Christendom, Oorlog, Volkenbond

door Dr. H. Bavinck

Utrecht — G.J.A. Ruys — 1920

a



Tijdens den wereldkiijg, die na vier lange en bange jaren tot een onbevredigend einde kwam, verscheen er in bijna alle landen eene onafzienbare reeks van geschriften, die zich ten doel stelden, om den oorlog van godsdienstig-zedelijk standpunt te rechtvaardigen of te veroordeelen, te verdedigen of te bestrijden. Dat deze reeks van geschriften zulk een buitengewonen omvang aannam, is voor een deel zeker daaruit te verklaren, dat de oorlog veel langer duurde, zich veel verder uitbreidde, en veel dieper in het leven der volken ingreep, dan men aanvankelijk zich voorgesteld had; de verwachting, dat hij binnen enkele maanden tijds zou afgeloopen zijn, werd op wreede wijze beschaamd. Maar voornamelijk was de oorzaak van dezen stroom van literatuur hierin gelegen, dat de oorlog, die thans werd gevoerd, meer dan eenige andere in vroeger tijd als een ontzaglijk probleem werd gevoeld. Hij kwam toch voor verreweg de meeste menschen en volken zoo onverwacht, en streed zoozeer met alle humaniteitsgedachten en vredesprogramma’s, dat men verbijsterd zich afvroeg, hoe zulk een waanzinnige krijg toch mogelijk en te rechtvaardigen was.

Men stelde er zich niet meer mede tevreden, om den oorlog als een onontkoombaar feit, als eene onafwendbare noodzakelijkheid te aanvaarden, zooals men er vroeger veelszins in berustte als in een onvermijdbaar gevolg van de zonde; maar men begon te vragen naar zijn recht en waarde, naar de mogelijkheid van zijne bestrijding en afschaffing. |4|

Als zoodanig is het probleem ook na het sluiten van den vrede blijven bestaan. De wereldkrijg heeft een aantal ernstige vraagstukken aan de orde gesteld, vraagstukken van financiëelen en economischen, socialen en politieken aard, het eene nog belangrijker en ingewikkelder dan het andere. Zelfs zijn ze na den oorlog niet verminderd, eer vermeerderd en uitgebreid. Maar toch is, principiëel beschouwd, geen vraagstuk zoo ernstig en gewichtig, als dat betreffende het recht en de waarde van den oorlog. Zonder twijfel is de tijd nog lang niet gekomen, dat van het verlies en de winst van den laatsten oorlog de volledige rekening is op te maken. Indien ooit, dan zal het eerst na tientallen van jaren mogelijk zijn, met eenige zekerheid de plaats te bepalen en de beteekenis aan te wijzen, welke hem in de geschiedenis van het menschelijk geslacht toekomt. Maar al moet deze overweging tot groote bescheidenheid en voorzichtigheid manen, het is toch eene bij uitnemendheid practische en actueele vraag, hoe wij in het vervolg tegenover den oorlog ons te g;dragen hebben. Moet de taktiek vóór den oorlog worden voortgezet, om de uitgaven voor leger en vloot steeds hooger op te voeren, de volken te wapenen tot de tanden toe, en aan de leus getrouw te blijven, dat wie den vrede wil zich moet gereedmaken tot den krijg? Moet de politiek van het staatkundig evenwicht worden bestendigd, die naijver en wantrouwen kweekt, nijd en haat in de harten voedt, en voortdurend kiemen van oorlog zaait? Of is het plichtmatig en mogelijk, om den oorlog als middel tot beslechting van internationale geschillen te bestrijden, het recht te doen zegevieren over het geweld, en de volken in een bond te vereenigen, die zoo lang mogelijk den vrede bewaart en geschillen zoekt op te lossen in den weg van het recht? |5|

Aan de overdenking en beantwoording van deze ernstige vragen mogen vooral Christenen zich niet onttrekken; althans niet, wanneer zij, afkeerig van het beginsel der onthouding en der mijding, een zoutend zout en een lichtend licht in de wereld willen zijn; eene hervormingspartij, die nooit wanhoopt, maar ook in de donkerste tijden en de moeilijkste omstandigheden het geloof behoudt, dat de Heere regeert en dat daarom de aarde zich verheugen mag.


*

De Heilige Schrift, welke, althans in theorie, nog door millioenen geëerd wordt als regel van hun geloof en leven, verstrekt voor de beantwoording van deze vraag eenige belangrijke gegevens. Ten aanzien van het standpunt, dat het Oude Testament bij deze vraagstukken inneemt, schijnt verschil van meening zoo goed als uitgesloten te zijn. De verdedigers van het recht van den oorlog vinden daarin allerlei materiaal van hun gading. Toen de oorlog ontbrand was, grepen velen met hartstocht naar de boeken des Ouden Verbonds; predikanten en geestelijken deden er gaarne hunne tekstkeuze uit; met beroep op het Oude Testament werd het patriotisme soms als de beste van alle religies verheerlijkt; zij, die dit boek vroeger minachtend in den hoek hadden geduwd, haalden het thans weer voor den dag, en verhieven het zelfs in waarde boven het Nieuwe Testament. Inderdaad bevatten de geschriften van het Oude Testament een bijna doorloopend verhaal van twisten en oorlogen; het begint met den broedermoord van Kaïn, zet zich voort in de geschiedenis der oudste menschheid, loopt door in de historie van Israel, en sluit af met de profetieën aangaande den volkenkrijg bij de komst van den Messias. |6|

Toch verdienen enkele bijzonderheden hierbij de aandacht. Ten eerste is oorlog niet de oorspronkelijke toestand van den mensch. Grieksche wijsgeeren, als Heraclitus, Empedocles, Epicurus, hebben aldus geleerd, en later hebben Hobbes en Spinoza, Darwin en Haeckel deze leer vernieuwd; maar de Bijbel neemt een ander standpunt in. De mensch was niet van huis uit een dier, maar een schepsel Gods, dragende zijn beeld en gelijkenis, en wonende in een paradijs. De oorlog is eerst na de overtreding van Gods gebod ontstaan, heeft dus in de zonde zijn oorsprong, en is niet van nature, physisch of psychisch noodzakelijk. Hij staat met ethische factoren, zooals haat, nijd, vijandschap, wraak enz. in het nauwste verband.

Ten andere is de oorlog, vanwege dit verband, toch niet altijd en overal, dus niet vanzelf en enkel en alleen om zichzelf veroordeeld. Als God terstond na de overtreding van den eersten mensch vijandschap zet tusschen vrouwenzaad en slangenzaad, dan leidde Hij daarmede zelf in den diepsten zin des woords den oorlog in. Sedert staan menschen, familiën, stammen, volken, rassen voortdurend vijandig tegenover elkaar. Oorlogen worden een gewoon verschijnsel in de geschiedenis, tijdperken van vrede vormen eene uitzondering. En God zelf neemt den oorlog in zijn dienst, en maakt er gebruik van voor zijn naam en zijne zaak. Als Hij uit al de volken Israel verkiest, tot zijn volk aanneemt en er een bijzonder verbond mede sluit, dan houdt dat ook in, dat Hij zijn volk beschermt en bewaart, en het in geval van oorlog tot de overwinning leidt. De God Israels is een krijgsheld, Hij leert den krijg, Hij zendt de oorlogen en doet ze ophouden. Afgezien van de gevallen, waarin God den krijg gebruikt, om zijn volk vanwege afval en ontrouw te straffen, is de oorlog, door Israël tegen zijne |7| vijanden gevoerd, eene godsdienstige zaak, een heilige krijg. De God Israels, de Heer der heirscharen, trekt dan mede op in den strijd; zijne priesters gaan vooraf en vergezellen de ark; het volk heiligt zich en brengt offeranden. En menigmaal wordt in den strijd wonderdadige hulp geboden, door storm en onweder, door schrik en pestilentie; zelfs zon en maan en sterren strijden mede tegen de vijanden.

Maar — en dat is eene derde gedachte, die aandacht verdient — de oorlogstoestand van Israel en het menschelijk geslacht is tijdelijk, hij behoort tot deze bedeeling en houdt eenmaal op. In weerwil van zijne nauwe verbinding met den dienst Gods is hij een tijdelijk en gebrekkig middel tot beslechting van geschillen. De krijgswet, die in Deut. 20 : 1-20 afgekondigd wordt, beperkt zelfs zijne rechten, tracht zijne jammeren en ellenden te verminderen en is een door menschlievendheid ingegeven ontwerp van volkenrecht. David gaf van de drie in zijne keus gestelde onheilen aan pest boven hongersnood en oorlog de voorkeur. Hij mocht den tempel niet bouwen, omdat hij een krijgsman was en veel bloed had vergoten. God zendt de oorlogen, maar doet ze ook ophouden; Hij verstrooit de volken, die lust hebben in oorlogen. En eens maakt Hij in de toekomst aan den ganschen oorlogstoestand een einde, en sticht Hij op aarde een rijk des vredes, waarin geen zwaard meer opgeheven en geen oorlog meer geleerd zal worden.

Het Oude Testament is dus volstrekt niet geschreven van het standpunt van den geweldhebber, die expansie en imperialisme tot leuze verheft en in militairisme zijne kracht zoekt. En veel minder is dat nog in het Nieuwe Testament het geval. In het algemeen kan men zelfs zeggen, dat Jezus en de apostelen den oorlog, evenals trouwens |8| heel de cultuur (vaderlandsliefde, politiek, wetenschap, kunst, enz.), buiten hunne beschouwing laten en er zoo goed als geene rekening mede houden. Jezus kwam daar niet voor; en alle pogingen, om Hem te maken tot een politieken held of tot een sociaal hervormer, zijn ijdel gebleken, en miskennen het eigenlijke werk, dat Hem door den Vader opgedragen was om te doen. Maar daaruit hebben anderen toch weer teveel afgeleid, als zij meenden, dat Hij tegen dat alles vijandig overstond en met name ook elken oorlog veroordeelde, ’t Scherpst werd deze meening door de Gnostieken en hunne volgelingen dan aldus geformuleerd, dat de God des Nieuwen Testaments, de Vader van Christus, als God van louter liefde, licht en vrede, een andere was dan de God des Ouden Verbonds, de God der duisternis, der gerechtigheid en der wraak. Want wat men ook bewere, Jezus en de apostelen spreken nooit en nergens, een beslist afkeurend oordeel over al deze cultuurgoederen uit. Integendeel, zij eerbiedigen alle natuurlijke ordeningen en verhoudingen, die krachtens de schepping bestaan, de verhoudingen van man en vrouw, ouders en kinderen, heeren en knechten, overheid en onderdanen, en maken daar alleen inbreuk op, als ze in conflict geraken met een stellig gebod Gods. Want men moet Gode meer gehoorzamen dan den menschen. Zoo moet alles, wat ergert, alles wat ons in gevaar brengt, om onze ziel te verliezen, verlaten en verloochend worden, hand en oog, vader en moeder, aardsche goederen en zelfs het eigen leven. Wie een van deze dingen boven Jezus liefheeft, is Zijns niet waardig.

Uit dit gezichtspunt moet ook de verhouding van Jezus’ discipelen tot krijgsdienst en oorlog beschouwd worden. Het spreekt vanzelf, dat deze beide in hun kring niet thuis |9| behooren; onder de leden Zijner gemeente is voor geen van belde plaats; de door Hem gestichte kerk dorst niet naar bloed. Niet geweld en dwang, vergelding en wraak, maar liefde, vrede, blijdschap enz. zijn de vruchten des Geestes, welke behooren heerschappij te voeren in het hart en het leven van hen, die wandelen naar den Geest. Ook tegenover hunne persoonlijke vijanden hebben zij deze deugden te beoefenen; in plaats van het oog om oog en tand om tand behooren zij den regel der vriendelijkheid en bescheidenheid, der toegevendheid en inschikkelijkheid in toepassing te brengen. Zij moeten hunne vijanden liefhebben, zegenen die hen vloeken, en bidden voor degenen, die hun geweld aandoen en hen vervolgen. Met deze vermaningen der liefde wordt echter volstrekt niet eene ziekelijke weekhartigheid bedoeld, die om het recht zich niet bekommert, alles door de vingers ziet en niet gloeien kan van verontwaardiging en toorn. Jezus zelf dreef met de roede de wisselaars uit den tempel, trad met strengen ernst tegen de Farizeeën op, en zeide, dat Hij niet den vrede maar het zwaard op aarde kwam brengen. Hij verwacht niet, dat het Koninkrijk Gods zich geleidelijk ontwikkelen en voltooien zal, maar voorspelt, dat vijandschap en strijd blijven zullen tot het einde der tijden, en dat het Koninkrijk dan door Zijne komst ten oordeel zal worden verwezenlijkt. Krijgsdienst en oorlog worden dan ook door Jezus niet om zichzelf veroordeeld. Hij was geen patriot of zeloot, maar evenmin een kosmopoliet of pacifist.

Al deze en dergelijke tegenstellingen liggen buiten zijn gezichtskring; Hij beveelt noch het Martialisme noch het Sabbatisme aan. Militie evenals justitie en politie, behooren in zijn rijk niet thuis, ofschoon ze wel ter dege hare plaats |10| behouden in de orde der wereld en eigen blijven aan deze bedeeling, waarin goed en kwaad, kaf en koren dooreen zijn gemengd. Krijgsdienst en oorlog zijn daarom op zich zelf niet zondig, evenmin als overheid en staat, en alle andere elementen der cultuur. ’t Hangt er alleen van af, hoe ze gebruikt worden. Indien ze dienen tot handhaving der gerechtigheid, zijn ze van uitnemende waarde en zijn ze te beschouwen als ordinantiën, door God ingesteld.

Zoo staat het Christendom tegen niets vijandig over, dan alleen tegen de zonde, die in de wereld is. En het is zelf in zijn geheel de groote heilsinrichting Gods, welke niet maar de zonde veroordeelt, doch ook den weg opent tot verzoening en herstel. Het Nieuwe Testament neemt, in verband met de tijden, waarin het ontstond, wel in hoofdzaak, maar toch niet uitsluitend eene negatieve houding tegenover de wereld aan; het bevat ook tal van positieve elementen, die hervormend inwerken op heel het menschelijk leven, op alle verhoudingen, die in gezin, in maatschappij en staat bestaan. Het Christendom is eene door en door universeele, katholieke religie; het is een parel, maar ook een zuurdeesem; een schat in den akker, maar ook een zaad, dat opwast en vruchten draagt, dertigen zestig- en honderdvoud. Het verbiedt zelfs den oorlog niet, maar eischt, dat deze niet anders gevoerd worde dan in den dienst der gerechtigheid, tot bewaring van hooge, geestelijke en zedelijke goederen, die anders zouden verloren gaan. Voor die goederen behoort een mensch, behoort een volk zijn leven veil te hebben, want ze gaan in waarde alle andere schatten te boven. Zoekt eerst het Koninkrijk en de gerechtigheid Gods, alle andere dingen worden u dan toegeworpen. |11|


*

Toch is het standpunt, dat het Nieuwe Testament tegenover den krijgsdienst en den oorlog inneemt, ten allen tijde zeer verschillend opgevat en beoordeeld. Verwonderen moet dit niet, want het onderwijs van Jezus en de apostelen bevat nergens eene zoo klare en afdoende uitspraak, dat verschil van meening uitgesloten is. Evenals over de verhouding van het Christendom tot de wereld in het algemeen, tot den staat, de overheid, den eed, de wetenschap, de kunst enz., zoo krijgt men zijne overtuiging over de relatie van het Christendom en den oorlog niet uit enkele op zich zelf staande teksten, maar uit de gansche conceptie, welke men op grond van de N. Test. geschriften zich van het Evangelie vormt. De meening, welke men koestert over de verhouding van Christendom en cultuur, hangt ten nauwste saam met de principiëele gedachte, welke men toegedaan is over de verhouding van wet en evangelie, natuur en genade, gerechtigheid en liefde, oud en nieuw verbond, schepping en herschepping, en in laatste instantie over de trinitarische relaties in het Goddelijk Wezen.

