Leider en Leiding

in de Anti-Revolutionaire Partij

door Mr. A. Anema, Dr. H. Bavinck, Mr. P.A. Diepenhorst, Mr. Th. Heemskerk en Mr. S. de Vries Czn

Amsterdam — W. ten Have — 1915

a





I. Inleiding

*

1. Tijd van spreken

Naar het woord van den Prediker, heeft alles zijn bestemden tijd. Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te roeien enz. En zoo is er ook een tijd, om te zwijgen, en een tijd om te spreken; en deze laatste is dan zeker aangebroken, als zwijgen schuld zou worden en met den eisch der eerlijkheid en der waarheid in strijd zou komen. Dit nu zou naar onze meening het geval wezen, als ieder lid der Anti-revolutionaire partij na het verschijnen der „Starrentritsen” het stilzwijgen bewaren bleef en niemand beantwoordde aan den oproep, dien Dr. Kuyper daarin tot ons deed uitgaan.

Men geve zich toch duidelijk rekenschap van wat er geschied is. In eene reeks van niet minder dan 53 driestarren, welke van Mei tot Juli dezes jaars in de Standaard verschenen, heeft de Leider der Antirevolutionaire partij breedvoerig zijn gevoelen uiteengezet over den gevaarvollen toestand, waarin deze partij naar zijne meening verkeerde, en met nadruk de vraag aan de orde gesteld, door welke voorzorg dit gevaar afgewend en eene verandering ten goede kon worden aangebracht.

Zoozeer was het Dr, Kuyper met deze bezwaren ernst, dat hij ze niet alleen vóór de vacantie in de Standaard ter algemeene kennis bracht, maar ook spoedig, nadat hij uit de kuur in Lahmanns sanatorium teruggekeerd was, tot het besluit kwam, om de driestarren in eene afzonderlijke uitgave andermaal het |4| licht te doen zien, Ten deele moge hij tot dit besluit gekomen zijn, doordat Mr. Heemskerk zijne repliek in een afzonderlijk vlugschrift publiceerde. Maar zonder twijfel hebben ook andere overwegingen daarbij haar gewicht in de schaal geworpen, want de brochure van Mr. Heemskerk droeg zeker het geschil niet onder een grooter publiek, dan door de Standaard reeds was bereikt. Trouwens Dr. Kuyper zegt zelf, dat men ook van andere zijde op een afzonderlijke uitgaaf aandrong (6) 1).

Deze afzonderlijke uitgaaf heet eene editio castigata, dat is, eene gezuiverde uitgave. En werkelijk zijn er hier en daar enkele al te scherpe uitdrukkingen verzacht; op een enkel punt werd zelfs weggelaten, wat van achter bezien, beter weg bleef (7); ook werd deze uitgave vermeerderd met enkele driestarren, die na de brochure van Mr. Heemskerk al of niet in de Standaard verschenen, Maar overigens is er niets veranderd; zakelijk zijn de starrentritsen aan de 53 driestarren gelijk; het oordeel over personen en zaken is precies hetzelfde gebleven.

Wij hebben dus in deze driestarren niet met eene vluchtige meening te doen — eene onderstelling, die met het oog op den Schrijver op zichzelve reeds ongerijmd ware — maar met een denkbeeld, dat hij reeds jaren lang gekoesterd heeft. Eigenlijk heeft Dr. Kuyper in deze driestarren slechts met schier al te groote openhartigheid uiting gegeven aan wat hem sedert de parlementaire crisis van 20 December 1907 in den gang van zaken in onze partij voortdurend gekweld en geërgerd heeft,

Des te meer is het dan voor de leden der Antirevolutionaire partij plicht, om aandachtig te luisteren naar wat hun Leider te zeggen heeft. Wij zijn dat al aan hem verschuldigd, omdat zijn inzicht zoo dikwerf door diepte en klaarheid uitmunt en zijn machtig |5| woord over zulk een enormen invloed beschikt. Maar temeer is dit het geval, nu zijne waarschuwing den gevaarvollen toestand geldt, waarin naar zijne meening onze eigene partij verkeert, en ten slotte op de quaestie van het Leiderschap uitloopt.

Daarbij komt nog, dat Dr. Kuyper allen dringend uitnoodigt, om over de zaken, welke hij in de driestarren behandeld heeft, hunne gedachten te laten gaan en open hunne meening te zeggen.

Wij lezen toch in de laatste, 53e driestar (88):

„Zekere groep in onze partij heeft blijkbaar tegen mijn optreden als leider velerlei grief.

Welnu, dat men die grieven dan noeme, duidelijk omschrijve en precieselijk aangeve, hoe men de roeping van een leider in onze Partij wenscht te verstaan”.

Eene bladzijde verder: „Laat men klaar en duidelijk zeggen, wat men als den plicht en de roeping van den leider in onze Partij beschouwt”.

En nog eens in de voorrede (6): Het is onzer aller roeping, om „onder het diep gevoel van onze verantwoordelijkheid saam te onderzoeken, wat de fout in onze organisatie of in ons program was, waardoor hetgeen ons nu derwijs smaldeelde, mogelijk werd.” (verg. ook 12).

Nog pas wees de Standaard van 4 Nov. l.l. in een asterisk over de Eerste Kamer op het gevaar, dat deze bij de volgende verkiezingen voor de Prov. Staten wel eens om zou kunnen gaan, en voegde daaraan deze woorden toe: „Hierop dient te worden gewezen, omdat het Rechts meer dan vroeger aan eenheid ontbreekt. Van Roomsche zijde is men nog onlangs feller dan in lang tegen den Voorzitter van het Centraal Comité opgetreden. En in de Antirevolutionaire partij is een scheur getrokken, zonder dat nog veel van lust en zin tot hervatting van de samenwerking uitkwam.”

De Schrijver van de driestarren geeft ons dus niet alleen volle vrijheid, maar wekt er met aandrang toe op, dat wij alles zeggen wat ons in deze zaken op het hart ligt. Wij doen hem daarmede niets onaangenaams aan, maar bewijzen hem een dienst. Van te |6| voren mogen we ons verzekerd houden, dat ons woord eene goede ontvangst, een welwillend oor en zelfs een dankbaar hart zal vinden,

Nu weten wij wel, dat de uitnoodiging van Dr. Kuyper bepaaldelijk rust op de onderstelling, dat er zekere groep in onze partij is, die blijkbaar tegen zijn optreden als leider allerlei grief heeft (88). Maar deze onderstelling laten wij geheel voor zijne rekening, Ons is van zulk eene „groep” niets bekend. Wij behooren er in elk geval niet toe en wenschen er ook niet toe te behooren. Het woord grief is dan ook misplaatst. Grief doet denken aan misnoegdheid, kwelling, ergernis, die men gevoelt, als men zich door een ander beleedigd of in zijne teederste gevoelens gekrenkt acht, en mengt dus licht een persoonlijk element in den strijd.

Maar al is er zulk eene groep met velerlei grief naar ons beste weten in onze partij niet aanwezig, toch is het daarom wel mogelijk, dat sommige leden van de Antirevolutionaire partij op een of ander punt eene andere meening koesteren dan de Leider, en dat zij wel zouden wenschen, dat er hier en daar in de organisatie der partij en in de samenwerking harer verschillende groepen eenige verandering kwam.

Maar dat is heel iets anders dan eene grief tegen den Leider, en stemt geheel overeen met wat deze zelf over de noodzakelijkheid eener reorganisatie aan de hand geeft (88), Bij zulk eene reorganisatie is echter niet alleen het persoonlijk belang van den Leider, maar het belang van heel de partij en van ieder harer leden betrokken. En daarom moet er volkomen vrijheid bestaan, om ten deze openhartig zijne meening te zeggen, en met anderen in broederlijken geest van gedachten te wisselen.

Nu zijn velen wel van oordeel, dat zulk een openhartig spreken niets geeft, want, als er straks eene Deputatenvergadering samenkomt, wordt de motie van vertrouwen, door Dr. Kuyper gevraagd, toch met donderend applaus aangenomen en de Leider weer met algemeene stemmen voor jaren herkozen.

Maar wij betwijfelen, of zulk een applaus beantwoordt |7| aan den ernst, waarmede de quaestie van vertrouwen thans is gesteld. Dr. Kuyper zou zelf met zulk een antwoord zonder meer niet tevreden zijn, want hij verklaart uitdrukkelijk, dat zoodanige herkiezing eene „vertooning” zou zijn, die tot niets leidde (95). En inderdaad het zou eene vertooning zijn, onwaar en met de eerlijkheid in strijd.

Want, gelijk gezegd, al is er geene groep, die velerlei grief tegen den leider heeft en hem door een ander zou willen vervangen, daar zijn er toch wel, die over meer of min belangrijke vraagstukken anders denken dan de Standaard en die het leiderschap eenigszins anders opgevat en toegepast zouden willen zien, dan dit menigmaal in genoemd orgaan geschiedt. Ieder weet dit en kent zulke personen met naam en toenaam. Ze zijn te vinden onder de Kamerleden, onder de toonaangevende mannen in provinciën en districten, bij de pers en ook wel onder de eenvoudige leden der partij in het land. En het ware onoprecht en onwaar, om dit, waar het te pas komt en er als het ware uitdrukkelijk naar gevraagd wordt, met opzet verborgen te houden. De eerlijkste en ook de beste en wijste politiek is in zulk geval niet, om te doen alsof er geen wolkje aan de lucht is, maar om ronduit de dingen bij hun naam te noemen, en te zeggen waar het op staat. Juist in dien weg kan het dan weer tot eenheid en tot samenwerking komen. Anders gaat onder een valschen schijn van eenheid het geestelijke ontbindingsproces door, neemt het wederzijdsch wantrouwen toe en worden de harten steeds verder van elkander verwijderd. Daarentegen als er over en weer met openhartigheid gesproken wordt, bestaat er kans, dat misverstand uit den weg geruimd, elkanders bedoeling beter gekend en gewaardeerd, en de goede verstandhouding bevorderd of hersteld wordt. Want dat moet het doel van elke broederlijke samenspreking zijn, niet verdeeldheid te zaaien, maar verzoening te zoeken en eenheid te kweeken.

In dien geest zegt Dr. Kuyper, dat hij zijn driestarren geschreven heeft. Hij publiceerde ze „met geen ander |8| doel, dan om voor wat achter ons ligt verzoening te zoeken en uitsluitend op waarborg voor de toekomst bedacht te zijn” (88 verg. ook 7). Geen ander bedoelen zit ook bij deze brochure voor. En deze overeenstemming in het einddoel is op zichzelve reeds iets goeds en profeteert ook iets goeds.

Voorts is het ons streven niet, om van de quaestie, die aan de orde is gesteld, een volledige en alzijdige oplossing te geven, want deze moet juist vrucht van samenspreking en gemeenschappelijk overleg zijn. Wij zullen er ons toe bepalen, om in de slotparagraaf eenige vingerwijzingen te doen, waarnaar de eenheid en samenwerking in de Antirevolutionaire partij volgens onze overtuiging het best verkregen en gewaarborgd kan worden.

Eindelijk zij hier nog medegedeeld, dat de heeren, die deze brochure voor hunne rekening nemen, door eene toevallige omstandigheid bijeen werden gebracht en schier vanzelf tot eene bespreking kwamen van den toestand, waarin de Antirevolutionaire partij heden ten dage, tengevolge van Dr. Kuyper’s driestarren, verkeert. Niemand verwondere het, dat onder hen ook de Heer Heemskerk zich bevindt. Want ofschoon hij in een afzonderlijk vlugschrift reeds aan Dr. Kuyper antwoord gaf, hij besprak daarin alleen de oorzaken, die tot het optreden van zijn Ministerie in 1908 hebben geleid, en liet zich over de eigenlijke quaestie, waar het inzonderheid in deze brochure om gaat, in het geheel niet uit. Des te meer verblijdt het ons, dat hij ook aan de bespreking van dit vraagstuk en aan de poging tot oplossing wilde deelnemen. En wij vermoeden, dat Dr. Kuyper, te oordeelen naar hetgeen hij over den Heer Heemskerk in de voorrede (6-7) schreef, hiermede ten zeerste ingenomen zal zijn. |9|


*

II. De inhoud der Starrentritsen

*

2. De periode van bloei

Om in onze bespreking geheel zakelijk te blijveri, dienen we ons eerst nauwkeurig op de hoogte te stellen van wat Dr. Kuyper in zijne driestarren beweerd en bedoeld heeft. Deze bevatten drie deelen: een overzicht van de geschiedenis der Antirevolutionaire partij in hare periode van opkomst en bloei (1-46), voorts eene schets van hare geschiedenis in het tijdperk van 1907 tot heden, dat als eene periode van achteruitgang en verval wordt beschreven (46-65), en eindelijk eene bespreking van het leiderschap en wat daarmede in verband staat (65 v.).

Aangaande de eerste periode deelt Dr. Kuyper ons in hoofdzaak het volgende mede: de Antirevolutionaire partij begon klein. Groen van Prinsterer was dikwerf een veldheer zonder leger, vooral toen hij, tegenover het Conservatisme, in 1869 gedwongen werd, slechts drie candidaten te stellen: Keuchenius, Kuyper, van Otterloo. Toen Kuyper in 1874 in de Kamer kwam, werd hij er wel vriendelijk door de club ontvangen; maar men leefde er bij den dag, er was geen eenheid in het politieke denken. De schoolquaestie vond er algemeene sympathie, maar voor het overige volgde ieder van de heeren een eigen pad (18).

Maar langzamerhand kreeg de partij eene eigene organisatie, Er kwam een Centraal Comité tot stand; tusschen Comité, Kamerclub, deputatenvergadering en leider werd zeker verband gelegd; 1 April 1872 verscheen de Standaard, en in 1878 zond het Centraal Comité een Program van beginselen in het licht, dat |10| in de Standaard van dat jaar door Dr. Kuyper in den breede toegelicht werd, En deze organisatie deed de partij voortdurend toenemen in kracht. (14 v.)

