Godsdienst en Godgeleerdheid

Rede gehouden bij de aanvaarding van het Hoogleeraarsambt in de Theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam


op Woensdag 17 December 1902 door Dr. H. Bavinck
Naamlooze Vennootschap Drukkerij „Vada”, Wageningen, 1902

a




Mijne Heeren Directeuren, Curatoren, Professoren, Doctoren en Studenten aan de Vrije Universiteit,

En voorts gij allen, van wat naam of rang ook, die deze plechtigheid met Uwe tegenwoordigheid vereert,



Zeer geachte en zeer gewenschte Toehoorders.


Bijna twintig jaren is het geleden, dat ik mijn arbeid aan de Theologische School te Kampen begon met eene rede over de Wetenschap der Heilige Godgeleerdheid. Het was toen de tijd, waarin de Christelijke Gereformeerde Kerk na eene lange worsteling om haar bestaan eene eervolle positie in den lande zich verworven had, en nu in stillen vrede en gestadigen vooruitgang aan eene meer wetenschappelijke opleiding van de aanstaande dienaren des Woords hare zorgen wijden kon. Als in de eerste behoeften van het leven is voorzien, ontwaakt de zucht naar kennis; het bewustzijn onderstelt en volgt het zijn.

Thans sta ik gereed, om het hoogleraarsambt te aanvaarden aan eene School, die bij hare stichting voornamelijk de beoefening der wetenschap zich ten doel stelde, maar langzamerhand, door de ervaring geleerd, ook met de eischen der practijk meer rekening is gaan houden. Aan de ideale taak, door de wetenschap gesteld, behoeft deze behartiging van het belang der realiteit niet in den weg te staan. Want |8| het denken, hoe hoog het zich verheffe in zijne vlucht, blijft toch immer aan het leven gebonden. Leven gaat altijd aan kennis vooraf en blijft er de voortdurende en onmisbare onderstelling van. Vele voorwaarden moeten vervuld wezen, eer onder een volk de behoefte aan wetenschap ontwaakt en hare beoefening een aanvang neemt. De bange strijd voor het bestaan moet voor een deel voorbij zijn. Er moet een stand aanwezig zijn, die niet met de hand behoeft te arbeiden voor het dagelijksch brood en niet gewikkeld is in de handelingen van den leeftocht.

Maar ook dan als de wetenschap eene eigene existentie verworven heeft, raakt zij van het leven niet los. Hare beoefenaars blijven menschen, van gelijke bewegingen als al hunne natuurgenooten. Haar inhoud brengt zij niet denkende en redeneerende uit zichzelve voort, maar zij ontleent haar object aan de rijke wereld des zijns, welke zich rondom haar uitbreidt en waarvan zij bij haar onderzoek van het begin tot het einde afhankelijk blijft. En haar doel heeft zij nooit in de school, in het weten om te weten alleen; maar zij vindt daarbenevens hare bestemming in de behoeften van het leven. Alle universiteiten, vooral die van het Duitsche type, zijn tegelijk waarplaatsen van het wetenschappelijk onderzoek en opleidingsscholen voor de verschillende betrekkingen in staat en kerk en maatschappij.

Met name geldt dit van de theologie. Alle wetenschap is het om waarheid te doen. En alle waarheid maakt vrij; kennis is macht; wetenschap is heerschappij. Maar de waarheid, welke in de theologie wordt ingedacht en uitgestald, is van de hoogste orde. Zij is van goddelijken oorsprong en draagt een hemelsch karakter. Zij maakt vrij van de zwaarste dienstbaarheid, van de duisternis en de slavernij der zonde. |9| En de theologie is daarom geen philosophie, die eene verklaring zoekt van het wereldprobleem; geen metaphysica, die de laatste gronden van het zijn opspoort; geen heuristische of speculatieve, maar eene positieve wetenschap: kennisse Gods in het aangezicht van Christus, den Gezondene des Vaders. Zij hangt daarom ten nauwste met de Christelijken godsdienst, met het geloof der gemeente, met de belijdenis der kerk, met het leven der vroomheid saam.

Over dien samenhang van Godsdienst en Godgeleerdheid wensch ik bij deze gelegenheid eenige gedachten aan Uwe welwillende overweging aan te bieden.


Wij lijden allen heden ten dage onder de schrijnende tegenstelling, die in den nieuweren tijd zich ontwikkeld heeft tusschen het gelooven en het weten, tusschen het leven en het kennen. De harmonie tusschen zijn en bewustzijn is verbroken. Zoodra wij met de aanspraken en beweringen, met de ware of vermeende resultaten der hedendaagsche wetenschap in aanraking komen, worden wij gewikkeld in een pijnlijken strijd, die de naiveteit van het kinderlijk geloof ons ontrooft, die hoofd en hart vermoeit, die soms den lust en den moed des levens ons beneemt.

Dit dualisme heeft niet altijd bestaan. Toen het Christendom zijne intrede in de wereld deed, vond het tegenover zich eene antieke cultuur, welke niet dan onder beneficie van inventaris aanvaard worden kon. Maar de Christelijke religie heeft deze heidensche beschaving toch innerlijk overwonnen en aan zichzelve dienstbaar gemaakt. Zij heeft haar gekerstend en in het spoor der waarheid en der gerechtigheid geleid. Lijdende en strijdende heeft de kerk toen over de wereld de overwinning behaald. Er had inderdaad, naar |10| Nietzsche’s woord, eene „Umwertung” van alle waarden plaats. Alle terrreinen des levens, tot de intiemste en geringste toe, werden, gelijk Harnack het nog onlangs uitdrukte, onder de tucht des Geestes gesteld en nieuw geordend. Staat, huisgezin, maatschappij, ambt en beroep, arbeid en zede, alles werd door het Christendom vernieuwd en herschapen. Godsdienst was de bron van liefde en van kracht. De kerk werd het middelpunt des levens in stad en in dorp. Zooals Israëls stammen zich eenmaal rondom den tabernakel legerden, zoo groepeerden zich de woningen der Christenen rondom het bedehuis, welks torenspits naar boven wees.

Ook op het terrein der wetenschap werd zulk een strijd gestreden en zulk eene overwinning behaald. Maar hier droeg de worsteling een ernstiger karakter dan ergens elders. Want het Evangelie van Christus trad met geen enkele wetenschappelijke pretensie op; het diende zich aan als een woord des kruises, dat voor den Jood eene ergernis en in de oogen van den Griek eene dwaasheid was en dat aan allen zonder onderscheid den eisch stelde, om de gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. En tegenover zich vond het eene hoog ontwikkelde wetenschap, eene philosophie, die geen grenzen aan het kennen stelde en naar de oplossing der stoutste problemen zocht. Toch is het met al zijne schijnbare zwakheid en dwaasheid voor die machtige wereld van het denken geene schrede uit den weg gegaan. Dezelfde Apostel, die meer dan eenig ander de scherpe tegenstelling heeft gevoeld tusschen het Evangelie van Christus en de wijsheid der eeuw, is zich ten volle bewust, dat het Christendom een redelijke godsdienst is, dat het wel dwaasheid kan toeschijnen aan hen, die verduisterd zijn in het verstand, maar dat het zich als de hoogste en diepste, als Goddelijke |11| wijsheid kennen doet, aan een iegelijk, die gelooft. In dat geloof zijne sterkte zoekend, heeft het Christendom allengs de geesten omgezet, het bewustzijn met een anderen inhoud gevuld en het denken in nieuwe banen geleid. Per fidem ad intellectum, door gelooven tot weten — werd de bezielende leuze, die hoofd en hart, denken en leven verzoende en theologie met philosophie in vrede deed samen wonen. Er kwam allengs eene Christelijke levens- en wereldbeschouwing tot stand, die harmonie bracht tusschen zijn en bewustzijn, aan wetenschap en kunst gelijkelijk ten goede kwam, en die, schoon door de Reformatie belangrijk gewijzigd, toch tot de achttiende eeuw toe onder de Christenvolken heerschen bleef.


Maar dit neemt niet weg, dat de kerstening in de eerste tijden, in de Middeleeuwen en ook na de Hervorming dikwerf tot de oppervlakte beperkt bleef. Men bond den strijd wel aan, maar zette hem niet door en sliep al te haastig op de behaalde lauweren in.

Het Christendom was veelszins niet anders dan een dun vernis. Onder den schijn van kerkelijke rechtzinnigheidzette in vele kringen het oude, natuurlijke, zelfs het paganistische leven en streven zich voort. Al werd het ook door de macht der waarheid onder haar beslag gehouden, het werd niet innerlijk door haar vernieuwd en herboren. Daarom lag het steeds in het verborgene op de loer, wachtte de gelegenheid, om zich vrij te maken, af, en sloeg soms in wilde passie uit. De levenslustige Griek, die er in ieder menschenhart woont, rukte, als hij de kans schoon zag, uit de knellende omarming van den Christen zich los. En dan kwam er scheiding, tegenstelling, vijandschap. Het was ook in de voorbijgegane eeuwen niet al goud, wat er blonk. Ongebondenheid |12| en zelfkastijding, zingenot en onthouding, werelddienst en wereldvlucht wisselden elkander, als in en na de carnevalsdagen, af.

Wetenschappelijk nam deze vrijmaking een aanvang, toen de Renaissance in de klassieke wereld aan het denken een stand- en een steunpunt bood, vanwaar de aanval tegen de Christelijke wereldbeschouwing met goed gevolg ondernomen kon worden. Van dien tijd af dateert eene geleidelijke en tot op den huidigen dag zich voortzettende vrijmaking der wetenschap, eene vrijmaking, niet alleen ten opzichte van belijdenis en kerk, maar voorts ook en in steeds toenemende mate ten aanzien van Bijbel en Christendom, van godsdienst en moraal, zelfs van metaphysica en philosophie.

Deze emancipatie is niet in eens geschied en zij is ook thans nog niet voltooid. Maar er is toch op dien weg geen stilstand. De geschiedenis der wetenschappen is sedert de Renaissance de geschiedenis harer emancipatie geweest. De eene volgde daarin de andere. Astronomie en physica, historie en rechtsgeleerdheid, psychologie en ethiek, ten slotte zelfs de theologie, zij hebben zich allen verwereldlijkt en van alle bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen onafhankelijk gemaakt. Het proces begon schijnbaar onschuldig. Het waarnemen en denken begeerde eerst nog niet anders dan een eigen terrein naast het geloof en beloofde het eerbied en vrijheid. Maar straks stelde het er zich tegenover, drong het geloof in den hoek en breidde het ten zijnen koste het eigen arbeidsveld uit. En eindelijk plaatste het er zich boven, zag er uit de hoogte met minachting op neer en trachtte het zich zelfs aan de heerschappij van alle redewaarheden te ontworstelen. Uit de theologische en metaphysische phase zoekt elke wetenschap thans in de positivistische over te gaan. |13|

Deze ontwikkelingsgang der moderne wetenschap is de oorzaak van het pijnlijk conflict, dat thans allerwege tusschen Christendom en cultuur, tusschen godsdienst en godgeleerdheid, tusschen leven en kennis, tusschen zijn en bewustzijn, tusschen volk en geleerden, tusschen kerk en school wordt aanschouwd. Nergens wordt dit conflict met meer smart doorleefd dan in het hart van den student, die, tehuis in het Christelijk geloof opgevoed, straks op gymnasium en akademie met de moderne wetenschap in aanraking komt. Naarmate dat geloof dieper wortelen heeft geschoten in zijn ontvankelijk gemoed en er levensernst en ideale gezindheid heeft gekweekt, wordt de strijd heviger, waaraan hij straks in en buiten de gehoorzalen der universiteit blootgesteld wordt. Velen zijn in die gevaarlijke crisis bezweken. Zij werden een prooi van den twijfel niet slechts, maar gaven zich ook aan twijfelzucht en vertwijfeling over.

Voortgestuwd door het onstuimig bloed der jeugd, gunden zij zich zelven den tijd niet, om een ernstig onderzoek in te stellen en daarna eene weloverwogen beslissing te nemen. In den naam van eene goed bedoelde maar toch oppervlakkige oprechtheid haastten zij zich, om terstond en beslist positie te kiezen, het oude als verouderd en onbruikbaar te verwerpen en het nieuwe als onveranderlijke en onwankelbare waarheid aan te nemen. Of ook brachten zij het noch naar de eene noch naar de andere zijde tot eene vaste overtuiging. Heen en weer geslingerd tusschen de inzichten van het verstand en de behoeften van het hart, vonden zij geen rust, en gaven ten slotte de hope op, om ooit eenige absolute waarheid te vinden. Het agnosticisme werd hun toevlucht. Maar daardoor verloren zij ook de geestdrift en den moed, die tot groote daden in staat stelt. Voordat zij het leven leerden kennen, |14| had het reeds alle aantrekkelijkheid voor hen verloren, of werd het alleen om zijn zinnelijk genot en materieele voordeelen van waarde geacht. Een algemeene „Weltschmerz”, een verlies van waarheidszin, een jammerlijk tekort aan idealisme was er in breede kringen het gevolg van. Ongeloof in den ruimsten zin, ongeloof aan het bestaan van onzienlijke en eeuwige dingen, ongeloof aan de ideale macht van waarheid en recht, van liefde en vrijheid werd de grootste krankheid der eeuw.


Onder de duizenden, die in de branding van den twijfel schipbreuk leden van hun geloof, vormden de theologennaar verhouding een zeer belangrijk contingent. Te verwonderen is dit niet. Op het veld hunner wetenschap stelden Oud en Nieuw zich het scherpst tegenover elkaar. Gelooven en weten namen hier meer dan ergens elders een onverzoenlijk karakter aan. Want eenerzijds trok het geloof, uit vreeze voor de wetenschap, hoe langer hoe meer uit het gewoel der wereld in de mystiek van het hart zich terug; en andererzijds eischte de toongevende wetenschap, dat godsdienst en godgeleerdheid, indien zij voor haar rechtbank wilden blijven bestaan, zich eene metamorphose moesten laten welgevallen, welke met eene algeheele verwording gelijk stond.

