Christelijke wetenschap

door Dr. H. Bavinck

Kampen. — J.H. Kok. — 1904.

a





Inleiding.

Er is in de laatste jaren een ernstig en krachtig streven ontwaakt, om ook de wetenschap wederom op te bouwen op den grondslag van het Christelijk geloof. Men kan in waardeering van dit feit verschillen, maar het bestaan ervan is boven alle tegenspraak verheven. De kring dergenen, die met de richting der hedendaagsche, toongevende wetenschap, zoo in practijk als in theorie, ontevreden zijn, neemt gaandeweg in uitgebreidheid toe. Er wordt door velen iets anders, een ander beginselen eene andere methode, bij de beoefening der wetenschap begeerd.

Ook over den oorsprong en het karakter van dit streven kan er geen verschil van meening bestaan. Voor ieder, die zien wil, treedt het helder aan den dag, dat het uitgaat van en geleid wordt door religieuze motieven. In naam van den godsdienst, in het belang van de Christelijke waarheid, ter overbrugging van de klove tusschen school en leven, ter verdediging van de belijdenis der gemeente wordt het wetenschappelijk onderzoek van onzen tijd in zijn beginsel, methode en strekking veroordeeld. Ook lofredenaars van de hedendaagsche wetenschap kunnen voor het religieus karakter van deze beweging de oogen niet sluiten. Eenigen tijd geleden legde Prof. Groenewegen te Leiden nog het merkwaardig getuigenis af: De godsdienstige reactie is in stilte voorgegaan, de openbare kerkelijk-politieke reactie is gevolgd. En nu moet ten slotte de wetenschappelijke dat streven bekronen en, als het kan, beveiligen en bevestigen. Niemand mag in deze inderdaad machtige reactionaire beweging het oorspronkelijk godsdienstig motief miskennen, dat er soms een eerbiedwaardig karakter aan verleent 1).

En zoo is het inderdaad. Toen de Christenen in de achttiende eeuw allengs in diepen slaap waren gezonken, is er plotseling |6| in het begin der vorige eeuw eene ontwaking gekomen en het Christelijk, het confessioneel en kerkelijk bewustzijn uit zijn dommel wakker geschud. En rondom zich ziende en merkende, hoeveel er door hen verzuimd en verwaarloosd was, zijn de geloovigen toen weer aan den arbeid getogen. In de kringen van den Réveil wijdde men zich vooral aan evangeliseerende en philanthropische werkzaamheden. De Scheiding nam de reformatie der kerk ter hand en herstelde ze op den grondslag der belijdenis. Op politiek terrein werd de strijd vooral aangebonden voor de Christelijke volksschool. En langzamerhand drong het besef door, dat ook op de erve der wetenschap de banier van het Evangelie moest worden ontplooid. Onder velerlei miskenning en smaad nam van Oosterzee de verdediging op zich van eene wetenschap des geloofs. De la Saussaye stelde moedig en beslist tegen het empirisme zijne ethische methode over. En sindsdien tijd nam de strijd tegen de ongeloovige wetenschap steeds principiëeler standpunt in. Aan de Theologische School te Kampen werd door de Gereformeerde Kerken de taak opgedragen, om de aanstaande dienaren des Woords te vormen door de wetenschappelijke studie der Theologie en de practische toebereiding voor de heilige bediening. De Vrije Universiteit te Amsterdam stelde zich de beoefening der wetenschap en de opleiding voor allerlei betrekkingen in het leven, in overeenstemming met de Gereformeerde beginselen, ten doel. Zoover zijn we thans reeds in ons vaderland gevorderd, dat een wetsvoorstel tot erkenning van bijzondere leerstoelen en van de graden van bijzondere universiteiten door de Regeering bij de Tweede Kamer ingediend, en door deze met 56 tegen 41 stemmen aangenomen werd. In hoe zwakke mate dan ook, er valt eene herleving van de Christelijke wetenschap te aanschouwen, die het hart met blijde hope voor de toekomst vervult.

Dit verschijnsel in ons vaderland is te merkwaardiger en wint aan beteekenis, omdat het niet op zichzelf staat. Ook elders zijn de teekenen van zulk eene wetenschappelijke beweging waar te nemen. Met name is er bij de Roomsche Christenen, vooral na de encycliek, door Paus Leo XIII den 4den Aug. 1879 uitgevaardigd |7| tot aanbeveling van de studie van Thomas, een ijver tot beoefening der wetenschap overeenkomstig diens beginselen ontwaakt, die geloovige Protestanten diep moet beschamen. Geen vak van wetenschap schier, dat onder hen niet zijne bekwame beoefenaren en vertegenwoordigers telt. In principiëele studiewerken en nauwkeurige détail-onderzoekingen wordt het Roomsche beginsel naar alle zijden op het terrein der wetenschap toegepast. Logica en psychologie, metaphysica en theologie, historie en litteratuur, jurisprudentie en sociologie worden op zoo degelijke wijze door hen beoefend, dat de tegenstander met hun arbeid rekenen moet. En al mag de antithese, die nu pas in het werk van Denifle over Luther weer zoo scherp aan het licht treedt, op geenerlei wijze worden miskend of verzwakt; desniettemin kunnen hunne wetenschappelijke studiën met groote winst geraadpleegd worden door allen, die nog staan op den grondslag van het algemeen, ongetwijfeld, Christelijk geloof.

Zelfs mogen wij nog eene schrede verder gaan en deze herleving van eene Christelijke beoefening der wetenschap in verband brengen met eene reeks van verschijnselen, die alle erop wijzen, dat de dagen van het positivisme geteld zijn. De leuze: terug naar Kant, heeft voor velen hare bekoring verloren. De wijsbegeerte van Hume en Comte maakt meer en meer voor die van Leibniz en Hegel plaats. Overal is er een terugkeer van het empirisme naar het idealisme te bespeuren; na de oppermachtige heerschappij van het verstand herneemt het gevoel zijne rechten, de theorie wijkt voor het leven en het rationalisme maakt baan voor de romantiek. In de kunst deed de mystiek hare intrede. In de natuurwetenschap aanschouwen wij eene kentering, gelijk die voor een tiental jaren nog onmogelijk scheen, Toen werd het materialisme voor de hoogste wijsheid gehouden en de mechanische wereldverklaring de eenig-wetenschappelijke geacht. Thans zijn wij er getuigen van, hoe velen van de uitnemendste natuurvorschers van het mechanisme tot het dynamisme, van het materialisme tot de energetiek, van de causaliteit tot de teleologie, van het atheisme tot het theisme terugkeeren. Nadat de dorst naar feiten aanvankelijk gelescht is, komt de honger naar |8| de kennis van den oorsprong en het doel, van de oorzaak en het wezen der dingen weer boven 2).

Natuurlijk komt deze merkwaardige omkeer in de wetenschap ook aan de religie ten goede. De tijd ligt nog niet ver achter ons, dat natuurwetenschap, historie en philosophie haar gelijkelijk het bestaansrecht betwistten. Haeckel meende nog voor enkele jaren, haar in zijne „Welträthsel” den doodsteek te hebben gegeven en de dogmata van God, ziel en onsterfelijkheid voor goed te hebben opgeruimd. Maar de ontvangst, welke aan dit werk in de wetenschappelijke kringen te beurt viel, bewees, dat hier de gedachten zich reeds in eene andere richting bewogen. De metaphysische behoefte ligt te diep in de menschelijke natuur, dan dat haar op den duur het zwijgen kan worden opgelegd. Niet alleen is de vergoeding, die men langs allerlei wegen, in spiritisme en theosophie, in menschheidsdienst en cultuurvergoding, in Buddhisme en Mohammedanisme, voor den godsdienst zoekt, een klaar bewijs van zijne onmisbaarheid. Maar er is in breede kringen een verlangen te bespeuren naar een min of meer positief, Christelijk geloof. Men is den twijfel en de onzekerheid moe. Tot onder de moderne theologen toe staan de mannen op, die aandringen op eene confessie en dogmatiek, op kerkelijke organisatie en eenheid van liturgiek 3). Het geloof aan de met zulk een hoog zelfbewustzijn opgetreden moderne cultuur is geschokt. De exacte wetenschap heeft niet |9| geleverd, wat munnen als Renan in jeugdigen overmoed van haar verwachtten. Zoo keert men, neen lang niet altijd in waarachtig berouw maar dan toch in moedeloozen twijfel, tot de eerst gesmade religie terug.

Een tijd, die zulke teekenen vertoont, mag voor de beoefening der wetenschap in Christelijken geest niet ongunstig heeten. Van belang is het daarom, om zichzelven en anderen, om vriend en vijand er helder rekenschap van te geven, wat onder zulk eene beoefening der wetenschap te verstaan zij. Met den dooddoener van reactionair dogmatisme is zij niet af te maken. Wie besef heeft van de macht van godsdienstige overtuigingen, wie de drijfkracht kent van beginselen, die wortelen in het leven, en wie daarbij de teekenen der tijden weet te duiden, kan zich aan de onderschatting van zulk eene ernstige en krachtige beweging niet schuldig maken, veel minder eene onverschillige houding er tegenover aannemen. Geloovige en ongeloovige, Christelijke en positivistische opvatting van de wetenschap staan lijnrecht tegenover elkander. Vergelijk is hier niet mogelijk, maar besliste keuze plicht. Doch daartoe is een helder inzicht in de eigenaardigheid van beide opvattingen een onmisbaar vereischte. |10|


*

Hoe het begrip eener Christelijke wetenschap opkwam.

Toen het Christendom door de prediking der apostelen voor nu meer dan achttien eeuwen zijne intrede in de wereld deed, trof het daar aan, niet alleen een machtigen staat en eene welgeordende maatschappij, maar ook eene hoog ontwikkelde cultuur. Toch waren de sporen van verval en ontbinding reeds aanwezig. Met name had de wetenschap haar bloeitijd reeds lang achter den rug, de denkkracht was uitgeput en tot geen scheppen van stelsels meer in staat. Eclecticisme en syncretisme lazen saam, wat er goeds bij verschillende richtingen op te merken viel. Mysticisme zocht in contemplatie en ascese een nieuwen weg naar het rijk der kennis. En scepticisme nam vertwijfelend of spottend de vraag op de lippen: wat is waarheid?

In die wereld van ongeloof en bijgeloof hebben toen de apostelen van Jezus de banier der waarheid geplant. De Christelijke religie is immers niet alleen de godsdienst der genade maar ook de godsdienst der waarheid; zij is het eene, omdat zij het andere is. Daarom is in de Heilige Schrift van de waarheid zoo menigmaal sprake; haar wezen en waarde wordt door heel de openbaring heen in het helderste licht gesteld. God zelf is de waarheid, de waarachtige, de wezenlijke God, in onderscheiding van alle schepselen, die geen bestand hebben in zichzelven; in tegenstelling vooral met de menschen, die leugenachtig, en met de afgoden, die nietigheid en ijdelheid zijn. En omdat God loutere waarheid is, enkel licht zonder duisternis; daarom is waarheid ook, alwat van Hem uitgaat, zijne woorden en werken, zijne paden en wegen, zijne rechten en geboden. Alwat Hij doet, staat op recht en waarheid pal als op onwrikbare steunpilaren Bepaaldelijk heet Christus als de hoogste en volkomenste openbaring Gods de weg, de waarheid en het leven. Hij is immers |11| het Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was, het beeld des onzienlijken Gods, het afschijnsel zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, in wien de volheid der Godheid lichamelijk woont en alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Wat niemand vermocht, heeft Hij gedaan. Niemand heeft ooit God gezien; de eengeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard; Hij heeft zijn naam ons geopenbaard en ons den Waarachtige doen kennen. En die verklaring van den naam des Vaders heeft Hij tot in den dood toe gestand gedaan; onder Pontius Pilatus heeft Hij de goede belijdenis afgelegd; Hij is de getrouwe getuige, de eerstgeborene uit de dooden. Zijn Evangelie is dan ook het woord der waarheid. En opdat wij dit Evangelie gelooven en verstaan zouden, heeft Hij den Heiligen Geest gezonden, die, als Geest der waarheid, ons in alle waarheid leidt en haar in onze harten betuigt en verzegelt. Wie dit Evangelie geloovig aannemen, zijn uit de waarheid, worden door de waarheid herboren, geheiligd en vrijgemaakt. Zij zijn in de waarheid en de waarheid is in hen. Zij spreken en zij doen de waarheid en hebben voor hare belijdenis zelfs het leven veil.

Machtig was de werking, die van dit Evangelie der waarheid uitging in de wereld der Heidenen. In eene maatschappij, welke door twijfel en ongeloof ondermijnd werd, traden de apostelen en straks met en na hen eene schare van mannen en vrouwen op, die er in het diepst hunner ziel weer van overtuigd waren, dat er eene absolute, volkomen betrouwbare waarheid bestond, dat deze in den weg des geloofs voor een ieder bereikbaar en kenbaar was, en dat zij leven, vrijheid en zaligheid schonk aan een iegelijk, die haar in gehoorzaamheid aannam. Wat hierin lag opgesloten, valt met geen woorden uit te spreken. Een gevoel maakte zich van de gemoederen meester, als den schipbreukeling overkomt, die, uit de golven gered, weer vasten grond onder zijne voeten krijgt. De twijfel maakte voor zekerheid, de vreeze voor vertrouwen, de angst voor ongekende blijdschap plaats.

De geschriften der eerste Christenen leveren daarvoor |12| overvloedig bewijs. Daarin spreekt zich hun vaste bewustheid uit, dat zij in het Evangelie van Christus de waarheid bezaten en met dien schat rijker waren dan alle onderzoekers der eeuw. Omdat de wereld met al hare wijsheid God niet had gekend, had het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking zalig te maken allen, die gelooven. God had de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen had Hij te niet gemaakt. De wijsheid der wereld was dwaasheid en ijdele philosophie gebleken, en het Evangelie openbaarde en bewees zich als de kracht en de wijsheid Gods. Zoo sprak de apostel Paulus, die er zijne eere in stelde, om alle gedachten en overleggingen des harten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus, en zoo spraken alle geloovigen na hem. Het Christendom was de ware philosophie, en de Christenen waren de echte philosophen, die het waarachtig zijnde kenden, die wisten wie God was, en die nu, met deze kennis toegerust, ook een ander en beter inzicht hadden in het wezen der wereld, van natuur en geschiedenis. Een hoog zelf bewustzijn was eigen aan de eerste Christengemeenten. Zij waren het volk Gods, het oudste volk der aarde, om wiens wil de wereld geschapen was, dat nu in de bedeeling des Nieuwen Verbonds alle tegenstellingen van Jood en Heiden, van Griek en Barbaar in eene hoogere eenheid verzoende, tot een wereldomvattende taak was geroepen en met Christus erfgenaam van alle dingen was 4).

Door deze overtuiging bezield, vormden de Christenen eene zelfstandige gemeenschap, met een eigen gedachtenkring en levenswijze, met een eigen wereld- en levensbeschouwing. Antithetisch stonden zij tegen de wereld over en hadden weinig met haar gemeen. Zij bestreden de afgoderij en den beeldendienst, het daemonengeloof en de tooverij, de menschvergoding en de keizervereering, de theaters en de spelen; zij gingen in tegen heel het denken, leven en streven van hun tijd. Maar bij deze antithese konden zij toch op den duur niet blijven staan. Paulus |13| had er reeds op gewezen, dat de geloovigen, als zij alle gemeenschap met de ongeloovigen wilden af breken, uit de wereld moesten gaan. En de onmogelijkheid daarvan werd, steeds dieper beseft. Zij trad ten volle in het licht, toen niet alleen slaven en slavinnen, maar ook heeren en vrouwen, kooplieden en handelaars, ambtenaren en regeeringspersonen, kunstenaars en wijsgeeren tot het Christendom overkwamen. De practijk der onthouding was toen niet houdbaar meer; er moest eene positieve regeling getroffen worden.

Ook op wetenschappelijk terrein ontstond daaraan weldra behoefte. Hier vooral was het moeielijk, om in den doolhof van stelsels en scholen den rechten weg te vinden. Geen wonder, dat velen verdwaalden en afweken ter rechter- of ter linkerhand. De Noord-Afrikaansche school, door Tertullianus vertegenwoordigd, stond aan den eenen kant; de heidensche litteratuur, zoo sprak zij, heeft geen waarde voor het leven en geen nut voor het Christendom, want zij is eene dwaasheid voor God gebleken. De philosophie is eene ijdele, wereldsche wetenschap, welke de Christen noch onderwijzen, noch beoefenen kan. Wat heeft Athene en Jeruzalem, wat heeft de akademie en de kerk, wat hebben ketters en Christenen gemeen? Wij hebben geen wijsbegeerte meer noodig na Jezus Christus en geen onderzoek meer na het Evangelie. Als wij gelooven, wenschen wij niets meer daarboven.

Vlak daartegenover stond de Alexandrijnsche school met hare leeraren Clemens en Origenes. Dezen zagen in het geloof een lageren trap van wetenschap, en streefden er dus naar, om het geloof tot kennis op te heffen en daardoor te volmaken. Gelijk de voortgang van het Heidendom tot het Christendom eene eerste, zoo was de ontwikkeling van het Christelijk geloof tot wetenschap eene tweede „heilzame verandering”. Want het geloof is het standpunt der vreeze, maar de kennis is het standpunt der liefde; het geloof is een kort begrip van het noodzakelijkste, de kennis is het vaste bewijs van het geloofde. Om nu dit geloof in kennis te doen overgaan, werd eenerzijds de heidensche wetenschap, als vrucht van den Logos, zoo hoog verheven, dat zij het Christendom naderde, en werd andererzijds de Christelijke waarheid, vooral door allegorische uitlegging der |14| Schrift, zoo gegeneraliseerd, dat zij harmonisch aan de Heidensche wijsheid zich aansluiten kon. Zoo kwam er eene typische bemiddelings-theologie tot stand, die de tegenstellingen uitwischte en noch aan de goddelijke waarheid noch aan de menschelijke wetenschap recht liet wedervaren.

Toch hebben beide deze richtingen in de Christelijke wereld steeds hare tolken en verdedigers gehad. Ten allen tijde zijn er geweest, die of naar de eene of naar de andere zijde overhelden; werelddienst en wereldvlucht, cultuurvergoding en cultuurverachting, Aufklärung en pietisme, rationalisme en mystiek wisselen in de geschiedenis elkander voortdurend af. Maar toch is het onjuist, eene van deze beide richtingen met de Christelijke waarheid te vereenzelvigen. En onhoudbaar is de bewering van Hatch en Harnack, dat het Christelijk dogma en de Christelijke theologie eene vrucht is van het huwelijk tusschen de Grieksche philosophie en het oorspronkelijk Evangelie. Zonder twijfel heeft de klassieke wetenschap aan de theologie hare diensten bewezen, en is de ontwikkeling van kerk en theologie, naar Reformatorische beginselen geoordeeld, lang niet zuiver en onfeilbaar geweest. Maar deze erkentenis verschilt nog hemelsbreed van de uitspraak, dat het dogma als zoodanig een werk van den Griekschen geest op den bodem van het Evangelie is geweest.

Immers hebben de Christelijke theologen, gewaarschuwd door de eenzijdigheid van Noord-Afrikaansche en Alexandrijnsche school, zich al zeer spoedig en met klare bewustheid rekenschap gegeven van de positie, welke de Christelijke waarheid tegenover de heidensche wetenschap had in te nemen. Zij kwamen weldra tot het inzicht, dat deze noch geheel te verwerpen noch geheel te aanvaarden was. Naar het woord van Paulus moest hier wel alles onderzocht, maar mocht alleen het goede behouden worden. Geliefd waren daarom de beelden, dat het volk Gods zich wel verrijken mocht met de schatten van Egypte en dat Salomo wel zijn tempel mocht bouwen met behulp der knechten van Hiram en van de cederen van den Libanon 5). |15|

Met name was het Augustinus, die nauwkeurig den te volgen weg aanwees en daarmee de grondlijnen trok voor eene Christelijke beoefening der wetenschap. Van der jeugd aan word hij door eene brandende liefde tot de waarheid verteerd. Hij was niet, als Lessing later, met het zoeken naar waarheid tevreden; het was hem om de waarheid zelve te doen. Nadat hij haar bij Manicheën en Sceptici, bij Plato en Plotinus tevergeefs had gezocht, vond hij ze eindelijk door de kerk in het Evangelie van Christus. En van stonde aan stelt hij nu twee kenbronnen der waarheid naast elkaar: het gezag en de rede. De wijsbegeerte is niet in staat, om ons de waarheid te doen kennen, welke wij noodig hebben; niet zoozeer, wijl het vermogen der rede zoo zwak en beperkt is, als wel, omdat de mensch door de zonde zoo bedorven is. Zijn trotsch, zijn eigenliefde staat vooral aan het vinden der waarheid in den weg. De wetenschap kan daarom slechts weinig en dat weinige nog slechts aan weinigen leeren. Zij weet den weg tot de waarheid niet, omdat zij Christus niet kent, en leidt daarom menigmaal op doolpaden. Dies heeft God nog een andere kenbron in de autoriteit gegeven. Omdat wij verstrikt zijn in het aardsche en van het eeuwige af keerig zijn, is het geloof noodig, als een „tijdelijk medicijn”, om ons de kennis der waarheid te schenken. Dat geloof is eene gave Gods. Hij werkt met zijn Geest in ons hart en beweegt er onzen wil toe, zoodat wij gansch gewillig gelooven; en dit kan ook niet anders, want niemand kan gelooven tegen zijn wil. Maar zelf is dat geloof eene werkzaamheid van het verstand, een denken met toestemming, eene daad van onderwerping, van nederigheid en ootmoed, en als zoodanig lijnrecht staande tegenover den trotsch en den hoogmoed der rede.

Dat geloof onderstelt nu zeer zeker reeds eenige kennis van het voorwerp des geloofs, want anders kon er van geloof geen sprake zijn. Maar deze kennis, die aan het geloof voorafgaat, draagt slechts een voorloopig karakter en is geen kennis in eigenlijken zin. Van veel meer belang is die kennis, welke op het geloof volgt en daaruit voortvloeit. Want het geloof streeft naar kennis en is een middel tot weten. Dat is reeds het geval in |16| de mundane wetenschappen, die, evenals de gansche menschelijke maatschappij, op geloof gebouwd zijn en daarvan moeten uitgaan. Doch inzonderheid geldt dit in betrekking tot die wetenschap, welke de kennisse Gods tot inhoud heeft. Hiervoor is de grondregel aangegeven in het woord van den profeet: indien gij niet geloofd zult hebben, zult gij ook niet verstaan. Wij gelooven de waarheid Gods, juist omdat wij ze niet begrijpen; maar door het geloof worden wij geschikt gemaakt, om ze te begrijpen. Geloof en wetenschap staan dus tot elkander in verhouding als ontvangenis en geboorte, als boom en vrucht, als werk en loon; het weten is de vrucht en het loon des geloofs.

Hiervan uitgaande, wekte Augustinus zichzelf en anderen op, om die waarheid, welke wij in het geloof reeds bezitten, nu ook met het licht der rede te bezien. God veracht de rede niet, dle immers zijne gave is. De heidensche wetenschap, hoe veelszins dwalende, zag toch eene schaduw der waarheid; zij putte uit de openbaring Gods in natuur en rede. En Christenen mogen en moeten daarom met het ware, dat in die heidensche wetenschap aanwezig is, hunne winste doen; zij behooren het zich als hun rechtmatig eigendom toe te eigenen. Hiermede in overeenstemming spande Augustinus al zijne denkkracht in, om de realiteit der ideeën, het bestaan Gods, de geestelijke natuur van de ziel en zelfs de leer der drieëenheid met de rede te bewijzen. Toch was hij niet van meening, dat al het geloofde hier op aarde reeds gekend kon worden. Dat was reeds in de gewone wetenschappen niet het geval. Vele dingen blijven steeds voorwerp van geloof, zooals bijvoorbeeld de feiten der geschiedenis, die alle op getuigenissen van menschen berusten. Alleen ten aanzien van de zoogenaamde eeuwige waarheden, die in de logica, de mathesis enz. behandeld worden, is er in strikten zin wetenschap mogelijk. Maar overigens komen wij nooit boven het geloof uit, en allerminst in de theologie. Wat ik weet, geloof ik; maar niet alles wat ik geloof, weet ik. Dikwerf kunnen wij het alleen zoover brengen, dat wij aantoonen, dat het niet dwaas is, de openbaring te gelooven, maar wel dwaas, om het tegengestelde aan te nemen. Nimmer komen wij hier op aarde dus het standpunt |17| des geloofs te boven. Eerst in den hemel ontvangt het geloof in de kennis door aanschouwing zijn loon 6).


Gebreken, die haar aankleefden.

Op deze grondslagen werd een gebouw van Christelijke wetenschap opgetrokken, dat eeuwen lang bleef bestaan en nog door zijne grootschheid den aandachtigen beschouwer bekoort. Maar toch kleefden er ook aan dezen menschelijken arbeid gebreken, die op den duur meer zichtbaar werden. De wetenschap, gelijk zij in de middeleeuwen en daarna, ook in de Protestantsche Christenheid tot ongeveer het midden der achttiende eeuw toe beoefend werd, leed aan eenzijdigheden en tekortkomingen, welke niet anders dan kwijning en verval ten gevolge konden hebben.

Ten eerste werden geloof en rede, ofschoon aanvankelijk ten nauwste vereenigd en harmonisch verbonden, spoedig weder uit elkaar gerukt en los naast elkander geplaatst. Ieder van beide bracht zijn eigen stel waarheden mede. Er waren dus bovennatuurlijke waarheden, die op gezag werden aangenomen; en daarnaast bestonden er ook natuurlijke waarheden, die door de rede gevonden konden worden. Daar was enkel en alleen geloof mogelijk, hier was zuiver en nauwkeurig weten bereikbaar. Het gevolg daarvan was, dat deze beide waarheden gescheiden naast elkander stonden en ten slotte bij sommigen zelfs leidden tot de meening, dat de waarheid zelve niet één was, maar dat hetgeen waar was in de philosophie, valsch kon wezen in de theologie en omgekeerd. Maar ook al deinsde men veelal voor deze gevaarlijke consequentie terug, de scheiding, de juxtapositie werd toch oorzaak van rivaliteit; rivaliteit riep strijd in het leven; en de strijd eindigde meestal daarmede, dat òf in naam van de openbaring aan de rede het zwijgen werd opgelegd, òf in naam van de rede de openbaring bestreden en verloochend werd. |18|

Een tweede gebrek bestond daarin, dat de wetenschap in dien tijd, tengevolge van allerlei oorzaken, al te zeer in theologie, en deze weer eenzijdig in dogmatiek opging. De theologie was het geweest, die het eerst in de Christelijke eeuwen, met behulp der philosophie, tot ontwikkeling was gekomen. De uitdrukking, dat de philosophie de dienstmaagd is der theologie, bevat in zichzelve niets onteerends voor de wetenschap; want deze was en is het nog, die aan de waarheid Gods de formeele middelen verschaft, om op wetenschappelijk terrein positie te nemen. Maar allengs werd deze uitdrukking in dien zin verstaan en toegepast, dat de wetenschap van alle vrijheid van beweging werd beroofd en niets anders dan de gehoorzame dienares der theologie had te zijn. En deze, misbruik makende van haar macht, breidde haar gebied gaandeweg uit. Zij beperkte zich niet tot de uiteenzetting van de geopenbaarde kennisse Gods, maar nam allerlei wetenschappen, als psychologie, kosmologie, metaphysica enz. in zich op, gaf op alle mogelijke en onmogelijke vragen antwoord, en leverde eene gansche wereld- en levensbeschouwing.

Daarbij kwam nu nog een derde gebrek, dat gelegen was in het verwaarloozen der empirie. De theorie was zuiver; Roomsche en Protestantsche theologen hebben nooit anders geleerd, dan dat alle kennis des verstands met de zinnelijke waarneming begint. Toen Bacon tot de ervaring als de bron van wetenschap terug riep, verkondigde hij daarmede in theorie niets nieuws 7). Maar als zoo dikwerf, beantwoordde ook hier aan de leer het leven niet. In de naieve onderstelling levende, dat de mannen der oudheid de empirie voldoende hadden geraadpleegd, haalden de scholastici de stof voor de verschillende wetenschappen uit de werken der ouden, in stede dat zij het frissche water der kennis putten uit |19| de bronnen zelve. Philosophie werd uit Aristoteles, medicijnen uit Hippocrates, wiskunde uit Euclides, latijnsche grammatica uit Donatus, rhetorica uit Quintiliaan, muziek uit Boethius, theologie uit Lombardus bestudeerd. Wetenschap werd boekengeleerdheid; men vergat uit eigen oogen te zien. Te hoog mag dit gebrek aan de scholastiek niet worden aangerekend; niet allen kunnen alles, en ieder ding heeft zijn bestemden tijd. Natuurstudie, gelijk wij die thans kennen, was in vroeger eeuwen, reeds om allerlei practische en technische redenen, onmogelijk. Maar toch was het verwaarloozen der ervaring een gebrek, dat op den duur zich wreken zou.

Reeds bij den overgang van de middeleeuwen tot den nieuweren tijd begint de reactie. Deze nieuwere tijd werd toch niet alleen door de Reformatie ingeleid, maar eveneens voorbereid door de opkomst van den vrijen burgerstand, door de Renaissance, de ontwaking der natuurwetenschap, de ontdekking van Amerika, de ontwikkeling van handel en scheepvaart, enz. Al deze verschijnselen en gebeurtenissen dragen ieder voor zich een bijzonder karakter, maar zijn saam toch ook openbaringen van den nieuwen geest, die aan de tucht der scholastiek en der hierarchie ontgroeid was. Zij hebben de zucht naar vrijheid, de erkenning van het recht van het natuurlijke, gemeen. Want dit natuurlijke was in de middeleeuwen wel uitwendig onderdrukt, maar niet innerlijk geheiligd. Zoo slaakte het aan het einde zijne boeien en hernam zijne rechten.

Onder al die gewichtige gebeurtenissen onderscheidt zich de Reformatie door hare religieus-ethische motieven en bedoelingen. Zij kwam niet op voor de emancipatie van den mensch, doch bond den strijd tegen Rome aan voor de vrijheid van den Christen. Maar de macht, die met name in de Renaissance zelfstandig naast haar optrad, was niet geneigd, om zich door de Reformatie de wet te laten stellen. Zoo is het geschied, dat de religieuze Hervorming reeds vrij spoedig in haar loop werd gestuit en, mede tot haar eigen schade, tot kerk en theologie zich beperken moest, terwijl naast haar de wetenschap hoe langer hoe meer onafhankelijkheid als haar ideaal ging beschouwen. Emancipatie |20| werd de drijfkracht van haar streven, emancipatie in de eerste plaats van de kerk en hare belijdenis, maar dan verder ook van het Christendom en de Schrift. Voorloopig werd omzichtiglijk in scheiding heil gezocht. Geloof en wetenschap zouden na behoorlijke boedelscheiding in vrede met elkander leven en elkaar ongemoeid laten. Het geloof moest zich dan tot de theologie en de kerk bepalen, en de wetenschap zou van een aanval op het dogma zich onthouden. Ongeloovig wilde de wetenschap in den eersten tijd na de Hervorming nog ganschelijk niet zijn. De theologie liet zij met rust, en zelve ging zij ook van een dogma uit, nu niet van een kerkelijk, maar dan toch van een metaphysisch en rationalistisch dogma. De verdeeldheid, die spoedig na de Hervorming op godsdienstig en kerkelijk gebied te aanschouwen viel, werkte deze richting in de hand en dreef velen achter de verschillen tot de daaraan ten grondslag liggende, algemeene, natuurlijke waarheden terug. In godsdienst, moraal en recht werd een hoofdsom van redewaarheden tot beginsel verheven en als leiddraad aangenomen. De theologische phase der wetenschap ging, naar de terminologie van Comte, in de metaphysische over. Terwijl vroeger alles opgevat werd als daad van een persoonlijk God, gewende men zich thang aan wat L. Stein noemt het „zuständliche” denken 8) en zag in alles de werking van abstracte wezenheden en natuurwetten. Cartesius ging van vaststaande, aangeboren begrippen uit. Spinoza behandelde het wereldgeheel als een geometrisch probleem, waarbij bet eene noodwendig uit het andere volgde. Leibniz construeerde het heelal uit de harmonieuze samenwerking van metaphysische krachten. Zelfs de Fransche Revolutie droeg een dogmatisch karakter en liet door abstracte beginselen van rechten en vrijheden zich leiden.

Dit rationalistisch dogmatisme stortte ineen onder de critiek van den Koningsberger wijsgeer lmmanuel Kant. Om voor het geloof eene plaats te bekomen, hief hij op metaphysisch terrein het weten op. Evenals Bacon stelde hij eene scheiding voor |21| tusschen gelooven en weten; maar hij ried deze niet alleen aan ter wille van den vrede, maar trachtte ze ook principiëel uit den aard van het menschelijk kenvermogen als noodzakelijk af te leiden. Het weten was krachtens de inrichting van dat kenvermogen tot de zinnelijk-waarneembare wereld beperkt; maar daarachter en daarboven breidde zich toch nog een onbekend land, eene „terra incognita” uit, die aan het geloof een toevluchtsoord en schuilplaats bood. Deze principiëele en radicale scheiding bracht Kant echter tot stand, door uit te gaan van een veelzeggend, onbewezen apriorisme, hetwelk inhield, dat ons kenvermogen synthetische oordeelen a priori meebracht en dus de algemeene en noodzakelijke kenvormen der phaenomenale wereld in zich droeg. Met verwaarloozing van het criticisme en dualisme in het stelsel van Kant, sloot de volgende speculatieve philosophie van Fichte, Schelling en Hegel bij dit apriorisme zich aan en bouwde daarop voort. Indien het Ik de schepper kon wezen van de phaenomenale wereld, was er geen bezwaar meer tegen in te brengen, om het absoluut te maken en dan tot principe van al het bestaande te verheffen. Het „erkenntnisstheoretisch” idealisme van Kant werd daarom door Fichte tot een ethisch, door Schelling tot een aesthetisch en door Hegel tot een logisch idealisme of pantheisme ontwikkeld.