Maar feitelijk werd haar, tegen alle verwachting in, nog meer voordeel toegebracht door het optreden van Minister Kappeyne van de Coppello, die het op den ondergang van de Christelijke school had toegelegd en juist daardoor alle voorstanders van het Christelijk onderwijs tot eenheid en samenwerking dreef, gelijk duidelijk uitkwam in het volkspetitionnement met zijne 400,000 onderteekenaren. (20).

Dr. Kuyper geniet nog, als hij aan dien tijd terugdenkt. Er volgde toen, zoo zegt hij, eene periode van heilige geestdrift. De deputatenvergaderingen werden door duizenden bezocht. In heel de Pers sprak zich een wezenlijke dorst uit naar broederlijke eensgezindheid en samenwerking. Schier vanzelf sloot men zich aaneen. Van dat half leelijke doen van den een tegen den ander was geen sprake meer. Van bijtende en verwijt zoekende concurrentie viel nog geen ’t minste spoor te ontdekken, Men benijdde elkaar niet, zat elkaar niet in ’t haar, maar men bad saam.

Het was een heerlijke tijd. Een tijd, die aantrok en verkwikte. Het werd een warme aaneensluiting der broederen, zooals men dit in ons splitszieke Nederland niet voor mogelijk had gehouden. Centraal Comité en Kamerclub vonden elkaar in warme harmonie. Het was een stuk historie, waarvoor de Heere zelf zijn helden had besteld. En warme vreeze Gods bezielde heel onze heirschare. (21).

De 20e April 1888, tien jaren juist na de scherpe Resolutie van Kappeyne, werd een dag van politieke glorie, want toen trad het Ministerie-Mackay op, dat verlichting bracht van den druk, Wel deed zich daarbij het abnormale verschijnsel voor, dat de toenmalige leider van onze partij, wijl geen lid van de Kamer, buiten de Kabinetsformatie bleef. Maar de verhouding tusschen den Kabinetsformateur en den Voorzitter van het Centraal Comité was dan toch van den meest vertrouwelijken aard. In elk opzicht werd de |11| Voorzitter door den Kabinetsformateur geraadpleegd.

Ook het aftreden van Keuchenius verkoelde wel eenigszins de verstandhouding. Maar van tegenstelling kwam geen sprake, Herhaaldelijk zocht de Heer Mackay onzen Voorzitter op en noodigde hem zelfs aan zijn disch, om den gang van zaken te bespreken. En al drongen ook toen reeds allerlei vaak tegen elkaar inbotsende gedachten naar voren en al waren onze mannen in het Kabinet, in onze Club en in het Centraal Comité niet in alles één van zin en bedoeling, de onderlinge verstandhouding bleef toch uitstekend. (25).

Maar toch werd spoedig de eenheid bedreigd. Het Ministerie-Mackay was, zooals Dr. Kuyper zegt, tegenspoedig en stelde teleur, Het liet op 24 Febr. 1890 Keuchenius los, nadat zijne begrooting in de Eerste Kamer verworpen was, Mackay ging over naar Koloniën, om plaats te maken voor den Heer Lohman als Minister van Binnenlandsche Zaken. En dat was alles nog niets bij de verdeeldheid, door het wetsvoorstel van Minister Tak van Poortvliet inzake kiesrecht gewekt. Kuyper, van zijne jeugd af met Tak van Poortvliet bevriend en aangetrokken door hetgeen in diens voorstel op huismanskiesrecht leek, koos Tak’s partij, wat tot eene breuk leidde met de niet-„kleine luyden”, en nam den eeretitel aan van „Christen-Democraat”.

Niettemin weet Dr. Kuyper ook aan deze scheuring eene lichtzijde te ontdekken. De gevolgen vielen meê. In 1901 kwam er weer eene volledige harmonie van de drie Rechtsche partijen tot stand, en werd er bij de stembus eene schitterende overwinning behaald, tengevolge waarvan het Ministerie-Kuyper optrad. (30-31).

Want Dr. Kuyper was sedert 1894 weer lid van de Kamer en Voorzitter van de club, en zag zich dus met de formatie van het Kabinet belast. Eene geheel normale verhouding tusschen onze partij met haar club en Leider wees haar den weg naar het Kabinet. En de formatie daarvan — zoo weet de formateur zelf ons te verhalen — ging alles correct en normaal toe. Er viel niets op aan te merken, alles liep conform stipten |12| eisch, Een kabinetsprogram werd ontworpen, dat klopte op het Program van actie, door het Kabinet in zijn geheel werd aanvaard en door de drie Rechtsche groepen werd goedgekeurd. Met alle verhoudingen werd rekening gehouden. De gansche regeling was geheel normaal. De verhouding tusschen kabinet, club en kiezers eenerzijds, en tusschen de drie partijen van Rechts anderzijds, kwam ook bij de kabinets-formatie naar eisch tot haar recht (31v.).

Het Kabinet ondervond onafhankelijk van zijn wil, vele tegenspoeden, niet minder dan zeven in getal (36v.), maar haalde toch aan het eind een oogst binnen, die niet zoo klein was (38v.). Herziening van het kiesrecht werd wel, om afdoende gronden, niet ter hand genomen (33), evenmin als van het tarief (43v.) Maar er kwamen toch vijf belangrijke wetten tot stand: herziening der wet op het lager onderwijs, gelijksoortige herziening van de wet op het Middelbaar onderwijs, (38, maar verg. 41), eene radicale herziening van de wet op het Hooger Onderwijs, pensioenregeling voor de onderwijzers, en algeheele herziening der drankwet. De normale verwachting werd dus metterdaad vervuld (38-40).

Maar daarbij kwam nog, dat het Kabinet tal van wetsontwerpen in gereedheid bracht: op het leerlingstelsel, opgenomen als een afzonderlijk hoofdstuk van 41 artikelen in het groote wetsontwerp over de Bescherming van den Arbeid, dat uit niet minder dan 444 artikelen bestond; voorts het wetsontwerp van Minister Loeff tot regeling van de arbeidsovereenkomst, dat later onder het Kabinet-de Meester met kleine wijziging tot wet werd verheven, en dan nog vier wetsontwerpen van Minister Kuyper, alle doelende op verzekering van den arbeider (40-43).

Als het Kabinet, zoo verzekert ons de gewezen Premier, in 1905 had mogen aanblijven en tot 1909 had mogen doorwerken, zou het de arbeidsproblemen tot een goed eind gebracht hebben, en geheel de opzet van de Deputatenvergadering van 1901 zou geslaagd zijn (44). |13|

Maar dat mocht niet zoo zijn. De actie van de heeren Staalman en Wagenaar was oorzaak, dat bij de verkiezing in 1905 vijf districten verloren gingen, de Rechtsche partijen in de Kamer in de minderheid kwamen en het zittend Kabinet aftreden moest.


3. De periode van verval

Het Ministerie-de Meester, dat thans aan het Bewind kwam, stond van den aanvang af zoo zwak, dat de nederlaag van 1905 in 1909 schitterend gewroken zou zijn, als men van Rechts zoo verstandig was geweest, om, wat toch reeds waggelde, niet nog een ondoordachten stoot te geven (47). Bij de stembus in 1909 zou de nederlaag van het liberale kabinet nog wel zoo verpletterend zijn geweest, als ze nu in Juni van dat jaar gebleken is (51).

Maar wat gebeurt? Den 21 Dec. 1907 werd door den aanval van het Kamerlid Mr. Heemskerk de oorlogsbegrooting van Minister van Rappard verworpen, het Kabinet tot aftreden genoodzaakt en door een Ministerie-Heemskerk vervangen.

En daarmede begon nu volgens Dr. Kuyper het verval van de Antirevolutionaire partij, de desorganisatie, de omzetting van al onze politieke verhoudingen. Tal van beschuldigingen brengt daarom Dr. Kuyper tegen dit ontijdig optreden van Mr. Heemskerk in, waarvan de volgende de voornaamste zijn:

1. De aanval op Minister van Rappard ging niet uit van een militaire persoonlijkheid als Duymaer van Twist, Thomson of Van Vlijmen, maar van den Heer Heemskerk, den Voorzitter der Antirevolutionaire Kamerclub en droeg dus terstond, niet louter een militair, doch een politiek karakter. En dit kwam te sterker uit, waar het in hoofdzaak het vraagstuk van het blijvend gedeelte gold, dat in zichzelf niet van algemeenen politieken aard was en de Antirevolutionaire politiek niet in haar beginselen raakte (48-50).

2. Deze aanval werd niet daardoor gerechtvaardigd, |14| dat men misschien er niet op rekende, dat de verwerping der oorlogsbegrooting den val van heel het Kabinet, in haar gevolgen zou meesleepen. Want voor de Kamer en voor heel het land was het tegendeel duidelijk, In schier heel de pers werd het votum van 21 December dan ook als een definitieve veroordeeling van het Kabinet opgenomen (48).

3. Een tusschentijdsche crisis, als die welke in December 1907 door den heer Heemskerk werd uitgelokt, is altoos bedenkelijk, en op zichzelf, indien de omstandigheden er niet zeer beslist toe noodzaken, steeds zorgvuldig te mijden (49).

4. De stemming, welke op 21 December plaats had, was niet Rechts tegen Links, want van Rechts stemden de heeren van Bylandt, de Geer en de Savornin Lohman vóór de oorlogsbegrooting, terwijl de Ultra’s van Links hunne stem tegen haar uitbrachten, De tegenstemmers waren het dus politiek volstrekt niet met elkander eens, maar kwamen alleen op dit ééne punt saam. Hunne eenheid was negatief, Ze konden samen afbreken, niet opbouwen (50).

5. Het overhaaste karakter van deze crisis bracht ons niet één enkel voordeel, maar wel veel nadeel, al het ongereede en ongelegene dat er het gevolg van was, en bezorgde juist groot voordeel aan de liberalen, die zoo uit ernstige ongelegenheid werden geholpen, en zich verkneukten, dat zij er van af waren (56).

6. Wijl de crisis door een politiek man als Heemskerk, Voorzitter der Kamerclub, was uitgelokt, kon de nieuwe Kabinets-formatie alleen rekenen op den steun van Rechts, en zoo kwam er dan ook een Kabinet van Rechts tot stand, gelijk het daarvoor steeds gehouden is, Maar het bleef zitten met eene Kamer, die in meerderheid tegen was, zag zich opgescheept met een detail-quaestie van militair beleid, en kon dus niet anders dan onze positie verzwakken (51, 52).

7. Deze Kabinetscrisis werd uitgelokt, zonder dat men naar behooren rekening hield met den constitutioneelen eisch van een geordend partij-verband. Van |15| eenig overleg met de leiding der drie Rechtsche partijen, of met den Voorzitter van het Centraal Comité, die op geen zeven minuten afstands woonde, was geen sprake. Nadat de crisis er was, zocht men wel raad bij vrienden, maar de crisis kwam er zonder overleg. En later is daarover nooit voldoend licht ontstoken (52. 53. 54.).

8. Het Kabinet richtte van Febr. 1908 tot Juni 1909 niet veel uit, stelde teleur en bluschte veler geestdrift. Bij de verkiezing in 1909 echter behaalden de Rechtsche partijen, dank zij vooral de krachtige actie van de Standaard, toch eene groote meerderheid. Het Kabinet bleef aan. De verhouding werd een oogenblik beter. Oude veeten schenen vergeten (56).

9. Maar ook in de nu volgende vierjarige periode kwam weer teleurstelling. Van Binnenlandsche Zaken ging weinig actie uit, De bepaling, door Dr. Kuyper in de wet op het Hooger Onderwijs gebracht 2), werd door den Minister-President ingetrokken, zonder er met Dr. Kuyper ook maar één woord over gewisseld te hebben (81). En wel slaagde hij erin, om als Voorzitter van de Commissie van generale herziening der Grondwet tamelijk wel onze beginselen tot hun recht te doen komen (63), maar evenmin Groen’s raad vroeger als Kuypers waarschuwing thans tegen eene generale grondwetsherziening vond bij hem ingang (65).

En ten opzichte van Minister Talma zegt Dr. Kuyper, dat hij de gereedliggende wetsontwerpen ter zijde schoof, zelf heel het verzekeringswezen op nog treffelijker grondslag wilde optrekken dan het in die ontwerpen àl geschied was, en, als door een parti pris bezield, geheel eigen werk wilde leveren, waarvan het gevolg was, dat hij veel tijd verloor, en zijne |16| wetsontwerpen eerst op het nippertje erdoor haalde (57. 58).

10. Het normale in de verhouding tusschen Kabinet en partij schoot dus in 1908 tekort (59). En daaruit verklaart Dr. Kuyper nu verder ook, dat het Kabinet-Heemskerk niet zoo over-serieus optrad, zich lang zoo deftig niet voordeed als Groen en Elout, als het Kabinet-Mackay-Keuchenius en het Kabinet-Kuyper-de Marez Oyens; men vertoonde meer het beeld van Jean qui rit, stelde zich zoo half gemaakt vroolijk aan, en vreesde elken schok en stoot met de oppositie (61). Het was geen dacapo van de vroegere Rechtsche ministeries. De bezieling, die van het heilige uitgaat, ontbrak eraan, en dus wekte het geen geestdrift in het land.

11. Donker was dus volgens Dr. Kuyper de toestand onzer partij van 1907-1913, Hij spreekt van een politieken misstand (85), een politiek désastre, eene breuk in geheel onze partij-positie (86). Sinds 1908 traden er naar zijn oordeel geheel ongeregelde verhoudingen in. Aan allen kant stoornis. In het Kabinet ging men doen, alsof er ganschelijk geene Partijorganisatie bestond. Vandaar dat men toen tweeërlei actie naast elkander kreeg, de ééne uitgaande van onze mannen in het Kabinet, en daarnaast de partij-actie in den lande onder de leiding van het Centraal Comité, in onze kieskringen en de pers. Hinc illae lacrymae! zegt het spreekwoord. Vandaar de sinds al sterker uitgekomen politieke ellende (82).