Sommige Christenen, van de Gnostieken af tot de hedendaagsche dienstweigeraars toe, nemen hierbij eene scherpe, antithese aan, zien in den oorlog alleen een bewijs van Satans zegepraal, en meenen, dat de oorlog niets met het Evangelie te maken heeft; de gemeente heeft zich van de wereld af te scheiden en deze over te laten aan haar eigen lot. Anderen gaan van dezelfde antithese uit, maar bewegen zich dan verder in eene geheel tegenovergestelde richting; Nieuwtestamentische moraal en moderne cultuurtoestand zijn volgens hen volstrekt onvereenigbaar; de hedendaagsche maatschappij is aan de religie en moraal van het Nieuwe Testament ten eenenmale ontgroeid. Een derde groep tracht deze beide uitersten te vermijden en |12| streeft naar eenige synthese; zij zoekt deze dan zoo, dat Christen en mensch, gemeente en wereld er elk een eigene moraal op na houden, of dat althans in den oorlog de Christelijke ethiek ter zijde gesteld moet worden en plaats moet maken voor eene interimsethiek, eene nationale moraal, die meedoogenloos is en geen liefde kent. En eindelijk zijn er ook nog, die, hoe moeilijk het ook zij, een organisch verband trachten. te leggen tusschen de Christelijke moraal en heel het menschelijk leven, en gene hervormend en vernieuwend willen laten inwerken op de gansche, ook op de hedendaagsche cultuur.

Deze laatste opvatting ligt ongetwijfeld het meest in de lijn, welke door mannen als Ambrosius, Augustinus, Thomas, Calvijn enz, aangegeven werd en door de officiëele kerken gevolgd is. Zij allen handhaven toch het recht van den oorlog (evenals van de overheid en den eed, die ook eerst door de zonde noodzakelijk zijn geworden), en ontleenen de gronden voor hunne meening aan vele uitspraken van Oud en Nieuw Testament, aan het recht der overheid om te straffen met het zwaard, aan het recht van verweer in geval van nood enz. Maar zij allen verdedigen alleen den rechtvaardigen oorlog en stellen daarvoor de volgende regelen op. Ten eerste moet de oorlog uitgaan van de wettige overheid (auctoritas principis), want het verklaren en voeren van oorlog is niet het recht van een privaat persoon, maar behoort tot de bevoegdheden van den souverein, die waken moet voor het bestand en het welzijn van den staat, zoowel tegen binnenlandsche als tegen buitenlandsche vijanden. Ten tweede moet de oorlog gevoerd worden om eene rechtvaardige zaak (justa causa), niet uit ijdelheid, hoogmoed, zelfzucht, heerschzucht, enz., maar om het vaderland, om huis en haard te verdedigen, |13| om den godsdienst te beschermen, om verdrukten en vervolgden bij te staan, in het algemeen voor hooge, zedelijke goederen, die op geene andere wijze bewaard kunnen worden. Ten derde moet de oorlog gevoerd worden met eene zuivere bedoeling en een rechtvaardig doel (recta intentio en finis justus), niet om den vijand zooveel mogelijk te schaden en te benadeelen, om zich op hem te wreken of over hem te heerschen, doch om door den oorlog als een uiterst middel tot den vrede te komen en het recht te doen zegevieren. Daarom behoort er ook in de vierde plaats nog bij eene rechtvaardige wijze van oorlogvoeren (modus belli gerendi rectus), want er zijn rechten in den oorlog zoowel als in den vrede, rechten der menschelijkheid, die geeerbiedigd dienen te worden. Ook in den oorlog moeten menschen menschen blijven en zich niet tot dieren verlagen. Er bestaat in den oorlog, zegt Calvijn, veel verleiding en verzoeking, veel gelegenheid om kwaad te doen; maar daarom moeten te meer alle krachten worden ingespannen, om zich van slechte daden te onthouden; verwoesting, afpersing, onnoodig bloedvergieten, en allerlei wreedheden en gruwelen moeten overeenkomstig het oorlogsrecht in Deuterononium verboden zijn. Daarbij behandelde de Christelijke moraal dan nog allerlei quaesties, of van list, hinderlagen, noodleugen enz. gebruik mocht gemaakt, of privaat eigendom aangetast, akkers verwoest, non-combattanten aangevallen, heidensche troepen te hulp mochten geroepen worden enz. In het algemeen drong men er op aan, dat ook in het leger de dienst van God onderhouden en Christus als Koning en Heer erkend werd.

Indien deze voortreffelijke beginselen ingang en toepassing hadden gevonden, zouden de oorlogen in het gekerstend Europa zeker minder talrijk en ook minder wreed |14| en gruwelijk zijn geweest. Maar in werkelijkheid heeft het aan de erkenning en verwezenlijking dier beginselen al te zeer ontbroken. Vorsten en volken hebben er zich in de practijk zeer weinig aan gestoord; ze zijn meestal hun eigen wil gevolgd en hun eigen gang gegaan. Zelfs zijn in het Christelijk Europa de oorlogen vermeerderd door de verdrukkingen en vervolgingen om des geloofs wille; de gruwelen van den oorlog zijn, zoo mogelijk, nog overtroffen door de kerkerholen en folterwerktuigen, door de brandstapels en schavotten, die voor andersdenkenden werden opgericht.


*

De geringe invloed, door het Christendom geoefend op de beperking van den oorlog, is voor zijne belijders eene oorzaak van schaamte en droefenis, maar kan toch niet al te teleurstellend zijn, als we letten op den toestand, waarin wereld en menschheid volgens de Schrift van wege de zonde verkeeren. In de natuur, die menigmaal zoo liefelijk is voor het oog, is alles vol van strijd en lijden. Waar we zien, overal schijnt strijd de fundamenteele wet van alle ontwikkeling te zijn. Het gansche schepsel zucht. De geschiedenis is eene aaneenschakeling van oorlogen; tijden van vrede en rust vormen er slechts korte pauzen in. De oudste kronieken en monumenten leveren daarvan een doorloopend bewijs; wapenen behooren tot de oudste gereedschappen, welke de mensch zich aangeschaft heeft. Menschen, familiën, stammen en rassen leefden in voortdurenden strijd, ielfs werd de vroegere maatschappij, veel meer dan de onze, door onderlinge veeten en twisten verscheurd. Langzamerhand kwam daaraan een einde door het staatsverband, dat duel en |15| bloedwraak verbood, de rechtspraak aan zich trok, en alzoo binnen een grootere gemeenschap den vrede bewaarde. Maar zulk een staat kwam in den regel niet anders dan door oorlog tot stand; door oorlog hield hij zich staande en breidde hij zijn gebied uit: door oorlog vond hij gewoonlijk zijn verval en ondergang. De oorlog is daarom zeer zeker niet een willekeurig en toevallig verschijnsel in de geschiedenis van het menschelijk geslacht; hij is niet iets exceptioneels, maar breekt telkens weer uit, evenals eene ramp in de natuur of eene pest onder de menschen. Hij staat trouwens niet op zichzelf, maar hangt met de onedele hartstochten in ’s menschen binnenste, zooals haat, nijd, hebzucht enz. ten nauwste saam.

Op grond van dit feit hebben velen vroeger en later de noodzakelijkheid en in verband daarmede ook de doelmatigheid van den oorlog geleerd. In de Grieksche oudheid verkondigde Heraclitus reeds, dat strijd de vader en de heer aller dingen is. Vuur is het oorspronkelijk element in al het geschapene, want alles is in voortdurende beweging; alles is in alles, en slaat in zijn tegendeel om, dag in nacht, leven in dood, gezondheid in krankheid, vrede in oorlog en omgekeerd. Eeuwenlang werd deze realistische wijsbegeerte teruggedrongen door het idealisme van Plato en Aristoteles, en daarna door de wereldbeschouwing van het Christendom. Maar in de nieuwere philosophie kwam ze weer in eere, ten deele reeds bij Macchiavelli, die terwille van de eenheid van zijn vaderland de staatsmacht verheerlijkte en deze van de wetten van recht en moraal ontsloeg, maar dan vooral bij Spinoza en Hobbes, die beiden van meening waren dat de menschen oorspronkelijk, in den natuurstaat, elkanders vijanden waren, en aan dezen toestand van haat en wraak alleen een |16| einde hadden gemaakt door een verdrag, waarbij ieder zijn natuurrecht beperkte en zich tot gehoorzaamheid aan een gemeenschappelijken wil verbond. In de uitwerking ging elk een eigen weg, maar de grondgedachte was bij beiden dezelfde en plantte zich in de volgende eeuwen voort.

Terwijl de 18e eeuw echter den staat trachtte op te bouwen uit een willekeurig verdrag der individuën, sloeg de 19e eeuw onder Hegels leiding de tegenovergestelde richting in en poogde de deelen uit het geheel, de werkelijkheid uit de idee, de stof uit den geest te verklaren. Hegel nam zijn uitgangspunt in de alheid en zag in de wereld een onafgebroken proces van de absolute idee. In dat proces kreeg alles zijne plaats, natuur en geschiedenis, subjectieve en objectieve geest, recht, moraliteit en zedelijkheid, en in de sfeer dezer laatste familie, maatschappij en staat; zij zijn alle successieve schakels of trappen in het logische wereldproces. Met name is de staat bij Hegel de hoogste organisatie der idee, de eenheid van familie en maatschappij, de voltooide werkelijkheid der vrijheid, de zedelijke geest zelf, als de openbare, zich zelf duidelijke, substantieele wil, die weet en wat hij weet uitvoert. Of de mensch het al of niet erkent, in het proces, waardoor de zedelijke idee zich manifesteert in den staat, zijn de individuën slechts momenten; es ist der Gang Gottes in der Welt, dass der Staat ist; sein Grund ist die Gewalt der sich als Wille verwirklichenden Vernunft. Hierbij merkt Hegel uitdrukkelijk op, dat men bij deze idee van den staat niet aan een of anderen bijzonderen staat moet denken, maar dat men veelmeer die Idee, diesen wirklichen Gott, für sich betrachten muss. Daarom doorloopt deze staatsidee ook een geschiedenis; zij realiseert zich allengs door gerichten en oordeelen heen, want wereldgeschiedenis is |17| wereldgericht, totdat zij zich ten volle heeft gerealiseerd.

Maar het spreekt toch van zelf, dat deze beschouwing moest leiden tot eene bovenmatige waardeering van den staat. Deze is de wereld, die de geest zich schept. Men spreekt van Gods wijsheid in de natuur, maar veelmeer blinkt deze uit in den staat, want zoo hoog als de geest boven de natuur zich verheft, zoo hoog is de staat verheven boven het physische leven. Man muss daher den Staat wie ein Irdisch-Göttliches verehren, und einsehen, dass, wenn es schwer ist die Natur zu begreifen, es noch unendlich herber ist den Staat zu fassen. Hij is een grootsch, architectonisch gebouw, eine Hieroglyphe der Vernunft, en heeft daarom ook zijn einddoel niet buiten zichzelf, in de bescherming van het leven en den eigendom der individuën, maar in zijne eigene onafhankelijkheid en souvereiniteit, welke hij handhaven moet met opoffering van alles wat hem lief is. Hieruit vloeit nu ook het recht en het zedelijk karakter van den oorlog voort. Oorlogen zijn niet te beschouwen als een absoluut kwaad noch ook als eene loutere toevalligheid, die haar eenigen grond zou hebben in vorstelijke macht of willekeur; maar ze zijn noodzakelijk voor de realiseering der zedelijke idee en maken ernst met de prediking, dat bezitenleventijdelijke, onbetrouwbare goederen zijn, die, des noodig, opgeofferd moeten worden voor het absoluie einddoel van de souvereiniteit van den staat. En zij zijn nuttig ook, want, zooals de wind het meer, zoo bewaren zij een volk voor stilstand en inzinking. De eeuwige vrede is volstrekt geen ideaal.

Het valt niet te ontkennen, dat deze machtsverheerlijking en staatsvergoding in de 19e eeuw grooten invloed hebben geoefend op de politiek en in menige beschouwing van den oorlog weerklank hebben gevonden. Men denke slechts |18| aan de Realpolitik van von Bismarck, aan de theorieën van Treitschke en Bernhardi, aan den lofzang van den gewezen kroonprins op den frisschen en vroolijken krijg, vooral ook aan de egoïstische philosophie van Max Stirner en de machtsphilosophie van Friedrich Nietzsche. Tijdens den oorlog zijn al deze uitlatingen in de pers der Entente met groot welbehagen tegen Duitschland, en vooral tegen Pruisen, geëxploiteerd. Men zag er de getrouwe weerspiegeling in van het karakter, dat den Pruisen, den Germanen en Hunnen, den barbaren en vandalen van huis uit eigen was. En men schiep er een begrijpelijk genot in, om zich zelf daartegenover voor te stellen als de verdedigers van vrijheid, beschaving, humaniteit, van het recht der kleine staten, van democratie en andere ideale goederen meer. Men vergat er maar één ding bij, dat n.l. soortgelijke beschouwingen in alle landen hunne tolken hebben gevonden. In Engeland bijv. heeft Charles Darwin de leer van Heraclitus en Hobbes vernieuwd en er een wetenschappelijk cachet op gedrukt. In zijn evolutiesysteem is de strijd om het bestaan een onontbeerlijk middel tot vooruitgang en ontwikkeling, want in dien strijd komen de zwakken om, blijven de geschiktsten over en planten zich voort. Welk een invloed van dezen Engelschman op het denken en leven dezer eeuw is uitgugaan, is in meerdere of mindere mate aan ieder bekend; zeker doet hij voor dien van Hegel en Nietzsche niet onder. Allerwege werd op Darwinistische gronden de leer verkondigd, dat oorlog een uitnemend en onmisbaar middel van selectie is; hij doet het kleine en zwakke te gronde gaan, bevordert het sterke, en draagt in hooge mate bij tot verheffing en veredeling van het menschelijk ras. Rust roest, vrede is de dood, zonder strijd waren de menschen apen gebleven. De oorlog is het |19| eigenlijke wereidgericht, de rechtvaardige en alzijdige rechter, die alle staatszonden straft en alle voortreffelijkheden beloont. Medelijden en hulpbetoon aan de zwakken zijn van veel minder waarde dan oorlog en strijd, die aan de sterken hun bestaan verzekert.

Het waren niet militairen van professie, maar wijsgeeren en mannen van wetenschap, die in de vorige eeuw dit evangelie van den oorlog verkondigden. Maar zij vonden voor hunne beschouwingen in politieke en militaire kringen een gewillig, luisterend oor. Zij trokken er de aandacht voor, omdat ze veelszins beantwoordden aan de practijk en steun vonden in de werkelijkheid. Want van groote beginselen en ideale goederen is er in de tallooze oorlogen tusschen de volken slechts bij uitzondering sprake geweest; bij verreweg de meeste speelden machtsbegeerte en overwinningszucht de hoofdrol. Zoo was het ten allen tijde, en zoo is het nog. De Entente verweet herhaaldelijk aan de Duitschers den strijdlust der oude Germanen, maar Latijnen en Longobarden, Angelen en Saksen deden daarin voor dezen niet onder. Militairen hebben in Frankrijk, Engeland en Amerika, zooals Norman Angell aantoonde, meermalen in denzelfden geest over den oorlog gesproken, als die in Duitschland en Oostenrijk. Het imperialisme en militairisme is aan deze zijde van het Kanaal niet grooter dan aan gene zijde, al treedt het hier als navalisme op. De aanspraak, Gods uitverkoren volk te zijn en zijne cultuur te mogen opdringen aan alle volken der aarde, klinkt aan beide kanten even luid. De oorlogen, door Frankrijk, Engeland en zelfs Amerika in de laatste 40 jaren gevoerd, zijn talrijker dan die van Duitschland, dat al dien tijd den vrede bewaarde. En zelfs, wat de wijze van oorlogvoeren betreft, hebben de volken over en weer elkander niet veel |20| te verwijten. Geen enkele staat heeft in dit opzicht een clean record, een schoon rapport. Als het er op aankwam en geen andere weg tot overwinning overbleef, deinsde geen van alle voor het plegen van onrecht terug.