Godsdienst werd n.l. in vroeger tijd altijd opgevat en omschreven als eene bepaalde wijze, van God te kennen en te dienen. Men bezag de religie eerst van hare objectieve, theologische zijde, en ging daarbij stilzwijgend uit van het geloof, dat God bestond, dat Hij zich geopenbaard had, en dat Hij op dien grond ook kenbaar was voor den mensch. Het criticisme en agnosticisme had nog zijn intocht in de philosophie niet gedaan. De existentie en de revelatie Gods stonden nog |15| voor aller bewustzijn onomstootelijk vast. En die God was, omdat Hij God was en alzoo de Schepper van hemel en van aarde, waardig, om door den mensch gekend en geëerd te worden. Behoefte heeft Hij er niet aan, want Hij is de Volzalige en Algenoegzame in zichzelven, die van menschenhanden niet gediend wordt als iets behoevende, alzoo Hijzelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft. Een schepsel kan Gode niet voordeelig zijn. Maar desniettemin is het Zijn recht, om door den mensch gekend en gediend te worden; en Zijn recht ook, onbetwistbaar en onvervreemdbaar, om te bepalen, hoe Hij gekend en gediend wil worden. Omdat Hij God is, is Hij souverein, altijd en overal, in natuur en geschiedenis, in wetenschap en kunst, in godsdienst en moraal. Zijn wil is wet, in hemel en op aarde, voor alle levensterrein, voor ’s menschen natuurlijk en zedelijk, huiselijk en maatschappelijk leven; Zijn wil is wet ook in den godsdienst. En omdat het Gods recht is, om door den mensch gediend en verheerlijkt te worden, daarom is het des menschen schuldige plicht.

Ten onrechte heeft de meening ingang gevonden, dat de religie hiermede als iets uitwendigs werd opgevat, dat geheel buiten het hart omging. Want immers de wet, waarin God Zijn dienst voorschreef, was wijs en heilig en goed. En die wet moest niet alleen letterlijk, maar ook geestelijk worden verstaan. Zij regelde niet alleen de woorden en de daden, maar ook de gedachten en de begeerten; zij gold niet alleen voor den mond en de hand, maar ook voor het hoofd en het hart; het gebied harer heerschappij begon bij de inwendigste roerselen, bij de verborgenste overleggingen, bij de geheimste genegenheden der ziel, en strekte zich vandaar dan uit tot de verste grenzen van menschelijk kennen en kunnen toe. De wet Gods eischt den ganschen mensch op voor Zijn dienst, |16| met ziel en lichaam, met verstand en hart en alle krachten. God wil, dat de mensch Hem diene, niet alleen en zelfsniet in de eerste plaats met uitwendige handelingen en plechtigheden, maar vó6r alle dingen met oprecht geloof, vaste hope en vurige liefde, met aanbidding in geest en in waarheid, met de offeranden van een gebroken geest en een verslagen hart. De godsdienst is geen cultus externus slechts, maar vóór alles een cultus internus, een kennen en dienen met het hart.

Doch ook deze cultus internus mocht, naar de oude omschrijving van de religie, geen eigenwillige godsdienst zijn. God te kennen en te dienen overeenkomstig Zijn wil, met alle krachten der ziel en des lichaams, op alle plaatsen en in alle tijden, dat was de redelijke, de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader. Alle eigenmachtige en eigenwillige godsdienst verraadt daardoor alleen reeds zijne onredelijkheid en onzuiverheid. Want indien godsdienst een dienen van God is, dan heeft hij zijn beginsel en oorsprong in die gezindheid des harten, welke vragen doet: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En zulk een dienen van God is dan voor den hulpbehoevenden mensch een schuldige plicht. Een zedelijke plicht. De grootste en voornaamste plicht, voorgeschreven in de eerste tafel van Gods heilige wet. Een plicht, die bij den waren mensch met zijn lust en begeerte samenvalt.

Want van deze religio objectiva, den godsdienst in voorwerpelijken zin, is de religio subjectiva, de pietas, de religiositas onderscheiden, bestaande in de oprechte gezindheid des harten, om God alzoo te kennen en te dienen, als Hij in Zijn Woord zich heeft geopenbaard. Gene is een plicht, die aan den mensch wordt voorgehouden en waaraan hij zich |17| zonder voorwaarde te onderwerpen heeft; deze is eene deugd, die in den mensch zelf aan dien plicht beantwoordt en hem tot vervulling daarvan genegen en bekwaam maakt. Gelijk subject en object steeds aan elkander beantwoorden moeten, om op het uitgebreide veld van kennen en kunnen iets tot stand te brengen, zoo is zulk eene overeenstemming ook op het terrein der religie noodzakelijk. Wij zien een voorwerp alleen, als dezelfde zon dat voorwerp en ons oog verlicht. Er komt alleen kennis en wetenschap in ons bewustzijn tot stand, als de zon der waarheid tegelijk de wereld van het zijn en de wereld van het denken bestraalt. En zoo ook is er eerst van echten godsdienst sprake, als Gods gebod en onze lust, als plicht en deugd, als wet en neiging samenvallen.

Daarom geeft God ons dan ook te gelooven, dat de mensch oorspronkelijk naar Zijn beeld werd geschapen. De godsdienst is niet later als een donum superadditum aan den mensch toegevoegd, noch ook uit eene toevallige combinatie van verschillende niet-godsdienstige voorstellingen en aandoeningen ontstaan, maar hij is met den mensch zelf gegeven. De mensch is van zijn allereersten oorsprong af, omdat hij mensch is, omdat hij naar Gods beeld is geschapen, een godsdienstig wezen. God te kennen en te dienen, het is zijn schuldige plicht, maar het behoort ook tot zijn wezen, het is, in zoover hij mensch is, zijn lust en zijn leven. Zijn hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het rust gevonden heeft bij Hem. Een ongodsdienstig mensch is krank van ziel. De kennisse Gods is de gezondheid van den mensch.

Wel is deze religiositas, deze godsdienstige gezindheid, bij den mensch door de zonde bedorven, zoodat hij zelfs het kennelijke Gods uit de werken Zijner handen in de natuur |18| niet meer verstaat en doorziet, en de heerlijkheid des onverderfelijken Gods verandert in de gelijkenis eens beelds van mensch of van dier, van stof of van kracht. Maar de mensch is, schoon doodelijk krank, toch in die krankheid nog mensch en in zooverre ook nog een godsdienstig wezen gebleven. Er is in hem nog aanwezig een semen religionis, dat, aan zichzelf overgelaten, in het wilde opgroeit en in allerlei eigenwilligen eeredienst zijne ongave vruchten draagt, maar dat in de stuitendste vormen nog het bewijs levert, dat de mensch Gods geslacht is en nimmer zijne afkomst ten volle verloochenen kan. En in de wedergeboorte wordt deze religiositas vernieuwd en veranderd in een innerlijken lust, om niet alleen naar sommige, maar naar alle Gods geboden in oprechtheid te wandelen.

Rijker en schooner omschrijving van de echte religie is er dan ook niet, dan die, welke onze eigene belijdenis ons op de lippen legt: dat wij, zoo lief als ons onzer ziele zaligheid is, alle afgoderij, tooverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijden en vlieden, en den eenigen waren God recht leeren kennen, Hem alleen vertrouwen, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid ons Hem alleen onderwerpen, van Hem alleen alles goeds verwachten, Hem van ganscher harte liefhebben, vreezen en eeren, alzoo, dat wij eer van alle schepselen afgaan en die varen laten, dan dat wij in het allerminst tegen Zijnen wil doen.


Maar deze opvatting van den godsdienst, hoe rijk en hoe schoon ook, heeft in de laatste eeuw allengs voor eene gansch andere plaats moeten maken. De overgang van de periode der objectiviteit in die der subjectiviteit bracht ook natuurlijk |19| eene wijziging in de beschouwing van den godsdienst mede. Rationalisme en piëtisme bereidden deze in de achttiende eeuw reeds voor. Kant ondermijnde de oude voorstelling door zijne scherpzinnige critiek van het menschelijk kenvermogen en door de daarop gebouwde leer van de onkenbaarheid Gods. En Schleiermachers pantheïstisch getinte vroomheid vond voor de nieuwe beschouwing de nieuwe formule, toen hij zeide: religie is geen weten en geen doen, geen dogmatiek en geen moraal, geen zaak van verstand en van wil, maar zij is eene diepe, verborgene, innerlijke stemming des gemoeds, gewekt door het Alééne en bestaande in een gevoel van volstrekte afhankelijkheid. De definitie van Schleiermacher is menigmaal beoordeeld en veelszins gewijzigd; maar zijne opvatting van de religie is desniettemin het uitgangspunt en de grondgedachte gebleven van heel de nieuwere theologie. Godsdienst is, naar de thans algemeen heerschende voorstelling, geen plicht maar eene deugd; geen dienst van den Heer des hemels en der aarde maar eene regeling en vaststelling van de betrekkingen van den mensch tot het geheel, waarvan hij zichzelven als deel beschouwt; niet door den Schepper en Souverein aller dingen verordend maar door het redelijk schepsel uitgevonden, om zichzelf te handhaven in den strijd voor zijn physisch of ethisch bestaan; en daarom onafhankelijk van verstandelijke voorstellingen en uitwendige handelingen, in zijn wezen niets dan eene vage, kleurlooze, onbepaalde stemming des gemoeds, een gevoel van eerbied, ontzag, toewijding, aanbidding, jegens een ongekend en onkenbaar wezen, welks bestaan de mensch vermoedt of op grond van zijne zedelijke natuur postuleert; in één woord, geen recht Gods, maar eene behoefte van den mensch.

Deze gemoedsstemming maakt dan verder het hart en de |20| kern van elken godsdienst uit. Zij is ééne en blijft zich gelijk onder alle verschil van godsdienstige voorstellingen en handelingen, die wisselen met den tijd en veranderen naar gelang van de omstandigheden. De verschillende godsdiensten zijn daarom ook niet in ware en valsche in te deelen; zij staan niet als ja en neen tegenover elkander. Maar zij zijn allen te zamen golven in denzelfden oceaan, straalbrekingen van één licht, schakels in dezelfde keten, momenten van één proces. De redelijke, zuivere en onbevlekte godsdienst is er niet, maar hij komt, in den weg van geleidelijke ontwikkeling, als resultaat van een eeuwenlang proces. Evolutie is de grondwet der religie, gelijk van alwat bestaat. God zelf is niet, maar wordt; Hij komt tot zelfbewustheid, tot persoonlijkheid, tot waarachtig bestaan in de religieuze zelfontwikkeling van den mensch. Dwaas is het, te belijden de menschwording Gods, maar hooge wijsheid is het, te gelooven aan de Godwording van den mensch.

Met deze verandering in de opvatting van den godsdienst moest vanzelf eene wijziging gepaard gaan in het begrip der godgeleerdheid. In vorige eeuwen werd deze altijd opgevat in eigenlijken zin, als wetenschappelijk geordende kennisse Gods, wiens bestaan vaststond en wiens openbaring boven allen twijfel verheven was. Maar sedert de wetenschap bij monde van Kant had uitgesproken, dat God onkenbaar was, werd de godgeleerdheid in den ouden zin des woords voor eene moeilijke en ernstige keuze gesteld. Indien zij wilde blijven wat zij was, verbeurde zij den naam, den rang en de eere eener wetenschap. Indien zij daarentegen deze eere zich niet wilde laten ontrooven, dan moest zij de aanspraak laten varen, alsof zij waarlijk kennisse Gods was, en zich schikken en voegen naar de regelen, welke de toongevende |21| wetenschap voor haar eigen leven vastgesteld had. Voor die keuze geplaatst, is de theologie menigmaal ontrouw aan hare roeping geweest. De verleiding van den wetenschappelijken naam was haar te machtig; zij bezweek voor de bekoring der ijdele philosophie.

Om wetenschap te blijven, heeft zij daarom de kennisse Gods prijs gegeven en voor die van den godsdienst ingeruild. Haar zwaartepunt werd uit de metaphysische wereld in de historie en de psychologie verlegd. Haar object kon de kennisse Gods niet meer zijn, geopenbaard in het aangezicht van Christus Jezus, zijnen Zoon, maar werd het religieus bewustzijn in zijne historische ontwikkeling en psychologische eigenaardigheid. Als zoodanig ziet zij zich thans tot taak gesteld, om eerst de verschillende godsdiensten nauwkeurig te onderzoeken; om daarna, uit het bijzondere tot het algemeene opklimmend, het wezen, de wetten en den oorsprong der religie te leeren kennen; en om eindelijk aan te wijzen, in welke vormen de religie het zuiverst tot hare uitdrukking komt.


Door deze opvatting van godsdienst en godgeleerdheid heeft de nieuwere wetenschap eene diepe klove gegraven tusschen zichzelf en het godsdienstig leven, gelijk het in de werkelijkheid bestaat en allerwege zich vertoont. Er is tusschen kerk en school, tusschen volk en geleerden eene scheiding en tegenstelling gekomen, welke voor belden verderfelijk is. Daarom is in onzen tijd ook de klacht algemeen over de ongenoegzaamheid der theologische opleiding. Om haar naam en haar eere als wetenschap op te houden, heeft de akademische theologie hoe langer hoe verder van de kerk, van de belijdenis, van de Schrift, zelfs van den persoon van Christus |22| en van de kennisse Gods zich verwijderd en daarmede haar eigen grondslag ondermijnd en zich van de beste levenssappen beroofd. De hedendaagsche theologie vraagt niet meer aan de kerk, aan de confessie, aan de Schrift, aanhetChristendom, wat religie is. Zij wil het vragen, althans naar zij voorgeeft, aan de godsdiensten zelven en aan dezen alle te zamen. Maar ook dit is slechts schijn. Want daargelaten op dit oogenblik de juistheid van deze methode; het feit is wel voor geen tegenspraak vatbaar, dat de vromen van alle tijden en oorden over godsdienst gansch anders hebben gedacht, dan thans in de scholen der wetenschap wordt geleerd. Geen enkel godsdienstig mensch beschouwt of kan zijne religieuze voorstellingen en handelingen beschouwen als onverschillige vormen van eene onbeschrijfbare stemming des gemoeds. Zoo scherp is zelfs de tegenstelling, dat het godsdienstig leven, hetwelk de hedendaagsche theorie van den godsdienst met ernst in zich opnam, zichzelf den doodsteek geven zou. Een godsdienst, die het geloof aan zichzelf verloren heeft, is ten ondergang gedoemd.

