Modernisme en Orthodoxie

Rede gehouden bij de overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit op 20 October 1911

door Dr. H. Bavinck

Kampen, — J.H. Kok [— 1911]

a



De herleving der Gereformeerde Theologie, welke sedert het laatste vierendeel der vorige eeuw in ons vaderland plaats vindt, is een zoo opmerkelijk feit, dat het in de laatste jaren ook ver buiten onzen kring de aandacht trok en de belangstelling wekte. Zelfs onder de moderne theologen hier te lande kregen althans enkelen de overtuiging, dat men voor dit verschijnsel niet langer de oogen mocht sluiten, en dat het de moeite waard was, om, al ware het alleen om het historisch belang, er met eenige nauwkeurigheid kennis van te nemen. Deze kennisneming viel echter in den regel niet tot ons voordeel uit. Wel leidde zij tot eenige meerdere waardeering van ons bedoelen en streven, maar tenslotte liep zij toch uit op de ernstige beschuldiging, dat wij een dubbelzinnig standpunt innamen, noch modern noch orthodox, noch naturalistisch noch supranaturalistisch waren, en dat wij dus het best en het eerlijkst handelden, als wij naar het kamp der modernen verhuisden en daar onze tenten opsloegen 1). Staat mij toe, dat ik deze aanklacht, niet in alle détails, want daartoe zou de tijd mij ontbreken, maar in haar karakter en strekking in het licht tracht te stellen en U de positie poog aan te wijzen, welke wij tegenover haar hebben in te nemen.


Wij hebben het voorrecht, te leven in een allermerkwaardigsten tijd. De laatste honderd jaren hebben grooter verandering aangebracht in onze inzichten en beschouwingen, in onze levenswijze en verkeer, dan eene gansche reeks van eeuwen, die daaraan voorafgegaan zijn. Onder den indruk van deze omwenteling kwam Troeltsch er toe, om de Reformatie nog tot de Middeleeuwen te rekenen, en den nieuwen tijd |6| eerst te laten aanvangen met de beweging der Aufklärung in de achttiende eeuw 2). Hoe meer wij haar indenken, hoe grooter verhoudingen zij ook aanneemt en hoe verder haar beteekenis en invloed strekt. In vorige eeuwen koesterde men over het algemeen de gedachte, dat de aarde, in het middelpunt der wereld geplaatst, eene platte schijf vormde, die in het water rustte en door een koepeldak overwelfd was, in welks verschillende beweegbare sferen de sterren bevestigd waren. Maar deze Ptolemeïsche, geocentrische wereldbeschouwing heeft reeds lang voor de Kopernikaansche, heliocentrische plaats gemaakt, en onze horizon heeft zich naar alle richtingen uitgebreid in een eindeloos verschiet. Misschien er is daarbij niets, dat de inzichten zoo diep en radicaal gewijzigd heeft, als de onmetelijkheid, de grenzeloosheid van het heelal. Het gaat onze voorstelling reeds ver te boven, als wij vernemen, dat de zon bijna anderhalf millioen maal meer volumen dan de aarde heeft, dat ze honderd acht en veertig millioen kilometer van ons verwijderd is, en elke seconde zes en dertig millioen paardekracht in den vorm van warmtestralen naar deze aarde uitzendt. Doch deze getallen hebben nog niets te beduiden bij die van de grootte en den afstand der sterren. Buiten ons zonnestelsel, dat eene kleine, maar volgens Wallace toch eene centrale en bevoorrechte positie in het heelal inneemt, breidt zich naar alle zijden in eindelooze verten eene ontelbare menigte van sterren en sterrenstelsels uit. Met het bloote oog zijn er zes à zeven duizend sterren waarneembaar; met de beroemde telescoop in Californië zijn er, naar men zegt, honderd millioen te zien, maar het complete getal wordt naar eene natuurlijk vrij willekeurige raming op vijfhonderd en meer millioenen geschat. Van die sterren zijn de naastbijzijnde toch nog meer dan twee honderd vijftig duizend malen den afstand der zon van de aarde van ons verwijderd. De dichtstbijzijnde ster Centauri bevindt zich ongeveer op dien afstand van ons, zoodat haar licht vier en een half jaar noodig heeft, om tot onze aarde door te dringen, niettegenstaande het licht eene snelheid heeft van bijna drie honderd duizend kilometer in de seconde. De Sirius, de helderste van alle sterren, is niet minder dan zeventien, en de Wega niet minder dan dertig of meer lichtjaren |7| van ons verwijderd. Zulke getallen zetten alle verbeelding stil en onttrekken zich aan alle berekening; ja de ruimte, die naar de tegenwoordig meest aangenomene hypothese overal met aether gevuld is, kan niet begrensd en evenmin als onbegrensd gedacht worden, want wat uit eindige deelen saamgesteld is, kan niet eindeloos zijn, en wat eene grens heeft, roept vanzelf de vraag op, wat er aan gene zijde der grens zich bevindt. Het begrip van het grenselooze voert ons reeds uit de wereld van het kenbare in die van het onvoorstelbare en transcendente over 3). En toch zijn al die millioenen van planeten, sterren en zonnen, die zweven door het luchtruim, naar het getuigenis der spectraalanalyse, uit dezelfde stoffen samengesteld, als die wij hier op aarde en in ons eigen lichaam aantreffen; en overal werken dezelfde krachten en heerschen dezelfde wetten. De groote, eindelooze verscheidenheid vertoont tegelijk de volmaaktste eenheid; eene heilige orde voert naar Bilderdijks woord over alle dingen den scepter van gezag en bezwaart ze voor een baaiertnacht, woester woest dan woestenij 4).

Even grenzeloos en onmetelijk is de wereld, in de richting van het kleine doorzocht 5). Gewapend met mikroskoop en ultramikroskoop dringt het oog van den natuurvorscher ook in deze wereld van het imponderabele door, en hij ontdekt eenheid en orde, organisatie en systeem, niet alleen in elk kleinste organisme, in cel en celkern, maar ook in het anorganische; elk kleinste deel is weer saamgesteld uit nog kleinere deelen, die alle in beweging zijn en voortdurend streven naar rust. Langen tijd heeft men in de onderstelling geleefd, dat de atomen, de chemische elementen, ongeveer tachtig in getal, de laatste bestanddeelen der materie vormden. Nu moesten reeds deze bestanddeelen zoo fijn zijn, dat muskus bijv. jarenlang in een vertrek geur verspreiden, dat is, moleculen verliezen kan, zonder merkbaar in gewicht af te nemen. Een kubieke centimeter lucht bevat tien tot honderd millioen moleculen, die zich voortdurend bewegen met eene snelheid van vier honderd vijf en tachtig meter in de seconde, en door deze trillingen ons de gewaarwordingen geven van warmte, klank en kleur. Onze zintuigen zijn echter beperkt, en voor het tot stand komen van |8| die gewaarwordingen aan een bepaald aantal trillingen in de seconde gebonden; daarboven en daarbeneden zijn zij tot geene waarneming meer in staat. Het spectrum strekt zich echter ver buiten de grens van het violet uit; er zijn ook ultraviolette stralen, die zich kenbaar maken door hare chemische werkingen, meer dan acht honderd trillioen trillingen in de seconde tellen, en wier golflengte minder dan één tienduizendste millimeter bedraagt. Wanneer deze trillingen nog voortdurend in snelheid en aantal toenemen en de golflengte in dezelfde mate afneemt, komen wij aan die stralen toe, welke sedert 1895 als Röntgenstralen bekend staan en die een zoo sterk penetratievermogen bezitten, dat zij ook door vaste en ondoorzichtige lichamen als hout, karton, leder enz. heengaan. De ontdekking dezer stralen leidde daarom verder tot de gedachte, dat ook de atomen nog lang niet de fijnste en laatste bestanddeelen der materie uitmaakten. Van de atomen schreed men tot de zoogenaamde electronen voort, die eene veel fijnere substantie dan de atomen zijn, in snelheid schier die van het licht evenaren, en bijv. uit het in 1898 ontdekte radium jarenlang kunnen uitstralen, zonder dat er van vermindering sprake is. Bij de verbinding der electronen tot atomen ontstaat er dan wel telkens iets nieuws, dat aan elk der samenstellende deelen vreemd is, evenals dat ook weer bij de verbinding van atomen tot moleculen het geval is; maar het vermoeden drong zich op, dat de electronen zelve onderling slechts quantitatief verschillend waren. Indien dit vermoeden wetenschappelijk bevestigd werd, zou dus de gansche materie ten slotte uit ééne oerstof, nader nog misschien uit verdichting van aether bestaan, en zou de alchymie kans hebben, eene exacte wetenschap te worden. Ja sommige natuurvorschers en wijsgeeren meenden tot de conclusie gerechtigd te zijn, dat stof slechts eene subjectieve voorstelling is, en dat er in de werkelijkheid niets dan krachten, krachtcentra, energieën zijn, of dat de gansche wereld zelfs niets dan voorstelling is. De grens van het onderzoek is echter evenmin in de wereld van het kleine, als in die van het groote, bereikt; telkens ontsluiten zich nieuwe wegen en openen zich onontgonnen velden. Het gaat der wetenschap, zooals Pierre Loti het ten vorigen jare in de |9| Fransche Akademie uitsprak: zij opent telkens eene deur, doch voert dan niet tot het licht, maar tot een anderen, langen, donkeren gang, aan welks einde weer eene deur zich bevindt, en zoo gaat het eindeloos voort. Voor eene afgeronde wereldbeschouwing, die enkel op wetenschappelijke gegevens berust, is de tijd nog lang niet gekomen; de wetenschap zelve is in voortdurende beweging en verandert bij den dag. Pas opgebouwde stelsels worden omvergeworpen en door andere vervangen; het materialisme, dat enkele jaren geleden voor de hoogste wijsheid gold, sloeg in zijn tegendeel, in pantheïstisch idealisme of psychisch monisme om. Maar dit eene is toch zeker: ons wereldbeeld heeft eene machtige wijziging ondergaan. Ruimte en tijd hebben afmetingen aangenomen, die met alle berekening den spot drijven; in duizelingwekkende hoogten en in onpeilbare diepten is het gansch heelal van schepselen vervuld, die elk op zichzelf eene wereld vormen en toch deelen zijn van één onmetelijk en welgeordend geheel.

Tot deze verandering van ons wereldbeeld heeft ook de geschiedwetenschap het hare bijgedragen. Ook zij heeft onze gezichtseinder in het verleden en in het heden, achterwaarts en rondom ons henen, aanmerkelijk verruimd. De geologie leerde ons door de orde en structuur der aardlagen, dat de aarde eene geweldige storm- en drangperiode heeft doorgemaakt, en eerst door verschillende tijdperken heen haar tegenwoordig bestand heeft verkregen. In die perioden had eene ontwikkeling plaats van lagere tot hogere organismen, die een grooten rijkdom van vormen vertoonen en voor een belangrijk deel ten eenenmale uitgestorven zijn. Vanwaar het leven is en hoe het ontstond, is daarbij voor de wetenschap tot den huidigen dag toe een onopgelost raadsel gebleven. En datzelfde geldt van den oorsprong en de oudste woonplaats des menschen. Ofschoon de dierlijke afstamming bijna algemeen aangenomen wordt, is zij toch nog geenszins bewezen; Wilhelm Branca, de hoogleeraar voor geologie en paleontologie aan de universiteit te Berlijn en voorstander der descendentieleer, erkende nog kort geleden, dat de mensch in het quaternaire tijdvak optreedt als „ein ahnenloser Parvenu, ein wahrer homo novus”, dat is als een mensch, wiens voorouders volgens hem wel bestaan hebben, maar |10| toch onbekend zijn 6). Evenzoo ligt de oorsprong en herkomst der oudste bewoners van Europa in het duister; maar wel mag op grond van de studie, aan hun fossiele overblijfselen in grotten, veenlagen en aanslibbingen gewijd, geacht worden vast te staan, dat zij menschen waren van gelijke bewegingen als wij, in het bezit van verstand en rede, van taal en godsdienst, van vuur en gereedschappen 7).

Van niet minder gewicht zijn de ontdekkingen, die sedert den aanvang der vorige eeuw in Assyrië, Babylonië en Egypte hebben plaats gehad, want zij hebben er ons mede in kennis gesteld, dat er in die landen reeds eeuwen vóór Christus en lang vóór Mozes en Abraham machtige rijken hebben gebloeid, die op een hoogen trap van beschaving stonden, kunst en wetenschap, met name de astronomie, met vrucht beoefenden, op landbouw, nijverheid en handel zich toelegden en met de volken rondom leefden in een druk verkeer. Welke de verhouding is tusschen de bewoners van Azië en die van Europa en andere werelddeelen, is in wetenschappelijken zin wederom eene vraag, die op antwoord wacht. Maar des te opmerkelijker mag het heeten, dat tal van aanhangers der descendentieleer, op grond van de eenheid der menschelijke natuur, vasthouden aan of terugkeeren tot het monogenisme, dat is de eenheid van het menschelijk geslacht in oorsprong en in woonplaats. De ontdekkingsreizen der laatste eeuwen hebben deze eenheid dan ook indirect ten sterkste bevestigd. Door de verbetering der verkeersmiddelen, door de zucht naar expansie, door het streven naar invloedsferen en afzetgebieden, door de herleving der zending en andere oorzaken meer, is langzamerhand de gansche aarde in al hare lengten en breedten voor ons opengelegd. Onbekende landen en volken, onbekende talen en godsdiensten zijn er in zekeren zin niet meer. En al de door deze ontdekkingen en onderzoeken verkregen kennis heeft het geloof versterkt of vernieuwd, dat alle menschen ééne en dezelfde natuur deelachtig zijn, en dat zij alle in het bezit zijn van de fundamenteele elementen der cultuur, van taal en godsdienst, van kennis, zedelijkheid en kunst. Er is een zeer uiteenloopend verschil in de mate van cultuur, maar natuur-, barbaarsche of cultuurlooze volken in volstrekten zin zijn er niet; zelfs de dikwerf beweerde |11| ongeschiktheid van sommige stammen en rassen, om tot het cultuurstandpunt te worden opgeheven, vindt van deskundige zijde hoe langer hoe sterker tegenspraak 8).

