Hedendaagsche moraal

door Dr. H. Bavinck

Kampen, — J.H. Kok — 1902

a



Deze verhandeling over de Hedendaagsche Moraal was oorspronkelijk eene lezing, die in de laatste winters op verschillende plaatsen des lands werd uitgesproken. Thans ziet ze, hier en daar wat uitgebreid en bewerkt, het licht. Ik hoop daarmede aan veler uitgesproken verlangen te voldoen, en ook hun, die ze niet hoorden en in het onderwerp belang stellen, een kleinen dienst te bewijzen. Aan geschriften, die de zedelijke beginselen en vraagstukken van den tegenwoordigen tijd bespreken en toelichten bestaat er in onze kringen een groot gebrek. Wij lijden ook in dit opzicht aan een jammerlijk tekort, dat door veler samenwerking en inspanning spoedig moge ingehaald worden.

Wijl de lezing, voorzoover het onderwerp toelaat, een populair karakter draagt, is opgave van literatuur nagelaten.

B.




Onder alle vragen, die tegenwoordig aan de orde van den dag zijn, dringen zich de zedelijke het sterkst op den voorgrond. De vragen: wat is goed, wat is kwaad, wat is de oorsprong, het recht en de waarde dezer onderscheiding? houden hoofd en hart van de thans meelevende menschheid bezig. Zelfs de meeste quaestiën van onzen aan problemen zoo rijken tijd, als daar zijn: het vraagstuk van de emancipatie der vrouw, van het huwelijk, van de inrichting der maatschappij, van het gezag der overheid, van de rechten der wetenschap, van het wezen en het doel der kunst, zijn in de eerste plaats vraagstukken van zedelijken aard en tot zedelijke beginselen te herleiden.

Er is in de warme belangstelling, welke allerwege en van alle zijden in deze zedelijke vraagstukken gesteld wordt, iets dat tot blijdschap stemt en met hope voor de toekomst bezielt. Al zijn de overwinningen, welke de natuurwetenschap over de wereld der stof heeft behaald, nog zoo schitterend, al hebben zij in buitengewone mate bijgedragen tot verrijking en veraangenaming des levens, zij blijken toch niet in staat, om het gemoed des menschen te bevredigen, om te voorzien in de behoeften van zijn hart, in hetwelk God |10| de eeuwigheid heeft gelegd. Bij brood alleen kan de mensch niet leven; aan de tijdelijke en zienlijke dingen heeft hij niet genoeg. Er ligt in zijne natuur een onuitroeibaar streven, om midden uit de vergankelijkheid, die hem dreigt mee te slepen en te verslinden, het anker zijner ziel te werpen in den vasten grond der onzienlijke en eeuwige dingen. De waarde der geestelijke goederen gaat, in de schatting en naar de gewillige of onwillige erkentenis van ieder redelijk schepsel, die der stoffelijke zeer verre te boven. En daarom trekken de zedelijke vraagstukken in wijden kring de aandacht en wekken ze aller belangstelling op. Wie een hooger leven begeert dan dat van de dieren des velds, vindt geen rust voordat hij een antwoord gevonden heeft op de waarlijk niet alleen theoretische, maar bij uitnemendheid practische vraag, naar welken regel hij zijn leven inrichten moet.

De machtige beteekenis, welke deze vraagstukken in den tegenwoordigen tijd verkregen hebben, is daarom echter nog niet een bewijs van een gezond, maar veeleer aanduiding van een krank zedelijk leven. Wie veilig en zeker woont, bekommert zich weinig om de grondslagen, waarop zijn huis is gebouwd; eerst als de muren gaan scheuren en de gebinten wijken, drijft vreeze voor instorting naar een onderzoek der fundamenten uit. Zooals er in Frankrijk voor enkele jaren — met eenig recht, wanneer men oordeelt naar de vroegere, in opgewondenheid afgelegde, beloften — van een bankroet der wetenschap gesproken kon worden, zoo bestaat er heden ten dage alleszins oorzaak, om van een zedelijk bankroet te gewagen. De grondslagen der moraal, weleer in godsdienst of wijsbegeerte gelegd, worden ondermijnd; de vastigheden voor het zedelijk leven worden losgewoeld; bij de schipbreuk der moreele overtuigingen grijpt men de eene na de andere reddingsplank |11| aan, of stort men zich ook uit wanhoop in de golven omdat men aan geen redding meer gelooft.

Daarom loont het de moeite, van deze Hedendaagsche Moraal in hoofdtrekken eene schets te ontwerpen. En het best zal dit doel worden bereikt, wanneer we ons eerst eenigermate op de hoogte stellen van het probleem, dat zich hier voordoet; dan de voornaamste oplossingen leeren kennen, die er tegenwoordig van beproefd worden; en eindelijk er het licht op laten vallen van ons algemeen, ongetwijfeld, Christelijk geloof. |12|


I.

De mensch leidt bij zijne geboorte nog niet anders dan een lichamelijk, zinnelijk leven. Ook hier geldt de wet, dat het natuurlijke eerst is en daarna het geestelijke. Een kind is een kleine tiran, een geboren egoist, die meent, dat alles om hem staat, en die tracht alles aan zichzelf dienstbaar te maken. Toch merkt het kind alras, en meest op gevoelige wijze, dat het niet alleen op de wereld is, en dat die wereld volstrekt niet uitsluitend om zijnentwil bestaat. Rondom stuit het naar alle zijden op verzet en tegenstand. Het kan met zijn lichaam en leden, met speelgoed en huisraad niet doen, wat het wil. Alle voorwerpen, waarmede het in aanraking komt, vertegenwoordigen eene macht, die zijn willen en kunnen beperken. Het komt ieder oogenblik tot besef van zijne zwakheid en afhankelijkheid.

Dit is echter lang het voornaamste niet. Veel sterker macht vindt het kind straks tegenover zich in het gezag zijner ouders, in het gelijke recht van zijne broeders en zusters, in den wil van zijne vrienden en makkers. Dezen laten zich niet commandeeren en tiranniseeren, en betoonen zich geenszins geneigd om te bukken voor de majesteit van het kind. Zij stellen er juist tegenover de macht van hun wil, de autoriteit |13| van het gebod, den dwang der straf. Van allen kant wordt het kind in zijne gedachten en woorden, in zijne bewegingen en handelingen ingetoomd en aan banden gelegd.

Dat alles is nog maar een voorspel van wat in het volgend leven geschiedt. Op de banken der school, in de spelen der jeugd, in den omgang met anderen, in beroep en bedrijf, in winkel en werkplaats, in maatschappij en staat, in wetenschap en kunst — overal wordt de mensch door strenge tucht tot de orde geroepen. Nergens heeft hij vrij spel. Nooit kan hij nu eens doen, wat hij wil. Overal is hij gebonden, door macht en gezag, door regel en wet, door gebod en straf. Zelfs de meest onafhankelijke onder de kinderen der menschen is nog louter afhankelijkheid. Heel het leven is eene opvoedingsschool, een ontgroeningsproces, een aanpassingssysteem. Er komt geen einde aan, voordat ieder mensch naar een vaststaand model in zijn kring gefatsoeneerd zij, geassimileerd aan zijne omgeving, en min of meer tevreden met de zeer bescheidene plaats, welke hem onder en naast anderen toebedeeld en gegund wordt.

De wetten en regelen, die den mensch alzoo van rondom inbinden en beperken, zijn van zeer onderscheiden aard. Zij breiden zich over heel het leven uit; strikt genomen is daarin niets volslagen wetteloos, evenmin als in de gansche natuur. Anarchie is dwaasheid; alles wordt geregeld en alles overeenkomstig zijn aard. Daar zijn in de eerste plaats, om iets te noemen en met het mindere te beginnen, de wetten van wellevendheid en fatsoen. In iederen kring van menschen, ook van de ruwste en onbeschaafdste, ontwikkelen zich langzamerhand eenige vormen van omgang, zekere gebruiken in het onderling verkeer, waaraan ieder zich houden moet, op straffe van anders als een onhebbelijk |14| mensch uitgeworpen en met den ban der publieke opinie getroffen te worden. Voor elken stand, bij iedere ontmoeting, bij alle plechtigheden gelden zekere regelen van etiquette, die niet straffeloos te schenden zijn. Vele dezer regelen zijn wel historisch te verklaren, maar menigmaal zijn ze metterdaad noch redelijk, noch ook zedelijk in den engeren zin des woords, en kunnen geen hooger gezag aanvoeren, dan dat het zoo hoort, dat het tegenovergestelde niet voegt en niet past. Het staat nu eenmaal niet, om en négligé over straat te loopen, om uit de hand te eten, om in gezelschap het hoofd gedekt te houden. Maar ook dan, als hare wetten alle reden van bestaan hebben verloren en zelfs een irrationeel karakter hebben aangenomen, is Mevrouw Etiquette zulk eene tirannieke koningin, dat ieder, zonder naar het recht van hare regeering te vragen, deemoedig onder haar schepter zich buigt. Eertijds heerschte zij aan de hoven soms zoo despotiek, dat men zich liever voor een open haard liet roosteren, dan in strijd met de etiquette zelf zijn stoel terug te schuiven. En nog worden in vele kringen de beleefdheidsvormen hoog boven alle zedewet gesteld. Daar zijn er duizenden onder beide geslachten, die geen hooger roem kennen, dan om in de conversatie een goed figuur te maken en voor een aangenaam mensch door te gaan. Bij anderen zijn zij lief als een engel; in eigen huis zijn ze woest als een furie. Beleefdheid is menigmaal, naar het woord van Schopenhauer, de kunst, om naar voorgeschreven regelen te veinzen, een voorhangsel, dat de naaktheid van het egoïsme bedekt.

Eene soortgelijke macht wordt uitgeoefend door de wetten der mode. Het bekendste zijn die, welke heerschen op het gebied van de kleeding. De oude, rijke verscheidenheid van gewaad is, mede onder den invloed der alles gelijkmakende Revolutie, langzamerhand |15| afgeschaft, om plaats te maken voor de eenvormigheid en den wansmaak der moderne kleedij. Maar desniettemin is er onder alle standen, bij mannen en vrouwen, een vaak belachelijke wedijver in onderdanige gehoorzaamheid aan de voorschriften, die door de toongevende kringen in Parijs en Londen, in Berlijn en Weenen, voor snit en kleur van het gewaad worden uitgevaardigd. Of het beurs en maag tot schade zij, gezondheid en leven op het spel zette, arme naaisters aan een hongerloon doe wegkwijnen, dit alles legt geen gewicht in de schaal tegenover de slaafsche gedweeheid, waarmede de mode in al hare grillen en dwaasheden gevolgd wordt.

En niet alleen is er zoo eene mode voor de kleederdracht, maar eene dergelijke macht van gewoonte en gebruik is er ook waar te nemen in den bouw onzer huizen en kerken, in de meubileering onzer woningen, in den aanleg van onze straten en steden, in den smaak en alwat naar geregelde afwisseling in den smaak valt, in het oordeel over personen en toestanden uit het verleden en het heden, in de meeningen van den dag, in heel de publieke opinie op maatschappelijk, staatkundig of kerkelijk terrein. Er is een streven, alsof alles gelijkgemaakt, gladgeschoren, genivelleerd moet worden. Al het frissche, het oorspronkelijke, het persoonlijke verdwijnt. Wie iets anders durft zijn dan de meerderheid, wordt in den ban gedaan. Da Costa werd te Amsterdam als een melaatsche geschuwd, sedert hij in 1823 bezwaren durfde hebben tegen den geest der eeuw. En de Joden, schoon in theorie geëmancipeerd, worden in vele kringen nog met den nek aangezien; de Zionisten gevoelen die minachting zoo diep, dat zij er ernstig over denken, om naar Palestina uit te wijken.

Hooger dan deze regelen van wellevendheid en mode staan de wetten, die gelden in het rijk der natuur. |16| Er is van deze natuurwetten, vooral in den strijd tegen het wonder, veel misbruik gemaakt. Menigmaal zijn ze voorgesteld als krachten, die boven de verschijnselen staan en deze met onbeperkte macht beheerschen. Maar feitelijk zijn ze niets anders dan bepaalde wijzen, waarop de in de natuur liggende krachten werken, en die door ons in wat wij natuurwetten noemen, nog slechts zeer gebrekkig gekend en beschreven worden. Desniettemin, er is orde en maat, getal en regel in de wereld der zienlijke dingen. Voor hemel en aarde zijn de ordeningen door den Schepper vastgesteld; Zijn verbond van den dag en den nacht kunnen door geen schepsel vernietigd worden; zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht houden niet op, maar wisselen elkander af, zonder dat de mensch er iets aan kan doen. Alle creaturen hebben een eigen aard en wet, welke wij te eerbiedigen hebben. De mensch wordt alleen vrij, als hij ze kennen leert en er aan gehoorzaamt. Men kan met het hoofd niet door een muur loopen. Men kan zich zelf niet door het venster op straat zien voorbijgaan. Men kan zich geen twee keer baden in denzelfden stroom. Men kan geen el tot zijne lengte toedoen. Engelschen kunnen alles maken, maar van eene vrouw geen man. En de pompmethode van ons hedendaagsch onderwijs veranderde nog geen enkelen botterik in een gevleugeld genie.

Met de wetten der natuur komen die van het denken en kennen overeen. Ook deze zijn geen product van den menschelijken wil, maar worden in het denken en kennen zelf ons ter opvolging voorgeschreven. Wel is de mensch door de zonde in zijn verstand verduisterd, maar hij is er toch niet door van zijne zinnen beroofd. Schoon met moeite en inspanning en altijd blootgesteld aan het gevaar van vergissing en dwaling, kan hij toch uit zijn denken de wetten afleiden, die |17| voor dat denken zijn gesteld. En ook zonder zich daarvan opzettelijk rekenschap te geven, loopt het normale denken en kennen van den mensch vanzelf in het spoor, dat er door den Vader der lichten voor afgeteekend is. Wel is het mogelijk, dat de mensch er tegen ingaat en aan deze wetten zich niet stoort; doch iedere overtreding wreekt zich met vergissing, dwaling, leugen. Tot waarheid en vrijheid komt de mensch alleen in den weg der kinderlijke gehoorzaamheid.

Van nog edeler natuur zijn de wetten, die onder den naam van het recht worden samengevat. Onder recht is in de eerste plaats te verstaan datgene, wat aan elk schepsel overeenkomstig den eisch der gerechtigheid en naar zijn eigen wezen en natuur toekomt. In de tweede plaats duiden wij er mede aan het gansche samenstel van wetten, dat in een bepaald land en volk ten doel heeft, om aan ieder zijn recht, datgene, wat hem toekomt en waarop hij aanspraak heeft, toe te kennen en te verzekeren.