Wat echter wel eenige verbazing wekte en daarom hier ook vermelding verdient, is, dat bedienaren van het Evangelie met deze moderne theorieën over den oorlog hunne instemming betuigden en een lofzang aanhieven tot zijne verheerlijking. In de oorlogvoerende landen laat zich daarvoor eenige verontschuldiging bijbrengen, maar ook in de neutrale landen werden dergelijke stemmen gehoord. Men hoorde spreken van het goede jaar 1914, van vreugde en dank, die ons bezielen moest bij het uitbreken van deze reuzenworsteling, van de hoopvolle tijden, die wij beleven, van de regenereerende krachten, die in den oorlog werkten, en van de zegeningen, die hij bracht en in de toekomst brengen zou. De oorlog werd Gods knecht genoemd, door Hem gebruikt, om de menschheid op te voeren tot een hooger peil. Want alle leven, alle glorie, alle rijkdom en alle cultuur wordt uit den strijd en uit den dood geboren. Om volkomen billijk te zijn, dient ook in deze en dergelijke beschouwingen het korreltje waarheid ontdekt en erkend te worden. Het is toch volkomen juist, dat de oorlog, die in de geschiedenis van het menschelijk geslacht zulk eene breede plaats inneemt, niet louter uit misverstand, willekeur of toeval te verklaren is. Hoofd noch hart kan zich met zulk eene oppervlakkige verklaring tevreden stellen: het wijsgeerig nadenken houdt niet op, naar diepere oorzaken, naar wet en orde te zoeken. Het is met den oorlog, als met alle ethisch en physisch kwaad, met zonde en misdaad, met ellende en dood gesteld. Maar het maakt een groot verschil, uit welk gezichtspunt men al deze dingen beschouwt. |21| In het pantheïstisch evolutiesysteem zijn ze normale, noodzakelijke en nuttige elementen voor de ontwikkeling en den vooruitgang; volgens het theïsme zijn ze abnormale, wederrechtelijke verschijnselen, die desniettemin onder Gods almachtig en liefderijk bestel ten goede kunnen medewerken. De laatste beschouwing heeft haar grondslag in de Heilige Schrift. De duisternis brengt het licht, de dood het leven, de zonde de gerechtigheid niet voort, maar God is zoo rijk in liefde en macht, dat Hij, wat menschen ten kwade hebben gedacht, ten goede kan keeren. De persoon van Christus met zijn dood en opstanding biedt voor deze blijde hoop den waarborg en het onderpand.

Voor eene rechte beoordeeling van den oorlog, die achter ons ligt, is dit Christelijk geloof niet zonder beteekenis.


*

Indien wij naar de Christelijke beginselen van recht en moraal den oorlog beoordeelen, die in 1914 over de wereld losbrak, dan valt er noch aangaande zijn oorsprong noch aangaande zijn voortgang en einde, veel goeds van te zeggen. Over de oorzaken zal eerst later, als alle documenten zijn gepubliceerd, het volle licht kunnen opgaan. De verwachting, dat dan de schuldvraag met een allen bevredigend antwoord zal worden opgelost, zal echter zeker niet worden vervuld. Geschiedenis bereikt nimmer de objectiviteit eener exacte wetenschap. Hoe volledig de documenten ook ter algemeene kennis worden gebracht, ze brengen de geheime overleggingen slechts ten deele aan het licht en blijven in meerdere of mindere mate voor verschillende uitlegging vatbaar.

Toch is het op zichzelf wel verblijdend, dat de schuldvraag bij dezen oorlog zoo nadrukkelijk aan de orde is gesteld. |22| Partijdigheid speelde ook hierbij eene rol, want de Entente ging zonder nader onderzoek van de gedachte uit, dat zij zelve vrij uitging en dat Duitschland de eenige schuldige was. Aan zelfkennis ontbrak het al te zeer; van een rekening houden met de toestanden, die vóór den oorlog bestonden en zóó gespannen waren, dat ze vroeg of laat tot een oorlog moesten leiden, was geen sprake; aan een onderscheid tusschen oorzaak en aanleiding werd weinig gedacht.

Van te voren stond vast, dat de schuld alleen bij Duitschland lag, en men ontzag zich zelf niet, om dit land, op de wijze van de pijnbank in vorige eeuwen, in den nood tot bekentenis dezer schuld te dwingen, eene bekentenis, die natuurlijk alle zedelijke waarde mist. In art. 227 van het vredestractaat beschuldigen de gealliëerde en geassocieerde mogendheden den gewezen Duitschen keizer in het openbaar van de zwaarste inbreuk op de internationale moraal en de heiligheid der verdragen, en nemen zich voor, om van Nederland zijne uitlevering te vragen, en hem terecht te stellen voor een hof van vijf rechters, van wie Amerika, Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en Japan er elk één benoemen. Altemaal eischen, die met het recht in strijd zijn, want de beschuldiging rust niet op eenige internationale rechtsbepaling, de eisch der uitlevering vindt even min in eenige rechtsbepaling steun, en de rechtbank is partijdig samengesteld.

Maar ondanks dit alles, is er wel ter dege een schuldvraag, niet alleen bij dezen, maar bij elken oorlog. Ook vorsten en volken zijn aan wetten gebonden, en mogen niet doen wat ze willen. De overtuiging van deze waarheid spreekt zich daarin uit, dat niemand de schuld van dezen oorlog wil dragen. Duitschland beweerde van den |23| aanvang af, dat het tot dezen oorlog gedwongen was. En de onthullingen, die er in den laatsten tijd plaats hadden droegen alle min of meer een tendentieus karakter; de een wierp de schuld op den ander, wat wel gewoon-menschelijk is, maar toch een onverkwikkelijken indruk maakt. Tot het vellen van een oordeel is daarom in hooge mate voorzichtigheid en bescheidenheid noodig; voor eene besliste uitspraak is het de tijd nog niet.

Toch schijnen enkele feiten nu reeds vast te staan. Zoo is uit de Weensche onthullingen wel gebleken, dat Minister Berchtold reeds vóór den moord op den troonopvolger Franz Ferdinand en zijne gemalin op 28 Juni 1914 het voornemen koesterde, om krachtig tegen Roemenië vanwege zijne dubbelzinnige houding op te treden, en na dien moord het plan opvatte, om, in weerwil van de bedenkingen van graaf Tisza, den oorlog tegen Servië door te zetten, ten einde zijn politieke en militaire macht in den Balkan te breken. Billijkheidshalve moet men hierbij in rekening brengen, dat Servië inderdaad een groot gevaar opleverde voor de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie; als zich in den Balkan een bond vormde, die vijandig tegenover haar stond en door Rusland werd gesteund, waren hare dagen geteld. Het scheen daarom noodzakelijk, van de gelegenheid gebruik te maken, om Servië van zijne macht in den Balkan te berooven. De kans scheen daartoe niet ongunstig te zijn. Bulgarijë en Roemenië zouden zich wel aan Oostenrijks zijde scharen; de Slaven in de monarchie zouden thans, verontwaardigd over den moord te Serajewo, nog wel mee vechten, en andere mogendheden zouden er zich wel buiten houden.

De eerste oorzaak voor den oorlog is derhalve in Oostenrijk, niet in Duitschland, te zoeken. In Weenen liet men |24| zelfs den Duitschen bondgenoot in het onzekere aangaande de plannen, welke men tegen Servië gevormd had. Het ultimatum werd voor Duitschland met opzet verborgen gehouden tot 23 Juli toe; slechts enkele uren, voordat het op dien dag des avonds te 6 uur in Belgrado werd overhandigd, kwam het in Berlijn ter kennis van Von Bethmann-Hollweg en Von Jagow. Dezen verklaarden zich er eenstemmig mede, maar dachten daarbij nog niet aan oorlog. Toen Servië bijna al de eischen van het ultimatum inwilligde, oordeelde de Keizer, den 28en Juli, dat Weenen een groot moreel succes had behaald en dat de reden voor een oorlog verdwenen was. Toen men zich in Weenen echter niet bevredigd verklaarde en den oorlog wilde doorzetten, trachtte Duitschland te bemiddelen. Den 29en Juli diende Sir Edward Grey het voorstel in, dat Oostenrijk-Hongarijë na de bezetting van Belgrado de militaire actie zou staken en met de mogendheden in onderhandeling zou treden. Dit voorstel werd door Berlijn doorgezonden naar Weenen, met den raad om het aan te nemen, want Oostenrijk-Hongarijë en Duitschland zouden de verantwoordelijkheid voor de gevolgen eener weigering moeilijk op zich kunnen nemen. Maar in Weenen was men er niet van gediend. Minister Berchtold talmde met het antwoord, en liet eerst den 1en Aug. weten, dat de Oostenrijksche regeering bereid was, om het voorstel van Grey over onderhandeling met Servië (in plaats van met de Mogendheden, zooals Grey had gezegd) verder in overweging te nemen.

Indien deze feiten juist zijn, draagt Duitschland van dezen oorlog niet de grootste schuld; het heeft dien niet gewild en ook Oostenrijk er niet toe aangespoord; veeleer, heeft het hem willen voorkomen en willen localiseeren. Toch kan het daarom zijne handen niet wasschen in onschuld. |25| Want het liet Oostenrijk zijn onaannemelijk ultimatum aan Servië zenden, zonder daarvan kennis te dragen; toen het daarvan kennis kreeg, betuigde het er zijne instemming mede, en gaf aan Oostenrijk blanco crediet, om Servië te tuchtigen zelfs op gevaar van een oorlog met Rusland; en het dacht, dat de oorlog, indien hij uitbrak, toch nog wel gelocaliseerd kon worden. Altemaal misrekeningen, die in enkele uren en dagen zich wreekten. Want Rusland ging tot algemeene mobilisatie over; en Duitschland, door angst gedreven, verklaarde den oorlog.

Ook Rusland draagt daarom voor een groot deel de schuld aan dezen oorlog. De panslavistische pers ging reeds sedert jaren op heftige wijze tegen Duitschland te keer. De Slavische beweging in Oostenrijk vond in Rusland een sterken steun. De onlangs overleden oud-minister Iswolski trachtte bij het begin van den Tripolitaanschen oorlog niet alleen Italië, maar ook Frankrijk voor zijn aggressief imperialisme te winnen. Zoolang Caillaux aan ’t hoofd der Fransche regeering stond, was de gelegenheid daarvoor niet gunstig, maar toen Poincaré aan ’t bewind kwam en Iswolski ambassadeur te Parijs was, kwam er verandering; de revanche-gedachte kreeg in Frankrijk nieuw voedsel en de toenadering van Frankrijk en Rusland nam bij de gespannen verhoudingen op den Balkan voortdurend toe. Toen de moord te Serajewo het scherpe conflict tusschen Oostenrijk en Servië in het leven riep, gaf de Czaar op 25 Juli het bevel tot de mobilisatie.

De verklaringen, in het proces van Soechomlinof en Janoesjkewitsj afgelegd, hebben aan het licht gebracht, dat vanwege het vijandige optreden van Oostenrijk tegen Servië en den steun, dien het daarbij van Duitschland ondervond, reeds in den kroonraad van 25 Juli, vooral op advies |26| van generaal Janoesjkewitsj, tot algemeene mobilisatie besloten was, maar dat de tijd, waarop het bevel daartoe zou worden uitgevaardigd, nog niet was vastgesteld. Men wist in Petersburg en werd er door graal Pourtales nog aan herinnerd, dat deze mobilisatie den oorlog zou doen uitbreken, niet alleen met Oostenrijk, maar ook met Duitschland. Een telegram van keizer Wilhelm in den avond van 29 Juli bracht den Czaar tot andere gedachten, maar de genoemde generaal verklaarde, dat het bevel tot algemeene mobilisatie reeds verzonden was en niet meer herroepen kon worden. Inderdaad werd dit bevel op 30 Juli uitgevaardigd, en dit had onmiddellijk de oorlogsverklaring van Duitschland ten gevolge.

Indien Engeland toen duidelijk en beslist aan Rusland te kennen had gegeven, dat het op zijn steun niet rekenen kon, dan ware de oorlog waarschijnlijk, overeenkomstig Duitschlands wensch, tot Oostenrijk en Servië beperkt gebleven. Maar ofschoon Grey’s bemiddelingsvoorstel zonder twijfel eerlijk en oprecht was bedoeld, tot dezen stap tegenover Rusland ging Engeland niet over: het nam, in overeenstemming met zijne meermalen met succes gevolgde politiek, eene afwachtende houding aan, om op het gunstig oogenblik zijn gewicht in de eene of in de andere schaal te werpen. Toen Engeland zijn splendid isolation na den oorlog met Transvaal moede was en de Jingo-pers voortdurend naijver en haat zaaide tegen Duitschland, toen achtte koning Edward VII verstandhouding met Frankrijk en Rusland gewenscht. Deze kwam tot stand tusschen Engeland en Frankrijk April 1904, tusschen Engeland en Rusland Aug. 1907, en werd daarna in 1908 door engere aaneensluiting dezer drie Mogendheden versterkt. De jaren, die op deze entente volgden, hebben telkens het bewijs |27| geleverd voor het gevaarvolle van deze evenwichtspolitiek in Europa. Ieder oogenblik was men in zorg, wat de ontmoeting der vorsten te beteekenen had, en hoe men de oprijzende quaesties oplossen zou. De omsingelingspolitiek, door Edward VII ondernomen, was geheel naar het hart der Jingopers en een bedreiging voor Duitschland, want wel sloot ze niet direct het gevaar van een oorlog in, maar ze verminderde het gevoel van veiligheid en bracht Duitschland zoo in het nauw, dat het wel vroeg of laat tot een oorlog komen moest. Trouwens, in de artikelen, welke Lord Fisher in de Times publiceerde, erkende deze, dat zijn heele vlootpolitiek sedert 1903 tegen Duitschland gericht was geweest. Het woord camouflage was toen nog niet veel in gebruik, maar wat hij deed, kwam neer op gecamoufleerde maatregelen, die een strijd met de Duitsche vloot ten doel hadden. De vrees voor den nieuwen vijand bracht zulk een keer in de Engelsche politiek, dat het geen belang meer stelde in het lot van Turkijë, en in Klein-Azië aan Rusland de vrije hand liet. De nieuwe groepeering der mogendheden, door koning Edward gezocht, was van het begin af een ernstige bedreiging voor den wereldvrede.

Toen de oorlog eenmaal uitgebroken was, nam hij afmetingen aan, die niemand had vermoed. De Centrale Mogendheden wisten Bulgarijë en Turkijë naar hunne zijde over te halen, en van Duitsche zijde werd het gevaarlijke spel gespeeld, om Constantinopel te bewegen tot het uitroepen van den heiligen oorlog, eene afkondiging, die in de Mohammedaansche wereld gelukkig weinig weerklank vond. De Entente-Mogendheden hadden meer succes met hunne pogingen, om andere volken en landen in den strijd te betrekken. De schoone leuzen, die zij aanhieven, strijd |28| voor het recht der kleine natiën, voor humaniteit en beschaving, voor vrijheid en recht, en na den val van het Czarisme vooral ook voor de democratie tegen de autocratie, alsmede de mooie beloften, die zij schonken aan wie zich aan hunne zijden schaarden, oefenden groote bekoring uit en brachten het eene volk na het andere tot de oorlogsverklaring aan Duitschland. Ten slotte stond heelde wereld in vlam; 145 millioen stonden aan de zijde der Centrale, meer dan 1000 aan die der Entente-mogendheden; in Europa verkeerden van de 400 slechts 60 millioen niet in directen oorlogstoestand. Het scheen eene schande te zijn, om neutraal te blijven, want, zoo schreef men bijv. van Engelsche zijde, de neutralen miskennen de internationale solidariteit in de verdediging van den vooruitgang van het menschelijk geslacht. De oorlog werd een razernij, die steeds verder om zich greep. Gott strafe EngIand — zoo hief men van Duitsche zijde aan; en de Engelsche Times schreef, dat het in dezen oorlog te doen was, to kill the Germans. Engeland, Frankrijk en Rusland sloten dan ook in Sept. 1914 een verbond, en Japan en Italië sloten zich daarbij aan in Oct. en Nov. 1915, om geen afzonderlijken vrede te sluiten. De oorlog ontaardde gelukkig niet in een godsdienststrijd, omdat Roomschen, Griekschen, Protestanten van allerlei confessie, Joden, Mohammedanen en Heidenen aan beide zijden streden. Maar hij werd steeds meer een strijd tusschen het Germaansche en het Angelsaksische ras om de oppermacht in Europa en de wereld.