Neemt bij al het gezegde nu nog in aanmerking, dat de wetenschap in onze eeuw niet, als in de Middeleeuwen, binnen de muren der kloosters besloten of zelfs tot de kringen der universiteit beperkt blijft, maar dat zij op allerlei wijze met het leven in verband staat en dat leven verrijkt en veraangenaamt. De wonderen der wetenschap worden geëvenaard door de wonderen der techniek, welke het weten aan het kunnen dienstbaar maakt, en den menschelijken geest ook practisch doet heerschen over de natuur. Beide hebben tezamen en in vereeniging met nog vele andere factoren de cultuur tot eene hoogte opgevoerd, welke tevoren nimmer is bereikt; ze hebben vele individuën en klaasen der maatschappij van knellende banden bevrijd, aan het leven zelfs van den arbeider eene zekere, vroeger ongekende weelde geschonken, den arbeid zelve, door de Renaissance geminacht, in zijne eere hersteld, naast adel en geestelijkheid aan een nijveren en bloeienden burgerstand het aanzijn geschonken, staat en kerk voor andere problemen gesteld en tot eene veelszins andere en moeilijker taak geroepen, de gansche strooming van den tijd in eene democratische richting gestuurd. Het is er ver van daan, dat deze cultuur louter zegen heeft verspreid. De ondermijning van alle godsdienstige en zedelijke grondslagen, de deerniswaardige toestanden van het proletariaat, de socialistische, anarchistische en nihilistische woelingen leeren dit wel anders. Maar ook al deze bewegingen zijn een bewijs voor de stelling, dat wij in eene gansch andere wereld, dan onze voorouders, leven. En wij weten niet, wat er in de toekomst nog meer veranderen zal. Wij staan blijkbaar niet aan het einde, maar aan het begin van eene ontwikkeling; welke veroveringen er nog in wetenschap en techniek gemaakt zullen worden, en welke nieuwe toestanden tengevolge daarvan in maatschappij en staat zullen intreden, wij kunnen het niet zeggen, maar voor grootsche verwachtingen bestaat er alleszins grond. God is bezig, groote dingen in deze tijden te doen. |12|

En omdat wij gelooven, dat Hij het is, die ook in deze eeuw door Zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en regeert, daarom aanvaarden wij dankbaar en hoopvol de wereld, die Hij door de wetenschap ons kennen doet en in wier midden Hij ons eene plaats heeft gegeven. Natuurlijk maken we daarbij onderscheid tusschen de feiten, welke de wetenschap ons kennen doet, en de beschouwingen, die daaraan menigmaal door hare beoefenaars worden vastgeknoopt. Maar feiten zijn „stubborn things”, die eerbied afdwingen, en door Gods voorzienigheid op onzen weg worden geplaatst. Zooals wij dus dankbaar gebruik maken van alle technische hulpmiddelen, welke het menschelijk genie tot onze beschikking stelt, zoo nemen wij met vreugde de vermeerdering en uitbreiding onzer kennis aan, waartoe de wetenschap heden ten dage ons overvloedig gelegenheid biedt. Bewondering vervult ons daarbij voor al die mannen en vrouwen, die met buitengewone toewijding, met oprechte waarheidsliefde, en niet zelden ook met groote zelfopoffering aan den tempel der wetenschap hebben gearbeid. En als wij vernemen, dat de besten en grootsten onder hen niet, gelijk het zoo menigmaal wordt voorgesteld, tot de zoogenaamde ongeloovigen hebben behoord, maar klein voor God zijn gebleven, dan mengt zich in die bewondering ook een gevoel van sympathie en van liefde. Wanneer anderen onder hen het wetenschappelijk onderzoek soms dienstbaar maakten aan beginselen en bedoelingen, die onze goedkeuring niet kunnen wegdragen, dan is daarvan toch de methode van het onderzoek te onderscheiden, welke heden ten dage algemeen in natuur- en geschiedwetenschap aangewend wordt, in schitterende resultaten hare juistheid bewezen heeft en ook op onze instemming aanspraak heeft. Een van de meest kenmerkende karaktertrekken in de ontwikkeling der wetenschap is toch ongetwijfeld de algemeene en consequente toepassing der inductieve methode geweest. Empirie nu en experiment, historische critiek en exegese vinden principiëel ook in onze kringen geen bezwaar, al behoudt daarbij deductie en synthese zeer zeker haar recht van bestaan. Zelfs dan is er nog geen reden tot protest, als deze inductieve methode in geesteswetenschappen als psychologie, |13| psychiatrie, criminologie enz., binnen de grenzen, waar dit mogelijk is, wordt aangewend. Want wij zijn kinderen van dezen tijd, en nemen dankbaar elke goede gave aan, welke de Vader der lichten in deze eeuw ons schenkt.


Maar wanneer wij zoo met beide voeten in dezen tijd positie nemen, wordt ons toegeroepen, dat wij dan ook consequent en eerlijk moeten zijn, de aloude Christelijke en Gereformeerde belijdenis moeten laten varen, en met al ons hebben en houden naar het legerkamp der modernen verhuizen moeten. Van onze halfslachtigheid geven wij toch zelven bewijs, doordat wij alle dogmata van voorbeschikking, voorzienigheid, openbaring, wonder, ingeving, wedergeboorte, gebed enz., zóó wijzigen naar de nieuwere wereldbeschouwing, dat zij hun oorspronkelijken zin zoo goed als geheel verliezen. De hedendaagsche orthodoxie, zoo zegt men, bestrijdt het supranaturalisme, zij heeft er zoowel in beginsel als in toepassing mede gebroken, zij aanvaardt de moderne wereldbeschouwing en staat op denzelfden bodem, als de vrijzinnigen; en toch brengt zij de gemeente in den waan, dat zij de leer der vaderen handhaaft, en wekt zij den indruk, dat zij de vrijzinnigen principiëel bestrijdt. Daarbij voegt zich dan, evenals op politiek gebied, de klacht, dat er in den tegenwoordigen toestand der partijen iets door en door onwaars is, dat de benaming en de indeeling der richtingen niet deugt, en dat er zoo spoedig mogelijk eene andere partijgroepeering moet komen. Zelfs zijn er al pogingen aangewend, om dezen wensch in vervulling te doen gaan, maar zij werden tot dusver nog weinig met succes bekroond 9).

Deze aanklacht kan nu in zooverre terstond als juist worden erkend, als de woorden modern en orthodox, schoon als partijnamen in het Ned. Herv. Kerkgenootschap in gebruik gekomen, zeer ongeschikt zijn, om de tegenwoordig bestaande richtingen met genoegzame duidelijkheid aan te wijzen. Orthodox is de naam van hem, die met de belijdenisschriften zijner kerk instemt; maar wijl die instemming naar de letter of naar den geest, naar de hoofd- of ook naar de bijzaken verstaan kan worden, krijgt het woord dikwerf een zeer gematigden en rekbaren |14| zin. Het woord komt in de Schrift niet voor, en werd onder de kerken alleen de naam der Grieksche kerk, die er hare eer in stelt, om bij de theologie van Damascenus te blijven staan en sedert 842 elk jaar op den 19en Februari het festum orthodoxiae viert 10). Maar de Roomsche en Protestantsche kerken hebben dezen naam nimmer aanvaard, wijl zij principiëel nooit bij het bestaande zonder meer zich hebben neergelegd. En de Gereformeerde kerken hebben instemming met de belijdenisschriften nimmer in dien zin verstaan, dat alle vrijheid van beweging daardoor uitgesloten zou zijn. De Nederl. confessie bijv. rekent in art. 4 den brief aan de Hebreeën onder de brieven van Paulus, maar desniettemin waren er vele Gereformeerde theologen, die op het voetspoor van Luther en Calvijn hem aan een anderen auteur toeschreven. Over de praedestinatie bestond binnen den kring der Gereformeerde theologie een vrij sterk verschil van gevoelen, en over de nederdaling ter hel werden steeds meeningen voorgedragen, die van de letter der Catechismusverklaring afweken. In de belijdenisschriften worden tal van teksten als bewijsplaatsen geciteerd, maar exegese en dogmatiek behielden hare vrijheid en stelden soms de onjuistheid der aanhaling of haar gemis aan bewijskracht in het licht. Omgekeerd komen de leerstukken van pactum salutis en foedus operum met zoovele woorden in de confessie niet voor, en toch vonden zij in de dogmatiek algemeen ingang. De Gereformeerde kerken van dezen tijd hebben zelfs in 1905 op de Synode te Utrecht eene niet onbelangrijke wijziging in art. 36 der Nedl. Geloofsbelijdenis aangebracht, en zouden naar strengen maatstaf den naam van orthodox hebben verbeurd. En wat misschien nog sterker spreekt, ofschoon de nieuwere zending, evangelisatie en arbeid der barmhartigheid uit den vreemde naar hier zijn overgeplant, ze worden toch alle door de Gereformeerde kerken met grooten ijver en warme liefde beoefend. Zooals de antirevolutionairen op politiek gebied, met vermijding van Bilderdijks contra-revolutionaire standpunt, zich aansloten bij de Christelijk-historisch beginselen van Groen van Prinsterer en zich steeds tegen het conservatisme hebben verzet, zoo ook kunnen en mogen de belijders der Gereformeerde religie, zoolang zij trouw blijven aan hunne herkomst, nooit den |15| indruk geven, alsof orthodoxie als zoodanig voor hen het hoogste ware. Hoe hoog de belijdenis der kerk ook geschat worde, zij is norma normata, ondergeschikt aan de H. Schrift, en blijft dus steeds voor herziening en uitbreiding vatbaar.

Trouwens, niemand, die meeleeft met zijn tijd, kan in elk opzicht tegen al het moderne gekant zijn. Zooals de moderne theologie over het algemeen nog veel sterker uit de Christelijke traditie denkt en leeft dan zij zelve vermoedt, zoo staat ook de orthodoxie, tenzij zij zich geheel van hare omgeving afsluit, in zwakker of sterker mate onder den invloed van de geestesstroomingen dezer eeuw. Het feit is toch voor geene tegenspraak vatbaar, dat het Christendom heden ten dage in eene crisis verkeert, als misschien nimmer tevoren. Een geval als van Jatho te Keulen staat niet op zichzelf; het is uiting, en volstrekt niet de meest sympathieke uiting van wat in alle Christenlanden in duizenden en nogmaals duizenden hoofden en harten woelt. Het Modernisme in de Roomsche kerk, dat door den paus wel veroordeeld maar daarom nog niet uitgeroeid werd, is er evengoed eene openbaring van, als de „new Theology”, die in een of anderen vorm aan de hoogescholen en in de kerken van schier alle Protestantsche landen ingang vindt. Zooals Bunsen al voor jaren het Semitische van het Christendom in het Japhetische wilde omzetten en Carlyle de Hebreeuwsche gewaden voor de hedendaagsche Christenen niet meer passend vond, zoo zijn alle richtingen en partijen in meerdere of mindere mate aan een „Neubau” bezig en stellen zij pogingen in het werk, om het aloude Christendom te verzoenen met de moderne cultuur. Dat is eene eigenaardigheid niet van ééne richting, bijv. de moderne, maar van alle richtingen zonder onderscheid; en de vraag is alleen, of men bij deze pogingen tot verzoening het Christendom, althans wat zijn wezen aangaat, behoudt of verliest. Zelfs dat men deze verzoening in zoo verschillende richting zoekt, baart geene verwondering. Want het materiaal, waarmede natuur- en geschiedwetenschap, techniek en wereldverkeer en heel de moderne cultuur ons overstelpt, is zoo overweldigend rijk en machtig, dat niemand nog in staat is geweest, om eenheid en harmonie in zijn denken en leven |16| te brengen. Denkt bijv. aan de talrijke en ingewikkelde vraagstukken, die bij de historische critiek van Oud- en Nieuw-Testament, bij de dogmatiek en de ethiek, bij de evangelisatie, de zending en de armenzorg, bij het strafrecht, de sociale wetgeving en de grens der staatsinmenging zich voordoen, en ieder gevoelt, dat wij allen nog zoekende zijn en het laatste woord nog niet spreken kunnen. Ja, op goede gronden laat het zich voorspellen, dat geen enkel mensch en dat niet één geslacht en zelfs niet één eeuw tot oplossing van al deze problemen in staat is, maar dat God zelf in den loop der historie orde in den chaos moet scheppen en het licht uit de duisternis moet doen opgaan.

Van dit hooge standpunt uit beschouwd, zijn de namen orthodox en modern kleinzielig en enghartig te noemen. En daarbij komt nog, dat beide woorden over den inhoud van wat men gelooft niets uitspreken. Modern is een naam, die al in de Middeleeuwen voorkomt en telkenmale gegeven is aan een persoon of partij, die met iets nieuws optrad, van wat voor aard dit ook ware; en orthodox is een woord, dat alleen instemming met eene of andere belijdenis insluit en hoegenaamd niet beslist, of men Grieks of Roomsch, Luthersch of Remonstrantsch, Joodsch of Mohammedaansch orthodox is. Bovendien legt het alleen op overeenstemming met de belijdenis nadruk, alsof dit het eenige en het hoogste ware. Daartoe bestaat nu in de Grieksche en de Roomsche kerk misschien eenig recht, omdat het geloof daar niets meer is dan een nudus assensus aan de waarheden, welke de kerk belijdt, hoewel dit geloof dan toch weer onvoldoende wordt geacht en aanvulling door de liefde behoeft. Maar de fides salvifica droeg in de Reformatie van den aanvang af een gansch ander karakter; ze was eene zaak meer van het hart dan van het hoofd, magis cordis quam cerebri, een vertrouwen op Gods genade in Christus en eene verzekerdheid des heils. De naam orthodox miskent dit element geheel en geeft den indruk, alsof instemming met de belijdenis het een en al ware; en dat is het niet en mag het niet zijn. De universiteit, die ons hier in deze ure samenbrengt, plaatste zich dan ook niet op orthodoxen, maar op Gereformeerden grondslag, en de kerken, met wie hare |17| theologische faculteit in verband staat, heeten niet orthodoxe, maar Gereformeerde kerken. En deze naam verdient verre boven dien van orthodox, en ook van Calvinistisch of neo-Calvinistisch de voorkeur 11). Want in den naam Gereformeerd ligt eenerzijds opgesloten aansluiting aan het verleden, historische continuïteit, handhaving van de Christelijke belijdenis, zooals ze in de Reformatie overeenkomstig de H. Schrift van Roomsche dwalingen gezuiverd werd; en andererzijds de eisch en de plicht, om naar deze Schriftuurlijke en historische beginselen leer en leven van eigen persoon en gezin, en voorts van onze gansche omgeving voortdurend te herzien. Reformati quia reformandi en omgekeerd.


