Herman Bavinck (1854-1921)

Johannes Calvijn

Eene lezing ter gelegenheid van den vierhonderdsten gedenkdag zijner geboorte. 10 Juli 1509 — 1909

door Dr. H. Bavinck

Kampen, — J.H. Kok — 1909

a



Johannes Calvijn (Naar de schilderij in de Bibliotheek te Genève



Te midden van de bewegingen en gebeurtenissen, die den nieuwen tijd hebben ingeleid, komt aan de Reformatie in de zestiende eeuw eene eigene, zelfstandige plaats toe. Zij werd geboren uit de behoefte der ziel aan zekerheid des heils, droeg een godsdienstig-zedelijk karakter en stelde zich de hervorming der gemeente van Christus naar het apostolisch voorschrift ten doel.

Luther was haar bezielde profeet. De groote gedachten der Hervorming werden door hem het eerst uitgesproken, en dat op een toon, die doordrong tot de harten, en in eene taal, welke al het volk verstond. Naast hem komt aan Zwingli de eere toe, dat hij in Zwitserland eene zelfstandige Reformatie ondernam, welke, hoezeer aan de Duitsche verwant, toch een eigen type vertoonde, en de rechtvaardigmaking uit het geloof ondergeschikt rnaakte aan de eere van Gods naam.

Calvijn was vijf en twintig jaren jonger dan Luther en Zwingli. Hij werd den tienden Juli van het jaar 1509 te Noyon in het noorden van Frankrijk geboren en stond mitsdien op de grenslijn tusschen het eerste en het tweede geslacht der Reformatie. Maar toch verdient hij naast de genoemde Hervormers eene plaats, omdat hij hen beiden in eene hoogere eenheid verbonden, de ideeën der Reformatie gesystematiseerd en haar arbeid georganiseerd heeft. Calvijn is niet ten onrechte de redder van het Protestantisme |6| genoemd; hij heeft den stroom der Reformatie voor verzanding bewaard, en haar leven wijd en breed doen uitvloeien in de geschiedenis der menschheid van den nieuweren tijd.


Daar is eene merkwaardige, providentiëele overeenstemming tusschen de opleiding, welke Calvijn in zijne jeugd genoot, en de taak, waartoe hij later als man geroepen werd.

Reeds dit verdient, de aandacht, dat hij niet als Luther uit den boerenstand afkomstig was, maar het levenslicht aanschouwde in een burgergezin, hetwelk in Noyon tot eene zekere mate van welvaart en aanzien gekomen was. De vader, Gérard Calvin, was met eene niet onbemiddelde burgerdochter, Jeanne Lefranc, gehuwd en bekleedde een gewichtigen post in den dienst der geestelijkheid. De jonge Calvijn ontving daardoor de gelegenheid, om met zonen uit den deftigen, en zelfs uit den adellijken stand kennis aan te knoopen, en in dezen kring zich die beschaafde vormen eigen te maken, welke hem later met gemakkelijkheid deden verkeeren in de hoogere kringen der maatschappij, en aan heel zijne verschijning, in weerwil van haar eenvoud, een aristocratisch voorkomen gaven. Zijnerzijds stelde hij dezen omgang ook steeds op hoogen prijs. Want ofschoon bij met buitengewonen ijver op de studie zich toelegde, hij was toch volstrekt geen eenzelvig, lichtschuw student, die alleen hart voor het leeren had. Integendeel, hij leefde te midden van een gezelligen kring, was voor de genegenheid zijner medestudenten uiterst gevoelig en betoonde zich hoogst nauwgezet in het bewijzen van kleinere en grootere vriendschapsdiensten.

Behalve dit voorrecht van een beschaafden omgang, genoot hij eene uitnemende litterarische opleiding. Reeds op veertienjarigen leeftijd, in Augustus 1523, werd hij door zijn vader naar Parijs gezonden, om daar aan het college de la Marche onderwijs te ontvangen van den beroemden opvoedkundige, Mathurin Cordier, die de hunianistische richting was toegedaan, |7| en ijverig deelnam aan hare pogingen, om de Latijnsche scholen te hervormen. Deze Cordier leidde den jongen Calvijn in in de geheimen der Latijnsche en der Fransche taal, en legde daardoor bij hem de grondslagen van dat meesterschap over beide talen, hetwelk Calvijn later in zijne geschriften ten toon spreidde, en waarvoor hem, tot in onze dagen toe, door letterkundigen als Ferdinand Brunetière, groote lof wordt toegebracht. Wel is waar kon hij het onderwijs van Cordier slechts korten tijd genieten, daar hij spoedig naar het college Montaigu werd overgeplaatst; maar aan deze verandering was het voordeel verbonden, dat Calvijn, onder de leiding van Natalis Beda, met de oude, middeleeuwsche methode van het onderwijs kennis kon maken en van het onderscheid tusschen beide richtingen zich volkomen op de hoogte kon stellen. Bij dit onderwijs in Latijn en Fransch kwam later te Bourges nog de studie van het Grieksch onder Melchior Wolmar, terwijl het niet onwaarschijnlijk is, dat hij, in den zomer van 1531 naar Parijs teruggekeerd, om opnieuw de humanistische studiën ter hand te nemen, in deze zelfde stad ook het onderwijs van den beroemden Vatable in de Hebreeuwsche taal genoot.

In het eerste geschrift, dat Calvijn ter perse legde, een commentaar op het boek van Seneca over de zachtmoedigheid met eene voorrede van 4 April 1532, toonde hij zich dan ook met de voornaamste Grieksche en Latijnsche schijvers volkomen vertrouwd. Maar hij staat in dit werk nog geheel op humanistisch standpunt; van de Heilige Schrift en de kerkvaders maakte hij slechts een spaarzaam gebruik. Eerst later stelde hij zijne linguistische kennis, zijn philologischen zin, zijn fijn taalgevoel, zijn gedrongen, krachtigen en gloedvollen stijl in dienst van het Evangelie. Want hoe groot letterkundige ook, hij werd geen schrijver van beroep; het woord was bij hem geen doel, maar middel; het humanisme kwam bij hem in den dienst der Reformatie te staan. Zooals een Mozes oudtijds werd opgevoed in al de wijsheid der Egyptenaren, |8| om er het volk Gods mede te leiden, zoo maakte ook Calvijn op later leeftijd de kennis, die hij in de scholen der letteren had opgedaan, ondergeschikt aan de vertaling en verklaring van de Heilige Schrift en aan de onderwijzing en bestiering van de gemeente van Christus.

Aan deze litterarische opleiding werd eene niet minder degelijke juridische vorming toegevoegd. Calvijn werd eerst door zijne ouders voor den dienst der kerk bestemd, en kwam daarom reeds op twaalfjarigen leeftijd, naar de vreemde gewoonte dier tijden, in het genot van eene kerkelijke prebende. Maar toen hij zijne voorbereidende studiën voltooid had, gaf zijn vader den wensch te kennen, dat hij in de rechten zou gaan studeeren als een geschikter middel, om tot rijkdom en eere te komen. Deze verandering in het verlangen van den ouden Calvijn had haar oorzaak waarschijnlijk in een strijd, waarin hij gewikkeld was met het Roomsche kerkbestuur te Noyon en die tot zijn dood in Mei 1531 voortduurde en feitelijk op zijne excommunicatie uitliep. De vader verloor daardoor zijne sympathie voor den dienst der kerk en ried zijn jeugdigen zoon de loopbaan der rechtsgeleerdheid aan.