In deze worsteling heeft het Angelsaksische ras, dank zij vooral de hulp van Amerika, de overwinning behaald. Na ruim vier jaren werd eerst de wapenstilstand, geruimen tijd daarna de vrede gesloten. Maar als men thans aan het einde het geheel overziet en eenigszins de balans tracht |29| op te maken, dan vraagt men zich toch af, waartoe deze oorlog heeft gediend, en welk nut hij afgeworpen heeft. Voorzeker, er valt, wanneer men de democratie den inzet van dezen oorlog noemt, winst te boeken: de Czaristische autocratie kwam ten val, het Duitsche keizerrijk stortte ineen, meer dan 20 vorstenhuizen werden in Duitschland verdreven, het Pruisisch militairisme werd vernietigd, de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie werd opgelost, Turkijë verloor zijne macht in Europa, Frankrijk werd in zijne eere hersteld, Engeland van zijn gevaarlijksten concurrent bevrijd, enz. Indien men wil, kan men hieraan nog toevoegen, dat het alcoholisme in sommige landen met kracht bestreden werd en veel terrein verloor, dat het vrouwenstemrecht groote vorderingen maakte, dat de democratie veld won, dat de aviatiek een ongekende vlucht nam, enz. Maar wie durft beweren, dat al deze winst, indien ze winst heeten mag, opweegt tegen de ontzaglijke verliezen, welke deze oorlog heeft opgeleverd? Ze zijn eenvoudig onberekenbaar.

Daar zijn allereerst de verliezen aan bloed; millioenen sneuvelden in de kracht van hun leven, en in hen ging verloren een onberekenbare schat aan gaven van verstand en hart, aan talenten voor wetenschap, kunst en techniek; ze lieten evenzoovele weduwen en weezen na, die jaren lang in rouw zijn gedompeld. Grooter is nog het aantal verminkten, die, in weerwil van den uitnemenden verplegingsdienst, de wonderen verrichtende oorlogschirurgie en het verstrekte vakonderwijs, slachtoffers van den oorlog blijven tot hun dood toe. Niet minder ernstig is het verlies in de oorlogvoerende landen zelve geleden door de ten gevolge van ondervoeding, hongersnood en allerlei ontbering voortdurende stijging der sterftecijfers en de daling der cijfers van geboorte, die vooral in Frankrijk tot onrust |30| en zorg voor de toekomst aanleiding geeft. Bij de verliezen in goed komen de verliezen in bloed. Jaren aaneen is alle kracht des volks in en ten deele ook buiten de oorlogvoerende landen in den dienst des oorlogs gesteld en voor werken van vernieling en verwoesting misbruikt. Ten gevolge daarvan is de maatschappij ontwricht, de normale gang van zaken verstoord, de wereld in een chaos verkeerd. Alles was er op gericht, om bommen en granaten, tanks en duikbooten, kanonnen en vliegmachines te fabriceeren, en daarmede dood en verderf te verspreiden. De schuldenlast steeg voor alle landen, ook de overwinnende, zoo hoog, dat er jaren voor afdoening noodig zijn en meer dan één land met een bankroet wordt bedreigd.

Zoo mogelijk nog droever is de achteruitgang, die als gevolg.van den oorlog op godsdienstig en zedelijkgebied valt waar te nemen. Zeker mag hierbij niet worden voorbijgezien, dat de ellende en nood in menig hart en huis den levensernst heeft doen terugkeeren en tot het gebed heeft uitgedreven. Ook mag de zelfverloochening en de heldenmoed niet worden miskend, die de soldaten in de loopgraven en aan de fronten, te land, ter zee en in de lucht menigmaal aan den dag hebben gelegd. Vaderlandsliefde is, in weerwil van alle prediking van internationalisme en kosmopolitisme, eene macht gebleken, die tot groote daden in staat heeft gesteld. Vele brieven, van het front naar huis gezonden, getuigen ook van geloof aan God, van vertrouwen op Zijne voorzienigheid, van berusting in Zijn bestuur. Maar opmerkelijk is daarbij, dat dit godsdienstig geloof zeer dikwerf een algemeen karakter blijft dragen en weinig Christelijks bevat; schuldbesef en behoefte aan verlossing komen er betrekkelijk zelden in aan het woord; de religie is dikwerf vaag en oppervlakkig. Trouwens, heel |31| de godsdienstige herleving, die men bij het begin van den oorlog meende op te merken, was van dezelfde geaardheid; de kerken stroomden eerst vol, de uren des gebeds waren druk bezocht, maar lang heeft deze opwinding niet geduurd. En naarmate de oorlog langer aanhield, verzwakte het religieuze besef, en maakte bij velen zelfs voor onverschilligheid, twijfel en ongeloof plaats. Duizenden bij duizenden zijn door dezen oorlog en zijne menigerlei ellenden tot scepticisme, materialisme en atheïsme vervallen, want hoe was zooveel wereldleed te rijmen met de liefde eener almachtige Voorzienigheid?

Barbusse heeft ons dan ook een gansch ander beeld van den soldaat geteekend, dan gewoonlijk in de pers aan het volk getoond wordt. Zij beschouwen zichzelven niet als buitengewone, bewonderenswaardige lieden, die zich met roem overladen, maar als beulen, onvermoeibare beulen, voor wie de militaire roem niet bestaat, en wier militaire deugd, dat zij Duitschers hebben gedood, in hun eigen oog geen waarde heeft. Uit het Engelsche leger werd een paar jaren geleden een zelfde getuigenis gehoord. Spreek me niet, zoo heette het daar, van de voordeelen van den oorlog en van de deugden, die hij ontwikkelt. Spreek me niet van „de vroolijke Tommies, met een glans van den veldslag in de oogen”. De onuitsprekelijke ellende in den oorlog kan niet dienst doen als een post in eene handelsrekening, waartegen andere posten van winst overstaan. De voorstelling, welke van den oorlog in de pers en aan het volk wordt gegeven, beantwoordt niet aan de werkelijkheid; en het beeld van den soldaat, dat men zich tehuis vormt, als onveranderlijk blijmoedig en genietende van de opwinding van dezen oorlog, als ware het een sport of een jacht, is weerzinwekkend en onwaar. De eindelooze afschuwelijke |32| lichamelijke uitputting is het ergste nog niet, maar de voortdurende botsing in de ziel van den soldaat van allerlei zedelijke maatstaven. Zijn de menschen, die hij neerschieten moet, minder dan, hij? Zijn ze niet allen tezaam aan den eenen en aan den anderen kant slachtoffers van dezelfde ramp, makkers in de ellende, dupen van de slechtheid, de domheid der regeeringen! En dan zegt men soms nog in de krant, dat de oorlog verheven is, dat hij veredelt en mannen vormt, dat de dood op het slagveld verdienstelijk is en de zaligheid verdient! De oorlog is een last, eene ramp, die de soldaten haten.

Het woord van den frisschen, vroolijken krijg is door de feiten wel op schrikkelijke wijze gelogenstraft. Maar met name is de oorlog voor Christendom, kerk en zending eene ramp geweest; hij heeft aan al deze drie beschavende machten eene schade toegebracht. die niet is te overzien. Van een strijd voor hooge en heilige, geestelijke en zedelijke goederen, waarvoor naar Christelijke beginselen eene bloedige worsteling geoorloofd en zelfs plichtmatig kan zijn, viel in dezen oorlog geene sprake; hij was een vreeselijke kamp om de macht. Wanneer, zooals onlangs nog een Duitsch hoogleeraar schreef, de geschiedenis geene andere dan die der staten is, en het doel der staten de macht is, dan is de oorlog onvermijdelijk. En hij bleek dit te zijn, toen in den nieuweren tijd de wereldrijken opkwamen. Engeland, Amerika, Rusland, Japan, en toen naast hen Duitschland met zijn overgang tot industriestaat, zijne uitbreiding van den handel, zijne behoefte aan invloedssferen en afzetgebieden, ging dingen naar de macht der zee en naar eene plaats in de zon. Het Christendom sprak in dit alles geen woord mede. Indien vorsten en volken naar Christelijken eisch, waaraan zij toch evenzeer als de individuën gebonden |33| zijn, eenige zelfverloochening hadden geoefend en aan naijver, wantrouwen en heerschzucht het zwijgen hadden opgelegd, ware deze oorlog evengoed, als vele andere in vorige tijden, te voorkomen geweest. Maar trots alle fraaie leuzen, hebben de oorlogvoerende volken in meerdere of mindere mate de hooge beginselen der Christelijke moraal met voeten getreden, en, als het erop aankwam, geen middel ontzien, om den tegenstander te vernietigen en tot elken prijs de overwinning te behalen. Uit dit alles volgt nog niet, dat het Christendom bankroet heeft gemaakt, want het belooft verlossing alleen in den weg van wedergeboorte en bekeering. Maar wel blijkt er uit, dat in het werkelijke leven de bekeering zwak en beperkt is, en telkens weer voor de verzoeking bezwijkt. Ook de maatschappelijke samenleving heeft hiervan gedurende den oorlog vele droevige bewijzen geleverd. Het mamonisme greep dieper en verder om zich heen dan ooit te voren, en drong in alle kringen door. Om groote winst te maken, werden de schandelijkste middelen gebezigd, smokkelarij, opkooping van waren, kunstmatige prijsopdrijving, kettinghandel, bedrog, woeker, diefstal, roof; zelfs onder jeugdigen van jaren nam de criminaliteit in onrustbarende mate toe. Ook waar dusgenaamde eerlijke winst werd behaald en aan corruptie niet kon worden gedacht, wekten de maatschappelijke toestanden en verhoudingen toch de gedachte op, dat eene samenleving den toets der rechtvaardigheid niet kon doorstaan, die enkelen schatrijk maakte ten koste van duizenden, die levensmiddelen, kleedingstukken, brandstoffen enz. duur moesten betalen of daaraan gebrek leden. Het kapitalisme, dat zich vóór en inzonderheid ook in den oorlog ontwikkelt, leidde tot eene ellendige uitbuiting van het publieken werkte daardoor het socialisme en bolsjewisme in de hand. |34|

Naar buiten wekte het Christendom nog dieper indruk van zijne machteloosheid op. Wat moesten Mohammedanen en Heidenen wel gaan denken van Christenvolken, die jaren lang geen hooger doel kenden, dan om elkander te gronde te richten, en die nu, na den oorlog, nog voor langen tijd door haat van elkander gescheiden blijven, en zelfs in wetenschappelijke vereenigingen niet meer met elkander kunnen of willen samenwerken? Wat moeten niet-Christelijke volken denken van de zegeningen, welke men hun brengen wil door het Evangelie en de Europeesche cultuur? Toen in 1910 de conferentie te Edinburg plaats had, scheen de arbeid der zending er gunstig voor te staan, en vleiden sommigen zich met de gedachte, dat de wereld nog in deze generatie voor het Christelijk geloof gewonnen zou worden. Maar intusschen dreven de staten, onder aansporing eener chauvinistische pers, van jaar tot jaar de oorlogsuitgaven op, om straks in het moordbedrijf de sterkste te zijn. Onder dezen oorlog heeft dan ook de Christelijke zending zwaar geleden, de Roomsche en de Protestantsche beide. Leeraren, met de opleiding belast en leerlingen, die zich gingen wijden aan de zending, werden opgeroepen tot den krijgsdienst en sneuvelden in grooten getale. De arbeid der genootschappen en op de zendingsterreinen werd geheel ot grootendeels stil gelegd. Indische en Afrikaansche troepen werden opgeroepen tot den strijd van Christenvolken en van de andere zijde werden pogingen aangewend, om de Mohammedaansche stammen te bewegen tot den heiligen krijg. Het Westen werd door den oorlog verzwakt, en het Oosten werd, reeds sedert het verbond van Engeland met Japan, stelselmatig versterkt, om vroeger of later misschien van zijne macht tegen zijne tegenwoordige bondgenooten gebruik te maken. |35| De terreinen der Duitsche zending werden alle in den oorlog betrokken, en bij het vredestractaat van Versailles werd Duitschland gedwongen, niet alleen om van al zijne koloniën afstand te doen, maar ook werd de Duitsche zending van al hare rechten in de gebieden der gealliëerde en geassocieerde mogendheden beroofd (art. 438). De politiek heeft, in strijd met de Congo-acte, aan de zending haar supranationaal karakter ontnomen en aan haar eigen belangen ondergeschikt gemaakt.

Als men zoo den oorlog in zijn oorsprong, voortgang en einde overziet, dan valt het moeilijk, er iets goeds van te zeggen. Hij heeft over de wereld niets dan ellende gebracht. Is het dan niet roeping, Christenroeping bovenal, om alle geoorloofde middelen aan te wenden en alle krachten in te spannen, om de herhaling van zulk eene ramp te voorkomen. Zonder twijfel, God is machtig, om wat menschen ten kwade hebben gedacht, ten goede te leiden. Dat blijft een troost te midden der grootste smarten. Maar deze macht Gods is de regel voor onze gedragingen niet; blind in de toekomst, moeten Christenen zien in het gebod. En dat gebod houdt ook in, voor individuën en voor volken, om, indien het mogelijk is en zooveel in ons is, vrede te houden met alle menschen.


*

Hoe schrikkelijk de oorlog ook was, hij zou met al zijne ellenden toch spoediger en gemakkelijker vergeten zijn, indien de vrede, die hem beëindigde, een waarachtige, werkelijk verzoenende vrede ware geweest. Er waren vele redenen, om daarop te rekenen. Van de zijde der Entente was herhaaldelijk verzekerd, dat de strijd niet liep tegen het Duitsche volk, maar tegen het Pruisische imperialisme |36| en militairisme; als dit was vernietigd, zou men het Duitsche volk met open armen tegemoettreden en het met vreugde opnemen in zijne gemeenschap. Want de oorlog, die gevoerd werd, was een edele strijd, een strijd voor gerechtigheid, vrijheid, humaniteit, democratie, de overwinning zou eene nieuwe periode voor de menschheid openen, waarin het recht zou heerschen over de macht en alle volken saam zich zouden wijden aan werken des vredes. Maar met al die fraaie beloften heeft de nuchtere werkelijkheid den spot gedreven. De vrede, die te Versailles en St. Germain tot stand kwam, was geen werkelijke vrede, maar voortzetting in gewijzigden vorm van den oorlogstoestand. Het imperialisme en militairisme is aan ééne zijde vernietigd, maar het is aan de andere zijde versterkt en uitgebreid.

Om het vredestractaat echter naar recht en billijkheid te beoordeelen, moet men zich den toestand indenken, waarin de volken der Entente naar hunne eigene voorstelling verkeerden. Zij zagen dezen zoo in, en velen hunner zonder twijfel te goeder trouw, dat de oorlog opzettelijk door Oostenrijk en Duitschland was uitgelokt met imperialistische en annexionistische bedoelingen. Het hoog opgeven van de Duitsche cultuur, die de wereld genezen moest, de opvatting van het wezen van den staat als macht, en de verheerlijking van den oorlog hebben deze voorstelling gevoed. België en Frankrijk, Engeland en Amerika voelden zich volkomen onschuldig en wierpen al de schuld van den oorlog op de Centrale Mogendheden. Dat was zeker een eenzijdig oordeel; want het rekende alleen met den schijn, en drong tot de diepere oorzaken niet door. Maar om het vredestractaat billijk te beoordeelen, moet men toch met deze mentaliteit bij de overwinnende volken rekening houden. Ook dient men te erkennen, dat Duitschland, |37| indien het de zege had behaald, zeker niet minder harde vredesvoorwaarden zou hebben gesteld. De schending van België’s neutraliteit, door het: nood breekt wet, onvoldoende gerechtvaardigd; de ruwe wijze, waarop het Duitsche leger in dat land is opgetreden; de opzettelijke stelselmatige verwoesting, waaraan de vruchtbare en welvarende streken in het Noorden van Frankrijk werden prijsgegeven, de vrede van Brest-Litowsk en Boecharest, en de uitlatingen van gezaghebbende personen over Duitschlands toekomstplannen ten opzichte van België en Frankrijk leveren overvloedige bewijzen, dat ook van de zijde der Centrale Mogendheden geen verzoenende vrede te verwachten was. Indien Duitschland bereid ware geweest, om van alle annexatie af te zien en met name België in zijne volle zelfstandigheid te herstellen, zou het reeds veel vroeger in 1915 en 1917, een eervollen vrede hebben kunnen sluiten. Maar alle pogingen, van de zijde der kerken of door vereenigingen aangewend, liepen op teleurstelling uit. Er viel ter leidende plaats niets te bereiken; het oor was voor alle bemiddeling gesloten.

