Blijven of heengaan?

Een vraag en een antwoord

door Dr. H. Bavinck

Kampen, — G.Ph. Zalsman — 1902

a





1. Vóór de Synode

De poging, om eenheid in de opleiding te verkrijgen, is voor de vijfde maal mislukt.

In 1888 wilde men van de zijde der Ned. Geref. kerken ze in dezen weg tot stand trachten te brengen, dat de Theol. School, nadat de kerken vereenigd waren en een behoorlijk zeggenschap over de Theol. Faculteit der Vrije Universiteit ontvangen hadden, naast deze Faculteit dienst zou doen als kerkelijk seminarie voor de practische opleiding.

In 1893 werd in de Concept-regeling voorgesteld, om beide inrichtingen naast elkaar te laten bestaan, maar ze zooveel mogelijk tot eenheid te brengen in de personen der hoogleeraren.

In 1896 kwam een voorstel ter Synodale tafel, dat geen vereeniging of samenwerking of ineensmelting, maar alleen eene gelijkmaking der beide Scholen in studie, vakken en examina bedoelde.

In 1899 werd beproefd, om de Theol. School te laten optreden als Theol. Faculteit en als zoodanig in verband te zetten met de geheele Universiteit.

In 1901 zocht men Theol. School en Theol. Faculteit te vereenigen tot ééne inrichting, die tegelijk School der |6| kerken en Faculteit der Universiteit was. En thans staan wij na ongeveer vijftienjarigen arbeid, naar het schijnt, nog even ver als aan het begin. Het is, alsof er in deze zaak een oordeel op onze kerken rust.

Toch liet het zich zoo nu en dan aanzien, dat thans in het begin dezer nieuwe eeuw de zoo hoognoodige eenheid verkregen zou worden.

Nadat en hoewel de Synode te Groningen de School gehandhaafd en bevestigd had, bleek dit weldra aan velen niet te behagen. Ruim een jaar na die Synode wierp de Heraut van 4 Nov. 1900 het denkbeeld op, dat Curatoren en Professoren van beide inrichtingen nog eens saam zouden komen, om een plan van ineensmelting der beide opleidingsscholen te ontwerpen.

De classis Zutfen greep dit denkbeeld haastig aan, maakte er een voorstel van en gaf aan de Curatoren en Professoren beiderzijds in ernstige overweging, om een conferentie saam te roepen en het vraagstuk zooveel mogelijk principiëel tot eene oplossing te brengen. Andere classes, Breukelen, Amersfoort, Tiel enz. volgden; alleen de classis Groningen ried eene nieuwe proefneming tot vereeniging af.

Wijl de kerken voorgingen, kwam ook de toenmalige hoofdredacteur van de Bazuin er toe, om het denkbeeld eener conferentie te steunen, hoewel hij er niet veel verwachting van had (Bazuin 18 Jan. 1901 en 1 Febr. 1901): Maar men kon nooit weten. Het scheepke, dat Dr. Bavinck in 1899 van stapel had laten loopen, was spoedig op de klip van de Heraut gestrand. Maar nu ging het denkbeeld van dit weekblad uit; misschien was men thans van die zijde wel tot grooter concessies dan vroeger bereid. Ten slotte gingen dan ook, hoewel niet zonder bezwaar, alle Curatoren en Professoren mede. Niemand had den moed, om zich te blijven plaatsen op het standpunt der Synode |7| van Groningen. Allen stemden er, zij het ook aarzelend, in toe, om nogmaals eene poging tot vereeniging te beproeven.

Ofschoon de eerste conferentie, 2 April 1901 te Kampen, gehouden, weinig goeds voorspelde, gelukte het toch op de tweede conferentie te Utrecht, 10 Sept. 1901, de zeer uiteenloopende gevoelens tot overeenkomst te brengen. Er kwam een gemeenschappelijk advies tot stand. Op de volgende conferenties werd echter door het indienen van allerlei amendementen die overeenkomst weder op eene zware proef gesteld. Het vertrouwen, dat over en weer met moeite gewonnen was, werd opnieuw geschokt; de aanvankelijke geestdrift gebluscht; het gemeenschappelijk accoord verbroken. Resultaat was ten slotte, dat enkele broederen weigerden, het Concept-Contract, te onderteekenen, en dat anderen er weinig sympathie voor gevoelden en er zwakke hope op bouwden.

Door de verschillende amendementen en vooral ook door de op de laatste conferentie, 13 Ferbr. 1902, aangebrachte splitsing tusschen artikelen, die in het Contract werden opgenomen, en adviezen en mededeelingen, die er los aan toegevoegd werden, had het voorstel groote schade geleden.


Prof. Lindeboom had zich allengs geheel aan het bijwonen der conferentie onttrokken en begon in Maart dezes jaars een Bijblad bij zijn maandschrift: Wat zegt de Schrift? uit te geven, waarin hij het Concept-Contract aan eene ernstige kritiek onderwierp en met alle kracht bestreed.

Prof. Noordtzij maakte ten deele reeds op de laatste conferenties en later breeder in de Bazuin van 21 Maart 1902 zijne bezwaren bekend. Deze gingen vooral tegen de scheiding van artikelen in en adviezen buiten het Contract, tegen het ontbreken eener besliste verklaring van Art. 2 der Statuten van den kant der Vereeniging voor H.O., |8| en vooral ook tegen de ieder jaar mogelijke opzegbaarheid en dus de onvastheid van het Contract. Hij noodigde zelfs allen, die zijne bezwaren deelden, uit tot eene samenkomst te Utrecht tegen 9 April. En deze vergadering keurde om principieele, zakelijke en practische redenen het Concept-Contraet af en sprak de verwachting uit, dat de kerken het zouden verwerpen. Voorts oordeelde zij alleen zulk eene eenheid van opleiding aannemelijk, waarbij het recht en de vrijheid der kerken en hare eigene opleiding onverzwakt werden gehandhaafd. Maar uit de later bij den Heer. Zalsman te Kampen in het licht gegeven Conclusiën met Toelichting bleek niet duidelijk, wat de vergadering zelve dan positief wilde. In deze brochure werd wel menigmaal de naam van Dr. Bavinck genoemd, en zijne geschriften uit 1899 aangehaald. Maar zijn voorstel uit dat jaar werd niet overgenomen. Veeleer werd op bl. 19, 20 het denkbeeld aan de hand gedaan, om Theol. School en Theol. Faculteit, hetzij al dan niet op ééne plaats, zoo te laten samenwerken, dat de eerste diende voor opleiding tot het candidaats-, en de tweede voor opleiding tot het doctoraal examen.

Maar dit denkbeeld vond nergens steun. Geen enkele classis of provincie nam het over. En ook ging geen enkele classis of provincie naar het voorstel-Bavinck van 1899 terug. Dit is van beteekenis. Men wist dus in het geheel niet, wat de bezwaarde broeders positief en concreet verlangden, dan alleen in het algemeen, dat het zeggenschap der kerken en het voortbestaan der Theol. School nog beter dan in het Concept-Contract verzekerd moesten worden.

In dien geest lieten ook de provinciën zich uit. Zij wilden allen eenheid van opleiding. Zij drongen aan op een nieuw ontwerp (Zeeland, N. Brab., Overijsel), of op zoodanige wijzigingen in het Concept-Contract, dat de rechten der kerken en het voortbestaan der School in de |9| vereenigde inrichting nog beter gehandhaafd en gewaarborgd werden (Geld., Utr., N.-H., Z.-H., Fr., Gron., Dr.). Daarbij waren zij voor het meerendeel zeer voorzichtig, wilden rekening gehouden hebben met de minderheid, en lieten het voorts aan de Synode over, om al dan niet tot vereeniging van beide Scholen over te gaan.