In beiderlei zin is het recht iets onbeschrijflijk heerlijks, de bewaring en bescherming van ieder schepsel in zijn bestaan en wezen. Daarom wortelt het besef ervan ook zoo diep in den bodem van het menschelijk hart. Als reeds alle godsdienstig en zedelijk beginsel uitgeschud is, behoudt nog het rechtsgevoel zijne kracht; zelfs eene rooversbende kan niet bestaan dan met eerbiediging in eigen kring der wetten van het recht. Het speelt in het leven van den enkelen mensch en in de geschiedenis der volken eene rol van den eersten rang. Jongens vechten al met elkaar, niet om den knikker, maar om het recht van het spel. En ieder menschelijk leven en alle historie der volken levert in processen en vonnissen, in tucht- en strafmiddelen, in gedingen en oorlogen het onwraakbaar bewijs, dat het recht een van de hoogste en heiligste goederen der menschheid is. |18|

Zonder recht zou de menschelijke maatschappij ook geen oogenblik kunnen bestaan, maar omgezet worden in een verdelgingskrijg van allen tegen allen; de menschheid wierd dan eene troep wilde beesten gelijk en de eene mensch een wolf voor den anderen. Hoe weinig vleiend het voor ons geslacht moge klinken, de wetten van het recht zijn inderdaad de traliën der kooien, waardoor de menschen van elkander worden afgehouden en ingetoomd. Want het recht, dat gehandhaafd wordt door de overheid met het zwaard in de hand, dwingt den mensch, om althans naar eenige uitwendige regelen zich te gedragen, om bijv. geen geweld te gebruiken, niet te rooven, niet te moorden, enz. Het recht bekommert er zich daarbij ganschelijk niet om, of iemand van dat alles zich onthoudt uit goede of uit slechte motieven, met eene edele of met eene booze gezindheid; het recht is met de uitwendige gedragingen handeling tevreden. In zoover komen de wetten van het recht met de beleefdheidsvormen overeen; ook deze laatste vergenoegen zich met den schijn en vragen er niet naar, of iemand het meent. Zij eischen alleen, dat gij een vriendelijk gelaat toont, ook al blaakt uw hart van vijandschap. Gij vindt het bezoek van een of ander persoon misschien onuitstaanbaar vervelend, maar ontvangt hem toch allervoorkomendst, en dankt hem tot aan de voordeur voor de eer en bidt hem dan nog om een herhaling van zijn bezoek. Maar tusschen beleefdheid en recht is daarbij dan dit verschil, dat gene nog den schijn eischt, dat het gemeend zij; maar het recht is ook voor dien schijn onverschillig en stelt zich tevreden met de daad.

Boven al deze wetten gaan hoog en verre uit die, welke den naam van zedelijke dragen. Tusschen recht en zedelijkheid bestaat innige verwantschap en overeenstemming. Het zedelijke, hier genomen in den engeren |19| zin van wat met de zedewet overeenkomt, heeft eigenlijk alleen recht van bestaan. God gaf aan alle ding, dat Hij schiep, zijn eigen recht. Zoo komt er ook krachtens Goddelijke ordinantie en dientengevolge ook krachtens zijn eigen natuur, aan het goede en aan het ware een eigen recht toe, en dat recht is absoluut. Zonde en leugen hebben geen recht van bestaan, ze zijn wederrechtelijk in de schepping ingedrongen; alleen het goede en ware mag en kan en zal bestaan. En daarom is het recht bij God, om het goede eenmaal te doen triumfeeren over alle verzet en tegenstand. Het zedelijk-goede heeft dus een recht, een volkomen en absoluut recht; maar omgekeerd is het recht ook in het zedelijk-goede gegrond en daarop gebouwd. Zoodra het heerschende recht met de zedewet in strijd komt, ondermijnt het zichzelf en werkt het aan zijn eigen ondergang. Dan alleen is het sterk, ook in de conscientie der menschen, wanneer het, zij het ook binnen zijn terrein en in zijne mate, aan de handhaving en naleving der zedewet zich dienstbaar stelt.

Deze innige verwantschap en overeenstemming tusschen recht en zedelijkheid sluit echter beider onderscheid en verschil niet uit. Immers, het recht blijft bij den uitwendigen vorm der menschelijke gedragingen en handelingen staan en bekommert zich niet om de innerlijke gezindheid en beweegreden. Maar met het zedelijke is het gansch anders gesteld. Zoodra wij dit gebied betreden, ontsluit zich ons het heiligdom des gemoeds. Want de zedewet, daargelaten thans nog, welke deze zij en wat haar oorsprong wezen moge, eischt toch naar aller overtuiging niet alleen, dat de uitwendige handeling, maar dat ook de innerlijke gezindheid des harten met haar overeenkome. Zij stelt zich niet met de zichtbare daad tevreden, maar let ook op de beweegreden zij regelt het gansche leven van den mensch, in- en |20| uitwendig, naar ziel en lichaam, naar hoofd en hart en hand. Daarmede hangt dan nog weer een ander onderscheid saam. Juist omdat het recht zich met de uitwendige handeling vergenoegt, kan het zich bedienen van dwang. Recht bestaat er ook zonder dwang en heeft hierin dus niet zijn wezenlijk kenmerk. Maar de handhaving van het recht in eene zondige maatschappij maakt dwang noodzakelijk; thans is dwang van recht onafscheidelijk. Maar het zedelijke sluit naar zijn aard allen dwang ten eenenmale uit, want het eischt overeenstemming, niet alleen van de hand, maar ook van het hart, met de wet, die op dit gebied geldt. En over het hart des menschen is geen schepsel meester. Niemand wordt gedwongen goed. Dwang, hier toegepast, werkt het omgekeerde uit van wat er mede beoogd wordt, kweekt afkeer en tegenstand. Het zedelijke is het gebied der inwendige, der geestelijke vrijheid.

Hiermede is het karakter van het zedelijke echter nog niet voldoende omschreven. Het woord zede duidt naar zijne afleiding waarschijnlijk datgene aan, wat men zich eigen gemaakt heeft. Zeden zijn daarom gewoonten, die een mensch of een volk zich langzamerhand, vrijwillig en zonder dwang, eigen gemaakt heeft. Er ligt hierin ten eerste opgesloten, dat zeden zulke gedragingen en handelingen aanduiden, die niet één of slechts enkele malen, maar herhaaldelijk en voortdurend voorkomen; zeden zijn altijd gebruiken, gewoonten. Maar ten tweede is ook in de begripsbepaling vervat, dat die gewoonten niet van nature noodzakelijk zijn, doch vrijwillig en zonder dwang zijn aangenomen. Eten en drinken en slapen zal niemand tot de zeden rekenen, omdat elk mensch daartoe door zijne natuur gedwongen is. Daarentegen behoort het wel tot de zeden, om rouw te dragen over een doode, om op den sabbat te rusten, om de ouders te eeren enz. Hoe deze zeden alle zijn |21| ontstaan, is in de meeste gevallen moeilijk na te gaan; het historisch onderzoek laat ons telkens in den steek. Best mogelijk is het, dat ze soms eerst van buiten af, door dwang zijn opgelegd. Maar wanneer wij eenige handeling telkens en telkens herhalen, gaat langzamerhand onze natuur er naar staan; wat in den aanvang zwaar viel, wordt allengs gemakkelijk; er ontstaat in ons eene vaardigheid, eene geschiktheid, eene geneigdheid zelfs, om te doen, wat aanvankelijk ons strijd en inspanning kostte. De handeling wordt tot eene vrijwillige gewoonte, tot een algemeene zede, tot eene tweede natuur.

Het spreekt echter vanzelf, dat deze zeden, alleen omdat ze zeden zijn, nog volstrekt niet voor goed en deugdelijk zijn te houden. Er zijn goede, maar er zijn ook kwade zeden. Er zijn volkszeden, die eeuwen lang bestaan hebben en onuitroeibaar taai zijn en die toch door en door barbaarsch en onzedelijk zijn. Denkt alleen maar aan de kermissen, aan de carnevals, aan de loterijen, aan de gastmalen en drinkgelagen bij begrafenissen, aan de gewoonte onzer jongelingen, om zich een roes te drinken op den dag hunner loting. Menigmaal is het noodig om tegen de volkszeden te velde te trekken, om te breken met de publieke opinie, om tegen den stroom op te roeien en juist in den naam van recht en zedelijkheid tegen bestaande rechten en zeden te protesteeren. Alle groote mannen hebben dat gedaan en zijn alzoo de hervormers van hun eeuw, de leiders der menschheid, de baanbrekers eener nieuwe toekomst geweest. Israels profeten, Jezus’ apostelen, Luther, Calvijn en zoovele anderen, zij zijn allen krachtige getuigen geweest tegen hun geslacht en hun eeuw. In naam van eene andere, hoogere zedewet hebben zij de bestaande zeden veroordeeld en vernieuwd. Het bestaande is alleen, omdat het bestaat, omdat het eeuwen |22| lang is onderhouden, het goede niet. Met het woord zeden is over de deugdelijkheid der daardoor aangeduide gewoonten nog niets beslist.

En evenzoo is het met het woord zedelijk. Er is daarin een ruimer en een enger zin te onderscheiden. In de uitgebreider beteekenis duidt het al die verschijnselen aan, welke niet op het gebied der physische natuur, maar op dat van de zedelijke en willende persoonlijkheid thuis behooren. Een zedelijk karakter is eigen aan alwat in meerdere of mindere mate van den wil van een redelijk schepsel afhangt en daardoor tot stand komt. In zoover de wil eens menschen ergens bij betrokken is, ontvangt dit eene zedelijke qualiteit. Wat in volstrekten zin buiten den wil geschiedt, wat door natuurnoodzakelijkheid of dwang tot stand komt, valt buiten de grenzen van het zedelijk terrein. Bij een dier, bij een kind, dat nog niet tot zijn verstand gekomen is, bij een krankzinnige enz. is er daarom van deugd en zonde geen sprake. Het zedelijke is het gebied van den wil, hetzij deze voorafgaat, begeleidt of volgt.

Maar wederom is met het woord zedelijk over de deugdelijkheid der daardoor gekenmerkte handelingen nog niet in het minste eene uitspraak gedaan. Diefstal is in de ruime beteekenis van het woord evengoed een zedelijk verschijnsel als eerlijkheid en trouw. Zij behoort thuis op het terrein, niet van de physische, maar van de ethische, door ’s menschen wil tot stand komende daden. Of deze daden, die alle tot de zedelijke verschijnselen behooren, goed of kwaad zijn, wordt door iets anders beslist. Evenals voor het denkend en kennend, zijn er namelijk ook voor het willend leven van den mensch bepaalde wetten gesteld. Dit feit is onloochenbaar, ook bij alle verschil over de herkomst en den inhoud dier wetten. Een mensch is ook in dit opzicht niet vrij; hij kan niet doen, wat hij wil; hij heeft een |23| besef van gebondenheid aan eene of andere voor zijn willen geldende, zedelijke wet. Eene handeling is in het algemeen zedelijk, behoort tot het terrein van het zedelijke, als zij niet gedwongen, maar vrij door ’s menschen wil verricht wordt. Maar de innerlijke deugdelijkheid of ondeugdelijkheid van die handeling wordt daardoor beslist, of zij al dan niet met de zedewet overeenstemt. In het eerste geval heet zij goed, in het tweede is zij slecht. Er zijn dus zedelijk-goede en er zijn zedelijk-slechte daden. Er is onderhouding en er is overtreding van de zedewet. Er is deugd en er is zonde.

De voornaamste, de alles beheerschende en alles beslissende vraag in de moraal is dus deze: wat is het goede? De vraag schijnt op Christelijk standpunt eenvoudig en is het ook inderdaad tot op zekere hoogte. En wel te betreuren is het, dat heden ten dage zoo velen, het eenvoudige en het bekende verachtend, tevergeefs naar een bevredigend antwoord zoeken. Maar toch dient de vraag nog eenigszins nader bepaald te worden. Onze Heidelberger Catechismus geeft op de vraag: wat goede werken zijn? ten antwoord: zulke werken, die uit waar geloof, naar de wet Gods, alleen Hem ter eere geschieden, en omschrijft daarmede het goede in zijn beginsel, in zijn regel en in zijn doel. Wat is het goede, zoo kan dus in de eerste plaats gevraagd worden, dat in den mensch aanwezig moet zijn, opdat hij tot het doen van zedelijk-goede daden in staat zij? En daarop geeft de leer van de deugd het antwoord. Hierbij sluit zich de tweede vraag aan: welke is de goede regel, waarnaar de mensch zijn leven inrichten moet? En daarop wordt het antwoord gegeven in de leer van de wet. En eindelijk is nog de vraag te stellen: wat is het goede doel, dat de mensch bij al zijne werken beoogen moet? En daarop vernemen wij in de leer van de zedelijke goeden het antwoord. |24|

Hier bepalen wij ons geheel tot de tweede der boven gestelde vragen en zoeken daarop een antwoord te geven, niet in den breede en in bijzonderheden, maar alleen in beginsel en gansch in het algemeen. Wie bepaalt, zoo luidt dus de vraag, wat door den mensch gedaan en gelaten moet worden? Welke is de autoriteit, die voor allen en ten allen tijde het onderscheid van goed en kwaad aanwijst en voorschrijft? Wat is het goede, het zedelijke in engeren zin, en waarin is het gegrond? |25|


II.

Op deze gewichtige vraag gaf men in vroeger tijd ten antwoord: het goede rust in den wil van God, die op de eene of andere wijze zich geopenbaard heeft; Hij bepaalt, wat de mensch doen of laten moet; Zijn wet is regel van ons handelen. Dat was het geloof van alle menschen zonder onderscheid, van Heidenen en Mohammedanen, van Joden en Christenen. Alle helden van ons geslacht, die door hun zedelijke grootheid onze bewondering afdwingen, zijn mannen des geloofs geweest; hun heldenmoed wortelde in hun geloof. Dat geldt niet alleen van Mozes en Elia, van Paulus en Petrus en allen, die leefden binnen de grenzen der bijzondere openbaring; maar het heeft ook betrekking op hen, die buiten die grenzen naar het hun geschonken licht eene nieuwe godsdienstige of zedelijke gedachte hebben verkondigd, op mannen als Socrates en Plato, Zarathustra en Mohammed. Zij zouden niet als boetpredikers en als hervormers van religie en zede hebben kunnen optreden, indien zij niet gedragen waren door een vast geloof aan de openbaring van Gods wil. God wil het — dat was hun kracht, hun strijdleus, hun overwinningslied en des noodig ook de psalm van hun martelaarschap. |26|

Maar inzonderheid sedert de achttiende eeuw zijn de menschen hierover gansch anders gaan oordeelen. Toen is dat groote proces der emancipatie begonnen, dat zich tot op den huidigen dag voortzet op ieder terrein van het leven. Emancipatie is niets anders dan het streven van den mensch, om alles te seculariseeren, te verwereldlijken; om de gansche wereld en al wat daarin is los te maken van God, van Zijn woord en Zijn wil; om alle dingen zelfstandig te verklaren en alleen zichzelf ten wet te doen zijn; in den grond is ze niets anders dan atheïsme aan de eene en autonomie van het schepsel aan de andere zijde. Wetenschap, wijsbegeerte, kunst, huisgezin, staat, maatschappij — het is alles langzamerhand onafhankelijk gemaakt en mondig verklaard. En ook de moraal, de leer van het goede, is daarbij ten slotte niet vergeten. Het algemeene streven der hedendaagsche moralisten is, om eene zedeleer te ontwerpen, die met God en godsdienst, zelfs met bovenzinnelijke dingen niets te maken heeft. In zijne bekende Geschichte der Ethik in der neueren Philosophie toont de Hoogleeraar Friedrich Jodl met welgevallen aan, dat de ethiek zich in hare historie hoe langer hoe meer van alle religieuze banden heeft bevrijd. Geloof en godsdienst worden als een overwonnen standpunt beschouwd, dat voor de moraal niet alleen onnoodig, maar zelfs nadeelig en schadelijk is. En allen beijveren zich, om eene moraal tot stand te brengen, die los is van alle theologie en metaphysica.