Inzonderheid valt het thans, de zaken van achteren bezien, te betreuren, dat Duitschland niet ingegaan is op de vredespogingen, die in het einde van 1916 door President Wilson in het werk werden gesteld. Volgens de verklaringen, onlangs voor de enquête-commissie uit de Nationale Vergadering door den toenmaligen Duitschen gezant in Washington, graat Bernstorff, afgelegd, was het zijn eigen streven geweest, om Amerika buiten den oorlog te houden, en had bij Wilson eerst de oprechte bedoeling voorgezeten, om een vrede te bewerken, die voor Duitschland eervol was en geen gebiedsafstand eischte, ook al stond de President erop, dat Polen een zelfstandig rijk zou worden. |38| Den 18en Dec. 1916 was men in Berlijn van dit plan op de hoogte. Maar de Duitsche Regeering had enkele dagen te voren, 12 Dec., in overleg met het legerbestuur een vredesvoorstel geformuleerd, dat nog van weinig tegemoetkoming getuigde. Deze meende zijnerzijds het Duitsche voorstel niet te kunnen aanvaarden, omdat hij er een gevaar in zag voor het slagen van zijne eigene poging. Zoo sprongen de pogingen tot bemiddeling af; in plaats van toenadering, kwam er verwijdering. Men meende trouwens in Duitschland nog in het bezit van één wapen te zijn, waardoor men Engeland binnen drie maanden tijds tot den vrede kon dwingen, en dat was de duikboot. Dat deze verwachting niet allen grond miste, is voor korten tijd door een artikel van den Amerikaanschen admiraal Sims in een Engelsch tijdschrift op overtuigende wijze aangetoond. De toestand op scheepvaartgebied was toen, in het voorjaar van 1917, voor Groot-Brittannië zoo treurig, dat inderdaad zijne beheersching der zee op het spel stond; en met den strijd te land was het niet veel beter gesteld. Zoo besloot men in het Duitsche hoofdkwartier in vol vertrouwen op den goeden uitslag den 19en Jan. 1917 tot den onbeperkten duikbootoorlog; de desbetreffende nota werd 31 Jan. door den Amerikaanschen gezant te Berlijn, Gerard, aan den President overhandigd. Maar toen braken de vriendschappelijke betrekkingen tusschen Duitschland en Amerika ook plotseling af. De Vereenigde Staten traden spoedig daarna, in Maart 1917, tot den oorlog toe, en hebben daarmede ter elfder ure de positie van de Entente gered. Bernstorff, in diezelfde maand naar Berlijn teruggekeerd, werd eerst weken daarna door den keizer ontvangen. Zijne goede bedoelingen werden miskend, en in Amerika’s deelneming aan den oorlog, in de snelheid zijner toetreding en de |39| ontwikkeling zijner strijdmacht, heeft Duitschland zich schromelijk vergist.

Doch van den anderen kant staat het even vast, dat de vrede te Versailles gesloten, allerminst aan de door Wilson verkondigde beginselen, beantwoordt. Den 5en Oct. 1918 wendde de Duitsche Regeering zich tot den President der Vereenigde Staten met het verzoek, om de sluiting van den vrede ter hand te nemen; de militaire toestand was sedert Juli van dat jaar onhoudbaar geworden. Zij plaatste zich bij haar verzoek aan Wilson op den grondslag van zijne veertien punten, geformuleerd in zijne boodschap aan het Congres op 8 Jan. 1918, van zijne vier beginselen, neeraelead in eene redevoering van 7 Juli 1918 en van zijne latere publicaties, inzonderheid zijne rede op 27 Sept. 1918. Volgens het antwoord van 3 Nov. werd dit voorstel door de geallieerde Regeeringen aanvaard; en zoo kwam 11 Nov. 1918, en meer dan een half jaar daarna, op 28 Juni 1919, te Versailles de vrede met Duitschland, en 25 Oct. 1919 die te St. Germain met Oostenrijk tot stand.

Maar noch in de wapenstilstands-, noch in de vredesvoorwaarden is er veel terecht gekomen van de ideale beginselen, van de zijde der Entente tijdens den oorlog over heel de wereld rondgebazuind. Christendom en humaniteit hebben er geen woord in medegesproken. Openbare vredesverdragen en afschaffing der geheime diplomatie, opruiming van alle economische beperkingen en gelijke mogelijkheden voor alle volken, om handel te drijven, algemeene inkrimping van de militaire uitrustingen tot den kleinst mogelijken omvang, onpartijdige beoordeeling van alle koloniale aanspraken en zelfbeschikkingsrecht der volken - het zijn grootendeels beloften op het papier gebleven. Indien niet de wraak of de haat, dan heeft toch de vrees |40| voor Duitschland het vredestractaat geinspireerd. In het begin van den oorlog schreef The Nation: de vrede, dien wij sluiten, zal voor de geschiedenis uitwijzen, waaronze strijd om ging. Indien daarmede de verplettering van Duitschland ware bedoeld, zou dit voornemen in het vredestractaat schier ten volle verwezenlijkt zijn geworden. Want leidende gedachte is daarin, het Duitsche rijk zoo neer te slaan, dat het in geen tientallen van jaren zich weer oprichten kan. En desniettemin bleef de vrees voor deze wederoprichting zoo groot, dat Frankrijk met Engeland en Amerika nog een bijzonder verbond ter verdediging sloot, ingeval Duitschland nog eens weer tot een aanval mocht overgaan. Ja zelfs, nadat reeds een jaar sedert het sluiten van den wapenstilstand verliep, is de vrede nog niet formeel tot stand gekomen. In het begin van November l.l. zond de Opperste Raad te Parijs eene nota aan de Duitsche Regeering en eischte daarin vooraf nog volledige uitvoering van alle voorwaarden, in het wapenstilstandsverdrag opgenomen, benevens de overgave van eenige kruisers en de levering van 400.000 ton dokruimte en baggermachines. Duitschland moet van alle middelen worden beroofd, waardoor het zich herstellen en oprichten kan; het moet een volk van loonarbeiders blijven, die werken voor de overwinnende volken. En Lloyd George juicht aan het feestmaal van den Lord Mayor in de Guild Hall, dat Engeland een tijdperk van voorspoed zal binnentreden, gelijk het nimmer te voren heeft gekend.

Nergens is het vredestractaat dan ook met groote vreugde ontvangen. Dat men in Duitschland en Oostenrijk diep teleurgesteld was en niet dan noodgedwongen tot onderteekening der vredesvoorwaarden overging, laat zich begrijpen. Maar ook in de overwinnende landen was men |41| er slechts matig mede ingenomen. In de Fransche Kamer werd het onderworpen aan eene scherpe critiek; sommige leden noemden het eene ramp voor Frankrijk, omdat de Regeering niet op haar stuk was blijven staan en veel te groote concessies had gedaan; Duitschland was niet genoeg verbrokkeld en niet voldoende machteloos gemaakt. In Italië waren velen teleurgesteld, omdat Frankrijk en Engeland met den buit gingen strijken, Italië met een klein stukje afscheepten en zelfs in zijne aanspraken op Fiume dwarsboomden. In Amerika verhief zich een sterke oppositie tegen Wilson en het vredesverdrag, omdat de Amerikaansche democratie heeft moeten zwichten voor de belangenpolitiek van Frankrijk en Engeland, en Amerika, het Monroestandpunt verlatende, van zijne volkomene vrijheid wordt beroofd en eventueel gedwongen kan worden tot deelneming aan een Europeeschen Oorlog. Generaal Smuts, die in strijd met zijn verleden aan de overwinning van het Engelsche imperialisme zijne krachten wijdde, erkende, dat het mede door hem onderteekend vredestractaat niet een bevredigend document was en geen werkelijken vrede bracht; dat het de afschaffing van het militairisme slechts tot den vijand beperkte en dat het noodzakelijk moest herzien en gewijzigd worden. Clémenceau erkende, dat in weerwil van de vredessluiting de oorlogstoestand nog voortduurde, en Foch stemde met hem in, als hij zeide, dat hij in de toekomst een nieuwen oorlog verwachtte.

Men behoeft de gezindheid en bedoeling van President Wilson dan ook volstrekt niet in verdenking te brengen, om toch met eenigen grond te beweren, dat hij na zijne herkiezing meer en meer onder den invloed kwam van dat deel der Amerikaansche bevolking, dat door de levering van allerlei krijgsbehoeften groote voordeelen van den |42| oorlog had — er kleeft bloed aan de tegenwoordige welvaart van Amerika, zei Stumphrey, republikeinsch lid van het Congres voor den staat Washington — en daarom bij de overwinning der Entente finantiëel betrokken was. Maar voorts waren de ingewikkelde verhoudingen in Europa hem zeker niet in die mate bekend, dat hij in de regeling daarvan ten volle aan zijne beginselen getrouw kon blijven. Ligt er niet veel waarheid in de critiek van een Tsjechisch gedelegeerde, dat tien menschen te Parijs over de toekomst der wereld moeten beslissen, die geen van allen de landen kennen, waarover gehandeld wordt? Toen Wilson den 8 Jan. 1918 zijn veertien punten in het Congres voordroeg, waren deze, zooals de President zelf onlangs in den Senaat op eene vraag van het lidJohnson erkende, door hem opgesteld, zonder dat hij kennis droeg van de geheime verdragen, die reeds tusschen de geallieerde Mogendheden gesloten waren. Ofschoon Wilson dan ook zeker op de vredesconferentie alle moeite deed, om zijne beginselen vast te houden, de werkelijke toestanden waren hem te machtig; zijne idealen kwamen in botsing met de vitale belangen van landen en volken. Voor allen, die met deze idealen dweepten, is het vredestractaat van Versailles eene pijnlijke ontgoocheling geweest. Als men heel het werk der vredesconferentie overziet, bestaat er weinig reden, om in 1919 met minachting van den arbeid der Heilige Alliantie in 1815 te spreken.

Ofschoon het vrede heet, duurt de oorlog feitelijk in vele landen voort, of dreigt het gevaar van een nieuwen oorlog in de toekomst. Het Russische Rijk stortte ineen en de Oostenrijk-Hongaarsche monarchie werd ontbonden, maar alle rassen en nationaliteiten, die daarin werden saamgebonden, blijven in voortdurenden strijd en streven |43| alle naar een zelfstandig bestaan. De Balkanquaestie werd zoo weinig opgelost, dat men niet zonder reden van eene balkanisatie van heel het Oosten van Europa kan spreken. Polen werd een zelfstandig rijk, maar loopt gevaar door binnenlandsche onlusten te worden verteerd, en ter onderdrukking daarvan tot gewelddadige maatregelen de toevlucht te nemen, die het tegendeel van noodzakelijke hervormingen zijn; de Jodenprogroms leveren daarvan een treurig bewijs. In Rusland oefenen de Bolsjewiki een schrikbewind uit, dat eene reactionaire beweging in het leven roept, maar de Entente-Mogendheden durven niet ingrijpen uit vrees voor de socialistische partijen, die de revoluie in Rusland redden willen. Griekenland blijft aanspraak maken op Thracië en verder zelfs op Constantinopel, maar komt daardoor met Bulgarijë en Rusland, en ook met de regeling van het Turksche rijk in conflict. Italië is met het Duitsche Zuid-Tirol niet te vreden, maar heeft het oog op Fiume gericht, waarop ook Tsjecho-Slowakye zijne rechten wil doen gelden; en het avontuur van d’Annunzio bracht het land in ernstige verwikkelingen. De moeilijke quaestie van Turkije werd door de vredesconferentie nog niet te hand genomen, maar baart haar allerlei zorgen, wijl de belijders van den Islam in den afstand van Constantinopel zeker niet lijdelijk zullen berusten. Zelfs tusschen Frankrijk en Engeland is nog niet alles pays en vree, al werd het tractaat van Engeland met Perzië erkend, en de twist in Syrië voorloopig bijgelegd. De Joden wachten tot dusver tevergeefs op de vervulling der Engelsche belofte, welke hun het uitzicht opende op het bezit van Palestina. En terwijl Europa zichzelf door allerlei geschillen verteert, maakt daarginds in het Oosten Japan zich sterk, dat het meest van alle volken van den oorlog heeft geprofiteerd, |44| zijne macht steeds verder uitbreidt en eene ernstige bedreiging wordt voor Amerika en Engeland en ook voor de koloniën van ons vaderland. De Opperste Raad te Parijs heeft druk gewerkt, maar is nog lang niet aan het einde van zijn arbeid. Er zijn nog tientallen van problemen, die eene oplossing vragen. En de regelingen, die getroffen zijn, sluiten weer allerlei gevaren voor den vrede in.


*

Bij deze zorgwekkende politieke constellatie komt de geweldige onrust en gisting in de arbeiderswereld. Deze beweging heeft volstrekt haar oorzaak niet in den oorlogstoestand, maar gaat veel verder, tot de 18e eeuw, tot de verklaring der rechten van den mensch, terug. Sedert heeft de ziel van den arbeider een groote verandering ondergaan; de arbeiders zijn zich bewust geworden van hunne rechten en dringen steeds krachtiger op erkenning daarvan aan. De oorlog heeft aan deze beweging een machtigen stoot gegeven en haar met eene geweldige vaart voortgestuwd; hij is in ongewone mate bevorderlijk geweest aan de verbreiding der socialistische en communistische ideeën. Niet het minst toch hebben de werklieden onder de ellende van den oorlog geleden. Tien- en honderdduizenden hunner zijn gevallen aan het front of verminkt en gebroken teruggekeerd. En wie hunner het leven en de gezondheid behielden, waren aan den arbeid ontwend, en vonden heel de maatschappij gedesorganiseerd. De oorlog stelde teleur, vooral in de overwonnen landen, want waartoe had al dat strijden en lijden gediend? Maar nog meer dan de oorlog baarde de vrede teleurstelling. De arbeidersklasse, die gerekend had op een rechtvaardigen, duurzamen vrede, werd in al haar verwachtingen beschaamd. In plaats van een |45| verzoenenden vrede, die aan elk volk gelegenheid biedt tot ontwikkeling naar zijn aard, kwam een machts- en geweldvrede tot stand, die de zaden voor een nieuwen oorlog strooit. De dusgenaamde volkenbond is een imperialistische bond der vijf groote mogendheden.

Evenmin als deze vrede verzoening bracht op politiek gebied, bewerkte hij tevredenheid en rust op sociaal terrein. Schaarschte en duurte van levensmiddelen en kleedingstoffen, ondervoeding en hongersnood, woning- en kolennood, arbeidsschuwheid en levensmoeheid, de tegenstelling ook van de misdeelde klassen met hen, die door allerlei min of meer oneerlijke middelen van den oorlog hadden geprofiteerd — dat alles en zooveel meer heeft de ontevredenheid in de hand gewerkt en een geest van revolutie gekweekt. Eischen van hooger loon en korter arbeidstijd, werkstakingen en opstanden zijn aan de orde van den dag. Ieder is overtuigd, dat alleen arbeid, productie en zuinigheid aan deze droeve toestanden een einde kunnen maken; maar het zijn weinigen, die er zich aan storen. Het lied op den arbeid werd vervangen door een lofzang op de luiheid. De oorlog groef eene breede kloof tusschen verleden en heden; men verlangt naar een nieuwe wereld, naar eene andere orde van zaken.

Het eerst kwam dit verlangen tot daadwerkelijke uiting in Rusland, na de ineenstorting van het Czarenrijk en het optreden der meerderheidssocialisten. Zij sloten den vrede met Duitschland, niet om Rusland tot rust te laten komen, maar om zelven, onder de leuze van de dictatuur van het proletariaat, de teugels in handen te nemen en het communistisch ideaal te verwezenlijken. En veel verder nog strekken hunne plannen zich uit. Van uit Rusland werd weldra eene schatten verslindende propaganda in andere landen |46| ondernomen, in de Oekraïne, Polen, Oostenrijk, Hongarijë, Duitschland, in Frankrijk, Engeland, Nederland, tot zelfs in Amerika, Azië en Australië toe. Het bolsjewisme is eene revolutionaire beweging, die door het socialisme werd voorbereid, maar voedsel vond in de maatschappelijke toestanden van dezen tijd, en die niet alleen de arbeiders, maar ook vele intellectueelen bekoort. Zij zien er den dageraad in van eene nieuwe periode in de geschiedenis der menschheid, al is het ook, dat dit beter tijdperk niet anders te bereiken zal zijn dan door bloed en tranen heen.