Het schijnt, dat de jonge Calvijn daartegen niet het minste bezwaar had en zich gaarne met den wensch van zijn vader vereenigde; misschien heeft hij toen reeds onder den invloed van zijn neef Olivetanus twijfelingen in zich voelen opkomen aangaande de waarheid en zuiverheid der Roomsche kerk en religie. Maar hoe dit zij, in het laatst van 1527 of het begin van 1528 verliet Calvijn Parijs en begaf zich eerst naar Orleans, om daar het onderwijs te genieten van den beroemden jurist Petrus Stella, een voorstander der oude richting, en vervolgens naar Bourges, waar de rechtswetenschap op nieuwen humanistischen grondslag werd gedoceerd door den niet minder beroemden Andreas Alciati van Milaan. In deze wetenschap maakte Calvijn spoedig zulke vorderingen, dat hem eershalve het doctoraat werd toegekend. Maar bovendien droeg |9| deze juridische studie veelzijdig nut voor zijn later leven; zij scherpte zijn verstand, opende zijn oog voor het onderscheid der verschillende levenskringen, ontwikkelde zijn zin voor orde, zijn talent voor organisatie, zijne diplomatische vaardigheid, en kwam hem later bij de regeling van het kerkelijk en burgerlijk leven in Genève op uitnemende wijze te stade.

Doch al deze voorbereiding, welke waarde zij ook hebben mocht, was nog niet in staat, om van Calvijn een Hervormer te maken. Daartoe was iets anders noodig, een besliste omkeer in zijn eigen zieleleven. Calvijn had van zijne kindsche jaren af een vroom gemoed en een nauwgezet geweten; aan grove zonden maakte hij zich nimmer schuldig; alwat dienaangaande tegen hem is ingebracht, berust op laster. Maar er greep in dit leven toch eene merkwaardige verandering plaats, die wel lang werd voorbereid, maar niettemin ten slotte plotseling schijnt tot stand gekomen te zijn. Toen hij ten jare 1523 te Parijs kwam, waren daar de nieuwe, reformatorische denkbeelden reeds in vele kringen doorgedrongen. Mannen als Lefèvre hadden reeds lang vóór het optreden van Luther de noodzakelijkheid eener hervorming der kerk bepleit. De geschriften van Luther vonden er daarom spoedig ingang en weerklank; heel Parijs raakte er door in beweging; waarschijnlijk werd daar reeds in 1523 door Farel, een, leerling van Lefèvre, eene geheime kerk gesticht. Maar de tegenstand bleef niet uit. De Sorbonne, de beroemde theologische faculteit te Parijs, veroordeelde de leer van Luther reeds spoedig als ketterij; de parlementen verklaarden zich beslist tegen elke godsdienstige nieuwigheid; Frans I wendde soms wel anders voor, maar was de Reformatie inwendig zeer weinig genegen. Niet lang, of de vervolging brak uit; den achtsten Augustus vafi het jaar 1523 stierf de eerste Protestant den marteldood op den brandstapel.

Dit alles moet op het ernstig gemoed van Calvijn wel diepen indruk hebben gemaakt; die indruk werd waarschijnlijk |10| versterkt door den omgang met mannen als Olivetanus, Melchior Wolmar, Etienne de la Forge, G. Roussel en anderen, die de nieuwe denkbeelden in meerdere of mindere mate waren toegedaan. Maar het duurde nog lang, eer Calvijn den stouten stap deed en tot de Reformatie overging. Er rees wel allerlei twijfel in zijn hart, maar de eerbied voor de kerk hield hem terug. Doch eindelijk kwam de beslissende ure. Wanneer deze omkeer heeft plaats gehad, weten wij niet; wij kunnen er alleen van zeggen, dat hij vóór October 1533 valt. Ook is ons onbekend, hoe deze verandering toeging, Calvijn liet zich daar weinig en zelden over uit; hij hield er niet van, om over zichzelven te spreken. Eigenlijk komt hij er later in zijne geschriften slechts éénmaal op terug, in de voorrede van zijne verklaring van de Psalmen, uit het jaar 1537, en dan zegt hij, dat hij vroeger hardnekkig was overgegeven aan de bijgeloovigheden van het pausdom, totdat God door eene „plotselinge bekeering” zijn hart beteugelde en tot gedweeheid bracht. In zijn schoonen brief aan Kardinaal Sadoletus, geschreven in 1539, geeft hij bij wijze van voorbeeld eene beschrijving van iemand, die tot overtuiging komt van de dwalingen der Roomsche kerk en bij de Reformatie zich aanelnit. Misschien ontleende hij daarbij trekken aan hetgeen met hem zelf heeft plaats gehad. En dan ontvangen wij ook daaruit den indruk, dat hij als bij een bliksemstraal den poel van dwalingen ontdekte, waarin hij gewenteld lag.; hij veroordeelde toen zijn vroeger leven met weenen en zuchten, gaf zich over en stelde zich in Gods weg. En nu was Calvijn ook in eens en ten volle beslist, alle twijfel was thans gebannen uit zijn hart.

Zoo kwam Calvijn tot de Reformatie langs geen anderen weg, dan Luther en Zwingli; eene godsdienstig-zedelijke zielservaring was ook het karakter van zijne bekeering. Maar in de gelijkheid is er toch onderscheid. Bij Luther bestond zij vooral in een overgang van diep schuldgevoel tot het blij besef van Gods vergevende genade in Christus; Zwingli doorleefde |11| haar als eene bevrijding uit wettische gebondenheid tot de heerlijke vreugde van het kindschap Gods; Calvijn ondervond ze inzonderheid als eene verlossing uit de dwaling tot de waarheid, uit den twijfel tot de zekerheid. De Duitsche Hervormer klemde zich vast aan het Schriftwoord: de rechtvaardige zal uit het geloof leven. De Zwitsersche Reformator haalde geen tekst liever en veelvuldiger aan, dan de noodiging van Jezus: komt allen tot mij, die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u ruste geven. En de Hervormer, die in Frankrijk geboren werd, vond zijne sterkte in de roemtaal van Paulus: indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?

Na zijne bekeering werd geen lang verblijf in Parijs aan Calvijn meer gegund. Den 1sten November van het jaar 1533 had daar eene merkwaardige gebeurtenis plaats. De rector der universiteit, Nikolaas Cop, een vriend van Calvijn, sprak toen bij de overdracht van het bestuur der school eene rede uit, die niet ten onrechte een Fransch pendant van de 95 stellingen van Luther en een manifest van de Hervorming is genoemd. Volgens sommigen werd deze rede door Calvijn opgesteld; in dat geval zouden wij daarin het eerste getuigenis bezitten, dat door hem na zijne bekeering was afgelegd. Maar ook al is dit niet uit te maken en volgens anderen het tegendeel waarschijnlijk, de rede blijft er niet minder belangrijk om. Zij riep een storm van verontwaardiging op en deed eene vervolging uitbarsten, die de vorige in hevigheid overtrof. Cop zelf moest vluchten; velen volgden zijn voorbeeld; en ook Calvijn verliet Parijs. In Mei 1534 bedankte bij voor de tot dusver door hem genoten kerkelijke prebende. Na vele omzwervingen in Frankrijk, waarop wij hem niet altijd kunnen volgen, verliet hij zijn vaderland en vestigde hij zich in Februari 1535 in de stad Bazel.

Hier werkte hij in grooten ijver de „Onderwijzing in den Christelijken godsdienst” af, waarmede hij eenigen tijd te voren, in Angoulème, een begin had gemaakt. In Frankrijk woedde |12| n.l. de vervolging voort; en toen deze in Duitschland groote verbittering wekte, verdedigde zich Frans I in een edict van 1 Februari 1535 met het voorwendsel, dat men geen vrome aanhangers der Hervorming verbrandde, maar alleen Anabaptisten en oproermakers, die de orde van den staat wilden verstoren. Toen Calvijn dat vernam, kon hij niet langer zwijgen; in grooten haast voltooide hij de „Institutie”, om zijne vervolgde broederen tegen zoo onrechtvaardige lastering te verdedigen. En aan het werk laat hij eene, van 23 Augustus 1535 gedateerde, voorrede aan den Koning van Frankrijk voorafgaan, welke niet alleen, wat den stijl aangaat, tot de schoonste producten behoort, ooit uit Calvijns pen gevloeid, maar ook eene van de schitterendste verdedigingen vormt, welke ooit voor het Christelijk geloof geschreven zijn.