En zoozeer is de Schrijver der driestarren met zorg voor de toekomst vervuld, dat hij schrijft: als de lospluizing en uiteenrafeling nóg een tweede tiental jaren zoo doorgaat, dan is het gedaan met onze saamhoorigheid, dan spat heel onze Anti-revolutionaire groep uiteen, en keeren, nog tien jaren later, onverbiddelijk de bange jaren terug, waarin we voorheen als nachtschool verkwijnden (67). Van 1878 tot 1905 was er eendracht, en door die eendracht macht. Maar sinds 1905 is de pluis- en ploetermanie weer begonnen. We waren door eendracht gegroeid, maar sinds is de tweedracht onder ons weer aan het verdeelen (68). |17|

Welken indruk deze beschouwingen van Dr. Kuyper over het Ministerie-Heemskerk op de eenvoudige lezers van de Standaard maakten, kwam treffend uit in een ingezonden stuk, dat in dit blad den 11en September l.l. werd opgenomen, zonder eenige op- of aanmerking en dus met waarschijnlijke instemming van de Redactie, en nadat de brochure van Mr. Heemskerk reeds enkele dagen te voren het licht had gezien. De schrijver sprak in dat stuk van „den ellendigen tegenslag voor de ons heilige beginselen, door de persoonlijke ambitie van een enkeling, waarvan men jarenlang den tegenslag voelt”.


4. Het leiderschap

Heel het historisch overzicht, dat Dr. Kuyper in zijne driestarren gaf van de periode van bloei en verval in onze partij, loopt uit op eene breedvoerige bespreking van het leiderschap. Naarmate de driestarren haar einde naderen, komt dit hoe langer hoe duidelijker aan het licht, Het blijkt al uit de opschriften: Elk wat wils, Eendracht maakt macht, In of buiten het verband, Malcontenten, Leider, enz., en dan natuurlijk nog veel klaarder uit wat wij onder deze titels te lezen krijgen.

Het is de oude strijd, zoo geeft Dr. Kuyper ons te verstaan, tusschen vrijheid en eenheid, die weer opkomt. Ieder moet zijn eigen trompet kunnen blazen. Ten slotte zijn er geen twee meer, die één gevoelen en gelijksoortig denken (67).

Als zulk een toestand intreedt, loopt niemand meer in het gareel. Er komt jaloerschheid op, om op de meest onbesuisde wijze tegen den gang van het geheel in te stormen. Een naprater heet wie niet tegenspreekt. Een zijsprong is het gereede middel, om naam te verkrijgen (67).

Zoo was het vóór 1857. Toen het jaar 1870 aanbrak, stond Groen met zijn drietal schier eenzaam en verlaten. Ieder wist het beter, en Groen van Prinsterer zag het altoos mis. En zoo dreigt het thans weer te |18| worden. Men wil vrijheid ten koste van de eenheid. Onze partij stelde prijs op een leider; maar een leider te bezitten, heet in ons geindividualiseerd land vaak bijna iets ongeoorloofds (67-68). En zoo gaat het in de driestarren al maar door. Zij spitsen zich hoe langer hoe scherper in het leiderschap toe.

In de 50e driestar (81) heet het: Sinds 1908 begon de politieke ellende. Maar toch ging dit nog, zoolang het kabinet van 1908 zat. Gedurende die vijf-en-half jaar deed men wat doenlijk was, om het kabinet te steunen.

Eerst toen in 1913 de crisis zich tegen ons keerde, begon zich de ontstane wanverhouding te wreken. De Heeren, die uit het kabinet uittraden, konden zich — gelijk Dr. Kuyper het voorstelt — in den toestand, die hierdoor voor hen ontstond, niet thuis gevoelen. Zelfs begon één hunner (Dr. Kuyper bedoelt hier weer Mr. Heemskerk) een actie met meetings door het land, om den geknakten invloed te herwinnen. En sterker nog, tot tweemalen toe, toen er tactisch gehandeld moest worden, achtte de gewezen Minister-President het geraden, om, zooals Dr. Kuyper zegt, in de Rotterdammer een soort proclamatie uit te vaardigen, die door de redactie zelfs als hoofdartikel geplaatst werd.

Dit stelde nu, al weer naar de meening van den Schrijver der driestarren, rechtstreeks het zoo kiesche vraagstuk van het leiderschap aan de orde. Door beide proclamatiën toch stelde Mr, Heemskerk zich aan, alsof het leiderschap van onze partij aan den Voorzitter van het Centraal Comité uit handen moest worden genomen, wijl het aan hem als afgetreden Minister-President toekwam.

Uiteraard, schrijft Dr. Kuyper, kan hierin niet worden berust (82). Immers, Dr. Kuyper werd door Groen als zijn opvolger aangewezen. Hij trad in het eerst, na Groens dood, als leider suo jure op, maar werd sinds 1874 steeds gekozen en herkozen en dankt aan die keuze niet zijn positie, maar toch thans zijn officieel recht (84). Als zoodanig is hij geen vrij man, maar gebonden aan het Program. Alleen tactisch is hij de |19| verantwoordelijke man. Op dit punt is zijn gezag onbetwistbaar en onverkort. Verzet hiertegen is zedelijk ongeoorloofd (84).

De laatste, 53e, driestar draagt dan tot opschrift: „Vertrouwd of Ontslagen”, en stelt formeel de quaestie van vertrouwen. Gelijk wij reeds gezien hebben, Dr. Kuyper gelooft, dat er zich onder voorgang van den sinds 1908 destijds opgetreden Minister-President almeer een doen heeft geopenbaard, dat feitelijk zijn leiderschap ignoreert, en dat de Rotterdammer bedoeld of niet bedoeld hierbij meer dan eens als hulporgaan heeft dienst gedaan.

Hij meent, dat zekere groep in onze partij blijkbaar tegen zijn optreden als leider velerlei grief heeft (88).

En hij verklaart zich bereid terug te treden, als men in de Antirevolutionaire partij van oordeel is, dat een ander staatsman de verkorene moet zijn, aan wien thans de leiding zal zijn toe te vertrouwen (90).

Hoezeer het den Leider met deze verklaring ernst is, blijkt daaruit, dat zij een en andermaal herhaald wordt.

In eene driestar, die na de vacantie geschreven en met andere aan de 53 van vóór de vacantie toegevoegd werd (95) lezen wij, dat eene herkiezing op de deputatenvergadering zonder meer slechts eene vertooning zou zijn, die hem volstrekt niet behagen zou, en dat hij heel iets anders bedoelt. En wel zoo dat hij, Dr, Kuyper, er voorgoed den hamer bij neerlegt, indien de afwijkende broederen weigeren tot vaster accoord te komen.

Eene verkiezing tot leider op de deputatenvergadering, desnoods met algemeene stemmen, en daags daarna het verzet tegen zijn beleid weer op den ouden voet te zien voortzetten, zou voor hem geen positie zijn.

En nog eens keert bovengenoemde verklaring in de voorrede der Starrentritsen, dagteekenend van 4 Oct. l.l., in dezen vorm terug (7), „Vandaar mijn stellige verklaring, dat ik bereid ben als leider terug te treden en mijn ontslag uit het Centraal Comité te nemen, |20| indien het op geen andere wijze mogelijk blijkt, de eenheid, den vrede en de broederlijke samenwerking te herstellen. Voorzitter te blijven, indien er elementen bleken te zijn, die op scheuring in onze partij bleven aansturen, zou mij niet mogelijk wezen. De verantwoordelijkheid voor zulk halfwerk zou ik voor God, aan wien ook ik rekenschap van mijn doen schuldig ben, niet kunnen dragen.”

Aan het slot van het overzicht, dat wij van Dr. Kuypers brochure gaven, staat ons zijn gevoelen en bedoelen helder voor den geest. De inhoud komt kort en zakelijk hierop neer: Zoolang de Antirevolutionaire partij haar wettigen Leider volgde, genoot ze zegen en voorspoed. Zoodra anderen zich aan haar hoofd wilden stellen en haar den weg wilden wijzen, was politieke ellende haar deel. Laat de Antirevolutionaire partij daarom op de eerstvolgende Deputatenvergadering als één man het verbond met den Leider vernieuwen en hem haar gansche vertrouwen schenken; anders legt hij er den hamer voorgoed bij neer. |21|


*

III. Consideratie en Advies

*

5. Opmerkingen

Wie de brochure van Dr. Kuyper aandachtig leest, ontvangt er een sterken indruk van, dat ze geschreven is in een geest van wantrouwen, die den blik heeft beneveld en de dingen anders doet zien, dan ze werkelijk zijn. Vóór alle dingen moet dus dat wantrouwen indien eenigszins mogelijk, gebroken en uit den weg geruimd worden.

Dr. Kuyper stelt zich voor, dat er sinds het optreden van het Ministerie-Heemskerk in 1908 eene zekere groep is, die van zijne leiding niet gediend is, allerlei grief tegen hem heeft, en op scheuring aanstuurt.

Maar welke zijn de bewijzen, die Dr. Kuyper voor dit gevoelen bijbrengt? Ieder zal toestemmen, dat zulk eene ernstige verdenking en beschuldiging op degelijke gronden steunen moet. Maar als wij alles saamvatten wat te dezer zake wordt aangevoerd, lijkt ons de argumentatie toch uiterst zwak.

Natuurlijk, als het feit van het optreden van Heemskerks Ministerie in 1908 zonder meer al bewijs is, dan heeft Dr. Kuyper het pleit reeds terstond gewonnen. Maar dat zal hij niet durven beweren en heeft hij in zijne brochure ook niet beweerd. Alleen zou dat optreden van Mr. Heemskerk bij den aanval op Minister van Rappard en bij de formatie van het kabinet een bewijs opleveren, indien Mr. Heemskerk daartoe ware overgegaan met de bewuste en opzettelijke bedoeling, om tusschentijds eene crisis uit te lokken, zelf Minister en leider te worden, en Dr. Kuyper voorgoed op zijde te zetten. |22|

Maar Mr. Heemskerk heeft herhaaldelijk, privaat en publiek, niet eerst in den laatsten tijd en na de verschijning der driestarren, maar lang daarvoor, van zijn optreden als Minister in 1908 af, in duidelijke en besliste woorden deze hem toegekende bedoeling verre van zich geworpen en zoo pertinent mogelijk ontkend. Onder andere in de Tweede Kamer (Handel. 24 en 29 Nov. 1909, bl. 411 en 512).

Desniettemin heeft Dr. Kuyper in de driestarren aan Mr. Heemskerk toch weer deze bedoeling toegedicht, en deze onjuiste beschuldiging eerst teruggenomen, nadat de Heer Heemskerk ze voor de zooveelste maal in zijne brochure weersproken en weerlegd had. Hij erkent thans, dat men niet meer volhouden mag, dat er bij Mr. Heemskerk opzet en toeleg bestond, om eene crisis uit te lokken (96), en betreurt het, dat de Redactie van het Vaderland de oude beschuldiging nog handhaaft en de oprechtheid van Mr. Heemskerk in verdenking houdt (95).

Met het terugnemen van die beschuldiging meent Dr. Kuyper, dat nu al het persoonlijke wegviel (6). Of dit zoo is, wenschen wij hier niet te bespreken; het is ons thans alleen te doen, om aan te toonen, dat het eerste bewijs, hetwelk voor het bestaan eener op scheuring aansturende groep werd bijgebracht, inderdaad niet vol te houden is. De aan Mr. Heemskerk toegedichte bedoeling, dat hij met de crisis in 1907 den leider der partij op zijde wilde dringen, valt geheel buiten het geding.

Natuurlijk kan men dan toch nog wel bezwaar blijven koesteren tegen het ontstaan der crisis in 1907 en het feit als zoodanig blijven betreuren. „Doen en bedoelen worden door den loop der dingen zoo vaak twee” (91).

Doch ten eerste erkent Dr. Kuyper zelf (92), dat, ook al had de Heer Heemskerk in 1907 zich geroepen gevoeld, om eene crisis uit te lokken, dit feit op zichzelf in niets zijn eer of bedoelen zou hebben aangetast. En ten andere mag Dr. Kuyper niet vergeten, dat de crisis in 1907 niet of anders slechts onder |23| zijne leiding zou zijn ingetreden, indien hij had kunnen goedvinden, om na 1905 wederom een zetel in de Tweede kamer in te nemen, die hem herhaalde malen aangeboden werd. Over de redenen, die hem tot weigering bewogen hebben, kunnen en mogen wij geen oordeel vellen. Maar het feit ligt er toch toe, dat hij zich door terugkeer in de Kamer, gelijk nu van achteren blijkt, veel verdriet zou hebben bespaard.

Een ander argument bestaat daarin, dat de Heeren, die in 1913 uit het Kabinet traden, zich in den nieuwen toestand niet thuis hebben kunnen gevoelen. En één hunner zou zelfs eene actie met meetings door heel het land begonnen zijn, om den verloren invloed te herwinnen, en tot tweemalen toe eene proclamatie hebben uitgevaardigd, welke door de Rotterdammer als hoofdartikel geplaatst werd.

Dit argument klinkt nu in de eerste plaats wel wat te algemeen. Want de Heeren, die in 1913 uit het Kabinet traden, waren van Anti-revolutionaire zijde (de andere leden van dit Kabinet zullen wel niet bedoeld zijn) de Heeren Heemskerk, Talma, de Waal Malefijt en Colijn, Nu zullen deze Heeren wel begrijpelijken spijt hebben gevoeld, dat het Ministerie-Heemskerk ten gevolge van den uitslag bij de stembus aftreden moest; en ook zal het hun wel eenige moeite hebben gekost, om aan den nieuwen toestand zich aan te passen. Maar zeer waarschijnlijk is dat het geval met iederen Minister, die plotseling een rijken werkkring verlaten en tot een ambteloos leven terugkeeren moet. Dat de leden van het Kabinet-Heemskerk daar echter grootere moeite mede gehad hebben, dan andere Ministers, die vóór hen tot aftreden werden genoodzaakt, is niet gebleken. En de bewering, dat zij in den nieuwen toestand zich zóó weinig hebben kunnen schikken, dat zij lust gevoelden, om in het land eene zelfstandige politieke actie te beginnen, rust op geen enkelen hechten grond. Want, afgezien van de vraag, of het wenschelijk of noodzakelijk is, dat aftredende Ministers zich geheel aan de |24| politiek onttrekken en dus de partij van hunne eminente krachten berooven, feitelijk hebben dat de Heeren van het Kabinet-Heemskerk gedaan. Immers, de Heer Talma werd na eenigen tijd van rust predikant te Bennebroek, de Heer de Waal Malefijt burgemeester van Katwijk, de Heer Colijn mede-directeur van de Bataafsche Petroleum-Maatschappij en de Heer Heemskerk lid van den Raad van State.