In deze door de kerken algemeen aangegeven richting bewoog zich ook de Bazuin. Inzonderheid in de laatste nummers, die van 18 Juli tot 8 Aug. en dus vlak vóór de Synode verschenen. Zelf had ik bezwaren, sedert door de amendementen het oorspronkelijk Concept van 10 Sept. gewijzigd was. Het kwaad zat niet in de eerste plaats in die amendementen. Maar de met moeite gevonden eenheid was er weer door verbroken. Aan de goede hope was weer de bodem ingeslagen. De grondslag, waarop de vereeniging alleen tot stand kon komen, was weder ondermijnd. Vooral toen op de laatste conferentie de ongelukkige scheiding tusschen het Contract met zijne artikelen en de daarbuiten geplaatste adviezen en mededeelingen werd aangenomen. En na afloop der conferenties kwam het onrustbarend gerucht van eene door de Regeering in uitzicht gestelde wet op het Hooger Onderwijs, die ook aan de Theol. Faculteit der Vrije Universiteit subsidie zou verleenen en haar daardoor natuurlijk min of meer van den Staat afhankelijk zou maken.

Wie dit alles overweegt, zal het billijken, dat ik tegenover het Contract eene eenigszins gereserveerde houding aannam. Niet omdat ik vereeniging niet wilde, maar juist omdat ik ze zoo vurig begeerde. Het was van den beginne af te zien, dat eenheid van opleiding niet in den weg van het ongewijzigd Concept-Contract verkregen kon worden, maar dan alleen misschien nog tot stand komen zou, wan neer men aan de bezwaarde broeders tegemoet kwam, en |10| in het Concept-Contract zoodanige wijzigingen aanbracht, die het zeggenschap der kerken en het voortbestaan der School na de vereeniging nog beter zouden doen uitkomen. Zelfs was ik tegenover de actie, door mijn ambtgenoot Noordtzij op touw gezet, niet zoo onvriendelijk als anderen gezind. Al kon de wijze, waarop ze ondernomen en geleid werd, niet in alle deelen op goedkeuring en instemming aanspraak maken, zij kon toch mijnerzijds in zoover met eenige sympathie worden begroet, als nu dan eens duidelijk uitkomen zou, welke zedelijke kracht de Theol. School nog in het hart des volks en in den boezem der kerken bezat. Meermalen liet ik mij dan ook tegen Prof. Noordtzij, en anderen ongeveer in dezen geest uit: wat mij betreft, ik kan met het Concept-Contract wel meegaan en handhaaf mijne onderteekening. Maar als anderen anders oordeelen en de kerken meenen ten slotte, de School zelfstandig te moeten laten voortbestaan, dan is mij dat zeer wel. Er is in den tegenwoordigen tijd voor het behoud eener opleidingsschool, waarover de kerken alle zeggenschap hebben, veel te zeggen. Maar één ding bid ik u: als gij het Concept-Contract verwerpt, zorg dan, dat gij een weg kunt aanwijzen, waarin de School bevestigd en versterkt wordt. Eene eenvoudige bestendiging van den toestand is onvoldoende. Eene herhaling van het besluit van Groningen zonder meer is de dood voor de School. Afbreken is niet genoeg, er moet ook opgebouwd worden. En daarin waren allen, die ik sprak, het met mij eens. Prof. Lindeboom verlangde vóór alle dingen, dat de School zeker gesteld zou worden, en zag nog liever het Concept-Contract gewijzigd of ongewijzigd aangenomen, dan dat een toestand van onzekerheid bestendigd werd, waarin wij nu al tien jaren lang worstelen, lijden en verzwakken.

Daarom gaf ik de hoop niet op, dat de bezwaarde |11| broederen, als zij ten slotte geen kans zagen, om de School uit hare onvaste positie te redden, voor het Concept-Contract te winnen zouden zijn; vooral indien het in overeenstemming met den wensch van schier alle provinciën nog alzoo gewijzigd werd, dat er de rechten der kerken en het voortbestaan der School sterker in verzekerd werden.

Dat ik daarbij niet tot het voorstel van 1899 terugging, moet niemand verwonderen. Want de Utrechtsche vergadering bleek in haar uitgebracht rapport er niet van gediend te zijn. Geen enkele kerk, classis of provincie sprak uit, dat alleen in dien weg de eenheid der opleiding te verkrijgen zou zijn. En ook dit recht der kerken, om een voorstel onaannemelijk te achten, moet, door wie voor de rechten der kerken opkomen, erkend worden. Als zij de eenheid der opleiding op eene andere wijze begeeren, dan is dat evengoed, mits die eenheid maar tot stand komt.

Welke wijzigingen er daarom naar mijne overtuiging in het aan de kerken voorgelegde Contract moesten aangebracht worden, sprak ik vóór de Synode niet uit. Indien het noodig mocht zijn, was dit op de Synode nog tijd genoeg. Voordat dezerzijds een voorstel kon worden gedaan gebood de bescheidenheid, af te wachten, of anderen een beteren weg tot vereeniging wisten of ook, als deze onmogelijk scheen, gelegenheid zagen, om de School weder éene vaste plaats te verzekeren in het hart van de kerken. |12|


2. Op de Synode

Het lag voor de hand, dat de Synode, te Arnhem saamgekomen, voor de zaak van de opleiding eene Commissie benoemde, waarin nu niet in de eerste Plaats de middenpartij maar de rechter- en linkerzijde vertegenwoordigd waren. Indien zij het samen eens konden worden, was de zaak beklonken. Er werden daarom in die Commissie benoemd de broeders Rutgers, Noordtzij, van Schelven, Bouma, Scholten, Elshout, de Leeuw en van Golverdinge. De samensprekingen, door dezen gehouden, leidden echter tot geen gemeenschappelijk resultaat. De broeders bleven gedeeld. Er kwamen twee rapporten in. Het eene (van de br. Rutgers, van Schelven, Elshout) ging achter de overeenkomst, in het Concept-Contract verkregen, terug en kwam dus aan de bezwaren der provinciën in het geheel niet tegemoet.

En het andere (van de br. Noordtzij, Bouma, Scholten, de Leeuw) stelde voor, op grond van verschillende overwegingen, om het Concept-Contract niet verder in behandeling te nemen en over te gaan tot behandeling van die voorstellen in zake de opleiding en toelating tot den dienst des Woords, welke alsnog beslissing vraagden. |13|

De conclusie van dit tweede rapport, hoe goed bedoeld, was voor velen, ook voor mij, eene groote teleurstelling. Want ten eerste scheen zij niet ten volle gerechtvaardigd te zijn. Zeker, er waren vele stemmen in de kerken tegen het Concept-Contract opgegaan. Onderscheidene classes en enkele provinciën hadden, hetzij uit eigen overtuiging, hetzij uit eerbied voor anderer overtuiging, zich er tegen verklaard. Veilig mag het getal van hen, die vereeniging van de twee opleidingsscholen in dezen of ook in elken anderen vorm afkeuren, op enkele duizenden worden geschat. Maar dat neemt toch niet weg, dat het getal bezwaarschriften op de Synode niet bijster groot was. Uit 40 gemeenten hadden slechts 20 kerkeraden, 90 ambtsdragers en 1362 leden min of meer ernstige bedenkingen tegen het Concept-Contract ingebracht. En daarbij mag niet uit het oog worden verloren, dat de beweging tegen de daarin voorgestelde wijze van vereeniging, zij het ook uit eerbiedwaardige overtuiging en met de zuiverste bedoelingen, toch stelselmatig was gewekt en geleid; en dat het dan later moeilijk aangaat, om achter de bezwaarden weg te schuilen en aan hun verzet een motief tot verwerping van het voorgestelde Contract te ontleenen.