Toen dit boek in Maart 1536 bij Platter te Bazel in de Latijnsche taal het licht zag, had Calvijn deze stad al weer verlaten, om een korten tijd te vertoeven aan het hof van de hervormingsgezinde hertogin, Renata van Ferrara. Nadat hij hier enkele weken had doorgebracht, keerde hij naar Bazel terug, begaf zich voor korten tijd naar Frankrijk en kwam bij zijne terugreis op zekeren dag in Genève aan, om er een enkelen nacht te vertoeven en dan den tocht verder voort te zetten.

Maar het werd gansch anders bestuurd. Door allerlei oorzaken, o.a. door de agitatorische werkzaamheid van Farel, had de Reformatie ook in Genève ingang gevonden en was ze zelfs den 27sten Augustus van het jaar 1535 officiëel van regeeringswege ingevoerd. Doch het was er ver van af, dat zij in aller hart had post gevat.en eene vormende kracht in het leven was geworden. Er was afgebroken, maar er was nog niet opgebouwd. Farel en de zijnen deden wat zij konden, maar zij waren niet ten volle berekend voor de zware taak, welke nu op hunne schouders kwam te rusten. Daar hoort Farel toevallig, in Juli 1536, dat Calvijn in de stad is. Aanstonds gaat hij naar hem toe, en smeekt hem te blijven, ten einde |13| het werk der Reformatie in Genève voort te zetten en te voltooien. Maar Calvijn slaat het verzoek af. Hij verontschuldigt zich met zijne jeugd, met zijne onervarenheid, met zijne aangeboren schuchterheid, met de noodzakelijkheid, om zijne studie voort te zetten. Doch Farel laat zich niet uit het veld slaan. Hij houdt met zijne smeekbede aan, en bezweert hem eindelijk met de woorden: gij wendt uwe studiën voor, maar in naam van den almachtigen God verkondig ik u: Gods vloek zal u treffen, als gij in het werk des Heeren ons uwe hulp ontzegt en uzelven meer zoekt dan Christus.

Door deze woorden werd Calvijn in het diepst van zijne ziel geroerd. Het was hem, of hij er de stem Gods zelve in hoorde. Hij gaf zich over en bleef. Calvijn en Genève behoorden van nu aan bijeen.


Voor het werk, dat hem hier wachtte, was Calvijn gereed. De „Institutie”, die enkele maanden te voren verschenen was, bevatte het program van zijn arbeid. Calvijn wist wat hij wilde, het stond hem klaar en levendig voor den geest. De uitgave van dit boek was de eerste, groote reformatorische daad van Calvijn, en tevens een evenement in de geschiedenis der kerk van Christus.

Wat in dit onderwijs in den Christelijken godsdienst vóór alle dingen treft, is de volstrekte zekerheid, de rotsvaste overtuiging, welke uit alle bladzijden spreekt. Er is overal een man aan het woord, die in het bezit der waarheid zich weet, die de zaak Gods tot zijne eigene heeft gemaakt, en die allen twijfel te boven is. Wel heeft Calvijn vroeger vele twijfelingen gekend. Maar sedert hij tot bekeering gekomen is, is hij absoluut verzekerd en beschouwt hij twijfel als het goddelooste, dat een Christen overkomen kan. Van eene verandering in zijne overtuiging is er dan ook later niet de minste sprake meer. Het boek, dat hij uitgaf, was klein van omvang, en werd ook meermalen door hem aangevuld en uitgebreid. Maar zakelijk |14| heeft hij er niets in veranderd. De grondgedachten der laatste uitgave zijn gelijk aan die der eerste; en wat hij in den aanvang geloofde, beleed hij ten einde toe. Natuurlijk steunde Calvijn bij de „Institutie” op het werk van zijne voorgangers, Luther, Melanchton, Erasmus, Bucer, Zwingli, Farel; hij was in veel sterker mate een organiseerende, dan een scheppende geest. Maar hij heeft toch veel meer gedaan, dan overnemen wat door zijne voorgangers gezegd was. Hij heeft de verstrooide bouwsteenen verzameld en bijeengevolegd. De ideeën der Reformatie zijn door hem afgerond; leemten heeft hij aangevuld, eenzijdigheden vermeden, overdrijvingen besnoeid, met Fransche scherpzinnigheid en helderheid synthese in de belijdenis der waarheid gebracht. En zoo werd door zijn arbeid aan een nieuw type van Christelijke vroomheid en godgeleerde wetenschap het aanzijn geschonken.

De zekerheid, waarmede Calvijn in dit boek spreekt, is echter niet van wetenschappelijken, maar van godsdienstig-zedelijken aard. Het is eene zekerheid des geloofs aangaande het heil, dat in Christus Jezus is. Maar dat geloof is bij Calvijn juist volstrekte zekerheid; vaste, door den Heiligen Geest in het hart gewerkte zekerheid. Niets in de gansche wereld toch vergewist ons van de genade Gods, dan de persoon van Christus, die in de H. Schrift voor ons optreedt. Maar daar schittert ze ons ook tegen in al haar volheid en waarheid. De genade Gods in Christus is de kern en het hart van Calvijns „Onderwijzing”, die geen wijsgeerig stelsel ontvouwt en ook zelfs op den naam van dogmatiek niet ten volle aanspraak kan maken, maar die vooral in hare eerste uitgave eene korte uiteenzetting was van de leer des geloofs, en zich hield aan den eenvoud der Heilige Schrift. Voor Calvijn was en bleef dit het wezen des Christendoms, dat God ons daarin zegt, hoe lief Hij ons heeft. De inhoud der bijzondere openbaring is Gods barmhartigheid jegens ons, en de daarvan in ons hart gewerkte zekerheid. De openbaring en de ervaring des heils zijn ten nauwste verbonden. |15| Objectieve waarheid en subjectieve verzekerdheid, onwrikbare overtuiging aangaande de realiteit der openbaring en ontwijfelbare gewisheid ten aanzien van eigen zaligheid behooren als twee helften van denzelfden ring bijeen; het geloof sluit ze beide in, als met ééne en dezelfde daad.

Maar bij die zekerheid blijft Calvijn niet staan. Hij blijft zich niet vermeien in de ervaringen van zijn eigen zieleleven. Maar hij gaat uit deze zekerheid van Gods genade in Christus tot haar bron en oorsprong terug. Hij klimt uit het schepsel tot den Schepper, uit het tijdelijke tot den Eeuwige, uit het zienlijke tot den Onzienlijke, uit het worden tot den Zijnde, uit de wisselende historie tot den onveranderlijken raad des Heeren op. Hij doet dit niet, omdat hij er zich door logische redeneering of systematische afronding toe gedwongen gevoelt, maar wijl hij alzoo door de Schrift onderwezen en door eigen zielservaring geleid is. Als de genade Gods volle en waarachtige genade is, en als de zekerheid des geloofs een absoluut karakter draagt, dan wijzen zij beide rechtstreeks terug op eene Goddelijke energie, die er achter schuilt en die in beide zich manifesteert. In de genade Gods, welke in Christus verschenen is, en in de heilsverzekerdheid, welke de Heilige Geest door zijn getuigenis inplant in het hart, wordt de almachtige en barmhartige wil van God openbaar. De genade en de uitverkiezing, het Evangelie en de volstrekte souvereiniteit Gods staan bij Calvijn niet tegen over elkaar en sluiten elkander niet uit; maar de genade in vollen, waarachtigen zin, is verkiezend van aard, en het Evangelie is niet alleen de bekendmaking, maar ook de realiseering van den Goddelijken heilswil; bron der Godskennis en middel der genade tegelijk.