Maar laatstgenoemde, zoo heet het, heeft toch spreekbeurten in kiesvereenigingen gehouden en twee proclamaties in de Rotterdammer uitgevaardigd! Ja, de Heer Heemskerk heeft een vijftal malen in kiesvereenigingen gesproken, zooals vele leden der partij dat telkens doen, maar moest voor de vele uitnoodigingen, die tot hem kwamen, al spoedig geheel bedanken, omdat zijn lidmaatschap van den Raad van State hem dat uit-spreken-gaan niet verder toeliet. En in de redevoeringen, die hij hield, kwam geen enkel woord voor, dat het wekken of bevorderen van verdeeldheid ten doel had, gelijk zijne hoorders dat kunnen getuigen.

Voorts is de benaming proclamaties voor de twee artikelen, welke de Heer Heemskerk in de Rotterdammer schreef, al te tendentieus gekozen. Het eerste artikel van 15 December 1913 bevatte een advies aan de Anti-revolutionaire Kamerclub, om toch ter wille van de gewichtige belangen, die op het spel stonden, en met het oog op de verklaringen der Regeering, het zitting nemen in de Pacificatie-Commissie voor het onderwijs niet af te slaan. Dit ging nu wel eenigermate tegen het advies van de Standaard in. Maar de Heeren de Savornin Lohman en Loeff hadden namens hunne partij in denzelfden geest gesproken, en de Standaard keerde op hare schreden terug en gaf in het nummer, dat op denzelfden avond als dat van de Rotterdammer verscheen, een soortgelijken raad.

Het andere artikel, opgenomen in de Rotterdammer van 31 Januari 1914 geleek in niets op eene proclamatie, want het hield niets anders in dan eene rectificatie van |25| de bewering in de Standaard, dat het Ministerie-Heemskerk met den Minister van Marine ook dien van Oorlog uit het vorig Kabinet-de Meester had overgenomen. Dit was natuurlijk onjuist, omdat de verwerping van de oorlogsbegrooting van dezen Minister den val van het Kabinet-de Meester ten gevolge had.

De groep van afwijkende broederen, die op scheuring aansturen, bestaat naar ons beste weten alleen in de verbeelding van Dr. Kuyper. Op gevaar af zelfs, dat wij naar het woord in de voorrede (6) ophouden mee te tellen, wijl wij het gevaar niet zien, dat ieder onzer ziet, wagen wij het uit te spreken, dat wij van de groote politieke ellende, het politieke désastre, de desorganisatie onzer partij, vóór de driestarren zoo goed als niets hadden bespeurd. Daar bestaat wel eene malaise in onze partij, waarover wij later iets hopen te zeggen, maar deze is van anderen en ook van ernstiger aard dan die, waar Dr. Kuyper op wijst.

Want het is zeer opmerkelijk, dat al de beschuldigingen, tegen het Ministerie en bepaaldelijk tegen den persoon van Mr. Heemskerk ingebracht, betrekking hebben op miskenning van de organisatie der Antirevolutionaire partij, en geen van alle gericht zijn tegen de beginselen, waarnaar dat Kabinet heeft geregeerd, noch ook tegen de wetten, die onder dat Ministerie tot stand zijn gekomen. Tegen de uitbreiding der armenzorg, de regeling van het kiesrecht in de revisie der Grondwet, den duurtetoeslag, de voorwaardelijke veroordeeling, de verzekeringswetten, het bouwwetteke, de subsidieering van het bijzonder Middelbaar onderwijs enz. wordt geen enkele bedenking ingebracht. Zij schijnen dus, ook naar de gedachte van Dr. Kuyper, een oogst van goede vruchten te vormen, die dan toch ook niet zoo bijzonder gering mag heeten.

Wel is waar, is later in de 40e driestar (65) ook de regeling van de eedsquaestie als een niet te aanlokkelijk incident onder het Kabinet-Heemskerk te berde gebracht. Maar dit geschiedde toch eerst, toen vanwege het arrest van den Hoogen Raad eene regeling van dit vraagstuk in de Tweede Kamer aan de orde |26| kwam; het geval staat dus op zichzelf en komt later nog even afzonderlijk ter sprake. Maar onder voorbehoud van de regeling der eedsquaestie, gaat het Ministerie-Heemskerk, naar het oordeel van Dr. Kuyper, principieel geheel vrij uit.

Trouwens, als dat niet het geval ware geweest, zou de Voorzitter van het Centraal Comité en de leider der partij het Ministerie-Heemskerk bij de verkiezingen in 1909 en 1913 niet met zooveel kracht en ijver hebben mogen en kunnen steunen, als hij feitelijk gedaan heeft. Wel koesterde hij, gelijk ieder uit de Standaard wist, zijne bezwaren, maar deze waren niet van dien aard, dat hij beide malen niet met goede conscientie en van harte het Kabinet-Heemskerk kon steunen.

Zelfs was Dr. Kuyper van oordeel, dat het bij het aanblijven van dit Kabinet na de verkiezingen in 1909 alles beter zou gaan en alle veeten zouden blijken vergeten te zijn. En schoon ook toen weer tegenvallend, het Ministerie ontving opnieuw in 1913 zijn krachtigen steun. In de rede over de Heilige Orde werd aan alle leden van het Kabinet een lauwerkrans op het hoofd gedrukt. En niemand verwachtte of kon verwachten, dat het Ministerie-Heemskerk, twee jaren ongeveer nadat het afgetreden was, als de oorzaak van al onze politieke ellende den volke zou worden voorgesteld.

De teekening van de periode van bloei en van verval, naast en tegenover elkaar, is dan ook van eenzijdigheid niet vrij te pleiten. Alle licht valt op de eerste, alle schaduw op de tweede periode.

Nu komt het niet in ons op, iets af te dingen op den rijken zegen, dien God in en op den schoolstrijd aan de Christelijke partijen in Nederland geschonken heeft, Maar men heeft toch wel in aanmerking te nemen, dat de eenheid en samenwerking in 1878 daarom zoo sterk was, wijl heel de politiek zich concentreerde in de schoolquaestie. Zoodra in den tijd van Groen en Kuyper andere vraagstukken aan de orde kwamen, brak de eenheid en hield de samenwerking op. Dat kwam uit bij de stichting der Vrije |27| Universiteit in 1880, bij de kerkelijke quaestie in 1886, bij de uitbreiding van het kiesrecht in 1894.

Aan de andere zijde is het niet de bedoeling van dit geschrift, om het optreden van het Kabinet-Heemskerk en al de daden zijner regeering te rechtvaardigen; wij schrijven geene apologie. Maar dit is toch wel eenzijdig, om allen aanval schier uitsluitend op den persoon van Mr. Heemskerk te richten. Want voordat deze tegen de oorlogsbegrooting van Minister van Rappard het woord voerde, raadpleegde hij de Antirevolutionaire Kamerclub; toen hij sprak, sprak hij als voorzitter in haar naam. Alle Anti-revolutionaire Kamerleden, ook de oorlogsspecialiteit de Heer Duymaer van Twist, brachten met hem hunne stem tegen de oorlogsbegrooting uit; zij dragen dus evenzeer als de Heer Heemskerk de verantwoordelijkheid voor den val van den Minister van Oorlog, die daarna dien van heel het Kabinet-de Meester ten gevolge had.

Daarbij komt, dat, in weerwil van het vitium originis, dat de formatie van het Kabinet-Heemskerk volgens Dr. Kuyper zou aankleven, geen van de volgende Heeren eenig bezwaar koesterde, om in dat Kabinet zitting te nemen, n.l. de Heeren A.S. Talma, A.W.F. Idenburg, Jhr. Mr. R. de Marees van Swinderen, Mr. M.J.C.M. Kolkman, en dat later evenmin eenige bedenking van dien aard is vernomen van den kant der Heeren Mr. L.H.W. Regout en J.H. de Waal Malefijt, die in 1909 als Ministers optraden, noch van Mr. E.R.H. Regout, die in 1910, noch ook van den Heer H. Colijn, die in 1911 in het Kabinet werd opgenomen.

En Dr. Kuyper zelf komt, na de zuiverheid van Mr. Heemskerks bedoelen erkend te hebben, tot deze verrassende verklaring:

„Toch versta men ons hierbij wel. We ontzeggen noch betwisten aan wat Staatsman ook het recht, om, als hij zulks geraden acht, een ministerieele crisis uit te lokken. Dit kan zelfs geboden en noodzakelijk zijn. De voorstelling, alsof in December 1907 hiertoe bij Mr. Heemskerk neiging had bestaan, tastte derhalve in niets zijn eere noch zijn bedoelen aan. Ook |28| al had hij werkelijk op zulk een crisis aangestuurd, zoo had dit zijn eere als Staatsman nog in niets kunnen krenken. Wat allicht een enkele bedenking deed rijzen, was alleen de vraag, of hierbij kameraadschappelijk jegens den leider was te werk gegaan” (92).

Na de vele aanklachten komt heel de strijd tegen Mr. Heemskerk ten slotte hierop neer, of door hem in 1907 wel kameraadschappelijk jegens den leider is te werk gegaan.

Dr. Kuyper maakt zich echter bezorgd, dat er nog weer eens een dacapo komt van wat sinds 1908 voorviel, en spant nu reeds alle kracht in, om de partij zoo te organiseeren, dat zij in 1917 met volle kracht aanval en verdediging ondernemen kan. Dit streven is uitnemend en draagt heel onze sympathie weg; maar een dacapo van 1908 komt ons niet bijzonder waarschijnlijk voor. Natuurlijk kan niemand in de toekomst zien, en niemand ook de verzekering geven, dat er niet weer eens, ongedacht en onverwacht, eene parlementaire crisis intreedt en het zittend Kabinet voor een ander moet plaats maken. Ministers en Kabinetten treden blijkens de geschiedenis juist zeer dikwerf naar aanleiding van eene parlementaire crisis op, en volstrekt niet uitsluitend, ja zelfs niet meestentijds ten gevolge van verkiezingen voor de Kamer. Doch hoe dit zij, eene crisis, van Anti-revolutionaire zijde uitgelokt, behoort niet tot de waarschijnlijkheden. Immers de leden van het vorige Kabinet staan nog altijd buiten de Tweede Kamer en schijnen zich in hun nieuwen toestand vrij wel te schikken. En de tegenwoordige Antirevolutionaire leden van die Kamer kunnen bezwaarlijk verdacht worden, iets dergelijks in hun schild te voeren. In elk geval zijn zij door de driestarren voldoende gewaarschuwd.


6. Bedenkingen

De driestarren bewegen zich door de historie van |29| verleden en heden naar het tegenwoordige en toekomstige leiderschap heen. Van dit leiderschap krijgen wij geen scherpe en duidelijke definitie; alleen vernemen we, dat een leider als zoodanig optreden kan, hetzij jure suo, hetzij gekozen door eene bevoegde vergadering; dat hij gebonden is aan het program der partij, maar tactisch de verantwoordelijke man is en onbetwist en onverkort gezag bezit (83-84). Doch wat aan begripsbepaling ontbreekt, wordt verduidelijkt door de wijze, waarop Dr. Kuyper het leiderschap toepast, zoowel bij de bejegening van personen als bij de behandeling van zaken.

Boven vernamen wij er reeds iets van. Doordat de Heer Heemskerk na den val van zijn Kabinet een paar malen in kiesvereenigingen eene rede hield en twee artikelen in de Rotterdammer schreef, wordt hem te laste gelegd, dat hij zich aanstelde, alsof het leiderschap van onze partij aan den Voorzitter van het Centraal Comité uit handen moest worden genomen, wijl het aan hem als afgetreden Minister-president toekwam, En aan de Rotterdammer wordt het euvel geduid, dat zij deze artikelen opnam en er de eerste plaats aan gaf (82).

Maar er is nog veel meer materiaal, waaruit wij kunnen te weten komen, hoe Dr, Kuyper het leiderschap opvat. Want welke bejegening hebben zich allerlei personen uit onzen kring niet moeten laten welgevallen! Wij laten mannen buiten onze partij onvermeld, ook gaan we niet ver in het verleden terug, en het lust ons evenmin, om van de bejegening van al die personen uitvoerig verslag te doen. Wij brengen alleen in herinnering de namen van de Heeren Heemskerk, de Waal Malefijt, Talma, van der Voort van Zijp, Van der Molen, Rutgers, Smeenk, Vonkenberg, en halen voorts slechts één voorbeeld aan, niet omdat dit het belangrijkst, maar wel het meest teekenende is.

Ds. Koffyberg gaf n.l. eenigen tijd geleden eene brochure in het licht getiteld; Gij Calvinisten, die eerst in de Standaard van 15 Maart l.l, niet onvriendelijk besproken werd. Maar de asterisk: Polemiek of Politiek |30| in het nummer van 27 Maart sloeg een gansch anderen toon aan.

