de behoudenis van het menschelijk geslacht, die bl. 83 v. ter sprake komt, wordt gezegd, dat het organisme in Adam in de Schrift wordt tegengesteld aan het organisme in Christus. In Adam zijn allen verloren; in Christus worden allen, die uit Adam in Hem worden overgeplant, behouden. Door individueele geloofsvereeniging worden zij, ieder en allen, met Christus vergaderd en in Hem een nieuw organisme. Dit is in goeden zin te verstaan, maar brengt de vraag toch nog niet tot eene beslissing. Want daarachter ligt deze andere: nemen wij Christus aan of heeft Christus ons aangenomen? En immers is er dan geen antwoord mogelijk dan dit eene, dat Hij tot ons is gekomen, en wel om de wereld te behouden, om het menschelijk geslacht te redden, dat juist in Adam gevallen en verloren was.

Indien dit niet wordt vastgehouden, komt Christus geheel en al buiten ons geslacht te staan. En werkelijk wordt die voorstelling ook reeds aangeduid in de Vrije Kerk, April 1896 bl. 149. Daar lezen we, dat degenen, die behouden worden niet blijven in den natuurlijken stam, Adam, maar overgaan in een anderen stam, Christus.

Natuurlijk zou daartegen de opmerking kunnen gemaakt worden: maar Christus is toch juist ingegaan in ons geslacht. Hij heeft onze natuur aangenomen, en zoo is Hij dus van geen ander geslacht. Het is hetzelfde geslacht, dat in Adam viel en nu door Christus aangenomen wordt.

Als werd die tegenwerping vermoed, gaat het artikel aldus voort: de Zoon van God is daarom mensch geworden, opdat Hij de mensch Christus Jezus, de Zoon des menschen, de tweede mensch zou kunnen zijn. En dan volgen deze woorden: Christus is niet voortgekomen uit en door Adam; Hij is het |28| zaad der vrouw, niet des mans. Van buiten af is Hij ingegaan in het menschelijk geslacht, opdat Hij een nieuwen mensch, een nieuw menschelijk geslacht zou vormen, waarvan Hij zelf het hoofd, de stam en de wortel is. Zoo zijn er dus twee menschelijke geslachten. In de verdere redeneering worden deze uitdrukkingen dan wel weer wat beperkt, want dat nieuwe geslacht is toch, wat betreft de natuur van elk lid en de organische eenheid, geheel gelijk aan het oude — maar straks komt toch dezelfde tegenstelling weer boven: het oude geslacht in Adam gaat verloren, het nieuwe wordt behouden.

4. Merkwaardig is ook het Schriftgebruik, dat aanbevolen en verdedigd wordt. Wij hadden gezegd, dat de leer der eeuwige rechtvaardigmaking onder de Gereformeerden meer een verschil is in naam dan in wezen, maar erkend, dat de Schrift het woord rechtvaardigmaking meest gebruikt voor die daad Gods, waardoor Hij den zondaar vrijspreekt van schuld in den tijd.

Daarom wordt ons nu op bl. 78-79 toegevoegd: Waarom roept gij Dr Kuyper, die toch ook maar een menschenkind is, niet terug tot de taal der Schrift. Als hij hetzelfde bedoelt als de Schrift, moet hij dan eene andere taal spreken dan de Schrift?

Nu zijn wij met onzen ambtgenoot vast overtuigd, dat Dr. Kuyper maar een menschenkind is. En we houden het er voor, dat Dr. Kuyper zelf ook wel van die meening zal zijn. Maar we zullen ons toch driemaal bedenken, eer we hem of ons zelven in de theologie verbieden, eenige andere woorden te gebruiken, dan de Schrift zelve bezigt. Waar zouden we dan met onze belijdenis, met al de waarheden onzes geloofs, met heel onze theologische wetenschap heen? Hoe zouden we dan nog mogen spreken van drieëenheid, wezen, personen, sacrament en zoovele andere woorden, welke wij dagelijks bezigen en zonder welke geen belijdenis en geen theologie mogelijk zou zijn.

En toch ziet Prof. Lindeboom in het bezigen van het woord |29| rechtvaardigmaking voor diezelfde zaak, welke alle Gereformeerden in den Raad des vredes en de eeuwige Borgtocht des Zoons belijden, eene philosophische eigenwijsheid, die de Schriftuurlijke zaken vervormt tot een begrip naar de wetten van het denkend bewustzijn en daarvoor de taal der Schrift niet kan gebruiken. En hij gaat zoover dat hij zegt: De Geref. Kerk gelooft, dat elk woord der Schrift is ingegeven door Gods Geest en dat niemand de taal mag veranderen, en dat zulks nooit zonder schade kan geschieden.