Feitelijk heeft de nieuwere theologie haar begrip van religie niet aan de historie maar aan de philosophie, niet aan de psychologie maar aan de metaphysica, niet aan het theïsme der H. Schrift, maar aan het pantheïsme van Hegel en Schleiermacher ontleend. Met dezen wijsgeerigen sleutel tracht zij het slot te openen, dat den toegang tot het mysterieuze leven der godsdiensten belet. Op een hoog, zoogenaamd neutraal en onafhankelijk standpunt zich plaatsende, buiten en boven alle godsdiensten, tracht zij een onpartijdig, vergelijkend onderzoek in te stellen, en hoopt dan, dat uit den smeltkroes van dat empirisch onderzoek het goud der echte religie te voorschijn zal komen. Zij leeft in stille verwachting, |23| dat de vivisectie, op de godsdiensten toegepast, het leven der religie intact zal laten, ja tot bloei en wasdom zal brengen.

Voorshands heeft de uitkomst aan die verwachtingen zeker niet beantwoord. Want van deze wijsgeerige opvatting der religie zijn eerst de studenten en daarna de kerken de beklagenswaardige slachtoffers geworden. Als eerstgenoemden uit een geloovig gezin komen, gaan zij niet alleen aan de akademie eene zware crisis tegemoet, waarbij hun godsdienstige overtuiging en hun liefde tot het ambt op het spel komen te staan. Maar nog grooter moeilijkheid wacht hen, als zij van de school in de kerk, van de wetenschap in het leven, van de theorie in de practijk teiugkeeren. Zij kunnen in vele gevallen niet meer spreken, omdat zij niet gelooven. Zij hebben dikwerf niets meer te verkondigen, omdat de kracht en de heerlijkheid van het Evangelie hun door de critiek werd ontroofd. Zij kunnen niet meer getuigen, omdat hun kinderlijk vertrouwen op het woord der apostelen werd geschokt. Als zij geschikt voor het ambt willen zijn, — zoo is er gezegd — moeten zij veel vergeten, van wat zij in de akademie-zalen hebben gehoord. En als zij behouden willen, hetgeen zij daar hebben geleerd, missen zij voor de vervulling van hun dienst de noodige bezieling en kracht, en staan aan krank- en sterfbed verlegen. Hoevelen lijden daarbij onder eene innerlijke onwaarheid, die het leven verscheurt! Wat strijd kost hun de tegenstelling tusschen inwendige overtuiging en uitwendige belijdenis, tusschen de gedachten des harten en de woorden der lippen, tusschen de onderzoekingen in het studeervertrek en de eischen van den kansel! Met hun positie ontevreden, zoeken velen dan een uitweg in politiek, diaconaat of philanthropie en houden in diezelfde mate op, bedienaren des Woords en uitdeelers van Gods verborgenheden te zijn. |24|

Groot is de schade, welke de nieuwe opvatting van religie en theologie aan kerk en belijdenis berokkend heeft; maar zij zelve zijn er evenmin wel bij gevaren. Al de concessies, welke zij gedaan hebben, om voor de vierschaar der wetenschap te kunnen bestaan, hebben er alleen toe bijgedragen, dat haar recht en haar waarde hoe langer hoe ernstiger werden betwist. De verachters van, de onverschilligen althans omtrent den godsdienst nemen onder alle klassen en standen der maatschappij voortdurend in aantal toe. Als dezen de religie niet openlijk bestrijden, beschouwen zij haar toch als eene „Privatsache”, waarover ieder denken kan wat hij wil; wie er behoefte aan heeft, zij vrij en oefene ze naar hartelust uit. Maar voor den verstandige hebben godsdienst en godgeleerdheid afgedaan. Staat en maatschappij, wetenschap en kunst, ambacht en bedrijf hebben er geen rekening meer mede te houden. De cultuur gaat buiten allen cultus om.


Zoo komen religie en theologie in den tegenwoordigen tijd van twee zijden in het gedrang. Noch de kerk noch de wetenschap is met den bestaanden toestand tevreden. Verschillende pogingen worden daarom beproefd, om verandering aan te brengen en aan het vraagstuk eene bevredigende oplossing te geven.

Het gemakkelijkst zijn daarbij de radicalen eraan toe. Omdat zij den godsdienst alle bestaansrecht ontzeggen en hoogstens voor eene particuliere aangelegenheid houden, stellen zij eenvoudig voor, om de theologie uit den kring der wetenschappen te verwijderen en haar in de universiteit hare zelfstandige plaats te ontnemen. Wel is waar is de godsdienst een belangrijk historisch en psychologisch verschijnsel, maar het daarnaar in te stellen onderzoek eischt geen bijzondere |25| faculteit en kan gevoegelijk binnen den kring der litteraire, historische en philosophische vakken plaats hebben. Als de kerken daarbenevens of in plaats daarvan eene andere opleiding voor hare dienaren wenschen, kunnen zij hun die op eigen seminaria verschaffen; maar met deze practische vorming heeft wetenschap en universiteit niets uit te staan.

Deze scheiding, zoo beweert men, zou voor beiden eene groote winst zijn. De kerken konden hare dienaren dan vrijhouden van alle invloeden van den modernen tijdgeest en hun geven, wat en zooals zij het wenschelijk achtten. En de universiteit werd van een leervak bevrijd, dat hij gebrek aan een object geen recht van bestaan en op den naam van wetenschap geen aanspraak heeft. Met welke bedoeling men van deze zijde de theologie van de openbare hoogescholen verwijderen en in kerkelijke seminaria opsluiten wil, wordt uit deze woorden wel duidelijk. De voorgestelde maatregel is een pendant van de schoolwet van Julianus den Afvallige, die aan de Christenen den toegang tot de heidensche scholen ontzegde en hun tevens het gebruik der classici in hun eigen scholen verbood.

Toch ontvangen deze radicalen, naar de wet, dat de uitersten elkander raken, steun van hen, die aan de lijnrecht tegenovergestelde zijde staan. In het belang van kerk en belijdenis geven velen er de voorkeur aan, dat de opleiding van de aanstaande dienaren der kerk op eigene inrichtingen en niet op de openbare universiteiten geschiede. Met name in Duitschland en Frankrijk zijn vele Roomschen, vooral van de orde der Jezuïten, van oordeel, dat de voorbereiding voor het priesterambt van de openbare en ongeloovige hoogescholen naar kerkelijke seminaria moet worden overgeplant. Principiëel zijn zij wel niet, evenmin als de Roomsche kerk zelve, |26| tegen universiteiten gekant. Nog slechts enkele weken geleden deelden de dagbladen mede, dat de stichting van eene faculteit voor Roomsche theologie aan de Keizer-Wilhelm-universiteit te Straatsburg, na onderhandeling met de pauselijke curie, verzekerd is.

Maar desniettemin achten velen het tegenwoordig in het belang van het recht en de vrijheid der kerk, van de leer en het leven der studenten, dat hunne opleiding aan seminaria plaats hebbe. Ook hier te lande wordt dit denkbeeld door vele Roomschen gesteund. Zelfs zijn er Protestanten, die, overtuigd van het gevaar, dat op de openbare hoogescholen aan de studie der theologie verbonden is, de dienaren der kerk liefst aan kerkelijke seminaria wenschen opgeleid te zien, en die bij de andere faculteiten, ter wering van verkeerde ongeloofstheorieën, het stelsel van aanvulling voldoende achten.


Lang niet allen zijn op dezen weg zoo ver durven gaan. Daar zijn anderen die het hoogst bedenkelijk achten, om de theologie geheel en al van de universiteit te verwijderen en aan de kerk over te laten.

Zij slaan daarom een middenweg in en stellen boedelscheiding voor. Er zijn naar hunne meening in de tegenwoordige theologie twee soorten van vakken. Tot de eerste soort behooren de exegetische en kerkhistorische vakken, benevens alle die, welke betrekking hebben op de studie der godsdiensten; deze nu behooren zonder twijfel tot den kring der wetenschappen en hebben recht op eene plaats in de universiteit. Maar andere vakken in de hedendaagsche theologie, n.l. de dogmatische en de practische, kunnen op dit recht geen aanspraak maken; zij dragen geen wetenschappelijk, maar een kerkelijk karakter. |27|

Er is toch, zoo stelde voor enkele jaren de hoogleeraar Bernoulli te Bazel het voor, er is toch een groot onderscheid tusschen de wetenschappelijke en de kerkelijke methode in de theologie. Gene, toegepast in de exegetische en kerkhistorische vakken, gaat geheel onbevooroordeeld en onpartijdig te werk. Zij onderzoekt alles, niet alleen de kerk en hare belijdenis, maar ook de Schrift en den Christus, en geeft prijs, wat de critiek van haar eischt. Maar de kerkelijke methode, toegepast in de dogmatische en practische vakken, rekent met de belijdenis der kerk en met de behoeften van den eeredienst. Haar is het niet om „Untersuchung”, maar om „Nutzanwendung” te doen. Zij gaat uit van eenige dogmatische grondwaarlieden, neemt een „kirchlich gesicherten Standpunkt” in, huldigt eene „kirchlich organisirte Schriftauslegung”, bedoelt Christus aan de gemeente te geven, en trekt dus niet het facit uit een zuiver wetenschappelijk onderzoek, maar heeft voornamelijk bevrediging van practische behoeften op het oog.

Bernoulli verlangt dus naast de streng wetenschappelijke eene officieel kerkelijke theologie, die de resultaten van gene met het oog op hun practisch nut voor de gemeente toetst, het bruikbare overneemt en aan het religieuze leven dienstbaar maakt, en zoo voor elken dienaar vaststelt, wat de kerk denkt en van hem begeert. Deze scheiding, schoon eenigszins anders uitgewerkt, komt overeen met die, welke reeds in het jaar 1876 bij de wet op het hooger onderwijs hier te lande werd ingevoerd, en heeft in den laatsten tijd een krachtig voorstander gevonden in Dr. Troeltsch van Heidelberg. Het begrip der wetenschap heeft naar zijn oordeel eene algeheele verandering ondergaan. Zij is de theologische en metaphysische phase uit-, en de empirische, positivistische phase |28| ingetreden. Met aflegging van alle apriorisme, wil zij in haar beide hoofdgroepen van natuur- en geschiedwetenschap niet anders dan inductief te werk gaan. Indien de theologie wetenschap wil wezen, moet zij daarom zichzelve radicaal herzien, de dogmatische methode geheel en al laten varen, en uitsluitend door de historisch-inductieve methode zich laten leiden. Zij moet worden godsdienstwetenschap en het Christendom opvatten als „ein Glied der allgemeinen Religionsgeschichte.”

Als wetenschap maakt de theologie zich dus volkomen van kerk en belijdenis, van Schrift en Christus, van heel het absoluut karakter des Christendoms los. Maar daarnaast heeft toch ook de kerk nog hare rechten en behoeften. En deze worden gehandhaafd en bevredigd door hoogleeraren, die vanwege de kerk worden aangesteld, in de dogmatische en practische vakken onderwijs geven en opleiding tot den dienst in de kerk zich ten doel stellen. Er is dus onderscheid tusschen systematische theologie en dogmatiek. Gene kan deze niet vervangen. De dogmatiek rekent met de behoeften der kerk en sluit zich aan bij hare belijdenis; maar de systematische theologie zoekt naar de waarheid en vatsaam, wat het vergelijkend historisch onderzoek der godsdiensten aangaande het wezen, den oorsprong en de waarheid der religie aan het licht heeft gebracht.


Er is tegen dit dualisme, hoe goed bedoeld het ook zij, allerlei ernstig bezwaar in te brengen. In de oudste Christelijke tijden werd soortgelijke onderscheiding door de gnostiek voorgesteld tusschen esoterische en exoterische leer; in de Middeleeuwen eindigde de scholastiek in sommigen van hare vertegenwoordigers met de leer eener dubbele waarheid. Maar |29| beide malen heeft deze scheiding geen vrede maar strijd gebracht en geloof en wetenschap steeds verder van elkander vervreemd. En het is gemakkelijk in te zien, dat het dualisme in den nieuweren tijd geen andere vruchten zal dragen.

Immers is het duidelijk, dat de exegetische en historische vakken der theologie, losgemaakt van elke metaphysische onderstelling, en vermeerderd met de studie der godsdiensten, als zoodanig en zonder meer geen aanspraak kunnen maken op eene zelfstandige faculteit. Hiertoe is toch een eigen, bijzonder object van noode. En dit ontbreekt, als alleen de godsdienst als historisch en psychologisch verschijnsel voorwerp van onderzoek is, wijl zoodanig onderzoek, evenals van taal en geschiedenis, behoort te geschieden inde faculteit van letteren en wijsbegeerte.

Voorts is het onmogelijk, om eenig wetenschappelijk onderzoek, laat staan dat van den godsdienst en allerminst dat van de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds en van de historie der Christelijke kerk van alle geloofsonderstelling los te maken en naar zuiver inductieve methode in te stellen. De voorstanders van het dualisme blijven hierin zich zelf niet getrouw. Bernoulli acht de wetenschappelijke theologie gebonden door het geloof aan het bestaan van God. Troeltsch, hoezeer bij de studie der godsdiensten op toepassing van de historisch-inductieve methode aandringende, meent toch, dat de onderzoeker daarbij „überhaupt Sinn und Verständniss für das religiöse Leben” meebrengen moet; dat hij steeds begeleid moet worden van het geloof, dat de geschiedenis geen spel is van eindelooze varianten, dat aan alle godsdiensten eene werkelijke gemeenschap met God ten grondslag ligt, die in steeds hooger vormen zich openbaart en in het Christendom haar zuiverste uitdrukking vindt. |30|

Wie echter in den godsdienst eene mystieke Godsopenbaring aanneemt, wie de religie niet voor eene illusie maar voor eene realiteit houdt, wie in de geschiedenis der godsdiensten een gestadigen vooruitgang opmerkt en in het Christendom den hoogsten godsdienst eert, dankt dit alles, hoe veel of hoe weinig het zij, niet aan onbevooroordeeld historisch onderzoek, maar aan de religieuze overtuiging, welke hij langs anderen weg heeft verkregen en bij het onderzoek heeft medegebracht.