Natuurlijk is men niet in éénen zoover gekomen; het proces ontwikkelt zich geleidelijk. Eerst nam men nog wel gaarne aan of trok althans pro memorie uit, dat de wereld oorspronkelijk door God was geschapen. Maar na haar ontstaan was zij dan toch in eens zoo zelfstandig en volmaakt geworden, dat zij voor haar verderen voortduur en ontwikkeling God best kon missen. Zij had |27| haar fonds, haar kapitaal in zichzelve en liep nu geregeld als een uurwerk, als eene machine af. En wat zoo van de wereld in haar geheel geldt, heeft ook betrekking op de menschheid en op den enkelen mensch, gaat ook door ten aanzien van de kennis van het goede en van de macht, om dit te volbrengen. De mensch moge traag en zwak zijn, zijne rede is nog voldoende in staat, om het goede te leeren kennen, en zijn wil is nog genoegzaam bij machte, om dat gekende goede te doen. Tot geen van beide, zoo meende men, had de mensch God en zijne genade van noode. Want het goede rustte ten slotte niet in God, maar in zichzelf. Ook al ware er geen God, het goede zou daardoor noch in zijn bestaan, noch in zijn wezen eenige schade lijden, want het goede was niet goed, wijl God het vastgesteld had, maar God had het bevolen, wijl het goed was. Het goede was niet van God, veeleer was God van het goede afhankelijk; het is eene macht voor, boven, buiten God, het rust eeuwiglijk in zichzelf, zelfstandig, souverein en vrij.

Cartesius, Hugo de Groot en anderen hebben deze leer van eene natuurlijke, onafhankelijke moraal reeds voorbereid. Maar inzonderheid door den Duitschen wijsgeer Immanuel Kant is zij tot ontwikkeling en voor langen tijd tot heerschappij gebracht. Kant kwam na een lang en diepzinnig onderzoek van het menschelijk kenvermogen tot de slotsom, dat God en alle onzienlijke en eeuwige dingen voor het menschelijk verstand volstrekt onkenbaar waren. Maar dat hinderde hem niet in het opbouwen eener strenge moraal. Integendeel, vol bewondering nam Kant in den mensch het verschijnsel van het geweten waar, dat hem voortdurend het onvoorwaardelijke: gij zult, toeriep. Dat geweten met zijn volstrekt gebod, zijn zoogenoemden kategorischen imperatief, houdt Kant voor een oorspronkelijk gegeven van onze natuur, dat niet verder af te leiden of te |28| verklaren is en dat daarom het diepste fondament, het hoogste gezag in de moraal uitmaakt. Daarvan gaat hij uit, daartoe keert hij terug, daarop bouwt hij zijn gansche zedeleer. Goed is daarom naar zijne overtuiging alleen datgene, wat zuiver uit achting voor het gebod wordt gedaan. Het goede mag niet geschieden om loon, ook niet uit liefde en genegenheid, evenmin om God en Zijn gebod; doch alleen uit achting voor de stem van het geweten, uit louter plichtsbesef. Want als de wil het goede doet, omdat hij zich daartoe bepalen laat door allerlei overwegingen, die buiten het gevoel van plicht omgaan, dan is hij niet zuiver meer, doet hij het goede niet om het goede alleen, en wordt hij van iets, dat buiten het goede ligt, afhankelijk. Hij doet het goede dan, wijl hij er eenig voordeel of nut door hoopt te erlangen, omdat hij er God mede behagen of de zaligheid er door verwerven wil. En dat is geen volbrengen van het waarachtig goede meer. Om in volmaakten zin goed te zijn, mag de wil des menschen zich alleen laten bewegen door de plichtmatigheid der handeling. De waarlijk zedelijke mensch is hij alleen, die aan neiging en lust hoegenaamd geen invloed schenkt op zijn wil, maar alleen aan den plicht. Het zuivere plichtsbesef is de eenige maatstaf van het goede.

In de krachtelooze, ontzenuwde moraliteit der achttiende eeuw bracht deze strenge opvatting van het zedelijk-goede door Kant eene gunstige verandering te weeg. Men meende toen algemeen, dat verlichting, beschaving, ontwikkeling de waarde des menschen uitmaakte. Maar de wijsgeer van Koningsbergen gaf het hun gansch anders te verstaan. De wezenlijke waarde van een mensch ligt niet in zijn stand of rang, in zijn geld of goed, in zijne beschaving of ontwikkeling, niet ook in de werken, die hij tot stand brengt, of in de vruchten. die zijne handelingen dragen voor maatschappij of volk, |29| maar enkel en alleen in zijn goeden wil. Dat is het eenig goede, dat bestaat. Wie een mensch in zedelijk opzicht rechtvaardig beoordeelen wil, mag niet te rade gaan met den stand, dien hij inneemt in de maatschappij, met de groote werken, die hij tot stand brengt, niet den roem, dien hij inoogst. Hetzij iemand een koning of een bedelaar, een edelman of een burger, een priester of een leek zij, zijne zedelijke waarde is niet in dit alles, maar alleen in de deugdelijke, oprechte gezindheid van zijn willen gelegen. En die wil is dan alleen zedelijk-goed, wanneer bij door niets anders dan door de achting voor den plicht tot goeddoen zich bewegen laat.

Niemand zal aan dit standpunt zijne waardeering onthouden; maar het zedelijk rigorisme, waartoe Kant zich verleiden liet, lokte weldra ernstige bedenkingen uit. Het werd spoedig duidelijk, dat eene moraal als die van Kant, in den grond der zaak eene harde en meedoogenlooze leer is. Het is misschien een mooie moraal voor den farizeër, die alleen van plichten weet en op zijn stipte gehoorzaamheid aan de wet zich verhoovaardigt, maar zij is troosteloos en wreed voor de boetende Magdalena’s, voor de weenende Petrussen, voor de moordenaars aan het kruis, voor de tollenaren en zondaren, die tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden hebben. Deze moraal heeft toch geen grooter vijand dan de genade. Zij kent geen verwerpelijker dogma dan dat van de verdiensteloosheid der goede werken. Zij kent geen heerlijker lied dan het zoogenaamde Evangelisch gezang: o sterveling, gevoel uw waarde! Zij staat nergens scherper tegenover, dan tegen de reformatorische leer van de rechtvaardigheid uit het geloof alleen; pelagiaansch is ze en humanistisch, maar Christelijk, Bijbelsch is ze niet. Niet alleen geloovige Christenen kwamen echter |30| tegen Kants moraal in verzet. Maar ook de wijsgeer Schelling zeide, dat er zulk een goeddoen uit pure achting voor de zedewet niet bestond; er was daartoe nog iets anders en meer, n.l. een nieuw hart, van noode. Schiller zong er spottend van: gaarne dien ik mijn vrienden, maar ik doe het helaas met neiging, en zoo kwelt het mij dikwerf, dat ik niet deugdzaam ben. En hier te lande richtte Allard Pierson in zijn laatste Gidsartikel op deze wettische moraal van Kant eene scherpe kritiek, die natuurlijk door de moderne bewonderaars van Kant zeer euvel opgenomen werd. Desniettemin had Pierson volkomen gelijk in zijne bewering, dat Kants moraal ons onder eene nieuwe wet brengt, waarvan Paulus en Luther ons hadden bevrijd; dat zij de spontanciteit, de liefde, de dankbaarheid, die tot goeddoen ons bewegen moet, ten eenenmale miskent; en dat zij meer vertrouwen stelt in een bankier, die mijn geld na hevigen strijd uit achting voor de stem van zijn geweten onaangetast laat, dan in een ander, bij wien de verzoeking, om het zich toe te eigenen, in het geheel zelfs niet opkomt. Kant kent inderdaad geene andere dan eene wettische, strijdende moraal; want hij weet alleen van een radikaal „Böses” in de menschelijke natuur, maar niet van wedergeboorte en vernieuwing door den Heiligen Geest en niet van een daardoor ontvangen lust en begeerte, om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods in oprechtheid te leven.

Al is Kant dus zekerlijk daarin te prijzen, dat hij het klaar en luide voor zijne tijdgenooten uitsprak, dat een goede wil alleen goed is door zichzelf en niet door wat hij uitricht en tot stand brengt; daarmede is de vraag nog niet beantwoord, wanneer en waardoor de wil goed is, wat een waarlijk goede wil dan toch is. Wel is waar leerde Kant, dat een wil goed is, wanneer |31| hij handelt uit louter plichtsbesef, uit zuivere achting voor het gebod. Maar dit antwoord laat geheel onbevredigd. Want de stem van het: gij zult, die in het geweten tot ons spreekt, is volstrekt niet onfeilbaar. Er is ook eene dwalende conscientie. Iemand kan zich volkomen eerlijk en ter goeder trouw vergissen in wat hij te doen of te laten heeft. In zijne afscheidsredenen zeide Jezus tot zijne discipelen, dat men hen uit de synagogen werpen zou, en dat een iegelijk, die hen doodde, meenen zou, daarmede Gode een dienst te doen. En Paulus, die voor zijne bekeering dreiging en moord blies tegen de discipelen des Heeren, verklaarde daarvan later, dat hij het onwetende gedaan had, in goede conscientie dus, uit zuiver plichtsbesef, met de overtuiging, dat hij alzoo behoorde te handelen. Bij het doen van het goede komt het dus niet alleen op den vorm, op de subjectieve plichtmatigheid, maar ook op den inhoud der handeling aan.

Deze redeneering klemt te sterker, wijl anders allicht de gevolgtrekking gemaakt wordt, dat het bij hetdoen van het goede louter en alleen op het willen aankomt. Kant maakt den goeden wil los van alle neiging en lust, en dus ook van alle doel, dat hij met zijn goede handeling beoogen zou. Want als de wil zich een doel stelde en iets zocht te bereiken met zijne handeling, zou hij door lust of onlust, door sympathie of antipathie bewogen worden, en een volgens Kant onzuiver element in zijne bewegingen opnemen. Maar zulk een willen zonder doel is ten eenenmale onbestaanbaar; het is een loutere abstractie, waarvoor in de werkelijkheid geene plaats is. Het willen is daardoor juist van alle onbewuste handeling onderscheiden, dat het door de rede geleid wordt en daarvan zijn voorwerp en doel ontvangt. Wie aan den wil zijn inhoud en oogmerk ontneemt, houdt niets dan een blinden, redeloozen en doelloozen wil over. |32| In de moraal zou dit daarop neerkomen, dat het willen zelf zonder meer het goede bij uitnemendheid ware. De zedelijke wensch ware dan hij, die de hoogste energie, de krachtigste intensiteit van zijn willen ten toon spreidde, zonder dat in ’t minst in aanmerking kwam de richting, in welke hij zich bewoog, en het doel, dat hij beoogde. De eenige regel in de moraal zou dan deze zijn: wil slechts, wees sterk, stoor u aan geen wet of regel, maar betoon uw kracht en ga uw gang! Een volkomen vrij, een absoluut autonoom willen, gelijk Kant dat in de moraal begeerde, sluit elken band, ook dien aan de zedewet, uit.


De redenen, waarom deze onafhankelijke moraal van Kant, ofschoon nog door velen verdedigd, toch in den tegenwoordigen tijd over het algemeen is prijsgegeven, zijn niet zoozeer in de kracht der daartegen ingebrachte bedenkingen, als wel in de gansch veranderde geestesstroomingen en tijdsomstandigheden gelegen. Kant was n.l. nog van oordeel, dat het zedelijk-goede in zichzelve rustte, dat het geweten iets oorspronkelijks was, dat men het gezag der Schrift, het gebod van Christus, het bestaan van God gerust ter zijde kon stellen, zonder daarmede in het minst aan de zedewet af breuk te doen.

Maar dat is in de vorige eeuw een verouderd standpunt geworden. De achttiende eeuw bleef, om zoo te zeggen, nog vol bewondering staan voor de stem der conscientie, en erkende daarin eene Goddelijke, onweerstaanbare autoriteit. Maar de negentiende eeuw is veel minder bijgeloovig; zij is ook in dat heiligdom des gewetens binnengedrongen; bevond, dat de Godheid, daar op den troon verheven, niet dan een afgod was, en heeft toen de beeldstormerij ook toegepast op den kategorischen imperatief. De achttiende eeuw verklaarde staat en maatschappij uit den individu, een oorspronkelijk, |33| onherleidbaar, ondeelbaar atoom. Maar de negentiende eeuw beproeft het liever eens omgekeerd en verklaart den individu uit de maatschappij. Gemeenschapszin is het modewoord geworden; evolutie is de theorie, die alle verschijnselen verklaren en alle raadselen oplossen moet. Een mensch, zoo leert men ons thans, een mensch is, wat hij is, geworden uiten door en in de maatschappij. Deze heeft hem voortgebracht, ontwikkeld, gevormd, zoowel geestelijk als lichamelijk. Ook het geweten is volstrekt niet iets oorspronkelijks, dat den mensch van nature eigen is; het is langzamerhand ontstaan, als product van allerlei factoren, die werken in de maatschappij. Volgens Schopenhauer is het telkens voor één vijfde samengesteld uit menschenvrees, angst voor de goden, vooroordeel, ijdelheid en gewoonte, zoodat een Engelschman terecht kon zeggen, dat het hem te duur uitkwam, om er zulk een geweten op na te houden. De mensch heeft zich n.l. allengs uit het dier ontwikkeld; al wat er in hem is van godsdienst en zedelijkheid, is historisch geworden uit eigenschappen, die ook bij de dieren voorkomen. De mensch is ook in zedelijk opzicht een hoog-ontwikkelde en fijnbeschaafde aap.

Natuurlijk bracht deze nieuwe wereld- en levensbeschouwing ook eene gansch andere opvatting mede van wat goed is en kwaad. Als de mensch niet beelddrager Gods is, maar naar de gelijkenis van orang oetan en chimpanse is gemaakt, dan draagt zijne zoogenaamde moraliteit van huis uit ook een geheel ander karakter. Naar deze evolutionistische leer was de mensch bij zijn ontstaan en is tot op zekere hoogte nog ieder mensch bij zijne geboorte niets dan grove zinnelijkheid en dierlijke zelfzucht. Maar de maatschappij vormt hem tot een redelijk en zedelijk wezen. De samenleving is de moeder van taal, godsdienst, zedelijkheid, van alwat in |34| den mensch tot het zedelijk leven gerekend wordt, van geweten, plichtsbesef, gevoel van verantwoordelijkheid, bewustzijn van vrijheid, toerekenbaarheid, hoop op loon, vrees voor straf enz. Immers kan de mensch nooit doen wat hij wil; de maatschappij toomt hem in op allerlei wijze. Zij hecht aan bepaalde handelingen ook bepaalde waardeeringen en beheerscht zijn handelen en straks ook zijn denken en begeeren door lof en blaam, door goed- en afkeuring, door loon en straf. Langzamerhand gewent de mensch zich daaraan, hij schikt er zich naar en legt er zich bij neer. Hij krijgt een besef, dat hij behoort te doen, wat de maatschappij van hem verlangt; door overerving wordt dat besef van geslacht tot geslacht versterkt; de sociale neigingen beginnen het allengs te winnen van de egoistische; en het resultaat is de mensch als zedelijk wezen, die uit vrees voor straf, uit gewoonte of ook in de meening dat het zoo behoort, naar de regelen der maatschappij zijn leven inricht. In deze moraal is dus de maatschappij, de „Gesammtwille” de hoogste autoriteit op zedelijk gebied. Zij stelt de zedewet vast. waarnaar ieder zich gedragen moet. Maatstaf van het goede is hier niet, als bij Kant, de beweegreden der handeling, nl. de achting voor den plicht, maar het gevolg der handeling, de vrucht, die zij afwerpt voor de maatschappij. Goed is datgene, wat bevorderlijk is aan het nut van het algemeen, aan de welvaart der maatschappij, aan het welzijn der menschheid, aan „the greatest happiness of the greatest number”.