Er zou hier nog veel aan toe te voegen zijn, o.a. over de tweeërlei theologie, het object en subject der theologie, de plaats der encyclopaedie enz., waarin overal datzelfde principe doorschemert, verg. bl. 66 v.v. Maar het gezegde moge genoeg zijn, om duidelijk het beginsel te doen kennen, waarvan Prof. Lindeboom in al zijn denken en spreken uitgaat. Wij onthouden er ons van, om het met een of anderen historischen naam te merken. Maar naar ons inzicht is het van dien aard, dat wij, hoezeer het ons leed doet, hem daarin alleen moeten laten staan en hem niet kunnen en niet mogen volgen. Dit komt dus waarlijk niet voort uit lust tot strijd. Het is niet te verklaren uit eenigen boozen hartstocht. Het is niet te wijten aan gebrek aan waardeering. Ook zijn wij het niet, die dit verschil hebben uitgelokt of die het op de publieke markt hebben gebracht. Maar nu het eenmaal zoover gekomen is, nu is het beter, open uit te spreken, dat er een principieel verschil bestaat, en aan te wijzen, waarin het gelegen is, dan te doen alsof er geen wolkje aan de lucht is.



§ 6. Noodzakelijke beslissing.

Al deden wij het niet van harte, wij konden in de vorige paragraaf tot geen andere conclusie komen, dan dat er in |30| de verschillende kwestiën, die thans aan de orde zijn, een verschil van beginsel openbaar is geworden.

Toch is dit ons niet eerst duidelijk geworden door de brochure, welke verleden week het licht zag.

In de brochure „Opleiding en Theologie” hebben we het bestaan van zulk een verschil reeds vermoed. Aan het einde spraken we uit, dat er geen enkele kwestie is, die de broederen principieel verdeelt en van elkander houdt. Voor het grootste gedeelte, zeiden we daar en we herhalen het nog, is de strijd, die gevoerd is, te verklaren uit de betrekkelijke nieuwheid der onderwerpen, uit de vreemdheid der terminologie, uit verschil van voorstelling en uitdrukking, uit wel te betreuren maar toch verklaarbaar misverstand, bl. 86.

Maar wij lieten er toen terstond deze zinsneden op volgen: Toch is daarmede de mogelijkheid niet uitgesloten, dat hier en daar, bij dezen en genen de strijd uit een dieper liggend, principieel verschil voortkomt. Als bijv. beweerd is, dat een eigen School tot opleiding voor de Kerken in volstrekten zin noodzakelijk is op grond van Gods gebod, zoodat zij, zonder deze, ongehoorzaam is aan ’s Heeren woord; als er geleerd is, dat eene theologische faculteit als zoodanig reeds enkel door hare coördinatie met de andere wetenschappen, uit eene wereldsche, pantheïstische gedachte voortvloeit; als er uitgesproken is, dat sommige dogmatische stellingen, welke vroeger in de Gereformeerde Kerken steeds werden erkend en gedoogd, onschriftuurlijk en ongereformeerd zijn; dan kan de mogelijkheid van een diepgaand principieel verschil niet worden ontkend, bl. 86, 87.

Welnu, toen drukten wij ons voorzichtig uit. Wij spraken alleen van eene mogelijkheid. Wij hoopten in stilte, dat onze brochure de dissentieerende broederen nader tot elkander zou brengen. En we zouden niets liever hebben gewenscht, dan dat alle verschil in overeenstemming en alle tweedracht in eenheid zich had opgelost. Als Prof. Lindeboom den wensch uit, dat er weer eenheid, meer vrede, meer |31| samenwerking zoo wel in de School als in de Kerken komen mocht, bl. 7, 8, 58, 103, dan heeft hij uit ons hart gesproken.

Maar hij spreekt zelf het onomwonden uit, dat er tusschen hem en Dr. Kuyper een diep, principieel verschil aan wezig is. En zoo kan het niet anders, of het bestaat ook tusschen hem en ons, die open verklaard hebben, principieel aan Dr. Kuypers zijde te staan, bl. 5.