Voorts was de Synode zeker niet verantwoord, als zij niets deed en straks bij haar uiteengaan heel de zaak der opleiding gelaten had, zooals ze was. Ja, zij had kunnen zeggen: op de vorige Synode te Groningen hebben de kerken de School gehandhaafd en bevestigd. Het komt niet te pas, om die School, welke de kerken telkens weer getoond hebben te willen handhaven, steeds opnieuw aan onrust en onzekerheid prijs te geven. De Synode keurt het dus af, dat Curatoren en Professoren van de beide opleidingsscholen, zonder kerkelijk mandaat, bijna geheel op eigen initiatief aan het confereeren zijn gegaan en |14| daardoor bij vernieuwing onvrede en verdeeldheid veroorzaakt of gevoed hebben. Bevestigende en versterkende het besluit van Groningen, gaat deze Synode dus over tot de orde van den dag.

Dat zou eene daad geweest zijn, eene daad, die van moedige overtuiging en van zedelijke kracht bewijs zou hebben afgelegd. Maar men moet geheel en al een vreemdeling in het Jeruzalem van ons kerkelijk leven zijn, indien men zulk eene uitspraak van de Synode ook maar een oogenblik meende te mogen verwachten. Het is immers de vaste overtuiging, die juist aan de kerken in de zaak der opleiding ontbreekt, en wier gemis haar op al hare mindere en meerdere vergaderingen zwak en verdeeld doet staan. Trouwens, geen van de leden der conferentie durfde, toen het erop aankwam, dat standpunt innemen. Allen gingen ten slotte, ofschoon schoorvoetend en aarzelend, mede. En daarom moest de Synode zelve aan den gang. Zij mocht zich niet van de zaak afmaken. Zij zou niet verantwoord tegenover de kerken zijn geweest, als zij met, eenige nietszeggende algemeenheden het brandende vraagstuk terzijde had gelegd. Zij moest zelve pogingen in het werk stellen, om tot eenheid te komen. Bleek het dan, dat deze niet te verkrijgen was, dan was zij ten volle gerechtvaardigd en kon zij met vrijmoedigheid aan de kerken zeggen: de Synode heeft gedaan wat ze kon, maar hare beste pogingen zijn vruchteloos geweest.

Zulk een ter hand nemen van het opleidingsvraagstuk was voor de Synode te meer een dure plicht, wijl gemakkelijk te berekenen viel, dat eene bestendiging van den bestaanden toestand de Theol. School opnieuw tot het kind van de rekening en tot de dupe der historie zou maken. Veel meer dan in Groningen was bet in Arnhem noodzakelijk om, als de School afzonderlijk moest blijven |15| bestaan, haar duurzaamheid en vastheid te schenken. Een paar woorden van handhaven en bevestigen waren daarvoor niet voldoende. Er moesten ditmaal door de Synode geldige, krachtige, overtuigende redenen kunnen worden bijgebracht voor het afzonderlijk voortbestaan der School, indien zij haar eene vaste plaats in het hart der kerken verzekeren wilde. Daarom moest ieder, in het belang juist van de Theol. School, erop aandringen, dat de Synode zich niet van de zaak afmaakte, maar haar ter hand nam en, indien eenigszins mogelijk, tot een goed einde bracht. Het woord van Prof. Lindeboom, vlak vóór de Synode in zijn Bijblad bl. 59 gesproken: het ergste zou zijn, dat de Synode zich opnieuw van de zaak afmaakte, had daarom mijne volkomene instemming.

Voor mij persoonlijk was de conclusie van het tweede rapport nog eene te grootere teleurstelling, naarmate ik redenen meende gehad te hebben, om iets gansch anders te verwachten. Immers — waarom zou ik het niet open mededeelen? — voordat Prof. Noordtzij in de vergadering van de Commissie voor de opleiding tot eene beslissing gekomen was, had ik met hem een vriendschappelijk gesprek over de door hem te volgen gedragslijn. En daarin liet ik mij tegenover hem ongeveer in dezer voege uit: met eene negatieve conclusie kunt gij geen succes behalen. Daardoor verzwakt gij uw eigen positie, brengt de Synode in moeilijkheid en laat den toestand der Theol. School in het onzekere. Daarom is het, naar mij voorkomt, het beste, dat gij een voorstel tot vereeniging van Theol. School en Theol. Faculteit indient, waarin gij uw eigen gedachten belichaamt, en duidelijk de wijze aangeeft waarop gij meent, dat de eenheid tot stand komen kan. Natuurlijk moet gij eenige rekening houden met de samenstelling der Synode en dus een zoodanig voorstel indienen, dat kans heeft eene |16| meerderheid te vinden. Maar ofschoon ik mij niet absoluut verbinden kan, wijl ik daartoe eerst uw voorstel zou moeten zien en lezen, beloof ik toch, als het eenigszins kan, zooveel mogelijk u te steunen. Als de kerken het dan aannemen, gaat het naar de Vereeniging voor Geref. Hooger Onderwijs. Neemt deze het aan, dan is er natuurlijk ook geen bezwaar, om de vereeniging der beide Scholen tot stand te brengen. En weigert zij, dan draagt de Vereeniging de verantwoordelijkheid. De kerken gaan vrij uit, en hebben dan alle recht en reden, om de School te handhaven en te bevestigen.

Zoo sprak ik met mijn ambtgenoot Noordtzij. Ik verwachtte van hem een voorstel in dien geest. Toen dit niet kwam, kon ik in het belang der School daarin niet rusten. Bij de behandeling van de prealabele quaestie (om al dan niet op de zaak in te gaan), nam ik daarom de vrijheid te zeggen, dat de Synode niet verantwoord was, als zij zich van de zaak afmaakte en eenvoudig den ouden toestand bestendigde, zij moest ook zelve, na de mindere kerkelijke vergaderingen, pogingen in het werk stellen, om tot eenheid van opleiding te komen. Bleek het dat dit niet kon, dan was dit ook een resultaat, en misschien ook een zeer goed resultaat. Misschien wilde God ons dan daarmede leeren, dat Theol., School en Theol. Faculteit elkaar moesten erkennen en waardeeren en in liefde en vrede naast elkander arbeiden. Maar daartoe moest het dan ook vooraf aan allen duidelijk blijken, dat eenheid niet te verkrijgen was. Na langdurige discussie bleek de Synode van hetzelfde oordeel te zijn. Zij besloot Donderdag 21 Aug. over te gaan tot de bespreking, of en hoe eenheid van opleiding ware tot stand te brengen.

De Synode benoemde echter geen nieuwe Commissie, maar wachtte af, of er uit den boezem der vergadering een |17| of ander voorstel opkomen zou. En dat was werkelijk het geval. Ds. T. Bos had daags te voren al gezegd, dat hij, als de zaak in behandeling kwam, een voorstel had. (Bazuin 22 Aug. 4e bl. 1e kol.) Dit voorstel was toen nog zeer kort geformuleerd. Het ging van de gedachte uit, dat de Theol. School als Theol. Faculteit in de Universiteit zou opgenomen en ten behoeve van het Universitair onderwijs met de andere faculteiten verbonden zou worden. Nadat ik het eenige oogenblikken had ingezien, merkte ik op, dat de vereeniging wel op die wijze tot stand kon komen. Maar wijl ik zelf reeds eenige gedachten over een voorstel tot vereeniging gevormd en met een paar vrienden besproken had, en bovendien eerst nog eens den gang van zaken en den stand der partijen afwachten wilde, verbond ik mij tot niets en beloofde geen steun.

In den avond van Woensdag 20 Aug. waren reeds een aantal broederen, allen prae-adviseerende en stemhebbende leden der Synode, vertrouwelijk saamgekomen, om de vraag te overwegen, of er niet op eene of andere wijze nog eene vereeniging der beide opleidingsscholen te verkrijgen ware. Ds. Bos was ook in dien kring tegenwoordig en deed er voorlezing van zijn korte voorstel. Maar dit vond bij niemand steun. Op verzoek nam ik toen het woord en trok enkele lijnen, waarlangs misschien eenheid van opleiding nog bereikbaar zou zijn. Ik deed dat, zonder dat ik vermoedde of, gelijk later blijken zal, ook maar in de verste verte vermoeden kon, dat ik daarmede tegenover Br. Bos kwam te staan. Ik had de gedachte, dat ik, sprekende, zooals ik sprak, geheel en al handelde in zijn geest en zonder twijfel ook hem voor mijn voorstel winnen zou.