Alhoewel nu deze evolutionistische moraal tegenwoordig den boventoon voert en door vele mannen van naam wordt voorgestaan en verdedigd, is ze toch om verschillende redenen onhoudbaar. Immers is heel de poging, om den mensch en al het redelijke en zedelijke in hem, zooals taal, godsdienst, geweten enz., in den weg der evolutie te verklaren, na enkele jaren reeds |35| gebleken. hoe langer hoe minder hope op welslagen te bieden. In weerwil van alle, tot in de fijne bijzonderheden opgemerkte en uitgewerkte verwantschap, blijft de klove nog even wijd gapen, die den mensch scheidt van het dier. Reeds de lichaamsbouw, maar bovenal de redelijke natuur des menschen toont zijne eigensoortigheid aan. De zedelijke verschijnselen, die wij bij den mensch waarnemen, dragen een eigen, onderscheiden karakter en laten zich evenmin als godsdienst en taal uit eigenschappen bij de dieren verklaren. Tusschen het zinnelijke en het zedelijke bestaat toch een wezenlijk verschil. Reinheid des harten is iets gansch anders dan een trotsche statuur. Schoonheid van lichaamsbouw is hoegenaamd geen waarborg van eene zuivere conscientie. Spierkracht valt volstrekt niet met karakteradel saam. Meermalen komt het voor, dat de schoonste ziel in het meest misdeelde lichaam woont. Ook hier geldt het woord der Schrift, dat het arme en verachte bij God uitverkoren en dierbaar is. Zooals de voorstanders van den dierlijken oorsprong des menschen tot dusverre tevergeefs naar „the missing link” zochten, naar den schakel die mensch en dier verbindt; zoo is het hun evenmin gelukt, den overgang aan te wijzen tusschen het zinnelijke en het zedelijke leven. Zelfs een man als Wundt moet erkennen, dat zich „die Differenzirung des Sinnlichen und Sittlichen in ihren ersten Anfängen selbstverständlich jeder Nachweisung entzieht”.

Doch er is meer. Op het standpunt der evolutie wordt heel de moraal een product der omstandigheden en dus eene vrucht van willekeur en toeval. Darwin heeft in zijn werk over de Afstamming des Menschen met prijzenswaardige openhartigheid uitgesproken: indien de mensch onder volkomen dezelfde voorwaarden opgevoed was als de bijen, zouden onze ongehuwde vrouwen het evenals deze voor een heiligen plicht houden |36| hare broeders te dooden, en moeders zouden hare dochters vermoorden, zonder dat iemand er aan dacht tusschen beide te komen. Dat wij menschen zijn en het eene voor goed en het andere voor kwaad houden, is louter toeval of, wat op hetzelfde neerkomt, blinde noodzakelijkheid. Geen enkel zedelijk gebod is volstrekt. Alles is betrekkelijk. In eene andere maatschappij zou goed kwaad, zedelijk onzedelijk, waarheid leugen zijn. Als de maatschappij, zegt Ihering in zijn beroemd werk Der Zweek im Recht, bij de leugen meer voordeel had dan bij de waarheid, zouden heide hare plaats moeten verwisselen. De mensch is er immers niet om de waarheid, doch de waarheid om den mensch, gelijk ze ook uit en door hem is. De eeuwigheid der zedelijke wetten, verklaarde Wundt daarom op zijn standpunt terecht, bestaat alleen in haar eeuwig worden.

Daarom ontbreekt het in deze moraal ook aan eene zedelijke autoriteit. Want de maatschappij, de menschheid, de wil der gemeenschap, of hoe men het noemen moge, kan ’s menschen zedelijke wetgever niet zijn. Alle menschen zijn als menschen aan elkander gelijk; niemand heeft van nature gezag over den ander; mijn ja heeft evenveel recht als het neen van elken, van tien en honderd anderen. Er is daarom niet de zwakste grond aan te voeren, waarom de maatschappij mij verplichten kan, haar wil te doen. Het gaat hier niet over dwang, maar over zedelijke verplichting. Dwingen kan de meerderheid de minderheid wel en ze doet het nienigmaal. In de historie viert telkens het recht van den sterkste zijn triumf. Maar dit is juist volgens aller overtuiging met de wetten der moraal in strijd. Hier, op dit terrein, is alle dwang uitgesloten en heerscht de vrijheid alleen. Met welk zedelijk recht, op welken grond, op welke wijze kan de maatschappij mij dan verplichten, om haar wil te doen? En hoe kan ik in |37| mijn bewustzijn de zedelijke gebondenheid gevoelen, om te doen, wat zij van mij verlangt? Het zijn juist de edelsten en de grootsten van ons geslacht geweest, die tegen den wil der meerderheid hun stem hebben verheven en hun zedelijk protest in gevangenis en op brandstapel gestand hebben gedaan. Op het standpunt der evolutie is er voor zedelijke verplichting geen plaats meer; het „du sollst” verliest zijne kracht; van behooren is geen sprake meer; haar moraal is descriptief alleen en heeft het normatief karakter ten eenenmale ingeboet.

Ook al zou de zedelijke autoriteit der maatschappij te handhaven zijn — wat echter geenszins het geval is noch kan zijn — dan zou toch de maatstaf onbetrouwbaar en ongenoegzaam wezen, dien zij bij het voorschrijven van wat goed en kwaad is aanlegt. Terecht heeft de evolutionistische moraal aan het formalisme en rigorisme van Kants moraal den rug toegekeerd. Want het komt niet alleen aan op de vraag, waarom ik iets doen moet, maar ook op deze andere, wat ik als zedelijk wezen te doen en te laten heb. Er is geen zedewet zonder inhoud en geen zedelijk willen zonder voorwerp en doet. Maar als deze moraal der evolutie den inhoud der zedewet aan de maatschappij ontleenen wil, dan vervalt zij van kwaad tot erger. Maatstaf van het goede zal volgens haar het welzijn der maatschappij, het geluk der menschheid zijn. Maar hoe is in een gegeven geval uit te maken, wat waarlijk ten bate der menschheid strekt? Niemand kan van te voren berekenen, welke vrucht zijne handelingen zullen dragen voor de maatschappij; zulke, welke wij hoogst bevorderlijk voor haar welzijn achten, blijken dikwerf later zeer schadelijk te zijn geweest en omgekeerd. Goede daden zijn soms meer met het althans schijnbaar en tijdelijk belang der maatschappij in strijd dan kwade. Kajaphas oordeelde het nutter, dat één mensch stierve, dan dat |38| heel het volk verloren ging. Wie kan hem van ongelijk overtuigen, als het belang van het volk den doorslag geeft? En ook, met welk recht zal men zijn oordeel wraken, als hij tegen anderer meening in den dood van Jezus door het belang des volks geboden bleef achten? Omgekeerd, stelt deze redeneering uit het belang der maatschappij de onhoudbaarheid van de evolutionistische moraal nog helderder in het licht. Want indien van achteren gebleken mocht zijn, dat de dood van éénen een zegen voor velen was, dan blijkt het vonnis des doods, door den Hoogepriester over Jezus uitgesproken, ten volle rechtvaardig te zijn geweest. Kajaphas moet dan geprezen worden om zijn vèrzienden blik. Want wat niemand vermoedde, zag hij vooruit: de dood van dezen eenen mensch was in het belang der menschheid noodzakelijk. En de gevolgtrekking ligt voor de hand: laat ons het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome. Want de historie leert het ons menigmaal, dat wat menschen ten kwade hebben gedacht, door God zeggen wij, door den loop der omstandigheden, zeggen de evolutionisten, ten goede wordt bestuurd. Als het goede zijn wezen en waarde aan het welzijn der menschheid ontleent, blijkt het goede menigmaal slecht en het slechte menigmaal goed. Het kruis op Golgotha is de schrikkelijkste misdaad en tegelijk de overvloedigste zegen.

Daarmede wordt niet ontkend, dat het goede altijd goed is voor den enkelen mensch en ook voor de menschheid. Deugd en geluk, heiligheid en zaligheid, ethos en physis staan met elkaar krachtens Godsbestel in verband. Aan de vlijtige hand wordt zegen beloofd. De godzaligheid heeft een belofte ook voor het tegenwoordige leven. Maar gevolg is geen grond. Het goede is niet daarom goed, wijl het goed is voor de maatschappij. Want veel is goed voor de maatschappij, |39| wat niet tot den kring van het zedelijk-goede behoort. De uitvindingen en ontdekkingen van den nieuweren tijd hebben der menschheid groote voordeelen aangebracht, maar zij behooren daarom alleen nog niet tot de goede werken, die aan de zedewet beantwoorden. Omgekeerd is er veel, dat voor de maatschappij van geen belang is en toch zedelijk hoog aangeschreven moet worden. Het stille lijden van een kranke in de binnenkamer is, uit het oogpunt van het maatschappelijk belang beschouwd, menigmaal onnut en schadelijk, maar het is desniettemin een betoon van groote zedelijke kracht. Maatschappelijk belang, welzijn der menschheid, het grootste geluk van het grootste aantal menschen, in één woord cultuur kan daarom de maatstaf van het goede niet zijn. Cultuur is dikwerf gevolg, maar nooit grond der moraal. Beide kruisen elkaar wel, maar zij dekken elkander niet. Perioden van hooge cultuur vallen soms samen met tijden van diep zedelijk verval.

Wie daarom aan gevolg en vrucht eener handeling den maatstaf van het goede wilde ontleenen, zou ieder oogenblik zich in ongelegenheid bevinden. De vaststelling van wat goed en kwaad is zou op dit standpunt alleen nog kunnen geschieden, hetzij democratisch door de stemmen van de helft plus één, hetzij aristocratisch door wat Clavel noemt la loi scientifique, dat is door de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek. In het eerste geval zou de massa de hoogste wetgever zijn op zedelijk gebied. In het tweede wierden de menschen op genade en ongenade overgegeven aan een wetenschappelijk clericalisme, dat in onverdraagzaamheid en onverdragelijkheid voor geen kerkelijke hierarchie zou onderdoen. Werkelijk gaan er in den laatsten tijd dan ook reeds stemmen op, om te bepleiten, dat de staat den mensch tot het volgen der |40| sociale instincten desnoods moet dwingen met geweld.


Het baart geen verwondering, dat velen, onbevredigd door zulk een stelsel, nog verder zijn voortgeschreden en aan alle moraal het bestaansrecht hebben ontzegd. Ten allen tijde zijn er menschen geweest, die als dieren hebben geleefd, niet alleen onder de heffe des volks, maar ook onder de aristocratie van geboorte en van geest. Het bekende spreekwoord: hoe grooter geest enz., is niet geheel uit de lucht gegrepen. Ook heeft het in den loop der eeuwen nimmer aan denkers en wijsgeeren ontbroken, die de grondslagen der moraal aan het wankelen zochten te brengen. De romantiek bijv. schiep er behagen in, om alwat den stempel droeg van het geniale te verheerlijken, ook al was het zedelijk nog zoo streng te veroordeelen. Onder dien invloed schreef Schlegel zijn Lucinde, verklaarde Jacobi te willen liegen zooals eene Desdemona loog, verdedigde Goethe den zelfmoord en hief Heine de leuze aan van de emancipatie des vleesches. Maar toch is er nooit zulk eene algemeene en bewuste ondermijning van de moraal aanschouwd, als die er thans plaats grijpt in het tijdperk van overgang uit de negentiende in de twintigste eeuw.

Er is ongeveer sedert 1880 een machtige omkeer gekomen in de overleggingen en gedachten van de leidende geesten. Verschillende oorzaken hebben daartoe medegewerkt. De oorlog van 1870, de invloed van den russischen roman, de opgang der pessimistische wijsbegeerte, de teleurstelling der wetenschap, het onbevredigende van het neutraal onderwijs, de eenzijdigheid van het intellectualisme, de ellenden der maatschappij, de onwaarheid van de leuze: vrijheid, gelijkheid, broederschap, de huichelarij en leugen in het openbare leven, de comedie van het parlementaire stelsel, de zelfgenoegzaantheid van het liberalisme, de corruptie der |41| bourgeoisie, de machts-vergoding door vorsten en staten — dit alles en nog veel meer heeft geboorte gegeven aan dien modernen mensch, welke thans in literatuur en kunst, in roman en drama den toon aangeeft en aan geen zedelijke wet en autoriteit meer gelooft.

Er is van dien modernen mensch eene beschrijving te geven, waardoor zijn karakter niet al te onduidelijk aan het licht treedt. Groot opgevoed, heeft hij hooge eischen leeren stellen aan het leven, maar ziet deze ten slotte alle onbevredigd. Het gewone leven, eerst volop genoten, blijkt, weldra zoo arm en ledig te zijn, dat het zijn behoeften niet kan voldoen. Hij schept er daarom behagen in om luide te klagen over het aardsche bestaan, om uit de hoogte neer te zien op de onwetende schare, om de onwaarheid en nietigheid van het menschelijk leven meedoogenloos in het licht te stellen, om menschen te beschouwen als voorwerpen van psychologische vivisectie en pathologische anatomie. Het is hem in zijne werken van kunst om geen zedelijke verheffing te doen; maar hij teekent de ruwe, gemeene werkelijkheid, gelijk ze zich aan zijn oog voordoet, als door een noodlot, door een blinden drang, door demonische hartstochten beheerscht, en houdt haar zoo aan zijne verbijsterde tijdgenooten voor. En zelf jaagt hij in het gevoel zijner geniale grootheid naar iets nieuws, iets oorspronkelijks, iets dat het gewone leven van het alledaagsche publiek ver te boven gaat. Hij kan dat te gemakkelijker, wijl hij gewoonlijk los is van alle banden der maatschappij; hij mijdt het huwelijk, veracht het gezin, beschouwt kinderen als ballast, bezit huis noch akker, en heeft hoogstens eene betrekking die van maand tot maand opzegbaar is. Zoo kan hij, zonder iets te verletten, naar hartelust zich wijden aan bespiegelingen over de ongeziene wereld, die achter den schijn der dingen zich verbergt. Weg daarom met het |42| rationalisme en het intellectualisme, dat de wereld zonder mysterie acht! Weg met den hartstocht der werkelijkheid, die geen hartstocht is en de werkelijkheid niet kent! Maar leve het mysterie, het schrikkelijk, huiveringwekkend mysterie van het zijn, het raadsel van de sfinx, de onredelijkheid van den alwie, de ondoorgrondelijkheid van het noodlot! Niet rede en gedachte, maar onbewuste, donkere drang drijft alle dingen langs lijnen van geleidelijkheid voort en is de kern van het bestaande. En die kern is niet te ontdekken door het koude, redeneerend verstand, maar alleen te grijpen door het diepe en fijne gevoel. De ware kunstenaar is een mysticus, een ziener; kunst is hartstocht; ecstase ontsluit hem de schoonheid van het zijn; in passie betrapt hij het leven als op heeter daad. En hij geeft het weer, niet als objectieve waarheid, die er niet is, maar als verklanking van het eigen gemoed; niet in conventioneele beelden met glazige oogen, maar in een eigen, nieuwe taal, die tintelt van oorspronkelijkheid. In de kunst en in de moraal geldt als hoogste wet voor den mensch, zichzelf te durven zijn en geen andere macht te gehoorzamen dan die er woont in het eigen gemoed.