Nog scheever en onjuister zijn de namen van naturalisme en supranaturalisme, die in de bovengenoemde beschuldiging telkens voorkomen. De laatste benaming kreeg in de achttiende eeuw eene zeer bepaalde beteekenis, doch stond toen niet tegenover naturalisme, maar tegenover rationalisme 12). Beide richtingen gingen uit van de gedachte, dat de wereld oorspronkelijk zóó door God was geschapen, dat zij van hare eigene krachten leven en in alle opzichten zichzelve redden kon. Maar terwijl het rationalisme meende, dat de zonde hierin geene wezenlijke verandering had gebracht en den mensch slechts noopte tot grooter krachtsinspanning, oordeelde het supranaturalisme, dat de zonde het verstand en den wil des menschen zóó had aangetast, dat een bijzondere bijstand Gods, bestaande in openbaring eener leer aan het verstand en in ondersteuning van den wil door genade, in eenige, zij het ook geringe mate, noodzakelijk was. Het deïsme, dat aan beide richtingen ten grondslag lag, was echter nog de leer der Schrift noch die van eenige kerkelijke belijdenis; het kwam als een wijsgeerig stelsel in Engeland op, liep op verwerping van heel het Christendom uit en viel zelf onder de scherpe critiek van Kant en Schleiermacher. Supranaturalisten in de historische beteekenis van dit woord zijn de Gereformeerde Christenen dus nimmer geweest, zoodat hun onrecht wordt aangedaan, als zij zonder meer onder dezen naam worden voorgesteld.

Nu kan men deze historische beteekenis van het woord laten varen, |18| en onder supranaturalisme, overeenkomstig de etymologie, de erkenning verstaan van eene orde van dingen, die objectief ligt buiten en boven de natuur en subjectief buiten het bereik van het menschelijk kenvermogen 13). Dan echter is aan het woord zulk een ruime zin geschonken, dat het volstrekt niet meer geschikt is, om alleen die richting aan te duiden, welke hier te lande als orthodoxe tegen de moderne overstaat. De rationalisten der achttiende eeuw zouden er ongetwijfeld tegen opgekomen zijn, als men hen als loochenaars van al het supranatureele had willen voorstellen, en met de eigenlijke naturalisten, zooals Zeno, Epicurus, Lucretius uit den ouden, of Feuerbach, Czolbe, Dühring, Haeckel uit den nieuweren tijd 14) in ééne klasse had willen samenvoegen. Want zij geloofden aan het bestaan van een persoonlijk God, die boven de natuur verheven was, hielden vast aan de zelfstandigheid en onsterfelijkheid der ziel, en waren van het recht en de noodzakelijkheid van den natuurlijken godsdienst ten stelligste overtuigd. Zelfs behoefde een bezonnen rationalist volgens Kant nog niet de werkelijkheid van alle bovennatuurlijke openbaring te loochenen, indien hij van hare erkenning maar niet den godsdienst zelven afhankelijk maakte 15). Eerst wanneer het rationalisme tot loochening van alle bovennatuurlijke openbaring voortschrijdt en geene orde van dingen meer erkent, die van de natuur onderscheiden en boven haar verheven is, gaat het in eigenlijk naturalisme over. Tegen zulk een naturalisme hebben nu waarlijk niet alleen de zoogenaamde orthodoxen, maar zeker ook vele woordvoerders en volgelingen der moderne richting bezwaar.

Toen de moderne theologie hier te lande omstreeks het midden der vorige eeuw opkwam, kenmerkte zij zich inderdaad door haar anti-supranaturalisme, door de besliste loochening van alle openbaring en wonder. Zij zag zich door het innemen van dit negatieve standpunt verplicht, wijl de nieuwere natuur- en geschiedwetenschap naar hare meening onweerlegbaar had aangetoond, dat er van een orde der dingen buiten en boven de natuur geene sprake meer is, dat alles ook op het gebied des geestes natuurlijk toegaat en dat de tijd van het wondergeloof onherroepelijk voorbij is. De theologie moest dit |19| voetspoor der wetenschap volgen, zoozeer zelfs, dat, wanneer zij van God blijft spreken, zij dit niet doet met het oog op een wezen, dat buiten en in dien zin boven de natuur zijn zou, maar omdat een redelijk geloof den religieusen mensch noopt, om, waar hij in het collectief der verschijnselen, orde, regelmaat, wet en harmonie erkent, uit het bekende besluitende tot het niet bekende, in het heelal of het geheel der verschijnselen de werkzaamheid te erkennen van een hoogste wezen, dat, als de kracht in alle kracht, als het leven van alle leven, naar vaste, logische wetten, alles veroorzaakt 16). Het is dus zonder twijfel onjuist, als Prof. Eerdmans zegt, dat de vrijzinnige niet de mogelijkheid van het wonder loochent, maar alleen beweert, dat historisch onderzoek en hedendaagsche ervaring leeren, dat God geen wonderen doet; het supranaturalisme werd door de moderne theologie van den aanvang af niet alleen op historische, maar vooral ook op metaphysische gronden bestreden; zij ontkende niet slechts de werkelijkheid, maar ook de mogelijkheid van openbaring en wonder 17). In zoover sprak Prof. Meyboom in zijne openingsrede van de laatste vergadering van moderne theologen veel meer naar waarheid, dat naturalisme het hoofdkenmerk der moderne richting bleef 18). Men moet toch wel in het oog houden, dat de moderne theologie niet uit eene religieus-ethische behoefte geboren werd, maar een intellectualistischen oorsprong had. Er wordt daarmede over de persoonlijke vroomheid van hare vaders en woordvoerders in het minst geen oordeel geveld, maar het feit is niet wel voor ontkenning vatbaar, dat zij veel meer door de belangen van de nieuwere wetenschap dan door die van den godsdienst geleid werden. Indien iemand voor dit feit nog eenig bewijs verlangde, zou men hem verwijzen kunnen naar de houding, welke de moderne richting, op politiek gebied zich bij het liberalisme aansluitende, tegenover de schoolquaestie aannam. Zij zag de onmisbaarheid en de beteekenis van den godsdienst hier zoo weinig in, dat zij een neutraal onderwijs en eene neutrale opvoeding in de school voorstond en de religie tot de kerk en het gezin, of liever nog tot het hart en de binnenkamer beperken wilde. Die zelfde oppervlakkigheid kleefde de moderne richting aan, overal en ten allen |20| tijde, als zij in wetenschappelijken zin over den godsdienst zich uitliet. Zij aanvaardde de wereldbeschouwing, die toenmaals voor de ware werd uitgegeven, zonder eenige critiek, en gaf op haar eisch ineens alle Christelijke leerstukken prijs. De vraag kwam zelfs niet bij haar op, of zij met het bad ook het kind niet wegwierp. Vóór alle dingen wilde zij modern zijn, up to date; maar daardoor werd zij, als theologie, eene getrouwe copie van het rationalisme der achttiende eeuw 19).

Deze oppervlakkigheid heeft zich op waarlijk verontrustende wijze gewroken, in de armoede der prediking, in de leegheid der kerken, in de practische consequenties, die het volk eruit trok, in de onmacht tot het vormen van eene belijdenis en dogmatiek 20), in de onzekerheid aangaande alle Christelijke leerstukken, in het groote verschil, dat ook op principiëele punten, rakende bijv. den persoon van Christus, het wezen der zonde, de noodzakelijkheid van verlossing, de persoonlijkheid Gods, onder de volgelingen der moderne richting zich voordeed. Er waren en er zijn onder hen allerlei schakeeringen, volgelingen van Kant en van Hegel, ethischen en intellectualisten, conservatieven en radicalen, pantheïsten en theïsten, syncretisten, die Buddhisme, Mohammedanisme, Judaïsme en Christendom vermengen, en particularisten, die aan het Christendom eene bijzondere plaats en eene absolute beteekenis blijven toekennen; zelfs was er een tijd lang van eene „atheïstische nuance” onder hen sprake. Maar vooral is merkwaardig, dat in de latere jaren, onder allerlei invloeden, zooals het pessimisme van Schopenhauer, de weerloosheid van Tolstoï, het socialisme van Marx, het mysticisme der nieuwere kunst, de studie te Woodbrook, de herleving der Hegelsche philosophie, dat onder deze en meer andere invloeden zich eene partij van Malcontenten gevormd heeft, die door de oudmoderne theologie niet meer bevredigd wordt en naar iets anders en iets diepers zoekt. In breeden kring is toen weer ontwaakt het besef van ’s menschen afhankelijkheid en ellendigheid, de overtuiging van den ernst der zonde, de behoefte aan een Verlosser, de noodzakelijkheid van verzoening en wedergeboorte, het geloof aan het mysterie der wereld, de dorst naar gemeenschap met den levenden God. |21| Leerstukken, die allang als verouderd en afgedaan waren beschouwd, zooals dat van den val, van het wonder, van den Christus, van de wedergeboorte, van hemel en hel, kwamen opnieuw in bespreking; de rijkdom der religieuze taal in de geloovige kringen wekte jaloerschheid op; en de aloude Christelijke belijdenis vond bij menigeen een waardeerender oordeel 21).

Het gaat daarom niet aan, alle modernen over één kam te scheren en onder den naam van naturalisten bijeen te voegen. Want allen, die een persoonlijk God belijden, van de natuur in wezen onderscheiden, hoewel in haar tegenwoordig en door zijne voorzienigheid werkzaam; allen, die gelooven aan eene onderhouding en regeering der wereld door Gods almachtige en alomtegenwoordige kracht; allen, die de religie eeren, niet louter als eene aesthetische gemoedsaandoening, gelijk ook de natuur en de kunst die verschaft, maar als een leven in de gemeenschap met den levenden God; allen, die de hope des geloofs koesteren, dat het koninkrijk Gods in den enkelen mensch en in de menschheid over alle zonde en dood de zekere overwinning zal behalen — zij allen zijn, niet in den historischen maar in den etymologischen zin van het woord supranaturalist, al zeggen zij ook de werkelijkheid en de mogelijkheid van het wonder te ontkennen 22). Want als er een God is, die wezenlijk van de natuur onderscheiden en boven haar verheven is, en als er van dien God eene werking en eene leiding uitgaat, welke de gansche macht van het kwade in ethischen en physischen zin aan zijn doel weet dienstbaar te maken, dan is daarmede eene orde van dingen erkend, die boven de natuur en ook boven het menschelijk kenvermogen ligt. Indertijd heeft A. Pierson dan ook terecht tegen Scholten opgemerkt, dat de bede om een rein hart even supranaturalistisch is als die om de genezing van een kranke 23); er is inderdaad geen godsdienst en zedelijkheid, en in geen geval een Christelijke godsdienst en zedelijkheid zonder supranaturalisme. De quaestie van het supranaturalisme is dus waarlijk lang zoo eenvoudig niet, als het in den aanvang door de moderne woordvoerders werd voorgesteld; ze hangt met het wezen, het recht en de waarde van den godsdienst onverbrekelijk samen. De historie der godsdiensten, alsmede |22| de philosophie en de psychologie der religie, hebben dit in de laatste jaren klaarlijk in het licht gesteld. Een natuurlijke godsdienst, of liever nog een godsdienst op den grondslag van het naturalisme, is misschien als wijsgeerig stelsel denkbaar, maar is tot stichting eener gemeente, tot het scheppen van een cultus onbekwaam en komt ook nergens als een godsdienst in de werkelijkheid voor. Alle godsdiensten zijn supranaturalistisch; zij beroepen zich altijd op eene werkelijkheid of eene vermeende openbaring; zij leven alle uit het geloof, dat de Godheid eene macht is boven de natuur. Zoodra het modernisme dan ook den katheder verlaat en het leven intreedt, zoodra het als religie zich uit, in prediking, in gebed of in lied, zoodra het met de ontzaglijke realiteiten van zonde, ellende en dood in aanraking komt, spreekt het zijns ondanks in de taal van het supranaturalisme 24). Er bestaat slechts keuze tusschen zwijgen en buigen voor de oppermacht der natuur, of gelooven en getuigen van een God, die ondanks alles, dat twijfel wekt, een God der liefde en een Vader der barmhartigheid is, en die zijn heiligen wil doet triumfeeren over alle macht, die Hem weerstaat.


Er volgt uit dit alles met logische consequentie, dat bij de quaestie van supranaturalisme of naturalisme niet eene of andere Christelijke belijdenis slechts, maar het wezen van het Christendom, ja van allen godsdienst betrokken is. Op het onlangs te Hamburg gehouden monistencongres sprak Haeckel het nog eens weer in eene door Dr. Heinrich Schmidt uit Jena voorgelezene rede uit, dat de descendentieleer het dogma van de zelfstandigheid en onsterfelijkheid der ziel, evenals ook dat van de vrijheid van den menschelijken wil, ten eenenmale vernietigd had. Wel is waar tracht hij zelf in het monisme eene zekere vergoeding van den godsdienst te vinden, maar het behoeft geen bewijs, dat deze monistische religie slechts den naam gemeen heeft met wat dusver altijd voor godsdienst gegolden heeft en ook in de toekomst gelden zal 25). En de duizenden vermenigvuldigen zich in den tegenwoordigen tijd, die met God hebben afgerekend en den godsdienst houden voor een waan, welke, evenals het spokengeloof, eens voor goed verdwijnen zal. Tegenover hen, die dit naturalistische |23| wereldbeeld ons voor oogen houden, zijn de modernen, voorzoover zij den godsdienst op prijs stellen en handhaven willen, evenzeer tot verdediging geroepen als wij. In de oogen van deze radicale vooruitstrevers zijn zij niet minder achterlijk en bekrompen, en bovendien nog halfslachtiger en inconsequenter dan de belijders van het algemeen, ongetwijfeld, Christelijk geloof. Wat zij in de laatste jaren van die zijde over hun Jezusbeeld en Jezuscultus — om niet meer te noemen — te hooren kregen 26), is in elk geval voldoende, om hun de zekerheid te ontnemen, dat zij de harmonie van „Oud en Nieuw”, de verzoening van het Christelijk geloof en de moderne wereldbeschouwing gevonden zouden hebben; de verzekering dat de toekomst de hunne is 27), schijnt van grootspraak niet vrij.