Immers ontwikkelde ik in het kort niet anders dan deze drie gedachten:

1º. Ten einde eenheid te verkrijgen, is het het beste, om |18| bij benoeming, schorsing en ontslag der hoogleeraren in de Theologie de Vereeniging voor Hooger onderwijs er geheel buiten te laten en alle recht in dezen aan de kerken toe te kennen. De School, door de kerk der Scheiding gesticht, heeft er aanspraak op, om te blijven voortbestaan. De historie der Scheiding, aan welke ik zelf zooveel te danken heb, moet in die School zich voortzetten. En daarbij komt, dat het in den tegenwoordigen tijd dringend noodig is, dat de kerken bij de opleiding allezeggenschap hebben. Want eene vereeniging is onbetrouwbaar. Zij kan uiteen spatten, zoodra er diep-ingrijpende quaestiën aan de orde komen van politieken, socialen of wetenschappelijken aard. Wat ons dan samenbindt en samenbinden kan, dat is de kerk alleen. En daarom is het zoo wenschelijk, om benoeming, schorsing en ontslag der hoogleeraren aan de kerken over te laten.

2º. Maar er kan hier het bezwaar tegen ingebracht worden, dat op die wijze het wetenschappelijk karakter der inrichting gevaar zal loopen. Kerken zijn niet onfeilbaar. kerkelijke vergaderingen zijn volstrekt niet van nature aangewezen, om de zorg voor de wetenschap op zich te nemen. En Curatoren vanwege de kerken kunnen licht eenzijdig worden, al te zeer niet het practische belang rekenen en het wetenschappelijk belang uit het oog verliezen. Daarom is het wenschelijk, dat niet aan de Vereeniging maar aan de Prof. in de Theol., als daarover in de eerste plaats Aot oordeelen bevoegd, meer invloed op de benoeming toegekend wordt. Laat hun dus het recht van voordracht gegeven worden, met dien verstande, dat de Curatoren der kerken daar wel van mogen of kunnen afwijken, maar niet dan op deugdelijke gronden. Men kan dit bijv. zoo regelen, dat de benoeming doorgaat, als eene groote meerderheid, van Curatoren zich met, de voordracht vereenigt, maar dat, |19| als er maar een paar Curatoren bezwaar hebben, beroep op de Generale Synode noodig is, die dan de zaak beslist. Op deze wijze kan het wetenschappelijk en het kerkelijk belang in harmonie gebracht en tegelijk behartigd worden.

3º. Eindelijk is er nog een practisch bezwaar ingebracht tegen het Concept-Contract en tegen het toekennen van zooveel zeggenschap aan de kerken. Het wordt niet openlijk uitgesproken, maar het bestaat toch; uit particuliere gesprekken is mij dat meermalen zeer duidelijk gebleken. Men ziet wel in, dat eene kerk minstens evenveel recht heeft als eene vereeniging. Maar het College van kerkelijke Curatoren, dat tegenwoordig bestaat, is grootendeels uit A-broeders samengesteld. Blijft dat zoo, dan triumfeert de A-richting. De kerken van B zijn, uit zelfbehoud veel meer dan uit beginsel, voor het zeggenschap der Vereeniging. Men kan die broeders dus voor het boven in de eerste plaats geëischte zeggenschap der kerken winnen, als men allen schijn van partijdigheid of zucht tot overheersching vermijdt, met de feitelijke tweeheid, zoolang die in de kerken bestaat, rekening houdt, en daarom de benoeming opdraagt aan de Generale Synode.

Deze gedachten vonden eenigen bijval. Het scheen, dat op dien weg nog eenheid te verkrijgen was. Br. Bos legde er zich wel niet met zoovele woorden bij neer. Maar hij nam de tweede gedachte van de voordracht over en formuleerde haar in zijn oorspronkelijk voorstel aldus: „Tot waarborg van het wetenschappelijke dezer inrichting benoemen de kerken op voordracht der Hoogleeraren.” (Bazuin 25 Aug. 4e bl. 1e kol.) En ook de derde gedachte vond bij hem eenige instemming. Want hij regelde later in zijn voorstel de benoeming door de Curatoren aldus: „ter voorkoming van eenzijdigheid bij de tegenwoordige gedeeldheid in de kerken, zal de benoeming moeten geschieden met 2/3 |20| meerderheid van de Curatoren, met recht van beroep op de Generale Synode, die alsdan beslist”. (aldaar).

Er was dus tusschen een groot aantal broederen eenstemmigheid verkregen. Principieel verschil scheen er in het geheel niet te bestaan. Niemand vermoedde, dat Ds. Bos niet mede zou kunnen gaan. Allen hoopten en vertrouwden, dat in de aangewezen richting de oplossing te vinden zou zijn.

Den volgenden dag werd die hope versterkt. Want aan de ééne zijde liet Prof. Rutgers er zich voor vinden. En aan den anderen kant was er grond voor de gedachte, dat ook Prof. Noordtzij ten slotte zijne medewerking zou verleenen. Ofschoon hij later meer sympathie zeide te gevoelen voor het voorstel-Bos, verklaarde hij toch op de Synode: als het verworpen wordt, zal ik con amore trachten, aan dat van Bavinck mede te werken. Terugtrekken zal ik mij niet (Vrijdag 22 Aug. volgens het verslag in de Bazuin v. 25 Aug. 4e bl. 2e en 3e kolom).

In de middagpauze van Donderdag 21 Aug. hadden de Professoren Rutgers, Kuyper, Noordtzij en ik eene korte samenspreking in Musis Sacrum. Toen ik dezelfde gedachten ontwikkeld had als ’s avonds tevoren, bracht Prof. Noordtzij daar geen bedenking tegen in, en kregen wij den indruk, dat hij zich hierin zou kunnen vinden. Nadat wij op de Synode teruggekeerd waren en daar nog een korten tijd vertoefd hadden, gingen wij heen, om de uitgesproken gedachten in een voorstel te belichamen. Wij wilden ook Prof. Noordtzij verzoeken, om daaraan mede te werken. Maar hij had de vergadering verlaten, en niemand wist te zeggen, waar hij heengegaan was. Zoo werd door Prof. Rutgers, Kuyper, Biesterveld, die toen ook in ons gezelschap was, en mij het voorstel geformuleerd en kwamen onze vier namen eronder te staan. Toen wij |21| het ’s avonds in eene broederlijke samenkomst, waar alle leden der Synode toe uitgenoodigd waren, mededeelden, koesterden wij de gedachte, dat daarin een grondslag voor eenheid van opleiding gevonden was.

Maar in het begin der volgende week stonden de kansen zoo gunstig niet meer. Nadat Ds. Bos in den kring der broederen, die Woensdag ’s avonds vergaderd waren, geen sympathie voor zijn voorstel had kunnen vinden, zocht hij er steun voor bij andere leden der Synode, die tot deze vergadering der middenpartij niet waren uitgenoodigd. En ook had hij na de ter Synode gemaakte opmerking, dat zijn voorstel slechts een paar hoofdgedachten ontwikkelde, het in een aantal artikelen uitgewerkt, die parallel liepen met het voorstel der vier hoogleeraren. Op die wijze kwamen Dinsdag 26 Aug. en volgende dagen twee partijen op de Synode tegenover elkander te staan. De eene telde 26, de andere 14 stemmen, welke getallen tot 25 en 15 gewijzigd werden, toen br. Van der Veen de plaats van br. Kamstra innam.

Zoo werd het Donderdag 28 Aug. De behandeling der artikelen was afgeloopen. Thans bleef nog de eindstemming over beide voorstellen over. Maar de Synode stelde deze tot den volgenden dag uit, en besloot ’s namiddags niet te vergaderen, ten einde de broederen nog in de gelegenheid te stellen tot het plegen van onderling overleg. De broeders, die met het voorstel der vier hoogleeraren waren meegegaan, vergaderden in het kerkgebouw en besloten terstond, na opening dezer officieuse bijeenkomst, een viertal deputaten te benoemen, die met afgevaardigden van de andere zijde in dit gewichtige oogenblik nog eens broederlijk met elkander van gedachten zouden wisselen.