Welke hooge plaats dit idealisme aan wetenschap en universiteit toekende, kwam niet alleen uit in Kant’s „Streit der Fakultäten,” waarin alleen de philosophische faculteit in waarheid de wetenschap heette te dienen, maar trad nog duidelijker aan het licht in het „Plan einer zu Berlin zu errichtenden höheren Lehranstalt”, dat Fichte ten jare 1807 het licht deed zien. Daarin ontwikkelde hij het denkbeeld, dat de universiteiten een onmisbaar bestanddeel vormen in de nationale opvoeding, en bepaaldelijk tot taak hebben, om op te voeden door wetenschap en tot wetenschap. Om aan dit doel te kunnen beantwoorden, moeten zij volkomen afgezonderd worden „von der allgemeinen Masse des gewerbetreibenden und dumpfgeniessenden Bürgerthums”; zij moeten niet gekweld worden door zorgen voor het aardsche bestaan noch bezwaard worden met behartiging van practische belangen; zij hebben zich alleen te wijden aan de heilige zaak |22| der wetenschap en daarop al haar aandacht te richten; en zij zijn eindelijk geroepen, om, gelijk alle leven uit zichzelf zich voortplant, de wetenschap over te leveren van geslacht tot geslacht en daartoe mannen te kweeken, die zelven weer de wetenschap beoefenen; de universiteiten moeten geen opleidingsscholen maar professoren-seminaria zijn. Zoo wilde Fichte de universiteit verheffen tot centrum van alle weten en kennen, tot werkplaats van de goddelijke idee der menschheid; zij was voor hem „das Heiligste, was das Menschengeschlecht besitzt, die sichtbare Darstellung der Einheit der Welt, als der Erscheinung Gottes und Gottes selbst” 9).

Wat hooge zin nu ook in deze opvatting van wetenschap en universiteit doorstrale, het is een geluk te achten, dat zij in de practijk niet toegepast werd. De hoogeschool te Berlijn, voor welke Fichte zijn plan ontwierp, werd gansch anders ingericht. De ontwerper van hare statuten, Wilhelm von Humboldt, construeerde haar niet naar wijsgeerige kategorieën, maar rekende met de werkelijkheid en schreef haar ook voor, dat zij dienaren te kweeken had voor kerk en voor staat. En dat niet alleen, maar de overmoedige speculatie van het Duitsche idealisme stelde spoedig door hare apriorische constructies van het wereldgeheel de verwachting te leur, dat zij de problemen des levens tot oplossing zou brengen. En toen tegelijkertijd de historische zin tot ontwaking kwam en het onderzoek der natuur met nieuwen moed werd ter hand genomen, ontstond er een hartstocht der werkelijkheid, die aan alle metaphysica, theologie en philosophie het zwijgen oplegde en aan de inductieve methode de alleenheerschappij verzekerde. In Duitschland ging men toen, voor zoover men voor het materialisme terugdeinsde, tot het criticisme van Kant terug; in Frankrijk maakte de philosophie van Victor Cousin voor die van Auguste Comte plaats: in Engeland stelde zich J. Stuart Mill met beide voeten op het |23| empirische standpunt; en allerwege werd langzamerhand die opvatting van wetenschap als de eenig-ware verkondigd, welke in den eisch der volstrekte „Voraussetzungslosigkeit” haar bekendsten karaktertrek vertoont.


De positieve wetenschap.

Volgens deze opvatting heeft de wetenschap vroeger in de theologische en methaphysische phase verkeerd, maar is ze thans overgegaan en behoort ze ook over te gaan in de positieve periode. Gelijk naar eene sociologische wet de mensch in zijne kindschheid een theoloog en in zijne jongelingsjaren een metaphysicus is, om dan in den mannelijken leeftijd een physicus te worden, zoo heeft ook de menschheid in de wetenschap deze drie tijdperken doorloopen. Thans eerst is zij zoover gevorderd, dat zij, afleggende hetgeen eens kinds is, de ijdelheid en onvruchtbaarheid van alle theologische en metaphysische speculatie inziet. Zij is thans tot het besef gekomen, dat empirie en inductie de fundamenten van alle wetenschappen zijn, dat de menschelijke geest dus niet tot de onzienlijke en eeuwige dingen opklimmen, en evenmin tot den grond der verschijnselen doordringen kan. Niet alleen God en Goddelijke zaken, maar ook wezen en eigenschappen, oorzaken en doeleinden der dingen zijn, wijl van metaphysische natuur, voor den mensch ten eenenmale onkenbaar. De mensch heeft zich dus te bepalen tot het bestudeeren der zinnelijk-waarneembare verschijnselen; en als hoogste doel moet hij zich voor oogen stellen, om deze verschijnselen te leeren kennen in hun onderling verband, en de wetten op te sporen, waardoor zij in hunne gelijktijdigheid of opeenvolging worden beheerscht. Vroeger werd de wetenschap omschreven als een onderzoek naar het wezen en de oorzaak der dingen, als een „rerum cognoscere causas”; thans moet zij opgevat worden als een streven, om het verband der dingen te leeren kennen, als een „rerum cognoscere nexum”. En terwijl de menschen eertijds meenden, uit het zienlijke tot het onzienlijke, uit het tijdelijke tot het eeuwige, uit het relatieve tot het absolute te kunnen opklimmen, om van daaruit dan weer alle dingen „sub specie aeternitatis” te bezien, hebben zij thans alom slechts het relatieve |24| te erkennen; tout est relatif, voilà le seul principe absolu 10).

De wetenschap verliest daarmede ongetwijfeld aan terrein. Want al wat achter of boven de verschijnselen liggen mocht, is voor haar onbekend land. Zij kan er niets over uitspreken, noch positief noch negatief, en is dus ten aanzien van alle onzienlijke dingen tot abstentionisme en agnosticisme, tot onmacht en onwetendheid gedoemd. Heel dit terrein moet, indien het bestaat, aan de subjectieve meening worden afgestaan. Wie er lust aan heeft of er behoefte toe gevoelt, kan dit onbekende land bevolken met de postulaten der practische rede, met de oordeelen zijner waardeering, met de scheppingen van zijne verbeelding, met de idealen van zijn gemoed, met de voorstellingen zijner religie. Zelfs voor spoken, afgestorven geesten, en daemonische machten is er in dit ijle rijk van het onbekende plaats. Het positivisme laat ruimte voor allerlei zoogenaamde vergoedingen van den godsdienst, voor een cultus der menschheid, voor eene vereering der afgestorven geesten, voor een altaar aan den onbekenden God, zelfs voor een dienst van Satan. Want dit alles gaat buiten de wetenschap om en is private aangelegenheid; hier gelde dus het elk wat wils.

Maar wat de wetenschap alzoo aan terrein verliest, dat wint zij naar deze positivistische opvatting aan innerlijke zakerheid. Want als zij zich beperkt tot de kennis der zinnelijk-waarneembare verschijnselen en het onderling verband daarvan tracht op te sporen, dan kan zij het eindelijk zoo ver brengen, dat zij uit het verleden het heden leert verstaan, en uit het heden met ontwijfelbare gewisheid de toekomst voorspelt. En dat is het ideaal der wetenschap. Zooals de astronomie ver vooruit de verschijnselen des hemels bepaalt, zoo behoort de wetenschap uit de feiten, die zij waarneemt, te berekenen, wat er in het vervolg gebeuren zal. Savoir, d’où prévoir; science, d’où prévoyance. |25| Terwijl religie dus „Privatsache” blijft, worde officiëel en publiek alleen met het positieve gerekend, en gelde alleen, wat de wetenschap zegt. Eertijds kondigden staat en kerk hare gezaghebbende dogmata af, maar van nu voortaan moet de wetenschap, vertegenwoordigd door een areopagus van geleerden, met autoriteit vaststellen, wat voor het publieke leven te gelden heeft. Zij zal de „Führerin der Zukunft” zijn, en arbeiden aan de „Höherbildung der Menschheit” 11). Vroeger had de godsdienst alle macht in handen. Maar „heute ist es die Wissenschaft, die gleich der Wahrheit, deren Ausdruck und Offenbarung sie ist, zur Weltherrschaft berufen ist. Der Wissenschaft gehört von nun an anstatt der Gottheit die Weltregierung, der Wissenschaft als der Wohltäterin der Völker und der Befreierin der Menschheit” 12).

Dit is het thans algemeen heerschend begrip der wetenschap. Wel is waar geven velen zich weinig of geen rekenschap van de „Wissenschaftslehre”, die zij toegedaan zijn. Zij houden het er voor, dat het begrip der wetenschap vast staat en boven alle critiek is verheven; en zij verbazen zich daarom, als iemand de juistheid van dit begrip in twijfel trekt of ook ze ernstig bestrijdt. Zij zitten bevangen in het dogma der onbevooroordeelde wetenschapsleer en houden dit voor absoluut, ofschoon ze anders alles relatief verklaren. Zoo zegt ook Mr. Levy, die overigens geen vriend van het positivisme heeten kan, dat bij niemand, wien ook, onzekerheid bestaat over het begrip wetenschap, in zijne tegenstelling tot geloof 13). Al is het ook, dat hij op deze bijvoeging den nadruk legt, hij oordeelt toch, dat er alleen van eene nuanceering in de definitie van wetenschap, maar niet van onzekerheid nopens haar begrip sprake kan zijn, alsof de „nuanceering” der definitie niet juist in eene verschillende opvatting van haar begrip wortelen zou. |26|

In denzelfden geest liet eenigen tijd geleden Q. N. in het Handelsblad 14) zich uit. „Wetenschappelijk is alles, maar ook alleen dat, wat verband houdt met onbevooroordeelde waarheidsvorsching. Zeker, het is ons niet onbekend, dat ook der menschen richtig weten van voor-oordeelen uitgaat, vóór-veronderstellingen, die, krachtens de inrichting van hunnen geest, aan iedere nasporing hare wegen afbakenen. Los van zoodanige denkregelen, zonder zulke vóór-oordeelen, kan wetenschap nimmer wezen. Dat van haar te eischen, ware ongerijmd. Maar er zijn vóór-oordeelen en vooróórdeelen. En nimmer kan met te veel nadruk der wetenschap de eisch worden gesteld, dat zij van deze, van vooróórdeelen zich vrij houde. Wie haar dienaar zijn zal, moet volkom men onbekommerd kunnen blijven omtrent den eindpaal, waar zijn weg op uitmondt. De wetenschappelijke man tijgt uit, niet wetende, waar hij zal komen . . . . Wie op het stuk van het eindpunt zijner reis aan eene vooraf bepaalde marschroute zich laat binden, dient niet de wetenschap maar verraadt haar.”

Daarmede stemt eindelijk ook de redeneering van Prof. Groenewegen overeen, die hierop neerkomt: wetenschap is normaalmethodisch verworven, welgegronde en afgeronde, dus betrouwbare en bevredigende kennis. Wel is er geen wetenschap zonder onderstellingen, die of als uitgangspunt of als werkhypothesen het studiewerk eerst mogelijk maken. Ook arbeidt de menschelijke geest nooit als eene louter logische machine en kan hij zich nooit aan den invloed van zijn aandoenings- en wilsleven onttrekken. Ook de nuchterste denker kan noch mag zich losmaken van wat er aan gemoedsovertuiging, aan dieper inzicht en doorzicht, aan hoogere onceptie en intieme convictie inzijne ziel leeft. Maar de wetenschappelijke mensch gebruikt zijne onderstellingen slechts zoolang ze hem dienen, hij behoudt zijn standpunt alleen zoolang bet houdbaar blijkt. Neutraliteit in den zin van los-zijn van en onverschillig-zijn voor zijne heiligste |27| overtuigingen, is òf eene ongerijmdheid, òf, zoo al mogelijk, eene zonde. Maar neutraliteit in den zin van objectiviteit tegenover traditioneele voorstellingen en tegenover eigen, zij het nog zoo geliefkoosde begrippen, is zoowel wetenschappelijke als godsdienstige plicht 15).


Beoordeeling van het positivisme.

Wanneer wij het positivistisch begrip van wetenschap gaan indenken, stuiten wij aanstonds op allerlei moeilijkheden. Dit is toch wel aan een ieder duidelijk, dat de omschrijving van Prof. Groenewegen, dat wetenschap niet anders is dan normaal-methodisch verworven, welgegronde, betrouwbare kennis, ons geen stap verder brengt. Want er is zeker niemand, die met deze omschrijving niet gaarne instemt; de vraag is echter juist, wat de normale methode voor het verwerven van kennis is, en wanneer kennis welgegrond en betrouwbaar mag heeten. En ook de onderscheiding, die Q.N. tusschen geoorloofde vóóroordeelen en ongeoorloofde vooróórdeelen maakt, is zonder meer niet in staat, om licht over dit vraagstuk te verspreiden. Want wederom is er niemand, die deze onderscheiding niet van harte aanvaardt. De Protestantsche en Roomsche geleerde, die de belijdenis zijner kerk op grond van Goddelijk gezag als waarheid erkent, houdt staande, dat hij juist door deze waarheid voor menige dwaling behoed en beter dan anderen tot een onbevangen onderzoek bekwaam gemaakt wordt. En dit kan ook niet anders; waarheid maakt vrij. Nemen wij voor een oogenblik aan, dat de rechtzinnige gelijk heeft, als hij de Heilige Schrift voor Gods Woord houdt, dan ligt het voor de hand, dat de erkenning daarvan aan het wetenschappelijk onderzoek niet in den weg staat, maar het daarentegen in de rechte banen leidt, en dat de verwerping van dat Woord juist een vooróórdeel is, dat schadelijk op het wetenschappelijk onderzoek inwerken moet. Dit klemt te meer, omdat niemand ontkennen kan, dat de mannen der wetenschap zich onophoudelijk vergissen, altijd met elkander in strijd verkeeren, en voortdurend de uitkomsten van hun onderzoek herzien. Eene waarheid, die |28| de wetenschap dus bij haar onderzoek leidt, en haar voor velerlei dwaling behoedt, mag in den naam van onbevooroordeeldheid en onpartijdigheid niet ter zijde gezet, maar moet veeleer dankbaar aanvaard worden.

Wel wordt nu door de modernen het gezag der Schrift ontkend en eene bijzondere openbaring van waarheid bestreden. Maar dit mag bij de vraag, die ons bezig houdt, den doorslag niet geven. Indien die wetenschap, welke eene bijzondere openbaring aanneemt, van te voren reeds bevooroordeeld moet heeten, dan is de quaestie zeker spoedig beslist, maar dan maakt men zich ook aan eene petitio principii schuldig, en neemt apriori als bewezen aan, wat bewezen moet worden. Want juist de realiteit der bijzondere openbaring is in geschil. Indien God op eene bijzondere wijze kennis aangaande zichzelven heeft medegedeeld, dan spreekt het vanzelf, dat de wetenschap daarmede rekenen moet, en dat zij, dit niet doende, aan ongehoorzaamheid en dwaling zich schuldig maakt; evengoed als omgekeerd het aannem en eener bijzondere openbaring, indien deze niet heeft plaats gehad, geen geoorloofd vóór-oordeel maar een ongeoorloofd vooróórdeel is. Maar dit al of niet aannemen der bijzondere openbaring is ter laatste instantie geen quaestie van wetenschap maar van religie, niet van het hoofd alleen maar in de eerste plaats van het hart. En daarom mag de wetenschap niet eenzijdig aan den eenen kant zich stellen en van te voren reeds de andere overtuiging als onwetenschappelijk veroordeelen. Dit krijgt te meer beteekenis door het feit, dat er zeker wel onder de geloovigen mannen van wetenschap gevonden zijn, die partijdig bij hun onderzoek waren; maar ditzelfde geldt in niet mindere mate van de ongeloovigen. Er is een haat tegen God en godsdienst, tegen Christus en Schrift, tegen kerk en belijdenis, welke menigmaal het klaarste verstand benevelt en het helderste denken verwart. Ook de modernen moeten hiervan overtuigd zijn; ook zij kunnen de verachting van den godsdienst, die zoo dikwerf in den arbeid van wetenschappelijke mannen meespreekt, niet ontkennen en ook niet goedkeuren. Zij gelooven immers nog aan de objectieve waarheid der religie en dus aan het bestaan en de |29| kenbaarheid Gods. Maar dit geloof is voor den positivist en den materialist qualitatief even dwaas en even onwetenschappelijk, als het aannemen eener bijzondere openbaring. Waarom richten zij dan voortdurend hun aanval op de geloovigen en nemen het altijd voor de wetenschap op, terwijl zij van deze zijde evengoed als de orthodoxie in den ban gedaan worden? In den strijd tegen de hedendaagsche wetenschap gaat het volstrekt niet alleen om het geloof aan eene bijzondere openbaring, maar wel terdege ook om de objectieve waarheid, het recht en de waarde van den godsdienst.

Reeds hieruit blijkt, dat de tegenstelling: wetenschap of dogmatisme, onhoudbaar is en in elk geval in den mond van een modern theoloog niet past. Want zelf is hij, indien hij in waarheid modern theoloog is en nog aan de waarheid van den godsdienst en dus aan het bestaan van God vasthoudt, in de oogen van den consequenten positivist een dogmatist van het zuiverste water. Of iemand aan den kant van de wetenschap of van het dogmatisme staat, hangt geheel en al af van het standpunt van den persoon, die hem gadeslaat en beoordeelt. Objectief eene voor allen geldende grenslijn te trekken, waar de wetenschap eindigt en het dogmatisme begint, is zoowel theoretisch als practisch onmogelijk. Dr. Groenewegen levert daarvan zelf een sprekend bewijs 16). Hij erkent, dat ook de nuchterste denker zich niet kan en zelfs niet mag losmaken van wat er aan gemoedsovertuiging, aan dieper inzicht en doorzicht, aan hooger conceptie en intieme convictie in zijn ziel leeft. Doch hij laat er spoedig op volgen: het is geen indifferentisme tegenover een godsdienst, wanneer een mensch de houdbaarheid van geschiedkundige, letterkundige of wijsgeerige begrippen, waar zijn geloofsleven aan vast zit, telkens weer onderzoekt; maar het is indifferentisme tegen de waarheid, die de mensch, zoo ergens, dan zeker in zijn godsdienstig geloof altijd beter te zoeken heeft, indien bij zich in zijn dogmen zoo benauwd opsluit, dat hem niets dan een anathema rest voor alle weten, denken en gelooven, |30| dat er niet mede strookt. Deze laatste zinsnede is nu niets anders dan een anathema, door de vrijzinnigen uitgesproken over het hoofd van hen, die naar hun oordeel benauwd in dogmen zich opsluiten, eene beschuldiging die niet minder inhoudt dan indifferentisme tegen de waarheid. En feitelijk komt heel de redeneering van Dr. Groenewegen hierop neer, dat de man van wetenschap, om onpartijdig te zijn, niet de moderne, maar wel de orthodoxe opvatting van de religie moet prijsgeven. En zoo redeneert ieder feitelijk op zijn manier. Niemand, die doordenkt, kan ontkennen, dat ook de wetenschappelijke onderzoeker allerlei godsdienstige, zedelijke en wijsgeerige overtuigingen meebrengt en daardoor in mindere of meerdere mate beheerscht wordt. Maar elke partij beweert, dat hare overtuigingen goede en nuttige voor-oordeelen zijn, en daarentegen die van de tegenpartij schadelijke en nadeelige voor-óórdeelen. De Roomschen en de Protestanten, de Lutherschen en de Gereformeerden, de orthodoxen en de modernen geven alleen zichzelf voor onpartijdig en de tegenstanders voor partijdig en bevooroordeeld uit. Hunne beoefening van de geschiedenis levert hiervan een overtuigend bewijs. Waar de zaken nu zoo staan, is het aanmatigend, als eene van de partijen zich voordoet als vertegenwoordigster van „de” wetenschap en al de andere in den hoek van het dogmatisme duwt. Want het vraagstuk, dat verdeelt, loopt juist over de grens tusschen nuttige vóór-oordeelen en schadelijke vooróórdeelen.

De grens, die theoretisch niet te trekken valt, is ook practisch niet aan te wijzen. Geen enkele partij beeft den moed, om van de andere te beweren, dat zij op wetenschappelijk gebied niets geleverd heeft en niets leveren kan; geen enkele richting of school zal zoo stout zijn, om uit te spreken, dat bij haar alleen loutere waarheid en bij hare tegenstandster enkel dwaling is. Wel is de toon, die jaren lang door de aanhangers der moderne wereldbeschouwing tegenover de orthodoxie is aangeslagen, buitengewoon hooghartig en aanmatigend geweest. Maar langzamerhand is daarin toch eene verandering ten goede gekomen. Er wordt nu door velen erkend, dat de vroegere voorgestane richting |31| dikwerf eenzijdig is geweest, dat de benoeming van hoogleeraren aan onpartijdigheid te wenschen liet, dat ook onder de rechtzinnigen wel degelijk wetenschappelijke mannen worden gevonden. Het kan thans geen moderne, die met zijn tijd medeleeft en niet al te benauwd in zijn dogmen zich opsluit, meer in het hoofd komen, om aan de wijsgeerige, letterkundige, natuurkundige, geschiedkundige studiën van mannen van Roornsche of Protestantsche belijdenis alle waarde te ontzeggen. Omgekeerd zijn Christenen nooit zoo enghartig geweest, dat zij al de wetenschappelijke onderzoekingen, door niet-geloovigen ingesteld, als leugenachtig verwierpen. Van de eerste eeuwen af hebben zij de klassieke wijsbegeerte en litteratuur hoog gewaardeerd. Zij hebben ze gekeurd en geschift, maar, het goede dankbaar overgenomen en er winst mee gedaan. En wie zou er thans aan denken, om de inspanning en de opoffering klein te achten, door niet-geloovige onderzoekers aan den dienst der wetenschap gewijd, en de schitterende resultaten te verwerpen, door hen in noesten arbeid en onuitgeputte volharding verkregen? Allen zonder onderscheid genieten van de verrijking en de veraangenaming des levens, welke in dezen tijd door geniale uitvindingen en verrassende ontdekkingen verkregen is. Allerminst hebben Christenen recht en reden, om uit de hoogte op deze onderzoekingen en uitkomsten der wetenschap minachtend neer te zien. Want zij gelooven, dat God, dezelfde God, dien zij in Christus als hun Vader belijden, zijne zon laat opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Alle goede gaven, en alle volmaakte giften dalen neder van den Vader der lichten, bij wien. geen verandering is noch schaduw van omkeering. Indien zij desniettemin aan miskenning van, die gaven zich schuldig maakten, zouden zij niet slechts onrechtvaardig zijn tegen menschen, maar ook ondankbaar jegens God.

Godsdienst en wetenschap, geloof en kennis, reinheid des harten en helderheid des hoofds, en evenzoo zonde en leugen, ongerechtigheid en ketterij, onzedelijk leven en goddelooze leer staan ongetwijfeld met elkander in verband. Dat verband is dikwerf veel nauwer, dan wij vermoeden of durven uitspreken. François Coppée erkende |32| later, dat hij van het Christelijk geloof, waarin hij was opgevoed, werd afgebracht door de afdwalingen zijner jeugd en door de schaamte voor het bekennen van ongelijk. En zeer velen, zegt hij, die met mij in denzelfden toestand verkeeren, zullen, indien zij eerlijk willen zijn, mij moeten toegeven, dat alleen de strenge wet, welke de religie in betrekking tot de zinnelijkheid hun oplegt, hen in den beginne van het geloof vervreemdde, en dat zij eerst in latere jaren de behoefte gevoelden, om de overtredingen der zedewet door een wetenschappelijk systeem te vergoelijken en te rechtvaardigen 17). Doch hoe nauw het verband ook wezen moge, ze zijn niet hetzelfde. Wie in Christus gelooft, is daarom nog geen wetenschappelijk mensch; en wie niet gelooft, is nog geen leugenaar of krankzinnige. Geloovigen kunnen in natuurlijke gaven zelfs verre bij niet-geloovigen achterstaan, en de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts, in hun geslacht. Bij Christenen kan een enghartig dogmatisme voorkomen, dat afstoot, en bij niet-Christenen eene ruimte van blik, die weldadig aandoet.

Maar dit alles bewijst niets voor de waarheid van het positivistisch begrip der wetenschap. En het eerste, wat de voorstanders van deze opvatting hebben te leeren, is, dat deze hun definitie van de wetenschap er slechts ééne naast andere is. Natuurlijk geeft elke partij hare opvatting voor de ware uit; en zij moet dat doen, omdat zij anders in hetzelfde oogenblik erkennen zou, niet te meenen wat zij zegt. Maar daarbij hebben wij toch steeds te bedenken, dat onze opvatting niet de eenige in de wereld is, en dat er naast de onze nog andere bestaan, die in de practijk van het leven gelijke rechten hebben. Indien wij dit niet erkennen, worden wij onverdraagzaam en exclusief, en zijn we niet ver meer af van het strevenf om alle andere met geweld te onderdrukken. Maar dit is juist met den aard der wetenschap en met het karakter der waarheid in strijd. Want deze wil en mag niet heerschen door geweld of dwang, door staatsmacht of kerkelijke heerschappij, maar enkel en alleen |33| langs zedelijken weg, door hare innerlijke kracht, door de sterkte harer argumenten. Mr. Levy beschuldigt Dr. Kuyper, dat hij als Minister van het kerkelijk absolutisme bij Thomas Hobbes, den vertegenwoordiger van het wereldlijk absolutisme, ter school is gegaan 18). Maar die beschuldiging bewijst alleen, dat Mr. Levy in zijn eigen dogma zoo bevangen zit, dat hij het beginsel en streven zijner tegenstanders niet begrijpt. Immers gaat de strijd voor de vrijmaking van het Hooger Onderwijs juist tegen het monopolie van de wetenschappelijkheid eener enkele richting, en heeft hij geen ander doel dan om te verkrijgen, dat de verschillende richtingen in de wetenschap vrij met elkaar kunnen worstelen in de maatschappij, en dat door staatsbevoorrechting van de eene aan de andere de concurrentie niet onmogelijk worde gemaakt.

Op zichzelf is het natuurlijk zeer goed denkbaar, dat ook de staat eene zekere belijdenis heeft en deze in alle openbare instellingen handhaaft. Maar het liberalisme is zelf daartegen in verzet gekomen, heeft den staat neutraal gemaakt en alle kerken, belijdenissen en richtingen gelijk in rechten verklaard. Als er daarom eene aanzienlijke groep in het volk is, die op grond van deze verklaring van rechten in kerk, school of universiteit vrijheid en gelijkheid eischt, moet het liberalisme dit krachtens zijn beginsel steunen, maar komt het er even geregeld in de practijk tegen op. Dat is de antinomie, waarvoor het telkens zichzelf plaatst, en die het daarom ten slotte aan ieder als zeer vrijzinnig met het woord, maar hoogst onvrijzinnig met de daad doet voorkomen. Het beginsel blijkt voor zijn eigen toepassing bevreesd. Dat is bewezen in den strijd om de lagere school, het is opnieuw aan het licht getreden bij het vraagstuk van het hooger onderwijs. Het is juist de zoogenaamde „voraussetzungslose” wetenschap, die elke andere opvatting in den ban doet, voor zich de alleen-heerschappij opeischt en de staatsmacht en het staatsgeld in haar dienst stelt. Daarom behoort zij vóór alle dingen dit te leeren, dat het positivistisch begrip der wetenschap ééne opvatting naast andere is. Zij kan natuurlijk de pretensie |34| niet laten varen, dat zij de ware is, maar moet ervan afzien, om deze hare overtuiging door andere dan zedelijke middelen ingang te verschaffen. Zij moet het kunnen dulden, dat anderen niet met haar instemmen, en eene gansch andere opvatting van de wetenschap voordragen. Want niet eerst later, bij de beoefening, bij de methode en het resultaat der wetenschap, maar reeds terstond bij het begin, bij de bepaling van het begrip der wetenschap, is het verschil in wereld- en levensbeschouwing, in godsdienstige en zedelijke overtuiging van invloed. Het begrip der wetenschap wordt toch niet uit de ervaring en waarneming verkregen; het is geen resultaat van empirisch onderzoek, maar het is een wijsgeerig begrip, dat door ons denken, in verband met heel onze wereldbeschouwing, aan de hand wordt gedaan.


Vervolg der beoordeeling.

Het begrip der „voraussetzungslose” wetenschap is nu blijkbaar eene vrucht van de positieve philosophie. Deze philosophie is even goed en in dezelfde mate een wijsgeerig stelsel als de wijsbegeerte van Plato en Aristoteles, van Schelling en Hegel. En zij is niet de philosophie, maar de wijsgeerige wereldbeschouwing van een bepaald denker en van eene betrekkelijk kleine groep van menschen, die hem volgen. Zelfs is zij eerst ongeveer in het midden der vorige eeuw opgekomen, heeft daarna slechts een korten tijd gebloeid en zou thans reeds in de wetenschappelijke kringen haar crediet hebben verloren, indien zij in den laatsten tijd niet door Richard Avenarius onder een anderen naam en in een anderen vorm ware voorgedragen, en zoo weer bij enkelen ingang had gevonden. Ook dit empiriocriticisme treedt met de bewering op, dat het alleen echt-wetenschappelijk is, uitsluitend op feiten der ervaring steunt en aan het transcendente alle bestaan ontzegt. Maar ook deze richting heeft van niemand minder dan Wundt het verwijt moeten hooren, dat zij de ervaring niet onbevooroordeeld aanvaardt, maar ze bij het licht eener bepaalde metaphysica beziet en in hare begripsconstructies aan scholasticisme zich schuldig maakt 19). Zelfs werd haar van verschillende zijden en niet zonder |35| reden voor de voeten geworpen, dat zij alles subjectief maakt, in logica, ethiek, religie enz. slechts psychologische verschijnselen ziet en dus tot scepticisme, tot vernietiging van alle kennis der waarheid leidt 20).

Er is dan ook niet veel moeite voor noodig, om in te zien, dat het positivisme eene bepaalde philosophie is en, evengoed als elke andere richting, van zekere metaphysische onderstellingen uitgaat. Zelfs is het niet mogelijk, eene Erkenntnisstheorie te leveren zonder metaphysica en philosophie; alwie daarover eene bepaalde stelling verkondigt, huldigt vanzelf bewust of onbewust een of ander stelsel van philosophie. Zeer terecht spreekt Allard Pierson in zijne Levensbeschouwing daarom van wijsgeerige grondbeginselen, als hij van den oorsprong, den aard en de grenzen onzer kennis gaat handelen 21). En het eerste wijsgeerig grondbeginsel is dan dit, dat onze kennis uit niets anders voortvloeit dan uit zinlijke waarneming en ervaring. Dit is inderdaad eene wijsgeerige grondstelling, en niet eene, die vanzelf spreekt en die klaar is als de dag, maar die eene gansche wereldbeschouwing insluit en slechts in een betrekkelijk kleinen kring van menschen als waarheid geldt. De gansche menschheid is blijkens hare geschiedenis, ook in haar wetenschappelijk onderzoek, van eene andere gedachte geweest. En naief door oppervlakkigheid is de meening, dat men met die stelling op den vasten bodem der zichtbare en ontwijfelbare werkelijkheid staat.

Wij stippen nu slechts aan, dat alle wetenschappelijk onderzoek van te voren en zonder bewijs de betrouwbaarheid der zintuigen en de objectiviteit der waargenomen wereld aanneemt. Bewijsbaar zijn deze dingen niet. Wie er aan twijfelt, is door geen argumenten te weerleggen. Scepticisme is meer eene zaak van het hart dan van het hoofd. Vast staat de realiteit der wereld buiten ons alleen door en voor het geloof. Haar aannemen is een daad van vertrouwen, in den diepsten grond van vertrouwen |36| op de waarachtigheid Gods 22). Immers is die buitenwereld ons direct alleen in onze psychische voorstellingen gegeven; tot vergelijking van deze met die buitenwereld zelve zijn wij niet in staat; we kunnen niet uit ons zelven uittreden. Wij moeten eenvoudig gelooven, dat ons in die voorstellingen eene werkelijke kennis van die wereld geboden wordt; willen we dat niet, dan blijft er niets anders dan het tegenwoordig door velen gehuldigde psychologisme over, dat volgens Münsterberg de laatste phase van het naturalisme is en ware en valsche oordeelen op dezeltde wijze als resultaten van den loop der voorstellingen beschouwt 23).