Uit reactie tegen het rationalisme wordt in de nieuwste philosophie het wezen der wereld wederom als wil, als energie en kracht opgevat. Dit is ook, zij het in zeer gewijzigden zin, de overtuiging van Calvijn geweest. God was voor hem geen toeziende voogd over zijne schepping, noch een deïstisch |16| wezen, dat in den beginne de stof met de daarin liggende kracht en wet in het aanzijn geroepen en vervolgens de gansche ontwikkeling der dingen aan zich zelve overgelaten had. Maar God was voor hem almachtige, souvereine, ondoorgrondelijke wil. Die wil wordt in alles openbaar, vooral in de verscheidenheid en ongelijkheid der schepselen, en dan nog weer nader in de zedelijke tegenstelling, welke onder de menschen bestaat en allerlei ellende des levens medebrengt. Daar is een almachtige en vrijmachtige wil, die voorrechten onthoudt, die zegeningen intrekt, die rampen en onheilen beschikt, die zelfs door zonden en ongerechtigheden heen ten verderve voert. Het baat niet, zegt Calvijn, of gij daarvoor de oogen sluit. Zóó predikt de werkelijkheid, en zoo getuigt de Heilige Schrift. Er heerscht een souvereine wil, die geene rekenschap aflegt van zijne daden; er is een ontzagwekkend besluit, dat aan deze mysterieuze wereld van ellende en jammer ten grondslag ligt.

Maar terwijl velen uit deze droeve werkelijkheid in onze dagen het besluit trekken, dat die almachtige en ondoorgrondelijke wil blind, onredelijk, onzalig moet zijn, en dat mitsdien de gansche wereld een werk der duisternis is, hetwelk in het bewustzijn von den mensch slechts voor een korten tijd tot het licht zich verheft; terwijl in deze en alle daaraan verwante wereldbeschouwingen de mensch de geneigdheid zijns harten verraadt, om zichzelf te rechtvaardigen en God van onrecht aan te klagen; gaat Calvijn met Paulus en Augustinus aan den kant Gods staan, werpt den mensch in het stof en roept, hem toe: wie zijt gij, o mensch, die tegen God antwoordt en Hem voor uw rechterstoel daagt?

En hij voegt hier terstond tweeërlei aan toe: ten eerste, daar is nergens een wil Gods werkzaam, die niets dan ellende brengt. Het kwade is geene zelfstandige macht; zonde is geen substantie, maar een bederf en misvorming van het goede; stof is evenzeer als geest een schepsel van Gods kracht. Daarom, welke ongerechtigheid en ellende de wereld ons ook te aanschouwen geve, |17| het aardrijk is nog vol van Gods goederen. Alle schepselen staan onder zijn wijs en heilig bestuur. Daar is geen deeltje en geen stukske der wereld, waarin zijne heerlijkheid niet uitblinkt. Daar is geen enkele mensch, die in volstrekten zin van alle genade Gods verstoken is. Er is eene algemeene genade, die over de gansche wereld zich uitbreidt, die de zon laat opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Door die genade deelt God weldaden aan al zijne schepselen uit, handhaaft hij in den mensch den godsdienstigen zin, het bewustzijn van goed en kwaad, het rechtsbesef, de natuurlijke liefde, en maakt hij onder de menschen eene geordende samenleving mogelijk, die op haar beurt aan een rijkdom van stoffelijke en geestelijke goederen het aanzijn schenkt.

En vooral: dat die wil Gods, zoo eindeloos verscheiden in zijne uitingen en werkingen, toch in zijn kern en wezen zaligmakende genade is, en wereld en menschheid door de duisternis heen tot het licht en door den dood heen tot het eeuwige leven leidt, dat weten wij volstrekt zeker door den persoon van Christus en door het getuigenis des Heiligen Geestes in onze eigene harten. Ondoorzoekelijk zijn dus de oordeelen des Heeren en onnaspeurlijk zijne wegen. Maar door het geloof verstaan wij, dat geen blind noodlot noch onberekenbaar toeval, maar de wil van een almachtig God en een getrouw Vader de wereld regeert.

En evenals Calvijn uit deze zekerheid der genade Gods tot zijn souvereinen, onderscheidenden wil teruggaat, zoo strekt hij zich ook voorwaarts, door de verscheidenheid van al het geschapene heen, tot het einddoel van alle dingen uit. Telkens komt in Calvijns geschriften de uitdrukking voor: coram Deo, in de tegenwoordigheid Gods. Hij stelt de gansche wereld, alle dingen, inzonderheid den mensch, rechtstreeks met God in verbinding en plaatst hen voor zijn aangezicht. Hij beziet alles in het licht der eeuwigheid en werpt over alle |18| schepselen den glans van Goddelijke heerlijkheid. De gansche wereld in al haar lengten en breedten komt in te liggen, als een organisch en harmonisch geheel, tusschen het voornemen Gods en het einddoel, dat Hij met zijne schepping beoogt. Zij is een instrument, een orgaan, een speeltuig in de hand van zijn wil voor de eere van zijn naam. In dit wereldgeheel neemt ieder schepsel en elke levenskring iijn eigen plaats in, hemel en aarde, plant en dier, mensch en engel, gezin, staat en maatschappij, beroep, wetenschap en kunst. Zij zijn alle krachtens den met wijsheid en naar verkiezing te werk gaanden wil Gods onderscheiden; zij hebben allen hun eigen natuur en wet. Maar zij zijn toch in hunne verscheidenheid één, want zij hebben alle hun oorsprong in denzelfden Goddelijken wil en zijn alle, bewust of onbewust, met of tegen hun wil, aan de verheerlijking van Gods deugden dienstbaar.

Bewust en gewillig voor de eere van Gods naam te leven, dat is het voorrecht en tevens de roeping der gemeente van Christus. Zóó heeft Calvijn zelf geleefd. Voor hem was God niet alleen een God van verre, maar ook van nabij. Hij gevoelde zijne tegenwoordigheid. Hij wandelde in het licht van zijn aanschijn. Hij wijdde zijn gansche ziel en lichaam Gode ten brandoffer, en verteerde het in zijne gehoorzaamheid. Leer en leven waren bij hem één. En zoo wilde hij, dat de Christen leven zou. Het woord moest in hem daad, de leer leven, het geloof werk worden. De Goddelijke wil, die in Christus als genade zich openbaart en door het getuigenis des Heiligen Geestes in ’s menschen bewustzijn en hart doorwerkt, moet zich voortzetten in de energie en activiteit van zijn wil. Hij mag zich niet opsluiten in zijn eigen binnenste en niet zwelgen in de zaligheid van zijn eigen gevoel; maar gelijk hij leeft uit den wil Gods, zoo moet hij zich ook uitstrekken naar het einddoel van al Gods wegen, de eere van zijn naam. Wij behooren onszelven niet toe, wij zijn Gods eigendom. Zijn wil is onze wet; gehoorzaamheid aan dien wil de eerste deugd |19| van den Christen. De goede werken zijn daarom noodzakelijk; niet om het eeuwige leven te verwerven, maar als vruchten des geloofs, als bewijzen van Gods genade, als teekenen zijner verkiezing.

Zoo verre is het er dan ook vandaan, dat deze belijdenis der verkiezing zorgelooze en goddelooze menschen zou kweeken, dat zij naar Calvijn’s overtuiging veeleer het zelfbewustzijn versterkt, in het hart den onmisbaren troost der heilsverzekerdheid uitstort, en daardoor den wil aandrijft tot inspanning van alle kracht. Het zedelijk leven ontvangt bij Calvijn de hoogste waarde, die denkbaar is; het krijgt religieuze beteekenis; het werkt in de eeuwigheid door. En de goede werken, die de Christen volbrengt, komen niet los naast elkander te staan, maar ze zijn de uitingen van één harmonisch zedelijk leven, hetwelk uit ééne bron opkomt, naar ééne wet zich richt, aan één doel dienstbaar is. Het moge een puriteinsch, soms zelf een rigoristisch karakter aannemen; de zelfverloochening en de overdenking van het toekomstige leven mogen er een al te sterk accent in ontvangen; principiëel staat het toch tegen alle ascetisme over. De afsterving van den ouden mensch heeft haar keerzijde in de opstanding van den nieuwen mensch. De Christen is een mensch Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. De kerk is de georganiseerde gemeenschap der geloovigen, die zich overal en ten allen tijde door hun heiligen wandel als Gods volk kennen doen. En einddoel van alle dingen is de heerlijkheid Gods, waaraan man en vrouw, ouders en kinderen, ambt en beroep, en alle schepselen onderworpen en dienstbaar zijn.