„Immers, blijkens den titel was het geschrift de oproeping van een officier aan de manschappen, om eenparig den veldheer te veroordeelen,” „Er zou dan ook niets onredelijks in gelegen hebben, zoo de „Veldheer” onmiddellijk al zijn officieren en gedelegeerden in Deputatenvergadering had bijeengeroepen en zijn veldheerstaf had neergelegd, om voorts door Ds. Koffyberg te laten aanwijzen, wie zijn opvolger moest zijn.” „Een officier toch, die, gelijk hier geschiedde, de manschappen alsCalvinisten” tegen den Voorzitter oproept, breekt met de krijgswet, valt ’t Presidium aan, en doet een politieke daad van zeer verstrekkende beteekenis”, zooals Mr. de Wilde met zijn politieke voelhorens al vroeger in de N. Haagsche Courant goed had bespeurd. „Wat later het gevolg van dit delict zal zijn, valt nu nog niet te beslissen. Allicht zou men liefst ontoerekenbaarheid pleiten. Immers, toen de Heer Koffyberg zijn opzienbarenden titel koos, heeft hij vermoedelijk in het minst niet gedroomd, en niet doorzien hoe hij hiermede alle onmisbare partijordening in haar kern aantastte. Toch spreekt ’t vanzelf, dat Dr. Kuyper, en desnoods de Generale staf, op wat wijs dan ook, de verhouding tot dezen officier zal hebben te regelen.”

Dit voorbeeld is buitengewoon leerrijk en doet vóór alle andere deze vraag opkomen, of zulk een behandeling nu Christelijk is, gelijk die onder broederen past. Maar deze vraag stellen wij terzijde, omdat zij hier in het verband wijken moet voor deze andere: sluit het Antirevolutionaire leiderschap het recht en de bevoegdheid in, om leden der partij, die op de meest bescheiden wijze in een zaak, welke zelfs geheel buiten de politiek ligt, hunne bedenkingen inbrengen, op zulk eene onheusche en smadelijke wijze te bejegenen? En zijn de andere leden der partij gehouden, om zulk een oordeel van den leider te onderschrijven, op straffe van anders als afwijkende broederen beschouwd te worden, die op scheuring aansturen? |31|

Toen Ds. Koffyberg tot zijne verdediging een tweede brochure schreef, gaf de Standaard van 28 April l.l. dit korte bescheid:

„Uit de Muiderpastorie werd ons een vriendelijke repliek toegezonden, waarvan we met belangstelling kennis namen.

Dupliek hierop schijnt ons overbodig.

End goed, al goed, zij ook hier ’t laatste woord.

Voor de ernstige aandacht aan onze critiek gewijd zij den geachten schrijver dank gezegd.”

Is de zaak hiermede afgedaan? ’t Schijnt, dat de Standaard in de laatste maanden beseft, dat zij vele wonden geslagen heeft en nu bezig is, er zalf over heen te strijken. ’t Is te hopen, dat zij er door genezen, maar ze hebben zeer gedaan en laten litteekenen na.


Maar wij stappen van deze bejegening van personen af, en noemen ook nog enkele bedenkingen, aan de behandeling van zaken ontleend.

In de Rede over de Heilige Orde op 30 Mei 1913 bl. 17-18 werd wel erkend, dat er landen en tijden denkbaar zijn, die van Godswege om den vrijhandel roepen, en dus deze als exceptie kostelijk kan zijn. Maar tevens opgemerkt, dat de Vrijhandel als dogma uit den menschelijken bajert opgedoken, er op uit is, om de Heilige Orde, waarnaar de menschheid in natiën gedeeld is en blijft, te niet te doen en nogmaals op te richten, wat God zelf bij Babels torenbouw eerst gevonnist heeft en toen neersloeg.

Desniettemin werd terstond na den ongunstigen afloop der verkiezingen in de Standaard van 28 Juni 1913 de hoogst ernstige vraag gesteld, „of hoogere roeping aan de Antirevolutionaire partij nog langer veroorloven zal, de verhooging van het Tarief als integreerend deel van haar stembus-program te handhaven”. En de conclusie was dat, daar de geestelijke belangen van ons volk voorgaan, onze partij zich van dit puur materieele vraagstuk zal hebben los te maken, tot tijd en wijle er een kentering komt in de publieke opinie. |32|

Nu weten wij wel, dat de Standaard toentertijd van liberale zijde aan onbillijke critiek blootstond, omdat de rede over de Heilige Orde niet altijd en overal zich tegen vrijhandel verklaarde, maar den strijd bepaald tegen het dogma van den vrijhandel aanbond. En ook valt er geene aanmerking op te maken, dat Dr. Kuyper, van inzicht veranderd, daarvan in zijn orgaan kennis gaf.

Maar het gold hier eene belangrijke zaak, die formeel op het program van actie was geplaatst en waarover met de R. Katholieke partij accoord was getroffen. Ging het nu aan, dat de leider zonder eenige raadpleging van het Centraal Comité en zonder overleg met vertegenwoordigers van de Rechtsche partijen, geheel op eigen autoriteit verklaren kwam, dat de tariefverhooging van het program van actie moest worden afgevoerd? De Roomsche pers was er volstrekt niet over te spreken, en ontzegde aan de Standaard het recht en de bevoegdheid, om zoodanige verandering in het gemeenschappelijk program aan te brengen.

De vraag klemt te meer, nu de Standaard van 3 en 4 Nov. l.l. er terecht de aandacht op vestigde, dat de oorlog ten gunste van tariefverhooging werkt en Engeland, ofschoon al een vrij hoog tarief hebbende, thans toch Bonar Law, den voorstander van het Protectionisme, in het kabinet opnam en onmiddellijk daarna tot tariefverhooging en tot toepassing van het tarief ook op Europeesche producten overging.

Een ander voorbeeld is de regeling der eedsquaestie, die door het arrest van den Hoogen Raad van 29 Juni 1914 noodzakelijk werd gemaakt. Van Rechtsche zijde werden tegen het desbetreffende wetsvoorstel van Minister Ort zeer ernstige bezwaren ingebracht, die bij vele leden der Tweede en der Eerste Kamer instemming vonden, Vooral de Standaard liet zich in dezen niet onbetuigd en sprak van eene heilige overtuiging, die aanneming van dit wetsontwerp verbood.

Hoe men nu over de ingebrachte bezwaren ook denken moge, een ieder werd toch verrast door de verklaring van Dr. Kuyper in de Eerste Kamer, „dat |33| het best mogelijk zou zijn, dat ik, wanneer het tot een einddecisie kwam, ook mijnerzijds misschien geen anderen uitweg zou zien, dan die, waarop door den Minister is aangedrongen” (Handel. 17 Juni 1915 bl. 394).

Toen hierop later in de pers aanmerking werd gemaakt, gaf de Standaard van 3 Juli l.l. ten antwoord, dat de Anti-revolutionaire partij er niet in slagen zal, de geheele phalanx van Rechts in onze grieven te doen deelen. En dit nu, maar ook dit alleen, zou ten gevolge kunnen hebben, dat er geen andere uitweg overbleef, dan om met het stelsel van „eed of verklaring” mee te gaan.

Maar dat kan toch niet in eene zaak, welke een beginsel en eene heilige overtuiging betreft. Omgekeerd, indien dat wel kan, dan was er geen beginsel of heilige overtuiging in het spel en mochten zij, die geen overwegende bezwaren tegen het ingediende wetsvoorstel koesterden, niet van beginselverzaking worden aangeklaagd.

En toch geschiedde dit. wat ons tevens brengt tot een derde voorbeeld, dat aanleiding tot bedenkingen geeft. Volgens de 40e driestar in de Standaard van 19 Juni l.l. (65) hebben de Heer Heemskerk indertijd als Minister-president, de Hoogleeraren Anema en Diepenhorst, en Mr. J.J. de Waal Malefijt inzake de eedsquaestie denkbeelden bepleit, die stonden tegenover die van Ons Program, en van beslist liberale herkomst waren.

Men stond publiek „voor het droeve feit, dat in een zoo ernstig debat (n.l. in de Eerste Kamer) een fel bestoker (de Heer Drucker) van de Anti-revolutionaire partij, zich op deze gegadigden van de Vrije Universiteit kon beroepen, om aan den Voorzitter van het Centraal-Comité en aan den schrijver van „Ons Program” te doen gevoelen, hoe de Antirevolutionaire partij in haar organisatie, verliep en hoe het de denkbeelden van hem, Mr. Drucker, waren, die steeds meer bij de Anti-revolutionaire geleerden ingang vonden”.

En het feit lag er inderdaad toe, zoo heette het „dat |34| de toenmalige Minister Heemskerk en de hoogleeraar Anema zich metterdaad in dien zin tegen Ons Program en ten faveure van de denkbeelden, die Mr. Drucker, als liberalistisch ooft, aanbeval, hadden uitgelaten,

Dit gebeurde is van zoo ernstig gewicht, dat het nader ter toetsing dient te komen.”

Nu hebben wij die nadere toetsing geduldig af te wachten. Maar de beschuldigingen, die hier zijn uitgesproken, doen toch ééne politieke vraag opkomen, die voor de leiding in de Antirevolutionaire partij van groot belang is.

Ze is deze. In artikel 5 van het Program van beginselen staat inzake den eed alleen het volgende geschreven: Zij (n.l. de antirevolutionaire of christelijk-historische richting) belijdt, dat de overheid regeertbij de gratie Gods, en, hieraan hare regeeringsmacht ontleenende, het recht heeft den eed te vragen.

Dat is alles, en het valt niet in te zien, dat de bovengenoemde, in staat van beschuldiging gestelde Heeren hiermede in strijd gehandeld hebben. Zij aanvaarden dit artikel zonder twijfel even beslist als alle leden der Antirevolutionaire partij.

Trouwens, dat wordt door Dr. Kuyper ook niet beweerd. Alleen zegt hij, dat deze Heeren omtrent de eedsquaestie met warmte denkbeelden tegenover Ons Program bepleit hebben, dat is tegenover de breedvoerige toelichting, welke Dr. Kuyper van het Program van beginselen in de jaren 1878 en ’79 gegeven heeft.

Moet men hieruit afleiden, dat Dr. Kuyper de leden van de Antirevolutionaire partij niet alleen aan Het Program, maar ook aan Ons Program gebonden acht? Enkele uitlatingen schijnen in die richting te wijzen.

Zoo lezen we op bl. 84 van de Starrentritsen, dat de Toelichting op het Program van beginselen, in ’78 verschenen en nu 37 jaar oud, „officieel alleen door de Deputatenvergadering kan gewraakt.” En even verder: „Inzake de eedswet hadden we Art. V van het program en de toelichting op bladz. 100 v.v. Daarop kon elk lid van onze Partij op de Deputatenvergadering |35| (wij cursiveeren) critiek oefenen, en dan voorstellen om Art. 5 te wijzigen, of de toepassing ervan door een nieuw besluit te regelen.”

Geeft dit geene aanleiding om te denken, dat volgens Dr. Kuyper de partij niet alleen aan het Program van beginselen, maar ook aan Ons Program, dat is, aan zijne toelichting gebonden is?

Maar dat kan toch aan de andere zijde weer niet het geval zijn. Want in de voorrede van de groote uitgaaf van „Ons Program” (Amsterdam, J.H. Kruyt 1879) schrijft Dr. Kuyper zelf aldus:

„Toch onderstelle daarom niemand, dat deze herdruk op onze volgreeks een ijk poogt te zetten van éénig geldende of alléén rechtzinnige uiteenzetting der Antirevolutionaire leer.

Zulk een beweren toch zou, op politiek gebied, zich zelf weerleggen, en, met het oog op de realiteit, belachelijk zijn.

Veeleer stelt de schrijver niemand dan zichzelf voor wat hij neerschreef aansprakelijk; behoeft het wel niet gezegd, dat de aaneensluiting van de kiesvereenigingen op het Program, en niet op deze toelichting moet volgen; en begrijpt ieder, dat zoomin onze als eenige andere Staatspartij ooit een allen in alles bevredigende en daardoor in alles bindende détailformuleering van haar beginselen ook maar zou kunnen geven.”

Even sterk spreekt het feit, dat de Schrijver der Toelichting er zichzelf niet aan houdt; in de Eerste Kamer onlangs tegenover Minister Ort, die „Ons Program” had aangehaald, verklaarde, dat dit Program „in 1878, dus bijna veertig jaren geleden, geschreven is door iemand, die pas uit het predikantenleven komende, daarover zijn denkbeelden vlug ontwikkelde” (Handel, der Eerste Kamer 17 Juni 1915 bl. 395); en thans bezig is, eene Nieuwe Toelichting uit te geven, die zeker veel meer dan eene copie van de oude belooft te zijn.

Het komt ons voor, dat dit en de andere voorbeelden, die wij inzake bejegening van personen en behandeling van zaken aanhaalden, genoegzaam |36| materiaal leveren voor het maken van rechtmatige bedenkingen, Het zou niet moeilijk vallen, de voorbeelden te vermeerderen, Maar wij laten het hierbij, omdat het er ons volstrekt niet om te doen is, aan eene reeks van klachten of aanklachten uiting te geven. Wij zouden in het geheel niet gesproken hebben, als Dr. Kuyper niet formeel en pertinent het leiderschap aan de orde had gesteld.

Maar nu dit vraagstuk, waarlijk niet door ons toedoen en naar onzen zin, aan de orde kwam, nu achten wij ons verplicht, ons zelven en anderen er duidelijk rekenschap van te geven, dat trouwe leden der partij bedenkingen kunnen koesteren, die niet door boozen nijd of hartstocht zijn ingegeven, maar op feiten zijn gegrond. En voor het uiten van zulke bedenkingen moet de Antirevolutionaire partij, indien zij gezond van hart wil blijven, vrijheid en ruimte laten, zonder dat men daarom aanstonds publiek verdacht wordt gemaakt of ingedeeld bij afwijkende broederen, die een anderen leider begeeren en op scheuring aansturen.


7. Eenheid en vrijheid

Maar als ieder vrijheid krijgt, om zijne bedenkingen te uiten en zijne bezwaren te opperen, dan loopt — zoo zegt men — de eenheid gevaar, spat de Antirevolutionaire partij met haar prachtige organisatie uiteen en verliest zij straks al haar invloed in het parlement.

Inderdaad bestaat dit gevaar, en het mag niet worden onderschat. Veeleer moet aller streven zich daarop richten, om dit gevaar af te wenden en met de vrijheid ook de eenheid te bewaren, Beide hebben recht van bestaan en mogen niet, de eene aan de andere worden opgeofferd. En daarom is de regeling van beider verhouding gelijk Dr. Kuyper zegt, eene van de moeilijkste problemen (68).