Ja, deze moderne wereldbeschouwing, die indertijd hun sterkte en de basis hunner operatie was, zinkt hun onder de voeten weg. Het moderne wereldbeeld, dat thans door de wetenschap voor onze oogen wordt opgehangen, ziet er gansch anders uit, dan hetgeen zij een vijftigtal jaren geleden ons te aanschouwen gaf. Toen meende men de gansche wereld met behulp van stof en kracht en wet te kunnen verklaren en koesterde men ten aanzien van de weinige gegevens zeer naieve voorstellingen. Maar heel dit wereldbeeld is verouderd, of althans belangrijk gewijzigd. Bij dieper onderzoek toch zag men in, dat de wereld niet zoo eenvoudig was, als men zich aanvankelijk had voorgesteld. De oorsprong en het wezen der dingen bleef in een ondoordringbaar duister gehuld. De hypothese van Kant-Laplace tot verklaring van het ontstaan der planeten, die langen tijd schier algemeene instemming verwerven mocht, bleek voor de later opgekomen critiek niet bestand. Het leven liet zich, trots alle daartoe aangewende pogingen, althans tot dusver, niet mechanisch-chemisch verklaren. Voor de dierlijke afstamming van den mensch zocht men tevergeefs naar afdoend bewijs. Het psychische in den mensch, inzonderheid zijn bewustzijn en wil, handhaafde zich in zijne zelfstandigheid. In de geschiedenis bleken andere krachten te werken en andere wetten te heerschen, dan in de stoffelijke natuur; evolutie was een woord, dat vooral op dit gebied veelszins misbruikt werd, en bij |24| gebeurtenissen en feiten in het wezen der zaak niets verklaarde; elk mensch en inzonderheid elk genie was een wezen, dat een mysterie in zich sloot. Ja zelfs, in de natuurwetenschap bleken atomen, krachten en wetten mysterieuze grootheden te zijn, die te onbegrijpelijker werden, naarmate ze dieper werden ingedacht. Zoo won de wetenschap, of liever wonnen hare tolken, aan bescheidenheid; het woord onmogelijk, dat vroeger op de lippen bestorven lag, werd met grooter voorzichtigheid gebruikt of zelfs geheel vermeden; in plaats dat de mensch uit de wereld te verklaren was, vatte bij velen weer de overtuiging post, dat de wereld uit den mensch, de stof uit den geest, de werkelijkheid uit de idee verstaan moest worden. Alle zijn bleek dus weer te wortelen in „ein kosmisches Leben schöpferischer Art”. Het werd weer uitgesproken: „Unser Dasein ist kein geschlossener Kreis, sondern steht Eindrücken aus metaphysischen Zusammenhängen offen.” 28) De physica had dus de metaphysica weer noodig, de wetenschap kon de philosophie niet missen; en de laatste oorzaak en diepste grond van alle dingen bleek van dien aard te zijn, dat ze òf volstrekt onkenbaar was òf alleen voorwerp van een kinderlijk geloof kon zijn.

Nu beweer ik niet, dat dit modernste wereldbeeld in alle deelen met het Christendom overeenstemt. Maar dit is toch zeker, dat de moderne theologie met haar naturalisme veel te haastig is geweest. Prof. Eerdmans zegt, dat het supranaturalisme in de laatste eeuwen stukje voor stukje is weggeslagen door de opkomende golven van de „verlichting”; de geesten en duivelen werden met de spoken en heksen naar het rijk der fabelen verwezen, de hemel werd van zijne plaats gerukt en was niet meer in het blauw boven de wolken; de hel en het eeuwige vuur was niet meer ergens in de diepste diepte; God was niet meer onze lieve Heer, maar werd het Absolute, de oergrond van alle dingen. Historisch onderzoek en hedendaagsche ervaring leeren, dat God geen wonderen doet 29). Maar dit is alles veel te boud en te stout gesproken. Van zuiver wetenschappelijk standpunt is men tot zulk eene uitspraak niet gerechtigd, zoolang onze kennis van de natuur en van haar samenhang zoo uiterst gebrekkig is, |25| zoolang de geschiedenis ons eene eindelooze reeks van feiten voorlegt, die op verklaring wachten, en zoolang de godsdienst, die in en van het mysterie leeft, zijn recht van bestaan behoudt. Opmerkelijk is dan ook, dat in verband met de wijziging in de heerschende wereldbeschouwing niet alleen de religie is herleefd 30), maar ook alle begrippen van openbaring, wonder, wedergeboorte enz. opnieuw aan de orde zijn gesteld 31). Het is er verre van daan, dat ze steeds in Christelijken geest worden opgevat, maar hun terugkeer is toch een sterk bewijs, dat zij met den godsdienst, en bij name met den Christelijken godsdienst ten innigste samenhangen. En dit verwondert niemand, die over zijn wezen nadenkt. Want als de godsdienst niet een bloot psychisch verschijnsel is, doch inhaerent is aan de menschelijke natuur 32), recht van bestaan heeft en waarheid is, dan sluit hij in, dat God persoonlijk bestaat, dat Hij zich openbaart, dat Hij gekend en gediend kan worden; meer nog, dan ligt er in opgesloten dat God persoonlijk tot mij in relatie treden en met mij gemeenschap oefenen kan, en dat ik onvoorwaardelijk, ten allen tijde, in nood en dood op Hem vertrouwen en mijn lot voor tijd en eeuwigheid in zijne handen leggen mag. Ik beweer niet, dat deze diepe en rijke idee der religie in alle godsdiensten voorkomt; wij hebben ze juist aan het Evangelie van Christus te danken; maar ieder godsdienstig mensch zal ze toch beamen, en erkennen, dat dat de waarheid en tegelijk de waarde van den godsdienst is. Maar dan geeft deze zelfde godsdienst ons ook het recht en legt hij ons den plicht op, om elke wereldbeschouwing te weerstaan, die voor hem geene plaats laat. Want evengoed als in de wetenschap, de kunst, de zedelijke verschijnselen enz. hebben wij dan in den godsdienst met een stuk werkelijkheid te doen, dat in ieder wereldbeeld op volle, onpartijdige erkenning aanspraak maakt. En welke werkelijkheid openbaart zich hier dan! Wij willen niets afdingen op de belangrijkheid van de ontdekkingen der wetenschap of de uitvindingen der techniek, maar zij halen toch niet in beteekenis bij den godsdienst, die als gemeenschap met God de troost en de vrede der ziel is. In dien geest zeide Prof. Titius op het congres van vrijzinnigen te Berlijn, sprekende over de spanning tusschen |26| evolutie en ethiek, dat hij een aanhanger der evolutiegedachte was, maar: wenn diese Spannung unversöhnlich ist, dann will ich rundweg auf den Gedanken der Entwicklung verzichten, denn ich kann zur Not leben, ohne die Welt zu verstehen, aber ich kann nicht leben, wenn ich nicht mehr weiß, was ich soll. 33) Het is maar eene andere lezing van Jezus’ woord: wat baat het een mensch, of hij de gansche wereld gewint, indien hij zijner ziele schade lijdt. Bij den godsdienst is altijd het innerlijkste van ’s menschen persoonlijkheid, zijn eeuwig geluk, de zaligheid zijner ziel gemoeid 34), en daarom mag hij bij de wereldbeschouwing een ernstig woord meespreken, ja hij brengt zelf eene wereldbeschouwing mede, die door en door supranaturalistisch is en Gode eene macht toekent, welke boven de natuur en boven al ons denken en kunnen hoog verheven is, en alle dingen dienstbaar maakt aan de komst van Zijn rijk en de eere van Zijn naam.


Het is volkomen waar, dat de wetenschap zonder meer ons zóó God niet kennen doet, en inzonderheid niet de wetenschap van den tegenwoordigen tijd. In vorige eeuwen was dat bij de toen heerschende naieve wereldbeschouwing wel eenigszins anders gesteld. God woonde in den hemel, welke boven de wolken gelegen was, en zag vandaar op aarde neer; Hij sloeg het gansch gedrag der stervelingen gade en bestuurde en regeerde alles naar zijn wijzen en heiligen wil; Hij was overal nabij, en zijne tegenwoordigheid werd alom gevoeld. Maar de Kopernikaansche wereldbeschouwing, de uitbreiding onzer kennis aangaande de tweede oorzaken, het inzicht in de heerschappij der causaliteitswet, de diepere psychologische en historische studie van de verschijnselen, hebben God als het ware van ons verwijderd. Het is, alsof overal de natuur tusschen Hem en ons is komen in te staan. Nergens schijnt Hij onmiddellijk tegenwoordig en rechtstreeks werkzaam te zijn. Overal is zijne werkzaamheid door factoren van natuur en historie „vermittelt”; zelfs in het eigen zieleleven en in de diepste geestelijke ervaringen ontmoeten wij Hem niet van aangezicht tot aangezicht 35). De natuur moge God openbaren, zij verbergt Hem evenzeer. Ontelbaar is dan ook het aantal van hen, die aan geen |27| persoonlijk God meer gelooven en dezen naam hoogstens nog gebruiken voor die onbewuste, absolute macht, die alles doordringt, veroorzaakt en beheerscht, voor dien oergrond aller dingen, die geen lieve Heer en geen barmhartig Vader meer heeten kan, maar alleen nog den kouden naam van het Absolute mag dragen. Doch het is even zeker, dat de godsdienst, dat wil zeggen, de mensch zelf in de kern van zijn wezen, daarin niet rusten en daarbij niet leven kan. Hij verlangt naar een God, die hem nabij is, die zijn gebed hoort, die hem redt uit den nood, bij wien uitkomsten zijn tegen den dood, die in één woord, niettegenstaande alle natuurkrachten en natuurwetten, wonderen kan doen en wonderen doet. De wetenschap doet ons dus tot zekere hoogte God kennen als een God van verre, die achter de natuur zich verbergt en niet anders dan middellijk werkt; en de godsdienst predikt een God van nabij, die als een Vader voor zijne kinderen zorgt en in al hunne lichamelijke en geestelijke nooddruft voorziet.

Hier doet zich inderdaad een machtig probleem voor, maar een probleem, dat veel dieper gaat en veel algemeener karakter draagt, dan er door onze moderne bestrijders aan toegekend wordt. Het is volstrekt niet een probleem, waarmede alleen de orthodoxie of de Gereformeerde theologie of het Neo-Calvinisme te worstelen heeft en dat eene tegenspraak zou brengen tusschen hun verleden en hun heden, tusschen hun oud geloof en hunne moderne wereldbeschouwing. Het is integendeel evenzeer eigen aan de moderne richting, voorzoover zij althans nog theologie en religie wil zijn. Het dagteekent ook niet uit den nieuweren tijd, maar is eeuwenoud en heeft eigenlijk altijd bestaan. Niets is gemakkelijker, dan om eenige teksten der H. Schrift, die op zeer anthropomorphe wijze van God spreken, te leggen naast uitspraken van oudere en nieuwere theologen, die aan de absolute verhevenheid Gods, aan zijne immanentie en werkzaamheid in al het geschapene uitdrukking geven. En evenzoo is het eene lichte zaak, om Calvijns Institutie te vergelijken met Kuypers lezingen over het Calvinisme, en dan op eene soortgelijke tegenstrijdigheid te wijzen. Doch men vergeet daarbij, dat de leer van God in de Christelijke theologie niet op enkele losse uitspraken, maar op het geheel der |28| openbaring in de Schrift is gebouwd, en dat het Calvinisme, gelijk het in de vorige eeuw herleefde, niet naar een enkel werk, maar in zijn geheel beoordeeld en met de leer van den Hervormer van Genève vergeleken dient te worden. Op dit onpartijdige standpunt zich plaatsende, zou men al spoedig de verrassende ontdekking opdoen, dat de beweerde tegenstrijdigheid niet tusschen de Schrift en de hedendaagsche theologie, en niet tusschen het Oude en het Nieuwe Calvinisme bestaat, maar dat ze in de Schrift zelve voorkomt en aangetroffen wordt bij elken theoloog. Ik ontken daarmede niet, dat zij in den tegenwoordigen tijd om de bovengenoemde redenen een meer acuten vorm heeft aangenomen; ons wereldbeeld heeft inderdaad eene belangrijke wijziging ondergaan en onze kennis van het verband van oorzaak en gevolg is in natuur en historie aanmerkelijk uitgebreid. Maar principiëel heeft de quaestie altijd bestaan en komt zij hierop neer: hoe is het mogelijk, dat die God, welken de wetenschap doet kennen, en die God, dien de religie behoeft, één en dezelfde God is? Hoe kan het oneindige, eeuwige wezen, dat de kracht is in alle kracht en het leven van alle leven, tegelijk de liefderijke, de genadige en de zorgdragende Vader van zijne kinderen zijn?