Maar indien wij hiervan ook afzien, de zinnelijke waarneming is zelve zoo eenvoudig niet, als ze velen toeschijnt. Een zuiver waarnemer is er niet, zegt Pierson terecht. Ten eerste is er geen waarnemer, of er moet een persoon zijn, die waarneemt, en van zijn toestand hangt het reeds af, wat en hoe hij waarneemt. Immers is het niet het oog of het oor, dat waarneemt, maar de persoon, die ziet door het oog en hoort door het oor. Het waarnemen is eene psychische werkzaamheid, geen lijdelijke toestand maar eene positieve handeling, waarbij het subject zijn invloed doet gevoelen. Reeds het constateeren van feiten is van de subjectiviteit afhankelijk. Er is een willens blind zijn. Nog veel sterker wordt die invloed der subjectiviteit bij het verbinden der waarnemingen. Eigenlijk is alle waarneming reeds eene verbinding van gewaarwordingen. Al onze woorden zijn namen van voorwerpen, die voor geene waarneming vatbaar zijn. Wij nemen niet een hond of een stoel waar, maar combineeren verschillende gewaarwordingen tot de ééne voorstelling, die we in dien naam van hond of stoel uitdrukken, en voegen het waargenomene daarmede tegelijk in in eene klasse van bekende voorwerpen, waarmede het zekere overeenkomst vertoont 24). |37|

Met andere woorden wil dit zeggen, dat er geen waarneming in eigenlijken, wetenschappelijken zin plaats hebben kan zonder het denken. Deze werkzaamheid is bij het wetenschappelijk onderzoek drieërlei. Ten eerste stuurt zij de zinnelijke waarneming in eene bepaalde richting, kiest eene bepaalde groep van verschijnselen uit en isoleert die van het wereldgeheel, en abstraheert en combineert de waargenomen verschijnselen. Ten andere brengt het denken terstond bij den wetenschappelijken arbeid allerlei uitgangspunten en onderstellingen mede. Reeds Aristoteles zag in, dat er niet alleen een middellijk maar ook een onmiddellijk weten is en moest zijn. Ofschoon hij de leer der ideeën van Plato verwierp en alle kennis uit de ervaring afleidde, begreep hij toch, dat alle bewijzen ten slotte rusten moeten op eene door zichzelf vaststaande, onbewijsbare waarheid. De bewijzen moeten uiteraard herleid kunnen worden tot zulke stellingen, die onmiddellijk zeker zijn 25). Alle wetenschappen gaan daarom van zoogenaamde axiomata uit. En eindelijk bestaat de werkzaamheid van het denken nog daarin, dat het in de verschijnselen het verband, de idee, de wet tracht op te sporen, om zoo tot echte wetenschap te komen 26). Het gaat daarom uit van de stilzwijgende, maar veelzeggende onderstelling, dat er in die verschijnselen eenheid, orde, gedachte, logos woont, een logos, die aan den logos in ’s menschen geest beantwoordt. In vol vertrouwen past het daarom de denkwetten, en deze niet alleen, maar voorts allerlei metaphysische begrippen, als ding, eigenschap, oorzaak, gevolg, wet, voorwaarde, tijd, ruimte, waarheid, onwaarheid, enz. op de waargenomen verschijnselen toe. Het wetenschappelijk onderzoek kan zich hiervan niet ontdoen, maar bewijst daarmede ook, de philosophie en de metaphysica niet te kunnen missen. |38|

Het positivisme blijkt zoo reeds op het gebied der zinnelijke waarneming onhoudbaar te zijn. Maar veel sterker wordt het nog weerlegd door de verschijnselen der inwendige ervaring. Door Comte, Avenarius en vele nieuwere psychologen wordt de zelfstandigheid en eigensoortigheid dezer verschijnselen geloochend, en de inwendige ervaring als eene bijzondere kenbron naast die der zinlijke waarneming bestreden. En inderdaad kan het niet ontkend worden, dat het onderscheid tusschen de verschijnselen der uit- en der inwendige waarneming ons eerst langzamerhand tot bewustzijn komt, en dat ook de verschijnselen der uitwendige waarneming ons direct alleen in het bewustzijn gegeven zijn. Maar daartegenover staat, dat het onderscheid tusschen beide groepen van verschijnselen zich toch noodzakelijk aan ons bewustzijn opdringt, zoodra wij ze eenigermate opzettelijk trachten waar te nemen en in te denken. Er is immers een groot verschil tusschen de voorstellingen, zooals ze, schoon in ons immanent, uit haar aard op dingen buiten ons terugwijzen, en dezelfde voorstellingen, zooals ze werkzaamheden en openbaringen zijn van ons eigen psychische leven. Endaarbij komen dan nog al die voorstellingen, aandoeningen en wilsbeslissingen, welke, hoewel nigt zonder invloed der buitenwereld ontstaan, toch niet dingen buiten ons, maar toestanden in ons aanduiden 27).

Met deze feiten van ons bewustzijn voor oogen laat zich het onderscheid tusschen het phychische en het psychische, tusschen object en subject, tusschen stof en geest niet loochenen. Natuurlijk wordt daarmede niet ontkend, dat beide met elkander in nauw verband staan, en dat het bewuste leven in ons door bemiddeling van physische organen en functiën tot stand komt. Maar al ware dat verband nog veel inniger, dan de physiologische psychologie ons tot dusver heeft doen kennen, daarmede zou het onderscheid tusschen beide toch hoegenaamd niet uitgewischt zijn. Wij weten nu eenmaal niet alleen van zienlijke maar ook van onzienlijke dingen; wij zijn ons bewust van gewaarwordingen, voorstellingen, aandoeningen, wilsbeslissingen, die |39| met zintuigen niet waargenomen kunnen worden en toch eene onloochenbare realiteit bezitten. In het zieleleven hebben wij met feiten te doen, die voor ons besef even vast, ja vaster staan dan de zinnelijke verschijnselen; er treden daarin krachten voor ons bewustzijn op, die veel sterker zijn dan physische dwang. Aandoeningen, hartstochten, overtuigingen, wilsbeslissingen enz. zijn realiteiten evengoed als stof en kracht, al kunnen zij ook niet met de oogen gezien en met de handen getast worden. En indien dit zoo is, is de stelling onhoudbaar, dat alleen het zinlijk- waarneembare bestaat en dat dit alleen het voorwerp en de inhoud van onze wetenschap uitmaakt.

Trouwens, velen hebben op dit punt het positivisme gewijzigd, naast de realiteit der physische, ook die der psychische verschijnselen erkend, en in verband daarmede naast de uitwendige ook de inwendige ervaring als orgaan van kennis aangenomen. Maar toch meenen zij, dat op dit terrein der geestelijke verschijnselen alleen de empirische methode mag toegepast worden en dat er van geen apriorische onderstellingen, van geen geloof in eenigerlei zin daarbij sprake mag zijn. Natuurlijk keeren hier dan in al hun kracht al die bezwaren terug, die boven reeds met enkele woorden tegen de empirische methode in hare toepassing op de physische verschijnselen werden ingebracht. Ook hier toch moet men uitgaan van de betrouwbaarheid der waarnemingsorganen en der denkwetten; het aannemen van de realiteit dier psychische wereld is eene onbewezen onderstelling; en de hypothese, dat er in die psychische wereld orde en regel, gedachte en wet heerscht, is een groot geloof, dat ten slotte alleen rusten kan in de waarachtigheid Gods.

Maar dit in het voorbijgaan. Een ander bezwaar is, dat de empirische, deductieve methode op dit terrein, nog veel minder dan bij het onderzoek der natuur, zuiver toegepast kan worden. Het zieleleven is immers zoo onoverzienbaar rijk en zoo gecompliceerd, dat het nooit als zoodanig tot voorwerp van wetenschappelijk onderzoek te maken is. Zal er van streng wetenschappelijke studie der psychische verschijnselen sprake zijn, dan moeten deze al van te voren eenigermate uit elkaar genomen en op zichzelve gesteld |40| worden. Het onderzoek moet er mede beginnen, om het verschijnsel, waarop het zich richt, als het ware los te maken uit het verband, waarin het in de werkelijkheid voorkomt; het moet beginnen met te abstraheeren en deze abstractie is eene werkzaamheid van het denken, dat dus van te voren de waarneming in zijn dienst neemt, leidt en bestuurt. En daarbij komt nog, dat het zieleleven zoo breed en zoo diep is, dat er aan de waarneming geen einde zou komen, indien het denken niet over die veelheid van verschijnselen zijn licht liet schijnen en in den chaos orde bracht. De empirische methode is dus noodig en goed, maar zij wordt van het begin tot het einde door de synthetische begeleid.

Het voornaamste bezwaar doet zich echter voor bij de vraag, wat men met het onderzoek van deze psychische verschijnselen beoogt. Indien alleen kennis van het psychologisch proces, van het ontstaan, de verbinding, de scheiding, de ontwikkeling der voorstellingen, bij den enkele, bij een volk, bij de menschheid, dan komt men boven de psychologie niet uit en laat alle geesteswetenschappen in psychologie opgaan. Maar dat is toch nooit vroeger de opvatting en bedoeling dezer wetenschappen geweest. Men heeft er altijd naar gestreefd, om uit de voorstellingen van het subject tot de objectieve werkelijkheid te komen. Dat gold en dat geldt over het algemeen nog van die voorstellingen in ons, die op eene physische wereld buiten ons terugwijzen. Men wil niet slechts het psychologisch proces dier voorstellingen nagaan, maar door en uit die voorstellingen de stoffelijke wereld leeren kennen. En met de voorstellingen, die niet op zulk eene zinlijke natuur terugwijzen, is het op dezelfde wijze gesteld. Ook zij wijzen op eene realiteit terug, maar niet van zinlijken doch van geestelijken aard. Wij vinden in ons bewustzijn beseffen, gewaarwordingen, voorstellingen, enz., die op een rijk van het ware, goede en schoone terugwijzen. Natuurlijk kunnen deze beseffen enz. ook van hun psychologischen kant worden onderzocht en bestudeerd, maar dan krijgen we slechts kennis van eene empirische werkelijkheid, die haar bestand alleen heeft in het subject. Doch zooals het in de natuurwetenschap:en in de historie |41| niet te doen is, niet in de laatste plaats althans te doen is, om kennis van de ontwikkeling der menschelijke voorstellingen, maar om de kennis der natuur en der geschiedenis zelve; zoo bedoelen wij met de studie der psychische voorstellingen in engeren zin, niet de kennis van bet proces dier voorstellingen, maar de kennis van de geestelijke wereld, waarvan die menschelijke voorstellingen de altijd onzuivere afdruk zijn. Allen nu, die deze opvatting van de geesteswetenschappen huldigen, hebben den bodem van het empirisme en positivisme verlaten en verheffen zich tot de wereld der ideeën; zij betreden de hoogten der ontologie en der metaphysica.

Wel is waar zijn er velen, die zich van deze hunne handelwijze geen rekenschap geven. Zij spreken voortdurend van de empirische, deductieve methode als de eenig ware en passen toch ieder oogenblik, bewust of onbewust, de synthetische, deductieve methode toe. Maar dat neemt niet weg, dat het dusver verkregen resultaat met het positivistisch en empiristisch begrip van wetenschap in lijnrechten strijd is. Het gaat niet aan, om van te voren te zeggen, dat men bij het wetenschappelijk onderzoek geheel onbevooroordeeld te werk gaat en van niets dan alleen zinlijk of ook inwendig waar te nemen feiten en verschijnselen uitgaat, en dan toch van den aanvang af en voortdurend allerlei onderstellingen mede te brengen, die geen vrucht van empirie zijn maar een philosophisch en metaphysisch karakter dragen. Het gaat bovenal niet aan, om in onbevooroordeelde waarneming de eenige bron van kennis te zien en toch tegelijk op logisch, ethisch, religieus en aesthetisch gebied allerlei normen te erkennen, die op volstrekte geldigheid aanspraak maken. Een van beide: er is slechts empirische, historische werkelijkheid, maar dan is er niet alleen geen godsdienst anders dan als psychologisch verschijnsel maar ook geen logica en geen ethiek, geen waarheid en geen deugd, geen schoonheid en geen recht; dan hebben ware en valsche oordeelen beide evenveel recht van bestaan, zijn beide noodzakelijk en beide producten van het ontwikkelingsproces onzer voorstellingen, evenals goede en kwade handelwijzen het noodwendig gevolg van aangeboren en verworven |42| neigingen zijn; òf er zijn absolute normen, er is boven de empirische werkelijkheid een rijk der ideeën, een rijk van het ware, goede en schoone, maar dan is ook het positivistisch en empiristisch begrip der wetenschap niet te handhaven.

Ten deele hebben de voorstanders van deze opvatting der wetenschap dit zelven erkend, in zoover zij namelijk het terrein der wetenschap beperkt en door een „onbekend land” omringd hebben. Terugdeinzende voor het materialisme, heeft het positivisme in onthouding en belijdenis van niet-weten heil gezocht. Maar het heeft de zaak, die het voorstond, daardoor niet in een gunstiger conditie gebracht. Want niet alleen blijft het op dat terrein, waartoe het zich beperkt heeft, toch aan al de bovengenoemde bezwaren onderhevig, maar het wikkelt zich bovendien nog in eene innerlijke tegenstrijdigheid. De uitspraak, dat al het metaphysische en ontologische onkenbaar is, bevat toch een inhoudrijke wetenschap. Om de onkenbaarheid daarvan te beweren, moet men er een klaar begrip van hebben. Wie zegt, dat God, dat het ware, het goede, het schoone niet gekend kan worden, spreekt daarmede in hetzelfde oogenblik uit, dat hij wel aan hun bestaan gelooft en dat hij er ook eenige kennis van heeft, n.l. zooveel kennis als noodig is, om op degelijke gronden staande te houden, dat hij ze niet kent. Agnosticisme is dus, goed beschouwd, met zichzelf in strijd, en gaat bij de voorstanders met een zeer bepaald Godsbegrip gepaard; òf het bevat de ontkenning van al het absolute maar is dan slechts een andere, minder aanstootelijke naam voor materialisme en atheisme.

Ten slotte moet daarom nog even de aandacht gevestigd worden op twee zeer onderscheidene dingen, die het positivisme voortdurend met elkander verwart. Als het n.l. zegt: tout est relatif, voilà le seul principe absolu, dan ligt daar de waarheid in, dat al onze kennis, zoo van de zienlijke als van de onzienlijke dingen, betrekkelijk, eindig, gebrekkig is. Al ons weten is stukwerk, wij kennen ten deele. Maar deze erkentenis is iets gansch anders dan de stelling van Comte, dat alles relatief is. Want er is een groot onderscheid tusschen de eigenschappen van ons |43| kennen en de eigenschappen van het object onzer kennis. Uit de eerste valt geen besluit te trekken tot de laatste. Er ligt hoegenaamd geen tegenstrijdigheid in de gedachte, dat het absolute bestaat en dat wij er toch maar eene zeer relatieve kennis van bezitten. Het relatieve wordt niet absoluut, doordat wij het eventueel absoluut, volkomen zouden kennen, en het absolute wordt niet relatief, doordat wij het slechts in relatieven, beperkten en gebrekkigen zin kennen 28). Indien men er maar niet mede bedoelt, om het bestaan van het absolute te loochenen, kan men op de relativiteit onzer kennis schier niet te sterk den nadruk leggen. Wat wij werkelijk kennen, is gering van inhoud en klein van omvang. Kant en Comte hebben ons daarvan diep doordrongen. Zij hebben, evenals de scholastiek soms, daarin gefaald, dat zij meetkunstig scherp een grenslijn hebben trachten te trekken tusschen wat exact kon geweten en op subjectieve gronden mocht geloofd worden. Zulk eene grens is er niet aan te wijzen. Zoo laat de wereld zich niet in twee helften snijden, noch de mensch in twee personen zich deelen. „Streichen wir alles hinweg, was uns in Wahrheit nur ein wissenschaftlicher Glaube ist, so schrumpft die Wissenschaft zusammen zu einem kleinen Rest von Sätzen, deren Inhalt so dürftig und unbedeutend ist, dass er die Mühe der Forschung kaum lohnt” 29). Er is geen punt aan te wijzen, waar het gelooven ophoudt en het weten begint. De inductieve methode wordt altijd van de deductieve begeleid. Aan alle wetenschap liggen metaphysische onderstellingen ten grondslag. En dat heeft objectief daarin zijne oorzaak, dat de onzienlijke dingen in de zienlijke openbaar worden en de zienlijke tot de onzienlijke opleiden. Zelfs van God, die de oorsprong aller dingen is, hebben wij eenige kennis, en het geringste, dat wij kennen van zijne werken, bevat bij voortgezet onderzoek weder een ondoorgrondelijk mysterie.


Het begrip der wetenschap.

Om een helder inzicht in het wezen en doel der wetenschap te verkrijgen, kunnen wij niet |44| beter doen dan uit te gaan van het gewone, empirische weten. Immers gaat het zijn aan het denken vooraf. Eeuwenlang heeft de menschheid geleefd, voordat de functiën van dat leven nauwkeurig in de physiologie werden onderzocht. Ze heeft gedacht, voordat de denkwetten in de logica werden uiteengezet. Ze heeft gesproken en aan talen het aanzijn geschonken, eer iemand zich bezig hield met de studie der grammatica. Ze was een rijk religieus en zedelijk, rechts- en staatsleven deelachtig, voordat eenige wetenschappelijke theorie daarover baar licht had laten schijnen. Ze bracht landbouw en nijverheid, beroep en bedrijf tot eene hooge mate van ontwikkeling, eer de wetenschap zich om hun bestaan bekommerde. Overal gaat het leven aan de philosophie vooraf. Het wetenschappelijk weten moge misschien de edelste vrucht zijn van den menschelijken geest, het is zeker niet de wortel, waaruit het leven opwast. Wel sluit heel de cultuur eene zekere mate van kennis in; godsdienst, zedelijkheid, recht, schoonheid, staat, maatschappij, nijverheid, landbouw enz. onderstellen het bewustzijn van den mensch; ze zijn alle op beseffen, voorstellingen, gedachten gebouwd. Maar de daarin neergelegde kennis is van empirischen aard, ze is vrucht van opmerkzame waarneming en practische ervaring, ze is aan wijsheid verwant en is, om zoo te zeggen, voor ieder verkrijgbaar.

Desniettemin is dit empirische weten van de hoogste beteekenis het is de voorwaarde en grondslag van heel het menschelijk leven. Uit de hoogte er op neer te zien, komt niet te pas. Wie van te voren er zich sceptisch tegenover stelt en zekerheid eerst van de wetenschap verwacht, ondermijnt het fundament, waarop alle wetenschap rust. In dit empirische weten beperkt nu de mensch zijne kennis niet tot de zinlijk waarneembare dingen, maar breidt ze ook uit tot die, welke onzienlijk en geestelijk zijn. Wij weten in het dagelijksch leven niet alleen, dat de zon in het oosten op- en in het westen ondergaat, dat de jaargetijden elkander geregeld afwisselen enz., maar wij weten evenzeer van een wezenlijk onderscheid tusschen waar en onwaar, |45| tusschen goed en kwaad, tusschen recht en onrecht, wij weten, dat stelen zonde is, dat het kwade gestraft wordt, dat het ongeoorloofd is, iets tegen het geweten te doen enz. Het begrip van het weten wordt zonder aarzeling ook op de godsdienstige en zedelijke overtuigingen toegepast; de Christen weet, dat zijn Verlosser leeft, dat hij uit den dood overgegaan is in het leven dat hij de zaligheid beërven zal enz.

Toch zijn wij ook in het dagelijksch leven er ons bewust van, dat de gronden verschillen, waarop het weten rust, en dat er dus graden van zekerheid in de kennis zijn. Algemeen wordt daarom het verschil tusschen meenen, gelooven en weten erkend. Meenen is een voor waar houden van iets op gronden, waarvan het subject zelf weer oveituigd is, dat ze onvoldoende zijn; het is een kennen, dat objectief niet evident en subjectief niet zeker is. Daarentegen is weten een kennen, dat objectief evident en subjectief zeker is; weten rust op gronden, die geacht worden voor iedereen te gelden (waarneming, bewijzen), en brengt eene zekerheid mede, die allen twijfel uitsluit. Van beide is gelooven onderscheiden. Gansch in het algemeen is gelooven een voor waar houden op gronden, die voor een bepaald subject in de gegeven omstandigheden voldoende zijn en hem daarom het twijfelen onredelijk doen voorkomen. Het geeft eene kennis, die objectief niet voor allen evident maar die toch subjectief zeker is. Niet in subjectieve verzekerdheid maar in objectieve evidentie staat het gelooven beneden het weten; als ik iets weet, behoef ik het niet meer te gelooven. Ieder gevoelt dit, als hij de beteekenis overweegt van zinnen als deze: ik geloof wel, dat het zoo is, ik geloof dat het gaat regenen, ik geloof dat de heer N. een eerlijk man enz. De gedachte is dan altijd: ik houd het er wel voor, maar ik weet het niet zeker. In dezen zelfden zin kan gelooven ook van godsdienstige, zedelijke stellingen gebezigd worden; als twee personen met elkander over de bewijzen voor Gods bestaan, over de onsterfelijkheid der ziel, over de Godheid van Christus geredeneerd hebben en de een eindigt dan ten slotte met te zeggen: alles saamgenomen, geloof ik toch wel, dat God bestaat, dat de ziel onsterfelijk is, dat Christus waarachtig God is, dan |46| is dit gelooven niets anders en niets meer dan een voor waar houden op subjectief voldoende gronden.

In en voor het leven heeft dit gelooven eene uitgebreide beteekenis. Want verreweg het meeste van wat wij weten is niet door eigen waarneming, onderzoek en redeneering, maar door geloof, door een voor waar houden op subjectief voldoende gronden ons eigendom geworden. Op zichzelf is daar ook niets tegen. De inhoud van wat wij door geloof weten, kan op zichzelf even waar zijn als wat wij door eigen waarneming en onderzoek aan kennis verwierven. Alles hangt hier af van het karakter der gronden, waarop het gelooven rust. Een van do voornaamste gronden bij het gelooven is het getuigenis van een ander. Wij gelooven datgene, wat wij zelf niet konden waarnemen, maar door betrouwbare personen vernamen; al wat buiten onzen eigen gezichtskring, valt in verleden, heden en toekomst, kan in eigenlijken zin slechts inhoud van mijne kennis worden door getuigenis van anderen, die er iets van weten enhunwetenschapmededeelen. Naarmate zulke personen betrouwbaarder zijn, wordt de waarheid van hun getuigenis boven rodelijken twijfel verheven en dus mijne kennis verrijkt. Eigen waarneming en anderer getuigenis, rede en gezag, zijn de twee bronnen, waaruit in dit leven de kennis ons toevloeit. Per visionem et fidem ad intellectum 30). |47|

Met deze empirische kennis, welke de menschheid langzamerhand door waarneming, ervaring en overlevering zich verworven heeft en die den grondslag van alle huiselijk en burgerlijk, staatkundig en maatschappelijk, godsdienstig en zedelijk leven uitmaakt, stelt zij zich echter op den duur niet tevreden. Als er eene zekere hoogte van beschaving bereikt is, als er een stand opkomt, die niet meer behoeft te arbeiden voor het dagelijksch brood, als de zintuigen genoegzaam geoefend en opmerkzaamheid en belangstelling in voldoende mate gewekt zijn; dan ontstaat bij den mensch allengs de behoefte, om zich rekenschap te geven van de verschijnselen, die zich aan hem voordoen. Hij heeft aan de empirische, dikwerf oppervlakkige en gebrekkige kennis niet genoeg, maar zet er zich toe, om de dingen methodisch en planmatig te onderzoeken; hij gaat er belang in stellen, niet alleen, om te weten dat iets is, maar ook, waarom het is en zoo is als het is hij speurt de verschijnselen na, afgedacht van het practisch nut, dat er voor het leven uit voortvloeien kan, enkel en alleen om ze te kennen, om. ze in hun oorzaak en doel, in hun wezen en verband te doorzien. Zoodra de mensch zich nu hiertoe verheft, en het weten zelf een goed gaat vinden; zoodra hij aan de werkelijkheid niet langer genoeg heeft maar de waarheid leert waardeeren als een schat, voor welks verwerving geen inspanning te groot en geen opoffering te zwaar is, wordt in eigenlijken zin de wetenschap geboren.

Dit begrip van wetenschap wordt dan altijd genomen in tweeërlei zin, in dien van wetenschappelijk onderzoek en van wetenschappelijk resultaat. Een vak van studie wordt volstrekt niet eerst dan eene wetenschap genoemd, wanneer het ideaal, de kennis der waarheid, daarin bereikt is. Want zoo verstaan is er geen enkele wetenschap, welke dien naam verdient. Schier alle vakken van onderzoek en onderwijs verkeeren voor het |48| grootste gedeelte nog in het stadium van het empirische weten; wij kennen binnen zekere grenzen de feiten en verschijnselen, maar doorzien hun wezen, hun oorzaak, hun wetten niet. Dit is volstrekt niet alleen in theologie en philosophie, in letteren en historie het geval, maar het geldt ook van de natuurkundige en de medische wetenschap. De eigenlijke geneeskunde is nog zoo goed als geheel op empirie gegrond, en physica en chemie zijn heden ten dage juist zoover voortgeschreden, dat zij erkennen, voor eene wereld van mysteriën te staan. Nauwelijks meenen wij in natuur en geschiedenis, in godsdienst en zede, in oeconomie en sociologie eene wet gevonden te hebben, of ze wordt door het ontdekken van nieuwe verschijnselen weer aan het wankelen gebracht. Daarom verstaan wij onder wetenschap in de meeste gevallen dan ook niet meer dan het wetenschappelijk onderzoek, hetzij dan beschouwd van den kant van het subject, dat het onderzoek instelt, of van den kant van het object, dat onderzocht wordt.

Wat nu binnen den kring van het wetenschappelijk onderzoek behoort, en dus in zoover op den naam van wetenschap aanspraak heeft, wordt niet apriori door ons beslist, maar wordt eigenlijk in den loop der historie aan de hand gedaan en door de geschiedenis uitgemaakt. Langzamerhand breidt het onderzoek, de kring der wetenschap, de omvang der universiteit zich uit. Met de vraag naar den laatsten grond der dingen nam in Griekenland het wetenschappelijk denken zijn aanvang, en daaruit ontwikkelden zich in geregelde orde al de problemen, die zich voordoen aan den menschelijken geest. De universiteiten zijn in de middeleeuwen niet kunstmatig, naar een tevoren vastgesteld schema, in elkaar gezet, maar zij zijn eerst als een klein stekje geplant en voorts als een levend organisme gegroeid. In den tegenwoordigen tijd verheffen zich gaandeweg de technische vakken tot de hoogte der universiteitswetenschappen, en deze zijn nog voortdurend aan eene sterke evolutie onderworpen. Er heeft in één woord in de geschiedenis een proces der wetenschap plaats, dat wel niet buiten het menschelijk denken en willen omgaat, maar daaruit toch niet te |49| verklaren is en op eene leidende idee, op eene organiseerende gedachte terug wijst. Eerst als dat proces een eind weegs gevorderd is, wordt het zelf weer een object van het wetenschappelijk denken; de mensch zoekt de idee te kennen, die heel die ontwikkeling bezielt en beheerscht.

Uit deze overwegingen wordt het groote onderscheid tusschen het empirische en het wetenschappelijke weten openbaar. Het empirische weten kent de bijzondere, op zichzelf staande verschijnselen, maar het wetenschappelijke weten zoekt het algemeene, de wet, die ze alle beheerscht, de idee, die ze alle bezielt. Het empirische weten blijft staan bij het dat, het wetenschappelijke weten tracht door te dringen tot het waarom. Het empirische weten staat in dienst van het practisch belang en vindt zijn doel in de eischen des levens; het wetenschappelijk weten streeft hoog daarboven uit, en beoogt de kennis der waarheid. Er is even groot onderscheid tusschen, als tusschen den landman, die naar voor-vaderlijke wijze zijn land bebouwt en den landbouwkundige, die studie gemaakt heeft van grond en productie; als tusschen den menschenkenner en den psycholoog; als tusschen den practischen raadsman en den gestudeerden jurist; als tusschen den godsdienstigen mensch en den theoloog.

Maar om dit onderscheid, hoe belangrijk het ook zij, mag het verband en de verwantschap niet over het hoofd worden gezien.

Er behoort hier reeds toe, dat de wetenschap, ook in haar hoogste ontwikkeling, aan het leven gebonden blijft. Men moge de wetenschap nog zoo hoog stellen; zij, die haar beoefenen, blijven gewone menschen, die van den wind niet leven kunnen. Er zouden heel wat minder bekwame mannen van wetenschap zijn, indien in vele gevallen hare beoefening niet leidde tot eene eervolle positie en een onafhankelijk bestaan. Daarmede is volstrekt niet gezegd, dat alle wetenschappelijk onderzoek slechts broodstudie is. Met de bekleeding van een hoogleeraarsambt en het genot van een voldoend inkomen kan de beoefening der wetenschap uit ongeveinsde liefde zeer wel gepaard gaan; zelfs is er een onbezorgd leven in den regel even onmisbaar voor, als er overdadige weelde schadelijk aan is. Een goed arbeider verricht |50| reeds het dagelijksch werk, waartoe hij door de behoefte aan levensonderhoud gedwongen is, met lust en met vreugde; de arbeid wordt hem zelf tot genot. Een kunstwerk dankt menigmaal zijn ontstaan aan eene onbekrompen bestelling. De leuze van de wetenschap om de wetenschap lijdt aan even groote eenzijdigheid, als die van de kunst om de kunst.

Van meer belang is nog, dat de man van wetenschap mensch blijft, niet alleen materieel, zoodat hij behoefte blijft hebben aan spijze en drank, aan deksel en kleeding, als alle andere menschen, nnaar ook in zedelijken en godsdienstigen zin. Een chemicus, die de voedende bestanddeelen der spijze kent, wordt niet door die kennis, maar, evenals de meest alledaagsche mensch, alleen door het eten dier spijzen gevoed. En zoo kan de man van wetenschap godsdienstig en zedelijk alleen blijven leven, wanneer hij datzelfde zielevoedsel tot zich neemt, hetwelk den geestelijken honger van den armsten daglooner stilt. In dit opzicht is er geen verschil tusschen den geleerdsten onderzoeker en den eenvoudigsten burger. Zij hebben beiden eene en dezelfde menschelijke natuur gemeen. In beiden woont hetzelfde onreine, arglistige hart, dezelfde bedorven wil, hetzelfde dwalende verstand, dezelfde zondige lust. En beiden hebben ook dezelfde religieuze behoeften, zijn gebonden aan dezelfde zedewet en gaan hetzelfde oordeel te gemoet. Wie dit inziet, kan erkennen, dat de wetenschap veel, maar niet, dat zij alles, dat zij het eenige in het menschelijk leven is. Naast haar blijft godsdienst, zedelijkheid, kunst hare zelfstandige plaats behouden; nooit zal de wetenschap in staat zijn, deze te vervangen of te vergoeden, niet alleen bij het volk niet, maar ook niet bij hen, die zelven aan de wetenschap zich wijden.

De bronnen, waaruit het wetenschappelijke weten zijne kennis put, zijn dan ook dezelfde als die, waaruit het empirische weten voortdurend zich, voedt. Indien de man van wetenschap toch mensch blijft in vollen zin, dan spreekt het vanzelf, dat de wetenschap met den godsdienst, met de zedelijkheid, met de kunst, met het leven in één woord, niet strijden kan. Misschien gelukt het haar, het leven te verklaren, te zuiveren, te leiden; |51| nooit kan zij het voortbrengen of mag zij het verwoesten. Landbouw, veeteelt, handel, nijverheid kunnen veel aan de wetenschap te danken hebben; zij ontstaan toch uit en bestaan voort door factoren, die in de wereld aanwezig zijn en die door de wetenschap niet worden voortgebracht. Precies hetzelfde geldt van godsdienst en zedelijkheid, van recht en gezag, van schoonheid en kunst. Deze bestaan uit en van zichzelf, zijn aan eigen wetten onderworpen en hebben elk een eigen doel. En de wetenschap heeft tot taak, dit volle rijke leven te erkennen, ervan uit te gaan, en het te verstaan in zijn wezen en waarheid.

Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat de wetenschap den inhoud van het empirische weten stilzwijgend en zonder critiek overnemen moet. Immers ook de practische kennis, door waarneming en ervaring verkregen, is lang niet onfeilbaar; zij is even gebrekkig als de volkswijsheid, in spreuken neergelegd. Voortdurend moet het empirische weten aangaande natuur en sterrenwereld, landbouw en veeteelt, godsdienst en zedelijkheid, recht en kunst door de wetenschap gezuiverd en verhelderd worden. Dwaas handelt de landman, die bij het oude zweert en van geen verandering en verbetering wil weten. Maar even eenzijdig handelt de man van wetenschap, die de practische ervaring verwaarloost en theorieën opbouwt buiten het leven om. De jurist, die met het rechtsbesef des volks geen rekening houdt, maakt zich tot wetgeving en rechtspraak onbekwaam. De medicus, die uit de hoogte op de practische ondervinding neerziet, vergeet, dat zijne geneeskunde op niets dan ervaring berust. En de theoloog, die de religieuze voorstellingen en aandoeningen der vromen waardeloos acht, ondermijnt den grondslag zijner eigene wetenschap.

Deze hooghartige houding van de wetenschap tegenover het leven komt nu daarom niet te pas, wijl zij geen enkele bron van kennis heeft of hebben kan, die ook niet voor het empirische weten open staat. Wel is waar zal de wetenschappelijke man deze bronnen meer opzettelijk en dus ook met grootere nauwkeurigheid onderzoeken, dan de gewone mensch, maar dit verandert toch niets aan het feit, dat beiden dezelfde wereld zien, |52| en haar waarnemen met dezelfde zintuigen. De denkers en wijsgeeren hebben dit menigmaal beneden hunne waardigheid geacht en zich hoog boven het „vulgus profanum” verheven. De aristocratie van vele artisten, die zich zelf voor goden houden en als „Uebermenschen” laag op de „Herdentiere” neerzien, is niet altijd ook aan de mannen der wetenschap vreemd. Soms beweerden zij, in het bezit te zijn van nog een ander waarnemingsorgaan en nog eene andere wereld te zien, dan de alledaagsche mensch. Terwijl de menigte met de zinnelijke waarneming, met het geloof, met den schijn der dingen zich tevreden moest stellen, nadden zij de speculatieve rede, de contemplatie te hunn er beschikking en verhieven zich alzoo tot de hoogte der gnosis, waar zij de ideeën der onzienlijke wereld aanschouwden van aangezicht tot aangezicht. En als deze contemplatie in een normalen weg niet bereikbaar bleek, werd soms eene kunstmatige methode van ascese bedacht, om de extase deelachtig te worden. Maar voor de wetenschap was dit altijd, evenals voor de religie en de kunst, eene gevaarlijke proefneming, die op wreede ontnuchtering en diepe teleurstelling uitliep.