Deze nieuwe geestesrichting kan leiden en heeft ook inderdaad geleid tot eene tweeërlei opvatting in de moraal. De moderne mensch is een product van de wanverhouding tusschen behoefte en bevrediging. Hij kan daarom aan de eene zijde de behoeften inkrimpen en de zucht naar bevrediging onderdrukken. Dan komt de ascetische richting op, van welke in den tegenwoordigen tijd inzonderheid de Russische graaf Tolstoi de welsprekende en invloedrijke vertegenwoordiger is. De zaligheid van den mensch ligt naar deze beschouwing niet in de vermeerdering van zijne bevrediging, maar in de vermindering van zijne behoeften. Ongelukkig is de mensch geworden door de maatschappij. Deze heeft |43| hem met haar leugenachtige beschaving, met haar conventioneele moraal, met haar alcohol, tabak en bedorven atmosfeer, met haar rechtspraak, eed en oorlog, met haar huwelijk, kerk en staat totaal gecorrumpeerd. Vrede en rust is er voor den mensch alleen te verkrijgen, als hij tot den natuurtoestand terugkeert, alleen passieve deugden beoefent, geen recht zoekt, geen weerstand biedt, geen geweld gebruikt, allen toorn aflegt en alleen door de liefde zich laat leiden.

Van alle kanten is dit beginsel der onthouding als een nieuw evangelie begroet. Er gaat een ascetische trek door heel de beschaafde wereld. Zelfs staat de bovenmatige waardeering van de lichamelijke oefening met deze geestesrichting in onmiskenbaar verband. Er is een vroeger ongekend jagen naar sport; tegenover de overlading der hersenen dringt men allerwege op vereenvoudiging der leerstof, op ontspanning des geestes aan; handenarbeid moet het gewone onderwijs vervangen of afwisselen; de matheid en zatheid der overbeschaving moet tegenwicht ontvangen in de versterking van spieren en zenuwen; verstandelijke ontwikkeling is zoo lang overschat, dat thans de lichamelijke kracht wel weer eens in eere mag komen. Baden, boksen, worstelen is de mode van den dag. Lichaamsspelen, wedrennen, hardrijderijen komen hoe langer hoe meer in zwang. Stierengevechten in Spanje wekken in steeds wijder kring de belangstelling op. En zelfs de onschuldige fiets zou zich niet in zoo grooten opgang verheugen, als zij niet harmonieëerde met de geestesrichting der eeuw. Want eere van nu voortaan aan hem, die het hardst en het langst loopen en rijden, boksen en worstelen kan; en een palmtak voor den man, die de sterkste spieren en de dikste armen en beenen heeft!


Maar lang niet bij allen openbaart zich de nieuwe |44| richting in zulk eene ascese. Van hetzelfde beginsel uit kan men komen tot eene gansch andere gevolgtrekking. Zoo was het oudtijds in de Gnostiek. Uit de valsche tegenstelling van geest en stof werd zoowel de vrijmaking als de onderdrukking des vleesches afgeleid. Uit de bestaande wanverhouding tusschen behoefte en bevrediging kan men besluiten tot beperking der behoeften, maar ook tot uitbreiding der bevrediging. Van deze laatste richting is Friedrich Nietzsche, de geniaal-verdwaasde tolk geweest. Bij Tolstoi en Nietzsche dezelfde strenge veroordeeling der maatschappij, dezelfde verachting van de bestaande toestanden. Zij kunnen geen woorden sterk genoeg vinden, om de leugen, de ellende, de bedorvenheld van mensch en maatschappij aan de kaak te stellen. Maar desniettemin gaat elk van hen beiden eene gansch andere richting uit. De Russische graaf spreekt van de denkbeelden van den Duitschen wijsgeer als van onsamenhangende, koortsachtige dweeperijen, die uit een door grootheidswaanzin beneveld brein voortkomen en op de banaalste wijze effect zoeken te bejagen. Want terwijl Tolstoi in zijn afkeer van de bestaande instellingen uit de maatschappij zich terugtrekt, verheft Nietzsche er zich in souvereine minachting boven en vertrapt haar met zijn voet. En terwijl Tolstoi in het oorspronkelijk Christendom, zooals hij het verstaat, nog heerlijke waarheid erkent, valt Nietzsche de Christelijke religie zelve aan en belaadt haar met zijn vloek.

Het Christendom is naar. zijne meening de oorzaak van de tegenwoordige ellendige toestanden en van de thans algemeen heerschende bedorven moraal. Oorspronkelijk toch, zoo leert hij, hadden de woorden goed en slecht eene geheel andere beteekenis dan ze heden ten dage dragen. Goed was de naam voor alwat hoog, voornaam, rijk, machtig, gelukkig was; en slecht heette datgene, wat eenvoudig, gewoon, alledaagsch, gering en |45| afhankelijk was. Maar Joden en Christenen hebben deze goede orde omgekeerd en de waarden vervalscht. Zij behoorden zelven immers in den eersten tijd allen tot de eenvoudigen en geringen des lands, tot de onderdrukten en slaven der menschheid. Natuurlijk namen zij het voor zichzelven op, noemden de eenvoudigen en nederigen goed; en de rijken, de machtigen, de voornamen, die hen onderdrukten en vervolgden, noemden zij slecht. Dit wisten zij langzamerhand, toen zij zelven tot heerschappij kwamen, in te voeren in het spraakgebruik der menschheid. Zij verschaften ingang aan hunne décadence-begrippen in de talen der volken, en brachten het eindelijk zoover, dat Joden als Jezus, Petrus, Paulus en Maria op den troon verheven en vergoddelijkt wierden, en de rijken, de grooten, de edelen aan de verachting prijsgegeven en als verworpenen werden beschouwd. Daardoor is het Christendom een vloek voor de menschheid geworden. Het verkondigt eene kruiperige slavenmoraal; het dweept met nederigheid, ootmoed, geduld, lijdzaamheid; het dringt aan op schuldbesef, berouw, bekeering en kent niets rijkers dan genade; het werpt den mensch terneer en vernedert hem tot in het stof der aarde toe. Het is de wegwerping, de negatie, de zelfverminking van den mensch; het grootste ongeluk en de onsterfelijke schandvlek der menschheid.

En daarom moet aan heel dat Christendom de oorlog worden verklaard. Het dient uitgeroeid en van de aarde verbannen te worden. En duizenden stemmen in met dien krijszang. Er is in de harten der menschen een haat tegen Christus en zijne gemeente gevaren, die aan den Romeinschen keizertijd herinnert, en profetie is van eene donkere toekomst. Neen, roept hier te lande de dichter Kloos uit, niet de vaalbleeke Christus, maar de koning der vreugd is de mensch der toekomst. Omdat |46| ik het Christendom niet noodig heb, ik rijklevende, daarom haat ik het tot den dood. En niet alleen de Christelijke religie, maar ook de Christelijke moraal deelt in die diepe verachting. Er moet een totale omkeer komen in de zedelijke waardeering. Het belang der moraal is volstrekt niet daarbij betrokken, gelijk de dweepers met onderwijs en ontwikkeling gelieven te zeggen, dat er wat meer boeren lezen kunnen. Haar doel is evenmin gelegen in de sociale gelijkheid aller menschen, in „the greatest happiness of the greatest number”. Dwaas en bespottelijk is de wetenschap der hygiène, die moeite doet om eene massa ziekelijke en onnutte niensch-exemplaren in het leven te houden. Veel beter ware het, naar den Amerikaanschen hoogleeraar Powers, om de zwakken in onze maatschappij van kant te maken ten bate der sterken. Want het is altijd zoo geweest en zal zoo blijven, dat velen leven voor enkelen en dat enkelen leven voor velen. Het socialisme is, gelijk van Deyssel betoogt, de dood voor de kunst, voor de weelde, voor de persoonlijkheid. Ascese is daarom dwaasheid. Eene moraal des medelijdens komt in het geheel niet te pas. Er zijn altijd eenige bevoorrechten en uitverkorenen geweest, die door de anderen werden gediend en verheerlijkt. Dat zijn de kunstenaars, de heiligen op aarde, de goden onder de menschen. Zij zijn, naar het woord van Kloos, de eenige zaligen. Ik ben, zoo zingt hij,

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
en zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
over mijzelf en ’t al naar rijksgeboôn
van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, —
als een heir van donker-wilde machten
joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
voor ’t heffen van mijn hand en heldre kroon;
ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten. |47|

Evenzoo zegt Arno Holz in lasterende taal: ik ben evengoed als Christus der Godheid eengeboren zoon. Volgens Mallarmé is de wereld geschapen, om ten slotte tot een goed boek te leiden. Een idee, zegt van Deyssel, is meer waard dan honderdduizend menschen. En Nietzsche verklaart: een volk is slechts de omweg der natuur, om tot zes, zeven groote mannen te komen.

Het ware beginsel der moraal is daarom ook der „Wille zur Macht”, de wil, om machtig, groot, voornaam te zijn en in aristocratische hoogheid zich te verheffen boven de domme lijdelijkheid dier arme menschen, die aan eene kudde schapen gelijk zijn. Wees uzelf, durf uzelf te zijn, is het eenig gebod der moraal; stoor u aan geen wet of recht van maatschappij of staat! Niet gemeenschap, maar individualiteit, persoonlijkheid, oorspronkelijkheid, genialiteit, egoïsme is de hoogste en heerlijkste, is de eeuwige wet. Wie dit ideaal hebben nagejaagd, die zichzelf hebben durven zijn, in al de sterkte hunner kracht, dat zijn de groote mannen van ons geslacht, de voornamen en edelen, de Uebermenschen, de Heeren der moraal geweest. Zij hebben zich niet bekommerd om de platte moraal der lage, slaafachtige zielen, om die nietige, kleinzielige onderscheiding van goed en kwaad, welke eene zelfzuchtige vondst der arme schapen is. Maar zij hebben geleefd aan gene zijde der grenzen van goed en kwaad; zij zijn daarheen geschreden door de menschheid, met zware stappen, hoog in hun trotsch, en in hun souvereine majesteit duizenden vertrappend onder den voet. Groot en in hun grootheid schoon zijn geweest, niet mannen als Socrates en Plato en Aristoteles, Spinoza, Leibniz en Kant, die allen slechts zwakhoofden waren; niet mannen als de profeten en apostelen, die slechts dienaren waren van eene verachte kudde domme schapen. Neen, zegt Nietzsche, in het Nieuwe Testament, dat |48| men niet dan met handschoenen aanvatten moet, is er maar één figuur, die eere verdient; het is die van Pilatus, den Romeinschen stadhouder. Wat kon het hem schelen, of er een Jood meer of minder op de wereld was! In zijne Romeinsche, stadhouderlijke hoogheid zag hij verachtend neer op het ellendig Joodsche kabaal. En het eenige woord, dat in het Nieuwe Testament waarde bezit, het is door dezen stadhouder in stouten en hoogen trotsch gesproken: wat is waarheid? En zoo ook, in de geschiedenis der menschheid zijn groot geweest de Nero’s en Caligula’s, de Caesar Borgia’s en Napoleons! Zij moeten in hun eere hersteld! Laat het zijn, dat zij duizenden ongelukkig hebben gemaakt, en bloed en tranen hebben doen vloeien bij stroomen; — wat doet het er toe, zij waren de prachtexemplaren der menschheid, de heeren en koningen, de Uebermenschen, die eens hun hoofd ontvangen zullen in den antichrist, den mensch der toekomst. Zij hebben het daemonische, het goddelijke in hunne natuur geopenbaard; want naar het schrikkelijke woord van van Deyssel: de hoogste graad van menschelijkheid is het god-beestelijke!


Dit is de spiksplinternieuwe moraal die door velen verkondigd wordt aan het einde der negentiende en in het begin der twintigste eeuw van onze Christelijke jaartelling. En het ergste is daarbij nog niet, dat zulke theorieën in allen ernst door enkelen worden gepredikt, die in hun artiestenhoogheid bijna aan waanzin schijnen te lijden. Maar erger is nog, dat zij gretig worden overgenomen en toegepast door eene bewonderende menigte, aan wie alle zedelijk gehalte ontbreekt. Het is wel eindeloos in deze eeuw gepredikt, dat de leer onverschillig is en dat het alleen op het leven aankomt. En het is waar, dat gelijk bij de belijders van Christus, |49| de leer altijd beter is dan het leven, zoo bij niet-Christenen het leven menigmaal beter is dan de leer. Ook zet niet aanstonds de theorie zich ten volle om in de practijk. Maar desniettegenstaande is het oppervlakkig en onwaar, dat de leer op het leven haar stempel niet zet en haar invloed niet oefent. De ideeën der wijsgeeren en denkers vloeien door vele kanalen in de diepten van het volksleven af en bepalen ten deele den stroom der geschiedenis. Voltaire en Rousseau zijn met hun ongeloofstheorieën, niet volgens Groen van Prinsterer alleen maar ook volgens Taine, de vaders der Fransche revolutie geweest. Het nihilisme, dat voor eenige jaren in Rusland zoo stout optrad, stond rechtstreeks met Hegels wijsbegeerte in verband. De geestelijke en zedelijke schade, welke door een boek als Büchners Kracht en Stof, dien van feilen krioelenden bijbel van het materialisme is aangericht, is onberekenbaar. Het anarchisme van Krapotkin is door Nietzsche geïnspireerd. De gedachte is immers ook moeder van de daad; het denkend hoofd bestuurt de gespierde hand. Langzamerhand, nu het bijna te laat is, maar men voor eigen beurs en leven bevreesd wordt, gaan er de oogen voor open, dat de leer toch zoo gansch onverschillig niet is; — een weinigje godsdienst voor het volk kan geen kwaad; als beteugeling voor den minderen man kan de kerk nog wel dienst doen: en zoo waar, een pastoor of dominé is nog niet zoo’n slecht politieagent!

Waarlijk, men moet al van eene zeer optimistische natuur zijn, om op de vraag, of wij zedelijk vooruitgaan, een bevestigend antwoord te geven. Zonder lofredenaar van het verleden te wezen, kan men met Dr. Ritter in het werk: Eene halve Eeuw, met zorge voor de toekomst vervuld zijn. Er is zonder twijfel vooruitgang, vooruitgang in kennis, in welvaart, in beheersching van |50| de krachten der natuur, maar daarnaast ook een snelle vooruitgang in speculatie, waarvervalsching, en faillissementen; in café’s-chantants, huizen van ontucht, alcoholisme, absinthgebruik en opiumschuiverij; in vrije liefde, bandeloosheid, misdaad en zelfmoord. De predikant Rade te Frankfort aan den Main stelde voor enkele jaren een onderzoek in naar de gedachten, die in Duitschland onder zes millioen industriearbeiders heerschten over Christendom, kerk, godsdienst, zedelijkheid enz. De uitkomst leerde, dat de nieuwere, materialistische wereldbeschouwing en de treurige toestand van de kerk en hare dienaren de meeste arbeiders van Christendom en godsdienst ten eenenmale had vervreemd en zelfs aan alle hooger ideaal had doen ontzinken. En zoo is het niet alleen in de lagere, maar het is minstens even erg in de hoogere standen der maatschappij. Er steekt geen nuttigheid in, om de schandalen te noemen, waarop de aristocratische wereld in de groote steden, in Parijs, Berlijn, Weenen, Rome, New-York enz., ons in de laatste jaren heeft vergast. Er ware hier anders stof te over. Er wordt daarin een afgrond van ongerechtigheid openbaar, een wereld van onzedelijkbeid, leugen en bedrog. Van hoogere belangen, van ideale beginselen is schier geen sprake meer; alles draait om vrouwen en geld. Utilisme en egoisme zijn de sterkste motieven, die de daden der menschen beheerschen. Zelfs de volksvertegenwoordigers in Weenen en Parijs, in Rome en Berlijn doen menigmaal meer denken aan eene troep losgelaten dieren dan aan een waardige vergadering van afgevaardigden des lands. Bijna alles wat uit de hoogere kringen aan het licht komt, bevestigt het woord, dat onze tijd wel bang is voor scènes en schandalen, maar in het geheim voor geen enkele ondeugd of misdaad terugschrikt. La société moderne tolère le vice, elle ne tolère pas le scandale. |51| Bildung ohne Religion macht raffinirte Teufel. De humaniteit zonder diviniteit slaat om in bestialiteit. Doch zelfs afgezien van deze gruwelen, met Dr. Ritter mag gevraagd: wie van onze staatslieden, hoogleeraren, leeraren, onderwijzers, officieren, rechtsgeleerden, geneesheeren, schilders, schrijvers, ambtenaren, musici, kooplieden is nog kerksch? Wie hunner bekommert zich nog om de kerk? Ja, wie hunner schaamt zich het Christendom, den godsdienst niet, en neemt nog den naam van God of van Christus anders dan tot een vloek op de lippen? En wat is te wachten van den zedelijken vooruitgang van een volk, dat zulke leidslieden heeft?