Indien wij echter de vraag aldus principiëel stellen, dan gaat ons oog ook terstond open voor deze gansch bijzondere eigenaardigheid der H. Schrift, dat zij de eenheid van beide van den beginne aan predikt en tot den einde toe vasthoudt. De Schepper van hemel en aarde, in wien alle schepselen leven en bewegen en zijn, die onvergelijkelijk, onbegrijpelijk, oneindig en eeuwig is, Hij is tevens de Vader van onzen Heere Jezus Christus en in Hem de Vader van al zijne kinderen. Ik zou de gansche Schrift met U moeten doorloopen, om deze eenheid Gods in hare volle heerlijkheid voor uwe oogen te stellen, maar ik vat alles saam in dit wonderschoone woord van Jesaja den profeet: Alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden. Deze eenheid, die van gansch anderen |29| aard is en een veel rijker en dieper zin heeft, dan het woord monotheïsme uitdrukt, wordt buiten den kring der bijzondere openbaring tevergeefs gezocht. Dáár ligt aan het godsdienstig leven altijd een zeker dualisme ten grondslag, hetzij het zich voordoe als splitsing der Godheid in vele goden en geesten, of als pantheïsme naast en tegenover het polytheïsme, of als onderscheiding tusschen een kwaden en een goeden, een lageren en een hoogeren God, of ook als tegenstelling tusschen de reine idee van het goede en de eeuwige, weerbarstige stof. Toen in deze eeuw het Theïsme der H. Schrift verlaten werd, keerde na eene korte en onbevredigende proefneming met materialisme en pantheïsme, ditzelfde dualisme en polytheïsme in beginsel terug. Nadat de philosophie van Fichte en Hegel, van Schleiermacher en Biedermann de persoonlijkheid aan het absolute had opgeofferd, leidde de later opgetreden Neo-Kantiaansche theologie sommige harer volgelingen ertoe, om de absoluutheid Gods prijs te geven ter wille van zijne persoonlijkheid. De ethische modernen hier te lande maakten indertijd scheiding tusschen de natuurlijke en de zedelijke wereldorde, tusschen God als voorwerp van aanbidding in den godsdienst, en het eeuwige wezen, dat grondoorzaak aller dingen is. In Engeland ontzegde J. Stuart Mill aan God de oneindigheid, gaven Dr. Rashdall en Mc. Taggart zijne almacht prijs, en verdedigde Dr. Howinson het denkbeeld van een niet-scheppende God. In Amerika maakte W. James onderscheid tusschen de metaphysische en de ethische eigenschappen God en achtte de eerste waardeloos. Zoo heeft in deze eeuw, waarin de wetenschap klaarder dan ooit met de eindelooze verscheidenheid en de onmetelijke grootheid toch ook de eenheid van het heelal aan het licht heeft gebracht, het pluralisme der wereld zijne verdedigers gevonden en is de vraag weer aan de orde gesteld, of het polytheïsme niet boven het monotheïsme de voorkeur verdient 36).

In een anderen vorm doet ditzelfde dualisme zich voor, als men de waarheden der religie of de dogmata der kerk nog wel handhaven wil, doch niet anders dan als voorstellingen met eene symbolische waarde. Ook in dezen vorm echter is het dualisme onhoudbaar. Want als het dogma slechts eene symbolische voorstelling is, dan ligt daarin |30| opgesloten, dat de kern daarvan iets anders is dan wat in die voorstellingen wordt uitgedrukt, zooals bijv. het godsdienstig geloof bij Rauwenhoff eigenlijk alleen inhoudt de realiteit van eene zedelijke wereldorde, maar die door de religie met behulp der phantasie wordt ingekleed in een vorm, welke spreekt tot het gemoed, geschikt is voor het volk en bij den cultus past 37). Men erkent dan wel, dat de godsdienst zulk eene hulp der phantasie behoeft, zich er steeds van bedient heeft en dit ook in de toekomst zal blijven doen. Maar dat neemt niet weg, dat die inkleedingen zelve wisselen met den tijd en aan voortdurende verandering onderworpen zijn. In het Oude Testament bijv. werd God menigmaal onder het beeld van een steen, eene rots, eene zon, een schild, een erfdeel en een beker, of ook als een bruidegom, een man, een herder, een geneesmeester, een pottebakker enz. voorgesteld, maar wij zijn daaraan ontgroeid en spreken zoo niet meer. In het Nieuwe Testament pasten de apostelen de Israëlitische namen van Messias, Heer, Koning op Jezus toe; zij spraken van zijn dood als eene zoenofferande, beschreven zijne opstanding als eene herleving van het lichaam, en stelden zijn Geest-worden als eene lichamelijke en plaatselijke hemelvaart voor, om alzoo van den persoon en het werk van Jezus aan hunne tijdgenooten een diepen indruk te geven; maar ook daar zijn wij thans boven verheven, het beeld van een vertoornd Rechter en van een offer ter verzoening past bij ons bewustzijn niet meer. Zelfs als wij tegenwoordig God nog menigmaal een Vader noemen, is dit een symbolische voorstelling, die langzamerhand hare kracht verliest, en hun, die geen vader hebben en buiten een gezin leven, niet meer toespreekt 38). Er is geene lange redeneering voor noodig, dat alle godsdienstige voorstellingen op die wijze hare waarde verliezen en dat hare handhaving bij deze symbolisten tot een bedenkelijk en op den duur onverdraaglijk dualisme leidt. Wij keeren ermede terug tot de Gnostische onderscheiding tusschen geloovenden en wetenden, tot de Nominalistische leer van de dubbele waarheid, tot de tegenstelling tusschen hoofd en hart bij Jacobi, tot de subordinatie van de Statutarische aan de Vernunftreligion bij Kant, en van de voorstelling aan het begrip bij Hegel. En wij worden ermede |31| heengedreven naar de noodlottige scheiding tusschen wereld en kerk, tusschen wetenschap en geloof, tusschen wetenschappelijke en kerkelijke theologie. Alles een gevolg daarvan, dat het symbolisme, aan het pantheïsme verwant, den godsdienst met de kunst, de religieuze voorstellingen met de aesthetische aandoeningen verwart. In de kunst en tot zekere hoogte in den cultus is de symboliek op hare plaats, maar de religieuze voorstellingen kunnen zonder het geloof aan hare waarheid niet leven.


De Christelijke theologie sloeg een anderen weg in. Wandelend in het voetspoor der H. Schrift, handhaafde zij tegelijkertijd de absolute verhevenheid Gods boven alle creatuur en zijne verwantschap aan alle schepselen, inzonderheid aan den mensch, die naar Zijn beeld was geschapen. Dit leidde al spoedig tot eene onderscheiding in de eigenschappen, die aan het Goddelijke Wezen werden toegekend. Er waren negatieve en positieve, quiescente en operatieve, onmededeelbare en mededeelbare eigenschappen. Langs de via negationis werd Hem alles, wat in schepselen is, ontzegd, terwijl Hem dat alles toch langs de via eminentiae weer werd toegekend. Naast de apophatische theologie kwam de kataphatische te staan. Eenerzijds werd beleden, dat God de Oneindige is, wiens naam niet genoemd, wiens wezen niet gedefiniëerd, wien geen enkele eigenschap, zelfs het zijn niet, univoce kon toegeschreven worden. En anderzijds werd toch met dezelfde verzekerdheid staande gehouden, dat Hij veelnamig is, dat allerlei deugden en volmaaktheden Hem naar waarheid worden toegekend, dat Hij genadig is en barmhartig en groot van goedertierenheid. Men zegge dus niet, dat de vroegere theologie van de absoluutheid Gods geen besef had, en dat deze eerst door de kennis van de onmetelijkheid van het heelal aan het licht is gebracht. Want de quantitatieve uitgebreidheid der wereld, welke wij thans zeer zeker veel beter kennen dan de voorgeslachten, heeft niets te beduiden bij het qualitatief-oneindige onderscheid, dat tusschen den Schepper en zijn schepsel bestaat; en dat onderscheid werd in vorige eeuwen veel dieper dan in onze dagen gevoeld. Ook spreke men de goedkoope meening niet na, dat men in de dagen van profeten en apostelen en |32| in de eerste eeuwen der Christelijke kerk zoo gemakkelijk aan wonderen geloofde, omdat men toen van natuur, van natuurkrachten en natuurwetten geen verstand had. Want ook toen droeg men kennis van den gewonen loop der natuur, van ordinantiën, waaraan alle schepselen gebonden waren, van de geregelde afwisseling van dag en nacht, van zomer en winter, van zaaiïng en oogst. En in de Christelijke theologie en philosophie werd het begrip der natuur, van de in haar liggende krachten en wetten, van de verhouding der eerste oorzaak tot de tweede oorzaken, en van heel de voorzienigheid Gods even ernstig als in deze eeuw onderzocht, en in den grond der zaak veel beter verstaan 39). Onze kennis moge in al deze opzichten uitgebreid zijn, zij verschilt van die in vorige eeuwen niet principiëel en heeft zoo weinig de raadselen der natuur opgelost, dat zij veeleer het woord des dichters heeft bevestigd: ins Innere der Natur dringt kein erschaffener Geist. Het pantheïsme en het materialisme, die in de negentiende eeuw zulk eene groote macht over de geesten verkregen, zijn dan ook niet als vrucht van de moderne natuur- en geschiedwetenschap te beschouwen, maar kwamen reeds in de oudheid bij veel geringere kennis der werkelijkheid voor, en zijn door de Christentheologen en philosophen ten allen tijde weerstaan en met bondige argumenten weerlegd. Neen, niet omdat zij van de natuur en hare ordinantiën, van de absolute verhevenheid Gods en van zijne tegenwoordigheid en werking in al het geschapene geen besef hadden, maar in weerwil daarvan hebben zij aan de wondere macht van Gods genade geloofd.

Den grond voor dat geloof ontleenden zij en kunnen ook wij heden ten dage niet anders ontleenen dan aan zulk eene openbaring, die van de algemeene onderscheiden is en een bijzonder karakter draagt. Dat onderscheid ligt ook wel, doch niet allereerst en allermeest in de wijze, waarop de eene en de andere tot ons kwam, in den natuurlijken of den bovennatuurlijken weg, waarlangs God ze tot ons bracht, maar het is vóór alle dingen gelegen in den inhoud, welke bij de eene en andere in wezen verschilt. De algemeene openbaring, die in de natuur, in de geschiedenis, in ons eigen hart en geweten tot ons komt, geeft |33| ons wel eenig besef van de goedheid Gods, doch evenzeer en in nog sterker mate van zijn gerechtigheid en toorn, van zijn onvergelijkelijke grootheid en majesteit of naar het woord van Paulus van zijne eeuwige kracht en goddelijkheid. De dichters en wijsgeeren prediken het heden ten dage zoo luide mogelijk: het leven is voor enkelen misschien iets aangenaams, voor verreweg de meesten is het moeite en verdriet, ellende en leed. De wetenschap van natuur en geschiedenis verandert hier weinig aan; zij moge de kennis vermeerderen en de omstandigheden des levens verbeteren, maar zij kan ons geene verzekering geven van de liefde Gods; de schepping predikt geen liefderijk God. Evenmin worden wij daarvan door het getuigenis onzer conscientie of de ervaringen van ons hart overtuigd; want zoolang beide uit de algemeene openbaring leven, staan zij veel meer beschuldigend dan ontschuldigend tegenover ons en hebben zelve verzoening van noode. De noodzakelijkheid eener bijzondere openbaring wordt negatief nergens sterker door bewezen dan door het sprekende feit, dat allen, die haar ontkennen en met den inhoud der openbaring in natuur en geschiedenis zich moeten tevreden stellen, het recht en de vrijmoedigheid verliezen, om ondanks de gestrengheid en de grootheid Gods aan zijne vaderlijke liefde te blijven gelooven. De historie getuigt daarvan in alle eeuwen, maar spreekt dit nog veel klaarder en krachtiger in deze tijden uit, waarin de wetenschap van de onmetelijkheid van het heelal en van de onverbiddelijkheid der natuurkrachten ons zulk een diepen indruk geeft, dat voor God geene andere namen schijnen over te blijven dan die van het Absolute, de oergrond aller dingen, het leven van alle leven en de kracht in alle kracht. Het geloof, dat daar alleen op steunt, durft niet meer met vrijmoedigheid en nadruk van Gods liefde gewagen, het is tot geen belijden en getuigen meer in staat, het verliest met den inhoud ook de taal des geloofs; het verarmt in woorden, niet theologisch alleen, maar ook in de prediking en het gebed, aan krank- en sterfbed; het moet zich behelpen met eenige algemeene, vage begrippen en gaat voortdurend onder de vreeze voor de wetenschap gebukt. Daarentegen krijgt het geloof terstond vasten grond onder de voeten, als het steunt op eene bijzondere openbaring Gods, |34| welke objectief in den persoon van Christus en subjectief in het getuigenis des H. Geestes tot het hart des menschen komt. Dan wordt de liefde Gods in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest, die ons gegeven is, en zijn wij verzekerd, dat geen wetenschap of cultuur, geen onmetelijk heelal en geen geweldige, meedoogenlooze natuurkrachten ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heer.

Indien nu de religie, niet als religiositeit, maar als werkelijke godsdienst, als gemeenschap met den levenden God, zulk eene bijzondere openbaring, beide objectief en subjectief, insluit, dan neemt de strijd onzer dagen daarmede een zeer ernstig karakter aan. Want hij loopt dan niet over eenige orthodoxe klanken of dogmatische formulen, maar over het behoud van de Christelijke religie zelve, dat is over de ware, over de „vollendet geistliche und sittliche Religion”, zooals Ritschl de Christelijke religie omschrijft. Trouwens, het moet een oppervlakkig psycholoog en historicus zijn, die in de wisselende vormen niets bespeurt van de idee, die eronder verborgen is, en bijv. den dogmatischen strijd der vierde eeuw niet hooger weet te waardeeren dan als een spitsvondigen en hartstochtelijken twist over eene enkele letter in het woord homo- of homoiousios. De Christelijke theologie nam steeds een ander en hooger standpunt in. Zij vermeed de fout van het symbolisme, dat de taal der religie met die der kunst verwart, en handhaafde op grond van Gods eigen openbaring, dat wij menschelijk van Hem mochten spreken, wijl Hij als Schepper aan Zijn schepsel, bepaaldelijk aan den mensch, verwant was. Indien deze verwantschap ook niet bestond, zou de schepping, de herschepping, de godsdienst onmogelijk worden, en zou er alleen voor het agnosticisme plaats overblijven; want tusschen anthropomorphisme en agnosticisme is er geen derde 40). Maar om diezelfde redenen erkende de Christelijke theologie, dat al ons denken en spreken van God eindig, beperkt, onvolmaakt was, niet archetypisch maar ectypisch, niet goddelijk maar menschelijk, niet adaequaat maar analogisch; wij kunnen eigenlijk beter van Hem zeggen, wat Hij niet, dan wat Hij wel is. Ten aanzien van het Christelijk dogma bij uitnemendheid, |35| n.l. de leer der triniteit, werd toegegeven, dat de namen van wezen, persoon, generatie, spiratie enz. gebrekkig waren, en slechts als hulpmiddelen dienst deden, om de waarheid der Schrift ten volle tegenover hare bestrijders te handhaven 41). Van spreekwijzen als de Apostel Paulus soms bezigt, dat God den menschen een vijand was, totdat zij door den dood van Christus wederom in genade zijn aangenomen, zeide Calvijn, dat ze naar onze bevatting zijn geschikt, opdat wij te beter zouden begrijpen, hoe ellendig en rampzalig onze toestand buiten Christus is 42). Heel de Christelijke theologie is zelfs op de onderstelling gebouwd, dat zij niet in een letterlijk naspreken van de H. Schrift bestaat of bestaan kan, maar dat zij, in de bijzondere openbaring positie nemend, zelfstandig en vrij, alleen door haar object gebonden, zich ontwikkelen mag en zich daarbij heeft aan te sluiten aan het bewustzijn en leven van den tijd, waarin zij optreedt en arbeidt. Daarnaar hebben de kerkvaders gehandeld, als zij met behulp van de wijsgeerige denkvormen van hun tijd de Christelijke waarheid zich eigen trachtten te maken. En niet anders gingen de Hervormers te werk, toen zij belijdenis en theologie zuiverden van ingeslopene Joodsche en Heidensche dwalingen, en de Goddelijke waarheid wederom zoo verkondigden, dat zij zich aanbeval aan de consciëntiën der menschen.