Al is die overtuiging nog zoo vaag en algemeen, zij is in geen geval product van empirie en inductie, maar vruchtvan onbewezen en onbewijsbaar geloof. Anderzijds is de eisch, in naam der wetenschap gesteld, om bij de studie der godsdiensten van elke zoodanige geloofsovertuiging zich te ontdoen, zoowel theoretisch onhoudbaar als practisch onuitvoerbaar. Zoogenaamde onpartijdigheid is een vorm, waaronder de meest besliste partijdigheid zich verbergt. Men kan evengoed een blinde laten oordeelen over de kleuren en een doove over de toonen der muziek, als het onderzoek der godsdiensten opdragen aan een mensch, wien alle religieuze zin ontbreekt. Korten tijd geleden zeide Hans von Schubert nog terecht: „wer von Busse, innerer Beugung und Verzagtheit, von Gnade und Freude in Gott gar nichts weiss, wie soll er sich in die inneren Erlebnisse eines Luther hineinversetzen können, aus denen eine Welt geboren wurde”? Indien echter zulk een godsdienstige gezindheid ook bij het strengste wetenschappelijk onderzoek in de theologie, vanzelf sprekende onderstelling en noodzakelijk vereischte is, dan doet zich de vraag voor, of iemand gansch in het algemeen zin voor en verstand van het religieuze leven hebben kan, zonder tegelijk met beide voeten in eelie bepaalde religie te staan en daaraan beide |31| zijne godsdienstige voorstellingen en aandoeningen te danken te hebben?

Van de zijde der wetenschap stuit de voorgestelde scheiding dus op onoverkomelijke bezwaren. Maar zij lokt niet minder ernstige bedenkingen uit, wanneer zij bezien wordt van uit het standpunt der kerk en der belijdenis. Immers is bij dit dualisme de studie der godsdiensten, van de Schrift en van de historie der kerk de eigenlijke, wetenschappelijke theologie, met volle recht opgenomen in den universitairen kring. Zij ziet, naar de omschrijving van Lagarde, de religie van elke bijzondere godsdienstige gemeenschap aan als eene van de vele zijden der religie, welke door die andere zijden aangevuld en verbeterd moet worden. Zij oefent eene vrije critiek op de ontwikkeling van alle bijzondere godsdiensten, wijst hare gebreken aan en leert onderscheiden tusschen liet eeuwige en het tijdelijke. Maar de kerkelijke theologie staat daarnaast, gebannen van de universiteit, met de schande der onwetenschappelijkheid beladen en alleen nog vanwege de kerk in een seminarie gedoceerd. Hiermede nu kan en mag de kerk niet tevreden zijn. Uit allerlei practische overwegingen moge zij zulk een toestand tijdelijk aanvaarden en duiden; zij kan dien nooit systematiseeren, zonder aan het absoluut karakter des Christendoms en aan de katholiciteit van haar eigen belijdenis afbreuk te doen. Want dit doende, zou zij het stilzwijgend goedkeuren, dat het openbare leven in staat en maatschappij, in wetenschap en kunst zich voortbewoog en ontwikkelde buiten het Christendom om; dat cultus en cultuur, kerk en wereld, geloof en wetenschap steeds onverzoend naast elkander bleven staan. En hoe zou dit de ware toestand kunnen zijn, als het ons ernst is met de belijdenis, dat Christus de eengeboren Zoon des Vaders is, de Overste van alle |32| koningen der aarde, het Hoofd der gemeente, in wien alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn.


Zoo talrijk en ernstig zijn de bezwaren tegen eene scheiding van wetenschappelijke en kerkelijke theologie, dat ook velen daartegen in verzet komen, die overigens volstrekt niet onder de confessioneele theologen te rangschikken zijn. Met name hebben vele leerlingen uit de school van Ritschl tegen Bernoulli en Troeltsch hunne stem verheven; en niemand minder dan Harnack voerde niet lang geleden een pleidooi tegen de omzetting der godgeleerdheid in godsdienstwetenschap en vóór het behoud der oude theologische faculteiten. Met dankbaarheid kunnen wij hier melding van maken, zonder daarom toch al te sterke verwachting te koesteren van den steun, die ons van deze zijde geboden wordt.

Want in de oppositie tegen de „religionsgeschichtliche” methode worden zij toch weer door hun eigen beginselen verzwakt. Ofschoon aan de eene zijde op grond van hunne religieuze ervaring aan het absoluut karakter des Christendoms vasthoudende, huldigen zij aan den anderen kant toch philosophische en critische beginselen, die het getuigenis van hunne godsdienstige ervaring niet onaangeroerd kunnen laten en het hoe langer hoe meer van zijn inhoud en waarde berooven. De leer van de onkenbaarheid Gods kan nergens anders op uitloopen, dan op de verwijdering der theologie uit den cyclus der wetenschappen en uit den kring der universiteit. De scheiding tusschen theologie en metaphysica ontneemt aan eerstgenoemde haar bestaansrecht als wetenschap. Als de theologie geen theologie meer is in eigenlijken zin, als zij niet is en wezen kan kennisse Gods op grond van en uit zijne openbaring, dan moet zij wel, om nog een tijd lang |33| haar leven te rekken, den godsdienst als psychologisch en historisch verschijnsel tot voorwerp van onderzoek kiezen, maar daarmede ook aan het Christendom het absoluut karakter ontzeggen, waarmede het in de wereld en tegenover iederen mensch optreedt. Als het geloof geen kennis meer is, maar enkel vertrouwen des harten en stemming des gemoeds, dan wordt het van heel zijn inhoud beroofd. Als de „Werthurtheile” van de „Seinsurtlieile” worden losgemaakt, verliezen zij hun grondslag in de werkelijkheid en worden eene vrucht der verbeelding. Godsdienst komt dan met ideaalvorming op ééne lijn te staan.

Feitelijk past dan ook de school van Ritschl in de exegetische en kerkhistorische vakken schier zonder voorbehoud de inductieve methode toe, en laat aan de dogmatische theologie niets anders over dan den geringen inhoud eener op allerlei wijze beperkte, religieuze ervaring. Zij behoudt wel hare plaats in den kring der theologische wetenschap, maar nadat zij zoo goed als geheel onschadelijk is gemaakt, van haar samenhang met en haar invloed op de wetenschap is beroofd, en tot een onschuldig getuigenis van persoonlijk geloof is ingekrompen. Het is naar hunne meening der dogmatiek niet zoozeer om waarheid, als wel om stichting te doen. Zij heeft geen theoretisch, maar een practisch doel. Hare bestemming is niet vermeerdering onzer kennis, maar bevordering van ons heil. Daarom mag en kan ze niet anders bevatten dan een persoonlijk geloofsgetuigenis. Zij is geene uiteenzetting van de waarheid Gods, maar eene beschrijving van de religieuze ervaring van den Christen. En wijl het geloof geen voor waar aannemen maar alleen eenvertrouwen des harten is, kan de dogmatiek naar het woord van Ritschl, geen anderen inhoud hebben, dan „was in der Predigt und |34| in dem Verkehr der Christen untereinander verwertet werden kann.” Ze wordt ten slotte niet veel meer dan een collegium pietatis, dat een persoonlijk karakter draagt, op wetenschappelijkheid geen aanspraak maakt en naast de andere colleges, die de kennis vermeerderen, tot stichting en tot kweeking van vroomheid dient.


Er is aan deze ondermijning van godsdienst en godgeleerdheid alleen paal en perk te stellen, wanneer het „religionsgeschichtliche” standpunt met beslistheid voor het Christelijk-historische verwisseld wordt. Zoo is hier te lande in de vorige eeuw op allerlei terrein geschied. Oude en nieuwe wereldbeschouwing zijn over heel de lijn van het leven met elkaar in botsing gekomen. In de kerk — de actie van 1834 en 1886 was er de vrucht van. In de opvoeding der jeugd de Christelijke school kwam er door tot stand. In de staatkunde — de antirevolutionaire partij werd eruit geboren. In de maatschappij met hare ellenden en kwalen — het werk der Christelijke barmhartigheid werd erdoor ter hand genomen. Ofschoon alwat voornaam en machtig was, met minachting op heel deze beweging neerzag, is de negentiende eeuw toch niet alleen getuige geweest van de doorwerking der revolutionaire beginselen, maar ook van een krachtige ontwaking van het algemeen, ongetwijfeld, Christelijk geloof.

Ten slotte is deze Christelijke actie ook ondernomen op de erve der wetenschap. Evenals elders is er hier, metname ook in de theologie, tegen de revolutie geen ander redmiddel dan het Evangelie des kruises, dat den Joden eene ergernis en den Grieken eene dwaasheid is, maar dien, die gelooven, de kracht en de wijsheid Gods. Niet dat ook de godsdiensten der volken niet nauwkeurig en ernstig zouden |35| mogen en moeten onderzocht worden, maar dit onderzoek kan nooit de beoefening der godgeleerdheid vervangen of vergoeden. De studie van het historisch en psychologisch verschijnsel der religie is zonder meer geen theologisch vak, heeft van zichzelf op eene bijzondere faculteit geen aanspraak, en rechtvaardigt niet den naam van theologie, dien zij nog hier te lande geheel ten onrechte draagt.

Godsdienst en godgeleerdheid onderstellen iets anders en iets meer. Zij rusten beiden hierop, dat God bestaat, dat Hij zich openbaart, en dat Hij uit die openbaring voor den mensch in mindere of meerdere mate kenbaar is. Neem deze onderstellingen weg, en beide storten als een kaartenhuis ineen. Uit den mensch toch is de godsdienst noch historisch noch ook psychologisch te verklaren; men brengt het dan nooit verder dan tot eene afleiding van de religie uit causaliteitsdrang of uit noodgevoel, en dus tot de hypothese van een Opperwezen tot verklaring der wereld of tot een „Wunschwesen” ter bevrediging van ’s menschen behoeften. Maar wat zal men op dit standpunt zeggen tot hem, die meent elken godsdienst te kunnen ontberen en in de cultuur eene overrijke vergoeding vindt?

In het algemeen is er nu weinig tegen in te brengen, dat de wetenschap in haar geheel en iedere wetenschap in het bijzonder van eenige onderstellingen uitgaat. Feitelijk is dat toch het geval, hoe stout men het ontkennen moge. Zuiver empirisch gaat niemand te werk. Positivistisch in strengen zin is geen enkele wetenschap. De wetenschappelijke onderzoekers brengen bij het onderzoek altijd zich zelven mede; hoe hoog ontwikkeld zij wezen mogen, zij zijn en zij blijven menschen, met een hoofd niet alleen maar ook met een hart, met allerlei sympathieën en antipathieën, met onderscheidene |36| inzichten, vooroordeelen, neigingen, aspiraties, met een gansche godsdienstige of wijsgeerige wereld- en levensbeschouwing, die niet langs wetenschappelijken weg, maar door geboorte, opvoeding en omgeving in hen gewekt is en die hen bewust of onbewust bijblijft en begeleidt ten einde toe; niemand kan bij het binnentreden van studeervertrek of laboratorium zich van zichzelven ontdoen. Zeer terecht zeide de bekende schrijver Bettex nog onlangs: „Die ganze Theorie von der Voraussetzungslosigkeit der Wissenschaft beruht auf der grossen, falschen Voraussetzung, dass der Mensch voraussetzungslos sein könne”.

Alle onderzoek gaat voorts stilzwijgend uit van de vóór alles vaststaande geloofsovertuigingen, dat de waarneming door onze zintuigen betrouwbaar is, dat de wereld buiten ons een objectief bestaan heeft, dat de wetten van het denken ons tot de waarheid leiden, dat er overeenstemming is tusschen denken en zijn, tusschen subject en object, tusschen geest en stof, eene overeenstemming, die voor geen bewijs vatbaar is maar die alleen in eene gemeenschappelijke herkomst uit één en denzelfden Logos hare verklaring vindt.

Bij het onderzoek bedient zich ieder man van wetenschap niet alleen van zijne lichamelijke zintuigen, maar hij gebruikt ook zijn verstand en zijn rede, zijn geheugen en verbeelding; hij neemt nooit alleen waar, maar denkt in en onder de waarneming en komt juist door dat denken de waarheid op het spoor. Want het is der wetenschap nooit alleen om empirische kennis, om een eindeloozen catalogus van verschijnselen te doen, maar zij zoekt uit het bijzondere tot het algemeene, uit de verschijning tot het wezen, uit de schijnbaar toevallige reeks der verschijnselen tot de deze alle beheerschende wet door te dringen. Rerum cognoscere causas is |37| het kenmerk van alle ware wetenschap. Maar daarom kan het onderzoek nooit zuiver empirisch zijn. Met de inductieve gaat steeds in meerdere of mindere mate de deductieve methode gepaard. De wetenschappelijke onderzoeker opereert altijd, of hij wil of niet, met begrippen als ding en eigenschappen, wezen en verschijning, zijn en worden, oorzaken en gevolgen, stof en kracht, welke al te zamen eene gansche metaphysische wereld uitmaken; en hij tracht de wetenschap vooruit te brengen, volstrekt niet alleen door het vermeerderen van het waargenomen aantal verschijnselen, maar veel meer nog door het stellen van hypothesen, die de verschijnselen moeten verklaren. De rijkste gedachten, de stoutste concepties, de belangrijkste ontdekkingen zijn in de wetenschap, evenals elders, vrucht van imaginatie, van intuitie, van divinatie geweest. Alle mannen van naam hebben de vruchtbaarste oogenblikken van hun leven aan de leiding eener hoogere macht dank geweten.


Indien bij de wetenschap in het algemeen de „Voraussetzungslosigkeit” reeds onbestaanbaar is, dan springt bij de studie van den godsdienst hare ongerijmdheid nog te meerin het oog. Wel keurt Tiele het af, dat bij dit onderzoek een ideaal begrip van godsdienst voorop wordt gesteld. Maar hij wijst de gronden niet aan, waarop dit oordeel rust. Het valt trouwens ook moeilijk in te zien, waarom bij het vergelijken en keuren van verschillende metalen, die zich voor goud uitgeven, het meebrengen van een echten toetssteen als iets onwetenschappelijks te verwerpen zou zijn. De voorstanders van de moderne godsdienstwetenschap stemmen dit zelven tegenwoordig tot op zekere hoogte toe. Zij achten in den beoefenaar dier wetenschap religieuzen zin onmisbaar. Alleen laten zij na, te bepalen, waarin deze bestaat. En zoo heeft |38| het allen schijn, alsof de eisch van eene vage, religieuze gezindheid alleen de strekking heeft, om aan elke besliste, positieve geloofsovertuiging bij de beoefening der godsdienstwetenschap het zwijgen op te leggen. Deze schijn wordt nog daardoor versterkt, dat het zoogenaamd gansch onpartijdig ingestelde, historische onderzoek naar de verschillende godsdiensten ten slotte toch altijd datgene als wezen der religie te voorschijn doet komen, wat van te voren als zoodanig reeds aangenomen werd.