Dit was het hooge ideaal, hetwelk Calvijn voor den geest stond en dat hij in zijne „Institutie” in schets bracht. Maar hij liet het hierbij niet; hij trachtte dit ideaal ook te verwezenlijken, allereerst in zijn eigen persoon, en voorts in elken kring, tot welken zijn invloed zich uitbreidde. Calvijn was |20| begiftigd met een scherp, doordringend verstand, met een sterk en trouw geheugen, met een brandenden hartstocht, maar ook met een vasten, doortastenden wil. Hij was eene wilsnatuur, een man der kracht en der daad, een beheerscher der geesten. Klaarheid en kracht waren op zeldzame wijze in hem vereenigd. En in Genève werd hem de ongezochte gelegenheid geboden, om deze talenten aan den dag te leggen en zijn ideaal om te zetten in werkelijkheid.

Eerst trad hij bescheiden op en achter Farel terug. Maar langzamerhand kwam hij door de beteekenis zijner persoonlijkheid vanzelf op den voorgrond te staan. Hij gaf eene confessie in 21 artikelen, die door alle burgers van Genève bezworen moest worden; hij stelde een Catechismus op ter onderwijzing der jeugd; hij maakte door prediking en voorlezing zijne hoorders bekend met den ganschen inhoud der H. Schrift, ook met dien van het Oude Testament; en hij voerde eene kerkorde in, waarnaar het gemeentelijk leven zich te regelen had.

Maar hij stuitte bij deze reformatie spoedig op heftigen tegenstand. Zelfs werd deze oppositie zoo sterk, dat hij nog geen twee jaren na zijne komst, den 23sten April 1538, met Farel van zijn ambt werd ontzet en enkele dagen daarna uit de stad verbannen werd. Calvijn ging toen, op aandrang van Bucer, naar Straatsburg en werd daar leeraar van de Fransche gemeente. Spoedig voelde hij zich in zijn nieuwen werkkring tehuis. Met buitengewonen ijver wijdde hij zich aan zijne taak, aan bediening des Woords en uitlegging der H. Schrift, aan huisbezoek, tucht en armenzorg, aan bestrijding der Wederdoopers, van wie hij er velen voor zijne denkbeelden won, en aan bestudeering van de vele godsdienstige en staatkundige vraagstukken van dien tijd. Het verblijf in Straatsburg was in velerlei opzicht nuttig voor Calvijn. Hij vond er niet alleen in Idelette van Buren eene zachtmoedige gade, die negen jaren lang, tot aan haar dood in 1549 toe, hem trouw ter zijde |21| stond en aan wie hij zich met teedere liefde verbonden gevoelde. Maar Straatsburg nam in het Duitsche rijk eene aanzienlijke plaats in, en vormde het centrum van het Gereformeerd Protestantisme. Het bezat eene groote, bloeiende gemeente, eene uitnemende voorbereidende en hoogere school, en in Sturm en Bucer, Capito, Hedio en anderen eene schare van mannen, die de zaak der Hervorming met hart en ziel waren toegedaan en haar dienden met onbezweken trouw.

Van Straatsburg uit werd Calvijn ook in de gelegenheid gesteld, om aan de belangrijke godsdienstgesprekken in Hagenau, Worms en Regensburg deel te nemen en met de Duitsche vorsten en hervormers, o.a. met Melanchton, persoonlijk kennis te maken. Hier kon hij beter dan in Genève zich op de hoogte stellen van den stand der Reformatie in gansch Europa en van de houding, welke de politieke machten tegenover haar aannamen. Hier breidde zijn blik over de gansche Christenheid zich uit, werd hij doordrongen van de gedachte dat er voor de Hervorming niets noodzakelijker was dan eenheid en samenwerking, en werd hij gevormd tot den Reformator, die niet aan één stad en aan één land, maar aan het gansche Protestantisme toebehoorde.

Verrijkt in kennis en ervaring, keerde Calvijn na ruim drie jaren naar Genève terug. Want hier hadden de toestanden kerkelijk en politiek zich zóó ontwikkeld, dat zijn terugkeer algemeen en dringend begeerd werd. Na eenige aarzeling gaf Calvijn aan dat verlangen gehoor; den 13den September 1541 trad hij de stad weer binnen, die hem uitgebannen had, maar nu ten volle in zijne eer hersteld, versterkt in zijne positie en vaster dan ooit besloten tot verwezenlijking van zijn ideaal. Hij begon gematigd en grootmoedig, maar hield toch het groote doel voor oogen, dat de gemeente van Christus een volk Gods moest zijn, hetwelk het gansche leven in te richten had naar den eisch van zijn woord. Er werd eene nieuwe, |22| strengere kerkorde ingevoerd. Een consistorie werd ingesteld, bestaande uit de predikanten der stad met twaalf door den magistraat gekozen oudsten, dat te waken had over den godsdienstigen en zedelijken wandel der burgers, hen door verschillende tuchtmaatregelen (vermaning, openbare schuldbelijdenis, kerkelijke ban) in het rechte spoor had te houden, maar geene burgelijke straffen uitspreken noch opleggen kon. De kerk ontving dus bij Calvijn een eigen terrein en eene zelfstandige taak; zij had als eene gemeenschap der geloovigen nog eene andere roeping te vervullen, dan die van zuivere prediking des woords; zij moest ook eene gemeente zijn, die door den dienst van het ouderlingschap de tucht over al hare leden handhaafde en door het diaconale ambt barmhartigheid te bewijzen had aan alle armen en kranken.

Maar daarnaast kreeg ook de overheid de roeping, om in heel haar wetgeving, regeering en rechtspraak de eere Gods te bevorderen. Reeds in de voorrede van de „Institutie”, aan Frans I gericht, sprak Calvijn de overtuiging uit, dat de koning een dienaar Gods is, die tot zijne eer regeeren moet en door zijn woord zich moet laten leiden. In de „Institutie” zelve maakt hij wel onderscheid tusschen kerk en staat als tusschen ziel en lichaam; maar beide worden toch weer nauw verbonden en zijn aan hetzelfde einddoel dienstbaar. De staat heeft een eigene sfeer, heeft geen autoriteit in geloofszaken en geen macht over de gewetens; maar toch moet ook hij op zijne wijze arbeiden aan de komst van het Godsrijk, de zuivere leer handhaven, de ware kerk beschermen, alle afgoderij beletten en voor de naleving waken zoowel van de eerste, als van de tweede tafel der wet. Dienovereenkomstig werd ook de burgerlijke regeering in Genève herzien; eene nieuwe rechtsspraak werd ingevoerd, die alle overtreders met groote gestrengheid te straffen had. Voor alle ambten en posten werden uitvoerige reglementen opgesteld; huwelijk en huisgezin, arbeid en ontspanning, zeden en gewoonten werden onder opzicht en |23| tucht gesteld; het gansche leven werd tot in bijzonderheden door de wet geregeld en aan het gezag der burgerlijke en kerkelijke overheid onderworpen.