Soortgelijk is de roeping, welke in den tegenwoordigen tijd op alle Christenen, inzonderheid die van Gereformeerde belijdenis, rust. Wetenschap en leven stellen ons beide voor een aantal ontzaglijke problemen, waarbij het Christendom meer dan ooit zijne catholiciteit te bewijzen heeft en het Evangelie toonen moet, dat het een woord is voor alle volken, tijden en toestanden. Indien wij daarbij uitgaan van de overtuiging des geloofs, dat algemeene en bijzondere openbaring afkomstig zijn van denzelfden God, dat zijne absolute verhevenheid boven alle schepselen zijne verwantschap aan en zijne gemeenschap met den mensch niet uitsluit, dan mag die roeping moeilijk zijn en zeer vele gevaren van dwaling en afwijking met zich brengen, maar onmogelijk te vervullen is zij dan niet. Want het is dan een en dezelfde |36| waarachtige en levende God, die in Christus zijne barmhartigheid openbaart en die tevens, door middel van de nieuwere natuur- en geschiedwetenschap, van zijne eeuwige kracht en Goddelijke majesteit getuigenis geeft. Ongeoorloofd wordt het dan, om van de wereld zich af te sluiten en de kennis te versmaden, welke in deze eeuw door Gods voorzienigheid van alle zijden ons toegevoerd wordt. Wij weerstaan dan de tactiek van Julianus den Afvallige, die aan de Christenen de wetenschap en het leerambt ontnemen en hen in naam der orthodoxie op een verouderd standpunt terugdringen wilde, en wij handhaven het recht, om met alle hulpmiddelen, welke wetenschap en cultuur ons ten dienste stellen, te beter de waarheid Gods in zijne algemeene en bijzondere openbaring te leeren verstaan en nog inniger dan tevoren tot ons geestelijk eigendom te maken. Zoo zijn wij dankbaar, dat wij in het organisch karakter van openbaring en inspiratie een dieper inzicht verkregen, dat de historische omstandigheden, waaronder de profeten en apostelen zijn opgetreden, gesproken en geschreven hebben, ons steeds beter bekend werden, dat wij de wegen nauwkeuriger vervolgen kunnen, waarlangs Christus de stichting zijner gemeente en de ontwikkeling zijner waarheid geleid heeft. In beginsel is dit door de theologie ten allen tijde erkend. De exegese en dogmatiek, welke in de Christelijke kerk beoefend werden, rekenen voortdurend met het feit, dat de profeten zich bijv. in de teekening der toekomst van Israëlietische voorstellingen en beelden hebben bediend, dat de apostelen het Evangelie verkondigden in de taal, die toen bij het volk gebruikelijk was, en dat Christus zelf als een Israëliet te midden van zijn volk heeft geleefd. Trouwens, als de Schrift zegt, dat God voortijds vele malen en op velerlei wijzen tot de vaderen gesproken heeft, dat het woord van Hem uitging maar door middel van de profeten en apostelen tot ons komt, dat Christus uit de vaderen is zooveel het vleesch aangaat, dat God onder Paulus’ prediking het hart van Lydia opende, dan schenkt zij ons in deze en in tal van andere getuigenissen het recht en den plicht, om naar de psychologische en historische voorwaarden onderzoek te doen, waaronder revelatie en inspiratie, incarnatie en regeneratie plaats hebben, |37| en het organisch karakter van al deze wondere feiten in het licht te stellen. Heel de Schrift predikt de eenheid Gods, dat is de eenheid van den God der natuur en van den God der genade, en kan daarom schepping en herschepping niet dualistisch scheiden, maar bindt ze altijd organisch en harmonisch saam. Dien samenhang op te sporen en aan te wijzen, behoort daarom tot de taak der theologische wetenschap. Maar zij zou hare roeping miskennen en hare bevoegdheid te buiten gaan, wanneer zij uit dit verband en deze analogie van natuur en genade tot de identiteit van beide besloot, of ook met het mysticisme de natuur aan de genade of met het rationalisme de genade opofferde aan de natuur. De voorwaarde, waaronder, en de wijze, waarop eene gebeurtenis plaats grijpt, is toch iets gansch anders, dan de oorzaak, waaruit ze voortvloeit en de inhoud, dien zij bevat. In natuur en geschiedenis, in het physische en het psychische leven, in verstand en wil, in schepping en herschepping zijn het niet in de eerste plaats de wetten, maar de krachten, die onderscheid maken, en die krachten werken overal naar haar eigen aard. Daarom gaat in de religie en theologie de strijd principiëel om den inhoud, dat is, om de realiteit der openbaring Gods. Bij elk dogma, van wereld en mensch, van Christus’ persoon en werk, van zijne weldaden en genademiddelen is het der Christelijke religie en theologie steeds om God zelven te doen, om de gemeenschap met Hem, wien te kennen het eeuwige leven is 43).

Wanneer ik van het punt, dat thans bereikt werd, op den afgelegden weg terugzie, komt het mij niet in strijd met het uitgangspunt voor. Dit zou wel zoo wezen, als het wereldbeeld, dat de nieuwere natuur- en geschiedwetenschap ons kennen doet, slechts monistisch te duiden ware. Maar het monisme wordt in zijne verschillende vormen door de bestaande ongelijkheid in de wereld zoo stellig weersproken en offert de verscheidenheden en tegenstellingen onder de schepselen zoo roekeloos aan eene abstracte en vage formule op, dat het uit reactie zelfs het pluralisme en het polytheïsme in het leven riep. Ofschoon het zich met schijn van recht op de eenheid en orde in de wereld, op de verwantschap en analogie van alle schepselen beroepen kan, dankt |38| het zijn opgang en invloed toch vooral daaraan, dat het den geest der eeuw in het gevlei komt, die allerwege door een sterk verzet tegen alle ongelijkheid zich kenmerkt. Nu is de verhouding van de eenheid en de veelheid een probleem, dat altijd aan de orde is geweest; Parmenides en Heraclitus, Spinoza en Hegel, pantheïsme en polytheïsme, Buddhisme en Parzisme staan hier tegenover elkander. Maar practisch heeft het nooit zulk eene beteekenis als in onze dagen erlangd. De gansche wereld schijnt in opstand te zijn; de man wil geen man en vader, de vrouw geen vrouw en moeder, het kind geen kind, de arbeider geen dienstknecht, de burger geen onderdaan meer zijn. In het voetspoor der Fransche Revolutie wandelend, verklaart het socialisme alle ongelijkheid uit de slechte inrichting der maatschappij, zoodat de sociale quaestie zich in het wezen der zaak niet om hooger loon en korter arbeidsduur beweegt, maar tegen alle verschil van lotsbedeeling zich keert en eerst in den beloofden heilstaat haar oplossing vindt. De Christelijke theologie echter, zich latende onderwijzen door de H. Schrift, had een anderen en dieperen blik op de werkelijkheid, en zij sprak het uit, inzonderheid bij monde van Augustinus en Calvijn, dat alle verscheidenheid en ongelijkheid onder de schepselen haar laatste oorzaak en diepsten grond had in den éénen, wijzen en heiligen wil van God Almachtig. Daar is dus wel eene eenheid, die alles samenhoudt; maar die eenheid is niet binnen de wereld zelve, door uitwissching der onderscheidingen en tegenstellingen, te vinden, maar zij rust in de hand van Hem, die als Koning der koningen alle ding regeert. In dit wereldbeeld, dat door de nieuwere wetenschap niet vernietigd, maar integendeel verrijkt en bevestigd is, is er ook voor de bijzondere openbaring en voor de Christelijke religie eene plaats. Want de wereld is niet ééne in monistischen zin; integendeel is zij eindeloos verscheiden, verscheiden in schepselen, in gaven, in krachten, in wetten, in werkingen. In die rijke, veelvormige wereld neemt de bijzondere openbaring eene plaats der eere in, want zij draagt een eigen karakter, heeft een zelfstandigen inhoud, wordt door eene eigene wet beheerscht, en zij vormt grondslag en inhoud van den Christelijken godsdienst, die beheerscht wordt door de wet des Geestes des levens in Christus, welke vrijmaakt van |39| de wet der zonde en des doods. En alles wordt saamgehouden door den almachtigen, wijzen en heiligen, barmhartigen en genadigen wil van Hem, die onze Vader in de hemelen is. In de hemelen, opdat wij van Zijne hemelsche majesteit niet aardschelijk denken zouden, en nochtans onze Vader, opdat wij ten allen tijde met kinderlijke vreeze en toevoorzicht op Hem vertrouwen zouden. |40|


*

Deze belijdenis was de kracht der Vrije Universiteit van hare stichting af, en bleef dat ook in het afgeloopen jaar, waarvan ik de fata U thans nog kortelijk te vermelden heb. Als altijd, gewagen deze ook thans van tegenspoed en van verlies, maar tevens van vooruitgang en winst. Naarmate de Universiteit ouder wordt, ziet zij het aantal inkrimpen van hen, die tot hare stichting medewerkten en hare opening bijwoonden. Uit de rij der stichters werden in dit jaar een viertal door den dood weggenomen, de Heer F.N. van der Meulen te Weesp, Dr. Ph.J. Hoedemaker, predikant der Ned. Herv. gemeente te Amsterdam, de Heer E.G. Wentink te Schalkwijk en de Heer J. van Alphen te Hengelo. Dr. Hoedemaker was bovendien van 1880 tot 1887 als hoogleeraar in de Theologie aan onze Hoogeschool verbonden, maar zag zich in het laatstgemelde jaar, wegens verschil van meening met zijne ambtgenooten over de kerkelijke quaestie, tot neerlegging van zijn ambt verplicht. Toch bleef hij ook daarna een warm, talentvol verdediger van Gereformeerde beginselen en werd als zoodanig voor velen tot een rijken zegen gesteld. De Heeren Wentink en van Alphen behoorden niet alleen tot de stichters der Universiteit, maar bleven ook jaren lang, als Directeuren der Vereeniging voor Hooger Onderwijs, met hunne gaven en krachten haar dienen; toen zij als zoodanig aftraden, was hunne sympathie onverzwakt; laatstgenoemde bewees zijne liefde ook na zijn dood nog door een rijk legaat. In de Commissie van Toezicht, bedoeld bij art. 201 van de wet op het Hooger Onderwijs, kwamen twee plaatsen ledig; eene door het droeve ongeval, dat den Heer Mr. J.C. de Marez Oyens op 3 Aug. van dit jaar te Partenkirchen in Zuid-Beieren overkwam en aan zijn rijk en |41| hooggewaardeerd leven een einde maakte, en eene andere door het overlijden op 6 Oct. j.l. van den Heer Jhr. Mr. P.J. van Beijma, die door zijne onpartijdige welwillendheid en vriendelijke belangstelling ook in onze kringen de harten won.

Overigens werden wij door de goede hand Gods voor smartelijke verliezen bewaard. De zes deputaten voor de oefening van het verband tusschen de Gereformeerde kerken in Nederland en de theologische faculteit der Vrije Universiteit kweten zich van hunne taak met loffelijken ijver en zagen op de laatstgehoudene Synode hun mandaat vernieuwd. In het College van Directeuren kwam alleen verandering, doordat de Heer Tijo H. van Eeghen aan de beurt van aftreden en niet herkiesbaar was. Gelijk hijzelf gaarne gebleven was, hadden wij hem gaarne behouden, zoodat wij hem, onder dankzegging voor de bewezen diensten, een hartelijk: tot weerziens toeroepen. Intusschen verblijden wij ons, dat zijne plaats naar de op de jaarvergadering uitgebrachte keuze terstond werd ingenomen door den Heer H. Bos van Rotterdam, dien wij namens den Senaat in het College van Directeuren van harte welkom heeten, en wien wij in zijne nieuwe qualiteit een nuttigen en vruchtbaren arbeid toewenschen.