Het wezen der religie blijkt bijv. bij Tiele aan het einde juist in die onbepaalde gemoedsstemming te bestaan, welke aan het begin tot uitgangspunt en leiddraad gekozen werd. Maar daarbij blijkt tevens op verrassende wijze, dat het beginsel tot gansch onaannemelijke gevolgtrekkingen leidt. Men kan n.l. wel beproeven, om uit den godsdienst heel de religio objectiva als onverschilligen, wisselenden vorm te elimineeren, en hem alleen in eene zekere vrome gemoedsstemming te laten opgaan. Maar ten slotte moet men daarbij, voor de macht der feiten bezwijkende, toch weer op zijne schreden terugkeeren. Er dient toch aangewezen te worden, waarin de vrome gemoedsstemming van allerlei andere verschilt. Zoo ziet zich Tiele genoodzaakt om, na eerst het wezen der religie in de vrome gemoedsstemming te hebben gezocht, vervolgens het wezen van die gemoedsstemming als adoratie van den Allerhoogste te omschrijven. Vaag moge deze omschrijving zijn, zij bewijst toch, dat het objectieve in den godsdienst van veel te groote beteekenis is, dan dat het eenvoudig geignoreerd zou kunnen worden. Er is met andere woorden, ook volgens Tiele, geen godsdienst zonder God. Theologie in eigenlijken zin is het hart der religie; daarmede staat en valt ze. Wie aan de realiteit, wie aan de waarheid |39| der religie gelooft, moet van het bestaan Gods, van Zijne openbaring en kenbaarheid uitgaan.

De godsdiensten zelven verzetten zich ten stelligste tegen de neutraliteit, waarmede naar veler beweren hun onderzoek behoort te worden ingesteld. Indien de studie der godsdiensten iets aan het licht heeft gebracht, dan is het wel dit, dat de zoogenaamde godsdienstvormen door de belijders zelven nooit als onverschillig zijn beschouwd. Het indifferentisme der wetenschappelijke beoefenaars is met het voorwerp zelf van hun onderzoek in lijnrechten strijd.

Eene kleine aristocratische minderheid moge allen godsdienst overbodig en zelfs schadelijk achten, en met Bertholet aan de wetenschap genoeg hebben; tot dusver heeft er nooit eene menschelijke maatschappij zonder religie bestaan. En zoo ook moge de hedendaagsche wetenschap de verschillende godsdiensten als toevallige, wisselende vormen van ééne religieuze gezindheid beschouwen; de werkelijkheid leert gansch anders en het leven zelf spot met al zulke abstracte theorie. Geen overtuiging is, gelijk Overbeck reeds opmerkte, aan elken bijzonderen godsdienst meer wezenlijk eigen, dan dat hij de alleen-ware is. Alle godsdiensten, zoolang ze nog leven in de overtuiging der vromen, verklaren elkander voor valsch en bestrijden elkander ten bloede toe. De godsdienstoorlogen zijn de schrikkelijkste onder alle krijgen der menschheid. Wat wetenschap en kunst niet vermag, dat bestaat de religie; zij kweekt martelaars, die zonder aarzeling en met een psalm op de lippen den vreeselijksten dood tegemoet gaan. En zij kan dat alleen, omdat zij aan bepaalde voorstellingen en handelingen des menschen eeuwig welzijn, de zaligheid zijner ziel verbindt. Het gaat in den godsdienst altijd om het hoogste, dat er voor den mensch bestaat. Wat zou het hem baten, de |40| gansche wereld te winnen, indien hij zijner ziele schade leed?

Het wordt dan ook algemeen erkend en is niet wel voor tegenspraak vatbaar, dat elke godsdienst bepaalde voorstellingen insluit. Er is geen religie zonder eenige stemmingen des gemoeds, zonder een in- en een uitwendigen cultus, zonder een of anderen vorm van gemeenschap. Maar er is ook geen religie zonder eenige leer, zonder eene belijdenis over God en mensch, wereld en leven, zonde en verlossing. Hoe zou het daarbij dan mogelijk wezen, dat al die verschillende voorstellingen vormen zijn van één wezen, formuleeringen van ééne gemoedsstemming, dat zij alle tegelijk waar of valsch zouden zijn? Is het dan onverschillig, of men aan de godenwereld van den Olympus gelooft, dan wel op den Vader van den Heere Jezus Christus zijn vertrouwen stelt? Is het maar eene quaestie van vorm en van smaak, of men Buddha of Mohammed dan wel Jezus den Christus als hoogsten profeet erkent? Zelfs ten aanzien der kerken, die op een gemeenschappelijken Christelijken grondslag staan, is dit indifferentisme niet vol te houden. Het heilig avondmaal en de paapsche mis kunnen niet samengaan, en als verschillende uitdrukkingen van een en hetzelfde geloof beschouwd worden. Zij zijn logisch niet onverschillig; maar zij zijn het ook religieus en ethisch niet. De meening toch, dat het er niet op aankomt wat men gelooft, indien men goed leeft, is verouderd en ook door Rauwenhoff en Tiele prijsgegeven. Want om goed te leven, moet men weten, wat het goede is, en tot het doen van het goede in staat zijn. Goede vruchten zijn alleen van een goeden boom te verwachten.


Zoo gaat dus alle wetenschap van onderstellingen uit en is bepaaldelijk de studie der godsdiensten op het geloof aan |41| Gods bestaan, aan Zijne openbaring en aan Zijne kenbaarheid gebouwd. Maar wij mogen gerust nog een stap verder gaan. Gelijk heel onze cultuur, zoo is in het bijzonder de wetenschap niet slechts op algemeen godsdienstige, maar bepaald op Christelijke onderstellingen gebouwd. Tot onze geestelijke voorouders behooren Grieken en Romeinen, maar in de eerste plaats de Joden, uit wie de zaligheid is. Athene en Rome vormen met Jeruzalem het drietal steden, van waaruit het licht en de glans over ons Christelijk Europa is uitgegaan. Door deze drie volken heeft de Voorzienigheid Gods de grondslagen gelegd, waarop nog heden ten dage het gebouw van heel onze beschaving rust. Zij hebben ons de elementen verschaft, waaruit onze „einheitliche” wereld- en levensbeschouwing gevormd is.

Aan die factoren, bepaaldelijk aan het Christendom, danken wij het begrip der ééne, alles omvattende wetenschap. In het Oosten was godsdienst en wetenschap nog niet onderscheiden en kwam de laatste niet tot een zelfstandig bestaan. In de Grieksche philosophie kwam wel de idee der wetenschap tot ontwikkeling, maar was zij van haar oorsprong af in eene antithese tegenover den godsdienst bevangen, die voor beide verderfelijk was; omdat er geen verzoening tusschen beide gevonden kon worden, gingen zij beide in de duisternis van het scepticisme onder. Maar op de vraag: wat is waarheid? door het Heidendom in de volheid der tijden gesteld, gaf toen de Christus ten antwoord: Ik ben de waarheid en de weg en het leven. En met dien Eengeborene van den Vader tot centrum, met zijn woord tot een licht, kwam er op den grondslag van het monotheïsme eene „einheitliche” wereldbeschouwing, eene alles omvattende wetenschap tot stand, die in de universiteit, deze grootsche |42| schepping van het Christelijk geloof, hare belichaming vond.

Aan dat Christendom dankt ook de natuurwetenschaphaar aanzijn. Het was niemand minder dan du Bois Reymond, die het uitsprak: „Die neuere Naturwissenschaft, wie paradox dies klinge, verdankt ihren Ursprung dem Christenthum”. Het Woord Gods heeft toch eerst de ware idee van de natuur aan de hand gedaan, en den mensch in zulk eene verhouding tot haar geplaatst, dat zij hem tot haar navorsching de rechte vrijmoedigheid en de noodige belangstelling schonk. De natuur is voor den Christen en daarom voor ons heden ten dage geen voorwerp van afgodische vereering of schuwe vreeze meer, maar een werk van de handen des Scheppers, eene belichaming van de gedachten Gods, welke de naar Zijn beeld geschapen mensch geroepen is, denkend en kennend zich eigen te maken.

Evenzoo is ook de geschiedwetenschap eene vrucht van het Christelijk geloof. Beoefening der geschiedenis had er zeker ook reeds elders, voornamelijk in Griekenland plaats; maar ze was en bleef daar in nationale boeien gekluisterd en kon haar vleugelen niet uitslaan. Doch de Schrift heeft ons leeren kennen de eenheid van het gansche menschelijke geslacht, den raad Gods, die in de historie zich ontvouwt, het einde, waartoe alles medewerken moet. Staande aan den voet van het kruis, trok Paulus het eerst met vaste hand de lijnen eener wereldgeschiedenis, en meteen van eene geschiedenis, waarin iets geschiedt en iets wordt, n.l. het onbewegelijk, hemelsch koninkrijk.

Zoo mogen wij dus met vrijmoedigheid staande houden, dat heel onze cultuur en onze gansche, nieuwere wetenschap, al is het ook menigmaal zichzelve onbewust, op den grondslag van het Christendom rust. Wat de Christelijke religie ons schenkt, |43| dat is de idee der eenheid, welke de wetenschap altijd onderstelt, naar welke zij immer zoekt, maar die zij buiten Gods bijzondere openbaring nooit heeft gevonden; de eenheid van God, de eenheid der wereld, de eenheid der natuur, de eenheid der menschheid, de eenheid der geschiedenis, en in dat alles de eenheid der waarheid, die de rijkste verscheidenheid niet uitsluit maar uit zichzelve ontvouwt. En daardoor geeft de Christelijke religie ons die leiddraad in de handen, welke ons den weg doet vinden in den doolhof der verschijnselen. Daardoor wordt zij ons ten gids, welke veilig ons leidt door den chaos der gebeurtenissen heen. Daardoor is het, dat zij den mensch in de wereld orienteert, zoodat hij eenerzijds zich niet in die wereld verliest en toch andererzijds niet als een god zich boven haar stelt.


Dit alles zou de Christelijke religie niet kunnen wezen indien zij iets minder ware dan zij is, dat is met andere woorden, indien zij zich niet aandiende als de absolute godsdienst. Dat zij dit is, valt langs historischen of speculatieven weg nimmer te bewijzen. Troeltsch heeft dat terecht ingezien. Vergelijkend, historisch onderzoek kan hoogstens in het licht stellen, dat het Christendom de relatief hoogste van de tegenwoordige godsdiensten is, dat er thans feitelijk geen hoogere godsdienst dan het Christendom bestaat. Maar dat het Christendom de „endgültige” openbaring Gods is, dat Christus is de Eengeborene van den Vader, dat is niet te bewijzen, het is alleen eene zaak des geloofs. Natuur en geschiedenis geven zonder meer ons slechts relatieve grootheden te aanschouwen, zij doen ons geen absoluten maatstaf aan de hand. Dezen geeft alleen het geloof. Zoo is het op het gebied des rechts, der moraal, der aesthetica; zoo is |44| het ook op het gebied van den godsdienst. De absolute vormen, waarvan de wetenschap zich bedient, worden alle door haar aan het geloof ontleend.

In de theologie wordt dat hoe langer hoe duidelijker ingezien en erkend. Terwijl men vroeger de waarde der historischapologetische bewijzen overschatte, loopt men thans gevaar, ze al te gering te achten en in het ervaringsbewijs den eenigen grond voor de waarheid des Christendoms te zien. Ook hier is dus eenzijdigheid en overdrijving in het spel. Ervaring, bevinding is niet en kan nooit wezen de grondslag, de maatstaf, de kenbron der openbaring. Maar zij is toch wel de weg, waarin de Christelijke religie in haar absoluut karakter alleen door ons gekend en erkend worden kan. Of liever nog, de Christelijke religie, de openbaring Gods in het aangezicht van Christus, Zijnen Zoon, krijgt voor ons bewustzijn geen absolute zekerheid, dan alleen in den weg van het zaligmakend geloof. Indien de Christelijke religie de absolute religie is, is er geen andere weg. En omgekeerd, indien ze langs een anderen weg bewezen moest worden, zou zij daarmede ophouden, de absolute religie te zijn.

Van uit dit gezichtspunt bevreemdt het niet, maar is het veeleer volkomen natuurlijk, dat het Evangelie van Christus niet de minste poging aanwendt, om zichzelf voor ons menschelijk verstand te rechtvaardigen. Het getuigt, maar bewijst zichzelve niet. Het treedt op met gezag en vraagt erkenning, maar ziet er van te voren van af, om door kracht van wetenschappelijke argumenten onze toestemming te verwerven. Veeleer komt het er rond voor uit, dat het kruis van Christus dwaasheid moet toeschijnen aan de wijzen der eeuw, dat de psychische mensch de dingen des Geestes Gods niet begrijpt, en dat het bedenken des vleesches, als zijnde vijandschap |45| tegen God, zich Zijner wet niet onderwerpt en niet onderwerpen kan. Juist omdat de Christelijke religie als de absolute religie optreedt, eischt zij en moet zij eischen een gevangen leiden van al onze gedachten tot de gehoorzaamheid van Christus. Omdat zij de religie der genade, devolkomene „Erlösungsreligion” is, moet zij den mensch bevrijden van de zonde in haar ganschen omvang en met al hare gevolgen, dus niet alleen van de onreinheid des harten en de besmetting des vleesches, maar ook van de duisternis des verstands en de dwaasheid des geestes. Zij kan zich aan den natuurlijken mensch even weinig bewijzen, als het licht aan den blinde en het geluid aan den doove. Zij erkent zijn oordeel niet, en onderwerpt zich niet aan zijne uitspraak. Maar zij verheft zich hoog boven hem, en oordeelt zelve allen en alles. Christus is tot een crisis, tot een oordeel in de wereld gekomen, en brengt door zijne verschijning tusschen licht en duisternis scheiding teweeg.