Inderdaad heeft een man als Nietzsche in zijne zedelijke wijsbegeerte slechts uiting gegeven aan wat onbewust leefde in veler hart. Hij mag in zijne aristocratische hoogheid de menschheid verachten; zelf is hij uit haar voortgekomen en wordt hij door haar gedragen. Daarom is zijn woord allerwege gevallen in eene lang toebereide en vruchtbare aarde. Door alwie geniaal is en nog meer door alwie voor een genie wil doorgaan, wordt hij verheerlijkt als de tolk van een aristocratisch egoisme, als de verdediger van de rechten der voornamen in stand en in geest, die gaarne uit de hoogte neerzien op de vervloekte schare, die de wet, de wet van het genie, niet kent. De eischen, die de kunstenaars tegenwoordig stellen, de aanspraken diezijmaken op rijkdom en weelde, op roem en eere, gaan alle perken te buiten. Locke zeide in zijn tijd: op den Parnassus is eene liefelijke lucht, maar een onvruchtbare grond. Tegenwoordig is het omgekeerde het geval: op de hoogten der kunst is een bedorven atmosfeer maar leeft men alle dagen vroolijk en prachtig. De kunst zelve wordt verlaagd tot eene dienstmaagd der ongerechtigheid. Wat onder haar naam uitgegeven wordt, |52| zijn dikwerf pathologische romans, die er een wellustig genot in smaken, om tot in de fijnste détails het nietswaardig leven te beschrijven van erfelijk belasten, gedegenereerden, en zielszieken; die er behagen in scheppen, om breed uit te meten de jammeren en ellenden van oude instellingen, van huisgezin, huwelijk, maatschappij, staat, kerk; die er een innig vermaak in stellen, om vrije liefde, overspel, echtbreuk, zelfmoord te vergoelijken en te verheerlijken. Het is eene literatuur, eene kunst, die niet opbeurt maar neerdrukt, die benauwt en beangst, die onlust wekt en den moed ten leven beneemt, die alle energie en veerkrachtverlamt. Eene kunst, die, gelijk van Deyssel van zichzelven zegt, de voorkeur geeft aan elegant dwalen boven burgerlijk gelijk hebben; die verdienstelijke lieden, geleerden en weters, mieren en mest verafschuwt, maar fatten, koffiehuishouders, pauwen en regenbogen bemint. En de schouwburg volgt deze kunst achterna; in plaats van naar Schillers braven wensch eene „moralische Anstalt” en een tempel der kunst te zijn, dient hij hoe langer hoe meer tot eene zaal van publieke vermakelijkheid. Wat illusiën heeft men voor de volksopvoeding van het theater zich voorgesteld, die alle in rook en damp zijn opgegaan! Enkele malen moge een klassiek stuk worden opgevoerd. Om het publiek te trekken, om de concurrentie vol te houden met cafés-chantants en salons des variétés, moet bijna elke schouwburg zich verlagen tot het opvoeren van stukken, die door onkiesche tooneelen en dubbelzinnige geestigheden de aandacht boeien.

Wie deze toestanden indenkt, verstaat de klacht over rebarbarisatie, die door den grijzen Herbert Spencer op tweeëntachtig-jarigen leeftijd geslaakt wordt. Wij stellen er veel prijs op, zoo zucht hij, verlicht te heeten, maar humaan en rechtvaardig, dat is bijzaak. Het materieele spreekt meer tot ons dan het ideëele. En |53| zoo goed als we macht boven recht en vergelding boven vergeving laten staan, stellen wij intellect boven gevoel, ontwikkeling van lichaamsbouw boven karaktervorming. En als Christenen zien wij in dat alles het schoone woord van Beets bevestigd:

Wat afvalt van den hoogen God

Moet vallen

Een zelfde schuld, eenzelfde lot

Voor allen.

’t Gezin, ’t geslacht, het volk, de staat,

De kleinen en de grooten.

Verlaten wordt wat God verlaat,

Wat God verstoot, verstoten.

Wel hoort men daaglijks stem op stem

Weerklinken:

„Geen nood! Wij redden ’t zonder Hem”
Maar die het zeggen — zinken. |54|
III.

Alle beoordeeling moet, laten we liever zeggen mag uitgaan van de vertroostende gedachte, dat er ook in de grofste afdwaling nog een element van waarheid schuilt, dat ze draagt en er bekoring aan schenkt. De wereld, in welke wij leven, is zoo ingericht, dat waarheid en leugen, deugd en zonde, heerlijkheid en schande schier nooit onvermengd zich vertoonen; de aarde is noch een hemel noch eene hel, maar ligt tusschen beide in en heeft aan beide deel; zij staat in het teeken van den humor, welke een lach is in een traan. Ook in de wereld- en levensbeschouwing der jongere generatie, welke eenerzijds eene ontkenning der moraal mag heeten, is toch aan den anderen kant een bestanddeel van waarheid op te merken, dat geen echte moraal miskennen of verwaarloozen mag.

Het is de vloek der revolutionaire eenvormigheid, waartegen Nietzsche en Ibsen, Kloos en van Deyssel, ja zelfs een anarchist als Krapotkin met al de kracht, die in hen is, in verzet zijn gekomen. De moraal, door hen verkondigd, is in de eerste plaats een luid protest en eene scherpe aanklacht tegen de hooggeroemde beschaving en verlichting der negentiende eeuw; zij is de kritiek der zonen op de oppervlakkige |55| levensbeschouwing hunner eigene vaderen. Het is de zelfingenomenheid en de zelfvoldaanheid der liberale bourgeoisie, welke zij op onbarmhartige wijze geeselt. Alle denkbeelden, stelsels, inrichtingen en instellingen, waar een wegstervend geslacht zich op verhoovaardigde, geeft zij aan scherpen spot en onverholen minachting prijs. Veel sterker nog dan de bezwaren, met welke da Costa in 1823 durfde optreden, zijn de aanvallen, waaraan de negentiende eeuw tegen haar einde door heur eigen geesteskinderen blootgesteld wordt. Alle opvattingen van godsdienst en zedelijkheid, van wetenschap en kunst, die met bijna onbeperkte macht langer dan eene halve eeuw hebben geheerscht, worden onderworpen aan eene kritiek, die ook het kritiekste niet spaart. Al de afgoden, waar de beschaafde standen hun wierook voor brandden, als daar zijn: vrijheid, gelijkheid, broederschap; verlichting, beschaving, verdraagzaamheid; verstand, onderwijs, neutraliteit; zij worden alleen één voor één van hun voetstuk gerukt en te gruizel geslagen. Het juk, dat de vorige eeuw in den aanvang aan hare zonen oplegde, was reeds in de derde generatie niet langer te dragen; en van onder den last der gelijkvloersche levensbeschouwing en der doodende eenvormigheid, heeft zij in heroische kracht zich opgericht en in naam van kunst, bezieling, geestdrift, hartstocht om lucht en licht, om vrijheid en waarheid geroepen.

Het is opmerkelijk — niet de godsdienst, maar de kunst is het geweest, die tegen het einde der vorige eeuw protest heeft aangeteekend tegen de nivelleerende richting der revolutionaire theorie. Van godsdienstige, van Christelijke zijde zijn de bezwaren tegen beginsel en toepassing der revolutie nooit verstomd; sedert Bilderdijk heeft het aan welsprekende en krachtige getuigenissen nimmer ontbroken, al werden ze menigmaal niet dan met een hooghartig zwijgen of een |56| spottenden glimlach beantwoord. Maar wat niemand vermoeden kon, is geschied; de kunst heeft thans al die bezwaren overgenomen; zij is in zekeren zin de bondgenoote der religie geworden; in naam van hartstocht en geestdrift, van schoonheid en waarheid heeft zij aan het régime der middelmatigheid den handschoen toegeworpen en het uitgedaagd tot den strijd.

De aesthetische wereldbeschouwing kwam alzoo met de intellectualistische in conflict. Allen gelijk en vrij en broeders; het was zoo lang en zoo luide uitgeroepen, dat de reactie zoowel bij de laagste als bij de hoogste standen des volks niet uitblijven kon. Neen, allen zijn niet gelijk, zoo riepen de millioenen, die in de onderste lagen der maatschappij als blanke slaven worstelen moeten om een karig stuk brood! En zij kunnen niet allen gelijk zijn, zoo riepen de kunstenaars daarboven uit, er zijn uitverkorenen, die hoog boven de menschheid staan, die in hun visie het wezen der dingen aanschouwen, en de schoonheid zien van aangezicht tot aangezicht. En zoo kwamen zij er toe, om het weer op te nemen voor de rechten van den individu, voor de persoonlijkheid, voor het genie. Zij werden gedreven door datzelfde gevoel, dat een Carlyle zeggen deed: neen, niet de parlementen met hun eindelooze debatten, niet de toevallige meerderheden, maar de individuen, de krachtige naturen, de heiden regeeren de wereld. Het is dezelfde aandrift, die reeds in het midden der vorige eeuw op godsdienstig gebied den merkwaardigen Deen Sören Kierkegaard deed optreden tegen de kerk en het Christendom van zijn tijd. Dat was het waarachtige Christendom niet, dat, officieel door den staat gesteund en in de volkskerk belichaamd, zich voegde en schikte naar de menigte en allen in den waan bracht Christen te zijn. Waarachtig Christendom was er daarentegen alleen bij den enkele, die aan den |57| invloed en de gemeenschap der massa zich onttrekt en persoonlijk, voor zichzelven, gemeenschap oefent met den levenden God.

Het is te verstaan, dat eerst de religie, en daarna ook de kunst tegen de onderdrukking der persoonlijkheid haar stem heeft verheven. Er gaat van de mode, als ze in kerk en staat, in school en maatschappij, in wetenschap en kunst de heerschappij heeft erlangd, een verlammende invloed op den enkele uit. De gevaarlijkste vijand van het Christendom en ook van de kunst, is, wat Kierkegaard noemde, de onderwerping onder het getal. Eén alleen had in Jeruzalem den Heere Christus nooit aangedurfd; maar toen volk en leidslieden, Herodes en Pilatus een verbond sloten, toen voelden zij zich sterk en deden de lucht van het: kruis Hem, weergalmen. Het is het getal, de meerderheid, de massa, welke zoo dikwerf in enger en in wijder kring het goede verstikt, den indruk uitwischt, berouw en bekeering tegenhoudt, de persoonlijkheid, het hart en den hartstocht onderdrukt. Daaraan heeft ook de Revolutie zich schuldig gemaakt. Terwijl zij de autoriteit met voeten trad, heeft zij de majoriteit ten troon verheven. Zelve hieuw ze met de guillotine de hoofden af van al degenen, die zich niet schikken wilden naar de zoogenaamde meerderheid. En de richtingen, die uit haar geboren zijn, hebben wel de guillotine als al te radikalen maatregel afgeschaft, maar het nivelleerend proces in denzelfden geest voortgezet. Eén model werd allen voorgeschreven; één mode, één kleedij, één woning, één huisraad, eenzelfde peil en gehalte van onderwijs van Dollart af tot Schelde toe, eenzelfde stel van conventioneele denkbeelden, eenzelfde phraseologie in litteratuur en kunst, eenzelfde vlaagje en vleugje van godsdienst, eenzelfde oppervlakkig vernis van zedelijkheid en fatsoen, eenzelfde soort van burgerlijk brave, „nette” |58| menschen! En voorts, vervloekt was de schare, die deze wetten niet kende! Is het wonder, dat de Christelijke richtingen hiertegen in verzet kwamen, dat de vierde stand zich oprichtte in zijne volle kracht, en dat ten slotte ook de kunst ontwaakte en opstond, om aan de onderdrukking van alle zelfstandigheid en persoonlijkheid een einde te maken!


Tot zoover gaat onze erkenning van het goed recht, dat der nieuwe beweging in kunst en litteratuur toekomt. Er was reden voor, er bestond roeping toe, zoo zekerlijk als naast de waarheid en de deugd ook de schoonheid eene gave Gods is en aan niemand haar bestaan ontleent dan aan den Schepper aller dingen alleen. Maar er kan geen twijfel over bestaan, dat de moderne kunst van dit haar recht op schromelijke wijze heeft misbruik gemaakt en aan hare heerlijke roeping in menigerlei opzicht ontrouw is geweest. Neen, het is zoo, dat was de ware deugd niet, de oppervlakkige, zelfzuchtige moraal der „nette” menschen, die dikwerf onder den dekmantel van het fatsoen voor geen misdaad terugschrikten. Doch de nieuwe richting had daarom de vrijheid nog niet, om met alwat edel en goed is den spot te drijven en alle voorschriften der moraal als ballast over boord te werpen.

En toch, dat heeft zij al te veelvuldig gedaan. Om de ellende der tegenwoordige maatschappij te schetsen, viel zij al het bestaande aan, de kerk en den godsdienst en het Christendom niet alleen, maar ook het huisgezin en den staat, het huwelijk en de liefde, de vriendschap en de trouw. Volgens vele jongere beoefenaren der kunst is letterlijk alles huichelarij en zelfzucht. Strijdende tegen de conventioneele moraal, treden zij daarom alle zedelijkheid met voeten en bekommeren zich daarbij ganschelijk niet om den indruk, dien hun woord en |59| hun werk teweegbrengt op het volgzaam publiek. Zij meenen soms alles te mogen zeggen en matigen zich een recht aan, dat nergens elders aan eenig sterveling gegund wordt. Of zij de verbeelding bezoedelen, den wil verlammen, de eerbaarheid kwetsen, den levensmoed knakken, vrede en vreugde in huwelijk en gezin vergallen, de grondslagen van staat en maatschappij ondermijnen, het kostelijkste dat er in eene menschenziel wonen kan, n.l. geloof en geestdrift, moed en kracht, uitroeien en dooden — het schijnt alles zonder beteekenis te zijn; onder de leuze van: de kunst om de kunst, wordt alles geoorloofd geacht. In den verheven naam der schoonheid wordt aan de heerlijkste en rijkste goederen der menschheid verraad gepleegd.

Het komt daarbij niet in ons op, om aan de kunst hare zelfstandigheid te ontzeggen. Zij is geen dienstmaagd van godsdienst en moraal. Van alle ware kunst geldt in zekere mate, wat Bilderdijk zong van zijne poëzie:

Ik stort mijn boezem uit, als ’t vinkjen in de abeelen.
En vraag niet, wien mijn stem kan streelen, maar vier behoefte bot.
Mijn dichtkunst is gevoel. En ’t zij uit eigen bron gevloten,
Of uit een andre bron mijn boezem ingegoten,
Ik zing en ken geen ander doel.