Ook het College van Curatoren gaf, niettegenstaande zijne verhevenheid boven het artikel der verplichte aftreding, van zijne ondermaansche onbestendigheid blijk. Maar de oorzaak was nu juist niet van bedroevenden aard. In den loop van het akademische jaar verspreidde zich het gerucht, dat aan de Vrije Universiteit eene belangrijke erfenis ten deel was gevallen; men sprak van tonnen gouds en van meer dan een millioen, maar het rechte kwam niemand te weten en weet ook de aftredende Rector nog niet. Op de jaarvergadering der Vereeniging voor Hooger Onderwijs, gehouden te Zwolle den 6en Juli, deed de Voorzitter volgens opdracht van Heeren Directeuren eenige mededeelingen, die een tip ophieven van het gordijn, dat de geheimzinnige erfenis aan onze nieuwsgierige blikken onttrok. Volgens die mededeelingen had de heer Ds. C.L.D. van Coeverden Adriani, die den 21en Januari van dit jaar te Velp overleed, bij testamentaire beschikking eene stichting in het leven geroepen, welke bestaat uit |42| en tot rentegevend eigendom en kapitaalfonds heeft de geheele nalatenschap van den overledene, en ten doel heeft de bevordering van het bijzonder Hooger en Voorbereidend Hooger Onderwijs in Christelijken geest, meer bepaald op Gereformeerden grondslag. Dienovereenkomstig zal het bedrag, dat uit de jaarlijksche rente van het kapitaal en de jaarlijksche zuivere opbrengst van de landerijen overblijft, nadat eerst aan alle andere verplichtingen, in het testament aangewezen maar ons nog geheel onbekend, voldaan is, aangewend worden ten nutte der Vrije Universiteit, met dien verstande echter, dat de theologische faculteit geen steun uit de gelden dezer stichting ontvangt. Ofschoon er zoo voor de nietingewijden nog veel geheimzinnigs aan deze erflating blijft kleven, durfde de Voorzitter der jaarvergadering, Mr. S. de Vries Czn., die in zijne verschillende ambtelijke en niet-ambtelijke werkzaamheden steeds zijne zelfbeheersching behoudt en altijd weet wat hij zegt, van eene „vorstelijke beschikking” gewagen. Op zijn gezag nemen wij deze qualificatie in onze fata over, en brengen ook onzerzijds onzen hartelijken dank aan Mevrouw de Wede. van Coeverden Adriani, die aan deze beschikking van haren echtgenoot haar volle instemming en goedkeuring gaf. Maar deze stichting kwam ons toch op het verlies van Dr. H. Franssen als Curator te staan; in het testament was n.l. bepaald, dat het executeurschap, waartoe Dr. Franssen benoemd werd en dat hij na rijpe overweging aannam, met het Curatorschap der Vrije Universiteit niet vereenigd mocht worden. Terwijl hij dus in de eene functie ons verlaat, keert hij toch in eene andere, niet minder belangrijke qualiteit tot ons terug, en wij hopen, dat hij in deze nieuwe betrekking vele jaren ten nutte van onze Hoogeschool werkzaam moge zijn.

Tegenover de wisselingen in het college van Directeuren en Curatoren maakt het college van Hoogleeraren den indruk van eene rotsvaste bestendigheid. Er kwam niet de minste verandering in, gelukkig niet door krankheid, emeritaat of overlijden, maar helaas ook niet door aanvulling of uitbreiding. De tegenwoordige Rector zou van eene uitbreiding van het aantal hoogleeraren met bijzonder genoegen melding hebben willen maken, maar hij moet zich tevreden stellen met |43| den wensch, dat de geschiedenis het volgend jaar op dit punt belangrijker en uitvoeriger moge zijn. Als hij de sobere fata op die wijze met vota uitbreiden mag, neemt hij de vrijheid daaraan ook nog de bede toe te voegen, dat het reeds lang bestaande voornemen, om het hospitium te verbouwen, eerlang tot uitvoering moge komen. De noodzakelijkheid wordt schier algemeen erkend. De kosten zijn geen struikelblok meer. Er behoort alleen eenige wilskracht en volbarding toe. En wat daarmee tot stand te brengen is, kwam dit jaar op schitterende wijze bij de opening der psychiatrische en neurologische kliniek aan het licht. Dit gebouw is verrezen als de vrucht van een arbeid van jaren en als de verhooring van veel gebed. Reeds in 1887 werd de wensch uitgesproken, dat het eerlang komen mocht tot stichting van eene medische faculteit aan de Vrije Universiteit, met een leerstoel in het bijzonder voor de psychiatrie. Sedert bleef de zaak aan de orde en kwam ten slotte den 9 April 1907 een contract tusschen de Vereeniging tot Christelijke verzorging van krankzinnigen in Nederland en de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag tot stand. In September van dit jaar werd Dr. L. Bouman tot hoogleeraar benoemd, en dit had weder ten gevolge, dat de actie voor den bouw eener kliniek met kracht ter hand genomen werd. Inzonderheid is het aan de bezielende volharding van den Voorzitter der Vereeniging tot Christelijke Verzorging van krankzinnigen, den Heer Prof. L. Lindeboom, te danken, dat de bouw trots allerlei bezwaren ondernomen werd. In het begin van 1909 werd de eerste steen gelegd, den 3en Nov. 1910 werd de psychologische en neurologische kliniek in bijzijn ook van den Rector onzer Universiteit geopend, en thans is ieders vreeze beschaamd en ieders verwachting overtroffen; het geloof heeft over allerlei bedenkingen en moeilijkheden de overwinning behaald. In die kliniek hebben wetenschap en barmhartigheid een liefelijk verband gesloten, en de Vrije Universiteit is er eene gewichtige schrede mede vooruitgegaan op den weg naar het ideaal.

Ook het aantal studenten, dat enkele jaren achtereen stationair bleef of zelfs verminderde, ging in het afgeloopen jaar weer vooruit. Bij den aanvang van mijn rectoraat gaven zich 132 studenten voor de |44| recensie op, en spoedig daarna liet zich, nog Ťťn student in de rechten inschrijven. Het voorjaar bracht ons ineens een zevental studenten uit Zuid-Afrika, die allen reeds hun candidaatsexamen aan de Theol. School te Stellenbosch hadden afgelegd, en toch met onze Universiteiten wenschten kennis te maken en voor een korter of langer tijd hare colleges wenschten bij te wonen. Zij werden vůůr de groote vacantie nog gevolgd door twee predikanten uit de Christelijke Gereformeerde kerk in Amerika, die, ofschoon reeds eenige jaren in de bediening werkzaam, toch het verlangen niet konden onderdrukken, om hunne studiŽn aan onze Hoogeschool voort te zetten en zoo mogelijk met den doctoralen graad te bekronen. Het is onnoodig te zeggen, dat wij deze belangstelling, die wij meer en meer uit het buitenland gaan ondervinden, op hoogen prijs stellen; wij zijn klein in aantal en kracht, maar eendracht van allen, die dezelfde beginselen belijden, maakt sterk en stelt tot groote dingen in staat. Van de zeven studenten uit Zuid-Afrika bleef een viertal slechts tot de groote vacantie bij ons, om ook nog eenigen tijd voor een bezoek aan het Seminary te Princeton over te houden. De nieuwe cursus bracht 25 nieuwe studenten aan, 12 in de theologie, 7 in de rechten, 3 in de letteren en 3 in de medicijnen. De werkelijke toestand is thans deze, dat er aan onze hoogeschooi 149 studenten zijn ingeschreven, waarvan 77 in de theologie, 44 in de rechten, 15 in de letteren, 6 in de medicijnen, 4 in de wis- en natuurkunde, en 3 in letteren en rechten saam. Promoties hadden er onder mijn rectoraat 9 plaats, 5 in de theologie en 4 in de rechten. Doctoraal examen werd afgelegd door 2 studenten in de letteren en 3 in de rechten. De litterarische faculteit nam 2, en de juridische faculteit 4 candidaatsexamens af; in de theologische faculteit deden 8 studenten het semi-, en 7 met goed gevolg het candidaatsexamen. Het propaedeutisch examen werd voor de theologie door 3 studenten, dat voor de rechten door 6 met gunstigen uitslag afgelegd; terwijl van de nieuwe studenten een drietal door het admissie-examen zich den weg tot de Universiteit ontsloot. Ofschoonhet leven van enkele studenten te wenschen liet en den senaat tot het oefenen van tucht noodzaakte, valt er toch van veel goeds te gewagen, en dat |45| goede wordt rijker en grooter, wanneer wij onzen gezichtskring uitbreiden en ook denken aan de Gereformeerde studenten, die vanwege het onvoltooide onzer hoogeschool, aan de openbare universiteiten hunne opleiding zoeken. Hunne Unie, die den 9 Febr. 1886 te Leiden onder den naam Hendrik de Cock tot stand kwam en in 1905 den naam van Societas Studiosorum Reformatorum aannam, vierde den 9 Febr. j.l. het luisterrijk feest van haar vijfentwintigjarig bestaan, hetwelk ook door den Rector der Vrije Universiteit werd bijgewoond; en toen bleek, dat deze Unie, met vijf leden begonnen, 117 oudleden en 85 leden telde, een getal, dat van ongedachten vooruitgang spreekt en goede hope voor de toekomst biedt. Indien ik aan dit alles nu nog toevoegen mag, dat het hospitium, onder de zorgvolle leiding van Mevrouw Janssonius, in een bloeienden toestand verkeert, dat de somberheid van het bibliotheekvertrek door de onverdroten hulpvaardigheid van Dr. J.C. Breen en zijn assistent wordt opgevroolijkt, dat de Heer Van Oversteeg in het behartigen van de administratieve belangen onzer Universiteit standvastig en met voorbeeldigen ijver voortvaart, en dat de Heer B.J. Muller, die met den nieuwen cursus als pedel zijn ontslag verzocht en verkreeg, door den Heer G. van der Steen vervangen werd, die zich door zijne bekende dienstwilligheid voor deze betrekking bijzonder aanbeval — dan heb ik daarmede mijn getrouw verslag van de lotgevallen onzer Akademie ten einde gebracht.

In den, ondanks veel gebrek, toch bloelenden toestand, waaraan blijkens de fata onze Universiteit verkeert, draag ik thans haar bestuur over aan U, Hooggeleerde Ambtgenoot, Prof. Dr. Robertus Hermanus Woltjer, die door Heeren Directeuren voor het komende jaar tot Rector benoemd werdt. Ik doe dit met een opgeruimd en volvaardig gemoed, omdat ik mij door het neerleggen van deze waardigheid verlicht, en Gij, voor wien zij al de bekoorlijkheid en aantrekkelijkheid van het nieuwe heeft, er U zeker vereerd mee gevoelt. Wel is het rectoraat eener hoogeschool slechts eene schaduw meer van wat het in vroeger dagen was. De constitutioneele en parlementaire regeeringsvorm werkte ook in de Akademische kringen door, beperkte de macht van den Rector en verdonkerde zijne glorie, Maar toch is het nog een ambt, dat het |46| hart kan doen zwellen van trots. Want welke is niet de macht en de eere van den Rector! Zijne bevoegdheden wachten aan onze hoogeschool nog altijd op eene regeling bij afzonderlijke instructie, zoodat de lijvige bundel van onze statuten, reglementen, instructiŽn, regelingen enz. nog eene bedenkelijke leemte vertoont. Maar de ongeschreven wet, die sterker is dan eenig reglement, kent hem toch velerlei bevoegdheden en voorrechten toe. Hij belegt en presideert de vergaderingen van den Senaat en kan er zoovele uitschrijven, als hij noodig en nuttig oordeelt. Op die vergaderingen heeft hij niet het hoogste, maar toch het eerste en het laatste woord. Bij processies, bijv. naar en uit deze groote zaal heeft hij den voorrang en gaat hij zelfs aan de Curatoren vooraf. Hij vertegenwoordigt den Senaat bij voorkomende officieele gelegenheden, gaat op audiŽntie bij de Koningin, als Hare Majesteit haar jaarlijksch bezoek aan de hoofdstad brengt, en wordt uitgenoodigd tot bijwoning van bal of raout. Opdat hij onder al deze zorgen niet bezwijken zoude, krijgt hij den pedel speciaal tot zijne beschikking, geniet hij de vooraanzitting aan de maaltijden en begint hij de uitoefening van zijn ambt met de om des voordeels wil niet te versmaden recensie. Hoe groot al deze bevoegdheden en voorrechten ook mogen zijn, ik draag ze toch vol vertrouwen aan U, Hooggeleerde Woltjer, over, wetende, dat liefde tot onze Universiteit Uw hart vervult en eerbied voor hare wetten een kenmerk is van Uw ordenenden geest. Geve God u het voorrecht, om deze hoogeschool in het komende jaar te regeeren met wijsheid en kracht, en haar te brengen tot meerderen bloei. Uwe proclamatie tot Rector besluit ik met de exclamatie: de Rector is dood, leve de Rector, en bloeie de Universiteit!

Ik heb gezegd. |47|




Aanteekeningen.


1. De beschuldiging ging vooral van Prof. B.D. Eermans te Leiden uit, en werd telkens door hem herhaald. Hij sprak er meermalen over in den kring zijner geestverwanten en in lezingen voor het volk; en gaf er publiciteit aan in verschillende artikelen, als: De Theologie van Dr. A. Kuyper, Theol. Tijdschr. 1909 bl. 209-237. Bijzondere Openbaring, ib. 1910 bl. 377-396. The progressive element in the Reformed Churches of Holland, opgenomen in The Christian Commonwealth, the organ for the progressive movement and social ethics 1910 bl. 436. Op het congres van vrijzinnigen te Berlijn hield hij eene rede over: Wandlungen der Calvinistischen Orthodoxie im zwanzigsten Jahrhundert, welke opgenomen werd in de acta van dat congres, Fünfter Weltcongress für freies Christenthum und religiösen Fortschritt. Berlin-Schöneberg 1911 bl. 430-442. Zakelijk komt met deze rede de brochure overeen, welke hij onder den titel: Moderne Orthodoxie of orthodox Modernisme, in dit jaar bij de Hollandia-drukkerij het licht deed zien. Toen Dr. W.J. Aalders in de Nederl. Kerkbode 1911 nr. 46, 47, en Prof. Dr. H.M. van Nes in zijne brochure: Modern of Orthodox, Baarn 1911, tegen de aanklacht van Prof. Eerdmans hunne bezwaren inbrachten, beantwoordde deze hen terstond met een artikel: Orthodox verweer, in het Theol. Tijdschr. 1911 bl. 342-346. Bovendien kreeg hij bij zijn aanval onverwacht steun van Dr. C.B. Hylkema, die onder den titel: Oud en Nieuw Calvinisme. Een vergelijkende geschiedkundige studie, een boek van 400 bladzijden bij Tjeenk Willink te Haarlem verschijnen liet en daarin dezelfde beschuldiging uitsprak. Maar er is tusschen beide strijders toch eenig onderscheid. Prof. Eerdmans stelt zich vooral ten doel, om de onhoudbaarheid der orthodoxie, niet alleen bij de Gereformeerde theologen, maar ook bij mannen als Valeton, van Dijk, Wildeboer, van Nes enz. in het licht te stellen; Dr. Hylkema gaat meer historisch te werk, geeft tal van citaten uit Calvijns Institutie en vergelijkt daarmede de uitspraken over verschillende dogmata, gelijk die bij Gereformeerde theologen uit den nieuweren tijd, en vooral bij Dr. Kuyper in zijne Lezingen over het Calvinisme voorkomen. Op bl. 284 trekt hij daaruit de conclusie, dat oud- en nieuw calvinisme twee geheel zelfstandige godgeleerde stelsels zijn, die elk van beide een eigen wereldbeschouwing tot grondslag hebben. Desniettemin toont hij van bl. 285 af aan, dat er eenheid is in veranderlijkheid, en dat beide stelsels toch denzelfden naam kunnen dragen, omdat zij op ééne grondgedachte rusten en uit één beginsel opgebouwd zijn. |48|

Dr. Hylkema doet mij de eer aan, ook soms uit mijne geschriften iets aan te halen. Maar op bl. 138 zet hij de uitdrukking: een evolutionistische schepping Gods, tusschen twee aanhalingsteekens en schrijft die aan mij toe, zonder de plaats te vermelden, waar ik ze gebezigd heb. Voorzoover ik weet, is ze echter nimmer uit mijne pen gevloeid. Evenzoo haalt de schrijver in de noot op bladz. 99 tusschen twee aanhalingsteekens eene redeneering van mij over het pelagianisme aan, wederom zonder aan te geven, waar hij ze vond, doch ook dit citaat komt mij verdacht voor. Misschien mag ik hieruit afleiden, dat Dr. Hylkema met mijne dogmatiek slechts oppervlakkig heeft kennis gemaakt; zoo zou ook te verklaren zijn, dat hij eenerzijds zegt, dat dit werk nog altijd op een behoorlijke weerlegging van vrijzinnige zijde wacht, bl. 79 v. en er anderzijds een zeer onvriendelijk en onbillijk oordeel over velt, bl. 187.