Het bolsjewisme trad toch aanstonds met gewelddaden op. De berichten aangaande de gruwelen, die in zijn naam werden bedreven, zijn niet alle betrouwbaar en zeker ook wel overdreven. Ook lijdt het geen twijfel, dat het gepeupel in steden als München de gelegenheid aangreep, om onder communistische vlag door roof en moord zichzelf te verrijken. Maar al zijn niet alle wandaden op rekening der overtuigde bolsjewiki te schuiven, zij dragen er toch de verantwoordelijkheid voor, inzoover zij de gewelddadige revolutie een geoorloofd en noodzakelijk middel achten, om hun maatschappelijk ideaal om te zetten in werkelijkheid. Tijdens den oorlog toch is er eene merkwaardige scheuring gekomen in de gelederen van het socialisme. Niet maar tusschen Marxisten en revisionisten, want deze bestond reeds vroeger. Maar thans ook tusschen hen, die tot bereiking van den socialistischen heilstaat den weg der revolutie en anderen, die dien der evolutie willen bewan delen, tusschen de radicalen en de gematigden, tusschen volgelingen van Bakounin en van Marx. De weg der evolutie dunkt velen al te lang; twijfelachtig is zelfs, of hij ooit tot het beoogde doel zal leiden. Indien de kapitalistische maatschappij ooit verdwijnen zal, dan moet ze door directe |47| actie, door revolutionair geweld, desnoods door roof en moord, omvergeworpen worden. Proletariërs moetende plaats innemen der rechtmatige eigenaars, en op de puinhoopen der oude maatschappij eene nieuwe samenleving bouwen, waarin alle maatschappelijke klassen afgeschaft en alle economische en sociale voorrechten vernietigd zijn. Door geweld, door diefstal, plundering en moord heen hoopt men dan, zooals Mevrouw Roland Holst zegt, te komen tot de orde der liefde.

Feitelijk staan bij deze revolutionaire bedreiging de hoogste, geestelijke en zedelijke goederen van Christendom en beschaving op het spel. Maar de ernst der tijden, waarin wij leven, wordt over het algemeen nog weinig beseft. De correspondent van de N. Rott. C. schreef 9 Aug. l.l. uit Engeland: „Londen is vroolijk als ooit, ondanks de duurte nooit gebrek aan geld voor pretmaken, alle vacantieoorden vol van een onbekommerd publiek. Is het niet sprekend de schets van een maatschappij aan den vooravond van een katastrophe, zooals we die kennen uit de geschiedenis? Er ontbreekt geen trek aan!” En dergelijke berichten komen van alle kanten tot ons, zelfs uit het verslagen Duitbchland en het vernederde Berlijn.


*

Onder den indruk van den ontroerenden ernst der gebeurtenissen hebben vele Christenen gemeend, dat wij staan aan het einde der eeuwen en dat de komst van Christus nabij is. Aardbevingen en pestilenties, die met de oorlogen gepaard gingen, schenen er op te wijzen, dat we in elk geval gekomen zijn aan het begin van het einde. Nu kan de mogelijkheid hiervan stellig niet worden betwist; het geloof aan de parousie, dat alle eeuwen door, inzonderheid |48| in tijden van vervolging en druk, voor de gemeente eene bron van troost is geweest, zal te eeniger tijd zijne verwachting vervuld zien. Maar met besliste uitspraken behoort men voorzichtig te zijn, want al zijn er teekenen, die de parousie schijnen aan te kondigen, er zijn andere, die in eene andere richting wijzen. Een Christen moet trouwens altijd bereid zijn, om zijn Heer te ontmoeten. Voorts ligt in deze verwachting van Christus’ wederkomst de ware gedachte opgesloten, dat de heilstaat en het vrederijk niet eenmaal op aarde zullen worden verwezenlijkt door menschelijke inspanning en geleidelijke ontwikkeling, maar alleen door eene geweldige daad Gods, waardoor Hij in de wereldgeschiedenis ingrijpt en haar in eene andere bedeeling doet overgaan. Het pacifisme, dat deze klare Bijbelsche waarheid miskent, stelt wel een phantastisch ideaal op, maar het rekent niet met de macht der werkelijkheid en wordt ieder oogenblik door de feiten weersproken. Het vergeet, dat de wet der liefde, in weerwil van hare onvoorwaardelijke geldigheid, zoowel in het private als in het openbare leven telkenmale overtreden wordt, en voor de macht van menschelijke begeerten, van economische, sociale en politieke belangen de plaats moet ruimen. Dit is droevig genoeg, maar het is harde, onloochenbare werkelijkheid.

Toch leidt dit Christelijk standpunt niet en mag het niet leiden tot vadsige traagheid of hooghartige werkeloosheid. Toen de geloovigen in Thessalonika door de verwachting van Christus’ spoedige wederkomst tot niets-doen zich lieten verleiden, vermaande hen de apostel, om niet ijdele dingen te doen, maar om te werken en hun eigen brood te eten. Er valt voor den Christen nog altijd iets meer en iets beters te doen, dan te klagen over de boosheid der wereld |49| en de slechtheid der eeuw; de Christelijke religie bevat niet alleen eene leer der ellende, maar ook eene leer der verlossing en der dankbaarheid; zij is waarheid, maar ook gerechtigheid en leven. In natuur en menschenwereld heerschen ook niet uitsluitend degenereerende, verwoestende en vernielende krachten, maar er zijn daar overal ook regenereerende, vernieuwende, herstellende krachten werkzaam, omdat God haar regeert en hare behoudenis wil. Ook thans ontbreken deze herstellende krachten niet. Hoe lang de oorlog ook duurde, hij maakte toch eindelijk voor den vrede, zij het een „sombere” vrede, plaats. De kranke maatschappij begint reeds eenige teekenen van genezing te vertoonen. Nijverheid en handel beginnen te herleven. Kerken zoeken weder met elkander in aanraking te komen. Het werk der zending wordt weer met kracht ter hand genomen. Internationale betrekkingen worden weer aangeknoopt. Zelfs in de vredesvoorwaarden werd reeds eenige verzachting aangebracht, door de voorziening met levensmiddelen, het berusten in een vermindering der steenkolenlevering, de terugzending van krijgsgevangenen vóór de bekrachtiging van het vredestractaat. Als Duitschland, zooals Minister Klotz onlangs in de Fransche Kamer zeide, in 35 jaar 460 milliard moet betalen, dan is men van de zijde der Entente genoodzaakt, om dit land economisch en financieel weer op de been te helpen en tot afbetaling van zijn schuld in staat te stellen. Op de arbeidsconferentie te Washington werden de Duitsche en Oogtenrijksche afgevaardigden met algemeene stemmen op ééne na toegelaten. Inzonderheid zijn er twee hoofdstukken in het vredestractaat, die in de toekomst iets goeds kunnen uitwerken: de internationale arbeidsorganisatie en de volkenbond.

De internationale arbeidswetgeving heeft reeds eene |50| geschiedenis van eene halve eeuw achter den rug. Ze werd aanbevolen door den Elsasser Legrand in het jaar 1857 voor het verbod van arbeid aan kinderen beneden 12 jaar, voor de beperking van nacht- en van Zondagsarbeid enz., omdat anders geen beteugeling van de zelfzuchtige exploitatie van den eenen mensch door den anderen mogelijk was. Deze eisch werd 10 jaren later overgenomen door de Internationale Vereeniging van arbeiders op het Congres te Genéve; en de Internationale, die in 1864 werd gesticht, bewoog zich in dezelfde richting. Keizer Wilhelm II riep er eene conferentie voor saam te Berlijn in 1890. In 1897 kwam er eene internationale conferentie voor deze zaak te Zurich bijeen en bracht de afgevaardigde Decurtin er een belangrijk rapport over uit. Dit congres gaf aan het denkbeeld der internationale arbeidsregeling een krachtigen stoot. Bij gelegenheid van de tentoonstelling te Parijs in 1900 werd de Internationale Vereeniging voor wettelijke arbeidersbescherming opgericht, aan wier hoofd een internationaal comité kwam te staan, en onder welke verschillende secties zelfstandig werkzaam zijn. Het administratief beheer dezer Vereeniging kreeg zijn zetel in Zwitserland; in Bazel ontstond het Internationale Arbeidsbureau, dat door 18 staatsregeeringen werd ondersteund en het uitgebreidste bemiddelingscentrum der wereld is. Dezelfde Vereeniging nam ook het initiatief tot eene internationale conferentie te Bern in 1905, en daarna weer in 1913, waar vele belangrijke onderwerpen, zooals nachtarbeid, arbeid van jongelieden, duur van den arbeidsdag, en de arbeidsweek enz. in behandeling werden genomen. Aan de bespoediging van zulk eene internationale arbeidsregeling is ook de oorlog bevorderlijk geweest. Tijdens zijn duur werd er n.l. telkens door arbeidsvereenigingen in verschillende landen op aangedrongen, dat |51| het vredesverdrag ook sociaal-politieke overeenkomsten bevatten zou; en sommige stelden daar ook programma’s voor vast. Zoo bijv. de arbeidsorganisaties van Engeland, Frankrijk, België en Italië, die in 1916 te Leeds samenkwamen, de American Federation of Labour op haar 37e jaarvergadering te Buffalo in 1917, de internationale arbeidersbond te Bern in October van datzelfde jaar enz. De eisch werd algemeen, dat er eene internationale regeling zou komen van het arbeidersrecht, de arbeidersbescherming en de arbeidersverzekering. De Duitsche Regeering betuigde in de rede van Prins Max von Baden op 5 Oct. 1918 hare instemming met eene internationale sociale politiek, en nam zich voor, het daarheen te leiden, dat desbetreffende bepalingen in het vredestractaat zouden worden opgenomen.

Zij ontwierp zelve een program in zaken de internationale arbeidswetgeving, dat zakelijk geheel overeenstemde met de besluiten der internationale conferentie van vakvereenigingen te Bern in Febr. 1919 en bood dit aan de vredesconferentie ter overweging aan. Het vredesverdrag moest volgens de Duitsche Regeering niet een kapitalistischen geest ademen, maar moest het begin zijn van eene internationale regeling van het arbeidersrecht; en daarom stelde zij voor, om tijdens de vredesconferentie te Versailles ook eene conferentie van arbeiders samen te roepen. Maar Clémenceau antwoordde daarop den 14 Mei van het vorige jaar, namens de geallieerde en geassocieerde regeeringen, dat de oplossing van het arbeidersvraagstuk gemakkelijker zal vallen, wanneer in de toekomst de geest der menschen bevrijd zal zijn van de vrees voor oorlog en de nijverheid verlost van den last der bewapeningen. Voorts wees de president der vredesconferentie erop, dat eene arbeidsconferentie |52| thans te Versailles niet noodzakelijk was, wijl arbeiders aan de opstelling der arbeidsartikelen in het vredestractaat hadden deelgenomen en ook weer tot bijwoning der internationale arbeidsconferentie in Washington zouden worden uitgenoodigd. En eindelijk werd hieraan nog toegevoegd, dat de artikelen betreffende den arbeid in het vredestractraat, na nauwkeurige bestudeering van de Bernsche conclusies, zijn vastgesteld en in vele bepalingen boven het Duitsche ontwerp de voorkeur verdienen.

Inderdaad is dan ook in het vredesverdrag aan de internationale arbeidsorganisatie eene breede plaats ingeruimd; de 13e afdeeling is er geheel aan gewijd. Volgens art. 387 v. zal er eene permanente arbeidsorganisatie in het leven worden geroepen, waarvan alle leden van den volkenbond van rechtswege lid zullen zijn. Iedere staat van den volkenbond wijst vier leden aan voor de algemeene conferentie, van wie twee de regeering, één de werkgevers en één de werknemers vertegenwoordigen. Art. 426 bepaalt in een aanhangsel, dat de eerste conferentie in Oct. 1919 te Washington zal bijeenkomen, en haar aandacht zal hebben te wijden aan de toepassing van het beginsel van den 8-urigen werkdag en de 48-urige werkweek, aan middelen ter bestrijding der werkeloosheid, aan den arbeid van vrouwen vóór en na hare bevalling, aan nachtarbeid, onhygiënischen arbeid, arbeid van kinderen en aan uitbreiding en toepassing van de internationale overeenkomsten te Bern in 1906 inzake verbod van nachtarbeid voor vrouwen in de industrie en ’t gebruik van witten phosphor bij de vervaardiging van lucifers. In art. 427 voegt het vredestractaat daaraan eenige beginselen toe, die, schoon met inachtneming van verschil in klimaat, zeden, gebruiken, enz., toch algemeen behooren te gelden, |53| en die betrekking hebben op het karakter van den arbeid, welke niet louter eene waar of handelsartikel is, op het vereenigingsrecht, het loon, den 8-urigen werkdag, de 48-urige werkweek, den rustdag, den kinderarbeid, het gelijke loon voor vrouwen en mannen, en de arbeidsinspectie — altemaal onderwerpen, die voor verschillende landen niet veel nieuws bevatten, maar waarvan men thans de internationale regeling ter hand wil nemen. De Algemeene Conferentie, die minstens eenmaal ’s jaars moet samenkomen (art. 389), heeft echter geene wetgevende macht; zij kan de voorkomende zaken bespreken en naar aanleiding daarvan regelingen treffen, doch slechts op tweeërlei wijze (art. 405), in den vorm van eene „aanbeveling” of in dien van een „ontwerp van internationale overeenkomst”. In beide gevallen is elk lid der Conferentie verplicht, de aanbeveling of het ontwerp van overeenkomst te onderwerpen aan het oordeel der bevoegde autoriteit, met het doel, dat deze ze tot wet verheffe of een anderen maatregel neme; maar van dwang is hierbij geen sprake. Naast deze Algemeene Conferentie heeft de internationale arbeidsorganisatie ook nog een orgaan in het Internationaal Arbeidsbureau, dat bestuurd wordt door een Raad van administratie (bestaande uit 24 personen, van wie 12 de regeeringen, 6 de werkgevers en 6 de werknemers vertegenwoordigen), art. 393, dat voorts alle informaties verzamelt aangaande toestand der arbeiders en regeling van den arbeid, de agenda voor de Conferentie voorbereidt, en een tijdschrift uitgeeft, waarin vragen betreffende industrie en arbeid van internationaal belang behandeld worden (art. 396). Bepaaldelijk heeft dit Arbeidsbureau ook de klachten te onderzoeken, die een vakvereeniging van werkgevers of werknemers of een staat, lid van den volkenbond daarover |54| indient, dat een andere staat, eveneens lid van den volkenbond, zich niet houdt aan de door zijne regeering aangenomen overeenkomst. Indien de betreffende staat hierover geen voldoende verklaring geeft, kan het Arbeidsbureau de klacht onderwerpen aan eene enquête-commissie, die daarover een rapport uitbrengt. Indien de beklaagde partij met de conclusies van dit rapport geen genoegen neemt, kan zij in beroep komen bij het Internationaal Gerechtshof, dat uitspraak doet en eventueel de economische strafmaatregelen bepaalt, die andere regeeringen, na zekeren tijd, tegen zulk een schuldigen staat in toepassing mogen brengen (art. 409-420).

Deze proeve van internationale arbeidsorganisatie is zeker niet boven alle verdenkingen verheven, en de conferentie, die te Washington samenkomt en zich te houden heeft aan het haar gestelde program, zal waarschijnlijk aan velen teleurstelling baren. Want de arbeidsregelingen, die zij te bespreken heeft, bestaan reeds in vele landen en brengen dus op het gebied der arbeidswetgeving niet verder vooruit. Voorts staat het te bezien, of de aanbevelingen en voorstellen, welke zij eventueel formuleert en aan de bevoegde autoriteiten voorlegt, zelfs in die landen, waar ze thans nog niet bestaan, ingang en toepassing zullen vinden. Het vredestractaat rekent met het verschil in klimaat, in zeden en gebruiken, in economische doelmatigheid en industrieële traditie, en hierin liggen zoovele moeilijke vraagstukken opgesloten, dat eene uniforme regeling van de arbeidsverhoudingen in de verschillende landen, ook al zijn ze aangesloten bij den volkenbond, vooreerst nog wel niet mogelijk zal zijn. Is het met grond te verwachten, dat dezelfde arbeidsregelingen, die goedkeuring en toepassing vinden in Amerika of Engeland, ook aangenomen zullen |55| worden in de Oostelijke staten van Europa of in China en Japan? En als zulke landen de arbeidsregelingen, door de conferentie voorgesteld, weigeren in te voeren, omdat zij het niet kunnen of willen, dan is er eventueel met economische strafmaatregelen weinig te bereiken en loopt de internationale organisatie gevaar, reeds spoedig na hare instelling weder uiteen te spatten.