Wij zullen daarom de kunstenaars eeren en met hen strijden tegen elke richting, die het recht en de zelfstandigheid der kunst miskent. Het schoone is als zoodanig het ware en het goede niet; het heeft een eigen oorsprong en natuur, een eigen recht en waarde, een eigen nuttigheid en doel. Aan schoonheid en kunst komt daarom naast waarheid en deugd eene bijzondere plaats toe; zij zijn er niet aan ondergeschikt en dienen er niet louter als middelen toe. Wel is daarvan in de Middeleeuwen de schijn gegeven, omdat er toen bijna |60| niet anders was dan kerkelijke kunst. Maar de Hervorming heeft, evenals de wetenschap, zoo ook de kunst van den druk der kerk bevrijd en haar een eigen terrein geschonken. Naast de godsdienstige en kerkelijke, bestaat er met volle recht eene wereldlijke kunst.

Maar daaruit volgt niet, dat het ware, het goede en het schoone elkander uitsluiten en eene onverzoenbare tegenstelling vormen. Immers in God zijn zij één; Hij is de waarachtige en de heilige maar ook de heerlijke en de zalige God. Ze zijn één in Christus, want Hij is niet alleen de ware profeet en de heilige priester, maar ook de heerlijke en eeuwige koning. ’t Is waar, dat ze hier op aarde om der zonde wil menigmaal uiteenvallen: Christus had geen gedaante, dat wij Hem zouden begeerd hebben en zijn kruis was het teeken van vloek en schande; omgekeerd vertoont Satan zich dikwerf als een engel des lichts en tooit de zonde zich met het gewaad van de deugd. Maar naar hun oorsprong en wezen zijn het ware en goede en schoone toch één. Het waarachtige en het heilige is ook innerlijk schoon en komt vroeg of laat tot een vorm, die aan zijn wezen beantwoordt; en aan de andere zijde is datgene, wat wezenlijk schoon is, ook innerlijk waar en goed. En het is juist mede de roeping der kunst, om, ook in haar eigen belang, deze eenheid vast te houden. Ze heeft dat gedaan, als ze blijkens de historie met religie en moraal ten nauwste verbonden was, daarmede opkwam en daarmede verviel, en juist krachtens dit verbond in den wijden kring des volks geëerd en genoten werd. Ze heeft dat gedaan, zoo dikwerf ze beoefend werd door mannen, die aan godsdienstige en zedelijke idealen hun diepste en schoonste motieven ontleenden voor hunne onsterfelijke werken in woord en kleur, in toon en steen. De grootste kunstenaars, wier scheppingen bewonderd worden van eeuw tot eeuw, |61| zijn waarlijk geen loochenaars van den godsdienst, geen ontkenners der moraal geweest. De kunst kan zich niet vijandig stellen tegenover deze heilige panden, die der menschheid toebetrouwd zijn, tenzij ze met haar verleden breken en haar wezen en roeping verloochenen wil. Want in welke vormen zij zich ook openbare, onder welke volken zij ook optrede, zij heeft altijd dit eigene, dat zij het ideaal niet missen kan. Kunst is geen zuivere afdruk der werkelijkheid, maar ze is vertolking der sensatie, door de rijke, zienlijke en onzienlijke schepping Gods in de ziel des kunstenaars gewekt. Ze ontleent haar oorsprong niet aan den hartstocht der werkelijkheid; maar zij is naar heur aard altijd gevoel, verbeelding, heldenmoed, naar aanleiding van eene aanschouwing of gebeurtenis ontvlamd, doch zelf van hoogeren oorsprong dan de wereld van het vergankelijk stof. Het is zoo, de kunst kan nimmer de klove dempen, die het ideaal van de werkelijkheid scheidt. Zij verzoent en wederbaart en vernieuwt niet. Zij kan onze tranen niet drogen en ons niet verlossen van zonde en dood. Maar zij gaat te gronde, als ze aan de verzoening van ideaal en werkelijkheid niet gelooft en deze niet in heur werken aan onze verbeelding te aanschouwen en te genieten geeft. Zij miskent haar eigen wezen, zij wordt ontrouw aan haar eigene roeping, zij delft haar eigen graf, als ze, godsdienst en moraal verachtend, in den dienst van het ongeloof en van de zonde zich stelt. Onder geen schijn van schoonheid en in geen naam van kunst hebben wij het ons daarom te laten welgevallen, dat het gemeene als iets bijzonders, het lage als verheven, het leelijke als schoon, het kwade als goed, de leugen als waarheid, het dierlijke als goddelijk, de antichrist als Christus en Satan als God ons voorgesteld wordt.

En om diezelfde reden mogen wij het niet billijken, |62| dat het genie boven de wetten van godsdienst en zedelijkheid verheven wordt geacht. Nieuw is deze leer niet. Daar zijn er altijd geweest, die voor eene bijzondere groep van menschen op eene hoogere moraal dan die van het gewone volk aanspraak hebben gemaakt. Karneades en Theodorus de atheist in de oudheid, vele gnostische en antinomistische richtingen in de Christelijke eeuwen hebben voor de wijzen, voor de geestelijke menschen, voor de heiligen, andere zedelijke wetten doen gelden dan voor den minderen man en voor den grooten hoop. Maar vooral heeft deze leer in den nieuweren tijd onder de kunstenaars ingang gevonden, sedert Kant en Fichte in den tijd der Fransche Revolutie het ik des menschen autonoom hebben verklaard en tot uitgangspunt en centrum van alle denken en leven hebben gesteld. Toen werd, met name door Friedrich Schlegel in zijne Lucinde, de leer verkondigd, dat de kunstenaar, de ware, vrije souvereine, geestelijke, godsdienstige mensch was. Zijne genialiteit, sprank der Godheid in hem, is zelve reeds deugd, wel eene andere deugd dan die van den gemeenen man, maar ook verre boven deze verheven en van eene hoogere natuur. De geniale mensch gaat hoog boven de alledaagsche moraal der massa uit, hij is door geen plicht gebonden en is vrij van den arbeid. Evenals de goden van Griekenland, brengt hij zijn leven in genot en zalig niets-doen door. Als hij zich bewust is van zijne goddelijke kracht en daarnaar handelt, treedt hij de zedewet des volks met voeten, bekommert zich om geen vooroordeelen van huwelijk en gezin, van maatschappij en staat. Want het goddelijke in hem gedoogt geen boeien. Hoe vrijer hij leeft, hoe hooger hij zich verheft boven wat den alledaagschen mensch heilig is, des te meer komt het goddelijke, dat in hem woont, tot zijn recht, des te meer bewijst hij |63| zich, de echte, de ware mensch te zijn. Toen en later is deze moraal der romantiek door de ware en door de ingebeelde genieën met groote vreugde omhelsd en met nog grooter vreugde in het leven toegepast. Zoover ging in den jongsten tijd deze emancipatie van alle regel en wet, dat zelfs in de taal, in de wijze van uitdrukking, in den versvorm al het oude verwijderd en voor nieuw, zoogenaamd oorspronkelijke zegwijzen verwisseld woest worden. Iets te zeggen, zooals het vroeger door anderen gezegd was, gold als bewijs van slaafschen zin. Hoe vreemder, des te mooier, werd de leus. In geheimzinnige, symbolische, onbegrijpelijke vormen moest de eigen visie der schoonheid worden weergegeven. Dat het lage volk ze niet begreep, stelde hunne geniale oorspronkelijkheid en aesthetische schoonheid nog helderder in het licht. Nadat eerst het genie was verdwaasd, werd daarna het dwaze als geniaal verheerlijkt.

Dat nu is geen kunst en geen schoonheid meer, en heeft er ook niets mede uit te staan. Het is integendeel de vrucht eener ijdele philosophie, de uitspraak van een aristocratisch egoïsme, dat in de twintigste eeuw der Christelijke jaartelling de wijsheid herhaalt van de sophisten in Socrates’ dagen, die den mensch maatstaf aller dingen noemden. Er is geen hoogere waarde aan te hechten dan aan de zelfzuchtige moraal van Max Stirner, die in 1845 in zijn werk: Der Einzige und sein Eigenthum uit de leer van Kant en Fichte de consequentie trok en onomwonden de stelling verkondigde: niets gaat boven mijzelven, alles is dienstbaar aan mij, den hoogsten souverein! Maar daarmede velt dit aristocratisch subjectivisme dan ook zijn eigen oordeel. Want men kan wel zeggen: ik sta boven alles en alles is er om mij. Maar desniettemin blijft er veel vast staan, vóór en boven en onafhankelijk van mijn |64| ik. Dat twee maal twee vier is, heeft met ’s menschen wil letterlijk niets te maken. Overal in ons en rondom ons treffen wij regelen en ordinantiën aan, waaraan niets te veranderen valt, die wij eerbiedig hebben te gehoorzamen en welke zich nooit straffeloos laten overtreden. Men kan er tegen ingaan, maar ondervindt er dan zelf de gevolgen van. Een dwaas kan wel met het hoofd door den muur willen loopen, maar met geen ander gevolg dan dat hij het leege brein te morzel zich stoot. Een denker kan wel in zijn hoogmoed zich boven de wetten der logica stellen, maar hij verstrikt zich in zijn eigen garen en wordt een prooi der dwaling en een vader van leugenen. Een mensch is, wat men ook bewere, niet autonoom; hij is zijn eigen heer en wetgever niet. Altijd en overal is hij gebonden, onvrij, afhankelijk, geen heer maar een dienstknecht, geen wetgever maar een onderdaan, geen meester, die te gebieden, maar een kind, dat te gehoorzamen heeft.


Zoo is het ook op zedelijk gebied. Ook hier zijn er wetten, die wij niet maken, maar vinden; die wij niet uitdenken, maar opsporen. Zij liggen in onze natuur. Ons geweten geeft er getuigenis aan. Alle volken dragen er de bewustheid van. De Heidenen, die de geopenbaarde wet Gods niet hebben, doen toch van nature de dingen die der wet zijn, en zijn daardoor zichzelven eene wet; als die betoonen het werk der wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie medegetuigende en de gedachten onder malkanderen hen beschuldigende of ook ontschuldigende. De groote verscheidenheid, die er in de zedelijke oordeelen onder de volken voorkomt, doet dit feit niet te niet. Want niemand zal de eenheid, de waarheid en de objectieve geldigheid der denkwetten bestrijden, omdat er over haar hoedanigheid en aantal, over haar orde en verband |65| zoowel in de theorie als in de practijk nog zooveel verschil bestaat. De uiteenloopende zienswijzen, waarvan de geschiedenis der zeden onder de verschillende volken ons verhaalt, bewijst alleen, dat het mensechelijk verstand verduisterd, het inzicht der rede gebrekkig en dies eene openbaring van Gods wet, gelijk zij in de Schrift ons is geschonken, noodzakelijk is. Maar zoowel de menschelijke rede, die naar het wezen van het goede onderzoek doet, als dat goede zelf naar zijn aard en natuur, eischt dat de zedewet één zij en objectief geldig. Want de rede is in alle menschen één, en gelijk zij naar hare theoretisele zijde steunt op de ééne wet der waarheid, zoo is zij naar heur practische zijde op de ééne wet der zeden gebouwd. En het goede is naar zijn wezen van bovenzinlijken aard en dies boven de wisseling der menschelijke denkbeelden verheven. Wel is waar wordt het woord goed menigmaal ook in een relatieven zin genomen. We spreken van een goede spijze, een goeden drank, eene goede woning, om te kennen te geven, dat deze dingen aangenaam en nuttig zijn. Maar ten onrechte leidt Nietzsche met vele anderen daaruit af, dat het goede altijd zulk eene relatieve beteekenis heeft. Er is tusschen het aangename en nuttige eenerzijds en het goede andererzijds een wezenlijk verschil. Het dier heeft bewustzijn van het werkelijke, niet van het ware; van het nuttige, niet van het goede; van het aangename, niet van het schoone. Maar omdat de mensch een redelijk wezen is, gaat hij boven de zienlijke en tijdelijke dingen uit en zoekt hij datgene, wat onzienlijk en eeuwig is. En daartoe behoort met het ware en het schoone ook het goede, dat goede, dat niet goed is door omstandigheden of door de willekeur van menschen, maar hetwelk goed is op zichzelf en daarom de onmisbare maatstaf voor aller menschen leven en gedrag. Er is geen moraal zonder metaphysica. |66|

Daarom valt het in den Duitschen wijsgeer Kant te prijzen, dat hij tegenover de sentinienteele en loszinnige meeningen van zijn tijd, wederom op de gestrenge majesteit der zedewet de aandacht heeft gevestigd en zelf, gelijk voor den sterrenhemel boven zich, zoo van bewondering en eerbied is vervuld geweest voor de stem van het: gij zult, die hij in eigen binnenste vernam. Want wat men ook doe, om deze stem tot zwijgen te brengen, zij verheft zich telkens weer; als zij gansch onderdrukt scheen, verhief zij zich soms plotseling weer in haar volle kracht. Het schuldgevoel, het berouw, de vertwijfeling, de wanhoop, de vreeze voor dood en gericht, die in het leven des menschen zoo breede plaats innemen, leggen van de majesteit der zedewet een onwraakbaar getuigenis af. Deze verschijnselen bewijzen, dat er ook hier verzet en overtreding mogelijk is. Maar evenals bij de schending der wetten in natuur en denkwereld, in staat en maatschappij, zal men ook hier van zijne overtreding de gevolgen dragen. En deze gevolgen zijn op dit terrein ernstiger dan ergens elders. Wie de denkwetten overtreedt, geeft aan vergissing, dwaling en leugen zich over. Wie de natuurwet veracht, veroorzaakt zich pijn en boet er misschien het leven bij in. Wie aan de wetten van den staat zich niet stoort, komt in het tuchthuis terecht. Maar wie aan de zedewet zich vergrijpt, verwoest in zichzelf het beeld Gods, waarnaar hij geschapen werd. Ten dage als de mensch de hand uitsteekt naar deze verbodene vrucht, sterft hij den zedelijken, den geestelijken dood.

Toch is het onjuist en ook onwetenschappelijk, om met Kant bij deze zedewet te blijven staan en niet hooger op te klimmen. Het is immers onwaar, dat de mensch zelf deze wetten des zedelijken levens zich geeft. Hoe gaarne zou hij zich menigmaal van al die wetten ontslaan! Maar hij kan het niet. Hij mag pruilen |67| als een kind of razen als een bezetene, hij blijft een gebondene en wordt nimmer vrij. Wie in hoogen, stouten moed boven de zedewet zich verheft, gaat het als Solness in Ibsens drama van dien naam: hij blijft voortdurend door gewetensbezwaren gekweld, als het er op aan komt, durft hij niet wat hij het liefst zou willen. Het geweten maakt lafaards van ons allen. Men moge zedelijke wetten en plichten voorstellen als ijdele spoken en dwaze geestverschijningen, ze laten zich niet verjagen en gaan voor geen menschelijk bevel op de vlucht. Velen zouden godsdienst en moraal niet zoo haten met al hun macht, als zij er onverschillig tegenover konden staan. En anderen, die het tot eene zekere mate van stoicynsche onverschilligheid hebben gebracht, verbergen daarachter een vuur van hartstochtelijke vijandschap, dat slechts eene aanleiding van buiten noodig heeft, om in hellen gloed uit te barsten en met vernieling te dreigen, Het ontbreekt den armen, zwakken mensch aan den ongebroken wil, aan de vrijgeboren kracht, om zijn eigen natuur geweld aan te doen en de wet Gods te vertreden. In arren moed kan hij een oogenblik zich opwinden, de hand tegen den hemel opheffen en meenen dat hijzelf een god is in ’t diepst van zijn gedachten; straks gaat zijne hoogmoedige overspanning in diepe inzinking onder en ligt hij, gebroken, in zijne onmacht neer.