Prof. Biesterveld bracht dit, op verzoek der vergadering, ter kennis van de andere broeders, die in een ander locaal |22| in de stad bijeen waren. Teruggekeerd, deelde Prof. Biesterveld het volgende mede: 1º. dat Ds. Bos, met wien hij een oogenblik sprak, eerst verklaarde, dat de meening der broederen hunnerzijds was, dat van onzen kant wijzigingen moesten worden voorgesteld, die dan in hun kring overwogen zouden worden, en 2º. dat Ds. Bos, na even de vergaderde broederen geraadpleegd te hebben, berichtte, dat zij hunnerzijds zouden overwegen, of zij deputaten zouden benoemen of niet, maar dat die deputaten in geen geval eene andere opdracht zouden hebben, dan om kennis te nemen van hetgeen onzerzijds werd voorgesteld, om dan weer in den kring hunner broederen terug te keeren.

Deze mondelinge mededeeling werd korten tijd daarna bevestigd door het volgend schrijven van de broeders Bos c.s.

„Waarde Broeders! In antwoord op uw informatie van Prof. Biesterveld hebben wij de eer U het volgende te berichten. Hoewel wij niet kunnen inzien, dat er nog plaats zou zijn voor nader overleg, wijl gij zelven hebt verklaard, dat de voorstellen principiëel verschillen, zijn wij nogtans bereid, schriftelijke amendementen op ’t voorstel-Bos te ontvangen en te overwegen, indien gij die ons mocht willen voorleggen. Gaarne zouden wij die ontvangen vóór onze avondvergadering ten half acht aan ’t adres van Broeder T. Bos. Namens de Broederen: Noordtzij. Arnhem 28 Aug. 1902.”

Onzerzijds werd toen geoordeeld, dat, nu het aanbod tot samenspreken van deputaten was afgeslagen, het niet aanging, om amendementen in te dienen op een voorstel, waarvan alle artikelen achtereenvolgens op de Synode waren verworpen. Wij zonden dus aan de broeders Bos c.s. het volgend schrijven toe:

„In antwoord op Uw voorstel, om onzerzijds amendementen in te dienen op het voorstel-Bos, moeten wij U |23| melden, dat door ons niet mogelijk wordt geacht amendementen in te dienen op een voorstel, waarvan de onderscheidene artikelen achtereenvolgens door de Synode verworpen zijn. Na de Synode zelve zich in deze materie reeds heeft uitgesproken, en de onderscheidene artikelen van het voorstel-Bavinck c. s. heeft aangenomen, lag het o.i. in den aard der zaak, dat Uwerzijds amendementen op de reeds door de Synode aangenomen artikelen werden ingediend. Mocht dit alsnog door U kunnen geschieden, dan willen wij die gaarne in overweging nemen. Nog veroorloven wij ons op te merken, dat door de Synode niet is uitgesproken, dat er principiëel verschil tusschen de beide voorstellen bestaat. Namens de Broederen: Biesterveld. Arnhem 28 Aug. 1902.”

Even later kwam in onzen kring nog een schrijven in van de broeders Bos c.s. Dit schrijven was nog niet en kon nog niet zijn een antwoord op onzen bovenstaanden brief. Maar het is toch van belang, om het hier op te nemen, wijl het eenige wijzigingen bevatte, die nog door de broeders Bos c.s. in hun eigen voorstel waren aangebracht.

Het luidde aldus: „Waarde Broeders! Door ons zijn de volgende wijzigingen aangebracht in het concept-Bos.

In art. 4 al. 2 wordt geschrapt: of een Synodus contracta en daar ingevoegd: „en 10 Deputaten ad hoc daartoe aangewezen door de Gen. Synode.”

In art. 5 achter „benoemd” in den eersten regel wordt ingevoegd: „wanneer niet de G.S. vergaderd is” en in regel 2/3 geschrapt de woorden: of een Syn. Contr. en daar ingevoegd: en de 10 Deputaten (zie art. 4). Deze benoeming geschiedt na praeadvies van de Theol. professoren en met minstens veertien van de stemmen; welke benoeming vanwege de kerken enz. enz. |24|

Bovendien moet worden geschrapt het gistervoormiddag op de Syn. toegevoegde: „gaan de Curatoren buiten de benoeming enz. enz.”

Ingevoegd wordt: „Mocht het vereischte getal stemmen niet worden verkregen, dan zullen de Curatoren der Eigen Inr. en Deputaten (bovengenoemd) binnen één jaar eene Generale Synode doen bijeenroepen, die de zaak der benoeming beëindigt.”

In art. 6 wordt geschrapt: „mede ter voldoening aan het bedoelde in art. 1 van de Instructie voor de Hoogl. van de Vrije Univ.”, en bijgevoegd: „en zijn vrijgesteld van de onderteekening van art. 2 der Statuten van de Vereeniging voor H.O.” Met aanbeveling ook van deze wijzigingen aan Uw ernstige overweging, namens de vergaderde Broederen: M. Noordtzij. Arnhem 28 Aug. 1902.”

In een posteriptum stond nog: „Daar juist ontving ik uw brief door de Br. Scholten en Smilde. Wijl de vergadering reeds uiteengegaan is tot hedenavond zeven en een half uur, kan ik niet anders dan U het bovenstaande toezenden volgens het besluit der Broederen. In de avondvergadering zal ik Uw brief ter tafel brengen. M.N.”

Wij konden dus ook onzerzijds uiteengaan. De poging tot overleg was tot dusver niet geslaagd. Aan de br. Rutgers, Bavinck, Kuyper en Biesterveld werd opgedragen het eventueel antwoord op onzen boven medegedeelden brief in te wachten en daarna, indien dit noodig mocht zijn, de broederen onzerzijds nog weer samen te roepen.

Laat in den avond werd toen door mij nog het navolgend schrijven ontvangen: „Arnhem den 28 Aug. 1902. Waarde Broeders! Na ernstige overweging van Uwen brief kwam onze vergadering hedenavond tot het resultaat, dat het ons niet doenlijk is, amendementen op het voorstel Bavinck c.s. aan U voor te leggen, omdat dit voorstel |25| onzes inziens niet door amendementen zoo is te wijzigen, dat de gewenschte overeenstemming zou worden verkregen. Dit resultaat van onze overwegingen en onze correspondentie doet ons, evenals ook ongetwijfeld U, geliefde Broeders, van harte leed. Namens de vergaderde Broederen: M. Noordtzij.”

Hierop viel onzerzijds niets meer te antwoorden. De laatste poging, om hetzij door broederlijke samenspreking hetzij door het indienen van amendementen op een van beide voorstellen tot een vergelijk te komen, had schipbreuk geleden. Ook bij de eindstemming zouden de beide partijen tegenover elkander staan.

Daags daarna, Vrijdag 29 Aug., had deze eind-stemming plaats. Vijfentwintig leden der Synode stemden voor het voorstel-Bavinck en vijftien voor het voorstel-Bos. Omdat de minderheid echter verklaarde, zich bij het besluit der Synode niet te kunnen neerleggen, werd daarna met groote meerderheid goedgevonden, om het genomen besluit niet ten uitvoer te leggen.

Dat dit niet-uitvoeren van het besluit door de Synode bepaald ter wille der minderheid is geschied, is moeielijk aan twijfel onderhevig. Toch schrijft Ds. Elzenga in de Kamper Kerkbode van 4 Oct. j.l. dienaangaande het volgende:

„Toch is het besluit der Synode niet uitgevoerd. Men had u verteld, dat dit geschied is op verzoek van de minderheid. Laat ik verzekeren, mijn waarde, dat hiervan niets aan is. Neen, het voorstel, om het besluit niet uit te voeren, kwam uit den boezem der meerderheid, zonder daartoe van de andere zijde aangezocht te zijn. Het geschiedde geheel en al eigener beweging.