Want hoe hoog het wetenschappelijk weten zich verheffe en hoe ver het zich uitbreide, nooit krijgt het eene andere wereld te zien, dan die zich uitbreidt voor aller oog en nooit beschikt het over een ander orgaan van waarneming, dan dat aan ieder mensch van nature eigen is. Niets kan door ons onderzocht en gekend worden, dan wat een bestanddeel uitmaakt van die wereld, welke in en buiten ons zich aan ons bewustzijn aanbiedt. En niets kan inhoud van ons weten worden, dan wat van te voren zich door ons waarnemen laat. Wat wij op geenerlei wijze kunnen waarnemen, wat niet langs den eenen of den anderan weg gewaarwordingen in ons wekt-en in ons bewustzijn intreedt, blijft uit den aard der zaak voor ons onkenbaar. Zelfs over het al of niet-bestaan kunnen wij dan geen uitspraak doen. Dat begrepen de Christelijke beoefenaars der wetenschap zeer goed, als zij eenparig erkenden, dat alle verstandelijke kennis met de waarneming begint; en Kant zou met zijn: „Begriffe ohne Anschauungen sind leer”, op zichzelf bij hen geen bezwaar hebben ontmoet. |53|

Maar terwijl de wetenschap aan de eene zijde zich wachten moet voor de aanmatiging, dat zij over andere waarnemingsorganen beschikt dan de gewone menscb, heeft zij aan den anderen kant op haar hoede te zijn tegen die richting, welke de betrouwbare waarneming en kennis willekeurig beperkt. In het gewone leven gaan wij er allen stilzwijgend van uit, dat voor ons volstrekte zekerheid heeft, niet alleen datgene, wat wij zien met onze oogen en hooren met onze ooren, maar ook alwat op de getuigenis van ons zelfbewustzijn berust. Wij weten, dat er eene zichtbare wereld buiten ons bestaat, en met volkomen dezelfde, met geen meerdere misschien maar in elk geval met geen mindere zekerheid, weten wij, dat er is eene wereld van onzienlijke dingen, een rijk van het ware, het goede en het schoone. Dat ligt opgesloten in ons zelfbesef, en is met ons zelfbewustzijn onmiddellijk gegeven. Wij zijn geen dieren, maar menschen, redelijke, zedelijke, godsdienstige, aesthetische wezens. Het besef van waarheid, goedheid, schoonheid is in onze natuur ingeplant; het onderscheid van waar en onwaar, van goed en kwaad, van recht en onrecht, van goddeloos en godvruchtig staat voor ons bewustzijn even vast als het onderscheid van licht en duisternis, van dag en nacht, van zuur en zoet, van geluid en stilte, van nut en schade, van aangenaam en onaangenaam. We zouden de menschelijke natuur zelve moeten vernietigen, indien wij deze beseffen wilden uitroeien. Van die beseffen gaat daarom ook ieder mensch in het leven uit. Stilzwijgend liggen ze aan al zijn denken en handelen, aan al zijn gevoelen en willen ten grondslag. Op die beseffen is het huisgezin, de maatschappij, de staat, de godsdienst, de zedelijkheid, het recht, de gansche geschiedenis en organisatie der menschheid gebouwd. En daarvan heeft dus ook de wetenschap uit te gaan.

Evengoed als het speculatieve rationalisme, is dus ook het sensrealisme te weerstaan, dat willekeurig de waarneming, de kennis der waarheid en de zekerheid beperkt, en voortdurend met zichzelf in tegenspraak verkeert. Want het gaat uit van de niet door zinlijke waarneming, maar door denken verkregen, wijsgeerige onderstelling, dat al onze kennis tot zinlijke indrukken |54| zich herleiden laat en daartoe bepelkt is. Het ziet over het hootd, dat alle zinlijke waarneming qualitatief reeds even goed, als denken en redeneeren, eene psychische en zeer gecompliceerde werkzaamheid is. Het vergeet, dat de psychische verschijnselen eene wereld op zichzelve vormen en feitelijk voor alle menschen in de practijk van het leven in dezelfde mate eene bron van kennis zijn als de verschijnselen der natuur 31). Het houdt er geen rekening mede, dat deze psychische wereld niet maar een proces van gewaarwordingen en gedachten is, maar in zich de getuigenis bevat van, heenwijst naar en den toegang tot een rijk van ideeën ontsluit, dat even reëel en even onweerstaanbaar is als de wereld, die we zien met onze oogen en tasten met onze hand. En het stelt zich daarom ten slotte in een onverzoenbare tegenstelling met de werkelijkheid en het leven, met de feiten van godsdiensten zedelijkheid, die het niet verklaart maar vernietigt of anders aan particuliere liefhebberij en willekeur prijs geeft.

Uitgangspunt, onderstelling en grondslag is dus in laatste instantie het getuigenis van ons zelfbewustzijn. Hierin ligt het onuitroeibaar besef opgesloten van eene wereld in onsen buiten ons, van ziel en lichaam, van geest en stof, van onzienlijke en zienlijke dingen 32). Natuurlijk staan deze beide werelden even |55| min objectief als subjectief dualistisch naast elkaar; hare realiteit wordt voor ons bevestigd in het eene en ongedeelde zelfbewustzijn; ziel en lichaam zijn ten nauwste vereenigd, de onzienlijke dingen worden in de zienlijke openbaar. Wij nemen de zichtbare wereld niet waar dan door eene psychische werkzaamheid; het is de geest des menschen, die ziet door het oog en hoort door het oor. En omdat de geest hier het eigenlijke agens is en van de zintuigen alleen als van organen zich bedient, kan hij den geest, de gedachte, het woord in de dingen waarnemen en kennen. Hoe de onzienlijke dingen in de zienlijke verschijnen, weten wij niet. Wat van buiten tot ons komt, zijn physisch beschouwd niets dan trillingen van lucht en aether, die de zenuwen onzer zintuigen prikkelen. Op welke wijze deze physische verschijnselen teekenen, geleiddraden, dragers van gedachte zijn en in ons psychische gewaarwordingen en voorstellingen kunnen wekken, is ons onbekend. Maar het geheimzinnige van dit verband stoot het feit niet omver. Wij ontdekken door middel van dit verband gedachte in de wereld, wet in de natuur, orde in het heelal, schoonheid in het landschap, liefde in het oog, trouw in het hart. Van alle kanten dringen zich voorstellingen aan ons bewustzijn op. Zij komen ons toe langs verschillende wegen, door oog en oor, door waarneming en denken, door gezag en rede, door autopsie en traditie. Zij wijzen terug, niet alleen op een zichtbare wereld, die ons omringt, maar ook op een ideeënrijk, dat in de redelijke en zedelijke natuur des menschen tot openbaring komt. En daarom zijn we geen onverschillige toeschouwers, maar wij waardeeren en oordeelen, keuren goed en laken, bewonderen en misprijzen, hebben lief en haten. Daarom maken |56| wij ook onderscheid tusschen waar en valsch, schiften de voorstellingen, die ons toekomen, trachten ze denkend te verwerken en stellen ons in de wetenschap de kennis der waarheid ten doel.

Het wetenschappelijk weten staat om al deze redenen niet vijandig tegenover het empirisch weten en tegenover het leven, dat daarop gebouwd is. Maar het rust daarop, gaat er van uit, onderstelt het en tracht het nu door opzettelijk onderzoek en nadenken te zuiveren, te verhelderen en uit te breiden. „Erweiterung und Berichtigung des gewöhnlichen Wissens ist der Zweck der Wissenschaft” 33). Zoover als het empirische weten, strekt dan ook het onderzoek der wetenschap zich uit. We hebben in het dagelijksche leven besef, niet alleen van een zichtbare natuur, die ons omringt, maar ook van een wereld van onzienlijke dingen, waarvan wij als redelijke en zedelijke wezens burgers zijn. Ook deze wereld is voorwerp van het wetenschappelijk onderzoek en nadenken; niet, om er door in haar bestaan |57| bewezen of ontkend, maar om er door in haar wezen en wetten doorzien en gekend te worden. Aan de wetenschap grenzen te stellen, heeft daarom zijne bedenkelijke zijde. Wel zijn er allerlei grenzen aan de wetenschap gesteld, van den kant van het subject, in den enkelen mensch niet alleen, maar ook in de menschheid. Ons kenvermogen is gebrekkig en dwalende, ons leven is kort, onze lust en energie is spoedig uitgeput. De absolute philosophie is een waan, en het progressisme, dat aan een gestadigen vooruitgang en aan een eindelijke stichting van het rijk der waarheid hier op aarde gelooft, is een chiliastische droom. Dat wij ten deele kennen, zal de belijdenis van mensch en menschheid in deze aardsche bedeeling wel blijven. Maar het is toch onmogelijk, om in de wereld der verschijnselen een cirkel te trekken, binnen welken exacte wetenschap bereikbaar zou zijn, en waar buiten eene „terra incognita” eindeloos zich uitbreiden zou. Want het is moeilijk te zeggen, waarom de dingen buiten dien cirkel van exacte wetenschap onkenbaar zouden zijn. Is het, omdat zij niet bestaan? Maar dan spreekt de onkenbaarheid vanzelf en is het trekken van een cirkel geheel onnoodig, en zelfs ongerijmd. Is het, omdat zij wel bestaan, maar van nature onkenbaar zijn? Doch dan moeten zij ook van nature ondenkbaar en dus onbestaanbaar zijn. Is het, omdat zij wel bestaan en kenbaar zijn, maar wijl ons kenvermogen er niet op ingericht en ervoor berekend is? Doch dan krijgen wij een vreemden indruk van een kenvermogen, dat ingericht is, om bepaalde, bestaande, denkbare en voor ons leven hoogst belangrijke dingen voor ons onkenbaar te maken. Kant en anderen hebben hierop geantwoord, dat God ons opzettelijk zoo geschapen heeft, opdat wij niet in het theoretisch kennen, maar in het zedelijk handelen onze bestemming zouden zoeken. Maar dit is een ontwijkend en moraliseerend antwoord. De vraag is juist, waarom ons kenvermogen op zoo vreemde wijze is ingericht, dat wij die dingen, welke wij het liefst zouden kennen, er volstrekt niet door kunnen kennen. Het zoeken naar waarheid is toch geen zonde, en de waarheid geen minder goed dan heiligheid en heerlijkheid. |58|

Doch, wat meer zegt, men kan zulke grenzen wel trekken, maar niemand houdt er zich aan. Aan ieder mensch is een „metaphysisches Bedürfniss” eigen. De wetenschap is bij de Grieken begonnen met de diepste problemen, met de vragen naar oorzaak, wezen en bestemming der dingen, en daarop loopt zij ten slotte ook weer bij alle menschen uit. Wat wij zoeken en voor ons leven noodig hebben, is eene wereldbeschouwing, die beide ons verstand en ons gemoed bevredigt. Zulk eene wereldbeschouwing nu wordt opgebouwd, niet uit gegevens der zichtbare natuur alleen, maar evenzeer uit elementen, die ons door onze inwendige ervaring aan de band worden gedaan; ze moet eenheid brengen in al ons kennen en handelen, verzoening bieden tusschen ons gelooven en weten, vrede stichten tusschen ons hoofd en ons hart. Wij gelooven aan dien vrede en zoeken er naar, omdat de waarheid met zichzelve niet strijden kan, omdat onze geest, omdat de wereld, omdat God één is. Laat het ideaal dus nog zoo ver van ons verwijderd zijn, het einddoel der wetenschap kan geen ander zijn dan de kennis der waarheid, van de volle, zuivere waarheid. Die kennis is nooit en zal nooit worden een begrijpen, hoe zou de mensch ooit tot de volmaaktheid toe den Almachtige kunnen vinden? Maar kennis is iets anders en hoogers dan begrijpen; zij sluit het mysterie niet uit en jaagt de adoratie niet op de vlucht. Met de kennis neemt de aanbidding toe. Want alle wetenschap is vertolking der gedachten, die door God in zijne werken neergelegd zijn. Schijnwetenschap kan van Hem afvoeren, echte wetenschap leidt naar Hem heen. In Hem alleen, die de waarheid zelve is, vinden wij rust, zoowel voor ons verstand als voor ons hart. In tota quippe, id est, in plena perfectione requies, in parte autem labor 34).


Natuurwetenschappen.

Wetenschap, in het algemeen en naar hare idee beschouwd, heeft dus den ganschen kosmos tot object en de gesystematiseerde kennis daarvan ten doel. |59| Zij zou dan eerst compleet zijn en haar ideaal hebben bereikt, wanneer wij het geheel der dingen kenden in zijn laatste oorzaak en doel, in zijn innerlijk wezen en verband. De wetenschap loopt uit op philosophie. En daarmede is zij historisch ook het eerst begonnen. Maar naarmate het onderzoek zich voortzette en het nadenken geoefend werd, heeft de ééne wetenschap zich in vele bijzondere wetenschappen gesplitst. Het geheel was er vóór de deelen, en uit het geheel zijn de leden van het organisme der wetenschap langzamerhand uitgegroeid en tot wasdom gekomen. En nog altijd zet dit proces der „Differenzirung” zich voort. Thans is de ééne wetenschap in zoovele groepen en vakken gesplitst, dat hare eenheid menigmaal uit het oog verloren wordt, hare beoefenaars in détailstudiën opgaan, en de universiteiten in een complex van vakscholen uiteenvallen. Gelukkig, dat in de laatste jaren voor dit gevaar der specialiseering weer de oogen opengaan, en de behoefte aan het vinculum scientiarum en aan de studie der philosophie opnieuw tot ontwaking komt.

Mits deze eenheid nooit vergeten wordt, is echter splitsing der wetenschap in eene veelheid van vakken als een gezond, normaal verschijnsel te beschouwen. Het veld van onderzoek is zoo onafzienbaar breed en wijd, dat arbeidsverdeeling beslist noodzakelijk is. Maar daarbij dient op den voorgrond te staan, dat ieder vak van wetenschap, al heeft het met de wetenschap, in haar geheel beschouwd, de idee gemeen, toch van die idee eene bijzondere toepassing is. En deze verschilt naar gelang van het object, dat zij zich ten onderzoek stelt. De wereld is één geheel en toch eindeloos verscheiden. Stof en geest, natuur en geschiedenis, mensch en dier, ziel en lichaam, kerk en staat, gezin en maatschappij, handel en nijverheid; zij hangen onderling saam, en staan met elkaar in allerlei verband. Maar zij zijn onderling ook onderscheiden, hebben elk een eigen aard en natuur, een eigen leven en wet. Deze verscheidenheid in de eenheid behooren ook de bijzondere wetenschappen in het oog te houden. In de universiteit moet zoowel de eenheid der wetenschap als ook de zelfstandigheid en de eigenaardigheid van alle bijzondere wetenschappen tot haar recht komen. Dan alleen is de |60| hoogeschool inderdaad eene universitas scientiarum. Pantheistische fusie is zoowel te vermijden als deistische verbrokkeling.

Hieruit volgt onmiddellijk, dat er niet ééne normale methode voor al de wetenschappen is. Reeds aan den aanleg en den tact van den onderzoeker stelt iedere bijzondere wetenschap hare onderscheidene eischen. Er is eene gave voor mathematische en natuurkundige, voor litterarische en juridische, voor historische en wijsgeerige studiën. Niet allen zijn voor alles en voor alles evenzeer geschikt. Er moet verwantschap bestaan tusschen subject en object. Gelijk de kunst ééne is en iedere bijzondere kunst toch weer hare eigenaardige onderstellingen en eischen heeft, zoo sluit de eenheid der wetenschap niet uit, dat ieder object van onderzoek zich weer door eene of andere eigenschap van alle andere onderscheidt.

Indien dit zoo is, dan spreekt het van zelf, dat naar gelang van den aard van het object, dat onderzocht wordt, er ook verschil zal zijn in de methode van onderzoek, in de gronden, waarop de kennis rust, en in de zekerheid, die bereikt worden kan. Niet alleen tusschen de zoogenaamde natuur- en geesteswetenschappen is er te dezen opzichte verschil, maar ook reeds in de natuurwetenschappen onderling. Wij herinneren er hier nog eenmaal aan, dat alle wetenschap, ook die der natuur op metaphysische onderstellingen rust en van algemeene, door zichzelf vaststaande waarheden uitgaat; er is natuurlijk geen wetenschap denkbaar, zonder dat van te voren stilzwijgend en zonder critiek de betrouwbaarheid der zintuigen, het objectief bestaan der wereld, de waarheid der denkwetten en de logische, ideëele inhoud der waartenemen verschijnselen aangenomen wordt. Doch terwijl wij dit verder onbesproken laten, vestigen wij er wel de aandacht op, dat er tusschen de vakken van de natuurwetenschappen zeer groot onderscheid bestaat, en dat zij dus lang niet alle naar één model gefatsoeneerd kunnen worden. Sedert Kepler en Newton is het langzamerhand gelukt, om in de astronomie de verschijnselen onder mathematische formulen te brengen; en voor een deel is dit ook in de physica, de chemie en zelfs in de physiologie bereikt. Jaloersch van de |61| zekerheid, die hier verkregen was, heeft men ook in andere deelen der natuurwetenschap naar zulk eene wiskunstige waarheid gestreefd. Er was, naar men met Oken gelooven ging, slechts ééne zekerheid, n.l. de mathematische; of volgens Du Bois-Reymond, geen ander weten dan het physisch-mathematische 35). Dus werd ook in andere wetenschappen, met name in de biologie, de eisch gesteld, dat de verschijnselen zich mechanisch-chemisch moesten laten verklaren. Maar al werd in principe deze eisch vastgehouden en het ideaal der wetenschap in eene mechanische wereldverklaring gezocht, toch kwam er al spoedig onder de natuurvorschers een heftige strijd over de grenzen der wetenschap. De verhoudingen waren toch bij de organische wezens zoo gecompliceerd, er werkten hier zoovele krachten saam, dat ze door eene eenvoudige formule, zooals de biogenetische wet of de natuurlijke teeltkeus, niet te verklaren waren. Haeckel ging daarom den éénen kant uit en vulde de gegevens der ervaring met philosophische onderstellingen aan. In zijne voordracht over Die heutige Entwicklungslehre im Verhältniss zur Gesammtwissenschaft Stuttgart 1878 erkende hij, dat zijne leer over ontstaan en ontwikkeling der organische wezens exact en experimenteel niet te bewijzen was. Want alle biologische vakken zijn uit den aard der zaak historische en philosophische natuurwetenschappen. Al is dus eene exacte mathematische bewijs-voering voor alle wetenschappen in beginsel te handhaven, voor het grootste gedeelte der biologische vakken is ze onmogelijk toe te passen. In plaats van de exacte, mathematische methode moet hier dus de historische, de historisch-philosophische haar dienst bewijzen 36). Later kwam hij nog duidelijker uit voor zijne monistische philosophie, 37) die niet, trots zijn beweren, op feiten, maar op zijn eigen subjectieve overtuigingen steunt. |62|

Maar anderen protesteerden tegen deze vermenging van natuurwetenschap en philosophie. Bastian verweet aan Haeckel, dat hij in onzen tijd van inductie en experiment weer aan de theorie een leidenden invloed op de taal der feiten wilde verschaffen en beschuldigde hem van verraad aan het heiligste beginsel van de ons allen heilige wetenschap 38). Virchow maakte strenge scheiding tusschen het speculatieve gebied der natuurwetenschappen en het feitelijk ontgonnen en volkomen vastgestelde gebied, en rekende de descendentie-theorie te behooren tot het eerste terrein 39). Du Bois-Reymond kwam tegen diezelfde verwarring op, trachtte de grenzen der natuurwetenschap aan te wijzen en rekende niet minder dan zeven wereldraadselen langs mechanischen weg onoplosbaar. 40) Haeckels „Weltrathsel” werden later dan ook, niet alleen door theologen en pbilosophen, maar ook door natuurkundigen van naam aan eene vernietigende kritiek onderworpen. En terwijl Haeckel tot Spinoza terugkeert, sluiten andere natuurkundigen zich tegenwoordig weer bij Leibniz aan. In vrij breeden kring maakt de mechanische wereldverklaring voor de organische, de teleologische, en ten deele zelfs voor de theïstische plaats. Met deze feiten voor oogen, is het moeilijk te loochenen, dat ook de natuurwetenschap onder den invloed der wereldbeschouwing, der philosophie, en dus ook onder den invloed van het geloof en het ongeloof staat 41). Terwijl ze in de negentiende eeuw eerst |63| door Hegel en Schelling in eene bepaalde richting werd geleid, is zij daarna onder de heerschappij van het darwinisme en het materialisme gekomen, en keert zij thans tot de philosophie van Leibniz terug. En hoe kan dit ook anders? Kunst, religie, staat, maatschappij, recht, zede ondergaan voortdurend den invloed van de strooming des tijds; een wonder ware het, wanneer de beoefenaren der wetenschap daarop eene uitzondering maakten. Ook zij zijn toch kinderen van hun tijd en kunnen zich van hunne omgeving niet losmaken. Dat is al niet mogelijk bij het waarnemen en constateeren der verschijnselen, maar het is nog veel minder in toepassing te brengen bij het zoeken naar de wet, die de verschijnselen beheerscht. Analyse is voor de wetenschap niet voldoende, zij moet voortdurend begeleid en aangevuld worden door de synthese. Jede Analyse, zegt Goethe, setzt eine Synthese voraus. Ein Sandhaufen lässt zich nicht analysieren; bestünde er aber aus verschiedenen Theilen, man setze Sand und Gold, so ist das Waschen eine Analyse, wo das Leichte weggeschwemmt und das Schwere zurückbehalten wird. Nur beide zusammen (Analyse und Synthese), wie das Aus- und Einatmen, machen das Leben der wissenschaft 42).

Daarom is voor de beoefening der wetenschap niet alleen een scherpe blik, een helder verstand, een noeste vlijt, een goede methode en een nauwkeurig onderzoek noodig, maar wordt er tegelijk vereischt een scheppende phantasie, eene geniale intuïtie, eene verrassende divinatie. Deze gave is het, die blijkens de historie de wetenschap telkens een stap heeft vooruitgebracht. Het zijn de genieën, aan welke niet alleen in de kunst maar ook in de wetenschap de eerste plaats toekomt. De ontdekkingen in de wetenschap zijn, niet zonder, maar toch ook niet louter door experimenteel onderzoek, doch op den grondslag daarvan door geniale „invallen” tot stand gekomen. Duizenden hebben een appel zien vallen, |64| maar het genie van Newton heeft er de wet der zwaartekracht in ontdekt. Eerst zijn deze invallen niets dan hypothesen, maar deze hypothesen, die bij de beoefening der wetenschap dus volkomen recht van bestaan hebben en zelfs onmisbaar zijn, leiden dan het verder onderzoek, en wijzen in den doolhof der verschijnselen den weg. Worden zij door de volgende waarnemingen bevestigd, dan krijgen ze den rang van theorieën en wetten. Maar ze moeten ook, hoe lief ze ons anders mochten zijn, onverbiddelijk worden prijsgegeven, als verder onderzoek ze niet steunt doch omverwerpt. Hierover kan geen verschil van meening bestaan. Zoogenaamde werkhypothesen zijn slechts zoolang van waarde, als zij de feiten verklaren. Maar menigmaal komt het voor, dat zij, ofschoon nog slechts een voorwaardelijk karakter dragende, voor vaststaande resultaten der wetenschap worden uitgegeven, of ook, nadat zij reeds lang onhoudbaar bleken, nog halsstarrig in naam der wetenschap worden gehandhaafd. De geschiedenis is overrijk aan voorbeelden, dat dusgenaamde onomstootelijke resultaten der wetenschap tegen den godsdienst werden uitgespeeld en zelve, na een korten tijd van bloei, door de voortschrijdende wetenschap verloochend en aan de vergetelheid prijs gegeven werden. Zelfs de bekende natuurwetten schijnen niet boven twijfel verheven te zijn. Het pas ontdekte radium stelt de wet van het behoud van het arbeidsvermogen op eene zware proef, en niemand weet — zoo schreef iemand onlangs naar aanleiding van deze nieuwe ontdekking — was das Schicksal sein wird der ehernen Gesetze, die die grössten Geister des 19 Jahrhunderts als das Endergebniss des Eindringens in die Geheimnisse der Natur niedergelegt haben 43).

In elk geval blijkt uit dit alles genoegzaam, dat ook de natuurwetenschap niet van de philosophie, van den invloed der subjectiviteit, van de wereld- en levensbeschouwing van den onderzoeker is los te maken. Bescheidenheid is naast waarheidsliefde eene deugd, die ook aan de mannen van wetenschap past. In mathesis, chemie, anatomie moge het verschil in levensbeschouwing zich weinig |65| doen gelden; zoodra vakken als geologie, palaeontologie, biologie, anthropologie aan het woord komen, legt geloof of ongeloof zijn gewicht in de schaal.


Geesteswetenschappen.

In sterker mate komt dit nog bij de geesteswetenschappen uit. De juistheid der onderscheiding tussoben natuur- en geesteswetenschappen is niet boven bedenking verheven. Want de natuurwetenschappen hebben het wel ter dege met de onzienlijke idee in de waarneembare verschijnselen te doen, en komen ook alleen door den denkarbeid des geestes tot stand; en de geesteswetenschappen bouwen de waarheid niet door philosophische constructie uit de ideeën der rede op, maar zijn in haar arbeid van het begin tot het einde aan waarneembare verschijnselen, aan handschriften, monumenten, producten van kunst en litteratuur, aan historische en bestaande instellingen gebonden. Doch, dit zij zooals het zij, met de dusgenaamde geesteswetenschappen is het heden ten dage zeer eigenaardig gesteld. Velen zitten er verlegen mede, en weten niet wat ze zijn en welke plaats ze in de wetenschap dienen in te nemen. Het spreekt toch vanzelf, dat, als de natuurwetenschappelijke methode, zooals die tegenwoordig meest verstaan wordt, de eenig-ware is, de geesteswetenschappen òf geen wetenschappen meer zijn òf door de natuurwetenschappen zich de wet moeten laten stellen. Tot dusver verkeerden de geesteswetenschappen toch alle, om nog eens met Comte te spreken, in de theologische of metaphysische phase. Wie God niet meer erkende als de bron van recht en wet, nam toch nog een fonds van zedelijke beseffen in de menschelijke natuur aan, welke aan de geesteswetenschappen ten grondslag lagen, en bij hare beoefening tot leiddraad strekten. Maar als alle theologie en metaphysica uit de wetenschap verwijderd moet worden, behooren ook de geesteswetenschappen, tenzij zij haar bestaan willen prijs geven, in de positieve phase over te gaan. Doch het baart geen verwondering, dat velen tegen deze consequentie opzien, want de voorgestelde verandering zou niets minder inhouden, dan dat de geesteswetenschappen in natuurwetenschappen |66| werden omgezet. Het voorstel is daarom gedaan, om de geesteswetenschappen voortaan naast de natuurwetenschappen als „Geschichtswissenschaften” te handhaven 44).

Deze indeeling verdient den lof, dat zij het onderscheid inziet tusschen natuur en geschiedenis, tusschen empirische en historische methode, en dit belangrijk onderscheid ook in de wetenschap erkennen en eerbiedigen wil. Maar op juistheid kan ze toch geen aanspraak maken. Want ten eerste is de grens tusschen natuur- en geschiedwetenschap niet dan zeer willekeurig te trekken. Windelband zegt, dat beide formeel verschillen; de natuurwetenschap zoekt naar algemeene wetten, de geschiedwetenschap naar bijzondere feiten; gene heeft het apodictische, deze het assertorische oordeelt ten doel; daar is het denken nomothetisch, hier idiographisch. Maar zelf moet hij, doorredeneerende, erkennen, dat een en hetzelfde object, zooals bijv. geologie, astronomie, nomothetisch en idiographisch behandeld kan worden. Ieder vak van wetenschap heeft een historisch en een systematisch deel; de natuurwetenschap kan in geologie, palaeontologie, geographie enz. de historische methode niet missen, en de geschiedwetenschap bepaalt zich volstrekt niet tot de bijzondere feiten, maar zoekt in die feiten naar de idee, die ze beheerscht.

Daarbij komt in de tweede plaats, dat bovengenoemde indeeling er toe leidt, om de psychologie geheel tot de natuur-, en religie, moraal, recht, kunst geheel en al tot de geschied-wetenschap te brengen. Daarmede wordt aan de psychologie geweld aangedaan. Want al is er tusschen het physische en het psychische een onmiskenbaar verband, even zeker is, dat zij wezenlijk onderscheiden zijn. Dit diepgaand verschil wordt over het hoofd gezien, als de psychologie bij de natuurwetenschap wordt ingelijfd. Maar als dit verschil bij de indeeling der psychologie niet in aanmerking |67| komt, kan het ook bij de groepeering van die vakken, die zich met religie, zeden, kunst, letteren bezig houden, den doorslag niet geven. Geeft men daarop ten antwoord, dat de voorgestelde indeeling hoegenaamd niet door den aard van het object, maar enkel en alleen door het volgen van de empirische of van de historische methode bepaald wordt, dan komt niet alleen de bedenking weer boven die zoo even in de eerste plaats werd genoemd, maar dan vergeet men bovendien, dat de methode juist door den aard van het object wordt bepaald.

Nog ernstiger is in de derde plaats het bezwaar, dat, als de wetenschappen, die religie, moraal, recht enz. tot inhoud hebben, uitsluitend de historische methode mogen toepassen, zij haar normatief karakter ten eenenmale verliezen. De natuurwetenschap kan wetten opsporen, zij mag nomothetisch optreden; maar de geschiedwetenschap heeft er zich, volgens Windelband, toe te bepalen, om de religieuze, ethische, aesthetische verschijnselen „zu voller und erschöpfender Darstellung zu bringen”; zij legt het alleen op „Anschaulichkeit” toe, en stelt er zich mede tevreden, om den vollen rijkdom van het menschenleven, zooals dat in godsdienst, zede, recht, taal, kunst aan den dag treedt, op aanschouwelijke wijze te beschrijven. Natuurlijk verliest alle beoordeeling en waardeering daarbij haar recht, of behoudt hoogstens alleen een subjectief karakter. Geloof en ongeloof, godsvrucht en goddeloosheid, liefde en haat, recht en onrecht, goed en kwaad, waarheid en leugen, hebben alle gelijk recht van bestaan; zij zijn alle. in den loop der geschiedenis, op hun plaats; een absolute maatstaf is er niet meer 45). Al deze wetenschappen zeggen niet meer, wat als godsdienst, zede, recht enz. gelden moet, maar alleen, wat als zoodanig tot op den huidigen dag gegolden heeft.

Maar, ten slotte, bij dit descriptief karakter kunnen de genoemde wetenschappen toch niet blijven staan. Men kan het wel wenschen, maar streeft naar iets onbereikbaars. Ieder verwacht |68| van deze wetenschappen, dat zij zeggen zullen, wat als godsdienst, zede, recht voor ieder mensch te gelden heeft. De natuur en het leven van den mensch is te sterk, dan dathij aan deze verwachting het zwijgen zou kunnen opleggen. Philosophie staat, volgens de klassieke opvatting, ten nauwste met levenswijsheid in verband. En al zou de menschheid dit niet van de genoemde wetenschappen verwachten, deze zouden zich zelve niet aan dien eisch kunren onttrekken. Want wetenschap is het om waarheid te doen. Zij heeft aan de werkelijkheid niet genoeg, zij wil waarheid,en daarmede norma, wet en gezag. Dat komt ook nog uit in het streven van hen, die alle wetenschap positief en historisch willen maken. Omdat zij echter den absoluten maatstaf tot beoordeeling van goed en kwaad hebben prijsgegeven, trachten zij aan historie en statistiek de gegevens te ontleenen, die bepalen, wat in de toekomst voor waarheid, recht, zedelijkheid enz. gehouden moet worden. The greatest happiness of the greatest number wordt de norma voor religie en moraal, voor logica en aesthetica. Op zichzelf beschouwd, is alles Privatsache, een quaestie van aanleg en smaak, van karakter en opvoeding.

Maar wijl dit beginsel tot bandelooze willekeur zou leiden, moet het individualisme door het socialisme beteugeld worden. De wetenschap, vertegenwoordigd in een areopagus van geleerden, moet dus voor ieder uitmaken en vaststellen, wat op grond van historische en statistische gegevens als waarheid en recht te gelden heeft. Zij heeft het hoogste gezag. Vroeger heeft kerk en staat, godsdienst en priesterschap de menschheid geregeerd; maar thans is de beurt aan de wetenschap, om op te treden als „Wohlthäterin der Völker und Befreierin der Menschheit” 46). Zij moet thans met autoriteit de dogmata afkondigen, die de leer en het leven der menschen bepalen 47). Zij moet op grond van historische en statistische gegevens vaststellen, of monotheisme dan wel polytheisme, of waarheid dan wel leugen, of huwelijk dan wel vrije liefde de voorkeur verdient. De eenige macht, zegt Clavel, |69| die het privilege heeft, om geloof en gehoorzaamheid te bevelen, is la loi scientifique. Nul ne la repousse, s’il n’est idiot. De moraalwetenschap moet op grond van feiten voor familie, volk en menschheid vaststellen, wat goed is en daaraan moet elk gehoorzamen 48). Als de maatschappij bij de leugen meer voordeel had dan bij de waarheid, zouden beide haar plaats moeten verwisselen, want de mensch is er niet om de waarheid, doch de waarheid om den mensch, gelijk zij ook uit en door hem is 49). De eeuwigheid der zedelijke wetten bestaat alleen in haar eeuwig worden 50). Tot het volgen zijner sociale instincten moet de staat volgens sommigen den mensch desnoods dwingen met geweld.