Toch is deze onze verklaring van principieele instemming met Dr. Kuyper aan allerlei misverstand blootgesteld geweest. Het is aan velen niet helder, wat daaronder te verstaan is. Aan de eene zijde oordeelde men, dat we nu in alle vraagstukken over supra- en infralapsarisme, wedergeboorte en doop, eeuwige rechtvaardigmaking, theologie, encyclopaedie, philosophie enz. precies zoo moesten denken en spreken als Dr. Kuyper deed, en dat wij dan daardoor met ons zelven in lijnrechte tegenspraak kwamen. En aan de andere zijde vond men toch, ook in de brochure Opleiding en Theologie, eene voorstelling, welke van die van Dr. Kuyper afweek en ons nader scheen te doen staan bij zijne bestrijders; verg. ook de brochure van Prof. L. bl. 64, 78, 104.

Nu is onze brochure Opleiding en Theologie werkelijk niet in de eerste plaats geschreven, om Dr. Kuyper te verdedigen. Daaraan had hij zelf geen behoefte en daartoe hadden wij geen roeping. Het belang der School en der Kerken was het, dat ons tot spreken drong. Vanzelf kwamen we echter daardoor met al die bezwaren in aanraking, welke tegen de theologie van Dr. Kuyper waren ingebracht. En deze bespraken we, niet om uit te maken of Dr. Kuyper gelijk of ongelijk had, maar om aan te toonen, dat in al de aanhangige vraagstukken geen verschil van beginsel aanwezig was. We beslisten niet tusschen rechtvaardigmaking van eeuwigheid of in den tijd, tusschen supra- en infralapsarisme, tusschen de wedergeboorte voor of onder of na den doop enz. Zelfs zetten we ons eigen gevoelen niet of niet ten volle uiteen, wat het kort bestek eener brochure ook uitteraard niet |32| toeliet. Maar we lieten, zien, dat in al deze vraagstukken de verschillende voorstellingen niet als schriftuurlijk en onschriftuurlijk, niet als gereformeerd of ongereformeerd tegenover elkander mochten worden geplaatst.

Toch ontveinsden wij ons niet, dat de bestrijding van Dr. Kuypers leeringen voortkomen kon uit een verschillend beginsel. De wijze, waarop die leeringen werden aangevallen, wekte daarvoor de vreeze bij ons op. Het was onze overtuiging, dat genoegzame studie van al deze vraagstukken uit Schrift en historie van de aanklacht van ketterij teruggehouden zou hebben. Nooit heeft men in vroeger dagen broederen om een verschil van gevoelen in deze punten van onrechtzinnigheid aangeklaagd. Als dit dan toch onder ons plaats had, dan kon dit zeer zeker uit misverstand voortkomen. En dit beproefden wij in onze brochure uit den weg te ruimen. Maar het kon ook zijne oorzaak hebben in een verschil van beginsel, dat achter al die vraagstukken verborgen lag, en dat ja wel bezwaar had tegen de eeuwige rechtvaardigmaking, maar ook de rechtvaardigmaking in den tijd voorstelde op eene wijze, die onzes inziens niet met de Schrift en de belijdenis in overeenstemming was; dat wel het supralapsarisme bestreed maar ook van het infralapsarisme geen zuivere voorstelling gaf, enz. Boven is nu uiteengezet, hoe dit inderdaad op verschillende punten het geval is. Het zou niet moeilijk vallen, dit ook bij de andere kwestiën in het licht te stellen.

Naar ons inzicht kan de zuivere gereformeerde voorstelling van het infralapsarisme in het supralapsarisme geen ketterij zien, noch omgekeerd. Wie de rechtvaardigmaking in den tijd leert in goeden geretormeerden zin, kan er niet toe komen, om hen, die de eeuwige rechtvaardigmaking voorstaan, van onrechtzinnigheid aan te klagen. En zoo is het met al de aanhangige vraagstukken. Om nog slechts één punt te noemen: Men kan verschillen over de wenschelijkheid en het nut van eene Theol. Faculteit of van eene Theol. School voor de opleiding tot den dienst des Woords. |33| Wie zal daarom hem, die van een ander gevoelen is, veroordeelen? Maar als het beginsel van een eigen inrichting verheven wordt tot den rang van een dogma, dan komen wij daartegen op met alle kracht en zeggen dat we principieel staan aan de zijde van hen, die wel eene Theol. School willen instandhouden, maar ook eene Theol. Faculteit niet door Gods Woord verboden achten.