Nu was men in de eeuw der Hervorming aan eene patriarchale zorg der overheid en aan allerlei diep in het leven der burgers ingrijpende maatregelen van tucht wel gewend; de vrijheden des volks en de rechten van het individu kwamen eerst later tot ontwikkeling. Maar toch bleef de oppositie tegen het regime, dat Calvijn in Genève wilde invoeren, niet uit. Bij het streven, om zijn ideaal te verwezenlijken, had hij veler verzet te breken. Hij moest strijd voeren tegen zulken, die van deze strengheid des levens niet gediend waren, en, voor een deel onder de bekoring van een pantheïstisch libertinisme, wilden wandelen naar het goeddunken van hun hart (Ameaux, Gruet). Hij moest den tegenstand vernietigen van oude, aristocratische familiën (Perrin, Favre, Berthelier), die hare vroegere, eervolle positie behouden en aan het gezag van den vreemden indringer zich niet onderwerpen wilden. Hij had tegen Caroli zelfs zijne rechtzinnigheid, en tegen mannen als Castellio, Bolsec, Trolliet, de waarheid van zijne praedestinatieleer te verdedigen. Ernstig was vooral de strijd, waarin hij met den Spanjaard Michael Servet gewikkeld werd. Want deze ging verder dan eenig ander dwaalleeraar van dien tijd en loste heel het Christendom in een neoplatonisch pantheïsme op. Nadat hij in de Roomsche stad Vienne aan eene veroordeeling tot den dood door de vlucht ontkomen was, begaf hij zich in onbegrijpelijke verblinding naar Genève en liep daar als met opzet zijn verderf tegemoet. Want hier werd hij terstond na zijne komst in de stad gevangen genomen, van ketterij, Godslastering en beleediging van Calvijn aangeklaagd, en ruim twee maanden later, den 27sten October 1553, levend verbrand. Zoo was het leven van Calvijn, althans tot het jaar 1555 toe, één voortdurende strijd; de hervorming van Genève kwam niet dan na eene lange en bange worsteling tot stand. |24|

Daar is geen twijfel aan, dat Calvijn bij het streven naar de verwezenlijking van zijn ideaal menigmaal de gebreken van zijne deugden aan den dag gelegd heeft. Ofschoon hij, bijvoorbeeld blijkens zijn antwoord aan kardinaal Sadoletus, uiterst beleefd en vriendelijk kon zijn, in den regel duidde hij zijne tegenstanders toch met allerlei smaadwoorden aan en kwam de gedachte aan hunne goede trouw nooit bij hem op. Door zijne prikkelbare en heftige natuur — hij sprak zelf eens in een brief aan Bucer van het wilde dier van zijn toorn — liet hij zich niet zelden tot woorden en daden verleiden, die den toets der Christelijke liefde niet kunnen doorstaan. Zijne heftigheid en gestrengheid vonden menigmaal ook bij zijne vrienden afkeuring, en verwijderden menschen van hem, die hij waarschijnlijk met zachtheid had kunnen winnen. De zucht, om heel het leven door wetten en reglementen te beheerschen, liet al te weinig ruimte over voor de geestelijke werking van het woord en voor de vrijheid der conscientie. De grens tusschen consistorie en raad, tusschen kerk en staat, tusschen beider werkzaamheid en straf, was onzuiver getrokken, zoodat er voortdurend gevaar van botsing bestond. Calvijn heeft door de heftigheid van zijne hartstochten aan zijn eigen naam niet alleen, maar ook aan de zaak, die hij voorstond, geene geringe schade toegebracht. In weerwil van alle verontschuldigingen, die kunnen worden aangevoerd, hoe schrikkelijk heeft de ééne brandstapel van Servet in de nagedachtenis van Calvijn en in de geschiedenis van het Calvinisme zich gewroken!

Maar dit is zeker, bij dit alles heeft Calvijn nooit zichzelven gezocht. Indien hij in de Roomsche kerk gebleven ware, zou hem ongetwijfeld eene schitterende loopbaan beschoren zijn geweest. Zijne rustige studie in Bazel en later zijn aangenamen en gezegenden arbeid in Straatsburg gaf hij prijs voor de roepstem van Genève, waar miskenning, smaad en verguizing ruimschoots zijn deel zouden zijn, maar hij deed het, omdat hij in die roepstem den wil des Heeren zag. Toen |25| Frans I de geloovigen in Frankrijk vervolgde onder het voorwendsel, dat zij aan politieke muiterijen zich schuldig maakten, verbrak Calvijn het stilzwijgen; stilzwijgen ware naar zijn eigen woord trouweloosheid geweest. Meermalen gebruikte hij het beeld van een hond, die blaft, wanneer men zijn meester aanvalt; en zoo trouw heeft inderdaad Calvijn zijn Heiland en Koning gediend. Geld had naar het getuigenis van paus Pius II nooit eenige waarde voor hem; een groot gedeelte van zijn inkomen als predikant besteedde hij voor de ondersteuning van behoeftigen en voor de uitbreiding van de zaak des Evangelies; bij zijn sterven liet hij, alles saamgenomen, aan waarde niet veel meer dan een vierduizend gulden na. Voor het aangezicht van een mensch heeft hij, als zijn leerling Knox, nooit gevreesd, en aanzien des persoons heeft hij nimmer gekend. Het was, alsof hij altoos leefde in de tegenwoordigheid Gods. Soms hield hij midden in een gesprek plotseling op, nam met de eene hand de muts van het hoofd, wees met de andere ten hemel en uitte dan de weinige woorden: alles ter eere Gods! Daar zijn weinig menschen geweest, die, zooals Calvijn, bestendig doordrongen waren van de vreeze des Heeren en zoo volkomen hun gansche leven en denken en arbeiden aan zijn dienst hebben toegewijd. Hij werd verslonden door den ijver voor Gods huis.


Door deze voorbeeldelooze toewijding, gepaard met eene ongeloofelijke werkkracht, heeft Calvijn van het eertijds zoo lichtzinnige Genève eene modelstad der Reformatie gemaakt, wier godsvrucht en reinheid van zeden alom werd geprezen. Van heinde en ver kwamen de vreemdelingen, om van dit wonder schouwspel getuigen te zijn, en door Calvijn in de beginselen en bedoelingen der Reformatie te worden ingeleid. Calvijn was zelf een vreemdeling in de stad zijner woning — hij liet zich eerst den 25sten December 1559 als haar burger inschrijven, — maar zij trok hem aan, omdat zij eene „vrijstad” |26| was, op het kruispunt lag van Frankrijk, Zwitserland en Italië, en een middelpunt worden kon voor heel de reformatorische beweging. En dat werd zij ook inderdaad onder de leiding van Calvijn; hij was niet alleen getrouw in het kleine, zoodat niets aan zijne aandacht ontsnapte, maar hij was daarbij ook buitengewoon veelzijdig. Zijn verblijf in Straatsburg had zijn gezichtskring verruimd en zijne betrekkingen uitgebreid; zijn streven en werkzaamheid kreeg na dien tijd meer en meer een internationaal karakter; het was hem eigenlijk om niets minder dan de reformatie der gansche Christenheid te doen.

Genève werd daarom voor Calvijn de wachttoren, vanwaar hij heel de godsdienstige en staatkundige beweging zijner dagen overzag. Rusteloos bleef hij de Roomsche kerk bestrijden; met fijne ironie en bijtenden spot stelde hij hare dwalingen en dwaasheden, bijvoorbeeld in het vereeren der reliquiën, in het licht. Tegen de Wederdoopers, de Libertijnen en de bestrijders van de leer der praedestinatie trok hij telkens weer het harnas aan. Door woord en geschrift, door leer en voorbeeld, door gesprek en correspondentie, door duizenden preeken en door eene gezonde, zaakrijke en beknopte uitlegging van schier alle boeken des Ouden en des Nieuwen Testaments was hij de geestelijke raadsman en leider van de Hervorming in bijna geheel Europa. Hij bevorderde de belangen van de vervolgde Christenen en spoorde de gevangenen en de martelaren tot getrouwheid en standvastigheid aan. Hij was een tegen stander van het actieve verzet tegen de overheid, maar keurde toch het optreden der Hugenoten in Frankrijk na 1562 goed en stond hun bij met raad en met daad. Hij verheugde zich over de Hervorming, welke in Engeland onder Eduard VI tot stand kwam, en nam met zijne gansche ziel deel in de vervolging, welke daarna onder de bloedige Maria tegen haar uitbrak. Hij onderhandelde met den Koning van Polen over eene daar ter hand te nemen reformatie, en correspondeerde met broederen uit Boheme over verschillende zaken des |27| geloofs. In de Nederlanden telde hij vele trouwe leerlingen en oefende hij door zijne geschriften en door rechtstreeksche adviezen grooten invloed uit. Met de voornaamste mannen in het werk der Reformatie was hij persoonlijk bekend of stond hij in briefwisseling. Van zijne omvangrijke correspondentie zijn nog honderden brieven bewaard, en deze doen niet alleen de veelvuldige relatiën kennen, welke Calvijn met Lutherschen en Gereformeerden, met aanzienlijken en geringen, met vorsten en vorstinnen onderhield; maar zij leggen ook een schoon getuigenis af van zijn warme hart, zijne teedere vriendschap, zijn innig meeleven, zijne aanhankelijkheid en zelfverloochening, zijne rijke kennis en wijsheid.