Zeer juist merkt hij daarbij op, dat het niet anders kan, of wie als leider de verantwoordelijkheid en het verband gevoelt, altoos gevaar loopt op de vrijheid te |37| willen beknibbelen, en anderzijds minnen de vogels de kruk niet, en vergeten onder het vrije uitvliegen wel eens de til, waarin ze toch thuis hooren.

De moeilijkheid eener regeling neemt nog daardoor toe, dat het probleem in onze partij nooit onder de oogen werd gezien. Langen tijd heeft de Antirevolutionaire partij als het ware onbewust en in naïef vertrouwen geleefd, schier blindelings volgend het pad, dat eerst door Groen, daarna door Kuyper werd aangewezen. Maar die dagen schijnen voorbij te zijn; ongemerkt is de Antirevolutionaire partij uit de kinderjaren in den jongelings- en den mannelijken leeftijd overgegaan, en heeft behoefte, om zichzelve welbewust rekenschap te geven van den weg, dien zij bij de vele en ingewikkelde vraagstukken van dezen tijd volgens haar beginselen te volgen heeft. En zoo kwam ook het probleem van eenheid en vrijheid, van leider en partij aan de orde. In dit licht bezien, draagt de quaestie hoegenaamd geen persoonlijk karakter, maar is zij volkomen zakelijk, en kan zij zoo objectief mogelijk besproken worden.

Wat is de taak en de roeping van den leider? Niet van den leider jure suo, die dit is door de bijzondere gaven en talenten, welke God hem geschonken heeft. Want dit leiderschap is uitsluitend van zedelijken aard, legt daarom te duurder verplichtingen op, en valt niet onder de beschikking en regeling van menschen. Al zou de Deputatenvergadering bijv. den tegenwoordigen leider door een ander vervangen, en al trok Dr. Kuyper zich met zijn blad op particulier erf terug, dan zou hij nog, zoolang God hem leven en krachten spaart, voor duizenden bij duizenden in ons land de leider blijven.

Maar Dr. Kuyper is ook de gekozen en telkens herkozen leider, en dankt daaraan niet zijne positie maar toch zijn officieel recht (84), En hierbij mag de vraag worden gesteld, wat dit officieele recht insluit en meebrengt. De bovengenoemde bedenkingen hebben zelfs, naar wij meenen, de noodzakelijkheid aangetoond, om deze vraag te stellen en naar een gemeenschappelijk antwoord te zoeken. |38|

Dit antwoord zou veel gemakkelijker te vinden zijn, als het leiderschap in onze partij niet een dubbel karakter droeg en meer nog op de aangeboren gaven dan op de officieele keuze der deputatenvergadering berustte, Maar niemand kan waarborgen, dat dit ook in de toekomst zoo zijn en blijven zal. Genieën zijn zeldzaam, en als deze ontbreken, moeten wij in kerk, school, staat, partij enz, met mannen van minderen rang tevreden zijn, die in hun soort ook uitnemend kunnen zijn en vruchtbaren arbeid kunnen leveren. Bij andere partijen hooren wij dan ook zoo goed als niets van quaesties omtrent het leiderschap. Dit vraagstuk rees, althans in zijn acuten vorm, alleen op in de Antirevolutionaire partij en is dan ook uit den aard der zaak van tijdelijken, voorbijgaanden aard.

Deze eigenaardige toestand in onze partij-organisatie brengt het gevaar mede, dat wij aan het leiderschap eene importantie toekennen, die er volstrekt niet van nature aan eigen is, maar er door de persoonlijkheid van den tegenwoordigen leider mede verbonden is, Onderstel echter, dat wij in gewone omstandigheden leefden en als voorzitter van het Centraal Comité een man bezaten, die wel bekwaam en degelijk was, maar toch niet van de schouderen af en opwaarts boven alle anderen uitstak, dan zouden de verhoudingen in de partij op eene andere wijze te regelen zijn dan thans het geval is. En wijl Dr. Kuyper nu reeds zijn 78en jaardag achter den rug heeft en nergens in onze kringen een leider suo jure aan te wijzen valt, zal de Antirevolutionaire partij heel verstandig doen, als zij het leiderschap in onze partij niet met het oog op het heden, maar bepaald met het oog op de toekomst, regelt en zich op den nieuwen toestand, die na enkele jaren intreden moet, welbewust voorbereidt.

Zulk eene voorbereiding wordt ons gemakkelijk gemaakt, doordat wij daarbij op de hulp van Dr. Kuyper rekenen kunnen, Immers, hoe sterk ook op de eenheid der partij den nadruk leggende, hij kent daarbenevens aan de vrijheid haar rechten toe. Eenvormigheid, zoo hooren wij, is de vloek (69). Als eene |39| partij uit een beginsel leeft, dan moet dat daarin uitkomen, dat er rijke variatie uit opkomt (60). Er was en er is in de Anti-revolutionaire partij plaats voor eene meer behoudende en eene meer vooruitstrevende fractie (73). Zelfs critiek mag niet altoos gespaard blijven (73).

In de voorlaatste driestar beloofde hij dan ook, te zullen aanduiden, op wat wijze de serieuze genezing van wat wond werd, te verkrijgen zal zijn (86). En in de laatste driestar beval hij als geneesmiddel aan, dat de organisatie en ook het Program aan eene revisie worde onderworpen, en dat er een Raad van Advies worde ingesteld, waarin de verschillende elementen telken jare over de hangende vraagstukken en opkomende geschilpunten van gedachten kunnen wisselen. Zelfs verklaarde Dr. Kuyper zich tot elke schikking in dien trant, die onze partij ten goede kan komen, van harte bereid; hij hoopte er zelf het initiatief toe te nemen (88, 89).

Wijl wij nu met zulk eene nadere regeling van het partij-verband zakelijk geheel accoord gaan, gelijk de laatste paragraaf in dit vlugschrift zal aanwijzen, zouden de gebreken, die onze organisatie aankleven, met eenige goedwilligheid wederzijds vrij gemakkelijk althans in formeelen zin, te verhelpen zijn, Maar wij mogen niet verhelen, gelijk wij boven reeds met een enkel woord lieten verluiden, dat de politieke malaise, waarin wij verkeeren, naar onze overtuiging eene veel diepere oorzaak heeft en een veel ernstiger karakter draagt. Ze schuilt niet in de eerste plaats in onze organisatie, maar hangt saam met het eigenaardig historisch verloop van ons partijleven.

Voordat we hierover een woord in ’t midden brengen, ga echter deze opmerking vooraf. Het wordt in den laatsten tijd, in allerlei kringen, van kerk, school, wetenschap, politiek enz. gewoonte, om over onze geestelijke ellende en achteruitgang te klagen, Natuurlijk, als Dr. Kuyper zoo voorgaat, wie volgt hem niet na? Maar men vergeet één ding, dat als Dr. Kuyper zoo over onze ellende spreekt, hij tevens pogingen in het |40| werk stelt om eruit te komen en tot een beteren toestand te geraken, Doch de klagers, die hem navolgen en nadoen, zetten zich dikwerf stil en rustig bij de pakken neer, en steken geen hand uit, om verbetering aan te brengen. Het is soms, of zij het zuchten en klagen voor een bijzonder teeken van ernst en vroomheid houden, waarbij zij dan tevens de voldoening smaken, dat hun gemakzucht bevredigd wordt en hun beurs gesloten blijft.

In dezen zin moet men de klacht, die hier over onze politieke malaise geuit wordt, volstrekt niet verstaan. Het is onze overtuiging, dat vroeger lang niet alles goud was wat er blonk, en dat het tegenwoordig lang niet alles valsch en onecht en klatergoud is. De ouderen hadden hunne deugden en gebreken, en de jongeren hebben beide ook. Alleen maar, wij leven thans in een veelszins anderen tijd en staan voor vele nieuwe problemen. Wij behooren ons dus van deze groote verandering rekenschap te geven en moeten trachten niet alleen het verleden maar ook het heden te verstaan. Het is onze plicht, om ons gebrek, onzen achterstand, onze malaise zoo men wil, helder in te zien, niets voor ons zelven of voor elkander te verbergen en te verbloemen, en dan saam naar genezing te zoeken.

Dr. Kuyper was naar zijn eigen zeggen (86) in de driestarren niet als „de zachte geneesmeester” aan het woord. Nu, daarin zal ieder het met hem eens zijn. Maar dat is zoo erg niet; indien het noodig is en waar het noodig is, moet de geneesmeester toetasten en het mes diep in de wonde zetten. Voor zalvende vleierijen en gewilde loftuitingen is het nooit, maar dan zeker de tijd niet. Maar wij verschillenvan Dr. Kuyper in meening, als hij zegt, dat er naar zijne vaste overtuiging, èn formeel èn materieel een zeer ernstige fout was begaan, en dat uit die ééne fout, als nabloeding, alle overige partijjammer voortgekomen was. Van die ééne fout, n.l. de crisis van 1907 met hare gevolgen, hebben wij boven reeds een en ander gezegd. Maar ook al ware die crisis eene fout geweest, de |41| eenige was zij zeer zeker niet. De „politieke ellende” heeft, indien en voor zoover zij bestaat, eene diepere oorzaak.

Wat toch is het geval? Partijvorming is eene kostelijke zaak; en de bewering van een Duitsch geleerde, dat de toestand in eenig land veel beter zou zijn als er in het geheel geen partijen waren, miskent het werkelijke leven en lijdt aan oppervlakkigheid. Partijen ontstaan overal, waar het politieke leven tot eenige ontwikkeling gekomen is, met psychologische en historische noodzakelijkheid. En ze hebben dit groote voordeel, dat zij in den chaos der meeningen orde scheppen, over de groote vraagstukken van den tijd het licht der beginselen laten schijnen, de massa des volks organiseeren tot eene welbewuste en doeltreffende actie, en persoonlijk getwist en geharrewar veranderen in een wettigen en regelmatigen strijd.

Voorts hebben wij in ons land, in onderscheiding van vele andere landen, het groote voorrecht gehad, dat er in Groen van Prinsterer een man is opgestaan, die klaarder en beslister dan allen, die hem voorgingen en omringden, tegenover de Revolutie het Evangelie plaatste en daaruit ook beginselen wist af te leiden, die voor het staatkundige leven golden, Zoo werd de grondslag gelegd voor de formatie eener zelfstandige, van liberalisme en conservatisme beide in principe verschillende, Christelijk-historische of Antirevolutionaire partij. En deze had en behield jaren lang haar eenheid en haar sterkte in den strijd voor de vrije, Christelijke school.

Want de Antirevolutionaire partij begon klein en werd grootendeels gevormd door de stillen in den lande, de eenvoudige vromen, het volk achter de kiezers. Dezen waren het, die door Bilderdijk, da Costa, Groen en anderen uit hun slaap werden wakker geschud en tot belangstelling in de dingen van het heden werden opgewekt, En daaronder bekleedde het Christelijk onderwijs de eerste, de voornaamste, schier de eenige plaats. Overigens hadden ze van politiek weinig verstand en gevoelden er ook weinig voor; zij lieten |42| zich, waar het noodig was, in goed vertrouwen leiden. De verhouding van dit volk tot Groen en later tot Kuyper was geheel van persoonlijken aard; deze mannen hadden het vertrouwen, omdat zij het woord vertolkten, dat leefde in het eigen hart. Men voelde, dat men met hen op denzelfden godsdienstigen grondslag stond; het was geestessympathie, die hen samenbond.

Dat kwam uit in de kleine pers, die een echo was van de Nederlandsche en later van de Standaard-gedachten en deze propageerde onder het volk. En het kwam vooral uit in de kleinere en grootere politieke vergaderingen. Ze hadden iets persoonlijks, gezelligs, vertrouwelijks; men voelde er zich thuis als in een vroom gezelschap; er werd gebeden, uit de Schrift gelezen, een psalm gezongen, dankzegging gedaan; en al het spreken was gestemd in den religieuzen toon. Eene politieke vergadering was haast eene godsdienstige samenkomst.

Had dat zoo niet kunnen blijven? Het was zoo gezellig en het ging zoo goed; niet zelden werd de ziel er verkwikt. En daarbij kwam, dat men wist te strijden voor een heilige zaak. De strijd was in veel minder mate dan die der vaderen, maar toch op zijne wijze ook een strijd voor het geloof, voor de waarheid, voor de eere Gods en de zaak van zijn rijk. Het is best te verstaan, dat de ouderen onder ons met eenigen weemoed terugdenken aan deze tijden van ouds.

Maar de tijden veranderen en ze zijn veranderd, veel meer dan sommigen zich willen of kunnen voorstellen. Ze zijn veranderd op elk gebied, in de school, in de kerk, en ook in de politiek.

In de school bijv. hebben wij aan Christelijke onderwijzers zonder meer niet genoeg, maar hebben we behoefte aan mannen, die met trouw aan het beginsel noesten arbeid verbinden, zich op de hoogte stellen van de vele ziel- en opvoedkundige vraagstukken, welke deze eeuw aan de orde stelt, en die door den chaos van beginselen en meeningen heen den weg weten aan te wijzen, dien wij met ons |43| Christelijk onderwijs in de toekomst te bewandelen hebben. Als we dat niet doen, komen we in enkele jaren ten achter en lijden we, na de overwinning in den politieken strijd, in den veel ernstiger geestelijken strijd de nederlaag.

In de kerk is het niet anders gesteld. Als men meent, dat deze haar taak heeft volbracht, als zij in den gewonen sleur voortleeft, vergist men zich en bereidt men zich groote teleurstelling. Er is, vooral in de groote steden, veel meer noodig, veel meer inspanning en veel meer toewijding, De zonen en dochters uit onze Christelijke gezinnen komen dag aan dag met personen en denkbeelden van allerlei richting in aanraking en worden in grooten getale mee afgevoerd op den stroom van den tijd. Het zou uiterst belangrijk zijn, in een paar groote steden eens nategaan, hoeveel zonen uit onze kringen, binnen een tijd van tien jaren bijv., voor de Christelijke, voor de Gereformeerde belijdenis verloren zijn gegaan en door andere leeringen zijn medegesleept. En dan die duizenden en nogmaals duizenden, die in lagere en hoogere standen te midden van het Christendom leven en zoo goed als nooit meer van het Evangelie iets vernemen! Is de kerk verantwoord, als ze van al deze dingen zich niets aantrekt en ze stil laat begaan?