Om als waarheid erkend te worden, stelt daarom de Christelijke religie aan ieder mensch den eisch, dat hij, ook als wetenschappelijk mensch, zichzelven verloochene en zijn kruis op zich neme. Om het koninkrijk der hemelen in te gaan en te zien, is er wedergeboorte van den ganschen mensch van noode. Om te bekennen, of Jezus’ leer uit God is dan wel of Hij uit zichzelven spreekt, is vooraf de gezindheid vereischte, om den wil des Vaders te doen. Om God te aanschouwen, moet er reinheid des harten zijn. De Christelijke religie heft dus eerst den mensch tot hare eigene hoogteop, neemt hem op in haar eigen kring, bestraalt hem met haar eigen licht; en dan vertoont zij zich aan hem in hare hemelsche wijsheid en in hare goddelijke kracht. In Uw licht zien wij het licht. Als onze oogen ontdekt zijn, aanschouwen wij |46| de wonderen van Gods wet. En dan worden wij tot oordeelen in staat. De natuurlijke mensch verstaat de geestelijke dingen niet en acht ze dwaasheid; maar de geestelijke mensch onderscheidt, onderzoekt en oordeelt en toetst alle dingen, terwijl hij het goede behoudt.


Ook wetenschappelijk heeft deze verandering van standpunt beteekenis. De Christelijke religie brengt eene eigene, gansch nieuwe beschouwing mede, over hemel en aarde, wereld en menschheid, natuur en geschiedenis, wetenschap en kunst, staat en maatschappij, leven en lot, zonde en dood, eeuwigheid en gericht. Ze brengt ook mede eene andere opvatting van den godsdienst, dan die heden ten dage gangbaar is. Als men moderne beschrijvingen van de religie leest, bijv. ook in het beroemde boek van H.S. Chamberlain over de negentiende eeuw, krijgt men den indruk, alsof zij het heerlijkste en liefelijkste is in den mensch en alsof er niets schooners en rijkers is dan zij. Men raakt niet uitgezongen van haar jubel en lof. Godsdienst is geen weten en geen doen, geen bekrompen leer, geen zelfverloochening des verstands, geen strijd des harten, geen binding van den wil, geen beteugeling van den hartstocht. Maar godsdienst is niets dan vrijheid en blijheid, zaligheid des gevoels, smeltend-weeke gemoedsstemming, weemoedvolle omarming van het heelal, devote adoratie van het allerhoogste. Men begrijpt, zulke beschrijvingen lezende, niet, hoe er onder beschaafden en onbeschaafden nog zoovele verachters van den godsdienst kunnen zijn.

Het gezonde realisme der Heilige Schriften staat tegen deze gevoelsromantiek lijnrecht over. De vroomheid van profeten en apostelen, zelfs de gehoorzaamheid van den Zoon |47| aan den wil des Vaders draagt een ander karakter. Zeker, er komen in het religieuze leven tijden voor, waarin het hart van zalige vreugde trilt en jubelend uitroept: wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde! Maar aan dezen triumfzang ging een zware zielestrijd vooraf; de danktoon volgde op de redding uit den nood; de jubelkreet steeg op uit het moegestreden hart, dat in zijne wederspannigheid gebroken werd en ten slotte Gods vriendelijk aangezicht in gunst over zich lichten zag.

Als godsdienst beschreven wordt, niet naar de wijsgeerige premissen van een eigenwillig verstand, maar naar het getuigenis der Schrift, naar de ervaring der vromen, naar de realiteit van het leven, dan is hij alles eerder dan eene aesthetische genieting of pantheïstische gevoelszwelgerij. De zuivere, de onbevlekte, de redelijke godsdienst is deze, lichaam en ziel te stellen tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande. Meent men nu, dat dat bij den mensch vanzelf spreekt, dat hij daartoe van nature gezind en bekwaam is, dat dit alles toegaat zonder ernstigen strijd? In God te gelooven tegen den schijn aller dingen in, Hem vast te houden als ziende den Onzienlijke, Hem aan te hangen met oprecht geloof, vaste hope en vurige liefde; en daarbenevens onze oude natuur te dooden, de wereld te verlaten, en in een nieuw godzalig leven te wandelen — zou dat tot stand kunnen komen door eene stemming des gemoeds, die verwant is aan den weemoed, door de zomeravondschemering in onze zielen gewekt? Wie het beweert, moet geringe kennis hebben, zoowel van God als van zijn eigen hart. Neen, omdat godsdienst geen betrekking is, door ons vrijwillig tot het geheel der dingen aangegaan en geregeld, maar een dienst, door God van ons gevorderd, een eisch, door Hem |48| ons gesteld, een plicht, door Hem ons opgelegd, daarom is alle ware godsdienst offerande, offerande van ons gansche hart en van heel onze ziel en van al onze krachten aan den wil van onzen hemelschen Vader. En omdat hij offerande is, is en blijft de godsdienst strijd tot het einde van ons leven toe. Want het vleesch begeert tegen den geest; en wat ik wil, dat doe ik niet.

Maar is dat nu alles? Zou godsdienst niets anders zijn dan gebod op gebod, en regel op regel, hier een weinig en daar een weinig? Hoe zouden wij, Christenen, dat kunnen beweren, die staan in de vrijheid, met welke Christus ons vrij gemaakt heeft? Dat was de religie trouwens ook reeds niet geheel in de dagen des Ouden Testaments, toen de vreeze des Heeren met vreugde beleden werd als het beginsel van alle wijsheid, en de vromen zongen: hoe lief heb ik Uwe wet, zij is mijne vermaking den ganschen dag. Maar dat is ze vooral niet meer in de dagen des Nieuwen Verbonds, waarin de geest der dienstbaarbeid tot vreeze heeft plaats gemaakt voor den Geest der aanneming tot kinderen. Religie is geen plicht alleen, ze is ook gezindheid en lust. Ze is eene zaak van het hoofd en van het hart, geloof en liefde, voorstelling en aandoening, theorie en practijk, leer en leven te zamen; een dienst zeer zeker, maar een dienst der liefde, die nimmer verdriet.

God gaf ons immers Zijn Woord niet alleen, maar ook Zijnen Geest. Het Woord is het eerste. Naar dat Woord moet heel ons denken en leven, moeten al onze gangen zich richten. Wat wijsheid zouden we hebben, als wij des Heeren Woord verwerpen? Indien wij niet naar de wet en naar het getuigenis ons aangezicht wenden, zullen wij nimmer den dageraad der kennis voor onze oogen zien opgaan. Alle |49| eigengerechtige godsdienst is den Heere een gruwel. Maar bij het Woord heeft God zelf Zijnen Geest gevoegd, opdat die ons verlichte en vernieuwe en een lust schonke, om naar al Zijne geboden te wandelen. En daarom is de Christelijke religie geen rechtheid van zin slechts maar ook reinheid van hart, geen kennis alleen maar ook vertrouwen; niet enkel eene voorstelling des verstands, maar ook eene genegenheid van den wil; geen verheldering van het bewustzijn slechts, maar ook eene omzetting van het zijn; eene zaak in één woord van den ganschen mensch, van lijf en ziel te zamen. Want wie in Christus Jezus is, is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.


Uit deze beide principia, uit de onderwijzing des Woords en uit de verlichting des Geestes, bloeit alle echte godsdienst op. Maar uit die beide wordt ook de ware godgeleerdheid geboren. Hierdoor treedt terstond hare eigenaardigheid als wetenschap aan het licht. Want de principia, uit welke zij opkomt, zijn niet generaal maar speciaal; het geloof is niet aller. Evenals de Christelijke religie, berust ook de Christelijke theologie op eene onderstelling, die niet vanzelf door ieder mensch aanvaard en erkend wordt. Indien onder wetenschap alleen datgene te verstaan ware, wat voor alle menschen vaststaat en door allen zonder onderscheid wordt aangenomen, dan spreekt het vanzelf en wordt het onzerzijds zonder eenige aarzeling toegestemd, dat de theologie er buiten valt en niet in eene universiteit maar alleen in eene vakschool thuisbehoort. Deze verwijdering uit den kring der wetenschappen zou de theologie zich zelfs eer moeten laten welgevallen, dan dat zij hare principia van hun speciaal karakter ging ontdoen en zichzelve naar zulk een |50| eng begrip van wetenschap ging conformeeren. Want dat doende, zou zij hare eere wegwerpen, hare natuur verloochenen en zichzelve doemen tot een wissen ondergang.

Op goede gronden wordt echter onzerzijds de eisch gesteld, dat zulk een beperkt begrip van wetenschap zichzelf herzie. Want wel is de wetenschap ééne, maar deze eenheid is geen eenerleiheid, ze sluit verscheidenheid niet uit. Gelijk er in den éénen kosmos allerlei onderscheid bestaat, van stof en geest, zienlijke en onzienlijke dingen, natuur en geschiedenis, noodzakelijkheid en vrijheid; zoo valt de ééne wetenschap in verschillende bijzondere wetenschappen uiteen, die alle naar gelang van hare speciale objecten, van eene bijzondere onderstelling uitgaan, eene eigenaardige methode van onderzoek toepassen en eene verschillende mate van zekerheid bezitten. Naarmate die wetenschappen van de stof tot den geest, van de natuur tot de geschiedenis, van de noodzakelijkheid tot de vrijheid, van de zienlijke tot de onzienlijke dingen zich verheffen en dus in belangrijkheid voor den mensch toenemen, speelt de subjectiviteit met haar overtuiging en neiging, met haar wereld- en levensbeschouwing er te grooter rol in. Wie aan deze subjectiviteit in de wetenschap het zwijgen wilde opleggen, zou niet alleen de theologie maar zou alle zoogenaamde geesteswetenschappen van de universiteit moeten verwijderen, en zou ten slotte in het gunstigste geval niets dan eene kleine groep van vakken overhouden, wier belang voor den menschelijken geest van zeer ondergeschikte beteekenis ware.

Boeleeren doet daarom de godgeleerdheid om de gunst eener toongevende wetenschap niet. Indien deze haar niet in hare rechten erkent en niet opneemt, gelijk ze is en zich aanbiedt, dan getroost zij zich ook den onwetenschappelijken naam en |51| schaamt zich het kruis van Christus niet. Maar toch zal zij zich niet uit den kring der wetenschappen en van de universiteiten laten verwijderen, dan onder zeer ernstig en met redenen omkleed protest. Met hare toestemming gebeurt het nooit. Want Christus, dien zij als het Hoofd der gemeente belijdt, is de Heere der heeren en de Koning der koningen. In Hem zijn alle schatten verborgen van wijsheid en kennis. Hij is de Koning der waarheid en daarom ook de Heer in het rijk der wetenschap. Het zou verraad aan de souvereine waarheid zijn, als de theologie vrijwillig van de erve der wetenschap zich terugtrok. En daarom, als de onderzoekers der eeuw het tegenwoordig uitroepen: zet de theologie eruit, dan verheft deze hare stem met kracht en eischt: zet gij liever de palen uwer wetenschap en de grenzen van uwe nauwe universiteit wat uit!

De wetenschap heeft daar zelve de rijkste baten van. Want alle wetenschappen, inzonderheid die, welke met de onzienlijke dingen in aanraking komen, rusten in zielsbehoeften, in algemeenmenschelijke overtuigingen, in geestelijke waarheden, die voor geen bewijs vatbaar zijn, maar waarvan wij ons toch niet kunnen ontdoen. Indien ons oog niet „sonnenhaft” ware, zouden wij het licht der zon niet kunnen zien. Indien wij in onze innerlijkste natuur niet meebrachten het besef van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waar en valsch, van schoon en onschoon, wij zouden deze niet in de wereld buiten ons ontdekken, en tegenover de verschijnselen en gebeurtenissen tot geen beoordeeling, tot geen vergelijking, tot geen waardeering in staat zijn. Het zijn deze zielsbeseffen, deze onmiddellijke en onbewijsbare overtuigingen, die door de Christelijke religie bevestigd, verhelderd, gezuiverd worden. Zij krijgen in de theologie een houvast, een steunpunt, een |52| ankergrond. Door haar worden ze te midden der stormen van twijfel en twijfelzucht voor verzwakking, voor uitslijting, voor ontworteling behoed. Het is de theologie, die in den kring der wetenschappen, den zin voor de geestelijke dingen, het geloof aan eene andere en betere dan deze stoffelijke wereld, de liefde tot eene boven de werkelijkheid uitstralende, onvergankelijke waarheid en schoonheid, in één woord het gezonde, krachtige idealisme staande houdt.


Omdat de godgeleerdheid wetenschap is en wezen wil, is zij van den godsdienst onderscheiden. Beide verhouden zich echter niet als „statutarische” en „Vernunftreligion”, als aanschouwing en begrip, als onbewust gevoel en bewuste beschrijving, als leven en leer, als object en subject van wetenschap. Want alle godsdienst sluit, behalve aandoeningen des gemoeds, ook voorstellingen des verstands in. En bepaaldelijk is het Christelijk geloof, dat het subjectieve principe van het religieuze leven is, niet alleen een vertrouwen des harten, maar ook en zelfs in de eerste plaats eene zekere kennis van wat God geopenbaard heeft in Zijn Woord. Zeer terecht is door Voetius opgemerkt, dat wij de mate van kennis niet kunnen aanwijzen, die tot zaligheid onmisbaar noodig is. Maar dat neemt toch niet weg, dat kennis, geestelijke kennis, in welke geringe mate dan ook, een wezenlijk, onmisbaar element is van het zaligmakend geloof. Het volgt geen kunstelijk verdichte fabelen na, maar het heeft zijne basis toch in de historie, het rust op eene openbaring van woorden en daden Gods. Het is geen fides implicita, maar het weet, in wien het gelooft.

En ook biedt de Christelijke religie zich niet aan de theologie aan, om door haar van haar bestaansrecht verzekerd |53| en ten aanzien van haar inhoud gerechtvaardigd te worden. Want het Christelijk geloof is volkomen zeker van zichzelf en sluit allen twijfel uit; het is een vaste, onwankelbare kennis van wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard; omdat het rust op dat Woord, is het ten slotte, als het er op aankomt, van kerk en dienaar, van theologische school en theologische faculteit onafhankelijk; het maakt den Christenmensch van alle schepselen vrij, om hem te binden aan God en Zijne openbaring alleen.