2. Troeltsch, Protest. Christentum u. Kirche in der Neuzeit, in: Die Christl. Religion. Teubner Leizpig 1905 bl. 252 v. (Die Kultur der Gegenwart I Abth. 4).

3. Reinke, Die Natur und Wir2. Berlin 1908 bl. 53.

4. Bilderdijk, Dichtwerken VIII 307.

5. P. Gruner, Die Welt des Unendlich Kleinen. Naturwiss. Verlag, Godesberg bei Bonn z.j.

6. Wilhelm Branca, Der Stand unserer Kenntnisse vom fossilen Menschen, Leipzig 1910 bl. 60. Verg. ook Alois Schmitt, Der Ursprung des Menschen, Freiburg Herder 1911, die de onzekerheid der descendentieleer zeer duidelijk aantoont.

7. Dr. L. Perrier, Les premières manifestations du sentiment religieux d’après les récentes données de l’anthropologie préhistorique, Foi et Vie, 16 Juillet, 1 Août 1909.

8. Zie bijv. H. Schurtz, Völkerkunde, Leipzig 1893 bl. 27 en S.R. Steinmetz, De Studie der Volkenkunde, ’s Gravenhage 1907.

9. Vooral Ds. Beversluis drong in zijne brochure: De onzuiverheid der partijverhoudingen enz. op eene verandering in de toestanden en eene toenadering der partijen aan, maar had op de vergadering te Utrecht, 24 April jl. weinig succes; de zes punten van overeenkomst, door hem voorgesteld, werden niet aanvaard. Op de zesde algemeene vergadering van de N.-Brab. en Limb. Predikantenvereeniging hield Ds. D. van Peursum van Eindhoven een referaat, waarin hij de gedachte ontwikkelde, dat samenwerking niet op grond van onderlinge waardeering te verkrijgen was, maar op eenheid van beginsel moest rusten, en dat dit beginsel alleen kon gevonden worden in de wedergeboorte, in tegenstelling met het oud-moderne humanisme, dat altijd van zelfvolmaking sprak (De Hervorming van 8 Juli 1911).

10. Burger, art. Orthodoxie in PRE3 XVI 495-498.

11. Rutgers, Calvijns invloed op de Reformatie in de Nederlanden enz., Leiden 1898 bl. 94, 225-227. |49|

12. O. Kirn, art. Rat. u. Supran. in PRE3 XVI 447-463.

13. Scholten, Supranaturalisme in verband met Bijbel, Christendom en Protestantisme, Leiden 1867 bl. 1.

14. Eisler, Wörterbuch d. philos. Begriffe s.v. Naturalismus.

15. Kant, Religion innerhalb usw. ed. Hartenstein bl. 185, cf. PRE3 XVI 449.

16. Scholten, Supran. bl. 1-5.

17. Eerdmans, Theol. Tijdschr. 1911 bl. 360. In dezelfde aflevering komt een artikel voor van Dr. G.A. van den Bergh van Eysinga, waarin zoo kras mogelijk wordt gezegd: de wetenschap kent en erkent geen wonder enz. bl. 333. En dit was van den beginne af het standpunt der moderne theologie, men zie slechts het aangehaalde werkje van Scholten en voorts Pierson, De oorsprong der moderne rigting2 1862. De moderne rigting en de Kristelijke kerk 1866. Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 enz. Zoo werd haar beginsel ook door anderen opgevat, bv. door A.T. Reitsma, De moderne theologie 1862 bl. 15 enz. Voor en tegen de moderne theologie 1863 bl. 6. Verg. verder ook Doedes, Modern of Apostolisch Christendom 1860, en, De Moderne Theologie eenigszins toegelicht 1861. J. Cramer, De illusie der moderne rigting 1862, en Het berouw en het ethisch determinisme 1868. A. Kuyper, Het Modernisme, een fata morgana 1871.

18. Meyboom, Bijvoegsel behoorende bij „De Hervorming” van Zaterdag 10 Juli 1911 bl. 4.

19. Es sind nur wenig Gedanken, freilich aber auch entscheidende, die wir selbständig gefunden haben; die meisten sind uns mit dem Rationalismus gemeinsam, zegt Niebergall, Fünfter Weltkongreß f. freies Christ. usw. bl. 263.

20. Op de vergadering van moderne theologen 8 en 9 April 1902 gaf F.C. Fleischer uiting aan het verlangen naar eene moderne dogmatiek, maar Prof. Cannegieter kwam daartegen op en zeide: wij modernen zijn zoo rijk, dat wij niet in een ommezien kunnen zeggen, wat wij hebben; „alleen bedelaars weten wat zij bezitten”. Zie het 1e en 2e bijvoegsel bij „De Hervorming” van 17 Mei 1902.

21. Eerdmans (Ignotus) schreef in den geest der Malcontenten zijne twee artikelen: Reactie of Vooruitgang in het Theol. Tijdschr. 1908 aflev. 1 en 2. En voorts wijs ik bij wijze van voorbeeld op de in noot 9 aangehaalde voordracht van Ds. van Peursum, op het in de vorige noot geciteerde referaat van F.C. Fleischer, op de verschillende Christologische beschouwingen onder de modernen (cf. mijne Dogm. III2 290. 326), op het artikel over: Het „oude” voorzienigheidsgeloof en het wonder van A.H. van der Hoeve, Theol. T. 1910 bl. 397-418, en over De „zondeval” van J.F. Beerens, Theol. T. 1910 bl. 419-436, op het referaat van Dr. C.E. Hooykaas over de eschatologische verwachtingen in de |50| godsdienstige levens- en wereldbeschouwing met daarop gevolgde discussie op de verg. van 28 en 29 April 1908 (Bijvoegsel bij „De Hervorming” van Zaterdag 23 Mei bl. 14 v.) enz.

22. Ook Dr. S. Cramer zegt, dat de konservatieven onder de modernen supranaturalisten zijn, niet in den zin dien deze naam twintig jaren geleden had, maar in dezen zin, dat zij niet als b.v. van Hamel ook de godsdienstige gezindheden en ervaringen uit den mensch of de menschheid alleen afleiden, maar aan door God bedoelde en van Hem uitgaande werkingen in de wereld en het leven gelooven, Konservatief Modernisme, Godgel. en Volksleven 1882 bl. 27.

23. Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven bl. 37, 42, 55, 64.

24. Eerdmans stelt zich eerst geheel op naturalistisch standpunt, maar zegt dan, dat hij de wonderen alleen ontkent op historische gronden, Theol. T. 1911 bl. 360, en dat de vrijzinnigen met Prof. van Nes gelooven aan de werkelijkheid van het verkeer tusschen God en mensch. En hij voegt er aan toe, dat de modernen wel naturalisten zijn, voorzoover zij weigern hen (de orthodoxen) in hunne hanteeringen van het woord „supranaturalisme” te volgen, maar niet in dien zin, dat zij geen rekening zouden houden met de geestelijke levenservaringen. Het ware te wenschen, dat Eerdmans deze hanteeringen van het woord supranaturalisme en vooral deze geestelijke levenservaringen wat nader had toegelicht. Misschien was hij dan tot de erkentenis gekomen, dat hij het supranaturalisme zelf nog niet ten eenenmale overwonnen had.

25. Bruining betoogt in zijn artikel: Pantheisme of Theisme, Teylers Theol. T. 1904 bl. 433-457 dat het pantheïsme voor den godsdienst in eigenlijken zin geene plaats heeft en dat deze altijd insluit erkenning van eene betrekking tot God. Zie ook G. Wobbermin, Monismus und Monotheismus, Tübingen 1911.

26. Verg. mijne Dogm. III2 290, en het artikel van Rev. K.C. Anderson, The Collapse of Liberal Christianity, Hibbert Journal, Jan. 1910 bl. 301-320.

27. Eerdmans „Moderne” Orthodoxie of „Orthodox” Modernisme bl. 44.

28. Julius Goldstein, Wandlungen in der Philosophie der Gegenwart, Leipzig 1911 bl. 163.

29. Eerdmans, Moderne Orthodoxie enz. bl. 12, en Theol. Tijdschrift 1911 bl. 360.

30. Voor de herleving der religie behoeven geen bewijzen te worden aangevoerd, zij is algemeen erkend. Men zie alleen het werk van M. Schian, Die Wahrheit der Religion nach den neuesten Vertretern der Religionsphilosophie. Zürich 1908, waar de pogingen van vele geleerden, Eucken, Dorner, Troeltsch, Wundt, Siebeck, James enz., om het recht van den godsdienst te handhaven, uiteengezet en beoordeeld worden. Ook in de kringen van het socialisme laten sommigen zich vriendelijker over den godsdienst uit. Volgens Hans Müller kan het socialisme den godsdienst niet missen. Max Maurenbrecher meent, |51| dat het socialisme zelf een godsdienst meebrengt. Paul Kampffmeijer spant zich in, om het socialisme van de verdenking van atheïsme te zuiveren; zie hunne artikelen in de Sozial. Monatshefte, aangehaald en besproken door August Erdmann, Sozialdemokratie und Religion, Social. Monatshefte 1911, 8, bl. 512-519.

31. Verg. boven de noten 21, 22, 24, en de in mijne Wijsbeg. der Openb. bl. 17 aangehaalde uitspraken van Titius, Troeltsch, Loofs. Volgens Richard Kromer kan „der Sinn der Welt uns überhaupt nur an einem Ueberweltlichen aufgehen” aangehaald in Theol. Rundschau, Dez. 1910 bl. 481, en P. Jaeger zegt aldaar bl. 489: Es ist eine der wichtigsten Aufgaben, daß wir unserm durch den alten Supranaturalismus kopfscheu gewordenen Geschlechte den Hinweis auf das Ueberweltliche von neuem vermitteln. In een artikel over Ritschls Bedeutung für die Gegenwart, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1910 bl. 165-196 laat Häring zich aldus uit, bl. 188: Die Beschränktheit der Wörte Persönlichkeit und Supernaturalismus kennen wir Alle; aber was der Christ damit meint, ist unantastbar, solange es Christentum, ja im Grunde Religon geben soll. En Gunkel zegt, dat wij op het begrip der openbaring „niemals werden verzichten können” (Fünfter Weltkongreß bl. 179).

32. Dunkmann, Das religiöse Apriori und die Geschichte, Gütersloh 1910. Het apriori is prius van alle ervaring, zeide Spruyt in zijne Proeve van eene geschiedenis der leer van de aangeboren begrippen bl. 348, en evenzoo sprak Titius op het congres te Berlijn: er is „ein geistiges, ein ethisches a priori”, dat aan alle ontwikkeling ten grondslag ligt, Fünfter Weltkongreß bl. 232. Volgens Hugo de Vries, Afstammings- en Mutatieleer bl. 36, is de behoefte aan godsdienst een aangeboren eigenschap.

33. Titius, Fünfter Weltkongreß bl. 224. Verg. ook Athanase Coquerel bij Tiele, Inleiding tot de godsdienst-wetenschap I2 208: om mij van gevoelen te doen veranderen, hebt gij slechts een overtuigende bewijsvoering noodig, maar om mij mijne godsdienstige overtuiging te ontnemen, il faut me déchirer de haut en bas.

34. Tiele, t.a.p. II 55.

35. Steinmann, Das Bewußtsein von den vollen Wirklichkeit Gottes, Zeits. für Theol. u. Kirche 1902 bl. 429-496.

36. Stuart Mill bij Mackenzie, A manual of ethics7. London 1910 bl. 448. James, Varieties bl. 447. Id., Pluralism and Religion, Hibbert Journal, July 1908. Id., A pluralistic universe. London 1909. Mc. Taggart, Some dogmas of religion. London 1906 bl. 221. Verg. mijne Wijsbeg. der Openb. bl. 90, 179.

37. Aldus Rauwenhoff in zijne Wijsbeg. van den godsdienst, maar zie voor het symbolisme vooral Sabatier, Esquisse d’une philos. de la religion bl. 390 v. Verg. ook Ed. Le Roy, Dogme et critique5, Paris 1907. |52|

38. Niebergall, Die religiöse Phantasie und die Verkündigung an unsere Zeit, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1906 bl. 251-285.

39. Men raadplege alleen de leer van den concursus of van de verhouding tusschen de prima causa en de causae secundae, verg. mijne Dogm. II2 656 v.

40. Sertillanges bij Ed. La Roy, t.a.p. bl. 135.

41. Zie mijne Dogm. II2 309. Loofs, Dogmengesch. 4te A. bl. 750. 881.

42. Calvijn, Inst. II 16,2. cf. Scholten, L.H.K. I 413 v.

43. Dat is inderdaad de eenheid in de veranderlijkheid, waarvan Dr. Hylkema spreekt, en die in de door hem aangehaalde woorden van Dr. Kuyper zoo schoon vertolkt wordt, bl. 290 v.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004