Op soortgelijke wijze is er nu ook eene groote verandering gekomen op politiek terrein. Toen de Antirevolutionaire partij opkwam, had ze jarenlang alleen met de schoolquaestie te doen; en hier sprong het verband van godsdienst en politiek een ieder in het oog, En ook viel het niet moeilijk, uit de Christelijke belijdenis eenige algemeene politieke gedachten en zelfs een program van beginselen af te leiden. En in de vreugde over dezen rijkdom beeldden velen zich nu in, dat zij er waren en in die beginselen den sleutel bezaten tot oplossing van alle vragen, die zich op politiek terrein voor konden doen. Het was de tijd der principia, de tijd van het naief geloof aan de schier onbeperkte macht der idee.

Maar dat viel toch niet mede, toen men kennis |44| maakte met de werkelijkheid en voor de vele nieuwe en ernstige problemen van het leven kwam te staan. Men zag zich toen al spoedig genoodzaakt, om eene „neutrale zône” aan te nemen, die buiten de grenzen der beginselen lag. En wat erger was, zoodra er verband moest gelegd worden tusschen beginselen en practische politiek, werd binnen den eigen kring groot verschil van meening openbaar. Dat was geen onwil of boos opzet, maar vloeide voort uit den aard van de zaak.

Met tal van voorbeelden ware dit op te helderen. Neem bijv. de quaestie van vrijhandel of bescherming. In de driestarren (43) lezen we, dat verhooging van het tarief zeker niet diep in onze beginselen ingrijpt, maar dat het er toch niet geheel buiten ligt. Ieder gevoelt, dat dit zeer rekbaar is en voor verschil van meening groote speelruimte laat, En deze speelruimte breidt zich nog uit, als de vraag aldus wordt gesteld, of op een bepaalden tijd en in een bepaald land voor verhooging van het Tarief de strijd moet worden aangebonden, Want dan wordt de zaak van vrijhandel of bescherming eene quaestie van opportuniteit, n.l. of „op grond van economische beschouwing en ervaring een verstandige en gematigde bescherming” al dan niet in ’t algemeen belang van ons volk geacht moet worden.

Veel belangrijker ware het de geschiedenis na te gaan, welke de sociale quaestie in onze partij heeft doorgemaakt. Maar op dit gebied liggen zooveel voetangels en klemmen, dat wij wijs doen, er in deze brochure ons buiten te houden. Trouwens ieder weet, dat leden onzer partij over de vele ingewikkelde vraagstukken der sociale wetgeving zeer verschillend denken, zonder dat men bij een hunner de trouw aan onze beginselen verdenken mag. Het Sociaal Congres, in Nov, 1891 te Amsterdam gehouden, was eene uitnemende poging, om de houding der Christenen tegenover de sociale nooden van onzen tijd te bepalen, en droeg kostelijke vruchten. Maar het was veel te grootsch en te kostbaar opgezet, om spoedig herhaald |45| te worden. Na dien tijd hoorde men dan ook niets meer van een streven, om door broederlijke samenspreking op deze en andere punten tot eenheid van inzicht en handelen te komen. Andere partijen hebben hare jaarlijksche vergaderingen en congressen, waar ernstig over de vraagstukken van den dag gedebatteerd wordt; maar de Antirevolutionaire partij heeft niets van dat alles. Eens in de vier jaren slechts mag zij in eene deputatenvergadering samenkomen, die door haar talrijk bezoek voor een serieuze behandeling van zaken totaal ongeschikt is. Is het wonder, dat vele leden der partij dan in verschillende richtingen uiteengaan en de partij in groote onzekerheid brengen?

Wat wij hier beweren wilden, komt, kort samengevat, ongeveer op hetzelfde neer als wat deze merkwaardige zinsnede in de driestarren (93) inhoudt:

„Denke men er vooral aan, dat de Schoolquaestie haar voorloopige oplossing tegemoet gaat, en dat, helaas, maar al te velen zich nog nimmer beslist rekenschap gaven van wat de Antirevolutionaire Partij zou hebben na te jagen, als eenmaal de Schoolquaestie verdween.”

Maar deze zinsnede behoort dan aldus te worden aangevuld: en dat zij, die van deze dingen zich wel trachtten rekenschap te geven, geene poging aanwendden, om in den boezem der partij deze vraagstukken tot ampele bespreking te brengen en langs dezen weg tot overeenstemming en samenwerking te geraken.

Zoolang het hiertoe niet komt, zullen wij bij vele vraagstukken in verschillende richting uiteengaan en de partij in steeds grootere onzekerheid brengen. En dat is de politieke malaise, waarin wij verkeeren. Wij weten op tal van punten niet, waar we aan toe zijn, welke de draagkracht en de straallengte van onze beginselen is, welken kant we uit moeten sturen, Er is in ons politieke leven geen vaste gang, Onze positie wordt al te dikwerf door onze tegenstanders bepaald.

Dat heeft nu ten gevolge, dat sommige tot |46| doctrinairisme gaan overhellen, allen nadruk op de beginselen en hunne consequenties laten vallen, en de eischen van het werkelijke leven miskennen. Anderen daarentegen, al of niet bij ervaring wetende, hoe moeilijk het is, om beginseltrouw en practische politiek met elkaar te vereenigen, neigen er steeds meer toe, om aan het succes en de macht de grootste waarde toe te kennen en het met de beginselen niet al te nauw te nemen. En het grootste gevaar bestaat dan nog daarin, dat men naar het verband van beginselen en practische vraagstukken zoo maar in het ruwe een slag slaat, met beroep op een tekst uit de H, Schrift de moeilijkste quaesties tot beslissing brengt, en den godsdienst tot het bereiken van politieke doeleinden misbruikt.

Dergelijke practijken berokkenen dan naar binnen en naar buiten onberekenbare, geestelijke schade. En zij maken, dat er in eigen kring bij vele leden een sterk verlangen opkomt naar eene eerlijke, door en door eerlijke politiek.

Naar behartiging, (in de eerste plaats onder hen, die eene Christelijke staatkunde voorstaan) van Jezus’ woord: zijt dan voorzichtig (verstandig, bedachtzaam) gelijk de slangen, en oprecht (eenvoudig) gelijk de duiven.

Ja juist, oprecht gelijk de duiven!


8. Reorganisatie

Indien de teekening, die wij gaven, niet al te ontrouw aan de werkelijkheid is, is er maar één weg, die tot beterschap kan leiden; en deze is: nauwere aaneensluiting van alle leden der partij, inzonderheid van hen, die in de voorste gelederen staan; krachtige opwekking en innige samenwerking van alle gaven en krachten, die in de partij beschikbaar zijn; herstel van wederkeerig vertrouwen en gemeen overleg, zoo, dat eenheid en vrijheid, gemeenschap en persoonlijkheid, partijverband en individueele overtuiging beide zooveel mogelijk tot haar recht komen. |47|

Zulk eene organisatie komt overeen met onzen volksaard. Wij liggen tusschen Duitschland en Engeland in, zijn aan beide verwant en van beide onderscheiden. We zijn van huis uit een vrij volk, opgegroeid in weer en wind, van Hoogere Macht ons afhankelijk gevoelend, maar liefst zoo vrij mogelijk tegenover elke andere aardsche macht. We waren lange tijden aaneen geen koninkrijk, maar eene republiek; en het koningschap, dat wij in 1815 ontvingen, droeg van zijn oorsprong af een gansch ander karakter, dan dat van Pruisen bijv., zoodat de staats- en rechtsbeschouwing van Stahl zoo maar niet zonder belangrijke wijziging op Nederlandschen bodem kan worden overgeplant. We houden er daarom niet van, gedwongen of gedrild te worden; militairisme stuit ons tegen de borst. Dit brengt ongetwijfeld zijne groote, ernstige gevaren mede: individualisme, ongemanierdheid, tuchteloosheid, losbandigheid. Maar we zijn nu eenmaal zoo; iedere wetgever moet er mee rekenen. De pijlenbundel is ons beeld; elke pijl zichzelf, maar alle saam omstrengeld door één band. Alleen door eendracht kan het bij ons komen tot macht.

Zoodanige organisatie beantwoordt ook aan den eisch onzer Christelijke, met name onzer Gereformeerde, gezuiverde belijdenis. Want ieder lid in de gemeente is zelfstandig, ontvangt zijne eigene gave en taak en heeft eene persoonlijke waarde. En toch zijn ze samen één lichaam, saam de roeping hebbende om alle gaven ten nutte van anderen gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

En eindelijk, zulk eene organisatie stemt ook overeen met de hoogte der ontwikkeling, welke de Antirevolutionaire partij allengs heeft bereikt. Wij zijn nog wel niet vele wijzen en machtigen en edelen. Maar in vergelijking met vroeger zijn er toch veel meer mannen in onze kringen, die eene wetenschappelijke opleiding genoten en dus zelfstandig over de vraagstukken gaan nadenken. Dat zij, schoon van dezelfde beginselen uitgaande, daarbij toch dikwerf tot andere conclusiën komen, is niets vreemds, maar volkomen |48| natuurlijk. Lastig moge het zijn en velen terug doen wenschen naar de dagen van ouds; er is niets aante doen. Als men de vroegere naieve periode had willen bestendigen, had men den tijd stil moeten zetten en in elk geval geen Vrije Universiteit moeten oprichten en daaraan niet den weidschen naam van school van wetenschappen moeten geven. Want het was van te voren op de vingers te berekenen, dat zulk eene inrichting, indien ze waarlijk naar Gereformeerde beginselen wetenschappelijk te werk gaat, mannen zal kweeken, die door eigen oogen hebben leeren zien en daarom menigmaal een eigen kijk op de dingen hebben. Uitwerking van de Gereformeerde beginselen, gelijk Dr. Kuyper die wenscht, moge aanbevelenswaardig zijn, maar zou aan den feitelijken toestand toch weinig veranderen, wijl zulk eene uitwerking alleen algemeene bepalingen, geen concrete antwoorden zou kunnen bevatten. Voor verschil van gevoelen zou er dus altijd nog groote ruimte blijven bestaan.

Daar komt nog bij, dat zoodra er zulke mannen komen, die een eigene opinie hebben, zij deze ook gaarne bij gelegenheid willen uiten. De een heeft daar zeker meer behoefte aan dan de ander, en niet ieder gevoelt er dezelfde roeping toe. Maar in het algemeen kan men wel zeggen, dat, als iemand iets weet, hij het ook gaarne mededeelen wil. Ook dit is geheel vanzelfsprekend; zelfs kan menigmaal de vraag opkomen, of men, van een ander in meening verschillend, wel bij den voortduur zwijgen mag, Maar hoe dit zij, één ding is zeker, dat men de verscheidenheid van stemmen niet onderdrukken of smoren kan. Want dan zou het laatste nog erger worden dan het eerste, en het einde den vollen last dragen.

Daarom blijve in de eenheid de vrijheid, het recht der persoonlijkheid en der conscientie geëerbiedigd, maar zoo dat daarbij de eenheid toch zoo min mogelijk schade lijde, Dit kan nu naar onze overtuiging alleen geschieden, doordat er eene reorganisatie in ons partijwezen tot stand kome, die aan de volgende regelen beantwoordt. Waarbij we alleen opmerken, dat deze |49| regelen niet in bijzonderheden treden doch slechts een algemeen richtsnoer aangeven; en dat zij, niet in de eerste plaats met het oog op het heden, maar vooral met het oog op de toekomst ontworpen zijn.

1. Dr. Kuyper zelf stelt voor, een Raad van Advies in te stellen, waarin de verschillende elementen telken jare over de hangende vraagstukken en opkomende geschilpunten van gedachten kunnen wisselen.

Of met dezen Raad van Advies een ander college dan het Centraal Comité of een op andere wijze samengesteld Centraal Comité bedoeld wordt, is niet duidelijk en eischt nadere explicatie. Maar met de gedachte op zichzelve stemmen wij ten volle in.

Het Centraal Comité bestaat thans wel, maar komt, naar we meenen, gewoonlijk slechts eenmaal in de vier jaar, korten tijd voor de verkiezingen, saam, blijft overigens geheel buiten consult, en is dan, als het voor die enkele maal samenkomt, volstrekt niet op de hoogte, om een eenigszins zelfstandig oordeel uit te spreken. Noodig is het daarom, dat het Centraal Comité, op de eene of andere wijze hervormd, op vaste tijden samenkomt, en eventueel over gewichtige vraagstukken, die aan de orde komen, tijdig door den Voorzitter, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van drie of meer leden, tot eene vergadering wordt saamgeroepen, om over de aanhangige quaesties te beraadslagen en, zoo mogelijk, tot eenheid van inzicht en gedragslijn te komen.

Wenschelijk is daarbij, dat in gewichtige, principieele vraagstukken ook officieel het advies wordt ingewonnen van wetenschappelijke mannen of colleges, die niet in het Centraal Comité vertegenwoordigd zijn, maar aan wier oordeel door de Antirevolutionaire partij groote waarde wordt gehecht.

2. De deputatenvergaderingen mogen niet hooger geschat worden, dan ze werkelijk waard zijn. Eerst klein, zijn ze allengs geworden vergaderingen van duizenden personen, die vooral komen, om door het bezielende woord van den tegenwoordigen Voorzitter in geestdrift te worden ontvlamd, maar die |50| volstrekt niet in staat zijn, om gewichtige vraagstukken met den noodigen ernst te behandelen, Of de vergaderingen dit karakter ook later zullen behouden, valt thans niet te zeggen. Maar zoolang dit het geval is, behoeven ze zeker ook niet meer dan gewoonlijk eens in de vier jaren, even vóór de verkiezingen, saam te komen, en nemen dan toch in de organisatie der partij eene uitnemende en beteekenisvolle plaats in.