Indien de conferentie aan den eenen kant te veel zal eischen, zal zij naar de andere zijde velen niet bevredigen, omgat zij te weinig geeft. Met name geldt dit van al die arbeidersvereenigingen, die op socialistisch of communistisch standpunt staan. De internationale socialistische conferentie, in Aug. l.l. te Luzern gehouden, stelde als eerste punt van hare statuten vast: de politieke en economische organisatie van de arbeiders ter verovering van de macht, en socialisatie van de productie en ruilmiddelen ter vervanging van het kapitalistische systeem door het socialistische en communistische. De internationale arbeidsorganisatie in het vredestractaat komt in zekeren zin al veel te laat. De socialistische beweging is door den oorlog met versnelden pas en in groote schreden vooruitgegaan. En de sociale wetgeving, die jaren aaneen een philanthropisch en sociaalhygienisch karakter droeg, aan bescherming en verzekering der arbeiders gewijd was, is deze beweging gevolgd en gaat meer en meer over in de periode, waarin de rechten van arbeid en arbeiders aan de orde worden gesteld. Daarmede is niets meer en niets minder gemoeid, dan eene radicale verandering in de verhouding van werkgevers en werknemers. De laatsten zijn voor een groot deel met verbeteringen in het bedrijf, zelfs met hooger loon en korter arbeidstijd niet meer tevreden; zij streven naar medezeggenschap in de bedrijfsleiding, naar een evenredig aandeel |56| in de productie en distributie der goederen, naar socialisatie van voortbrengings- en ruilmiddelen. Om dit doel te bereiken, willen zij de politieke macht in handen brengen van de arbeidersklasse; en zij verschillen onderling alleen nog in de wijze, waarop de arbeidersklasse deze macht veroveren moet, door revolutie of door evolutie.

De vraagstukken, die met de regeling der arbeidsverhoudingen in verband staan en op zoo uiteenloopende wijze beantwoord worden, zijn niet met een beroep op abstracte theorieën op te lossen, maar moeten alle aan de concrete werkelijkheid getoetst, en daarnaar beoordeeld worden. Het komt daarbij zeker ook wel op eenige algemeene beginselen, maar vooral toch op feiten aan. Verhooging van loon en verkorting van arbeidstijd zijn tot dusver voor de productie niet schadelijk geweest; maar dat wil niet zeggen, dat men daarmede eindeloos voort kan gaan. Er is zonder twijfel een grens, al valt het moeilijk, deze van tevoren duidelijk aan te wijzen. Trouwens, onder de werknemers is er ten aanzien van de inrichting der toekomstige maatschappij groot verschil; er zijn onder hen vele Christelijke, Protestantsche of Roomsche arbeiders, die wel hervorming, maar niet omverwerping der bestaande orde van zaken wenschen. En onder de socialisten zijn er revolutionairen, maar ook gematigden, die het bolsjewisme scherp bestrijden, den tijd voor de heerschappij der arbeidersklasse nog lang niet gekomen achten, en in den weg der evolutie hun ideaal trachten te bereiken. Zelfs gingen in den laatsten tijd in Duitschland stemmen op ten gunste van het stukloon en van verlenging van den arbeidstijd. De „Vorwärts” deed onlangs in een hoofdartikel een middel aan de hand, om de werknemers, bepaaldelijk de spoorwegarbeiders, tot den arbeid te dwingen; en als zulk een middel prees zij |57| aan betaling van den arbeid in verhouding tot de arbeidsprestatie. De deugdelijke arbeider moet meer kunnen verdienen dan hem in het vastgestelde uurloon toegekend wordt, en de onwillige arbeider moet gevoelen, dat hij alleen goed betaald wordt, als hij goed werk verricht. Om te beginnen, moet daarom in de spoor-werkplaatsen het stukloon worden ingevoerd, opdat de „moraliteit” van den arbeid terugkeere, en de productiviteit worde verhoogd.

Wijl de arbeidsorganisatie echter van zoo ingewikkelden aard en van zulk een groot algemeen belang is, is het te prijzen, dat het vredestractaat hare internationale regeling aan de orde heeft gesteld. Het spreekt van zelf, dat er nog veel aan ontbreekt; het is immers nog maar de eerste stap op een langen, moeilijken weg. Doch indien de gevaren, die heden ten dage den socialen vrede bedreigen, afgewend zullen worden, dan is dat alleen mogelijk in den weg van overleg tusschen werkgevers- en werknemers, in den weg van verzoening tusschen kapitaal en arbeid. Inzoover is het woord van President Wilson te onderschrijven, dat hij in Mei van het vorige jaar naar Washington seinde: het program met betrekking tot de arbeiderswetgeving, hetwelk de vredesconferentie heeft aangenomen, vormt een der gewichtigste mijlpalen op den nieuwen weg, die leidt naar de ontwikkeling en de verstandige en stelselmatige bescherming van de belangen van den arbeid. Overal is men dan ook bezig, naar nieuwe, vormen te zoeken; bedrijfsorganisatie, arbeidsraden, colleges van voorlichting bij de regeering, commissies ter bijlegging van geschillen, wettelijke regeling van het collectief arbeidscontract enz. staan overal op het program der sociale wetgeving, in die mate zelfs, dat de belangen der consumenten daarmede in het gedrang schijnen te komen. |58|

Te meer is zulk eene verzoening van kapitaal en arbeid zulk eene toenadering en samenwerking van werkgevers en werknemers in de toekomst noodzakelijk, omdat het zich laat aanzien, dat de rationaliseering en mechaniseering van den arbeid nog voortdurend toenemen zal. Arbeidsverdeeling en machinewezen hebben de vreugde aan den arbeid in de kringen der werknemers op bedenkelijke wijze verzwakt. Maar de ontzettende, stoffelijke en geestelijke verliezen, die in den oorlog geleden zijn, maken het een gebiedenden eisch, om de productie op elk gebied tot de hoogste spanning op te voeren. En daartoe is noodig, dat zij met inspanning van alle kracht, met het minste tijdverlies, op het zuinigst geregeld, van stuk tot stuk in vaste banen geleid, op de meest economische wijze, naar de nieuwste uitvindingen der techniek, ingericht worde. De gedachte, die aan het Taylor-systeem ten grondslag ligt, heeft in weerwil van de nadeelen, die eraan verbonden zijn, de toekomst voor zich. Ongetwijfeld zal de invoering van dit stelsel voor den arbeider een geestelijk gevaar medebrengen. Maar als de loonen stijgen en de arbeidstijd ingekort wordt, krijgt de arbeider ook meer tijd vrij voor lichamelijke oefenlng en geestelijken arbeid. Misschien, gaat daardoor toch ook weer de verwachting van Walther Rathenau, zij het maar voor een deel, in vervulling, dat het technisch-industriëele grootbedrijf een middel zal worden voor eene herleving der ziel en eene zedelijke wedergeboorte der wereld. Trouwens, vreugde aan den arbeid hangt volstrekt niet alleen van den aard van den arbeid af, maar in de eerste plaats van het karakter en de persoonlijkheid van den arbeider. Alle arbeid brengt zijne moeiten en bezwaren mee. Er is niet alleen lust, maar ook plichtsbesef, verantwoordelijkheidsgevoel, zelfverloochening, volharding |59| toe noodig. Wie naar Christelijk beginsel zijn beroep als eene roeping opvat, kan in den geringsten arbeid eene levenstaak zien, die hem door God is opgelegd. Eene godsdienstig-zedelijke opvoeding is derhalve, niet de eenige maar wel de voornaamste voorbereiding voor elken menschelijken arbeid.


*

Van even groot belang als de internationale arbeidsorganisatie, is het ontwerp van den Volkenbond, dat in het eerste hoofdstuk van het vredestractaat isopgenomen. Ook deze idee is niet plotseling uit de lucht komen vallen, maar heeft reeds eene lange geschiedenis achter den rug. Pacifistische denkbeelden werden reeds verkondigd door Laotse en Mengtse in China, en door Buddha in Indië. Pogingen, om een duurzamen vrede te verzekeren, werden beproefd door Koning Asoka en keizer Probus. De pax of treuga Dei was in de Middeleeuwen een middel, waarvan de kerk zich bediende, om veeten en gevechten te beperken. Het heilige Roomsche rijk vormde een verbond van staten, dat de Christenheid inzonderheid tegen den Islam beschermen moest. Vredesontwerpen, min of meer in den vorm van eene federatie der Christelijke Staten in Europa, zijn verbonden aan de namen van Hendrik IV, Hugo de Groot, den abt van St. Pierre, William Penn, Immanuel Kant e.a.

Na de Napoleontische oorlogen drong echter de vredesgedachte in breeder kringen door. De Heilige Alliantie was een verbond, waarbij de vorsten zich verplichtten, naar binnen en naar buiten geene andere gedragslijn te zullen volgen dan. die door den Christelijken godsdienst, door rechtvaardigheid en liefde bepaald was; maar zij grondde |60| dit verbond, in plaats van op het recht, op eene gelijke verdeeling van macht. Ongeveer terzelfder tijd kwam er in Amerika en later ook in Europa eene vredesbeweging op, die aan vele vereenigingen en conferenties het aanzijn gaf, en, na een tijd van stilstand, sedert den oorlog van 1870/71 weer tot krachtige actie kwam, en thans bijzonderen nadruk legde op studie van het internationale recht en op arbitrage als middel tot beslechting van geschillen tusschen de volken. Deze beweging ontving in 1898 steun van den Czaar van Rusland, toen deze de mogendheden uitnoodigde, om langs den weg van internationale besprekingen de meest afdoende middelen op te sporen, om aan alle volken de zegeningen van een wezenlijken en duurzamen vrede te verzekeren, en vóór alles een einde te maken aan de steeds voortgaande vermeerdering der strijdkrachten. Dit manifest maakte niet veel indruk, maar werd in Mei 1899 door een tweede, meer bezadigd stuk gevolgd; en dit leidde tot de eerste Haagsche conferentie, die in datzelfde jaar samenkwam, en een permanent arbitragehof in het leven riep, dat allengs een groot aantal geschillen te behandelen kreeg en in der minne wist op te lossen. De tweede conferentie, welke 15 Juni 1907geopendwerd ging over tot de stichting van een permanent staatsgerechtshof, hetwelk zijn zetel ontving in het Aug. 1913 geopende vredespaleis te ’s-Gravenhage, waar ook de Akademie voor het volkenrecht gevestigd zou worden, maar werd van wege den oorlog tot heden toe nog niet door eene derde conferenlie gevolgd. Toch was deze oorlog in anderen zin weer aan de vredesbeweging bevorderlijk. In Amerika werd b.v. in 1915 de League to enforce peace opgericht, en had tegen het einde vau datzelfde jaar te Washington de eerste zitting plaats van het in 1912 |61| opgerichte Amerikaansche instituut voor volkenrecht. Deze beweging nam in kracht en beteekenis toe, toen President Wilson zich in zijne 14 punten bij haar aansloot. Juist deze oorlog, die zoo plotseling, zonder weloverwogen stappen begonnen was, bracht hem ertoe, om te overwegen, dat op zulke manier geen oorlog uitbreken mocht en dat de vrede der wereld voortaan berusten moest op eene nieuwe, meer gezonde diplomatie. Te dien einde moet er, naar zijne meening, na dezen oorlog eene blijvende samenwerking voor den vrede komen door een bondgenootschap van groote en kleine, vrije, democratische volken, dat aan het beginsel van publiek recht den voorrang verschaft boven afzonderlijke belangen, onbevooroordeelde en onpartijdige gerechtigheid tot richtsnoer neemt, en op den grondslag van een gemeenschappelijk recht en van gerechtigheid den vrede bewaart.

Zonder twijfel is het aan de energie van Wilson te danken, dat de gedachte en het plan van den Volkenbond in het vredesverdrag eene plaats heeft verkregen. Dat het ten volle aan zijne verwachting en wensch beantwoordt, mag betwijfeld worden. Maar men moet bij dit ontwerp, zooals Clémenceau onlangs opmerkte, niet alleen letten op wat het is, maar ook op wat het worden kan. Men dient er rekening mede te houden, dat de gedachte, de uitwerking en de practische verwezenlijking van een volkenbond met groote moeilijkheden gepaard gaat, die, indien ooit, alleen in een lang verloop van tijd door ernstigen wil, taai geduld en rustelooze volharding overwonnen kunnen worden. De opneming van den volkenbond in het eerste deel, en dus als grondslag van het vredestractaat, heeft op zich zelve reeds groote waarde; en deze neemt daardoor toe, dat het door de gedelegeerden van 32 staten op de |62| vredesconferentie geteekend werd en eerlang na de ratificatie door de groote mogendheden in werking zal treden. Dat het ontwerp lang niet boven alle critiek verheven is, kwam in de pers en in de volksvertegenwoordiging van Engeland, Frankrijk, Italië en vooral van Amerika zeer duidelijk aan het licht. En ook van neutraal standpunt is er menige bedenking tegen in te brengen.

De aanhef klinkt schoon; de hooge contracteerende partijen gaan daarin uit van de overweging, dat het, ter bevordering van internationale samenwerking, vrede en veiligheid, noodzakelijk is, bepaalde verplichtingen op zich te nemen om niet ten oorlog te gaan; openbare, rechtvaardige en eerlijke betrekkingen onder elkaar te onderhouden; de voorschriften van het internationale recht nauwkeurig in acht te nemen; de gerechtigheid en den eerbied voor alle verdragen in de onderlinge verhoudingen der georganiseerde volken hoog te houden. En hierdoor geleid, sluiten zij dan den volkenbond. Maar deze bond is meer een bond der vijf groote mogendheden, die aan de overwonnen landen den machtsvrede dicteeren, dan een bond van vrije, over zichzelf beschikkende, gelijkstaande volken. Toetreding is naar den schijn vrij, maar wie er buiten blijft, zal er zeker de schade van ondervinden; de Engelsche Times waarschuwde onlangs al, dat, als Nederland eens weigerde toe te treden, het economisch wel tot rede te brengen zou zijn. De oorspronkelijke leden van den Bond zijn de 32 staten, wier afgevaardigden op de vredesconferentie het verdrag teekenden; andere staten, waaronder Nederland, zullen worden uitgenoodigd om toe te treden; maar de staten, gebieden of kolonies, met zelfregeering, die dan nog overblijven, kunnen alleen toegelaten worden onder bepaalde voorwaarden en met twee derden van de stemmen |63| der Bondsvergadering (art. 1); de overwonnen volken worden niet op voet van gelijkheid behandeld, maar moeten zich aan ballotage onderwerpen, en staan achter bij staten als Haïti, Honduras, Liberia, Nicaragua, enz. Evenzoo schijnt uittreding wel vrij, bepaaldelijk als een staat de veranderingen, in de statuten van den bond aangebracht, weigert aan te nemen (art. 26), maar volgens art. 1 moet een bondslid zijne uittreding niet minder dan twee jaren te voren mededeelen en bij zijne uittreding al zijne verplichtingen vervuld hebben.

De oppermacht der vijf groote mogendheden komt nog sterker uit in de organisatie van den Bond. Deze oefent toch zijne werkzaamheden uit, ten eerste door bondsvergaderingen, bestaande uit gedelegeerden der Bondsleden, die op vaste tijden samenkomen en van welke de eerste bijeengeroepen zal worden door den President de Vereenigde Staten van Amerika (art. 3 en 5); en ten tweede door een Raad, met een permanent secretariaat, gevestigd in Genève als zetel van den Bond (art. 6). Deze Raad nu is het, die feitelijk alle macht in handen heeft. Hij bestaat uit vertegenwoordigers van de (vijf) geallieerde en geassocieerde mogenheden en uit vier vertegenwoordigers van alle andere bondsleden. Hij vergadert, zoo dikwijls de omstandigheden het vorderen, ter plaatse van den zetel van den Bond of elders, en minstens eenmaal ’s jaars. Hij behandelt elke zaak, die valt binnen den kring der werkzaamheden van den Bond of den wereldvrede raakt (art. 4). Hij benoemt in het vervolg, want de eerste secretaris Sir J.E. Drummond werd reeds op de vredesconferentie aangesteld, den generalen secretaris, met toestemming van de meerderheid der leden in de bondsvergadering (art. 6). Hij ontwerpt de plannen tot vermindering der oorlogstoerustingen (art. 8); |64| krijgt opdracht voor het maken van een plan tot oprichting van een permanent internationaal gerechtshof (art. 24); onderzoekt geschillen, die niet voor het scheidsgerecht komen, en brengt er rapport over uit (art. 15); overweegt, ingeval een staat, in strijd met de statuten van den Bond, tot den oorlog overgaat, met welke strijdkrachten te land of ter zee elk lid van den Bond de actie tegen zulk een staat moet steunen; en dient daarover een voorstel in aan de betrokken regeeringen (art. 16) enz. De Raad van negen, en in dien Raad de vijf vertegenwoordigers der groote mogendheden, krijgen eene macht, welke die van vele vroegere dictators overtreft.