Van de buitengewone wils- en werkkracht van dezen man kan men zich haast geene voorstelling maken. Calvijn werd maar 55 jaren oud en had met veel tegenspoed, krankheid en pijn te worstelen; smartelijke beproevingen in zijn huiselijk en in zijn familieleven, teleurstellingen met zijne vrienden, lasteringen door zijne vijanden waren ruimschoots zijn deel. Maar Calvijn woekerde met den tijd; zijne nachtrust was beperkt, zijne leefwijze eenvoudig en sober; hij eischte niets voor zijn eigen genot, kende schier geene behoeften, en bracht zijn geest en zijn lichaam tot volkomen dienstbaarheid. Zijn leven was Christus gewijd en droeg daarom rijke vrucht; toen zijn eenig kind korten tijd na de geboorte in 1542 gestorven was en men daarin een oordeel Gods zag, kon hij zich troosten met de gedachte, dat God hem vele geestelijke kinderen geschonken had over heel de wereld heen.

Bij dien internationalen arbeid spreidde Calvijn eene ruimte van hart, eene zucht naar eenheid en vrede, eene toegefelijk heid en inschikkelijkheid ten toon, welke gewoonlijk niet van hem verwacht worden en daarom te weldadiger aandoen Daar was geen Hervormer met ruimer blik en breeder horizon dan de Hervormer van Genève. In 1537 weigerde hij tegenover Caroli zich te binden aan de woorden en termen in de |28| geloofsbelijdenis van Athanasius. Toen bij predikant te Straatsburg was, sloot hij bij de orde en liturgie der Fransche gemeente zich aan en onthield zich van het invoeren van nieuwigheden. Tegenover Karel V betoogde hij in 1544 de noodzakelijkheid, dat alle Protestanten zich moesten aansluiten tot afwerping van het pauselijk juk en tot bescherming der ware religie. In zijn antwoord op het Interim van 1549 trad hij op als woordvoerder en verdediger van het gansche Protestantisme. De Zwitsersche kerken wist hij op het punt van de avond maalsleer te vereenigen in den Consensus Tigurinus (1549). Hetzelfde beproefde hij ten aanzien van de Lutherschen, maar dezen beloonden, vooral sedert het optreden van Westphal in 1552, zijne edele pogingen met grooten ondank en wezen ze op ruwe wijze van de hand.

Toch koesterde Calvijn voor Luther steeds de hoogste achting; hij eerde hem als een uitnemenden dienstknecht Gods; en met Melanchton bleef hij, niettegenstaande diens weifelende houding, tot aan zijn dood bevriend. Hij onderteekende zelf in Worms de Augsburgsche confessie en nam ook later haar verdediging op zich, mits hij ze, in haar veranderden vorm, mocht uitleggen naar de meening van zijn opsteller. De Fransche uitgave van het dogmatisch leerboek van Melanchton voorzag hij van eene voorrede, waarin hij wel zijn eigen gevoelen over de praedestinatie handhaaft, maar toch met groote waardeering van het werk van den Duitschen Hervormer spreekt en het met warmte aanbeveelt. Zijne leer over de praedestinatie draagt hij, waar hij ze niet tegenover bestrijders te verdedigen heeft, met groote omzichtigheid voor; in den Catechismus Genevensis onderstelt hij ze meer, dan dat bij ze uiteenzet. Voor twist over ondergeschikte punten en voor daaruit voortvloeiende scheuring was hij zeer bevreesd; hij kwam er ten sterkste tegen op, dat men de kerk om eenige afwijking in leer of leven verlaten zou, zoolang zij aan de voornaamste waarheden des geloofs nog vasthield. Aan de Poolsche en Engelsche kerken gunde hij eene regeering, die op meer dan één punt van de presbyteriale |29| inrichting afweek. Ofschoon hij niets liet vallen van den eisch van Gods woord en zeer streng tegen de zoogenaamde Nicodemieten optrad, hij was toch zacht tegenover zwakke broeders, en lichtte hen gaarne en met groot geduld over allerlei vraagstukken in. Jegens zijne vrienden kenmerkte hij zich, gelijk zijne brieven bewijzen, door eene groote openhartigheid, maar zijn soms al te spoedig geschonken vertrouwen werd later niet zelden beschaamd en misbruikt. Het was eene rijke verkwikking voor zijn hart, dat anderen hem trouw bleven ten einde toe en zijn werk, nadat hij gestorven was, bleven voortzetten in zijn geest.


Want de grootste en rijkste zegen is op Calvijns arbeid eerst na zijn dood geschonken. Hij zelf is den 27sten Mei 1564 des avonds te acht uren in vrede ontslapen, nadat hij reeds eene maand te voren op plechtige wijze met treffende toespraken van de leden van den raad en van de predikanten afscheid genomen had. Maar zijn geest leefde voorten zijne beginselen werkten door. En waar Calvijn door woord of geschrift, rechtstreeks of door zijne leerlingen ingang vond, daar heeft hij allerwege, bij het volk in al zijne rangen en standen, op bewonderenswaardige wijze het zelfbewustzijn gewekt en door het vertrouwen op God het zelfvertrouwen versterkt. Er heerschte in dien tijd veel twijfel en onzekerheid. Het geloof in de kerk, in de geestelijkheid, in den godsdienst, in de realiteit der onzienlijke dingen was geweldig geschokt; spot was er gekomen in plaats van eerbied en ontzag, en de jammerlijke verdeeldheid en twist der Protestanten had vele ernstige gemoederen weder van de Reformatie vervreemd.

Maar toen is Calvijn gekomen en heeft door zijn woord en zijn voorbeeld weder geloof en geestdrift in de harten uitgestort, de overtuiging aangaande de eeuwige dingen vastgezet, en het leven, ook van den geringsten mensch, wederom de moeite van het leven waard gemaakt. Want het besef, voorwerp van Gods eeuwige, |30| onveranderlijke en almachtige liefde te zijn en daarvan vast en onomstootelijk verzekerd te wezen door het getuigenis des H. Geestes in het hart, dat besef hief uit de verslagenheiden vertwijfeling op, lijfde in de gemeenschap van alle uitverkorenen in, en stelde tot groote daden, zoowel van wereldverloochening als van wereldverovering, in staat. Calvijn was zelf een karakter, belijnd en beslist, en hij heeft door zijne leer en zijn leven karakters gevormd. In een tijd, waarin de maatschappij langzamerhand tot ontwikkeling kwam, heeft hij noch despotisch noch hierarchisch haar van zich gestooten; maar hij heeft haar de hand gereikt en ze in de vaste banen van het Goddelijk woord geleid. De Reformatie, die van Genève uitging, sloot als het ware een verbond tusschen de jonge burgerij en het van allerlei Middeleeuwsche dwalingen gezuiverde Evangelie. Terwijl Luther, zoo heeft men niet ten onrechte gezegd, met zijn ééne been in het verleden en met het andere in het heden stond, heeft Calvijn zijn éénen voet in het heden en den anderen in de toekomst geplaatst. Zich enger bindende aan de Schrift, was hij zelfstandiger tegenover de traditie en zag hij verder de toekomst in.