En zoo hebben wij verklaard en verklaren het nog heden, dat wij principieel staan aan de zijde van Dr. Kuyper. Er is geen sprake van, dat wij daarom in alles precies als Dr. Kuyper denken en spreken. Gereformeerde menschen zijn geen marionetten. Gelijk wij onderling verschillen, en toch in beginsel één zijn en saam zijn opgetreden, zoo voelen wij ons ook bij verschil van inzicht en voorstelling, in beginsel één met de broeders, die arbeiden aan de Theol. Faculteit. Voor ons is er geen verschil van principe tusschen Amsterdam en Kampen. Theol. School en Theol. Faculteit en het onderwijs, aan beide inrichtingen gegeven, valt voor ons bewustzijn volstrekt niet saam met de tegenstelling van theologie en philosophie van wetenschap des H. Geestes en valschelijk genaamde wetenschap, van Christus en Minerva, van God en wereld.

Het is tegen dat beginsel, hetwelk bij sommigen aan den tegenwoordigen strijd ten grondslag ligt, dat wij principieel positie hebben gekozen. Ook wij wenschen dus gehoor te geven aan de ernstige vermaning van Prof. Lindeboom, om het pand te bewaren, dat ons toevertrouwd is. Wellicht doen wij het in een anderen zin, dan hij heeft bedoeld. Maar met hem gelooven wij, dat ons een kostbaar pand door den Heer der gemeente ter bewaring is toebetrouwd. Het is het pand des geloofs, het pand onzer heerlijke, Gereformeerde belijdenis. Voor de bewaring van dat pand wenschen ook wij te waken en te strijden, naar de mate der gaven, door God ons geschonken. En als in den laatsten tijd vreeze ons overviel, dat die belijdenis in haar volheid en rijkdom miskend en verzwakt werd, hebben wij het onze |34| roeping gerekend, om zelfs tegenover broederen, die wij hoogachten en liefhebben, onze getuigenis in de Kerken te laten uitgaan en op onze wijze haar op het harte te binden, dat zij toch bewaren mochten het rijke, kostelijke pand, dat in de Gereformeerde Belijdenis haar toebetrouwd is. Alzoo hebben wij geloofd, en alzoo hebben wij gesproken.

Daarom wenschen wij ook, dat de Synode straks eene principieele beslissing neme. Van halfslachtige bemiddelingen is niemand gediend. Ze zijn, gelijk onze ambtgenoot zegt, bl. 21, uitteraard stilstand een achteruitgang, een stuiten van de ontwikkeling. Eene principieele beslissing echter zuivert den dampkring, klaart de nevelen op en brengt de broederen weer bijeen. De vreeze voor scheuring is gelukkig geweken. Prof. Lindeboom heeft onlangs in de Roeper en thans in zijne brochure, bl. 91, open verklaard, dat hij en degenen, die aan zijne zijde staan, op verlating der Geref. Kerken volstrekt geen plan hebben. De Wekker heeft niet nagelaten, hen telkens daartoe op te wekken en uit te noodigen. Maar thans hebben de broederen het ook tegenover dat weekblad uitgesproken, dat de verschillen niet van dien aard zijn, dat beslissing tegen hun wensch en begeerte hen tot verlating der Geref. Kerken verleiden of noodzaken zou. Dat geeft hope voor de toekomst. Het wekt het vertrouwen, dat ook in de beginselen eenstemmigheid komen zal. Laat ons dan gemoedigd voorwaarts gaan, in de mogendheid des Heeren, en niet zijwaarts afbuigen ter rechter of ter linker zijde. Daartoe verwaardige de Heere onze God Zijne Kerken in ons Vaderland, ook op de aanstaande Synode! Hij zegene en behoede haar; Hij verheffe over haar het licht van Zijn aanschijn en geve haar vrede!




1. Opleiding en Theologie, door M. Noordtzij, D.K. Wielenga, H. Bavinck en P. Biesterveld. Kampen, J.H. Kok 1896.

2. Bewaart het pand u toebetrouwd, of de geruststelling in „Opleiding en Theologie” onderzocht en gewogen. Een woord aan de Kerkeraden en aan de leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland door L. Lindeboom, Leeraar aan de Theol. School. Kampen, G.Ph. Zalsman 1896.

Indien voortaan in den tekst bladzijden zonder meer worden aangegeven, is altijd deze brochure bedoeld. Soms zijn de aanhalingen geheel of gedeeltelijk door ons gecursiveerd.

3. Hieruit zou men haast den indruk krijgen, dat die „nieuwe voorstelling der leer” toch nog zoo verkeerd niet is, maar alleen wat te vroeg komt. Dit zal echter de bedoeling wel niet zijn.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004