Maar desniettemin is de godgeleerdheid van den godsdienst in belangrijke punten onderscheiden. Want het Woord Gods, waaraan beiden hun inhoud ontleenen, is niet alleen een stichtelijk boek, dat tot vertroosting der ziel gelezen kan worden. Het is geen middel slechts tot kweeking van vrome gemoedsaandoeningen. Maar het is een Woord, van God uitgegaan, eene mededeeling van goddelijke gedachten, nuttig tot leering en tot wederlegging, evengoed als tot verbetering en onderwijzing. En de Heilige Geest, die bij dat Woord zich voegt, is niet alleen de werkmeester van wedergeboorte en geloof, maar Hij is ook de Doctor ecclesiae, die gaven van wijsheid en kennis mededeelt en in al de waarheid van Christus leidt.

De theologie komt daarom niet op uit het geloof als zoodanig. Want eeuwen lang heeft de kerk zonder theologische wetenschap bestaan, en nog leven er duizenden vromen, die van godgeleerdheid geen begrip en aan hare beoefening geen lust hebben. Maar evenals alle wetenschap, ontstaat ook de theologie uit dien drang naar kennen en weten, welke den menschelijken geest is ingeschapen en te zijner, dat is op Gods tijd tot ontwaking en tot werkzaamheid komt. Altijd en overal gaat de practijk aan de theorie, het zijn aan het bewustzijn vooraf. |54|

Eerst als er in de eerste levensbehoeften voorzien en aan de eerste levensvoorwaarden voldaan is, ontstaat bij een volk in een of anderen tijd beoefening der wetenschap. Zoo is het ook met de theologie gegaan. Zij is nog niet onder Israël opgekomen en zag ook het levenslicht nog niet in de apostolische eeuw. Want zoolang de openbaring zelve nog niet was afgeloopen, bestond er voor het denkend verwerken van haar inhoud de gelegenheid niet. Maar toen de openbaring voltooid en in de Schrift was neergelegd, toen de gemeente met dien schat van goddelijke waarheden de wereld inging en het bewustzijn herschiep, toen ontwaakte bij de mannen, door God met uitnemende gaven van kennis en wijsheid toegerust, de zucht en de drang, om dien schat der waarheid zich denkend eigen te maken en zich van zijn inhoud en waarde bewuste rekenschap te geven. Vrucht des geloofs is de godgeleerdheid dus zeer zeker, maar speciaal toch van het geloovige denken, van het door het geloof geheiligd verstand, van de ratio christiana.

Daarom komt aan de godgeleerdheid ook een eigen taak naast die van den godsdienst toe. Wetenschap is het altijd om kennis der oorzaken te doen. Zij rust niet in het dat, maar zoekt naar het waarom. Daargelaten of zij dit doel bereikt — alle wetenschap is een kennen ten deele; maar dit is toch het ideaal, dat zij zich voor oogen stelt en dat zij najaagt met ingespannen kracht. Zij stelt zich niet tevreden met eene dorre opsomming van verschijnselen en feiten; maar zij speurt in het bijzondere het algemeene, in de verschijning het wezen, in het toevallige den regel, in het reëele de idee, in het zijnde den logos na. Als deze gevonden is, vloeit haar beoefenaar zijns ondanks het dankbaar en triumfeerend „heurèka” van de lippen. Want in den chaos ordende |55| zich de kosmos voor zijn geest; in de duisternis der verwarring ging het licht der gedachte voor zija bewustzijn op.

Zoo is het ook met de theologie. Zij weet wel, dat zij nooit haar doel bereiken en hier op aarde steeds een kennen ten deele blijven zal. Maar zij rust niet en kan niet rusten in de woorden en daden Gods, gelijk ze daar in schijnbare verwarring voor haar uitgespreid liggen in de openbaring. Zij neem deze aan door het geloof en komt dit standpunt des geloofs ook nimmer te boven. Maar evenals Augustinus door een brandenden dorst naar waarheid verteerd werd, zoo wordt zij door een innerlijk zielsverlangen voortgedreven, om al die woorden en daden Gods in te denken, om haar samenhang op te sporen en om ze alle saam af te leiden uit en heen te leiden naar het goddelijk wezen, dat de oorsprong en het einde van alle dingen is. Theologisch is ze dus, van het begin tot het einde; van God gaat ie uit, tot Hem keert ze weer; zij heeft geen rust, voordat zij ruste gevonden heeft in Hem.

Om die ruste te vinden, acht de theologie geen moeite te groot en geen inspanning te zwaar. In den loop der eeuwen heeft zij zich uitgebreid tot eene breede groep van vakken, die alle door de idee der kennisse Gods worden beheerscht en zich organisch scharen rondom het centrum van Gods openbaring heen. Evenals God ons op geen enkel gebied het gesneden brood in den mond legt, maar de tarwe laat groeien, opdat wij deze tot brood bereiden zouden; zoo heeft Hij ook gewild, dat wij als theologen arbeiden zouden in het zweet van ons aanschijn en met behulp van logica en psychologie, van historie en philosophie de schatten vermeesteren zouden, die in Zijne openharing verborgen zijn. Van geen enkele wetenschap is de theologie vijandin; alle erkent en eert zij in hare zelfstandigheid; van alle maakt zij dankbaar voor haar |56| eigen ontwikkeling gebruik; en met zusterlijke genegenheid wil zij allen ten zegen zijn. Als wetenschap staat zij met de andere wetenschappen gelijk. Ook haar is het om den logischen inhoud, om de idee te doen, die aan het object van haar onderzoek in zijn ganschen omvang ten grondslag ligt.

Dat zij deze idee nog niet gegrepen heeft en nimmer hier op aarde grijpen zal, kan haar nimmer tot eenig verwijt strekken, evenmin als aan eenige andere wetenschap. Laat het dus zijn, dat zij uit speciale principia opgebouwd wordt; bij de verwerking van haar stof gaat zij toch op echtwetenschappelijke wijze te werk; en het doel, dat zij nastreeft, is van wetenschappelijken aard. Wetenschap is ze dus en mag ze heeten, niet alleen in hare exegetische en historische vakken, maar ook in hare dogmatische en practische vakken. Want de dogmatiek met name is geen beschrijving van vrome gemoedstoestanden, geen gebrekkige formuleering van hetgeloof der gemeente, veel minder nog eene stichtelijke toespraak op een collegium pietatis, maar uitstalling in wetenschappelijken vorm van de waarheid, door God in Zijn Woord geopenbaard, en daarom theologie, kennisse Gods, in den eigenlijken en echten zin van het woord.

Godsdienst en godgeleerdheid staan dus niet tot elkander als moeder en dochter, veel minder nog als dochter en moeder. Veeleer zijn ze twee, zusters, die elk in de huishouding van Gods kerk een bijzondere taak en roeping hebben te vervullen. Zij zijn aan Maria en Martha in het huisgezin van Lazarus gelijk. Maria had het goede deel gekozen, dat van haar niet zou weggenomen worden; en Martha was zeer bezig met veel dienens. Maar ook Martha diende den Heere. En Jezus had ze beide lief. |57|

Wederzijdsche zelfstandigheid doet echter ten slotte onderlintge verwantschap en samenwerking niet te niet. Godsdienst en godgeleerdheid zijn twee; wie ze verwart of vermengt, berokkent schade aan beide. Maar desniettemin zijn ze ten nauwste aan elkander verbonden; zij bestaan elkander in den bloede.

Wie de harmonie tusschen beide verbreekt en ze in vijandschap tegenover elkander plaatst, brengt beide om hare eere, maakt van de kerk een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is en van de school een worstelperk van geharnaste stelsels. De ware wijsheid bestaat daarin, dat men beide in hare zelfstandigheid en in hare wederzijdsche verwantschap eert. Gelijk het zelfbewustzijn, dat ieder mensch eigen is en hem de zekerheid verschaft van zijn eigen en van der dingen bestaan, desniettemin door den psycholoog in zijn wezen en werking nagespeurd wordt; gelijk de empirische kennis, door de aanschouwing van de natuur verkregen, voor het leven van de hoogste waarde is en toch in de natuurwetenschap opgenomen, uitgebreid en verhelderd wordt; zoo wordt de geloofsinhoud, die voor den eenvoudige volkomen zeker en tot zijn religieuze leven voldoende is, toch in de theologie voorwerp van wetenschappelijk nadenken. Beider verwantschap springt daarom duidelijk in het oog. Ze komen beide uit dezelfde principia op, n.l. uit de onderwijzing des Woords en de verlichting des Geestes; zij hebben beide qualitatief dezelfde materie, n.l. de kennisse Gods in het aangezicht van Christus; en zij stellen beide haar einddoel in de glorie van Gods naam. Binnen deze grenzen heeft elk haar eigen leven en beweging; maar door die grenzen worden zij ook beide in haar wezen en werking bepaald.

Onontbeerlijk zijn ze daarom de eene voor de andere. De |58| religie kan de theologie niet missen, omdat zij zonder het helderder, door deze ontstoken, licht in allerlei dwalingen van rationalisme of mysticisme verloopt. Alle leven heeft licht van noode voor zijn wasdom en bloei. Het volk heeft ten allen tijde en op ieder terrein aan gidsen behoefte, die het met bewustzijn doen treden in het rechte spoor. God heeft daar zelf in huisgezin, staat, maatschappij, in weten,schap en kunst, en zoo ook in de kerk rekening mede gehouden en er zorg voor gedragen. Hij gaf aan het volk Israël zijne priesters en profeten, aan de gemeente des Nieuwen Testaments hare apostelen en evangelisten. En Hij geeft nog altijd door aan de gemeente sommigen tot herders en leeraars, tot het werk der bediening, tot de volmaking der heiligen, tot opbouw des lichaams van Christus.

Dit zou niet alzoo behoeven te zijn, indien de godsdienst niets dan eene vage, romantische gemoedsstemming ware. Maar godsdienst sluit ook voorstellingen in; geloof is ook kennis; kennisse Gods, theologie dus in zekeren zin, is het hart der religie. God te kennen is het leven. Deze kennis is het, die voortdurend geleid, uitgebreid, verhelderd, des noodig naar het Woord gezuiverd en gereinigd moet worden. En daartoe is de theologie een van God verordend instrument. Alle secten, die de theologie verachtten en van geen opleiding voor den dienst des Woords wilden weten, zijn daarom na korter of langer tijd buiten het leven komen te staan, van allen invloed naar buiten berooid en meestal in onderlingen twist en langzame verkwijning te gronde gegaan.

Door de theologie blijft het religieuze leven zijn samenhang bewaren met de cultuur van zijn volk, blijft het positie nemen op de hoogte van zijn tijd, houdt het verband met land en volk, met wetenschap en kunst, met staat en |59| maatschappij, met alle nationale en internationale bewegingen vast. Door de theologie als wetenschap worden voor de kerk des Heeren dienaren des Woords gekweekt, die als echte theologen kinderen zijn van hun geslacht en hun eeuw.

Omgekeerd is ook de religie voor de theologie onmisbaar. Nooit en nergens is de theologie buiten de religie om ontstaan; deze is, indien niet de wortel, waaruit zij opwast, dan toch de bodem, waaruit zij haar beste levenssappen trekt; het milieu, waarin zij alleen tieren en bloeien kan. Zelfs draagt alle theologie daarom een kerkelijk en een confessioneel karakter. Eene „ausserkirchliche” theologie, heeft Rolffs terecht gezegd, is evenmin mogelijk, als eene „ausserirdische” geographie. De ééne, heilige, algemeene, Christelijke kerk is er op aarde nog niet, zij is nog niet zichtbaar voor onze oogen gerealiseerd, maar zij is in de verschillende, meer of minder zuivere kerken aanwezig en komt door deze henen tot stand. Zoo ook laat de absolute theologie zich nergens op aarde aanwijzen, maar zij gaat door de onderscheidene meer of minder zuivere theologische ontwikkelingen heen hare eindelijke verwezenlijking te gemoet. Eerst in de gemeenschap van alle heiligen is de lengte en breedte, de diepte en hoogte der liefde van Christus te verstaan.

Aan hare wetenschappelijkheid behoeft dit confessioneel karakter geen afbreuk te doen. Immers, ook de wetenschap is nergens te vinden. Wij gelooven aan hare idee, wij aanschouwen haar voortgang, wij hopen op hare toekomst. Maar zij is op aarde in geen enkele school belichaamd, zij heeft niemand aangesteld tot haar onfeilbaar orgaan. Er zijn slechts menschen, en geslachten en groepen van menschen, die, door innige waarheidsliefde gedreven, haar zoeken en naspeuren, maar die zich daarbij vergissen en dwalen ieder oogenblik. |60| Elke wetenschap en elke universiteit vertoont daarom, in weerwil van haar kosmopolitisme, een nationalen stempel. En door die onderscheidene typen heen wordt naar Gods bestel dat beeld der ééne wetenschap afgewerkt, dat de ziel van elken onderzoeker bekoort.

Zoo ook streeft de godgeleerde met inspanning van alle krachten naar die ééne, heilige, algemeene Christelijke theologie, welke de gansche waarheid Gods in zich heeft opgenomen en haar op de schoonste, wijze voor het geestesoog uitstalt. Maar hij jaagt haar na, niet buiten maar binnen de gemeenschap des geloofs, in welke hij geboren en opgevoed en tot de belijdenis van den Christus geleid werd. Gelijk de algemeene menschenliefde niet strijdt met de vaderlandsliefde, maar de laatste een der vormen is, waarin de eerste zich openbaart; zoo behoort er harmonie te zijn tusschen de overtuiging, welke een mensch als theoloog en die, welke hij als lid zijner kerk belijdt. Een theoloog is en blijft ook een mensch, evengoed als elke man van wetenschap. En als zoodanig blijft hij voor zijn bestaan en leven aan dezelfde voorwaarden gebonden als ieder ander mensch. Hij is geen mensch in het algemeen, buiten en boven de werkelijkheid verheven, maar hij is kind van zijn tijd, burger van zijn staat, bewoner van zijn land, en zoo ook op godsdienstig gebied lid van eene bepaalde kerk en onderwezen in eene welomschreven belijdenis.