Zoo leidt het positivisme, op de geesteswetenschappen toegepast, niet alleen tot ondermijning van de grondslagen voor het menschelijk leven, maar ook tot eene wetenschappelijke hierarchie, die op zeer ernstige wijze onze vrijheid bedreigt. En. deze hierarchie is hier te ondragelijker, omdat zij ten slotte op niets dan willekeur uitloopt. Immers is het gemakkelijk in te zien, dat de positieve, empirische methode in de geesteswetenschappen voor geen toepassing vatbaar is. Zelfs bij de natuurwetenschappen leed zij schipbreuk, omdat alleen de verbinding van analyse en synthese tot wetenschap leidt. Maar in de geesteswetenschappen staat hare toepassing met vernietiging dier wetenschappen gelijk. In beginsel wordt dat nog toegestemd door allen, die de wetenschap in natuur- en geschiedwetenschap indeelen en dus naast de empirische nog de historische methode handhaven. Maar indien deze historische methode zich waarlijk van de empirische methode onderbeheidt, dan is op het gebied der geesteswetenschappen nooit zulk eene zekerheid te verkrijgen, als ten minste voor een deel in de natuurwetenschap bereikbaar is. Historie toch rust altijd op menschelijke, feilbare getuigenissen, die, bij alle critiek, ten slotte in geloof moeten worden aangenomen; zij kan het dus nooit brengen tot mathematische |70| zekerheid 51). En daarbij komt, dat wij in de geschiedenis een gebied betreden, dat niet door natuurwetten wordt beheerscht, maar waar de persoonlijkheid en vrijheid des menschen haar invloed doet gelden. Wel zijn er historici, die ook op dit terrein de empirische methode toepassen en vaststaande natuurwetten trachten te ontdekken; maar dit streven is nog allerminst met gunstigen uitslag bekroond. Veeleer zijn de wetten, die men eerst in religie, zede, kunst, in de ontwikkeling van staat en maatschappij meende gevonden te hebben, bij voortgaand onderzoek weder van onwaarde gebleken, en tot niet veel meer dan eene zekere typische regelmatigheid en rythmische periodiciteit in de gebeurtenissen herleid 52). Daarom zijner dan ook, die aan de geschiedenis het wetenschappelijk karakter betwisten, en zelfs het onderwijs in dit vak ondoelmatig en weinig vruchtbaar achten 53).

De geesteswetenschappen zijn dan alleen in hare zelfstandigheid te handhaven, als zij uitgaan van die waarheids-, zede- en rechtsbeseffen, die in onze natuur gegeven zijn. In zekeren zin zijn ook de objecten van de natuurwetenschappen voor ons slechts aanwezig in den vorm van voorstellingen in ons eigen bewustzijn. Wij kunnen de buitenwereld nooit nabij komen dan door onze voorstellingen heen. Maar toch is er, gelijk boven reeds werd opgemerkt, een groot onderscheid. Terwijl de natuurwetenschappen, door de voorstellingen heen, altijd streven naar kennis van de buitenwereld, hebben de geesteswetenschappen tot inhoud „die unmittelbare Erfahrung, wie sie durch die Wechselwirkung der Objekte mit erkennenden und handelnden Subjekten bestimmt wird” 54). Voor de geesteswetenschappen gelden de voorstellings-objecten en de deze begeleidende subjectieve bewegingen als onmiddellijke werkelijkheid, en deze zoeken zij in haar oorsprong en wezen te |71| verklaren. Dit mag niet met het psychologisme in dien zin verstaan worden, dat de geesteswetenschappen niet anders dan bewustzijnswetenschappen en dus bestanddeelen der psychologie zouden zijn. Want al is het ook, dat zij evenals alle wetenschap, haar wortelen in het zieleleven hebben, zij streven toch naar eene kennis van de werkelijkheid, die objectief bestaat, maar slechts psychisch bestaat en daarom ook alleen door onze psyche waargenomen en gekend kan worden. In philologie, historie en philosophie, in rechts-, staats- en gezelschapsleer is het altijd te doen om de kennis van den mensch naar zijn inwendige, onzichtbare, geestelijke zijde. Doch niet alleen om de kennis van wat hij is, maar dan verder, evenals bij de medische wetenschap, om de kennis van wat hij individueel en sociaal, in gezin en staat behoort te zijn. Al deze wetenschappen hebben niet alleen een historisch, maar ook een systematisch deel. Maar deze taak kunnen zij niet vervullen, zonder dat zij uitgaan van de waarheid dier beseffen, die in de menschelijke natuur gegeven zijn. Philologie is niet mogelijk zonder de onderstelling, dat in de taal logos schuilt. Historie is niet te beoefenen, tenzij van te voren vaststa, dat de gebeurtenissen door eene idee beheerscht en naar een doel worden heengeleid. Psychologie is alleen in hare zelfstandigheid te handhaven, wanneer de psychische verschijnselen wezenlijk van de physische verschillen. Moraal en aesthetica verliezen haar wetenschappelijk karakter, als de normen van goed en kwaad, van schoon en onschoon worden prijsgegeven. En de rechtsgeleerdheid verliest haar eereplaats, indien zij geen maatstaf van het recht bezit en daaraan het bestaande recht toetsen kan.

Wel is waar zijn deze wetenschappen geen speculatieve wetenschappen, die taal en zede, recht en wet, staat en maatschappij uit apriorische beginselen opbouwen. Zij zijn wel terdege aan de psychische wereld, gelijk die in al deze verschijnselen zich openbaart, gebonden. De rechtswetenschap heeft het bestaande recht te onderzoeken en vindt daarin haar stof en object gegeven. En zoo is het met alle geesteswetenschappen; in zekeren zin zijn ze positief, dat wil zeggen, ze vinden haar object voor zich liggen in de werkelijke wereld. Zelfs de philosophie verliest zich |72| in ijdele bespiegelingen, als ze de gegeven werkelijkheid versmaadt. Maar om die psychische wereld, die buiten ons bestaat, te leeren kennen en beoordeelen, hebben wij van de getuigenis van ons bewustzijn, van ons eigen psychisch bestaan, van onze zielsbeseffen en van de daarin geponeerde realiteit der ideeën uit te gaan. Ook voor de geesteswetenschappen staan geen andere bronnen van kennis open, dan voor het gewone, empirische weten, op hetwelk heel de psychische wereld is gebouwd. Indien zij deze versmaadt, doemt zij zichzelve tot onvruchtbaarheid, roept zij een heilloos conflict in het leven en werkt aan haar eigen ondergang. Huisgezin, staat en maatschappij, taal, recht en zede zijn op die zielsbeseffen gegrond.

Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat de wetenschap zich eenvoudig, zonder critiek, bij het bestaande heeft neer te leggen. Maar om op het bestaande critiek, ware en zuivere, critiek te oefenen, moet zij juist in het bezit van een maatstaf zijn, die voor geen inkrimping of uitzetting vatbaar is. Deze is in het getuigenis van ons bewustzijn gegeven. Hier vindt elk mensch, of hij wil of niet, de erkentenis van eene waarheid, goedheid en schoonheid, welke verre boven de empirische werkelijkheid uitgaat. Elk mensch is burger van nog een ander rijk dan dat der natuur; hij is onderdaan van de zedelijke wereldorde, hij is een redelijk en zedelijk wezen en kan en mag zich niet van zichzelven ontdoen. Hierin ligt het wezen, de grootheid, de heerlijkheid van den mensch. Hoe meer we deze hoogere natuur des menschen indenken, hoe meer wij als Kant met bewondering voor haar vervuld worden. En elk bezwaar, om van baar realiteit uit te gaan, verdwijnt als sneeuw voor de zon. Want indien wij in dit opzicht niet aan onszelf mogen gelooven, wat reden zouden wij dan hebben, om het getuigenis van ons bewustzijn aan te nemen, als het betrekking heeft op de wereld buiten ons? Op het innigst zielsbesef, op de diepste overtuiging, op den adel onzer menschelijke natuur, op de majesteit van het subject, gelijk de Minister van Binnenlandsche Zaken het onlangs in der Tweede Kamer noemde, rust alle, rust inzonderheid alle geesteswetenschap. En dan alleen kan de wetenschap, niet in plaats |73| van, maar naast den godsdienst, eene weldoenster der menschheid zijn, als zij deze redelijke en zedelijke natuur der menschheid erkent en in het geloof daarop voortbouwt.


Godgeleerde wetenschap.

Bij de theologie, die in de laatste plaats nog eenige oogenblikken onze aandacht vraagt, treedt dit alles nog veel duidelijker aan het licht. Onder den indruk van Kants critiek van het kenvermogen en uit vreeze voor de stoute taal der moderne wetenschap, hebben velen zich tot eene gewaagde concessie laten verleiden. Zij gaven toe, dat er geen kennis van God te verkrijgen was en dat de godgeleerdheid dus als zoodanig op den naam van wetenschap geen aanspraak kon maken. Zij drongen er daarom op aan, dat de faculteit van godgeleerdheid in eene faculteit van godsdienstwetenschap zou worden omgezet, en zagen in de wet op het hooger onderwijs van 1876 hun wenschen vervuld. De voorstanders van deze verandering waren er allen oprecht van overtuigd, dat zij de theologie voor alle aanvallen op haar zelfstandig wetenschappelijk karakter beveiligd hadden, als zij haar niet de kennis van God maar van den godsdienst tot object gaven. Immers is de godsdienst een verschijnsel in de geschiedenis der menschheid, welks bestaan en beteekenis door niemand ontkend kan worden.

Dit laatste is volkomen juist; maar eene andere vraag is, of de godsdienstwetenschap daarmede als eene zelfstandige faculteit gerechtvaardigd is. Te oordeelen naar den toon, waar op de beschaafden en ontwikkelden zich menigmaal over deze nieuwe wetenschap uitlaten, en naar de houding, welke zij tegenover haar aannemen, kan men niet zeggen, dat de verandering haar ten goede gekomen en aan hare eerbiediging bevorderlijk is geweest. Vele mannen van wetenschap vinden het bijzonder aangenaam, dat de theologen van professie het hun zoo gemakkelijk maken in de bestrijding van het Christelijk geloof; maar eene hartelijke erkenning van het goed recht van den godsdienst wordt zelden van hun lippen gehoord. Zeker mag de geschiedenis der godsdiensten zich in bijzondere belangstelling verheugen, maar |74| zoodra de poging ondernomen wordt, om uit de geschiedenis der godsdiensten tot een voor dezen tijd passenden godsdienst te komen, maakt de belangstelling voor onverschilligheid, soms zelfs voor spottende minachting plaats. Van de moderne religie en theologie zijn de beschaafden even weinig als het volk gediend. De wetenschappelijke reputatie van de theologie is door hare metamorphose in godsdienstwetenschap niet bijster gestegen.

Dit is ook niet moeilijk te begrijpen, want de gedaanteverwisseling is maar ten halve geschied en wekt daardoor naar rechts en naar links den indruk, van iets halfslachtigs te zijn. In de combinatie van vakken, die de wet op-het hooger onderwijs onder de godsdienstwetenschap rangschikt, ligt daarvan reeds een overtuigend bewijs. Want ten deele zijn die vakken aan de oude faculteit van theologie, ten deele ook aan de nieuwe faculteit van godsdienstwetenschap ontleend; en op deze verwarring wordt dan nog de kroon gezet, door de nieuwe lading te laten varen onder de oude vlag; de nieuwmodische faculteit is godsdienstwetensebap en wil dat zijn, maar zij draagt toch den naam van godgeleerdheid. Niet minder sterk komt het halfslachtig karakter der godsdienstwetenschap uit in de taak, die zij op zich noemt, en het doel, dat zij beoogt. Immers is zij niet uitsluitend bestudeering van de geschiedenis der godsdiensten, maar zij wil door die studie ook komen tot de kennis van den oorsprong, en het wezen van den godsdienst. Met de historie beginnende, loopt zij toch op eene dogmatiek, op eene wijsbegeerte van den godsdienst en van de zedekunde uit. Maar naar de hedendaagsche opvatting van de wetenschap is er, gelijk wij boven gezien hebben, alleen voor de empirische en hoogstens daarnaast nog voor de historische methode plaats. Van eene dogmatiek, die het wezen en de waarheid der religie in het licht stelt, kan er naar veler begrip van wetenschap geen sprake zijn. Indien de godsdienstwetenschap daar toch toe komen wil, geeft zij op datzelfde oogenblik het wetenschappelijk karakter prijs, welks handhaving de aanleiding voor hare metamorphose was. Want langs zuiver empirischen en historischen weg kan men tot geen dogma aangaande den godsdienst komen. Als de |75| godsdienstwetenschap daarop uitloopt en uitloopen wil, dan is dit alleen daaruit te verklaren, dat zij niet maar van het feit van den godsdienst, maar van eene bepaalde waardeering van dat feit uitgaat. Was het haar alleen om de kennis van het historisch verschijnsel van den godsdienst te doen, dan kon en moest de studie daarvan bij de litterarische faculteit onder dak worden gebracht. Indien ze eene zelfstandige faculteit wil zijn, dan ligt daaraan ten grondslag, dat de godsdienst voor haar meer is dan een zuiver historisch verschijnsel. Zij gaat dan uit van de onder stelling, dat de godsdienst niet maar historische werkelijkheid doch dat hij objectieve waarheid is geen waan, geen inbeelding geen ziekteverschijnsel, maar een noodzakelijk gegeven der men schelijke natuur, eene hebbelijkheid, eene deugd, die behoort tot het wezen van den mensch, die recht en reden heeft van bestaan.

Deze onderstelling nu is van zoo groot gewicht en van zoo rijken inhoud, dat, formeel genomen, voor de moderne theologen alle reden vervalt, om zich op hun onbevooroordeelde wetenschappelijkheid te verhoovaardigen en op de orthodoxen neder te zien als dezulken, die zich benauwd in hunne dogmata opsluiten. Want deze onderstelling is niets dan één, principiëel, alles beheerschend, heel de wetenschap van te voren bindend dogma. Wat ligt er toch al niet in opgesloten? Indien de godsdienst objectieve waarheid is, dan spreekt het vanzelf, dat alle godsdiensten, die in de menschheid voorkomen, niet alle en niet alle in dezelfde mate waarheid kunnen zijn. Want godsdiensten hebben dit eigenaardige, in onderscheiding b.v. van de talen, dat ze lijnrecht tegenover elkander staan, dat de een voor leugen acht wat den ander voor waarheid geldt, dat ze elkander veroordeelen en bestrijden ten bloede toe. In weerwil van haar beweerde verdraagzaamheid, maakt de moderne religie daarop geen uitzondering. Ze moge in het afgetrokkene beweren, dat alle godsdiensten openbaringsvormen zijn van den éénen godsdienst, dat geen enkele daarvan de volle waarheid bezit, dat het niet op de leer maar op het leven aankomt; in de practijk bestrijdt zij de Roomsche, de Gereformeerde kerk en belijdenis enz. even sterk, als iedere richting op godsdienstig gebied dat de andere doet. |76| En dat kan ook niet anders. Als men van de waarheid van eigen belijdenis in zijne ziel overtuigd is, kan men eene andere confessie, die daarmede strijdt, niet met rust en vrede laten. Want in de religie gaat het altijd voor den mensch om het hoogste goed; zij is met zijn innigst wezen saamgeweven en kan niet neutraal zijn. Orthodoxie en modernisme kunnen niet tegelijk beide waar zijn; indien de eerste gelijk heeft, is het ongelijk aan den anderen kant, en omgekeerd. De moderne theologie gaat dan ook niet alleen van de onderstelling uit, dat de godsdienst in het algemeen objectieve waarheid is, maar zij huldigt ook eene bepaalde opvatting van den godsdienst, en heeft haar eigen religie. Immers belijdt zij, dat die religie de ware is, welke in de verschillende godsdienstvormen tot openbaring komt, daarin een ontwikkelingsproces doorloopt, en in het Christendom, daarna in de Reformatie en nu eindelijk in den godsdienst der modernen hare zuiverste uitdrukking heeft gevonden. Nu doet het er op dit punt van ons betoog niets toe, of de moderne religie in staat is, om tot eene min of meer omschreven belijdenis, tot eene kerkelijke organisatie en tot een eigen cultus te leiden. Laat ze desnoods naar de opvatting der Romantiek in niets dan stemming bestaan en van alle voorstelling en handeling worden losgemaakt — wat echter in absoluten zin wel door geen enkel modern theoloog beweerd zal worden en ook op zichzelf onmogelijk is, — ook zoo beschouwd vertegenwoordigt de moderne theologie eene eigen opvatting van de religie. Zij gelooft niet alleen aan de waarheid van den godsdienst in het algemeen, maar zij is er ook van overtuigd, dat die opvatting van de religie, welke zij huldigt, de ware is, dat m.a.w. alle godsdienstvormen in haar oog gebrekkig en onzuiver zijn, en dat haar religie de zuiverste en de hoogste van alle is.

Maar in de onderstelling, waarop de faculteit van godsdienstwetenschap is gebouwd, ligt nog iets anders opgesloten, dat van meer beteekenis is. Indien wij niet met woorden willen spelen, maar ons ernstig rekenschap geven van den inhoud onzer belijdenis, dan ligt in het geloof aan de objectieve waarheid van den godsdienst ook het geloof aan God, aan zijn persoonlijk |77| bestaan, begrepen. Want dit is toch voor geen tegenspraak vatbaar: als er geen God is, is godsdienst, is dienen van God dwaasheid, en omgekeerd, als godsdienst waarheid is, is het bestaan van God daarmede tegelijk vastgesteld. Theologie in den zin van kennisse Gods is het hart der religie. Indien de godsdienstwetenschap niet zuiver empirisch en historisch wil zijn in welk geval zij in de faculteit der letteren zou thuis behooren maar, zij het dan ook al langs den weg van dat empirisch en historisch onderzoek, tot kennis van den godsdienst wil komen, dan onderstelt zij de waarheid der religie en daarin ook noodzakelijk het bestaan van God. Maar voorts is van dat bestaan Gods, dat in en met de waarheid der religie wordt aangenomen, wederom het geloof aan de kenbaarheid Gods onafscheidelijk; want een God, die niet in eenige mate kenbaar zou zijn, is practisch voor ons gelijk aan een God, die niet bestaat. En eindelijk, als God, in hoe zwakke mate dan ook, kenbaar is, dan is dat alleen daaruit te verklaren, dat Hij zich geopenbaard hebbe, want wat wij absoluut niet kunnen waarnemen, kunnen wij ook niet kennen; en wat wij volstrekt niet kennen, kunnen wij ook niet liefhebben en niet dienen. De moderne godsdienstwetenschap, die, als bijzondere faculteit, op de onderstelling van de waarheid der religie rust, neemt daarin tegelijkertijd en van te voren het bestaan, de openbaring en de kenbaarheid Gods, aan. Dat is met andere woorden, zij steekt nog halverwege in de metaphysica, en is boven het supranaturalisme maar gedeeltelijk uitgegroeid. Trouwens, naturalisme en godsdienst zijn onvereenigbaar. Alle godsdienst is supranaturalistisch, onderstelt, dat God transcendent is boven de wereld, van de wereld wezenlijk onderscheiden, en dat Hij toch in die wereld indaalt, en zich, al was het alleen in het gemoed van den vrome, openbaart. De bede om een rein hart, heeft Pierson terecht gezegd, is even supranaturalistisch als het gebed om herstel van een kranke 55).

Formeel is er in dit alles tusschen modernen en orthodoxen geen verschil. Er is geen wetenschap van den godsdienst, tenzij |78| God besta, kenbaar zij en zich geopenbaard hebbe. Onwaar en oppervlakkig is het dus, als de een tot den ander zegt: bij u is het dogmatisme, maar bij mij is de wetenschap; gij zijt bevooroordeeld en partijdig, maar ik ga bij mijn onderzoek gansch onbevangen te werk en neem niets aan dan op bewijs. En ook gaat de redeneering niet op, als dezelfde beschuldiger zou gelieven te zeggen: wel is waar ga ook ik van eenige onderstellingen uit, maar, terwijl gij uw onderstellingen trots alle resultaten der wetenschap ten einde toe vasthoudt, beschouw ik ze slechts als werkhypothesen en ben bereid, ze prijs te geven, zoodra de wetenschap hare onhoudbaarheid aantoont.

Want als die onderstellingen eenvoudig werkhypothesen zijn, die met het religieuze leven blijken niet samen te hangen, dan geeft de orthodoxe die even gaarne en gewillig prijs als de moderne. Natuurlijk zal geen van beide dat doen, zoodra de eerste de beste geleerde maar zijne stem laat hooren. Hij zal wikken en wegen, beproeven en onderzoeken. Wie de geschiedenis der wetenschap, zij het maar in de laatste eeuw, nagaat, leert het af, om op het eerste gerucht vervaard te worden; hij wordt kalm tegenover de zoogenaamde resultaten der wetenschap gestemd, en wordt van hare menschelijke zwakheid en feilbaarheid hoe langer hoe meer overtuigd. Maar als het werkelijke en echte resultaten der wetenschap zijn, neemt de orthodoxe die even gaarne als de moderne aan. Er is niemand, die de ontdekkingen en uitvindingen der wetenschap in de laatste eeuw niet dankbaar erkent en geniet. Aan werkhypothesen voelt geen enkel man van wetenschap zich in zijne conscientie gebonden.

Maar gansch anders, komt de zaak te staan, als de onderstellingen, waarvan wij bij ons wetenschappelijk onderzoek uitgaan, geen werkhypothesen zijn, maar overtuigingen, die wortelen in het diepst onzer ziel en met ons intiemste leven zijn saamgegroeid. Zoolang een mensch deze koestert, kàn hij ze niet op hetzelfde oogenblik als werkhypothesen beschouwen, die hij bereid is prijs te geven voor de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek. Wie met Asaf jubelt: wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij ook niets op de aarde! kàn niet |79| tegelijkertijd zeggen: dit geloof is maar eene werkhypothese, ik laat ze varen, zoodra de wetenschap mij er de onhoudbaarheid van aantoont. En als hij zoo sprak, dan zou hij daarmede bewijzen, dat hij niet waarachtig geloofde maar een huichelaar was. Te dezen aanzien is er tusschen Roomschen en Protestanten, modernen en orthodoxen geen verschil. Allen, die den godsdienst op prijs stellen, en in de gemeenschap met God hun hoogste zaligheid vinden, kunnen niet neutraal en onbevangen zijn tegenover al wat de wetenschap gelieft te verkondigen. Veeleer zullen zij allen uit éénen mond zeggen: dit teederste en heiligste, dat ik in het diepst van mijn gemoed bezit, kàn de wetenschap mij niet ontnemen. Daar moet ze àf blijven, dat ligt buiten haar terrein. En indien zij het toch doet, dan gaat ze haar bevoegdheid te buiten en verraadt zij zich als valsche wetenschap. Duizenden geleerden en alle mannen van naam in den tegenwoordigen tijd mogen zeggen, dat mijn geloof dwaasheid is. Van de wetenschap, die thans in de mode is, beroep ik mij op de wetenschap, die de eeuwen verduurt.

Dat is de taal des geloofs, en zoo spreken allen, voor wie de godsdienst nog objectieve waarheid is. Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat zulke menschen voor geen verandering van overtuiging meer vatbaar zijn. Al is het regel, dat iemand sterft in de religie, waarin hij opgevoed werd, toch hebben er telkens op het gebied der zending en in de gevestigde kerken allerlei overgangen plaats. Roomschen worden Protestant en omgekeerd; modernen zien hunne gelederen uit rechtzinnige kringen versterken. Maar van welken aard zijn die overgangen? zijn ze gelijk aan de veranderingen, die op wetenschappelijk terrein de eene hypothese, nadat ze onhoudbaar bleek, voor de andere doen inruilen? Niemand, die dit zal durven beweren. Als een Roomsche tot de Protestantsche religie, als een moderne tot de orthodoxe belijdenis overgaat, dan is dat, wanneer althans zulk een overgang in volle, subjectieve oprechtheid en uit overtuiging geschiedt, gevolg van eene godsdienstig-zedelijke crisis, die er in het diepst van zijn zieleleven heeft plaats gehad. De Christen, die door de Schrift zich laat onderwijzen, belijdt zelfs, dat tot |80| het geloof in Christus als zijn Heiland en Heere niemand komt dan die uit God is geboren. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes zijn. Om het koninkrijk der hemelen te zien, moet men wedergeboren, zijn uit water en Geest. En wie later uit de Christelijke gemeente heengaan, bewijzen daardoor, dat zij nooit in waarheid tot haar hebben behoord. De aard dezer verandering bewijst, dat het met de religie gansch anders staat dan met de wetenschap. De proefneming met, eene nieuwe werkhypothese heeft met de zedelijke verandering, die ons in den godsdienst tot eene andere belijdenis brengt, niets uit te staan. Zij verschillen van elkander hemelsbreed. Vooróórdeelen wil ieder ernstig man gaarne prijsgeven, wanneer hij beter ingelicht wordt. Maar er is geen in waarheid godsdienstig mensch, die zijne religieuze en ethische overtuigingen onder de vooróórdeelen gerangschikt wil zien. Hij kan en mag dit niet doen, zoolang hij ze met heel zijne ziel omhelst. Voor de gemeenschap met God, die elk mensch in zijne religie zoekt, heeft hij desnoods zijn goed en zijn leven, hoeveel te meer dan zijn wetenschappelijken naam en eere, veil. Aan den godsdienst hangt het wel of het wee van den mensch. Ziel verloren is alles verloren.


Openbaring.

Formeel is er dus in de houding, welke de godsdienstige mensch tegenover de wetenschap aanneemt en aannemen moet, geen verschil. Wie aan de religie en dus aan het bestaan, de openbaring en de kenbaarheid Gods gelooft, moet eischen, dat verstand en hart, dat geloof en wetenschap met elkander in vrede zullen kunnen leven. Hij moet streven naar eene „einheitliche” wereldbeschouwing, waarin niet alleen voor de wetenschap, maar ook voor de religie eene plaats is ingeruimd. Maar met die formeele overeenkomst gaat een groot materieel verschil gepaard. De vraag, die de godsdiensten en de belijdenissen verdeelt, is deze: waar is de openbaring Gods te vinden, uit welke wij Hem kennen kunnen, en wat is dus de bron der religie?

Terwijl men nu in vroeger eeuwen de gansche wereld beschouwde als eene openbaring Gods, is men sedert de 18e eeuw |81| deze openbaring hoe langer hoe meer gaan beperken. Voor het rationalisme verbleekte de historie en bestond de inhoud der openbaring slechts in eenige algemeene, abstracte redewaarheden. Op zijn beurt werd dit rationalisme door Kant en Schleiermacher ondermijnd. In zijne kritiek der zuivere rede kwam eerstgenoemde tot het resultaat, dat wij, indien wij slechts kennende wezens waren, van God, ziel, vrijheid, onsterfelijkheid niets met zekerheid konden weten. Met dit resultaat was hij zelf bijzonder ingenomen; hij meende aan religie, moraal en theologie een grooten dienst te hebben bewezen, door ze van verstandelijke bewijzen onafhankelijk te maken. Hij was er toch getuige van geweest, hoe zwak de rationalistische theologie zich tegenover de aanvallen van het empirisme verweerd had en voortdurend aan terrein verloor. Met leede oogen zag Kant dat aan, en het strekte hem tot groote vreugde, dat hij in den eisch des gewetens een anderen, vasten grondslag voor moraal, theologie en religie had gevonden. Gaarne gaf hij dus het weten prijs, omdat en opdat hij naast en onafhankelijk van het weten eene onaantastbare plaats voor het geloof behouden kon. De moraal werd dus de grondslag en, in verbinding met de uit haar afgeleide idee Gods, ook de inhoud der religie.

Van gansch andere praemissen uitgaande, kwam Schleiermacher in zoover tot een gelijk resultaat, als ook bij het Absolute, dat boven alle tegenstellingen verheven is, onkenbaar achtte voor het menschelijk verstand, dat altijd juist in tegenstellingen zich beweegt. Maar terwijl Kant daarna de openbaring Gods voornamelijk stelde in den kategorischen imperatief en in de geboden der zedewet, sprak Schleiermacher de meening uit, dat het Absolute alleen ervaren kon worden in het gevoel. Daar bestond de religie dus vooral in zedelijk handelen, hier in aandoening des gemoeds. Deze ethische en mystische opvatting hebben in de theologie der 19e eeuw eene voorname rol gespeeld. En thans staat de zaak zoo, dat de laatste beschouwing meer en meer de eerste verdringt. Ook het neokantianisme van Ritschl toch heeft alweder zijn tijd |82| gehad. De jongeren brengen tegen Ritschl onder meer dit bezwaar in, dat hij de religie al te eenzijdig in het ethische heeft laten opgaan en voor hare mystiek geen oog heeft gehad. Ritschl heeft aan Schleiermacher geen recht laten wedervaren. En deze fout moet worden hersteld. Religie is niets dan persoonlijke vroomheid, een „Erlebniss” der ziel, een aandoening des gemoeds, eene verhouding, die alleen tusschen God en de individueele ziel wordt ervaren. Het komt in haar vóór alle dingen op het persoonlijke, het geheimzinnige, het mystische aan. De enthusiasten, de ecstatici, de apocalyptici zijn de eigenlijk en echt godsdienstigen. Met voorliefde worden deze uit de historie opgespoord en ten tooneele gevoerd. Niet alleen theologen, maar ook letterkundigen, geschiedvorschers, artisten houden zich met hen bezig. Gelijk de kunst bestudeerd moet worden uit de werken der meesters, zoo moet men het wezen der religie vooral leeren kennen uit hare zieners en profeten. Op haar inhoud komt het niet aan, doch alleen op hare oorspronkelijke, persoonlijke kracht. En wijl de religie op die wijze geheel en al in stemmingen en aandoeningen des gemoeds opgaat, kan men natuur en geschiedenis, kunst en wetenschap, de theologie niet uitgezonderd, gerust aan de secularisatie prijs geven. De religie heeft niets met de theologie te maken, en de theologie moet eenvoudig worden eene gewone, historische wetenschap 56).

Consequent is deze opvatting wel, ze deinst voor geene gevolgtrekking terug. Maar zij rust op eene totale miskenning van het wezen der religie. Want alle godsdienst maakt op waarheid aanspraak en kan slechts zoolang bestaan, als zijne belijders van |83| die waarheid overtuigd zijn. De aandoeningen, die de religie kweekt in het gemoed van den mensch, sterven weg, zoodra haar objectieve waarheid niet meer vaststaat voor het geloof. De neoromantische opvatting van dereligie rekent met dezen wezenlijken karaktertrek niet en laat het voorkomen, alsof godsdienst niets met waarheid en zedelijkheid te maken heeft en spontaan opbloeit uit het gemoed van den mensch. Religie wordt dan eene quaestie van smaak, eene private aangelegenheid, eene liefhebberij van daarvoor aangelegde naturen, welke aan anderen bij de beschouwing een aesthetisch genot verschaft. Van eene openbaring Gods in natuur en geschiedenis, die aan de religie ten grondslag zou liggen, kan er dan geen sprake zijn; hoogstens is er alleen in het diepst van ’s menschen wezen een aangedaan worden door het oneindige, een „unmittelbares Gefühl des Unendlichen und Ewigen”, een „Sinn und Geschmack für das Unendliche”, dat in de verschillende godsdiensten en vooral door de virtuozen van den godsdienst op eigene wijze vertolkt en in voorstellingen weergegeven wordt. Deze voorstellingen zijn geheel subjectief en maken op waarheid geen aanspraak; zij hebben alleen zooveel waarde, als zij, op treffende wijze aan de stemmingen des harten uitdrukking geven. Het ideaal is dan ook, dat alle godsdiensten zich onderling vereenigen en dat Christenen, Mohammedanen, Buddhisten enz., als op het parlement te Chicago, elkander broederlijk de hand geven.

Geen wonder, dat legen dit syncretisme toch eenige reactie opkomt. Hier te lande nemen sommige modernen het weer met eenigen ijver voor het Christelijk theisme, voor het recht der metaphysica, voor de persoonlijke onsterfelijkheid en ten deele ook voor eene leer van Christus op. En in Duitschland gaan er tegenover Haeckel en Ladenburg hoe langer hoe meer stemmen op, die ook in natuur en geschiedenis eene openbaring Gods erkennen en dus de harmonie van godsdienst en wetenschap bepleiten 57). |84| Wie ernst maakt met den godsdienst, kan openbaring ook niet tot eene mystieke inwerking van het oneindige in ’s menschen gemoed beperken. De mensch staat in de wereld niet geïsoleerd. Met alle vezelen van zijn bestaan zit hij aan zijn omgeving vast. Gelijk wie honger heeft en geen voedsel van buiten tot zich nemen wil, van gebrek omkomt, zoo verarmt ook de godsdienstige mensch, die zich van de wereld isoleert en van zijn eigen gemoedsaandoeningen leven moet. Allen, voor wie de religie eene zaak des harten was, hebben daarover dan ook ten allen tijde anders gedacht. Natuur en geschiedenis waren hun eene openbaring Gods. De gansche wereld was hun eene verkondiging van zijne deugden. Indien dit nu geen waan en geen inbeelding, maar inderdaad de rechte beschouwing was, dan moet daaraan eene openbaring Gods in al zijne werken ten grondslag liggen. En dit kan ook niet anders. Want één van beide: de wereld is geen openbaring Gods maar dan kan ze ook zijn werk niet zijn en dankt ze aan iets anders dan God haar oorsprong; of zij is wel zijn werk in oorsprong en voortgang, maar dan moet zij ook in eenige mate zijn wezen ons doen kennen.

Als God zich echter in al zijne werken openbaart, dan spreekt |85| het vanzelf, dat deze openbaring niet in alle deelen en op alle punten der wereld dezelfde in wijze en in inhoud kan zijn. De wereld is immers een organisch geheel, en vertoont in hare eenheid de rijkste verscheidenheid. Gods wijsheid en almacht, zijne goedheid en heiligheid komen daarom in de schepselen in verschillende mate tot openbaring, in de organische anders en rijker dan in de anorganische, en in de redelijke weer anders en rijker dan in de redelooze. Met name komen wij in de geschiedenis, zoo van den enkelen mensch als van de menschheid, met antithesen in aanraking, die niet in denzelfden zin tot God herleid kunnen worden. Hoe ook het monisme zich inspant, om het kwaad als een noodzakelijk ontwikkelingsmoment in te voegen in het wereldgeheel, voor het godsdienstig-zedelijk bewustzijn blijven waarheid en leugen, heiligheid en zonde, gerechtigheid en schuld haar antithetisch karakter behouden. Zonde moge niet buiten Gods bestuur omgaan, zij is toch zijn werk niet, zooals het goede dat is. En deze antithese doet zich ook gelden op het terrein der godsdiensten. Het is eenvoudig pantheistisch monisme, om deze alle te zamen op te vatten als schakels van ééne keten, als momenten van één proces, als slechts in graad en mate verschillende openbaringen van denzelfden God. Juist omdat er geen religie zonder voorstellingen is, staan de godsdiensten niet trapsgewijze boven, maar antithetisch naast en tegenover elkaar. Wie deze tegenstelling uitwischt, laat niet alleen aan de godsdiensten zelve geen recht wedervaren, maar hij loochent ook in beginsel het onderscheid tusschen waar en valsch, tusschen goed en kwaad. Hij gaat stilzwijgend van de gedachte uit, dat er voor het godsdienstig en zedelijk leven geen wet bestaat, dat godsdienst niets dan stemming is en dat hier elk doen mag, wat hij wil. In de practijk houdt niemand zich dan ook aan deze theorie. Ieder, die in eene bepaalde religie zijne zaligheid vindt, bestrijdt alle andere; en hij doet dat te ernstiger, naarmate hij vaster gelooft. Zelfs zij, die in den godsdienst niets dan eene gemoedsaandpaning zien, staan antithetisch tegenover allen, die voorstellingen een wezenlijk element der religie achten. Het is trouwens ook al te dwaas, om de |86| natuurgodsdiensten, Buddhisme, Mohammedanisme en Christendom, Romanisme en Protestantisme als stijgende gradatiën van eene en dezelfde waarheid op te vatten. Indien de paus de onfeilbare stedehouder van Christus is, is de Reformatie eede groote dwaling en zonde geweest. Indien de mis door Christus is ingesteld, is de Protestantsche avondmaalsviering geoordeeld.