Volgens art. 12 komen de leden van den Bond overeen, om eene quaestie, die tusschen hen rees en tot eene breuk zou kunnen leiden, te onderwerpen aan een scheidsgerecht of aan een onderzoek door den Raad, en in geen geval tot den oorlog over te gaan binnen drie maanden na de uitspraak van den scheidsrechter of het rapport van den Raad. Indien n.l. de partijen, tusschen wie een geschil gerezen is, van meening zijn, dat dit geschil voor eene arbritale beslissing vatbaar is, dan onderwerpen zij het aan een scheidsgerecht (art. 13), en het vredestractaat noemt in datzelfde artikel eenige algemeene gevallen op, die voor arbritage in aanmerking komen. Maar als partijen het hierover niet eens zijn, dan moet een andere weg tot oplossing van het geschil worden ingeslagen. De leden van den Bond verplichten zich dan, om het geschil voor den Raad te brengen (art. 15), en de wijze waarop deze daarmee te werk heeft te gaan, wordt in dit artikel vrij breedvoerig omschreven. Wanneer nu een staat, lid van den Bond, in strijd met de verplichtingen, die hij volgens art. 12, 13 en 15 op zich heeft genomen, tot den oorlog overgaat, dan |65| wordt zulk eene daad beschouwd als eene oorlogshandeling tegen alle andere bondsleden, en deze verplichten zich dan, om door economische of door militaire maatregelen zulk een opstandigen staat tot gehoorzaamheid te dwingen (art. 16).

Bij de regeling van de wijze, waarop ernstige geschillen tusschen de leden van den Bond in behandeling genomen en tot oplossing worden gebracht, doen zich alle bezwaren gelden, die tegen de stichting van een volkenbond kunnen worden opgeworpen. Laten Raad en Bondsvergadering, scheidsgerecht en gerechtshof nog zoo onpartijdig zijn samengesteld — wat zeker in het vredestractaat niet bij al deze corporaties het geval is; dan krijgen zij toch nooit het karakter van eene boven alle partijen verheven gedenationaliseerde en gesupranationaliseerde rechtbank, zooals Prof. van Vollenhoven die wenscht, en hare uitspraken bereiken nooit de hoogte der onfeilbaarheid. Voor eene regeering, die in het ongelijk gesteld wordt, blijft dus altijd de vraag over, of zij voor haar volk, voor God en haar geweten verantwoord is, indien zij zich bij de beslissing neerlegt en daarmede, naar haar eigen overtuiging, hooge beginselen en geestelijke goederen prijsgeeft, waarvan de bewaking haar toebetrouwd is? En is het dan niet geoorloofd, is het dan niet plicht, om liever dan in zulk eene uitspraak te berusten, desnoods met de wapenen het haar toebetrouwde pand te verdedigen en zich te stellen in de handen Gods, die de geschiedenis leidt en het lot van alle menschen bestuurt ? De vredesconferentie heeft zelve, blijkens het ingewikkelde harer regelingen, deze bezwaren gevoeld; zij vertrouwt haar eigen ontwerpen niet. In strijd met art. 20 sloten Frankrijk, Engeland en Amerika een verbond tegen een eventueelen aanval van het lam geslagen Duitschland. |66| In de pers werd de gedachte geuit van een soortgelijk verbond tusschen Frankrijk, België en Nederland, alsof heel het vredesverdrag niet bestond. Op eene belangrijke vermindering van krijgstoerustingen en oorlogsuitgaven valt, naar de berichten uit Engeland en Amerika, weinig staat te maken; ’t is zelfs de vraag, of toetreding tot den volkenbond ons land, vanwege zijne eigenaardige ligging, zelfs niet tot verhooging zijner militaire uitgaven verplichten zou. Doch hoe dit zij, Frankrijk blijft, vooral vanwege den achteruitgang zijner bevolking, voor de economische en militaire herleving van Duitschland bevreesd; Engeland moge zijn leger verminderen en zijne vloot hervormen, het doet van de opperheerschappij ter zee geen afstand; Amerika acht zich zonder leger en vloot voor het gele gevaar niet veilig; de toestand der wereld is er door den oorlog niet beter op geworden, en de vredesconferentie heeft eene goede gelegenheid, om een werkelijken, duurzamen vrede te stichten, ongebruikt laten voorbijgaan, ja zelfs op onwaardige wijze misbruikt.

Desniettemin, de oorlog is zoo iets vreeselijks en werpt zoo weinig voordeel af, dat alle eerlijke middelen moeten worden aangewend om hem te beperken en te beteugelen. Als pacifisten verder willen gaan en op radicale afschaffing aandringen, koesteren zij eene verwachting, die evenmin voor verwezenlijking vatbaar is als de uitroeiing van allen haat en nijd uit het hart van den mensch. Het onderscheid tusschen deze humanitaire en de Christelijke moraal kan aldus worden uitgedrukt, dat volgens gene alle oorlog eene misdaad, en alleen een bestraffingsoorlog geoorloofd is. Volgens Prof. van Vollenhoven zou dit de nieuwe gedachte van Grotius zijn geweest, maar zeker is deze meening, schoon niet hier ter plaatse, een nader onderzoek waard. De |67| Christelijke moraal neemt echter dit standpunt niet in; zij is niet in volstrekten zin anti-militairistisch, en acht verdediging van het vaderland, desnoods met wapengeweld, een heiligen plicht. Zij erkent dus, dat er, hoe zeldzaam ook, rechtvaardige, plichtmatige oorlogen kunnen zijn, om de eenvoudige reden, dat er op aarde geen onfeilbare uitspraak in geschillen tusschen volken bestaat, en evenmin eene souvereine macht, die deze kan doen gelden in de historie. De oorlog heeft dus op zichzelf zijn recht en zijn waarde, zooals trouwens heel de geschiedenis leert. Maar hij mag alleen gevoerd worden om rechtvaardige redenen en met een heilig doel. Daarin ligt zijne beperking en zijn grens. En het is Christenplicht, op deze beperking aan te dringen en ze in te griffen in de conscientie van iederen mensch. Want het is volkomen waar, dat ook naar Christelijke beginselen een staat een roover en een moordenaar kan zijn. Er is geen dubbele moraal, eene voor de overheid en eene voor de burgers; de zedewet is voor allen dezelfde, schoon hare toepassing verschilt. Boven den staat staat de gerechtigheid, boven de macht het recht, boven het geweld de liefde, de liefde tot God en tot den naaste, hetzij deze een volk of een burger is.

Tot handhaving en verkondiging van deze beginselen worden we in dezen tijd nog sterker dan anders verplicht. De eeuw, waarin wij leven, staat in het teeken der economie en vraagt niet alleen naar het recht, maar ook naar het nut van den krijg. Nu zijn echter in de laatste jaren de oorlogsuitgaven in alle landen voortdurend gestegen, buiten alle evenredigheid met wat voor werken des vredes noodig is. Er is op dit gebied eene waanzinnige concurrentie ontstaan, die den een tegen den ander doet opbieden en allen saam onder een ondragelijken schuldenlast |68| gebukt doet gaan. En die uitgaven moeten, bij deze gesteldheid van naijver en haat, wel voortdurend stijgen, wijl de nieuwe uitvindingen van wetenschap en techniek ieder oogenblik verbeteringen en hervormingen inlegeren vloot noodzakelijk maken. Lord Fisher betoogde onlangs, dat de Engelsche vloot, zooals ze thans bestaat, wel opgeruimd kon worden en plaats moest maken voor oorlogsschepen, die onder water kunnen gaan, om zich te beveiligen tegen de aanvallen uit de lucht. Maar diezelfde uitvindingen maken den oorlog steeds schrikkelijker; het oorlogen verandert meer en meer in eene moordpartij, omdat het zijne wapenen uit de laboratoria ontvangt, met chemische en mechanische middelen gevoerd wordt, en in dezelfde mate — de laatste oorlog heeft het overvloedig bewezen — aan alle reglementeering en humaniseering zich onttrekt. Dezelfde dwaze concurrentie heeft tot het invoeren van den algemeenen dienstplicht geleid; maar als alle volken dezen invoeren, blijven de verhoudingen volkomen gelijk. Alle voordeel vervalt ervan, maar er blijft alleen het ontzettende nadeel over, dat er meer dooden vallen, meer mannen verminkt terugkeeren, meer huisgezinnen in rouw worden gedompeld en meer namelooze ellende over heel de maatschappij en over het gansche volk wordt uitgestort. Is het dan te verwonderen, dat de weerzin tegen den oorlog toeneemt, dat het antimilitairisme veld wint, en dat de klachten vermeerderen over den geest in het leger?

Men kan zich hiervan niet afmaken, door te zeggen, dat het pacifisme in de werkelijkheid weinig gevaar oplevert. Het nationaliteitsgevoel en de vaderlandsliefde bleken immers bij het begin van den laatsten oorlog zulk eene macht te zijn, dat zelfs de socialisten, althans voor een groot deel, |69| hun stem aan de oorlogsbegrooting gaven en aan hun internationalisme het zwijgen oplegden. Toch vergisse men zich in deze geestesgesteldheid niet. De Internationale herleeft en maakt propaganda voor haar strijd tegen den oorlog; het pacifisme hervat met ijver zijne onderbroken werkzaamheid; en burgerwacht en vrijwillige landstorm kunnen niet vergoeden wat aan het moreel van den soldaat in het leger ontbreekt. Men zal met den nieuwen geest, die ook in dit opzicht zich baan breekt, meer en meer rekening moeten houden; wie den oorlog verklaart, zal in het vervolg het rechtvaardige zijner zaak in helderder licht moeten kunnen stellen, dan vele vorsten en volken het in dezen oorlog hebben kunnen doen; de publieke opinie en het oordeel der wereld zijn in den laatsten oorlog eene groote, zedelijke macht gebleken.

Daarbij komt, dat, naast het nationalisme, ook het internationalisme zijn recht van bestaan heeft. Het Christendom is universeel; het leert, dat heel het menschelijk geslacht van éénen bloede is en dat het Evangelie voor alle volken is bestemd. De zending heeft door den oorlog groote schade geleden, maar de zendingsgedachte wordt meer en meer voor verwezenlijking vatbaar. De internationale verhoudingen nemen toe; de gemeenschap tusschen de volken breidt zich op elk gebied, op dat vanwetenschap, techniek, nijverheid, handel, verkeer, enz. voortdurend uit, en maakt hen daardoor steeds meer van elkander afhankelijk. Uit deze cultuurgemeenschap zal op den duur ook eene nauwere gemeenschap van volken en van staten groeien; de wereldorganisatie wordt langzamerhand voor de gedachte van een volkenbond rijp. Men werpe hier niet tegen, dat zulk een bond een hersenschim is. Want al is het volkomen waar, dat het ontwerp in het vredestractaat |70| gebrekkig is en vele leemten vertoont, het is onder aller medewerking voor verbetering vatbaar. En de gedachte, die eraan ten grondslag ligt, is evenzeer toe te juichen, als de poging tot internationale arbeidsorganisatie. Wie de laatste, in weerwil van de bezwaren, die eraan verbonden zijn, zijne sympathie en zijn steun waard acht, mag aan de eerste geen kwaad hart toedragen. Sociale en politieke vrede hangen nauw met elkander samen. Beide zijn de inspanning onzer krachten waard.

En dat er in dezen weg, misschien niet veel, maar dan toch iets te bereiken is, dat leert ons de geschiedenis. Het hart des menschen verandert niet, maar in den objectieven ethos zijn toch allengs vele verbeteringen aangebracht. Over het algemeen zijn de zeden verzacht; slavernij en lijfeigenschap zijn uit onze maatschappij verdwenen; bloedwraak, duel, godsoordeelen komen niet meervoor; brandstapels en schavotten, pijnbanken en folterwerktuigen zijn afgeschaft: krankzinnigheid wordt niet meer als eene misdaad beschouwd en pestilenties worden met vrucht bestreden. Niemand kan zeggen, of al deze dingen nog niet eens terug zullen keeren; de beschaving volgt niet altijd eene opwaartsche lijn en menschen blijven tot alles in staat, gelijk de gruwelen in het Oosten van Europa bewijzen. Maar wij mogen toch dankbaar zijn, te leven in eene maatschappij en geregeerd te worden door eene overheid, die al deze dingen met kracht bestrijdt. Zoo kan ook door vereenigde krachten het bewustzijn der volken bewerkt worden, dat het zich ontsluit voor de eisc hen van het internationale recht, sympathie gaat koesteren voor internationale samenwerking, zich gewent aan het arbitrage in internationale geschillen, en krachtig reageert tegen elken onrechtvaardigen krijg. Op dezen zedelijken grondslag zal |71| dan misschien te zijner tijd een volkenbond kunnen rijzen, die beter dan het ontwerp in het vredestractaat aan zijn doel beantwoordt, en in de toekomst de oorlogen voorkomt en vermindert.


*

Naschrift

Bovenstaande verhandeling werd ten vorigen jareopgenomen in de November- en December-aflevering van Stemmen des Tijds. Sedert zijn weder eenige weken verloopen. En in dien tijd hebben er, door de verschijning van Kautsky’s boek, door de openbaarmaking van de briefwisseling tusschen Keizer Wilhelm en Czaar Nicolaas enz., onthullingen plaats gehad, die allerminst geschikt waren, om de schuld van Duitschland aan den oorlog te verminderen. Ook al nemen we in aanmerking, dat het verborgene van ’s menschen hart, als het openbaar wordt, in den regel weinig goeds laat zien; het blijft toch eene angstwekkende gedachte, dat in de Regeeringskringen menigmaal zoo luchthartig met het lot der volken wordt omgesprongen. Maar intusschen heeft op 10. Jan. l.l. de wapenstilstand na ongeveer 14 maanden voor den vrede plaats gemaakt; zes dagen daarna werd de eerste zitting van den Raad van den Volkenbond geopend en gepresideerd door Léon Bourgeois; en met andere staten, werd ook onze Regeering uitgenoodigd, om tot dien Bond toe te treden. Den 13den Jan. diende de Regeering daarom bij de Staten-Generaal een wetsvoorstel in, houdende voorbehoud der bevoegdheid tot toetreding tot het Volkenbondverdrag. Te oordeelen naar de gezindheid der Regeering en de algemeene opinie in het land, zal deze uitnoodiging worden aanvaard. Enthousiast is er |72| niemand voor; het volkenbondsverdrag lijdt aan te groote gebreken en wordt door te ernstige bezwaren gedrukt; zelfs is de mogelijkheid niet uitgesloten, vooral wanneer de Vereenigde Staten van Amerika zich blijven onttrekken dat heel het plan mislukt. Maar voorshands is men toch vrij eenstemmig van oordeel, dat toetreding voor Nederland minder nadeelen biedt dan onthouding. In elk geval hebben we in het verdrag van den volkenbond met eene bescheiden poging te doen, om, evenals op het gebied van den arbeid, zoo ook bij geschillen tusschen de volken tot eene internationale regeling te komen. Dat zulk eene poging op groote moeilijkheden stuiten zal, lijdt geen twijfel. Maar groote gedachten hebben langen tijd noodig, om in de harten der volken te worden opgenomen, en bestanddeel van hunne zeden te worden. Op de arbeids-conferentie te Washington scheen het soms zoo, alsof ze tot niets leiden zou; en toch werden ten slotte belangrijke conclusies met groote meerderheid van stemmen aanvaard. Zoo kan ook de Volkenbond, mits verbeterd en waarlijk tot een verbond der volken gemaakt, er in de toekomst misschien toe bijdragen, om de internationale verhoudingen zoo te regelen, dat meer dan in vorige tijden, geschillen in der minne beslist en oorlogen voorkomen worden. Daartoe mede te arbeiden, ligt meer op den weg van den mensch en den Christen, dan om al dit streven uit de verte lijdelijk aan te zién, en misschien heimelijk op mislukking van al dergelijke plannen te hopen.


2 Februari 1920.




a. Uitgave met naschrift van een opstel verschenen in Stemmen des Tijds 9 (1919v) 1,1-26, 2,105-133 (nov.-dec. 1919); opnieuw uitgegeven in Oorlog en Christendom. Vier opstellen, inleidend woord van J.W. Noteboom, Kampen (J.H. Kok) 1931, 84-125.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004