Dat kwam allereerst bij zijne hervorming van de kerk uit. Calvijns werkzaarnheid in Genève en naar buiten was vóór alle dingen op het herstel der kerk overeenkomstig de instelling van Christus gericht. Voor de zelfstandigheid der kerk, voor de onafhankelijke uitoefening harer tucht, voor de zuiverhouding van de bediening van woord en sacrament heeft hij jaren lang een zwaren, maar zegenrijken strijd gevoerd. Doch bij die kerk denkt Calvijn niet alleen aan de ambten en hunne dragers, aan de kerk als instituut, maar hij ziet aanstonds in haar ook de vergadering der ware Christgeloovigen, die door hun belijdenis en wandel moeten bewijzen Gods volk te zijn, en die zelven allen met Christus gezalfd zijn tot profeten, priesters en koningen. De kerk is voor Calvijn tegelijk en in éénen moeder en gemeenschap der geloovigen. Terwijl Luther |31| deze kostelijke gedachten later min of meer verwaarloosd heeft, de reformatie der kerk steeds meer tot herstel van het predikambt beperkte en hare regeering aan de overheid afstond, leidde Calvijn uit het Koningschap van Christus de zelfstandigheid zijner gemeente af, zoodat geen koning en geen priester over haar heerschappij voeren mocht. Daardoor hief hij de geloovigen uit den smadelijken toestand van onmondige leeken op, maakte hij de belijdenis tot hun aller persoonlijk, geestelijk eigendom — ieder kon in Genève, zoo zeide men, rekenschap geven van zijn geloof, als een doctor der Sorbonne, — en bereidde hij hare presbyteriale en synodale regeering voor.

Calvijn zag in de kerk nog iets anders en meer dan eene gemeenschap, die des Zondags onder de prediking bijeenkwam; zij werd onder zijne leiding eene samenleving, die ook in de week haar invloed naar binnen en naar buiten gelden deed. Het predikambt was maar één van de ambten; daarnaast bestond het ouderlingschap, dat, ook door persoonlijk huisbezoek, opzicht en tucht te oefenen had; het diakenambt, dat barmhartigheid bewijzen moest aan alle armen en kranken; en het doctorenambt, dat de waarheid te ontwikkelen, te verdedigen en te onderwijzen had. En ten bewijze als het ware van deze zelfstandigheid, schafte Calvijn de koren af en legde der gemeente het psalmgezang op de lippen, dat weldra, niet alleen in de kerkgebouwen, maar ook in de woningen, in de werkplaatsen, op de akkers, in de schuren en op de velden weerklonk.

Van dezelfde werking was Calvijns invloed op den staat. Calvijn was geen democraat in de nieuwere beteekenis van dat woord; de gelijkheidstheorie van het socialisme is met zijn belijdenis van de praedestinatie, als wortel van alle differentiatie onder de schepselen, in lijnrechten strijd, en de souvereiniteit van het volk was voor hem een godslasterlijk en ongerijmd begrip. Calvijn wilde, dat staat en kerk, schoon onderscheiden in oorsprong, wezen en roeping, toch vereenigd zouden samenwerken tot de eere van Gods naam; naast het wapen van Genève |32| werd ten zinnebeeld daarvan op de openbare gebouwen der stad, op de munten en vaandels, het monogram van Christus aangebracht. En wat den staatsvorm aangaat, gaf hij duidelijk zijne voorkeur te kennen voor eene aristocratisch geregeerde republiek, waarin de macht van de hooge overheid door de stem van het volk, en dan bepaaldelijk door de lagere magistraten, en de invloed van het volk wederom door de leiding van de overheid getemperd werd.

Maar daardoor werkte hij toch weer de zelfstandigheid der burgerij, het vrijheidsbesef bij het volk in de hand. Aan de onderdanen stortte hij een aan de belijdenis der verkiezing ontleend gevoel van eigenwaarde in, dat zich met de Anabaptistische lijdelijkheid, met het weerloos zich laten slachten als schapen, niet verdragen kon. Terwijl de Lutheranen allengs van alle verzet afzagen, en bijvoorbeeld in Oostenrijk onder keizer Ferdinand zonder noemenswaard martelaarschap in den schoot der Roomsche kerk zich lieten terugleiden, heeft Calvijn het volk in den staat zoowel als in de kerk tot zelfbewustheid gebracht, en hen doordrongen van de gedachte, dat het volk er niet om de overheid, maar de overheid er om het volk is. Gelijk Calvijn zelf kerkhervormer èn staatsman was, die, als een David weleer, uit nederigen staat geroepen werd, om een heraut en dienaar van zijn Evangelie te zijn, zoo heeft hij in zijne volgelingen tegelijk met de religieuze overtuiging, den politieken zin ontwikkeld en daarin een onoverwinlijk bolwerk der staatkundige vrijheid gesticht. De Hugenoten in Prankrijk, de Puriteinen in Engeland en Schotland, de Geuzen in ons eigen land hebben aan de beginselen van Calvijn het recht, den moed en de kracht tot hunne heldhaftige worsteling ontleend.

En niet minder zegenrijk was Calvijns werkzaamheid, voor heel het maatschappelijk leven. Er was in hem, evenals in Zwingli, een machtige, sociale trek. Niet alleen is deze beteekenis van de Zwitsersche Reformatie reeds lang ingezien en |33| erkend, maar in den laatsten tijd is zelfs de bewering uitgesproken, dat zij in niet geringe mate het kapitalisme van onze eeuw bevorderd heeft. Indien echter bij dit woord gedacht wordt aan den kapitalistischen, mamonistischen geest, die alleen op het verwerven van aardsche schatten gericht is, danisdeze gezindheid met het Evangelie en met de door Calvijn gezuiverde belijdenis in onverzoenlijken strijd. De Gereformeerde confessie is niet materialistisch, maar idealistisch en ethisch van aard. Calvijn heeft evenals de kerk en den staat, zoo ook de gansche maatschappij aan de eere Gods onderworpen en aan zijn koningschap dienstbaar gemaakt; met name gaf hij aan het beroep een godsdienstigen grondslag, waarvan het niet dan tot eigen groote schade kan worden losgemaakt.

Daarentegen, kapitaal op zichzelf is evenmin als eenige andere gave Gods een vloek of eene schande. De Hervorming heeft juist het profaan karakter, dat de Middeleeuwen aan heel het natuurlijk leven hadden ingedrukt, wederom weggenomen en allerwege het recht en de waarde van dit natuurlijk leven hersteld. Luther is waarschijnlijk de eerste geweest, die het Grieksche woord bij Paulus door beroep heeft vertaald. Zooals in de kerk de gemeente en in den staat het volk door de Reformatie tot zelfbewustzijn kwam, zoo zijn ook in de maatschappij het huwelijk en het gezinsleven, het beroep en de arbeid door haar in hunne eere hersteld. Calvijn met name heeft over al het aardsche den glans van Goddelijke heerlijkheid uitgegoten en het gansche natuurlijke leven in het ideale licht der eeuwigheid geplaatst. Hij nam kapitaalrente in bescherming, verdedigde het recht van den handel, noemde kunst, wetenschap en wijsbegeerte rijke gaven Gods, richtte zelf in Genève eene school voor letterkundige, wijsgeerige en godgeleerde studiën op, en wist tusschen het aardsche en het hemelsche beroep een innig verband te leggen. Dat verband moge thans voor ons onvoldoende zijn, in Calvijns dagen was het eene reformatorische daad bij uitnemendheid, die zegenrijk in hare |34| gevolgen is geweest. Want daardoor zijn tal van burgerlijke en maatschappelijke deugden tot ontluiking en bloei gebracht. Huiselijkheid, reinheid, arbeidslust, vlijt, trouw, zin voor orde, matigheid, eenvoud, spaarzaamheid zijn in alle landen door Calvijn gekweekt; de welvaart des volks is door de kracht, die van zijne beginselen uitging, verhoogd. Tot op den huidigen dag toe werken deze deugden in de Protestantsche volken, in onderscheiding van de Roomsche landen, en bij de Gereformeerde belijders nog weer sterker dan bij de Luthersche na.

Wat lof men nu dan ook aan Calvijn op den vierhonderdsten gedenkdag van zijne geboorte moge toebrengen, en welk gedenkteeken men in Genève of elders voor hem moge oprichten, — de schoonste en duurzaamste eerezuil heeft hij zich zelf gesticht in het hart en het leven van zijne talrijke, geestelijke nakomelingschap. En deze kan haar voorganger en leidsman niet beter eeren dan door te belijden met hart en mond, met woord en daad: uit en door en tot God zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004