Ook kan men zich niet hierop beroepen, dat, ondanks het verschil in de voorstellingen, de gemoedsaandoeningen in de verschillende godsdiensten dezelfde zijn. Want dit is bij nauwkeurige psychologische analyse juist niet het geval. Wel is er natuurlijk te dezen aanzien overeenkomst in de godsdiensten. Alle godsdiensten, als behoorende tot één genus, hebben karaktertrekken gemeen; zij bevatten alle dogmatische, cultische, ethische elementen; in alle is er eenig idee van God, van zonde, van verlossing enz. Maar evenals die voorstellingen onderling verschillen en menigmaal lijnrecht tegenover elkander staan, zoo zijn ook de gemoedsaandoeningen onderscheiden. Het zijn wel dezelfde krachten der ziel, die in beweging gebracht worden, maar zij worden naar gelang van de voorstellingen in eene verschillende richting geleid, en hebben verschillende personen en zaken tot object. De liefde, die een man aan zijne wettige vrouw verbindt, is dezelfde zielskracht, als die een ander echtgenoot in ongeoorloofde gerneenschap met zijne concubine doet leven. Maar wie zal daaruit afleiden, dat de gemoedsaandoening beide malen hetzelfde karakter draagt, en slechts in onverschillige vormen verschilt? Zoo is wel geleerd door de romantiek en wordt nog altoos door eene verderfelijke richting op kunstgebied verkondigd. Maar deze anarchie in de moraal neemt toch geen ernstig man voor zijne rekening. Ze is met de zedewet in lijnrechten strijd. En evenzoo, ja nog erger handelt hij, die op godsdienstig terrein geen wet erkent en hier aan stemming en aandoening genoeg heeft, zonder zich om haar karakter of richting te bekommeren. Veeleer valt hier zoo te concludeeren: indien God in zijne zedewet het gedrag der menschen onderling heeft geregeld, dan ligt het voor de hand, dat Hij met veel meer zorg nog het gedrag der menschen tegenover Hemzelven heeft bepaald. Der geboden van de |87| tweede tafel van Gods wet zijn op die der eerste gebouwd.

Langs een anderen weg komen wi tot hetzelfde resultaat, dat n.l. de verschillende godsdiensten niet zijn te denken als slechts in graad verschillende openbaringen van denzelfden God. Het Christendom beweert een eigen, zelfstandige plaats in te nemen te midden van alle godsdiensten, zoozeer zelfs, dat het deze alle als valsche godsdiensten, als afgoderijen veroordeelt. Heel de Schrift is er vol van, dat Christus als de Zoon, het Woord, het Beeld Gods ons God heeft verklaard en zijn naam onsheeft geopenbaard. Daaraan beantwoordt de ervaring der gemeente. Duizenden en millioenen Christenen hebben beleden en belijden nog, dat zij door het geloof aan dit Evangelie eene gemeenschap met God zijn deelachtig geworden, welke zij vroeger niet kenden, en een leven hebben ontvangen, dat lijnrecht tegen hun eigen zondigen aard indruischt. Zij leerden roemen met Paulus in den vrede met God door het bloed des kruises. Indien deze ervaring der geloovigen van alle eeuwen geen inbeelding maar waarheid is, indien m.a.w. de Christelijke religie eene zelfstandige, specifiek van andere godsdiensten onderscheiden religie is, dan kan dit alleen verklaard worden uit en is dit alleen te danken aan eene bijzondere openbaring, die in Christus tot ons komt. Met de specifieke eigenaardigheid, met de bijzonderheid der Christelijke religie staat en valt de bijzondere openbaring, waaraan zij haar oorsprong dankt.

Onnoodig is het, hierbij de vraag te bespreken, of deze bijzondere openbaring bovennatuurlijk is. In zekeren zin is alle waarachtige openbaring bovennatuurlijk, n.l. wat haar oorsprong en haar inhoud aangaat. Alle openbaring, in goeden zin verstaan, onderstelt eene wereld achter en boven deze, die langs gewonen of ongewonen weg in deze intreedt en zich aan ons kenbaar maakt. Alle openbaring onderstelt, dat God als een persoonlijk wezen van de wereld onderscheiden is en nu toch door en in die wereld werkingen op ons laat uitgaan. Naturalisme en openbaring zijn onvereenigbaar. Maar hoe dit zij, de bijzonderheid der Christelijke religie onderstelt de bijzonderheid der openbaring, die haar het aanzijn gaf. Daarover liep dan ook ten slotte altijd de leerstrijd in de Christelijke kerk. Het ging steeds in laatste instantie om de eigenaardigheid, de zelfstandigheid, |88| of indien men wil met een minder juisten maar meer gebruikelijken term, om het absoluut karakter van het Christendom. Bij den strijd tegen het ebionisme en gnosticisme, tegen het arianisme en sabellianisme, tegen het pelagianisme en manichaeisme was altijd het punt in geschil: is het Christendom de religie, de eenige, de ware religie of is het maar een godsdienstvorm te midden van vele? Principiëel en centraal wordt die vraag beslist door de plaats, die aan den Christus wordt toegekend. Wat dunkt u van den Christus? dat was, dat is en dat blijft het vraagstuk der eeuwen.

Nu is het wel boven allen twijfel verheven, dat de houding, die iemand persoonlijk tot dien Christus aanneemt, ter laatste instantie niet door louter verstandelijke overwegingen wordt bepaald. Wel is waar kan de gemeente voor hare belijdenis van den Christus zeer deugdelijke bewijzen bijbrengen; elke richting, die eerst in naam van de Schrift tegen de belijdenis en dan in naam van den Christus tegen de Schrift optrad, is ten slotte geeindigd met de erkenning, dat de gemeente gebouwd was op het fundament van apostelen en profeten. Maar de verhouding, waarin iemand zich tot Christus stelt en voorts tot heel de openbaring in de Schrift, is niet de vrucht eener logische redeneering, maar hangt met diepe, religieus-ethische motieven saam. Volgens Dr. Bruining is er ook onder de modernen nog eene partij, die voor de Christologie eene plaats in de dogmatiek vindiceert, en wel op grond van de groote beteekenis, die de persoon van Christus heeft, niet enkel voor de godsdienstige ontwikkeling der menschheid, maar ook voor ons persoonlijk godsdienstig leven 58). Soortgelijk, maar dieper en rijker, is de |89| ervaring der gemeente. Haar godsdienstig en zedelijk leven hangt voor haar eigen besef onverbrekelijk met den persoon van Christus saam. Waaraan zou bijv. ook een mensch, die schuldig staat voor het aangezicht Gods, de vrijmoedigheid ontleenen, om tot God te naderen, Hem zijn Vader te noemen, en op Hem in allen nood en dood zijn vertrouwen te stellen, indien het niet ware, doordat God zelf in Christus tot ons gekomen was, de wereld met zichzelven verzoend had en ons de zonden niet toerekende? Indien Christus slechts een gewoon mensch, zij het ook een „heros op godsdienstig-zedelijk gebied”, is geweest, is zijne boodschap van de vergeving der zonden een feilbaar en onbetrouwbaar menschenwoord. En indien Hij dit woord alleen gesproken heeft, zonder dat in zijn lijden en sterven Gods gericht over de zonden voltrokken is, heeft Hij, goed beschouwd, niet anders gedaan dan de dwaling bestreden, alsof God de zonde straffen en op den zondaar toornen zou. Niet de vromen, die gebukt gaan onder het gewicht hunner schuld, maar de goddeloozen, die zorgeloos daarheen leven, zijn dan feitelijk door Hem in het gelijk gesteld. Vergeving der zonden is dan een term, die alleen op een verouderd standpunt past. En zonde is dan eene handeling, die niet door God maar alleen door den mensch op wettisch standpunt als strafwaardige overtreding wordt beschouwd. Maar dat is toch waarlijk de zonde niet. En ieder, die het ernstig met haar neemt en haar onheilig karakter erkent, kan zoo maar niet in eens, zonder dat er iets gebeurt, zich voor een kind Gods houden en op zijne genade gaan rekenen. Het Evangelie van de vergeving der zonden kan dan alleenons schuldbewustzijn ten volle wegnemen, wanneer het ons tegelijk de onverbrekelijkheid der zedewet verkondigt. Dan alleen kunnen wij gelooven, rechtvaardig voor God te zijn, wanneer, al is het dat onze conscientie ons aanklaagt, God nochtans zonder eenige verdienste onzerzijds, uit loutere genade, ons de gerechtigheid van Christus toerekent. Zoo bestaat er tusschen de schuldvergiffenis, waarin de gemeente roemt, en den persoon en het werk van Christus een onlosmakelijk verband. Een soortgelijk verband kan er verder aangewezen worden tusschen de |90| openbaring Gods, die in de Schrift tot ons komt, en al de godsdienstige en zedelijke ervaringen der gemeente, aangaande het kindschap Gods en zijne gemeenschap, de wedergeboorte en vernieuwing des levens, het geloofsvertrouwen en de vrijmoedigheid des gebeds, de lijdzaamheid en de hope der heerlijkheid. Openbaring en religie zijn correlaat. De laatste verarmt in dezelfde mate, als de eerste beperkt wordt. Wie de openbaring in natuur en geschiedenis ontkent en alleen nog laat bestaan in eene inwerking Gods in het gemoed, neemt niet alleen den grondslag weg, waarop de religie rust, maar geeft haar ook aan willekeur en dweepzucht prijs; zelfs de afgoderij leeft van vermeende openbaringen. En de echte religie bewijst ook daarin hare waarheid, dat zij rust op eene openbaring, die niet alleen de gansche wereld kennen doet als een werk van Gods handen, maar die ook op gansch bijzondere wijze in den weg van ongekreukte handhaving der zedelijke ordeningen Gods vergevende genade verkondigt.


De zegen van het Christendom voor de wetenschap.

Zooveel mag thans geacht worden vast te staan, dat de religie, zoowel naar haar idee als in de practijk beschouwd, het geloof aan haar eigen objectieve. waarheid en daarin het geloof aan het bestaan en de kenbaarheid Gods, het geloof ook aan eene algemeene en eene bijzondere openbaring insluit. De geschiedenis der godsdiensten verheft dit boven allen twijfel. Zij, die het wezen der religie in niets dan vage stemmingen en onbepaalde aandoeningen laten bestaan, zijn daartoe niet gekomen door onpartijdig, historisch onderzoek maar door wijsgeerige beschouwingen. Maar al zijn voorstellingen een wezenlijk element van elken godsdienst, toch hebben zij dit eigenaardige, dat zij niet, zooals wetenschappelijke inzichten, de vrucht zijn van zinlijke waarneming of verstandelijke redeneering, maar altijd als ontwijfelbare geloofsovertuigingen wortelen in den bodem van het hart en met het intiemste leven van den, mensch samenhangen. In elken godsdienst, ook den meest verbasterde, gaat het om het hoogste en heiligste, dat de mensch kent. Wat men op de verschillende trappen van ontwikkeling als het |91| werkelijkste, het hoogste, het waarachtige leven beschouwt, dat is ook de inhoud en het onderwerp van den godsdienst 59).

Als zoodanig legt nu elke godsdienstige belijdenis uit den aard der zaak op heel de wereld beslag. Indien religie steeds medebrengt, gelijk zij doet, eene bepaalde beschouwing over wereld en menschheid, over natuur en geschiedenis, dan bindt zij daardoor het gansche leven van den mensch, en bepaaldelijk ook de wetenschap. De graad en mate, waarin de wetenschap door deze godsdienstige overtuigingen gebonden wordt, kan verschillend zijn, maar het beginsel is altijd hetzelfde. Elke godsdienst brengt eene reeks voorstellingen mede, die voor zijn oprechten belijder vaststaan vóór en onafhankelijk van alle wetenschappelijk onderzoek, en die door hem aan dat wetenschappelijk onderzoek tot grens worden gesteld of ook zelfs ten grondslag worden gelegd. Ieder geloovige — en op godsdienstig gebied is ieder een geloovige; ook wanneer hij zoogenaamd niets zou gelooven, ware dit bij hem toch weer zaak des geloofs — ieder geloovige moet verlangen, dat zijn geloof en zijne wetenschap tot eenheid gebracht zullen worden. Er is immers geen dubbele waarheid. Omdat de menschelijke geest één is, moet hij streven naareene „einheitliche” wereld- en levensbeschouwing, die zoowel zijn hart als zijn verstand bevredigt.

Laat men dus een godsdienst inkrimpen zooyeel men wil, zoolang hij nog terecht den naam van godsdienst draagt, brengt hij eenige voorstellingen mede, drijft daarmede het wetenschappelijk onderzoek in eene bepaalde richting en influenceert het wetenschappelijk resultaat. Onderstel bijv. met Harnack, dat de hoofdinhoud van het Evangelie hierop neerkomt, dat God onze Vader is, dat wij zijne kinderen zijn, en dat wij deze kennis en ervaring middellijkerwijze aan Jezus te danken hebben, aan zijn woord en daad, aan zijn leven en sterven 60). Dan sluit deze korte |92| belijdenis toch eene gansche wereld- en levensbeschouwing in, die de wetenschap van alle kanten bindt. Want er ligt in opgesloten het bestaan, de eenheid, de persoonlijkheid, het vaderschap Gods, zijne schepping, onderhouding en regeering der wereld, de eenheid van het menschelijk geslacht, de bijzondere verhouding Gods tot den mensch, de leiding Gods in de geschiedenis, bepaaldelijk in den oorsprong van het Christendom, de verlossing der menschheid door den invloed, die van den persoon van Jezus uitgaat, de eindelijke zegepraal van het Godsrijk. Alle materialistische, pantheistische en deistische wetenschap is daarmede van te voren, zonder onderzoek, in den ban gedaan. Met de „Vorauszetzungslosigkeit” is het principiëel ten eenenmale gedaan. Deze korte belijdenis stelt ons op theistischen grondslag en maakt, dat wij |93| bij tal van cardinale vraagstukken, in de geologie, in de anthropologie, in de psychologie, in de historie, in de studie der Schrift bij den persoon van Christus enz. lang geen neutrale, onbevooroordeelde onderzoekers kunnen zijn. Onder de modernen hier te, lande zijn er, die verklaren niet te kunnen en te mogen rusten, voordat zij de wijsgeerige onderstellingen en grondgedachten van het Christelijk godsdienstig geloof hebben doen aanvaarden door de wijsbegeerte van onzen tijd. Als wij, zoo zeggen zij bij monde van. Prof. Bruining, het godsdienstig geloof willen handhaven in zijn oude, volle kracht en waarde, dan moeten wij de wijsbegeerte dwingen, dit in hare stelsels op te nemen; dan moeten wij, theologen, weer optreden als toongevers op het gebied der wijsbegeerte; zoo alleen, kunnen wij aan het godsdienstig geloof de daaraan toekomende plaats en erkenning verzekeren, en daarmede den godsdienst veilig stellen 61).

Van moderne zijde heeft deze uitspraak beteekenis. Zij houd toch in, dat de religie wel terdege op wetenschappelijk terrein |94| haar gewicht in de schaal mag leggen, en dat de theologen zelfs in de wijsbegeerte de leiding in handen moeten nemen. Indien ditzelfde van rechtzinnigen kant werd beweerd, zou het hoogstwaarschijnlijk als eene verregaande aanmatiging opgenomen worden. Toch, al laten wij de wijze van uitdrukking daar, ligt er principiëel niets anders in opgesloten, dan wat door ieder godsdienstig mensch, die in waarheid gelooft, onwillekeurig erkend en beleden wordt. Het religieus geloof moet eischen, dat de wetenschap ermede rekene. Welk godsdienstig geloof het ware en zuivere is, kan door geen enkele aardsche rechtbank worden beslist. Dat moet ten slotte door ieder persoonlijk, in zijn geweten, voor God worden uitgemaakt. Als de Roomsche zich aan den paus onderwerpt, als de Gereformeerde de H. Schrift als Gods Woord aanvaardt, als de moderne zich regelt naar de stem van zijn geweten, dan rust dat bij ieder op eene persoonlijke keuze. Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat het onverschillig is, hoe de keuze uitvalt, als zij maar in oprechtheid geschiedt. Want subjectieve oprechtheid is geen bewijs voor de objectieve waarheid. Maar wij hebben als menschen geen recht, om elkander in zaken van godsdienst te dwingen; ieder staat en valt in dezen zijn eigen heer. Dwaling en waarheid, ohkruid en tarwe blijven hier op aarde alle eeuwen door naast elkander bestaan; ze groeien samen op tot den dag des oogstes. En Hij, die ten slotte volmaakt-zuivere scheiding kan en zal tot stand brengen, is God alleen. Dat hebben de Hervormers gemeenschappelijk tegen Rome uitgesproken in hunne leer van de facultas Sacrae Scripturae se ipsam interpretandi. Niet door geweld of onderdrukking, niet door staatsmacht en staatsdwang, maar in den koninklijken weg der vrijheid moet de waarheid hare overwinning behalen.

Daarom heeft ook de Christelijke wetenschap recht van bestaan. Als elke godsdienstige richting zich op wetenschappelijk gebied mag laten gelden, als elke godsdienstige belijdenis van dien aard is, dat zij inwerkt en inwerken moet op het wetenschappelijk onderzoek en resultaat; dan mag allerminst die overtuiging, die eeuwenlang als de Christelijke bekend heeft gestaan, in haar recht en vrijheid verkort en als onwetenschappelijk dogmatisme |95| in den ban worden gedaan. Wel heerscht bij velen thans de voorstelling, dat het Christendom aan alle cultuur, met name aan wetenschap en kunst vijandig is. Maar deze beschouwing is even eenzijdig en overdreven als de vroeger in breeden kring gehuldigde meening, dat het Christendom niets anders was dan het evangelie der humaniteit. Er heerscht in dit opzicht evengoed eene mode, als op het gebied van kleeding en huisraad. Sedert het apostolisch getuigenis aan eigen oordeel onderworpen werd, heeft men van Jezus gemaakt, wat men zelf liefst wilde. Kant zag in Hem eene verpersoonlijking van het Goddelijk zoonschap der menschheid; Renan begroette in Hem den bestrijder der priesterheerschappij; Proudhon maakte Hem tot een socialen hervormer; Schopenhauer verhief Hem tot symbool van de „Verneinung” des levens; en anderen stempelen Hem tot een theosoof, asceet of ecstatieus, of aanschouwen in Hem het zuivere type van het Arische of Germaansche ras 62). Feitelijk neemt men uit het Christusbeeld des Nieuwen Testaments slechts enkele trekken over, welke aan de denkwijze van den dag aangenaam zijn, en tracht men zoo een Christusideaal naar modernen smaak te construeeren. Maar op waarheid kan zulk eene wetenschappelijke theologie geen aanspraak maken 63).

Toch is het aan geen twijfel onderhevig, dat Jezus niet opgetreden is als een hervormer van staat en maatschappij en evenmin aan de beoefening van kunst en wetenschap zijn leven heeft gewijd. Wat Hij brengen kwam, was iets geheel anders en hoogers. Hij heeft in zijn persoon, in zijn woord en in zijn werk, ons het Evangelie van Gods genade gebracht; Hij heeft het koninkrijk Gods op aarde gesticht en door zijne gerechtigheid ons den toegang ertoe ontsloten. Het Evangelie is de boodschap der zaligheid voor schuldige en verlorene zondaren. Dat is het en dat moet het blijven. Maar juist daardoor is het voor den ganschen mensch, is het voor wereld en menschheid, voor staat en maatschappij, voor kunst en wetenschap tot een overvloedigen zegen. |96|

Het eerste, dat de wetenschap met name aan dit Evangelie dankt, is de realiteit eener eeuwige, onvergankelijke waarheid. Het begrip der wetenschap is niet eerst door het Christendom ontstaan. Heel de geschiedenis der menschheid is een zoeken naar waarheid geweest. Bepaaldelijk is de wetenschap in Griekenland opgekomen en haar begrip door de Grieksche wijsgeeren ingedacht. Maar welke scherpzinnige onderzoekingen ook ingesteld en welke blijvende resultaten ook verkregen werden, de wetenschap kon zich niet handhaven op de hoogte, die zij in de dagen van Socrates, Plato en Aristoteles bereikte; straks werd zij aan practische doeleinden dienstbaar gemaakt en ging eindelijk te gronde, gelijk heel de antieke cultuur. Zij gaf geen eenheid, zij bevredigde het hart niet; de wereld heeft met al hare wijsheid God niet gekend.

Redding heeft toen ook aan de wetenschap het Christendom gebracht. Het Evangelie was ook de verkondiging van eene eeuwige, ontwijfelbare, absolute waarheid, die in Christus was geopenbaard, en heeft daardoor de in scepticisme verzonken wetenschap weer uit haar verval opgebeurd. „Der Begriff einer absoluten Wahrheit gelangte eigentlich erst durch sie (door de monotheistische godsdiensten van Joden, Christenen en Mohammedanen) in die Welt” 64). Dat er eene souvereine, onveranderlijke waarheid bestaat, en dat zij kenbaar is voor den mensch, dat is de stilzwijgende onderstelling van alle wetenschap. Zulk eene waarheid nu heeft het Christendom doen kennen. Hier is de waarheid geen subjectieve voorstelling, geen verhouding der menschelijke voorstellingen onderling, maar hier is ze eene objectieve werkelijkheid, hoog staande boven en toch bereikbaar voor den mensch. Daarmede is aan de wetenschap een vaste, hechte en onmisbare grondslag gegeven. Want indien in de zaken van godsdienst en zedelijkheid, indien ten aanzien van de onzienlijke, geestelijke dingen geen zekerheid te verkrijgen is, verliest de wetenschap een groot deel van haar waarde, loopt zij gevaar, ook |97| op andere terreinen een buit van het scepticisme te worden, en wordt zij in haar geheel met verval en ondergang bedreigd.

Wel is waar staat de wetenschap heden ten dage op eene aanzienlijke hoogte; zij rust feitelijk voor een deel nog op Christelijke grondslagen. Maar in dezelfde mate als zij deze ondermijnt, arbeidt zij ook aan haar eigen verderf. De bewijzen zijn daarvoor reeds aanwezig. Want terwijl eenerzijds het scepticisme, de levensmoeheid, de vertwijfeling aan de waarheid toeneemt, werpt men zich anderzijds uit wanhoop in de armen van het grofste bijgeloof. Er bestaat ook volstrekt geen waarborg, dat de cultuur, op welke wij ons beroemen, ons nimmer ontnomen zal worden. Die van Babylon en Assur, die van Griekenland en Rome is, in weerwil van haar hoogen bloei, te gronde gegaan; wie zal de toekomst voorspellen van de beschaving, die thans nog ons deel is? En wie huivert soms niet bij de gedachte aan het roode, het zwarte en het gele gevaar? „Nein, der Glaube an eine lückenlose Weiterentwicklung der Menschheit (zooals Kegel ze dacht) ist nicht zu halten. „Es bedarf — so sagt v. Willamowitz-Moellendorf in seiner Kaiserrede „Weltperioden” — gar keiner Spekulation: die Welt hat die Erfahrung gemacht, dass es nicht immer aufwarts geht, dass auch, was als unverlierbarer Gewinn der Menschenarbeit geborgen scheint, verloren gehen kann. Die Kultur kann sterben, denn sie ist mindestens einmal gestorben. Der Schakal heult in Ephesus, wo Heraklit und Paulus gepredigt hatten; in den Marmorhallen von hundert kleinasiatischen Städten wuchern die Dornen und kauern nur vereinzelt verkümmerte Barbaren; Wüstensand wirbelt über dem Göttergarten Kyrenes. Doch wozu die Bilder aus der Ferne? Wer einmal mit Nachdenken über das Forum Roms gegangen ist, muss inne geworden sein, dass der Glaube an den ewigen kontinuierlichen Fortschritt ein Walm ist.” Die Widerstände des Bösen sind viel zu gross und zu zahlreich, als dass zu ihrer Auflösung das an sich ja ganz durchsichtige Schema von Thesis, Antithesis und Synthesis ausreichte” 65).

Met de prediking eener objectieve waarheid heeft het |98| Christendom tegelijk ook het geloof aan en de liefde tot de waarheid in de harten geplant. Zooals het bestaan eener objectieve waarheid de grondslag van alle wetenschap is, zoo is waarheidsliefde er de onmisbare, subjectieve voorwaarde toe. Nu is het met die waarheidsliefde onder menschen zeer treurig gesteld. Zij is volstrekt geen deugd, die ieder van nature aangeboren is. In het dagelijksch leven doen wij telkens de ervaring op, dat de waarheid aan het eigenbelang wordt opgeofferd. Op dien regel maken zij, die aan de wetenschap zich wijden, geen uitzondering; zij zijn niet beter en niet slechter dan anderen, die in handel en nijverheid, in staat en maatschappij werkzaam zijn. Als er toevallig overeenstemming is tusschen de waarheid en het eigenbelang, valt het niet moeilijk een vriend der waarheid te zijn. Maar dikwerf komt het ook op wetenschappelijk gebied voor, dat de waarheid met onze wenschen, neigingen en inzichten in strijd is. Hoe dikwerf is er niet eene tegenstelling tusschen hoofd en hart, tusschen verstand en wil, tusschen rede en lust, tusschen plicht en neiging! Er is dan scherpe zelfcritiek en strenge zelfverloochening noodig, om aan de waarheid trouw te blijven, en haar niet door de arglistigheid van het hart te ontkennen of te vervalschen. Er is menige waarheid, aan welke wij niet aan willen, omdat zij met ons leven in strijd is. Ook hier geldt het woord, dat, wie zijn leven liefheeft, het verliezen zal. En dat doet ons het Evangelie verstaan. Want het leert ons eene waarheid kennen, die niet dan met verloochening van onszelven in ons bezit kan komen. Het Evangelie van Christus geeft aan de wetenschap een ethisch karakter en wijdt hare beoefening tot een priesterlijk werk. Naar het schoone woord van Bacon geldt van het rijk der wetenschap als van het koninkrijk der hemelen, dat wij er niet zullen ingaan, tenzij wij worden als de kinderkens.

In de tweede plaats is aan het Christendom heel die wetenschap te danken, welke den naam van Godgeleerdheid draagt. In de gunst der menigte verkeert deze wetenschap tegenwoordig niet. Van alle kanten wordt zij veracht en van haar wetenschappelijk karakter beroofd. En theologen hebben daar veelszins het hunne toe bijgedragen, door het niet voor haar naam en eere |99| op te nemen, maar terstond, als maar een of ander geleerde in den naam der wetenschap zijne stem verhief, op te schrikken, concessies te doen en bolwerk na bolwerk prijs te geven. Zij die vroeger als koningin der wetenschappen gold, heeft zich menigmaal tot eene bedelares om de gunst harer zusteren verlaagd. Zij zou de pretentie wel laten varen, theologie te zijn, indien zij maar godsdienstwetenschap blijven mocht! Maar desniettemin is en blijft de Godgeleerdheid eene heerlijke wetenschap, die alleen aan het Christendom te danken is en zonder het Christelijk geloof niet kan bestaan. Er is ook in de heidensche godsdiensten nog wel een element van waarheid. God laat zich aan niemand onbetuigd, en zijne eeuwige kracht en goddelijkheid worden uit de schepselen verstaan en doorzien. Maar deze kennis der waarheid is daar zoo met allerlei dwaling en leugen vermengd, dat er van eene theologische wetenschap geen sprake kan zijn. Zoodra in Griekenland het wetenschappelijk denken ontwaakt, neemt het positie, niet in, maar naast en tegenover het godsdienstig geloof des volks. De geschiedenis der Christelijke kerk biedt ons echter het verheven schouwspel aan van eene wetenschap, die uit het geloof der gemeente geboren wordt, de kennisse Gods tot inhoud heeft en deze steeds rijker en breeder ontvouwt. Indien zij hieraan getrouw blijft, indien zij volhardt te zijn wat zij behoort te wezen, wetenschap der kennisse Gods, die uit het geloof der gemeente geboren wordt, dan neemt zij nog de eerste en voornaamste plaats onder de wetenschappen in. Dien voorrang dankt zij, niet aan de mannen, die haar beoefenen, al kan zij, van de dagen der apostelen af, op eene onafzienbare schaar van grooten en edelen wijzen 66), die |100| de vergelijking met alle grooten van ons geslacht gemakkelijk kunnen doorstaan, maar zij dankt dien voorrang aan het object, waarmede zij zich bezig houdt. Theologie heeft het met de verhevenste onderwerpen, met de diepste overtuigingen, met het intiemste leven der menschen te doen. Zij behandelt vragen, die voor ieder mensch zonder onderscheid van de hoogste beteekenis zijn. Van welk belang ook de mathematische, de natuurkundige, de philologische, de historische waarheden mogen zijn, zij halen niet in gewicht bij die, welke de godgeleerdheid te behandelen heeft 67). Het is niet de heerschzucht der theologen, die haar de eerste plaats verschaft, maar de centrale beteekenis, die godsdienst en zedelijkheid heeft voor heel het menschelijk leven, verzekert haar bij den voortduur den eerenaam van koningin der wetenschap. Zelfs Prof. Bruining stelde op het congres der vrijzinnig-godsdienstigen den eisch, dat de theologen weer zouden optreden als toongevers op het gebied der wijsbegeerte. Aan dezen eisch zal de theologie echter dan alleen kunnen voldoen, |101| als zij eene waarheid heeft te verkondigen, die op Goddelijk gezag rust en zich aanbeveelt aan de conscientie der menschen. Want als zij Gods Woord verwerpt, wat wijsheid zal zij dan hebben?

In de derde plaats is het Christendom ook een zegen voor de wetenschap in het algemeen, voor het onderzoek van natuuren geschiedenis. Ladenburg maakte het zich in zijn bekende rede op de vergadering van natuurvorschers en artsen te Cassel zeer gemakkelijk en schreef allen vooruitgang van den laatsten tijd aan de „Aufklärung” toe, die wij aan de natuurwetenschap danken. Als tegen hem ingebracht wordt, dat de natuurvorschers het geluk der menschheid verwoesten en het geloof aan de onsterfelijkheid ondermijnen en daarvoor slechts fabrieken en sociale ellende in de plaats geven, dan beweert hij daartegenover, dat heel de nieuwere opvatting van vrijheid en menschenrechten, de opheffing van slavernij en lijfeigenschap, alle sociale verbeteringen en heel de sociale wetgeving te danken zijn aan de „Aufklärung”, die voornamelijk door de natuurwetenschap is aangebracht. Al heeft nu de natuurwetenschap voor de moderne maatschappij eene zeer groote beteekenis gehad en vele vruchten gedragen, het gaat niet aan, om alle voordeelen der moderne beschaving aan de natuurwetenschap toe te schrijven. Zoo eenvoudig is de maatschappij niet ingericht en zoo gemakkelijk komt beschaving niet tot stand. Er werken daarbij zeer talrijke en zeer verschillende factoren mede. Als daarom door ons van een zegen van het Christendom voor de wetenschap gesproken wordt, sluit dit volstrekt niet in, dat die wetenschap uitsluitend of voor het grootste, gedeelte aan het Christendom te danken is. Wetenschap komt niet uit de herschepping maar uit de schepping op. En de Christelijke religie heeft niet in de eerste plaats cultuur ten doel. Aardsche voorspoed, hooge beschaving, wetenschappelijke ontwikkeling is de maatstaf van hare waarheid en hare waarde niet. Wat de Christelijke religie ons vóór alle dingen biedt, is de troost, om zaliglijk te leven en te sterven. Maar juist langs dezen weg werkt zij op heel den mensch, op zijn gansche leven, op al zijn denken en handelen in. En zoo komt het Christendom ook aan de beoefening der wetenschap, van natuur en geschiedenis ten goede. |102|

Dit is daarmede ter bewijzen, dat de Christelijke religie de eenige macht is, die ons op den duur voor het materialisme en pantheisme, voor het wetenschappelijk en ethisch scepticisme behoeden kan. Voor vele geleerden bestaat er tegenwoordig maar ééne wetenschap, n.l. die der natuur. Letteren, historie, recht, godsdienst, zedelijkheid, die al te zamen de hoogste, ideale goederen der menschheid uitmaken, rekenen niet meer mede of worden althans als minderwaardig beschouwd; en de wetenschappen, die er zich mede bezig houden, hebben dan alleen recht en aanspraak op haar naam, als zij de methode der natuurwetenschap overnemen of bij deze zich laten inlijven. Welke cynische onverschilligheid en schromelijke onkunde er bij vele dezer mannen ten aanzien van al deze geestelijke goederen der menschheid bestaat, hebben vertegenwoordigers van allerlei richting uit Haeckels werk over de raadselen der wereld met de stukken aangetoond. En Ladenburg heeft daarvan in zijne veel besproken rede opnieuw een tastbaar bewijs geleverd. „Hell in den Köpfen ward es erst, als die Heiligkeit der Bibel bezweifelt und sie wie alle Bücher als Menschenwerk angesehen wurde.” Ofschoon er in de oudheid bij de Grieken een bewonderenswaardig begin van wetenschappelijk onderzoek was, in de Middeleeuwen breidde zich weder eene diepe duisternis over de menschheid uit. „Unwissenheit und Aberglaube werden die herrschenden Mächte, in ihrem Gefolge erscheinen Intoleranz, Inquisition, Hexenverfolgung, religiöser Wahnsinn” u.s.w. Maar Columbus, Kopernicus, Kepler, Newton ontstaken licht in die duisternis, de natuurwetenschap ontwaakte, de menschheid ging met reuzenschreden vooruit. En nu werd ingezien, dat het een droom was, „ein vermessener und gänzlich haltloser Traurn, der dem Menschen seine nahen Beziehungen zum Schöpfer vorapiegelte, der ihn als sein Ebenbild geformt haben sollte.” Dat er in den Bijbel geen openbaring van een bovennatuurlijk wezen voor ons ligt, is duidelijk. „Das Alte Testament ist das Werk phantasiereicher Menschen und auch das Neue Testament kann nicht göttlichen Ursprungs sein.” Wonderen zijn er nooit geschied. „Alles in der Natur Vorkommende ist natürlich, und das Uebernatürliche |103| entspringt dem Hirn von Phantasten und Unwissenden.” God kan thans niet anders gedacht worden dan als eene „Verkörperung” der natuurwetten. En bij de onsterfelijkheid is de wensch de vader der gedachte geweest.