Bovenal heeft en houdt hij als godsdienstig wezen dezelfde behoeften, als elk van zijne naasten. Hij kan op geen andere wijze zalig worden dan ieder ander. De rechtvaardige, ook onder de godgeleerden, leeft alleen uit het geloof. Zooals de medicus, die zelf ziek werd, aan dezelfde behandeling zich moet onderwerpen, welke hij anders aan zijne eigene kranken voorschrijft, zoo is er voor den theoloog geen andere weg, |61| om tot vrede te komen, dan door datzelfde geloof, dat het deel is van alle kinderen Gods.

Een mensch en een Christen, een mensch en een theoloog strijden niet. En God beware er ons voor, dat wij, theologen wordende, in diezelfde mate zouden ophouden, menschen te zijn!

Daarom komt de theologie ook nimmer het standpunt des geloofs te boven. Desnoods kan het geloof de theologie ontberen. Maar de theologie kan zonder het geloof geen oogenblik bestaan. Dit is haar begin niet slechts, het is ook haar midden en haar einde. Boven haar ingang staat geschreven: God heeft het voor de wijzen en verstandigen verborgen, en heeft het aan de kinderkens geopenbaard. En tot die belijdenis keert de kundigste theoloog aan het einde van al zijne onderzoekingen terug. Van eene onderscheiding tusschen kerkelijke en wetenschappelijke, tusschen exoterische en esoterische sprake kan en mag dus nimmer sprake zijn. De pistis gaat hier op aarde nooit in gnosis over. Veeleer behoort als ideaal ons zulk eene theologie voor oogen testaan, die, terwijl zij kerkelijk is, toch niet slechts naar stichting en practische nuttigheid maar in ernst naar waarheid vraagt, — want anders zou zij geen theologische wetenschap zijnen ook niet metterdaad de kerk van Christus dienen; en die toch ter andere zijde als wetenschappelijke theologie methet Christelijk geloof, met de belijdenis der gemeente, met de leiding des Geestes in de geschiedenis der kerk rekening houdt — want anders zou zij zich van die levenssappen berooven, welke ook voor haar wetenschappelijken bloei onmisbaar noodig zijn.

Er vloeit hieruit voor den beoefenaar der godgeleerdheid de eisch eener kinderlijke bescheidenheid voort. Zeker, |62| theologie is wetenschap. Wij handhaven het tegenover alle bestrijders. Het is haar om kennis, om degelijke, betrouwbare, wetenschappelijke kennis van de goddelijke waarheid te doen. Zij is geen practische kundigheid slechts, zij heeft ook een theoretisch doel. Waarheid, afgedacht van alle nut, is altijd schoon, heeft altijd waarde, maakt altijd vrij. Maar elke wetenschap wordt in haar karakter door heur object bepaald. En het voorwerp, dat de theologie te onderzoeken heeft, is waarheid, goddelijke waarheid; maar het is ook eene waarheid, die voor het leven dient, die naar de godzaligheid is. Zij is ons niet gegeven tot ijdele bespiegeling, tot dwaze vragen en eindelooze geslachtsrekeningen, welke meer twist voortbrengen dan stichtinge Gods, die in het geloof is. Maar zij bedoelt eene kennis te kweeken, die, omdat zij den eenigen waarachtigen God en Zijn Gezalfde tot inhoud heeft, het leven zelf voortbrengt en voedt.

Religie, vreeze Gods moet daarom het element zijn, dat alle theologische onderzoekingen bezielt. Zij moet de polsslag zijn, dien men in ieder dogma zachter of luider kloppen hoort. Een theoloog is iemand, die zich onderwindt over God te spreken, omdat hij uit en door Hem spreekt. Theologie te beoefenen — het is een heilig werk; het is een priesterlijke dienst in het huis des Heeren; het is zelve godsdienst, een dienen van God in Zijn tempel, een wijden van verstand en hart tot de eere van Zijn Naam.




Mijne Heeren Directeuren. Vanwege de zedelijke gebondenheid, die ik gevoelde aan de Kerk, waarin ik geboren ben, en aan de School, die door haar werd gesticht, ontbrak mij in vroegere jaren de vrijheid, om eene benoeming, een |63| en andermaal door U op mij uitgebracht, op te volgen. Thans echter meen ik te mogen zeggen, dat aan de zedelijke verplichtingen, die te dezer zake op mij rustten, geheel en meer dan genoeg is voldaan. Hoezeer ik er dan ook diep leed over draag, dat ik niet op eene andere wijze en in een anderen weg aan deze Uwe stichting verbonden ben geworden, heb ik Uwe benoeming nochtans met volle vrijmoedigheid aangenomen en betuig ik U openlijk mijn dank, dat Gij deze benoeming op mij, evenals ook op mijn ambtgenoot Biesterveld, hebt willen uitbrengen.

Daar ginds, aan de Theologische School, was, naar ik meende, mijne taak afgedaan. Hier kom ik medewerken aan de verwezenlijking van een hoog ideaal. Het zal mij tot innige vreugde strekken, als ik naar de mate mijner krachten er eenigszins toe medewerken mag, dat onder Uw beleidvol en energiek bestuur het verband van belijdenis en wetenschap steeds helderder, zoowel theoretisch als practisch, in het licht worde gesteld; dat de verhouding van de Theologische Faculteit tot de Gereformeerde Kerken in deze landen voldoende en afdoende geregeld worde; en dat deze School, door eene spoedige en krachtige uitbreiding van het aantal bezette katheders in de onderscheidene faculteiten, hoe langer hoe meer rechtmatige aanspraak mag doen gelden op den schoonen naam, dien zij bij hare stichting ontving.

Mijne Heeren Curatoren. De vrijmoedigheid, waarmede ik de benoeming door Heeren Directeuren heb aangenomen, sluit niet uit, dat ik er meer, dan hier in het openbaar te zeggen valt, tegen opzie, om als hoogleeraar op te treden aan eene universiteit, die de beoefening der wetenschap in Christelijken, in Gereformeerden geest zich ten doel stelt. Te rade gaande met persoonlijke neigingen, arbeidde ik liever aan eene |64| kerkelijke School, die niet naar zulke hooge dingen streeft en minder zware verantwoordelijkheid op de schouders legt. Te sterker gaat mijn begeeren deze richting uit bij de gedachte, dat ik hier, aan deze Hoogeschool, geroepen word, een leerstoel in te nemen, die jaren lang bezet werd door den rijkst begaafden en veelzijdigsten man, welken God in de laatste halve eeuw aan de belijders van Zijn naam in deze landen schonk, en die eerst door hem verlaten werd, toen H.M. de Koningin hem tot hooger en gewichtiger werkkring riep. Zulk een man op te volgen, die op ieder terrein, dat hij betreedt, facile princeps is, moge anderen eene eere toeschijnen; mij is die eere te groot. Ik heb haar niet gezocht en zoek ze niet. Zij vervult mij meer met zorge dan dat zij mij aantrekt en bemoedigt.

Maar één ding, Mijne Heeren Curatoren, is er toch, dat mij bij het komen naar deze School en bij het bezetten van dezen katheder tot troost en sterkte strekt. Ik was voor U geen onbekende. Jaren lang hebt Gij mijn persoon en mijn arbeid, mijne wijze van denken en werken, kunnen gadeslaan. Als Gij dan desniettegenstaande er toe zijt overgegaan, mij evenals vroeger ter benoeming voor te dragen, dan moet Gij de overtuiging hebben gekoesterd, dat de mij toebetrouwde gave voor de Vrije Universiteit van eenig nut zou kunnen wezen. Voor dat vertrouwen breng ik U mijn oprechten dank; het zal mij steunen en sterken. Mijnerzijds beloof ik U, aan deze School te geven wat ik heb. Iets meer of iets anders te geven, daartoe ben ik niet gehouden en kan ik ook door niemand worden verplicht. Maar daarbij rekenende, dat wie geeft, wat hij heeft, te leven waard is, zal ik trachten door toewijding en inspanning de plaats mij waardig te maken, welke door Uwe goede zorgen mij werd aangewezen. |65|

Mijne Heeren Professoren. In Uw midden plaats nemende, weet ik, dat ik opgenomen word in een kring van mannen, die ik om hunne gaven hoog acht, maar ook van geestverwanten, die ik als broeders liefheb. Eene van de rijkste zegeningen van eene stichting als deze bestaat daarin, dat zij aan een kring van mannen de gelegenheid biedt, om van uit dezelfde beginselen en in dezelfde richting de wetenschap te beoefenen en de waarheid te dienen. Ik stel mij voor, dat, gelijk reeds Uwe werken tot dusverre, zoo in het vervolg nog meer de broederlijke omgang en het wetenschappelijk verkeer met U allen mij in velerlei opzicht tot voorlichting en leiding zal strekken.

Daarop reken ik vooral bij U, hoogleeraren in de Theologie, in wier kring ik ook met blijdschap U, mijn waarde vriend Biesterveld, zie opgenomen, die jaren lang in Kampen mijn ambtgenoot en in den laatsten tijd ook mijn deelnemende lotgenoot waart. Wij hebben met elkander eene schoone taak te vervullen, om n.l. in gemeenschap der gaven en der krachten te arbeiden aan den opbouw eener Gereformeerde theologie, die voor wetenschap en kerk in deze tijden gelijkelijk ten zegen kan zijn. Wij genieten daarbij het onschatbare voorrecht, dat wij met onze godsdienstige, zedelijke en wetensohappelijke overtuigingen niet tegenover de gemeente des Heeren staan. Wij zijn met haar één in belijdenis. Ook Wij kennen voor ons persoonlijk, voor ons huiselijk, voor ons maatschappelijk, voor ons kerkelijk en staatkundig, en zoo ook voor ons wetenschappelijk leven geen anderen naam onder den hemel, door welken wij moeten zalig worden, dan den naam van Jezus den Heere alleen. In al onzen theologischen arbeid zijn en blijven wij dus dienaren der gemeente om Zijnentwil. Maar haar dienende overeenkomstig Zijn |66| Woord, hebben wij ook de overtuiging, dat wij niet van de waarheid ons verwijderen, maar haar altijd dichter naderen zullen. Want alles is het eigendom der gemeente. Hetzij Paulus, Apollos of Cephas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn allen de hare, wijl zij Christi en Christus Godes is.

Mijne Heeren Studenten. Studeeren is een voorrecht en een eere, maar het is juist daarom ook een moeitevolle arbeid, een arbeid in het zweet des aanschijns. Indien ergens, dan groeien er op het uitgestrekte veld der wetenschap doornen en distelen overal, waar gij den voet zet. Al is het ook, dat gij uwe opleiding ontvangen moogt aan eene Universiteit, die op Gereformeerden grondslag staat, gij kunt en gij moogt, als Studenten aan zulk eene Hoogeschool, u niet afsluiten van de wereld, die van alle zijden u omringt. Dat wensch ik dan ook niet; maar wel is het mijne bede tot God, dat gij in die wereld bewaard blijft van den Booze, die het beide op uw belijdenis en op uw leven toegelegd heeft. Studeeren is strijden, met het hoofd niet alleen, maar ook met het hart; en ook hier is de overwinning alleen weggelegd voor dengene, die wettelijk, naar de hiervoor vastgestelde regelen strijdt. Verslapt dus niet in uw ijver, maar onderzoekt te dieper en te ernstiger, naarmate de waarheid moeilijker te vinden en te handhaven is, Neemt nooit in jeugdigen overmoed eene overijlde beslissing, maar stelt liever de beslissing uit, totdat gij door langdurig en nauwkeurig onderzoek tot oordeelen in staat zijt. Bedenkt steeds, dat de wetenschap nergens concreet hier op aarde te vinden is en geen enkelen geleerde of school aanstelde tot haar onfeilbaar orgaan, maar dat gij bijna altijd slechts te doen hebt met inzichten en meeningen van wetenschappelijke mannen, die onderling tot |67| in de kleinste bijzonderheden toe verdeeld zijn. Houdt er ook in uw studietijd rekening mede, dat het leven u vele dingen gansch anders zal laten zien dan de school. En houdt onder en bij alles het geloof vast aan het heilig ideaal, dat u hier bracht en het oog uwer ziel bekoort. Als God vóór ons is, dan is er niets te vreezen. Nil desperandum, Deo duce.

Inzonderheid geldt dit alles voor U, Studenten in de heilige godgeleerdheid. Niet omdat er voor u eene hoogere moraal dan voor anderen zou bestaan. Maar omdat het heilig land is, dat gij in de theologie met uwe voeten betreedt. Het is waarlijk geen blind vooroordeel of partijdige vooringenomenheid, die mij alzoo doet spreken; maar wat men ook anders zeggen moge, de theologie is de schoonste en heerlijkste van alle wetenschappen. Zij brengt u niet met de stoffelijke maar met de geestelijke, niet met de zienlijke maar met de onzienlijke, niet met de tijdelijke maar met de eeuwige dingen in aanraking. Door voorhof en heilige heen leidt zij u het heilige der heiligen binnen. En daar brengt zij u in kennis met de diepste problemen, ontsluiert u de verborgenste raadselen en ontvouwt u de heiligste mysteriën. Uit al het eindige doet zij u opklimmen tot het oneindige en eeuwige wezen Gods, opdat gij, ook voor uw denken, bij Hem ruste zoudt vinden en bij Zijn licht het wezen aller dingen zoudt bezien. Maar meer dan ergens elders is daarom dan ook hier het woord van kracht: indien gij niet gelooft, gij zult niet bevestigd worden. Tot het heiligdom der kennisse Gods ontsluit het geloof alleen den toegang; fides quaerit intellectum. Maar dat geloof leidt u dan ook tot een rijker en vrijer, tot een vruchtbaarder en heerlijker weten, dan op eenig ander veld van onderzoek te verkrijgen is. Het leidt u tot eene kennis, die God zelven, Zijne openbaring, Zijne deugden, Zijne werken tot inhoud |68| heeft en met de aanbidding en de verheerlijking van Zijnen naam samenvalt.

In dien Naam sta dan nu en te allen tijde Uwe en ons aller hulp en sterkte!



Ik heb gezegd.



a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000