Laat ik die geschiedenis je even herinneren.

Eerst kwam de motie-Van Andel, die om haar scherpheid tegenover de minderheid, en ook omdat zij de |26| uitvoering van het genomen besluit slechts een wijle opschorten wilde (zij sprak van „nog niet” uitvoeren) bij velen, ook buiten de vijftien, bestrijding vond en amendementen uitlokte. Voordat hierover gestemd was, kwamen de voorstellen-Van Schelven en -Van Goor. Dit laatste stelde voor onverwijld tot uitvoering van het genomen besluit voort te varen — doch werd verworpen met 29 tegen 11 stemmen. Daarna kwam het voorstel-Van Schelven in stemming, dat aldus luide: „De Gen. Synode, lettende op den gang van zaken, lettende op het oordeel der meeste Prov. Synoden, om, zelfs indien een voorslag goed werd gekeurd, niet tot de uitvoering over te gaan, zoo daaruit schadelijke gevolgen voor de rust en den vrede der kerken zouden voortvloeien, acht het niet raadzaam, in de gegeven omstandigheden de vereeniging van de Theol. School met de Theol. Fac. der V.U. tot stand te brengen.” Dit voorstel werd door de Synode aangenomen met 23 van de 40 stemmen overeenkomstig het praeadvies van al de Hoogl. der Th. School, doch tegen dat van de Proff. der V.U., tengevolge waarvan de motie-Van Andel niet in stemming kwam. En zoo had de Synode dan, op voorstel van een lid der meerderheid, besloten om den toestand te laten zooals die was vóór de Synode.

Ge merkt voorts uit de woorden van het voorstel-Van Schelven, dat het Synodale besluit van niet-uitvoering vooral genomen is uit vrees voor beroering of scheuring in de kerken, en dus niet ter wille van de minderheid.

Ook had (in vertrouwen gezegd) de meerderheid reeds den avond, voordat den volgenden morgen de verklaring der minderheid voorgelezen werd, het besluit gemaakt, om de zaak niet door te zetten, al was de vorm, waarin dit voorgesteld zou worden (de motie-Van Andel) niet met gemeen overleg vastgesteld.

Misschien is men wel tot dit besluit gekomen, omdat |27| sommigen meenden een beteren weg gevonden te hebben, om de Theol. School omkoud te brengen. Dit laatste is scherp gezegd, maar bestaan er geen redenen voor?”

Tot zoover Ds. Elzenga. De laatst aangehaalde zinsnede spreekt een vermoeden uit, dat Ds. Elzenga beter gedaan had, in zijne pen te houden en te bannen uit zijn hart. Hij zegt er zelf van, dat het scherp is gezegd. Doch het is niet alleen scherp — dat zou minder zijn; het is ook zonder eenigen grond gezegd. Ds. Elzenga heeft geen redenen, om zoo te spreken. Hij heeft geen bewijs voor zijn boos vermoeden. Het is hem alleen ingegeven door een gansch misplaatst wantrouwen, dat in zijn hart heeft post gevat, en dat hij op die manier ook in anderer hart tracht op te wekken.

Maar daar moeten wij ons altijd, daar moesten wij ons bovenal in de tegenwoordige, gespannen verhoudingen aan spenen. Is het al niet erg genoeg, dat wij onderling zoo verschillen over het vraagstuk der opleiding? Moet er nog aan allerlei booze en ongegronde vermoedens lucht worden gegeven, opdat de toestand nog ellendiger worde, dan hij thans reeds is? Laten wij liever over en weer aan elkanders oprechte en eerlijke bedoelingen gelooven zoolang, totdat het tegendeel duidelijk blijkt.

Er is eenvoudig niets van aan, dat sommigen meenden, een beteren weg — ieder begrijpt, waar Ds. Elzenga op doelt — gevonden te hebben, om de Theol. School omkoud te brengen, en dat daarom de meerderheid eigener beweging besloot, om het door de Synode aangenomen voorstel niet ten uitvoer te leggen.

Het is daarbij eenigszins anders toegegaan, dan Ds. Elzenga het hier in zijn schrijven laat voorkomen. Ja, de meerderheid had ’s avonds voor den dag der eindstemming reeds het voornemen uitgesproken, om haar voorstel, |28| indien en nadat het door de Synode was aangenomen, niet uit te voeren, tenzij de minderheid duidelijk verklaarde, dat zij, schoon met bezwaar, bij de meerderheid zich neerleggen kon.

Maar dat was, naar den stand van zaken te oordeelen, niet te verwachten. De partijen stonden zoo scherp tegenover elkaar. Langzamerhand nam het verschil, dat eerst zoo groot niet leek, een principieel karakter aan. En daarom sprak de meerderheid reeds van tevoren af: als de minderheid zich niet naar het gevoelen der meerderheid meent te kunnen conformeeren, dan mogen wij, mede lettende op den wenk van vele Provinciale Synodes, onzen wil niet doordrijven en ons voorstel niet uitvoeren. In eene zoo gewichtige zaak mag er zelfs geen schijn van dwang bestaan. De wensch der minderheid zal geërbiedigd worden, als deze tegen de uitvoering bezwaar oppert.

Het voornemen, dat de meerderheid dus ’s avonds te voren opvatte, was van conditioneelen aard.

Vandaar dat de Praeses terstond na de eindstemming vraagde: naar het oude en godvruchtige gebruik in Gods kerk is het gewenscht, dat in dit verschil van gevoelen de minderheid zich conformeere naar de meerderheid; wenschelijk ware het dus, dat er een unaniem besluit kon genomen worden. Zou de minderheid alzoo kunnen doen?

Hoe dit antwoord wezen zou, was al eenigszins af te leiden uit de officieele verklaring, vlak vóór de eindstemming door Ds. Bos namens de minderheid afgelegd en aldus luidende:

„Wij ondergeteekenden, leden en adviseerende leden der Generale Synode, achten ons voor den Heere en voor de kerken verplicht, tot motiveering van onze stem bij deze eindstemming te verklaren:

dat wij niet kunnen stemmen vóór het voorstel-Bavinck, |29| omdat dit voorstel naar onze overtuiging niet in overeenstemming is met het door alle vereenigde kerken in 1891/92 aanvaarde beding, betreffende eene „eigene inrichting ter opleiding voor den Dienst des Woords” en tevens niet voldoende rekent met het recht, de vrijheid en den vrede der kerken,

en dat wij derhalve ook niet op ons kunnen nemen de medeverantwoordelijkheid voor dit voorstel, als het onverhoopt besluit mocht worden.”

Hieruit viel dus reeds af te leiden, dat de broeders, die de minderheid uitmaakten, zich niet zouden kunnen neerleggen bij het gevoelen der meerderheid. Volgens hunne overtuiging stond het beding tusschen beide.

Maar de vraag moest toch door den praases gedaan worden.

En op zijne vraag gaf Ds. Bos ten antwoord: alle broederen zullen wel gelooven, dat deze gedeeldheid ons een oorzaak van smart is. De eenheid is niet kunnen komen. Den uitslag konden wij berekenen. Mij is geen opdracht gegeven, namens de andere broeders te spreken. Hij herinnert er aan, dat meer dat ééne Prov. Synode hare leden in last gegeven heeft, niet over te gaan tot uitvoering van een besluit, waartegen eene aanzienlijke minderheid over staat. Daarom bedenke de meerderheid, dat zij niet doorga. Aan der broederen overweging geven wij het over: niet tot de uitvoering en verwerkelijking van het besluit over te gaan.

Dit antwoord was kalm, bezadigd, waardig, maar het sprak toch duidelijk genoeg. Daarom diende Ds. Van Andel toen zijn voorstel in, om de vereeniging van Theol. School en Theol. Faculteit nog niet tot stand te brengen.