Op deze wijze wordt in eene korte rede van enkele bladzijden over de wereldbeschouwing der gansche menschheid de staf gebroken. Wanneer dit woord nu op zichzelf stond, zou men het stilzwijgend kunnen voorbij gaan. Maar nadat Haeckels „Welträthsel” , ondanks alle rechtvaardige critiek, in duizenden en nogmaals duizenden exemplaren verkocht is geworden, sprak Prof. Ladenburg deze rede uit op eene aanzienlijke vergadering van Duitsche natuuronderzoekers en artsen, ontving er dank en toejuiching voor, en oogstte er in de pers overvloedigen lof voor in. Wanneer wij dit in verband brengen met vele andere verschijnselen in wetenschap, litteratuur en kunst, dan ligt de conclusie voor de hand, dat het materialisme van een Büchner, niettegenstaande de herleving van het idealisme bij sommige mannen van wetenschap, in de kringen des volks niet af- maar nog voortdurend toeneemt. Het is immers niet eene enkele uitspraak der Schrift, maar heel de Christelijke wereld- en levensbeschouwing, waartegen Ladenburg te velde trekt. Zelfs het geloof aan een persoonlijk God en aan de onsterfelijkheid der ziel, al gaat hij niet zoover als Strausz en al drukt hij zich bescheidener uit, blijft bij hem niet onaangetast staan. Met het oog op zulke verschijnselen moet het geen bevreemding maar belangstelling wekken, dat er van Christelijke zijde gewaarschuwd wordt tegen het gevaar, waarmede eene materialistische richting heel onze cultuur, niet alleen den godsdienst en het Christendom, maar ook de zedelijkheid, het recht, de waarheid, de wetenschap en de kunst bedreigt. En het heeft aanspraak op sympathie en steun, als er hier en elders eene poging wordt aangewend, om onze cultuur, en daarin ook de wetenschap, wederom op Christelijke grondslagen op te bouwen en alzoo ook voor de toekomst in veiligheid te stellen. Want wel moet dankbaar erkend worden, dat een herlevend wijsgeerig idealisme tegen dit theoretisch en practisch materialisme met kracht den strijd aanbindt. Maar |104| indien dit idealisme niet gedragen wordt door het godsdienstig, door het Christelijk geloof, slaat het bijna altijd in pantheisme om en breekt het zelf straks weer af, wat het eerst poogde op te bouwen. Voor beide richtingen bewaart ons en kan ons alleen bewaren de Christelijke religie, die de zelfstandigheid van den menschelijken, geest handhaaft en hem in en tegenover de wereld eene onafhankelijke plaats verleent. Zij toch openbaart ons een rijk van onzienlijke en eeuwige dingen, waarmede de mensch in verbinding treden, waarin hij burger worden kan, dat hem draagt en steunt en sterk maakt tegenover de natuur, en aan zijn persoon, aan zijn beroep en arbeid eene onvergankelijke beteekenis verleent. De geschiedenis der wetenschappen stelt in het licht, hoe dit godsdienstig idealisme aan de beoefening der wetenschap bevorderlijk is geweest. Ten deele geldt dit reeds van mannen als Socrates, Plato en Aristoteles, die, tot beschaming van vele Christenen, van het hun geschonken licht een naarstig gebruik hebben gemaakt. Maar het geldt in bijzondere mate van al die mannen van wetenschap en kunst, die in de voorbijgegane eeuwen in het Christelijk geloof geen belemmering, maar een prikkel tot hun wetenschappelijken arbeid bebben gezien. Wel heerscht in wijden kring de gedachte, dat al die mannen, die de wetenschap hebben vooruitgebracht, tot de „ongeloovigen” hebben behoord. Maar van de meesten hunner staat het tegendeel vast 68). En dit verband van geloof en wetenschap zou nog veel duidelijker aan het licht treden, wanneer de geschiedenis der verschillende wetenschappen, met name ook van de philosophie, niet dikwerf stelselmatig de godsdienstige beginselen der denkers verzweeg.

Meer nadruk behoort nog hierop te vallen, dat de nieuwere beoefening van natuur en geschiedenis, in haar edelsten vorm, |105| bewust of onbewust de gedachten van het Christendom onderstelt 69). Natuur en geschiedenis worden door hunne voornaamste onderzoekers stilzwijgend opgevat, gelijk het Christendom ze ons heeft doen kennen. En omgekeerd slaat hare beoefening in diezelfde mate eene verkeerde richting in, als ze met of zonder opzet aan de Christelijke wereldbeschouwing den rug toekeert. De materialistische natuurwetenschap bijv. heeft jarenlang onze aandacht gevestigd op het mechanisme der natuur, op de toevalligheid en doelloosheid,van al haar verschijnselen, op de om geen zedewet zich bekommerende werkzaamheid van alle natuurkracht 70). Tot zekere hoogte deed zij dit met recht tegenover de dweepende natuurvergoding, die onder den invloed van het idealisme geheerscht had. Maar zij is, even eenzijdig, tot een ander uiterste overgeslagen. Zij heeft de natuur „entgöttert”. En nu is diezelfde natuur, vooral sedert hare geheimenissen weer erkend zijn, voor velen geworden tot eene onbegrijpelijke, huiveringwekkende, daemonische macht. Zoo wordt ze menigmaal in litteratuur en kunst geteekend. Zoo wordt ze door het voortwoekerend bijgeloof beschouwd. God is eruit verdwenen, en de duivel heeft zijne plaats ingenomen. Bij Nietzsche is heel het begrip van natuur weg. De wereld is voor hem een chaos, zonder orde, zonder wet, zonder gedachte. Op de vraag, door hem gesteld: wann werden wir die Natur ganz entgöttlicht haben? is er dan ook maar één antwoord: als alle regel, alle orde, alle maat, alle logos uit de natuur en daarmede de natuur zelve is opgeruimd.

Dienzelfden kant gaat het, zonder het Christelijk geloof, met de geschiedenis uit. Als er geen persoonlijk God is, die door zijn voorzienig bestel alle dingen regeert, op welken grond zullen wij dan nog gelooven, dat er gedachte, plan, gang inde geschiedenis is? Schopenhauer zag dit in; hij loochent iederen vooruitgang in het historisch proces; de geschiedenis is voor hem slechts eene eeuwige, zinlooze herhaling van de ellende, waarin de blinde |106| levenswil zich stort. Terwijl Hegel al het werkelijke redelijk noemde, zag Schopenhauer er niets dan onredelijkheid in. En inderdaad, indien naar het historisch materialisme niet het denken de oorsprong is van het zijn, maar het zijn de oorsprong van het denken, dan valt in beginsel de onderstelling van alle wetenschap weg, dat er gedachte en plan, maat en getal, in de dingen schuilt. Dit is alleen te handhaven op het standpunt van het Christelijk theisme, dat ons in de natuur een werk Gods doet zien en in de geschiedenis de leiding doet erkennen van zijne almachtige hand.

Bij deze groote, allesbeheerschende overeenstemming tusschen de Christelijke religie, en de onderstellingen aller echte wetenschap zijn de verschillen, die tusschen beide bestaan, betrekkelijk van minder gewicht. Op zichzelve zijn ze ongetwijfeld van hoog belang, want zij betreffen den oorsprong van wereld en menschheid, de openbaring Gods in Israël en in den persoon van Christus. Maar principieel worden al deze verschillen door het Christelijk theisme beslist. Immers concentreeren zij zich alle om de vraag van het wonder. Wanneer deze nu zoo eenvoudig te beantwoorden ware als Prof. Ladenburg meent, die eenvoudig deereteert: „Alles in der Natur Vorkommende ist natürlich und das Uebernatürliche entspringt dem Gehirn von Phantasten und Unwissenden,” dan ware het de moeite niet waard, daaraan verder nog eenig woord te verspillen. Maar het wonder staat met de belijdenis van het theïsme in het nauwste verband en is van de diepste, religieus-ethische beteekenis. Immers is het wonder het bewijs, dat het mechanisme aan de teleologie, de physis aan den ethos, de wereld aan het Godsrijk, de natuur aan de genade ondergeschikt en dienstbaar is. Als er niets bovennatuurlijks is, als God niet anders te denken is dan als eene „Verkörperung” der natuurwetten, als er geen hoogere macht is dan die werkt in de natuur, dan wordt de geest des menschen aan de stof onderworpen, verliest het religieus-ethische leven zijn grondslag en is het geloof aan den triumf van het goede een ijdele droom. Het wondergeloof wordt daarom door Titius terecht de energie en het hoogtepunt van het geloof aan Gods Voorzienigheid |107| genoemd 71). Zoo weinig is het met de natuurorde in strijd, dat het deze juist onderstelt en bevestigt. Met de feiten en de methode van natuur- en geschiedwetenschap is het daarom ook geenszins in strijd, want het laat deze ten volle intact en is zelf, krachtens zijn natuur, aan het oordeel dezer wetenschappen onttrokken. Zooals de physiologische psychologie de prikkelingen van de zenuwen onzer zintuigen tot in de hersens vervolgen kan maar dan plotseling voor het mysterie van de gewaarwordingen staat, zoo kan natuur- en geschiedwetenschap naderen tot aan de grens van het wonder, maar daarbinnen doordringen kan zij niet. Er treedt dan eene mysterieuze kracht op, die zij geloovig erkennen maar uit den aard der zaak nooit begrijpen of verklaren kan.

Om al deze redenen is eene verbinding en samenwerking van Christelijke belijdenis en wetenschappelijk onderzoek niet alleen mogelijk, maar ook nuttig en noodzakelijk. Godsdienst en wetenschap kunnen op zichzelf niet met elkaar strijden. Scheiding moge uit vrees een tijd lang als het zekerste middel beschouwd worden, om den godsdienst in veiligheid te stellen, op den duur kan zij niemand bekoren. Zoowel practisch als theoretisch is zij onhoudbaar. Hoe zou de stelling ook ooit te verdedigen zijn, dat een mensch, omdat en naarmate hij, God vreest, onbekwaam voor de beoefening der wetenschap wordt? Veeleer is de godsvrucht tot alle dingen nut, hebbende de belofte van dit en van het toekomende leven. Zeker hebben ook de godvruchtige menschen hunne gebreken en eenzijdigheden. Maar dit doet tot het beginsel niets al. Liefde tot God kan met de liefde tot den naaste, ook met de liefde tot de wetenschap, niet in tegenspraak zijn, maar is er integendeel de grondslag, het beginsel en de drijfkracht van. Het ideaal kan voor den wetenschappelijken onderzoeker niet daarin gelegen zijn, dat hij bij zijn arbeid aan de diepste en edelste overtuigingen, die er leven in zijn hart, het zwijgen oplegge, maar het bestaat veel meer daarin, dat hij een mensch Gods zij, die tot alle goed werk volmaaktelijk is toegerust. Mensch en kind Gods, |108| mensch en Christen kunnen niet strijden. De beste Christen is ook de beste mensch.


Eene Christelijke Universiteit.

Deze beginselen over de verhouding van Christendom en wetenschap hebben ten slotte den drang in zich, om zich te belichamen in eene Christelijke Universiteit. Nieuw is dit denkbeeld niet. Alle scholen, niet alleen van lager, maar ook van hooger onderwijs, hebben tot het begin der vorige eeuw toe een beslist Christelijk, zelfs een confessioneel-kerkelijk standpunt ingenomen. Nieuw is daarentegen het door Minister Kuyper zoo genoemde „indifferente” stelsel, de schijnbaar-neutrale opvatting van het begrip der wetenschap. En terwijl het oude stelsel zijne sporen verdiend heeft, moet de nieuwe opvatting niet alleen hare deugdelijkheid, maar ook nog hare mogelijkheid en houdbaarheid bewijzen.

Wat er tot dusver van te aanschouwen viel, gaf van hare onpartijdigheid geen hoogen dunk. Neutraliteit bestond voornamelijk in eene tegemoetkomende houding tegenover alle negatieve richtingen, maar sloeg in bovenmatige partijdigheid om, zoodra zij tegenover belijders van een positief Chrigtelijk geloof kwam te staan. De vervolging der Afgescheidenen strekt daarvan nog altijd tot een sprekend bewijs. Toen da Costa bezwaren durfde uiten tegen den geest der eeuw, werd hij in Amsterdam als een melaatsche geschuwd. Toen van Oosterzee de Leer der Hervormde Kerk van Scholten aan eene zachte critiek durfde onderwerpen, wier betrekkelijke juistheid thans door allen zal worden erkend, werd in Leiden over zijn wetenschappelijken naam de doodsklok geluid. En deze gevallen staan niet alleen, zij zouden uit het leven van de la Saussaye en Beets, van Groen van Prinsterer en Kuyper gemakkelijk te vermeerderen zijn. In de laatste jaren is er eenige verandering ten goede te bespeuren; de „vlegeljaren” van het liberalisme zijn voorbij, de overmoed der wetenschap is geknakt, het voorstel der Regeering in zake de bijzondere leerstoelen werd gunstig ontvangen, en niet zoo kras als vroeger wordt thans de stelling verkondigd, dat er op den grondslag van het openbaringsgeloof |109| geen wetenschap mogelijk is. Maar deze verandering is door Prof. van der Vlugt zeer overschat, als hij met het oog daarop het wetsvoorstel in betrekking tot de bijzondere universiteiten een anachronisme achtte 72). Immers, die verandering is niet eene vrucht van het liberale beginsel, maar een gevolg, dat aan de daartegen van Christelijke zijde rusteloos gevoerde bestrijding te danken is. Ze is van toevalligen, niet van principiëelen aard; ze is voortgekomen uit wijziging van toestanden, niet van overtuiging. De heer Troelstra sprak het dan ook niet alleen onverholen uit, dat dogma en wetenschap onvereenigbaar zijn, maar verklaarde tevens, dat de sociaal-demoeraten met den toestand, die aan de openbare hoogescholen bestaat, zeer ingenomen zijn en daarin geen verandering zouden willen aanbrengen 73). De strijd om het karakter van wetenschap en universiteit gaat ook veel te diep, dan dat hij door enkele welwillende uitspraken zou kunnen bijgelegd worden. De worsteling raakt de diepste godsdienstig-zedelijke beginselen. Zij is, gelijk de Minister van Binnenlandsche. Zaken in zijne redevoeringen in de Tweede Kamer overtuigend in het licht stelde 74), een strijd tusschen de Christelijke en de niet-positief-Christelijke, tusschen de oude en de nieuwe wereld- en levensbeschouwing, tusschen schepping en ontwikkeling, revelatie, en evolutie; zij gaat om de al of niet erkenning van het feit der zonde en der verlossing, zij wordt beheerscht door de vraag: wat dunkt u van den Christus? En vandaar dat, als dit principiëele vraagstuk aan de orde komt, de partijen rechts en links zich toch weer groepeeren, niet naar de welwillendheid van sommige leden, maar naar de logica der beginselen 75). Met de neutraliteit en de onbevooroordeeldheid der wetenschap blijkt het dan altijd weer niet in strijd te zijn, om van de wijsgeerige beginselen van Spinoza, Kant, Hegel, Marx, Comte, Scholten, Opzoomer uit te gaan, maar wel, om zich te plaatsen op den grondslag der belijdenis van den Christus naar de Schriften. |110|

Maar afgedacht hiervan, de neutrale opvatting en beoefening van de wetenschap stuit ook af op de realiteit van het leven. Universiteiten zijn geen kasteelen, in de lucht gebouwd, maar stichtingen, die eene historie achter den rug hebben, die door allerlei traditiën gebonden zijn, die onder den invloed van heel hare omgeving staan en die, naarmate zij organen van den staat zijn geworden, hare vrijheid en zelfstandigheid hebben ingeboet. Kant was daarom zelfs van meening, dat de wetenschap in de universiteit alleen zuiver vertegenwoordigd werd door de philosophische faculteit; deze alleen was vrij, onbevooroordeeld en onafhankelijk, omdat zij uitsluitend aan de rede onderworpen was en niets anders dan de waarheid had te dienen; maar de andere faculteiten, die van theologie, rechten en medicijnen, waren gebonden door de wetten van staat, kerk en maatschappij ew moesten met de eischen van de practijk en het leven rekening houden 76). Ofschoon theoretisch voorstander van de leervrijheid, maakte hij ze toch aan de bevordering van het hoogste goed der menschheid, aan de ethische gemeenschap ondergeschikt en maande telkens tot groote voorzichtigheid bij hare toepassing in de practijk. Ofschoon men, zoo sprak hij, erop bedacht moet zijn, dat alles, wat men zegt, waar zij, is men toch niet verplicht, om alle waarheid openlijk uit tespreken. Met het geloof des volks moet men voorzichtig te werkgaan. De Bijbel en de in een bepaalden tijd heerschende godsdienstige voorstellingen moeten als middelen gebruikt worden, om de zedelijke gezindheid en de zedelijke gemeenschap te bevorderen. Bedenkingen tegen den Bijbel ter sprake te brengen in scholen, kerken en volksschriften, is onverstandig. Men bewerkt daardoor alleen, dat het volk, zijn geloof verliezende, aan algeheel ongeloof zich overgeeft. Men moet zich veel meer van de voorliefde van het volk voor zijn oude kerkgeloof bedienen als van een middel, om allengs het nieuwe redelijk geloof ingang te doen vinden. Voor ieder is het raadzaam, voorzichtig te spreken, om later niet de schande van eene herroeping op zich te laden. En Kant gedroeg zichzelf daarnaar. Toen hij in 1793 zijne |111| „Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft” had uitgegeven en naar aanleiding daarvan een afkeurend schrijven van Koning Friedrich Wilhelm had ontvangen, verklaarde hij als getrouw onderdaan van zijne koninklijke majesteit, zich verder van alle openlijke bespreking van natuurlijke en geopenbaarde religie te zullen onthouden 77).

Het stelsel van absolute leervrijheid wordt, principiëel beschouwd, door niemand verdedigd en nergens in de practijk gehuldigd. Maar leervrijheid moet dan van gewetens-, geloofs-, persvrijheid nauwkeurig onderscheiden worden. Onder leervrijheid is in engeren zin het recht van leeraren aan inrichtingen van onderwijs te verstaan, om openlijk hunne meening uit te spreken en aan discipelen te onderwijzen. Dit recht is feitelijk overal beperkt en kan niet anders dan beperkt zijn. Staatsbelang, openbare orde, oude traditiën, goede zeden leggen deze vrijheid allerwegen in zwakker of sterker mate aan den band. Als een leeraar aan eene school van den staat het nihilisme, het anarchisme, het recht van revolutie en vorstenmoord verkondigt, den zelfmoord, den meineed, den woeker, den diefstal, de veelwijverij verdedigt, enz., dan behoeft men nog niet enghartig te zijn, om de vraag te stellen, of de staat dit alles lijdelijk aanzien moet. Zeker is er verschil tusschen de verdediging met het woord en de aansporing tot de daad. Maar als de discipelen uit het woord des meesters de consequentie trekken en het woord in daad omzetten, is er alleszins reden voor de klacht, dat het afhouwen der takken niet baat, zoo lang de bijl niet aan den wortel van den boom wordt gelegd.

Toch zal ieder de moeilijkheid voor den staat begrijpen, om hier handelend op te treden. Ten eerste is de staat in den tegenwoordigen tijd neutraal; hij heeft geen belijdenis en dus ook geen maatstaf ter beoordeeling meer, hij kan zich alleen houden aan de vage omschrijving van openbare orde en goede zeden. Maar ten andere is het, gelijk in heel het leven, zoo vooral op het |112| gebied der wetenschap ten hoogste moeilijk, om gezag en vrijheid, behoud en vooruitgang in zuiver evenwicht te houden. Naast het gezag heeft ook de vrijheid hare rechten. Het nieuwe, dat verkondigd wordt, wekt licht bevreemding en tegenstand en kan toch later blijken, de waarheid te zijn. Juist echter, omdat de tegenwoordige staat de bevoegdheid en de bekwaamheid mist, om bij de beginselen de wacht te houden, en op zijne hoogescholen alle en allerlei leeringen toelaat en toelaten moet, heeft hij te meer reden, om zich te verheugen over het feit, dat het volk zelf op de verschillende trappen van het onderwijs scholen verlang en opricht, die op de Christelijke grondslagen zijn gebouwd. De bijzondere scholen van lager onderwijs zijn, gelijk thans wel ieder erkennen zal, een zegen voor ons volk geweest; de staat heeft er zich niet over te schamen noch er berouw van te hebben, dat hij tegenover haar allengs eene vriendelijker houding heeft aangenomen. En dit geldt in nog sterker mate van de Christelijke scholen voor middelbaar en hooger onderwijs. Nadat aan de overheid de gelegenheid is ontnomen, om rechtstreeks het koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, is het des te meer haar zedelijke plicht, om alle pogingen te steunen en aan te moedigen, die daartoe door de natie zelve worden aangewend.

De billijkheid en nuttigheid hiervan springt nog te meer in het oog, wanneer men bedenkt, dat de universiteiten niet alleen instellingen van wetenschap, maar ook inrichtingen voor onderwijs, scholen voor opleiding en opvoeding zijn. Op de hoogeschool rust tweeërlei taak, beoefening van de wetenschap en opleiding voor de practijk. Ook de meest idealistische richting moet met deze dubbele roeping der universiteit rekening houden. Eene school, die er alleen ware voor de beoefening der wetenschap, zou geen studenten van noode hebben en ze ook niet ontvangen. Zij, die den weg der studie opgaan, doen dit allereerst en allermeest, om later eene betrekking te kunnen waarnemen in kerk, staat of maatschappij. Het leven gaat ook in dit opzicht aan de philosophie vooraf. De leuze van de beoefening der wetenschap om de wetenschap klinkt schoon, maar vindt geen steun in de werkelijkheid. Alle studenten zoeken door de universiteit heen een bestaan en |113| eene positie in het leven te erlangen. Maar al is dit practisch doel voor de hoogeschool van nog zoo groote beteekenis, het is toch niet het eenige doel, en in elk geval niet bij de universiteiten van het Duitsche type 78).

Zonder twijfel is de wetenschap en hare beoefening niet beperkt binnen de grenzen van eenige school of universiteit of zelfs van alle universiteiten saam, evenmin als zij gebonden is aan een ambt of beroep, aan een stand of eene klasse, door menschen in het leven geroepen. Vrij komt zij op uit den menschelijken geest, wien God op eenig gebied van kennis den aanleg en den lust tot onderzoek en tot nadenken schonk. Tal van mannen hebben in den loop der eeuwen de wetenschap beoefend en vooruit gebracht, die nooit aan eene hoogeschool waren opgeleid of verbonden. Tot de universitas scientiarum behooren daarom allen, die, onder wat volk of in welke eeuw ook opgestaan, op eenig veld van kennis aan de onkundige of dwalende menschheid het rechte spoor hebben gewezen en in natuur of geschiedenis iets van de gedachten Gods hebben verstaan. Maar dat neemt toch niet weg, dat de universiteiten, door een groep van wetenschappelijke mannen samen te brengen, door hun eene onbezorgde positie te verschaffen en door een schat van kostbare studiemiddelen te hunnen dienste te stellen, langzamerhand ook geworden zijn instellingen voor wetenschap. En deze beoefening der wetenschap staat tegen het eerstgenoemde doel, de opleiding van jongelieden voor betrekkingen in het leven, niet vijandig over, al is zij er niet altijd even gemakkelijk mede te vereenigen. Want de opleiding tot die betrekkingen geschiedt aan de hoogescholen en behoort daar te geschieden door wetenschappelijke vorming, door ontwikkeling van het zelfstandig waarnemen en denken. Juist het wetenschappelijk onderzoek is het voornaamste middel der universiteit, om mannen te kweeken van helder inzicht en onafhankelijk oordeel.

Nu wordt echter menigmaal de meening verkondigd, dat zulk eene wetenschappelijke vorming tot zelfstandige mannen alleen |114| dan mogelijk is, wanneer studenten in de gelegenheid zijn, om professoren te hooren van verschillende en zeer uiteenloopende richting. Naar deze meening oordeelende, zou men verwachten, dat elke faculteit en iedere universiteit hier en in het buitenland eene staalkaart van professorale beginselen en stelsels zou vertoonen. Maar de werkelijkheid ziet er gansch anders uit. In dezelfde faculteit, en dikwerf ook aan dezelfde universiteit worden vóór en na mannen van ééne richting benoemd; eene enkele maal wordt er bij uitzondering een hoogleeraar van andere overtuiging aangesteld. En dit ligt ook in den aard der zaak. Professoren hebben het recht van voordracht en zoeken in de eerste plaats onder hunne geestverwanten naar ambtgenooten, met wie zij wetenschappelijk en vriendschappelijk kunnen omgaan. Voor eenige jaren werd er dan ook door Prof. van Geer eene klacht aangeheven over de wijze, waarop de benoeming der hoogleeraren aan onze openbare universiteiten plaats had; het raadplegen van de faculteit bij die benoemingen had de schaduwzijde, dat alle verscheidenheid uitgesloten, alle botsing vermeden werd en alleen vrienden op de voordracht kwamen 79). Zoo groot is het verschil tusschen leer en leven. Volgens de leer is er voor allen plaats, naar het leven alleen voor ons en onze vrienden.

Maar de bovengenoemde meening is ook psychologisch en paedagogisch onhoudbaar. Zij rust op de onjuiste onderstelling, dat jongelieden, pas komende van gymnasium of hoogere burgerschool, reeds den lust en de geschiktheid zouden hebben om uit eigen oogen te zien en zelfstandig tusschen verschillende ideeën en theorieën, beginselen en stelsels eene keuze te doen. Zij sluit heimelijk de gedachte in, dat het verstand het hoogste en schier het eenige is in den mensch, dat naar den maatstaf van dat verstand alles beoordeeld moet worden, en dat gezag en geloof, hart en geweten zoo goed als geen gewicht in de schaal leggen. Met deze dingen toch wordtaan onze hoogescholen in den regel weinig rekening gehouden; het is alsof een mensch zich daarvoor schamen moet. Met godsdienstige en zedelijke vragen laten zich de |115| hoogleeraren zelden in; en indien zij het doen, behandelen zij ze al te zeer als begrippen des verstands, niet als realiteiten des levens. Tot in de lagere scholen toe kan men soms de meening hooren verkondigen, dat de onderwijzers zich om het gedrag der leerlingen buiten de school volstrekt niet hebben te bekommeren. School en leven staan naast elkaar. En aan de universiteit is de opvoeding een taak van de studenten zelven; zij moeten zelven weten, wat er van hen wordt. Geen wonder, dat tegen dit stelsel van opvoeding, of liever tegen dit gemis van alle opvoeding aan de hoogescholen uit het eigen kamp zoo nu en dan eene waarschuwende stem zich verheft 80). Hoe zou het ook paedagogisch goed kunnen werken, dat aan jonge mannen van om de twintig jaren, die met hunne eigenaardige maatschappij schier geheel buiten het gewone leven staan, en daarom alles van uit een zeer eenzijdig standpunt beschouwen, de gedachte wordt ingeprent, dat zij om geen gezag en traditie zich hebben te bekommeren maar zelf zich eene wereld- en levensbeschouwing moeten vormen? Het gevolg van dit stelsel kan geen ander zijn, gelijk Prof. Woltjer ten vorigen jare in de Eerste Kamer opmerkte, dan dat er ééne groep van studenten komt, die innerlijk tegenover het onderwijs van een hoogleeraar staat, er zich tegenover op zijne hoede stelt en zeer bevooroordeeld alles verwerpt wat hij zegt; het onderwijs is dan zoo goed als geheel vruchteloos. Een andere groep gaat mee en neemt wat de hoogleeraar zegt op gezag aan, net zooals altijd geschiedt. En eene derde groep wordt moedeloos en sceptisch, bekommert zich om de beginselen niet en werpt zich op de practijk 81).

Zonder twijfel is het eisch van universitaire opleiding, dat de studenten ook met anderer stelsels en inzichten op onpartijdige wijze in kennis worden gesteld. Maar dit kan in scholen, die van beslist Christelijke beginselen uitgaan, even goed geschieden als in andere, die het zoogenaamd neutrale standpunt innemen. Want, al zijn de openbare hoogescholen ook neutraal in dien zin, dat in het afgetrokkene niemand als hoogleeraar of student van zijne |116| belijdenis uitgesloten wordt, de hoogleeraren en studenten worden daarmede zelven niet neutraal, maar zijn gewoonlijk reeds eene zekere levens- en wereldbeschouwing toegedaan, die zij liefhebben en verdedigen, en die hen bij het onderzoek leidt. Zelfs is de bewering niet te stout, dat op de Christelijke hoogescholen in den tegenwoordigen tijd over het algemeen van anderer meening met meer ernst zal worden kennis genomen dan op die universiteiten, welke in haar geheel van de moderne wereldbeschouwing uitgaan en zich in overeenstemming gevoelen met den geest van den tijd. Want juist omdat zij met haar Christelijke belijdenis op het terrein der wetenschap positie nemen, worden zij voortdurend gedwongen, om zich nauwgezet op de hoogte te stellen van wat er op wetenschappelijk gebied omgaat. De werken, die van geloovige zijde het licht zien, leggen daarvan overvloedig getuigenis af.

Natuurlijk zal de objectieve uiteenzetting van anderer meening door den hoogleeraar aan eene Christelijke hoogeschool gevolgd worden door eene critiek, die van de waarheid van eigen wereld- en levensbeschouwing uitgaat; maar de hoogleeraar aan eene neutrale universiteit doet niet anders en kan niet anders doen. Indien hij zich niet te vreden stelt met het: je n’enseigne pas, je raconte, zal hij het gevoelen van anderen onderwerpen aan eene beoordeeling, die, hoe zakelijk en onpartijdig ook, eigen overtuiging en inzicht als maatstaf aanlegt. Propagandist is elk, die uit een ernstig beginsel leeft en arbeidt. Zelfs een scepticus is nog propagandist voor het dogma van den twijfel. Maar deze door ieder hoogleeraar gevolgde methode belet in het minst niet, dat de studenten onpartijdig met den stand van het wetenschappelijk onderzoek in een of ander vak op de hoogte worden gebracht, en tot zelfstandige studie worden opgewekt.

In de practijk handelt dan ook niemand naar het recept van het neutrale stelsel. Evenals de universiteiten en faculteiten, in strijd met de theorie, doorgaans met mannen ééns geestes bezet zijn, zoo zenden de ouders in den regel hunne, zonen naar die hoogescholen, wier beginsel en richting met hun eigen overtuiging overeenstemt. Het verschil bestaat alleen hierin, dat modernen en liberalen, radicalen en socialisten met den bestaanden toestand |117| vrij wel tevreden zijn en van den staat juist die scholen ontvangen, welke zij voor hunne zonen begeeren, terwijl de Christenen van positieve belijdenis juist om die reden, dat de openbare hoogescholen aan de bovengenoemde richtingen zoo bijzonder voldoen, er niet mede tevreden zijn of kunnen wezen, en daarom zichzelf moeten verschaffen, wat de overheid in dezen tijd hun onthoudt. Zonder twijfel zouden al de genoemde partijen, gesteld dat alle openbare scholen in Nederland beslist Roomsch of Gereformeerd waren, op dezelfde wijze als nu door hunne tegenstanders geschiedt, hunne klachten bij de overheid indienen en op vrijheid en gelijkheid van rechten bij haar aandringen.

Eene Christelijke hoogeschool geniet boven eene neutrale universiteit voorts dit belangrijk voordeel, dat zij den band met het leven herstelt. De toestand, waarin wij verkeeren, is ongezond. Het kan niet goed zijn, dat school en leven, wetenschap en practijk, theologie en kerk zoo ver van elkander staan, als dit heden ten dage het geval is. Bij den godsdienst springt dit het sterkst in het oog, maar niet alleen predikanten, die aan de openbare universiteiten opgeleid zijn en dan in de gemeente eerlijk en oprecht zouden verkondigen wat zij in de school gehoord en geleerd hebben, maar ook juristen, doctoren, leeraren enz., staan tegenwoordig in den regel met hun godsdienstige en zedelijke overtuigingen tegenover die des volks. Dit kan de ware, normale toestand niet zijn. Als er geen verzoening tusschen beide tot stand komt, loopen wij gevaar, dat aan dit dualisme, als in de antieke wereld eenmaal, de ontwikkeling van de beschaafden zoowel als de godsdienst des volks te gronde gaat. Feitelijk zijn allen daarvan overtuigd. Er is geen esoterische en exoterische wetenschap, er is geen dubbele waarheid.