Emancipatie is daarom de weg tot vrijheid niet, maar tot harder dienstbaarheid. Inzooverre Kant de zedewet in zichzelve, dat is in den mensch heeft doen rusten, heeft hij niet haar majesteit gehandhaafd, maar haar meedoogenlooze hardheid voor den mensch ondragelijk gemaakt. Want als die wetten, die ons binden, haar oorzaak hebben in den mensch zelf, lokken zij niet uit tot onderwerping, maar prikkelen zij tot opstand en verzet. En dit is in nog sterker mate het geval, als |68| zij ten slotte rusten in den wil van maatschappij of staat. Want als de zedewet, als heel de inhoud van het geweten en dit geweten zelf niet oorspronkelijks is, maar historisch en psychologisch te verklaren is, dan verliest het alle onschendbaarheid en heiligheid. Wie weet, zegt Paul Rée, de vriend van Nietzsche, op dit standpunt terecht, hoe menschelijk het bij het ontstaan van het geweten en van zijn inhoud is toegegaan, laat alle vrees varen, om een van zijne geboden te overtreden. En dat niet alleen. Maar als de zedewet slechts een menschelijken oorsprong heeft, met welk recht decreteert dan de maatschappij voor den enkele, wat goed en kwaad, wat waar en onwaar is? Van zedelijke verplichting is er in de moraal der evolutie geen sprake meer. Op de vraag naar het recht der moraal is er ten slotte, ondanks alle verwijzing naar historische omstandigheden en sociaal milieu, slechts één antwoord meer over, en dat is: het recht van den sterkste. Maar wat zal men dan zeggen tegen hen, die in naam van datzelfde recht de superioriteit eischen voor mannen als Caesar Borgia en Napoleon, voor de kunstenaars en genieën, voor de „Kraftnaturen” en „Uebermenschen”? Welke weerlegging zal men dan stellen tegenover de bewering van hen, die in de artiesten de uitverkorenen, de zaligen, de goden onder de menschen zien, en alle anderen als schapen beschouwen, wier bestaan zijn doel vindt in het voortbrengen en onderhouden der weinige mannen van kracht? Een redelijk schepsel kan zich niet gevangen onder zulk eene sociale onredelijkheid. De autonome moraal van Kant heeft in de negentiende eeuw tot de ontkenning der moraal geleid. Indien er voor de zedewet geen hooger dan menschelijk gezag is aan te voeren, is het met haar recht en waarde gedaan.

Dan alleen komt er kinderlijke onderwerping en |69| gehoorzaamheid, als de zedewet haar oorsprong heeft in God, den eenigen wetgever, die behouden kan en verderven. Alle macht, die er is, alle gezag, dat onder menschen gevonden wordt, alle wetten van denken en kennen, van recht en zede, van gezin en staat wortelen ten slotte in God Almachtig, of anders hebben zegeen recht van bestaan en geen verbintenis tot gehoorzaamheid. Er is blijkbaar niet alleen onnadenkendheid, maar ook antipathie des harten bij in het spel, als men wel de wetten erkent, maar van den wetgever niet weten wil; als men een imperatief aanneemt zonder een imperans; als men van een gebod spreekt zonder tot den gebieder op te klimmen. Want immers, wie wet zegt, die zegt: wil. De wet is altijd uitdrukking van een gebiedenden wil. Dat geldt van de wetten in de natuur, in het gezin, in den staat; het geldt ook, en in nog sterker mate, van de wetten des zedelijken levens. De wil, die in die zedelijke wetten zich aan mij kennen doet, kan niet, gelijk Kant meende, mijn eigen wil zijn. Want daarbij blijft de vraag geheel onbeantwoord, hoe mijn wil er toe komt en komen kan, om aan zichzelf wetten te geven, die hem zedelijk binden. Kant erkent dan ook zelf, dat dit totaal onbegrijpelijk is en door geen menschelijk verstand kan ingezien worden. Evenmin kunnen andere menschelijke willen die wetten ons geven. Want al hebben deze nog zoo vele malen de macht en de meerderheid, daarmede is toch in het minst hun recht niet bewezen, om met zedelijke autoriteit tegenover mij op te treden. Sowenig, zegt Pfleiderer terecht, aus blossen Nullen jemals eine Grösse wird, so wenig kann aus der blossen Summirung von egoistischen Einzelwillen jernals ein sittlich höherer Wille entstehen, der nicht bloss die Macht, sondern auch das Recht hätte, sich als Autorität fur Alle geltend zu machen.

Het komt toch bij de zedewet juist niet op de macht |70| maar op het recht aan, om haar uit te vaardigen en aan anderen op te leggen. Dat recht ligt aan al de zedelijke verschijnselen ten grondslag en heeft daarom in de eerste plaats verklaring van noode. De wetenschappelijke methode eischt in den tegenwoordigen tijd, dat men ook in de ethiek empirisch te werk ga. Welnu, zuiver empirisch en voor geen tegenspraak vatbaar zijn ook de feiten van den plicht, het plichtsbesef, de absolute waarde der deugd, de zedelijke verantwoordelijkheid, het geweten, het schuldbesef, het berouw enz. En deze allen onderstellen bij den wetgever op zedelijk gebied niet de physische macht, maar het ethische recht, om met autoriteit tegenover den mensch op te treden en zijn wil hem voor te schrijven. De plicht bijv., die nog weer van het plichtsbesef te onderscheiden is, bindt onzen wil zonder eenigen dwang en toch zoo, dat wij het recht van dat binden in meerdere of mindere mate beseffen en erkennen. In het geweten voelt ieder, niet door bemiddeling van ouders of overheid, maar rechtstreeks en onmiddellijk, tot het doen van het goede zich verplicht; elk mensch staat in zijne conscientie als van aangezicht tot aangezicht tegenover een souvereinen en heiligen wil. Evenzoo is elk van de absolute waarde van het goede overtuigd; deugd is meer waard dan wetenschap en kunst, dan rijkdom, macht en eere; ze gaat alle schatten der aarde hoog te boven. En de zedelijke orde is van zoo verheven en onvergankelijke majesteit, dat niet alleen alle menschen, koningen zoowel als onderdanen, genieën evengoed als eenvoudigen en geringen, onvoorwaardelijk aan haar gebonden zijn, maar dat men ook alles prijsgeven en verlaten moet, eer men haar schenden en hare autoriteit aanranden mag.

Hoe zouden deze verschijnselen nu anders te verklaren zijn, dan doordat in de zedewet de wil van een almachtig en heilig God tot ons spreekt? Alle andere |71| verklaringen nemen uit die verschijnselen van te voren juist datgene weg, wat verklaard moet worden, of laten ze onbegrepen staan en ruilen voor het Goddelijk mysterie eene raadselachtige verborgenheid van menschelijke vinding in. Maar als God de hoogste wetgever is, op zedelijk zoowel als op elk ander terrein, dan worden de ethische verschijnselen niet alleen onverkort in hun eigen karakter gehandhaafd, doch ook voor het menschelijk verstand genoegzaam verklaard. Want met God is dan terstond ook het volstrekte recht gegeven, om die wetten des zedelijken levens uit te vaardigen en den mensch tot hare onderhouding te verplichten. Hij is immers de Heilige, die geen welgevallen hebben kan aan het kwade en die den mensch schiep naar Zijn beeld in ware kennis en gerechtigheid. En Hij is tegelijk de Almachtige, die niet alleen de natuurorde onderhoudt en regeert, maar ook de zedelijke orde, niettegenstaande al de aanrandingen waaraan ze blootgesteld is, in hare onvergelijkelijke majesteit staande houdt en tot zegepraal brengt. Hij is zoo almachtig, dat Hij den mensch, zonder eenigen dwang, innerlijk, in zijne eigene conscientie tot het onderhouden der zedewet verplichten kan. Zoo iets kan God alleen. Hier is een terrein, dat voor menschen ontoegankelijk is. Alleen de almachtige Schepper van hemel en aarde, in wien wij leven, ons bewegen en zijn, kan in den mensch, in den zondaar het besef levendig houden, dat het Gods recht is, om de zedewet af te kondigen en zijn schuldige plicht, om haar te onderhouden. Zonder God is er van recht en plicht in de moraal geen sprake. Maar indien God bestaat, ligt voor Hem het recht, om te gebieden, en voor den mensch de plicht, om te gehoorzamen, daarin vanzelf opgesloten.

Daarom is er geen moraal zonder religie. In de historie der volken zijn ze ten allen tijde nauw |72| verbonden geweest. Om in den mensch het plichtsgevoel te verklaren, roepen alle voorstanders der evolutionistische moraal, behalve het gezag van gezin, maatschappij en staat, ook de godsdienstige autoriteit te hulp; historisch is het plichtsgevoel in elk geval niet zonder haar invloed ontstaan. Niemand kan daarom ook op empirische gronden beweren, dat de moraal in de toekomst dezen godsdienstigen grondslag wel missen kan. Want al zijn er zonder twijfel in den tegenwoordigen tijd vele menschen, die met alle geloof gebroken hebben en toch een burgerlijk eerbaar en streng zedelijk leven leiden, er valt daaruit geen gevolg te trekken tot eene maatschappij, die van de religieuze autoriteit verstoken en alleen op de grondslagen van menschelijk gezag zou opgebouwd zijn. De vrucht valt soms nog langen tijd te genieten, nadat de boom reeds omgehouwen is. Ook komt het in de moraal niet alleen op de uitwendige handeling, maar ook op de innerlijke beweegreden aan. Er is voor een goed werk, dat dien naam in waarheid verdient, niet slechts conformiteit met de letter, maar ook met het beginsel en den geest der wet van noode. En of deze aanwezig is, staat aan geen mensch ter beoordeeling; dat weet God alleen, die een kenner der harten en een proever der nieren is. Tegenover de weinigen, die den godsdienst meenen te kunnen missen en in de moraal hun vastigheid trachten te vinden, staan dan ook in dezen zelfden tijd de duizenden, die met het geloof aan God ook het geloof aan de onschendbaarheid der zedewet hebben verloren, en thans, als een schip zonder roer, van den wind bewogenen op de golven der levenszee op en neder geworpen worden. Wie al deze dingen ernstig overweegt, vraagt zich onwillekeurig af, wat belang er de hedendaagsche moralisten bij kunnen hebben, en welk genoegen zij er in kunnen smaken, om de moraal van den wortel der religie en der |73| metaphysica af te snijden en over te planten in den onvruchtbaren bodem van menschelijk goedvinden en sociale omstandigheden, waar ze een kwijnend leven en de versterving tegemoet gaat. Onwetenschappelijk kan het toch op zichzelf niet zijn, om ook in de wetenschap met God te rekenen, die allen den adem, het leven en alle dingen heeft. Want wel is het thans helaas, zoover gekomen, dat men van God in het openbaar niet meer spreken mag, dat men Hem overal uitsluiten moet, en het best doet, zoo weinig mogelijk aan Hem te denken. Maar daartegenover staat, dat ons geslacht niets meer van noode heeft, dan het geloof in den éénen waarachtigen God, wiens souvereiniteit over alle dingen gaat, die de Koning der koningen en de Heer der heeren is. Dan toch komt er onder staat en maatschappij, onder recht en zede, onder wetenschap en kunst weer een onwrikbaar fundament te liggen, als zij alle rusten in ordinantiën Gods.


Op dien achtergrond van Gods heilige wetten treedt dan het Christendom naar voren in het volle licht van zijn Goddelijk schoon. Nietzsche en zijne aanhangers kennen het Christendom niet; wie geen recht en wet erkent, heeft ook geen behoefte aan genade. En het Christendom is niets anders dan de religie der genade. Het heeft tot onderstelling de wet, de wet in haar ganschen inhoud en omvang; het ziet in alles ordinantiën Gods, wetten, rechten, inzettingen, voor wier handhaving Hij waakt, wier overtreding Hij naar hare mate en aard gestrengelijk straft. Het is zoo, de Christelijke religie vernedert den mensch en werpt hem neer in zijne schuld voor de gerechtigheid en heiligheid Gods; zij verklaart, dat uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd zal worden. Streng oordeelt zij over wereld en menschheid, Voor een groot deel stemt zij |74| in met de klachten van Schopenhauer en von Hartmann, van Nietzsche en Ibsen. Het is waarlijk de Schrift niet alleen, die hard over den mensch oordeelt. Het zijn menschen, die over menschen het onbarmhartigste oordeel hebben geveld. Maar daarbij blijkt het dan altijd nog beter, in de hand des Heeren dan in die van menschen te vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele. Immers als God ons veroordeelt, dan biedt Hij tegelijk in Christus zijne vergevende liefde ons aan; maar als menschen menschen veroordeelen, stooten zij hen menigmaal van zich en maken hen tot voorwerp van hun gruwzamen hoon. Als God ons veroordeelt, dan laat Hij dat oordeel ons brengen door menschen, profeten en apostelen en dienaren, die niet hoog als „Uebermenschen” zich boven ons stellen, maar met allen zich samenvatten in gemeenschappelijke belijdenis van schuld; maar de moralisten en wijsgeeren, de menschen verachtend, vergeten daarbij meest, dat zij zelven menschen zijn. Als God ons veroordeelt, dan spreekt Hij van zonde, die wel groot is en zwaar, maar die toch vergeven en weggenomen kan worden, wijl zij niet behoort tot het wezen van den mensch; maar de moralisten en artiesten spreken van egoïstische, dierlijke neigingen, die den mensch krachtens zijn oorsprong eigen zijn en tot zijn wezen behooren. Wat spreekt Nietzsche dan van het Christendom als eene verlaging, eene „Selbstverstümmelung” van den mensch! Zelf heeft hij geen woorden genoeg, om zijne verachting uit te drukken voor de nietige, ellendige wezens, die hij wriemelen ziet aan zijn voet. In aristocratischen trotsch zich verheffend, beleedigt en vloekt hij de menschheid, randt wet schennige hand den adel aan van hare natuur en heeft voor haar lijden geen oog en geen hart. Alzoo doet Christus niet. Als farizeër en priester, kunstenaar en wijsgeer tegenover de ellendigen in meedoogenlooze |75| hardheid voorbijgaan, buigt Hij zich tot de verlorenen neer, spreekt van genade en vrede, richt hen op, en vernieuwt hen naar lichaam en geest. Hoog houdt Hij de majesteit der inzettingen Gods; maar zelf predikt Hij geen wet maar evangelie, geen recht maar genade, geen eisch maar belofte. Hij regeert de zijnen niet door den harden korporaalstok van den kategorischen imperatief, maar leidt ze met den staf van zijn Woord en de genade zijns Geestes.

Dat is het Evangelie van Christus eeuwen lang geweest, ook voor de grooten van ons geslacht, voor denkers en dichters, voor wijsgeeren en kunstenaars; dat is het geweest voor de armen en verlorenen, voor de tollenaren en zondaren; voor een schare, die niemand tellen kan, uit heel de lijdende en strijdende menschheid. Daaraan ontleenden zij de kracht, om het vleesch en zijne begeerlijkheden te dooden, in den strijd sterk te staan, in de verdrukking te roemen, in nieuwigheid des Geestes te wandelen en naar alle geboden Gods in oprechtheid te leven. Dat moet het Evangelie ook zijn of worden voor ons, de kracht Gods en de wijsheid Gods, het beginsel van ons denken, de drijfveer van ons handelen, de spijze onzer ziel, de vreugde van ons leven, de troost in ons sterven, de grondtoon beide van ons klagend en van ons jubelend lied!




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004