En nadat dit voorstel ingediend was, sprak Prof. Lindeboom zich uit en zeide: Na de verklaring van Ds. Bos |30| behoefde er geen gedachte te zijn aan een zich neerleggen van de minderheid bij de meerderheid. Hij zal zich in geenen deele erbij neerleggen. Indien de Synode het besluit uitvoert, ga ik niet mede. De motie-Van Andel houdt geen verband met de historische lijn; zij had moeten luiden, dat het doel niet bereikt is. Over deze motie kunnen de broeders van de minderheid niet stemmen; tegenstemmen is mogelijk maken van de uitvoering van het besluit. Eindelijk, de houding van de broeders (der minderheid) wordt afgekeurd; dat is het pijnlijkste. Wij kunnen niet anders voor God. De andere broeders zeggen, dat wij niet willen. Maar ik kan niet anders. God zal richten. En daarna spraken andere broeders van diezijde, minder sterk, maar toch in gelijken geest. ’t Kwam duidelijk bij allen hierop neer: van niet-willen is bij ons geen sprake, maar wij kunnen en wij mogen niet.

En toen is daarom later op den dag het voorstel-Van Schelven met 23 stemmen vóór, en 17 stemmen tegen aangenomen.

Zoo is, naar het verslag in het Bijvoegsel van de Bazuin nr. 37, tweede bladzijde, de gang van zaken geweest. Maar daaruit blijkt, dat de voorstelling van Ds. Elzenga onjuist is, alsof de niet-uitvoering van het besluit eigener beweging door de meerderheid is voorgesteld en aatigenomen. Ja, broeders, die aan de zijde der meerderheid stonden, hebben het voorstel tot niet-uitvoering gedaan. Zij hebben er ook ten deele vóór gestemd. Maar dit is geschied, omdat en nadat de minderheid eene officiëele verklaring had afgelegd en verschillende broederen van die zijde hadden uitgesproken, dat zij niet konden medegaan.

En dan spreekt het vanzelf, dat er van een doorzetten af doordrijven in zulk eene zaak geen spraak mag zijn. Zelfs Dr. van Goor wilde dat niet. In de Friesche Kerkbode |31| van 3 Oct. l.l. komt hij tegen die voorstelling van zijn bedoeling op. Hij zegt daar: „Ik veroorloofde mij voor te stellen, dat de Synode eene Commissie zou benoemen, die nog tijdens deze Synode zou adviseeren over maatregelen ter voorbereiding van de uitvoering van het aangenomen voorstel. Het was niet een voorstel, sommigen zeiden om door te zetten, anderen om door te drijven. Maar ’t was in mijn oog het logisch gevolg van de gehouden stemming.”

De meerderheid heeft het gevoelen der minderheid ten volle gerespecteerd. Als de minderheid zich had kunnen schikken, zij het dan ook met groot bezwaar, naar het gevallen besluit, dan zou de uitvoering zonder twijfel ter hand genomen zijn. En dan zou ze ook, zonder groote onrust in de kerken te veroorzaken, hebben kunnen geschieden. Hier in Kampen zelfs was men met de gedachte, dat de School zou weggaan, reeds ten volle vertrouwd. Men had er al vast op gerekend. Toen Vrijdags een telegram kwam: de School blijft, zag men vreemd op, en wist niet, wat ervan te denken. Blijde was er niemand mede. En zoo is het schier algemeen in de kerken. Verreweg de meesten zijn van oordeel, dat vereeniging van School en Faculteit nog te verkiezen ware boven eene bestendiging der School, die met eene pijnlijke marteling ten doode toe gelijk staat.

Maar al kunnen wij de voorstelling, die Ds. Elzenga geeft van den gang van zaken op de Synode niet juist noemen; wij verblijden er ons ten zeerste over, dat hij zoo heeft gesproken. Want uit zijn woord blijkt duidelijk, dat hij althans, ofschoon van harte instemmende met het voorstel-Bos, bij de uitvoering van het besluit zich zou hebben neergelegd. Natuurlijk met bezwaar, en het besluit en zijne uitvoering voor rekening van de meerderheid latende., Maar de meerderheid had deze verantwoordelijkheid |32| zeker gaarne op zich genomen, indien de minderheid zich op de Synode maar zoo had uitgelaten, als thans Ds. Elzenga doet.

Jammer alleen, dat Ds. Elzenga zich aldus niet op de Synode reeds heeft uitgesproken. Dan waren wij misschien wat verder gekomen en niet met de School in zulk eene netelige positie geraakt.

Doch beter laat dan in het geheel niet gesproken. Wij nemen dankbaar acte van zijne verklaring, dat, de niet-uitvoering van het besluit niet op verzoek der minderheid is geschied, en dat, gelijk het later in zijn open brief nog heet, het misschien niet voorzichtig maar toch ridderlijk ware geweest, wanneer men het besluit der Synode had uitgevoerd.

Zulk eene getuigenis van een broeder uit de minderheid is van beteekenis, ook al komt het eenige weken na de Synode.

Hoe weinig de meerderheid overigens tegen het nemen van krasse maatregelen opzag, blijkt duidelijk uit de regelingen, die op den laatsten dag der Synode nog getroffen werden in betrekking tot de Theol. School.

Op den ingeslagen weg voortgaande besloot de vergadering ten opzichte van het gymnasium, dat aan de Theol. School is verbonden, niet alleen, dat het aan eene vereeniging mocht overgedragen, maar ook dat het uit Kampen verwijderd en geheel en al van de School mocht losgemaakt worden.

Zij weigerde de Theol. School te handhaven en te bevestigen, maar gaf aan Curatoren alleen vrijheid om te doen, wat in de tegenwoordige omstandigheden tot handhaving der School noodig mocht zijn.

Zij zag de noodzakelijkheid niet in, om in de vacature-Wielenga zoo spoedig mogelijk te voorzien, maar sprak |33| alleen uit, dat deze voorziening met bekwamen spoed moest plaats hebben.

Zij schreef niet alleen voor de Theol. School, maar ook voor de Theol. Faculteit der Vrije Universiteit twee afzonderlijke collecten uit en stelde daarmede de laatste met de eerste op ééne lijn.

Deze dingen zijn hard voor wie de School liefheeft. Maar beter is het de werkelijkheid onder de oogen te zien, dan zich met eene inbeelding te vleien.

Uit alles blijkt, dat de Synode als zoodanig het zelfstandig bestaan der Theol. School hoegenaamd niet noodzakelijk of zelfs wenschelijk acht, maar hoogstens alleen terwille van eene minderheid, nog een tijd lang dult en verdraagt. De school is door de Synode te Arnhem niet bevestigd en versterkt, maar ondermijnd en verzwakt.

En telkens dringt zich de vraag op, of Prof. Lindeboom geen gelijk had, toen hij vlak voor de Synode schreef: veel verkieslijker is een besluit, om het Concept gewijzigd of ongewijzigd aan te nemen, dan de kerken en de School opnieuw prijs te geven aan de onzekerheid in zake de opleiding, waarin wij nu al tien jaren worstelen en lijden en verzwakken. |34|


3. Na de Synode

De thans ingetreden toestand is eenvoudig onhoudbaar. Niemand, welk standpunt hij ook in de opleidings-quaestie inneme, kan er in rusten en er vrede mede hebben. Voor de kerken, voor de School, voor de Vrije Universiteit is verandering dringend noodzakelijk. Wij zijn in eene impasse geraakt, waaruit wij allen met eenparige kracht zoo spoedig mogelijk moeten zien uit te komen.