Van de eene zijde wordt daarom, ter verzoening van die tegenstelling, beweerd, dat het volk zijne godsdienstige en zedelijke begrippen radicaal moet herzien en het standpunt der hedendaagsche wetenschap moet gaan innemen. Met name wordt telkens die eisch door de theologie aan de kerk gesteld 82), maar in beginsel |118| hooren wij overal ditzelfde verlangen uiten. De voorstanders van de moderne wereldbeschouwing, evolutionisten, moralisten, criminologen, enz. spannen er zich voor in en dringen er bij de overheid op aan, dat het volk van zijne oude traditiën bevrijd en reeds op de lagere scholen met de uitspraken der nieuwere wetenschap bekend gemaakt worde. Daarom wordt om de school, de lagere en de hoogere, zulk een felle strijd gestreden. Het gaat daarbij om de vraag, wie het volk en de toekomst zal hebben, de Christelijke of de moderne wereldbeschouwing. Zeer terecht zeide daarom Dr. Eduard David, de bekwame woordvoerder van de evotionistische groep der sociaal-democraten, dat de tijd tot verovering der politieke macht in den weg van revolutie nog niet gekomen was. „Nicht die Herren von der Regierung, nicht die führenden Geister der gegnerischen Parteien sind es, die uns heute die politische Macht vorenthalten. Nein, die Mehrheit des Volkes, die hinter diesen Herren steht, ist es, die uns widerstrebt, die uns die Macht noch nicht anvertraut, deren wir bedürfen, um die Dinge nach unserem Willen zu gestalten. Der Gedanke ist wahrhaftig nicht neu. Aber es scheint, als ob unsere Radicalen bei ihren tiefsinnigen Speculationen so einfache Dinge nicht mehr sehen. Darum sei es hier nochmals scharf betont: Die Schutztruppe der Reaction ist die noch rückständige Mehrheit des Volkes; das Volk ist immer noch des Volkes schlimmster Feind; der Unverstand der Massen ist das einzig ernsthafte Hindernis auf der Bahn zur Ergreifung der politischen Macht. Ist erst dies Bollwerk überstiegen — wer will uns dann noch widerstehn?” 83)

Zulke woorden worden niet aan doove ooren gepredikt. Maar wij hebben eenige hope, dat dit bolwerk, opgericht in de Christelijke belijdenis des volks, den geduchten aanval zal weerstaan. De aanvallers beseffen niet, wat er vallen zou, indien dit bolwerk werd gesloopt. Want wie aan het volk zijn geloof ontneemt, geeft het aan volslagen ongeloof prijs of werpt het in de armen van het grofste bijgeloof. Kant was reeds voor dit gevaar bevreesd en Hegel trachtte voor het volk in den vorm der aanschouwing te |119| behouden, wat de wijsgeer bezat in den vorm van het begrip. Toch, indien de religie der Christennatiën in beginsel en wezen niets anders is, dan de afgoderijen der heidensche volken, zouden wij, als de Grieksche wijsgeeren, de bestrijding ons getroosten moeten, want dwaling en leugen kunnen niet anders schenken dan schijnvrijheid en valschen troost.

Voordat wij daartoe besluiten en feitelijk dus aan eene verzoening wanhopen, dienen wij met ernst de vraag onder de oogen te zien, of de moderne wetenschap, wat haar beginsel en methode en dus ook wat vele harer zoogenaamde resultaten aangaat, zich niet op een dwaalspoor bevindt. En die vraag klemt te meer, als wij nagaan, wat er zoo al in naam der wetenschap aan den man wordt gebracht. Wie kan wenschen, dat de theorieën, die in den nieuweren tijd verkondigd zijn, over het bestaan Gods, over Christus, over apostelen en profeten, over de ziel en hare onsterfelijkheid, over den oorsprong van mensch en maatschappij, over recht en zeden, over zonde en misdaad, over vergelding en straf, over het huwelijk, het huisgezin, den eigendom, den moord, in het volksbewustzijn worden opgenomen en tot richtsnoer des levens gemaakt? Niet alleen godsdienst en zedelijkheid, maar ook gezin, maatschappij en staat zouden aan den ondergang prijsgegeven zijn. De wetenschap, zooals zij tegenwoordig door velen harer beoefenaars vertolkt wordt, staat niet alleen met de belijdenis der kerk op gespannen voet, maar zij is met het bestaan en het leven der menschheid in strijd. Zij past niet op de werkelijkheid, maar verstoort ze; zij verklaart het leven niet, maar verwoest het. Als de politicus geen hooger gezag huldigt dan den wildes volks; als de socioloog in het ontstaan en de ontwikkeling der maatschappij slechts met onbewusten drang en menschelijke willekeur rekent; als de jurist voor het recht geen eeuwige norma meer bezit maar er slechts den neerslag in ziet van altijd wisselende verhoudingen; als de criminoloog den misdadiger voor een ongelukkige of krankzinnige houdt en de gevangenis in een opvoedings-instituut verandert; als de moralist het onderscheid tusschen goed en kwaad uitwischt en de vrije liefde en den zelfmoord verheerlijkt; als de historicus in de geschiedenis ten slotte alleen de werking van |120| oeconomische factoren aanschouwt; als de psycholoog de zelfstandigheid der menschelijke ziel, ontkent; als de medicus tusschen zijne wetenschap en de veeartsenijkunde hoogstens een gradueel verschil aanneemt; als de theoloog aan geen waarheid in de religie meer gelooft, enz., dan springt het elk in het oog, dat daarmede de fundamenten zelve, waarop tot dusver onze beschaving rustte, worden aangetast. En daarom is het geen bekrompenheid, maar een hoog en heilig belang, dat degenen drijft, die aan zulke tolken der wetenschap toeroept, dat zij, voordat zij als hervormers van onze hedendaagsche maatschappij optreden, ernstig en nauwkeurig zichzelven herzien.

Zulk eene roepstem gaat er uit van het in den jongsten tijd herlevende idealisme. Maar er zijn er ook, die, evenals in staat en maatschappij, zoo ook in de wetenschap geen principiëel herstel verwachten dan van terugkeer tot het Evangelie van Christus. Eene hoogeschool, die op den grondslag van dit Evangelie zich plaatst en bij de belijdenis der kerk zich aansluit, komt daarmede niet met de wetenschap, doch slechts met enkele of vele van hare tegenwoordige beoefenaren in conflict. En zij legt dat Evangelie tot grondslag, niet om de wetenschap te binden, maar om hare beoefenaars, die altijd beperkte, kortzichtige en zondige menschen zijn, met een verduisterd verstand en een arglistig hart, voor allerlei dwaling en leugen te behoeden en te beter tot het ernstig zoeken en vinden der waarheid in staat te stellen. Der wetenschap is het toch altijd om waarheid te doen. Als men sommigen van hare verdedigers hoort spreken, schijnt het, alsof niet de waarheid, maar de vrijheid haar doel ware. Maar dit is niet alzoo. Vrijheid is slechts een middel, om tot het doel, n.l. de waarheid te komen 84). Vrijheid is bovendien een moeilijk in het afgetrokkene te bepalen begrip. Gelijk zij aan de eene zijde door slaafsche gebondenheid bedreigd wordt, zoo heeft zij aan den anderen kant tegen willekeur en bandeloosheid op hare hoede te zijn. Voor de wetenschap bestaat de vrijheid ten eerste daarin, dat zij het recht hebbe om de waarheid te zoeken, en wanneer zij deze gevonden heeft, ook |121| uit te spreken en te verdedigen. Maar wijl er hier op aarde geen onfeilbaar orgaan bestaat, dat in de wetenschap kan uitmaken wat waarheid is, is de vrijheid der wetenschap ten tweede hierin gelegen, dat de verschillende richtingen, die er feitelijk bestaan, noch door den staat, noch door de kerk belemmerd worden, om de waarheid te zoeken in dien weg, waarin zij overtuigd zijn, haar alleen te kunnen vinden.

Christenen nu kunnen geen andere overtuiging hebben, dan dat de waarheid op wetenschappelijk gebied alleen dan te vinden is, wanneer men uitgaat van de belijdenis, dat Christus de weg, de waarheid en het leven is, en dat dus niemand tot den Vader, ook als oorsprong en einddoel aller dingen, komt dan door Hem. Deze belijdenis staat niet tegen de wetenschap over, want schepping en herschepping hebben denzelfden oorsprong; de genade doet de natuur niet te niet, maar bevrijdt en herstelt haar, en Christus kwam niet, om de werken des Vaders, maar alleen om de werken des duivels te verbreken. De belijdenis van dien Christus komt dus aan de wetenschap ten goede, bevrijdt haar van de leugen en leidt het wetenschappelijk onderzoek in het rechte spoor. Nauwkeurig gesproken, is de naam van Christelijke wetenschap dan ook eene verkorte uitdrukking. Wetenschap als zoodanig is, wijl uit de schepping opkomende, niet Christelijk of onchristelijk; wetenschap heeft haar maatstaf in de waarheid. Wat waar is, is wetenschappelijk, ook al beweerde de gansche wereld het tegendeel; en wat niet waar is, is onwetenschappelijk, al hielden alle menschen het omgekeerde staande. Maar omdat er in de wetenschap, evenals overal elders, zooveel schijn en namaak is, schonk God ons in zijne openbaring een gids en een wegwijzer, die bij de beoefening der wetenschap onze schreden richt en ons voor afdwaling behoedt. Christelijke wetenschap is dus zulk eene wetenschap, die bij het licht dier openbaring alle dingen onderzoekt en ze daarom ziet, gelijk zij waarlijk, in hun wezen zijn. In het oog der wereld moge dit dwaasheid zijn, maar het dwaze Gods is wijzer dan de menschen en het zwakke Gods is sterker dan de menschen. Want wij vermogen niets tegen, maar voor de waarheid.




1. Theol. Tijdschrift 1903 Blz. 393.

2. Verg. L. Stein, Der Sinn des Daseins. Tubingen Mohr 1904 bl. 84. Ook Prof. van der Vlugt in de Tweede Kamer 26 Febr. 1904, Handelingen bl. 1391.

3. Dr. A Bruining, Het aggressief karakter van het vrijzinnig godsdienstig geloof, in: Religion and Liberty, Addresses and Papers at the second international council of unitarian and other liberal religious thinkers and workers, held in Amsterdam, Sept. 1908. Ed. by P.H. Hugenholtz Jr. Leyden 1904 bl. 168-178. Dr. S. Cramer, Does liberal Christianity want organizing in special churches and congregations? ib. 227, 237. Dr. Bruining, Over de methode van onze dogmatiek, Teylers Theol. Tijdschr. 1904. En voorts, ook Prof. Groenewegen, Prof. Knappert, Dr. J. van den Bergh, Ds. de Groot, Ds. Feenstra e.a. op de vergaderingen van moderne Theologen en in het weekblad De Hervorming.

4. Harnack, Die Mission und die Ausbreitung des Christenthums in den ersten drei Jahrhunderten 1902, bl. 161 v. 177 v.

5. Mausbach, Christenthum und Weltmoral. Münster 1897.

6. Verg. Ritter, Geschichte der Christlichen Philosophie II 189 v. Stöckl, Geschichte der Christlichen Philosophie zur Zeit der Kirchenväter, Mainz 1891 bl. 302 v. Gangauf, Methaphysische Psychologie des heiligen Augustinus, Augsburg 1852 bl. 31 v.

7. De methode, die Bacon voor het onderzoek der natuur aanbeval, werd in meerdere of mindere mate ook reeds door zijn groote tijdgenooten, Tycho de Brahe, Kepler, Galilei e.a. toegepast. Joseph de Maistre zeide daarom van Bacon, dat hij een barometer was, der das schöne Wetter verkündigte, und weil er es verkündigte, glaubt man, er habe es gemacht. Schmid Erkenntnisslehre, Freiburg, Herder 1890 II 291.

8. L. Stein, Der Sinn des Daseins, bl. 88 v.

9. Verg. Kuno Fischer, Geschichte der neuern Philosophie V 768-771. Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft und ihre Anwendung auf die Religion, Leipzig 1885 bl. 40.

10. Algemeene Grondslagen der stellige wijsbegeerte door Auguste Comte. ’s Gravenhage Belinfante 1846. Littré, Analyse raisonnée du Cours de philosophie positive de M. Auguste Comte, Utrecht 1845. J. Stuart Mill, Auguste Comte et le Positivisme, Paris 1868 bl. 6 v. E.L. Fischer, Die modernen Ersatzversuche für das aufgegebene Christenthum. Regensburg 1903 bl. 29 v.

11. Ludwig Stein. Die sociale Frage im Lichte der Philosophie. Zweite verbesserte Auflage Stuttgart 1903 bl. 534. J. Mill, Aug. Comte et le positivisme 1868 bl. 101. Clavel, La morale positive, Paris 1873 bl. 53. 78. 203 enz.

12. Malvert, Wissenschaft und Religion. Frankfurt 1904 bl. 124.

13. Mr. J.A. Levy, Bijzondere Universiteiten. ’s Gravenhage Belinfante 1904 bl. 17-18.

14. Handelsblad van 11 Mei 1903, Avondblad, tweede blad, in het derde artikel over: „De zoogenaamde vrijmaking van het universitair onderwijs”.

15. Theol. Tijdschrift 1903 bl. 899-407.

16. Theol. Tijdschrift 1903 bl. 405.

17. Bij Cathrein, Glauben und Wissen. Freiburg 1903 bl. 172.

18. Levy, Bijzondere Universiteiten bl. 8.

19. Gutberlet, Der Kampf um die Seele. Mainz 1908 I 6

20. Wobbermin, Theologie und Methaphysik, Berlin Duncker 1901. bl. 82 f.

21. Pierson, Eene Levensbeschouwing. Haarlem 1875 bl. 65 v.

22. Cartesius, Princ. Philos. II. 1. Land, Inleiding tot de wijsbegeerte bl. 97 v.

23. Gutberlet, Der Kampf um die Seele I 48.

24. Pierson t.a.p. 66 v.

25. Zeller, Philos. d. Griechen III 195. 235. 286. Spruyt, Proeve van eene geschiedenis van de leer der aangeboren begrippen, Leiden 1879 bl. 83.

26. Wissenschaft fängt erst an, wo der Geist sich des Stoffes bemäehtigt, wo versucht wird, die Masse der Erfahrungen einer Vernunfterkenntniss zu unterwerfen; sie ist der Geist zugewandt zu der Natur. A. von Humboldt, Kosmos I 67. 69 bij Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft 67.

27. Wobbermin t.a.p. 89 v.

28. E.L. Fischer, Die modernen Ersatzversuche u.s.w. 63.

29. Ulrici, Gott und die Natur, 2e Aufl. 1866 bl. 9.

30. Op religieus gebied komt er eene belangrijke wijziging in de beteekenis van het gelooven. Ieder voelt dat, als hij deze twee uitspraken met elkaar vergelijkt: alles overwegende, geloof ik toch dat God bestaat, dat Hij almachtig is, dat Hij de wereld geschapen heeft, en: ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, den Schepper des hemels en der aarde. In het eerste geval is het historisch geloof aan het woord, dat het bestaan en het scheppen Gods als eene wetenschappelijke stelling beschouwt en, na de gronden voór en tegen overwogen te hebben, haar aannemelijk acht. In het tweede geval spreekt het „zaligmakend” geloof zijne belijdenis uit. Dit geloof is wezenlijk niet een voor waar houden op grond van verstandelijke redeneeringen en ook niet een voor waar houden van eene of andere bewering of uitspraak, maar een met heel de ziel zich verlaten op God, die zich zoo en zoo geopenbaard heeft, eene aansluiting aan Zijn persoon, een vertrouwen op Zijn woord als Zijn woord, een omhelzen van Zijn belofte, een belijden, dat God om Zijn Zoons Christus wille mijn God en mijn Vader |47| is. Dit geloof is niet een mindere graad van weten, maar het is iets anders dan weten; het is een persoonlijk kennen van God als mijn God in het aangezicht van Christus, in den weg, en door middel van Zijne openbaring, als Zijne Openbaring.

31. Der Sensualismus hat (auch) sicherlich darin Recht, dass er, so weit physische Phänomene in Betracht kommen, die Sinneswahrnehmung als ursprünglichste Quelle und letzte Instanz der Erfahrung ansieht. Er übersieht aber einerseits, dass daneben in der Beobachtung der selbst erlebten psychischen Phänomene eine zweite, nicht mindersichere Quelle der Erfahrung fliesst und dass in die sinnliche Wahrnehmung unbemerkt höhere, d.h. complicirtere psychische Phänomene mit einfliessen. Jerusalem, Einleitung in die Philosdphie, Wien 1899 bl. 70.

32. Zeer juist zegt Dr. Bruining in Teylers Theol. Tijdschr. I bl. 318-319, dat de erkentenis van eene buitenwereld niet product is van eene redeneering, die uit het bestaan van voorstellingen concludeert tot het bestaan van eene oorzaak buiten ons. Zoo hebben we ons naar zijne meening het psychisch proces niet voor te stellen. Maar „de voorstelling komt tot ons, om het zoo uit te drukken, met het teeken der objectiviteit; anders gezegd, zij treedt op als voorstelling van iets buiten ons. En het verschil |55| tusschen realisme en idealisme is nu niet, dat het idealisme bij de voorstelling blijft staan en het realisme daaraan iets vastknoopt; omgekeerd, het realisme neemt de voorstelling, zooals zij zich geeft, terwijl het idealisme haar van een haar oorspronkelijk eigen karaktertrek ontdoet”.Precies datzelfde geldt van de in engeren zin psychische, van de godsdienstige, zedelijke, aethetische verschijnselen; zij sluiten de realiteit van een wereld van onzienlijke dingen, van een rijk der ideeën in. Wie dit laatste ontkent, kan ook het eerste niet handhaven.

33. Kaftan, Die Wahrheit der christlichen Religion, Basel 1889 bl. 319. Verg. ook Spencer, First Principles 5th ed. 1887 bl. 18: What is science? To see the absurdity of the prejudice against it, we need only remark, that science is simply a higher development of common knowledge; and that if science is repudiated, all knowledge must be repudiated along with it. The extremest bigot will not suspect any harm in the observation, that the sun rises earlier and sets later in the summer than in the winter, but will rather consider such an observation as a useful aid in fulfilling the duties of life. Well, astronomy is an organized body of similar observations, made with greater nicety, extended to a larger number of objects and so analyzed as to disclose the real arrangements of the heavens, and to dispel our false conceptions of them. That iron will rust in water, that wood will burn, that long kept viands become putrid, the most timid sectarian will teach without alarm as things useful to be known. But these are chemical truths: chemistry is a systematical collection of such facts, ascertained with precision, and so classified and generalized as to enable us to say with certainty, concerning each simple or compound substance, what change will occur in it under given conditions. And thus is it with all the sciences. They severally germinate out of the experience of daily life; insensibly as they grow they draw in remoter, more numerous, and more complex experiences; and among these, they ascertain laws of dependence like those which make up our knowledge of the most familiar objects. Nowhere is it possible to draw a line and say — here science begins.

34. Augustinus de Civ. Dei XI 31.

35. Bij Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft, Leipzig 1885 bl. 10.

36. Bij Nathusius, Naturwissenschaft und Philosophie, Heilbronn 1883 bl. 42.

37. Häckel, Der Monismus als Band zwischen Religion und Wissenschaft. Bonn 1893. Id. Die Welträthsel, gemeinverständliche Studien über Monistische Philosophie. Bonn 1899. Verg. ook Ladenburg, Ueber den Einfluss der Naturwissenschaften auf die Weltanschauung. Leipzig 1903.

38. Bastian. Offener Brief an Herrn Prof. Dr. E. Häckel. Berlin 1874.

39. Virchow, Die Freiheit der Wissenschaft im modernen Staate. Berlin 1879.

40. Du Bois Reymond, Die sieben Welträthsel. Berlin 1882.

41. Met de medische wetenschap is het niet anders gesteld. Bij haar springt ot nog sterker in het oog, omdat zij niet aan wetenschappelijke beginselen maar aan practische behoeften haar aanzijn dankt. De medische faculteit is saamgesteld uit een aantal vakken, die eigenlijk behooren tot de natuurkundige faculteit, maar hier voor een practisch doel vereenigd worden, voor de opleiding van artsen en de genezing van kranken. Zij draagt dus een bij uitstek empirisch karakter. Desniettemin is zij in heel den loop harer geschiedenis door theorieën beheerscht geworden. Eene gansche reeks van medische systemen is beurtelings opgekomen en weder ondergegaan. Zoo was het in Griekenland, in de Middeleeuwen, en ook in den nieuweren tijd. In de hedendaagsche stelsels keeren de oudere principes weer terug. De |63| nieuwere geneeswijzen, het baden, de lucht, de muziek, de zonnebaden, de massage, de hypnose, de heilgymnastiek enz., zijn herlevingen van oude methoden. Sommige medici dringen daarom niet ten onrechte op beoefening van de geschiedenis der geneeskunde aan.

42. Bij Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft. bl. 21.

43. Die Woche, 2 Jan. 1904.

44. Windelband, Geschichts- und Naturwissenschaft, 2e Aufl. Strassburg 1902. H. Rickert, Kulturwissenschaft und Naturwissenschaft, Freiburg 1899. Id. Die Grenzen der naturwissenschaftlichen Begriffsbildung. Tübingen 1902. Dit laatste werk wordt besproken door Troeltsch, Theol. Rundschau 1903. bl. 3-27. 57-71.

45. Verg. ook J.M.J. Valeton. Het Oud-Romeinsche huwelijk in het licht van het zedelijk oordeel. Amsterdam 1908.

46. Malvert, Wissenschaft und Religion. Frankfurt 1904 bl. 124.

47. Stein, Die soziale Frage. Stuttgart 1903 bl. 583 f.

48. Clavel, La morale positive, Paris 1873 bl. 53. 78. 203 etc.

49. R. von Ihering, Der Zweck im Recht II. Leipzig 1886 bl. 588.

50. Wundt, Ethik Stuttgart 1886 bl. 442.

51. Acquoy, Handleiding tot de kerkgeschiedvorsching en kerkgeschiedschrijving 1894, spreekt bl. 79 al te sterk van „klaarblijkelijkheid.”

52. Verg. b.v. voor de sociologische wetten Eisler, Soziologie Leipzig 1908, bl. 12-16.

53. Zooals Alfred Fouillée, verg. Wetensch. Bladen Sept. 1901 bl. 441-449.

54. Wundt, Psychologie 2te Aufl. Leipzig 1897 bl. 4.

55. Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 42.

56. Verg. o.a. Duhm, Das Geheimniss in der Religion. Tubingen 1901. Arthur Bonus, Religion als Schöpfung. Leipzig 1902. Fr. Naumann, Briefe über Religion, Berlin 1903. Religie is niets dan een zekere ervaring en stemming der ziel: Gott und die Seele, die Seele und ihr Gott. Al het objectieve en historische gaat uit den godsdienst weg. Zoo ook in de opvatting der religie bij Harnack en Sabatier. Gevolg daarvan is, dat de theologie, voor zoover ze wetenschap wil zijn, godsdienstwetenschap moet worden en overigens slechts een persoonlijk en practisch karakter blijft dragen; zoo in het wezen der zaak bij Lagarde, Overbeck, Bernoulli, Troeltsch, Gross e.a.

57. Verg. bijv. Brunetière, La science et la religion, Paris 1895. Romanes, Thoughts on religion 1897. Reinke, die in zijn werk Die Welt als That, zich reeds zoo had uitgelaten, gaf onlangs in eene voordracht in het Berliner |84| Evang. Vereinshaus op de vraag: Darf die Natur als Offenbarung Gottes gelten? een bevestigend antwoord (Beweis des Glaubens Febr. 1904 bl. 64). Dr. J. Classen, Naturwissenschaftliche Erkenntnis und der Glaube an Gott, Hamburg 1903. Bärwinkel, Verträgt sich die Naturwissenschaft mit dem Gottesglauben? Ein Wort gegen Ladenburg und Haeckel, Leipzig 1904 H. Schell, Der Gottesglaube und die naturwissenschaftliche Welterkenntnis 1904. Titius, Religion und Naturwissenschaft. Eine Antwort an Prof. Ladenburg. Tübingen 1904. enz.

Prof. van der Waals zeide aan het einde van zijn opstel: Het Zeemanverschijnsel, Gids Maart 1903: Alles in de natuur is verwerkelijking van eene alles omvattende en toch ondeelbare Godsgedachte. Achter alles staat een hoog verheven verstand, want overal zijn wetten en regels. En Prof Bakhuis Roozeboom besloot zijn rede over: De tegenwoordige stand van de problemen der chemie, Leiden 1904 met de woorden: Hoe verder wij zullen doordringen in de kennis der nu nog onontgonnen terreinen, hoe meer oorzaak er zijn zal voor bewondering der Goddelijke wereldorde, die zich ook op dit gebied der natuur openbaart en welke die menigvuldige verscheidenheid terugleiden laat tot eenige weinige grondgedachten.

58. Teylers Theol. Tijdschrift, I 445. Evenzoo, als de moderne richting nog gelooft aan het bestaan der zonde, aan het wezenlijk onderscheid van goed en kwaad, aan de macht van het goede, aan de zedelijke bestemming van den mensch, aan de onsterfelijkheid der ziel, aan God als den Vader in de hemelen, dan gelooft zij aan dat alles niet krachtens verstandelijke bewijzen, ten gevolge van de zuivere toepassing der empirische methode, maar dan komt zij daartoe langs gansch anderen weg, en huldigt feitelijk de religieus-ethische methode, Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven, bl. 65 v.

59. Vergelijk mijn: De Zekerheid des Geloofs, 2e druk Kampen 1903 bl. 14.

60. In mijne Zekerheid des Geloofs, 2e druk bl. 72 schreef ik: Zelfs is in den laatsten tijd door Harnack beweerd, dat de persoon van Christus in het Evangelie niet tehuis behoort. De Kerkelijke Courant van 19 Febr. 1904 maakt daar aanmerking op en meent, dat ik de woorden van Harnack |92| onjuist aanhaal en zijne bedoeling misken. Inderdaad luiden de woorden van Harnack, Das Wesen des Christenthums, Akad. Ausg. 1902 bl. 91: Nicht der Sohn, sondern allein der Vater gehört in das Evangelium, wie es Jesus verkündigt hat, hinein. Maar de nadere bepaling: zooals Jezus het verkondigd heeft, brengt in de hoofdgedachte geen verandering. Want volgens Harnack speelt het Evangelie zich geheel af tusschen God en de ziel, de ziel en haar God. De tollenaar in den tempel, de weduwe met haar penninkske, de verloren zoon wisten niets van eene „Christologie”. Jezus kent zichzelf geen middelaarsplaats in het Evangelie toe. Wel is waar voegt Harnack daaraan toe, dat Jezus op eenige wijze den Vader kende (zonder te verklaren, hoe Hij tot die geheel eenige kennis van God kwam), dat Hij door zijn woord en nog meer door wat Hij deed en leed velen tot den Vader leidt en hen den Vader doet kennen, en dat hetgeen Hij zoo bij zijn leven persoonlijk deed, door zijn met den dood gekroond leven een beslissend, voortwerkend feit ook voor de toekomst zal blijven. Maar dit is toch alles saam nog niets anders, dan dat Jezus door zijn woord en voorbeeld blijft nawerken in de geschiedenis, gelijk dat met alle groote mannen op hun gebied het geval is. De Kerkelijke Courant zegt dan ook zelve: Van „Christologie” in den gewonen zin van het woord, als eene eigenaardige opvatting van „den Zoon” in zijn wezen, afkomst, waardigheid, of als een geloof aan Hem, dat vooraf moet gaan aan het geloof in den Vader, is geen sprake in het Onze Vader; en de tollenaar in den tempel, de vrouw tegenover de schatkist, de verloren zoon wisten niets van deze dingen; zij werden toch gerechtvaardigd naar Jezus’ woord”. Maar indien dit zoo is, dan moge Jezus’ woord en leven de oorsprong en de bron van het Evangelie zijn, zijn persoon en werk maakt er het wezen en den inhoud niet van uit. |93| En hierop komt het aan bij de vraag, of Christus in het Evangelie thuis behoort en of er dus een locus de Christo is in het lichaam der dogmatiek. Dit zag Dr. Bruining zeer goed in, als hij zeide: Voor Christus, den stichter des Christendoms, is in de dogmatiek, die geene historie te behandelen heeft, geene plaats. Christus, de voorganger en aanvoerder op het terrein van het godsdienstig leven, vindt zijne plaats in het hoofdstuk over Gods openbaringen, bij de bespreking der middellijke openbaring, wel eene eerste plaats, maar dan toch naast velen. Christus, de godmensch, als zoodanig de middelaar tusschen God en de menschenwereld, degeen, door wien God, in de menschheid de kennis en de kracht tot verwezenlijking van het ideaal nieuw heeft ingeplant, deze alleen kan het object zijn van een afzonderlijken locus der dogmatiek, Teylers Theol. T. I 449. Harnack’s leerover Jezus herinnert aan Schleiermachers woord: Nie hat er seine Schule verwechselt mit seiner Religion, als sollte man um seiner Person willen seine Idee annehmen, sondern nur um dieser willen auch jene; ja, er möchte es dulden, dasz man seine Mittlerwürde dahingestellt sein liesz, wenn nur der Geist, das Princip, woraus sich seine Religion in ihm und andern entwickelte, nicht gelästert wird. Ueber die Religion, Leipzig Brockhaus 1868, bl. 229.

61. Dr. Bruining, in: Religion and Liberty. Addresses und papers at the second international council of unitarian and other liberal religious thinkers and workers, held in Amsterdam, Sept. 1903. Ed. bij P.H. Hugenholtz. Leyden Brill 1904 bl. 177. 178.

62. Weinel, Jesus im neunzehnten Jahrhundert. Tubingen Mohr 1903.

63. Pfleiderer, Das Christusbild des urchristlichen Glaubens 1903 bl. 6.

64. Du Bois Reymond bij Nathusius, Das Wesen der Wissenschaft. Leipzig 1885 bl. 117.

65. W. Fickler, Zeits. für Philos. und Philos. Kritik. Band 122 (1903). Heft 2 bl. 168.

66. Gewoonte is het, om van het „odium theologicum” te spreken. Dit odium moge echter meer algemeen bekend zijn, omdat theologen zich dikwerf bezig houden met vraagstukken die diep in het leven ingrijpen en ook buiten den kring der mannen van beroep belangstelling wekken; het is in dezelfde mate ook bij beoefenaars der andere wetenschappen en niet minder bij artisten, kooplieden, neringdoenden enz. aanwezig. Men leze maar eens, hoe bijv. Haeckel zijne tegenstanders behandelt, bij E. Dennert, Die Wahrheit über Ernst Haeckel und seine Welträthsel, Halle 1903. Volksausgabe bl. 62 v.

67. Minimum quod potest haberi de cognitione rerum altissimarum, desiderabilius est quam certissima cognitio, quae habitur de minimus rebus. Thomas. S. Theol. I qu. 1 art. 5 ad 1.

Die Fragen, ob die Welt einen Anfang und eine Grenze ihrer Ausdehnung im Raum habe, ob es irgendwo und vielleicht in meinem denkenden Selbst eine unteilbare und unzerstörliche Einheit oder nichts als das Teilbare und Vergängliche gebe, ob ich in meinen Handlungen frei oder, wie andere Wesen, an dem Faden der Natur oder des Schicksals geleitet sei, ob es endlich eine oberste Weltursache gebe, oder die Naturdinge und deren Ordnung den letzten Gegenstand ausmachen, bei dem wir in allen unsern Betrachtungen stehen bleiben müssen; das sind Fragen, um deren Lösung der Mathematiker gern seine ganze Wissenschaft dahingäbe, denn diese kann ihm doch in Ansehung der höchsten und angelegensten Zwecke der Menschheit keine Befriedigung verschaffen, Kant bij Cathrein; Glauben and Wissen, 1903 bl. 233. Sie hören nicht auf, die Zuverlässigkeit und Gewissheit der Mathematik zu rühmen. Aber was hilft es mir, noch so gewis und zuverlässig zu wissen, daran mir gar nichts gelegen ist? Schopenhauer, bij Van Oosterzee, Voor Kerk en Theologie I 101. Es gibt viele Fragen, auf deren Beantwortung ich einen unendlich viel höheren Wert legen würde als auf die mathematischen, z.B. über Ethik, über unser Verhältnis zu Gott und über unsere Zukunft, Gauss bij Cathrein t.a.p. 284.

68. Zie daarvoor Zöckler, Gottes Zeugen im Reich der Natur, Güterloh 1881. Dennert, Die Religion der Naturforscher, Berlin, 1901. Kneller, Das Christenthum und die Vertreter der neueren Naturwissenschaft, Freiburg 1903.

Zeer terecht achtte Groen van Prinsterer daarom een beroep op „het bondgenootschap der voorgeslachten” niet ongepast. Ongeloof en Revolutie 1868 bl. 17.

69. Verg. mijne Gereformeerde Dogmatiek III 23.

70. Verg. Haeckel, Die Welträthsel. Bonn 1899 bl. 295 v.

71. Arthur Titius, Religion und Naturwissenschaft. Tübingen Mohr 1904 bl. 92.

72. Handelingen van de Tweede Kamer 1904 bl. 1278.

73. T.a.p. bl. 1298. 1299.

74. T.a.p. bl. 1356 v. en 1486 v.

75. Art. Rationalisme in de Standaard 25 Maart 1904.

76. Der Streit der Fakultäten, Kants Werke ed. Rosenkranz X 276 f.

77. Ernst Katzer, Das Problem der Lehrfreiheit und seine Lösung nach Kant. Tübingen Mohr 1903.

78. Paulsen, Die deutschen Universitäten und das Universitätsunterricht. Berlin 1902.

79. Vragen des Tijds, April 1887 bl. 96 v.

80. Tutein Nolthenius, Student-zijn, Gids Oct. 1903 bl. 60-89.

81. De rede van Prof. Woltjer werd opgenomen in de Standaard van 19 Febr. 1903.

82. Delitsch, Babel und Bibel. Ein Rückblick und Ausblick. Stuttgart 1904 bl. 9 v.

83. In een artikel: Die Eroberung der politischen Macht, Socialistische Monatshefte März 1904 bl. 204.

84. Verg. Cathrein, Glauben und Wissen bl. 167.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004