Doch men drage haar niet op en geve haar ook den schijn niet, alsof zij over de vele gewichtige vraagstukken een zelfstandig en gegrond oordeel kan uitspreken. Al de voorstellen, die daar ter tafel komen, moeten daarom door het Centraal Comité van te voren behandeld zijn en haar, met redenen omkleed en zoo noodig, van eene breedvoerige en duidelijke memorie voorzien, tijdig worden toegezonden. Natuurlijk blijft dan toch het recht en de vrijheid over, om op de vergadering vragen te stellen, inlichtingen in te winnen, en zoo noodig ook bezwaren te opperen. Maar indien deze laatste van ernstigen aard zijn en op de vergadering om des tijds wil niet ten genoege van de aanwezige leden kunnen worden opgelost, worden zij door het Centraal Comité in zijne volgende samenkomst nader onder de oogen gezien en formeel beantwoord, hetzij per brief, hetzij in de pers, hetzij mondeling op de eerstvolgende deputatenvergadering. Wanneer later de deputatenvergaderingen van karakter mochten veranderen en alleen door stemhebbende afgevaardigden werden bijgewoond, zou haar dienovereenkomstig ook eene grootere bevoegdheid en meerdere macht kunnen worden toegekend. Dan ware het ook mogelijk, dat zij elk jaar of ook soms voor langer dan één dag samenkwam. Later zal hiervoor zeker eene nadere regeling noodig zijn.

3. De leiding der partij in het land beruste bij het Centraal Comité. Zooals boven gezegd, valt het leiderschap suo jure niet onder de beschikking of regeling van menschen. Daarover dus geen woord. Hier valt alleen iets te zeggen over dat leiderschap, hetwelk door keuze ontstaat. Maar van zulk een leiderschap is, |51| naar wij meenen, nergens in statuten of reglementen van onze partij ooit eenige sprake. De termen van Veldheer, zooals Groen zich noemde, en van Leider, die door Kuyper bij voorkeur wordt gebruikt, dragen geen officieel karakter en duiden ook geen bijzonder ambt of functie aan. Het eenige, dat onze organisatie kent, is een Voorzitter van het Centraal Comité, die door de deputatenvergadering uit eene voordracht van dit Comité gekozen wordt. En er is geen enkele reden, om in de toekomst van dit gewone, duidelijke en alle apotheose voorkomend spraakgebruik af te wijken.

In den naam Voorzitter ligt toch opgesloten, dat de daarvoor aangewezen persoon niet anders handelen kan dan in verband met en in opdracht van het Comité, welks vergaderingen hij voorzit en leidt. In een huishoudelijk reglement dient het Centraal Comité dus nauwkeurig de bevoegdheden en rechtenvanden Voorzitter, evenals ook die van Assessoren, Secretaris en Penningmeester te omschrijven, terwijl het voortdurend op de naleving toezien en daarvoor zorgen moet. Naarmate de Voorzitter machtiger geest is, meester van het woord en van de pen, zal hij in en buiten het Centraal Comité een sterker invloed uitoefenen. Maar deze invloed is zedelijk van aard, en wel te onderscheiden van het „officieele recht”, dat hem als Voorzitter van het Centraal Comité toekomt.

4. Als regel behoort te gelden, dat de Voorzitter van het Centraal Comité ook zij lid der Tweede Kamer en Voorzitter van de Club, Dr. Kuyper zegt (81. verg. 21. 31): Normaal moest de leider van eene staatkundige partij tevens voorzitter van de parlementaire club zijn, en, zoo de partij bij de stembus meerderheid verwierf, formateur van het Kabinet. Bij onze partij was deze regel uitzondering en de uitzondering regel. Als Dr. Kuyper na 1905 weer in de Tweede Kamer zitting had genomen, zou de crisis misschien niet uitgebroken zijn en hadden de driestarren niet geschreven behoeven te worden. En indien dan om de eene of andere reden de regel niet gevolgd wordt, behoort |52| men over en weer, in Centraal Comité en in Kamerclub, hiermede rekening te houden en te bedenken, dat afwijking van den regel steeds abnormale gevolgen veroorzaakt.

Maar opdat deze goede regel in de toekomst betere naleving vinde, behoort te worden vastgesteld, dat de Voorzitter van het Centraal Comité over het al dan niet zitting nemen in de Tweede Kamer niet autonoom beslissen mag, maar eventueel zijne bezwaren ter kennis heeft te brengen van het Centraal Comité, dat daarover advies uitbrengt.

5. Indien de Voorzitter van de Kamerclub, tengevolge van de overwinning bij de stembus, door de Koningin met de formatie van een nieuw kabinet wordt belast, ga hij daarbij naar den eisch van het constitutioneele leven onzer partij te werk. Deze eisch sluit ook in, dat hij, als Minister optredende, terstond van het voorzitterschap van het Centraal Comité afstand doe, en aan de Antirevolutionaire pers, ook tegenover het bevriende kabinet, volle zelfstandigheid en vrijheid late. Dit is daarom noodig, wijl anders de partij allicht spoedig in een ministerieele partij ontaarden zou. Uit den aard der zaak zal tusschen een kabinet van Rechts en de partijen van Rechts, vooral indien bij de formatie naar constitutioneelen eisch is gehandeld, op grond der overeenstemming tusschen het werkprogram van de Regeering en de Rechtsche programma’s van actie, een sterke zedelijke band bestaan; een wetsontwerp, door zulk een kabinet ingediend, zal vanzelf terstond met vertrouwen en sympathie ontvangen worden. Maar critiek, bescheiden en openhartige critiek dient toch vrij te blijven. Dr. Kuyper handhaafde deze vrijheid indertijd zeer sterk tegenover het Kabinet-Mackay en het Kabinet-Heemskerk, maar natuurlijk moet ze tegenover elk Ministerie van Rechts gewaarborgd blijven.

6. Tusschen Kamerclub en partij (Centraal Comité) kan geen formeele band bestaan, maar het systeem der „Vertrauensmänner” is toch sedert Groen’s strijd tegen het Conservatisme veroordeeld en vindt in onze |53| partij bij niemand verdediging meer. De Kamerleden worden niet verkozen op grond van persoonlijk vertrouwen alleen, maar bepaaldelijk ook op grond van hunne politieke geloofsbelijdenis, hunne instemming met de beginselen en het werkprogram der Antirevolutionaire partij. Doch deze band is zedelijk, niet juridisch van aard. Ten eerste zijn ze bevoegd en hebben ze de roeping, om elk wetsvoorstel, dat inkomt, naar hunne beginselen, maar tevens naar zijn eigen zakelijken inhoud en waarde te beoordeelen, om daarna zelfstandig en vrij, naar eigen overtuiging en geweten, hun stem uit te brengen. En ten tweede, indien zij door zulk een stemming in conflict komen met de wenschen der partij, of ook zelf bewust of onbewust afwijken van de beginselen, die zij vóór de stembus beleden, dan kunnen zij eventueel door de partij bij de eerstvolgende verkiezing — indien zij niet vrijwillig bedanken — volkomen worden losgelaten. De partij heeft daar niet alleen het recht, maar ook zelfs den plicht toe. Of een Kamerlid, dat tusschentijds de Antirevolutionaire beginselen prijsgeeft en de partij verlaat, terstond zijn mandaat ter beschikking der kiezers moet stellen, is eene vraag, die niet met een enkel woord bevestigend of ontkennend beantwoord kan worden, en daarom hier liever in het midden wordt gelaten.

7. Aan deze handhaving van de zelfstandigheid der Kamerleden zijn zeer zeker bezwaren verbonden; ze kan leiden tot „Einspännerei”, tot individualisme en daardoor tot verzwakking der partij, in en ook buiten de Kamer. Deze bezwaren kunnen goeddeels ondervangen worden door den eisch, dat de Kamerleden, behoorende tot dezelfde partij, een club vormen, die geregeld samenkomt en, althans in gewichtige vraagstukken, tot eenheid zoekt te komen. Want niet alleen de vrijheid, ook de eenheid heeft haar eischen; vrije en zelfstandige overtuiging heeft waarde, maar ook het partijverband. En misschien zou als regel gesteld, schoon niet opgelegd mogen worden, dat een Kamerlid alleen dan tegen zijne partij mag stemmen, indien zijn geweten hem niet toelaat anders te handelen. Want |54| het is nooit goed, iets tegen zijn geweten te doen.

Maar deze vrijheid moet dan ook volkomen geëerbiedigd worden. En in dezen tijd meer nog dan anders, Want grooter gevaar dan de zelfstandigheid der Kamerleden is hunne toenemende afhankelijkheid. Naarmate toch het kiesrecht uitgebreid wordt, en de idee der volkssouvereiniteit in alle kringen doordringt, worden de Kamerleden meer en meer van de kiezers, van hun verlangens en wenschen, afhankelijk en loopen zij gevaar al hun zelfstandigheid en vrijheid te verliezen. Vooral als het tegen de verkiezingen gaat, beginnen zij dan het volk naar de oogen te zien, en niet tot Regeering en Kamer, maar tot de tribune te spreken. Deze verafgoding van de majesteit van het volk, deze onderdrukking van de zelfstandigheid der volksvertegenwoordiging mag door de Antirevolutionairepartij niet in de hand worden gewerkt. De Kamerleden blijven zedelijk, niet formeel en juridisch, aan de partij gebonden.

8. Ook de Anti-revolutionaire pers dient in de organisatie opgenomen te worden. Wij hebben toch te rekenen met het feit, dat naast en rondom de Standaard de zoogenaamde „kleine” pers hoe langer zoo meer aan beteekenis wint. Ze is voor een groot deel boven haar bescheiden naam uitgegroeid en tot eene macht in het land geworden. Hare verhouding tot de Standaard is thans reeds eene gansch andere, dan ze in den beginne was. Want het hoofdorgaan onzer partij is in de meer dan veertig jaren van zijn bestaan slechts eenmaal een weinig vergroot, maar overigens vrijwel op dezelfde hoogte gebleven; zijne waarde bestaat nog altijd in de artikelen van dienzelfden Hoofdredacteur, die er zich in 1872 aan verbond, het tot bloei bracht en er invloed aan schonk. Zonder een van de bekwame en ijverige mede-redacteuren in zijn menigmaal tezeer miskenden arbeid te kort te doen, kunnen we zeggen, dat de Standaard met Dr. Kuyper staat en valt. Als Dr. Kuyper ons door den dood ontnomen wordt, bestaat er groote kans, dat de abonné’s en lezers op andere bladen van onze partij overgaan. |55|

Maar hoe dit in de toekomst ook loope, andere organen van de Antirevolutionaire pers vinden thans reeds duizenden lezers. En daarom is eenige organisatie ook bij deze organen gewenscht.

Natuurlijk moet de vrijheid der pers bewaard blijven; ook is het bestaan van vele bladen in ééne partij op zich zelf geen nadeel; zelfs is het geen schade te achten, als, gelijk dat ook uit de pers bij andere partijen blijkt, sommige bladen eene eigene schakeering, eene variatie, vertoonen, Naarmate de redacteur van een blad een krachtiger persoonlijkheid is en grooter gaven bezit, zal deze nuanceering eene verrijking van het politieke leven zijn.

Om deze reden verdient het overweging, om ook tusschen partij en pers een zeker verband te leggen. En dit is aldus mogelijk, dat de redacties van bladen, die over eenigen politieken invloed beschikken en bijv. een bepaald aantal abonné’s tellen, op nader te regelen tijden met eene Commissie uit het Centraal Comité samenkomen, de groote politieke belangen bespreken, en langs dezen weg trachten tot overeenstemming te geraken.

9. Indien eene organisatie, als hier in schets ontworpen werd, tot stand mocht komen, zou de verwachting van hare goede werking toch niet al te hoog gespannen moeten zijn. Want wij blijven allen menschen, dagelijks in velen struikelende. Maar in de gegeven omstandigheden is er naar onze overtuiging geen andere en geen betere weg, In elk geval ware de ernstige poging beproefd, om in onze partij de eenheid en de vrijheid te bewaren. Iedere eerlijke overtuiging zou dan niet met geweld onderdrukt of verdachtgemaakt behoeven te worden, maar zou vrijmoedig tot uiting kunnen komen; zóó echter, dat ze niet individualistisch en separatistisch afdwaalde, doch in de organisatie zelve haar instemming en waardeering, of ook hare correctie kon vinden.

Doch ten slotte komt het ook in de uitnemendste organisatie op de personen aan, die met elkander samenwerken, en op den geest en de gezindheid, die |56| hen daarbij bezielt. Als deze niet deugen, leiden alle samensprekingen tot niets; in plaats van eenheid, bewerken zij verwijdering en doen door hartstochtelijke debatten en scherpe woorden de verdeeldheid slechts toenemen.

Vóór alle dingen is dus eisch, dat elk beginne zichzelf te herzien, alle wantrouwen uit zijn hart were, tot zelfverloochening bereid zij en het apostolisch woord niet alleen dogmatisch geloove, maar practisch in beoefening brenge:

Broeders, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde.

Doet geen ding door twisting of ijdele eere, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven.

Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op het hetgene dat der anderen is.

Want dat is het gevoelen, hetwelk ook in Christus Jezus was.




1. De cijfers, in den tekst tusschen twee haakjes geplaatst, verwijzen hier en later naar de bladzijden in: Starrentritsen door Dr. A. Kuyper. Editio castigata, Kampen J.H. Kok 1915.

2. N.l. de bepaling in Art XXVII: „Binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet wordt bij de Staten-Generaal een voorstel van wet ingediend, waarin het bepaalde omtrent de vakken van de faculteit der Godgeleerdheid aan de Rijks-Universiteiten nader wordt geregeld.” Deze bepaling werd echter niet door Minister Heemskerk ingetrokken, doch alleen werd de termijn: binnen drie jaren, geschrapt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004