Sommigen zijn van oordeel, dat dit alleen mogelijk is, wanneer de voorstanders van het door de Synode aangenomen voorstel op hunne schreden terugkeeren en zich bereid verklaren, om aan het voorstel-Bos hun stem te geven. Korten tijd geleden schreef mij een broeder: naar mijne overtuiging komen wij niet verder, tenzij gij op de lijn van het voorstel-Bos overkomt. Door zeer velen wordt mij dan ook de vraag gedaan: waarom steunt gij het voorstel-Bos niet, waarom hebt gij het op de Synode niet gedaan? Als gij er u voor ingespannen hadt, zou het waarschijnlijk aangenomen zijn. Van de andere zijde had men dan wel toegegeven; ze hebben al zooveel concessies gedaan, ook tot deze laatste zouden zij ten slotte wel bereid zijn geweest. Principiëel kunt gij het voorstel-Bos ook niet |35| bestrijden, want de grondgedachte komt overeen met uw eigen voorstel uit het jaar 1899.

Het is de moeite waard, om deze vraag eens goed onder de oogen te zien en daardoor alle mogelijk misverstand uit den weg te ruimen. En dan is mijn antwoord niet zoo maar in eens, dat het voorstel-Bos absoluut onaannemelijk is, vooral niet in zijn oorspronkelijken, onontwikkelden vorm. Anderen oordeelen daar anders over. Maar persoonlijk druk ik mij liever voorzichtiger en bescheidener uit. Wie groote woorden bezigt, maakt het zich later dikwerf zelf moeilijk, als hij op zijne schreden terugkeeren moet. Onlangs zeide iemand, ook in verband met de opleidings-quaestie: al ging de gansche wereld mee, ik blijf staan. Maar hij zei er niet bij, welk fundament hij dan nog onder de voeten had. Wie op dergelijke wijze zich uitdrukt, staat gewoonlijk niet sterk en verbergt achter krachtige spreekwijzen gemeenlijk eene zwakke overtuiging en een gebrekkig bewijs. Bovendien, om zich ergens principiëel tegen te verklaren, moet men van te voren zich helder van zijne beginselen rekenschap geven. En dat is zoo gemakkelijk niet; beginselen zijn heilige zaken, waar men niet lichtvaardig mede omspringen mag; vooral niet in eene queestie als deze, die van zeer practischen aard is.

Vandaar dat ik ook niet instemmen kan met hen, die School en Faculteit naast elkander willen laten bestaan, totdat eene principieele oplossing komt. Want zulk eene is er niet, althans niet in bijzonderheden, te vinden. Over de wijze, waarop een school moet ingericht wezen, zal altijd verschil van gevoelen bestaan. Wat volgens den een principieel geëischt wordt, is volgeng den ander principieel geoordeeld. In den loop der eeuwen, bij de verschillende volken, in onderscheidene landen is de zaak van onderwijs en school verschillend geregeld. En op verschillende |36| wijzen kan het toch zeer goed geschieden. Variis modis bene fit. Wat ik schreef in de Bazuin van 30 Mei l.l. herhaal ik: „bijna zou ik geneigd zijn te zeggen, dat elk voorstel op mijne stem kan rekenen, dat broederlijke samenwoning en kerkelijken vrede ons schenkt.” Daarom is niet elke weg, waarin deze komt, mij even lief. Maar als de broeders elkander kunnen vinden, is van mij geen bestrijding, geen amendement zelfs te wachten. Hoofdzaak is voor mij niet hoe, maar dat wij samenkomen. Want er is geen twijfel aan, indien wij maar eenmaal bij elkander waren, zou heel de opleidingsquaestie binnen korten tijd van de baan zijn, evenals de gewichtige vraagstukken van separatie, doleantie, methode van reformatie, verhouding tot de Ned. Herv. kerk enz. plotseling uit onze gesprekken en geschriften verdwenen zijn, toen de kerken in 1892 vereenigd waren. Alleen zouden wij ons dan voor God en menschen leeren schamen, dat wij aan de practische regeling der opleiding zooveel kostelijken tijd en zulk een voorraad van kracht besteed en er zooveel goeds door tegengehouden hebben.

Daarom komt het ook niet te pas, met sommigen tegenwoordig te zeggen: och, waren wij in 1892 maar niet als kerken vereenigd, dan hadden wij ieder in eigen kring althans rust en vrede gehad. Want dat is buiten de werkelijkheid en ook buiten onze belijdenis gerekend. In 1892 zijn we plechtig overeengekomen, om de beide scholen van opleiding naast elkaar te laten bestaan. Toch is van die overeenkomst bitter weinig terecht gekomen; de werkelijkheid is veel te machtig, dan dat zij door een artikel in een contract te beheerschen zou zijn. Veel minder zou dat nu het geval nog geweest zijn, wanneer in 1892 de kerken niet vereenigd waren, en naast elkaar haar leven hadden voortgezet. Wij zouden veel |37| minder eenheid en vrede gehad hebben, dan nu nog on deel is geweest. Wij zouden geen rust of duur hebben gehad. Want God zou ons geen rust gelaten hebben. Hij heeft ons aan en voor elkander gegeven. Of wij het aangenaam vinden of niet, het is zijn wil, dat wij in vrede en liefde bij elkander wonen en al onze gaven ten nutte en ter zaligheid van elkander gewilliglijk en met vreugde aanwenden. De onrust, die ons kerkelijk leven verteert, is een bewijs, dat God ons niet loslaat. Wij mogen er dan ook ten volle verzekerd van zijn, dat er geen vrede komt, voordat wij elkander gevonden hebben. Niet misschien in overeenstemming met onze gezindheid, maar krachtens onze belijdenis behooren wij bij elkaar. En ook dit bloed kruipt, waar het niet gaan kan.

Zoo zeg ik dan niet erstond, dat de beide voorstellen, die te Arnhem in behandeling kwamen, principieel van elkaar verschillen en lijnrecht tegenover elkander staan. Maar dat ik thans niet op het voorstel-Bos kan overgaan, is in de eerste plaats voor mij eene quaestie van eerlijkheid en goede trouw. Want het voorstel der vier hoogleeraren droeg ook mijn naam. Ik heb de Synode met vrijmoedigheid aangeraden, om het aan te nemen. In dat voorstel hebben zich een groot aantal broederen, zoowel van A als van B, vereenigd. De Synode nam het ten slotte aan met 25 tegen 15 stemmen. Wat houding zou het dan hebben, om nu plotseling tot het voorstel-Bos terug te gaan? Dat zou alleen mogen, wanneer ik van overtuiging veranderd, en tot het inzicht gekomen ware, dat ik ernstig gedwaald had. Maar dat is niet zoo: ik neem nog het voorstel der vier hoogleeraren voor mijne rekening. En ik durf gerust aan alle kerken raden, dit voorstel aan te nemen en het besluit uit te voeren. Want de kerken krijgen hierin wezenlijk al datgene, wat zij verlangen. Het zal alleen van haar eigene waakzaamheid |38| afhangen, of ze houden wat ze ontvangen en het zeggenschap waard zijn, dat haar in de opleiding bij deze overeenkomst verzekerd is. Ook zou het aangaan, om tot een ander voorstel over te gaan, wanneer het door mijne ambtgenooten en mij ingediende voorstel geheel van de baan was, zooals bijv. de Concept-regeling, in 1893 ingediend, door Deputaten officieel op de Synode van Dordrecht werd teruggenomen. Maar dit geldt van ons voorstel niet. Het is aangenomen en besluit der Synode geworden. Van de baan is het niet, ook al is het niet uitgevoerd. Als er iets van de baan is, dan is dit met het voorstel-Bos het geval, dat èn in zijne onderscheidene artikelen èn in zijn geheel door de Synode, dat is door de Gereformeerde kerken, verworpen is.

Er is dus in de gegeven omstandigheden geen plaats voor de vraag, of ik thans nog niet op de lijn van het voorstel-Bos kan overgaan. Ds. Bos zal dit zelf beseffen. Ik zou mij aan verbreking van het gegeven woord, aan schending van goede trouw, aan oneerlijkheid schuldig maken, als ik hiertoe besloot. Maar, zal men vragen, waarom hebt gij dat voorstel niet op de Synode gesteund? Deze vraag eischt eene breedvoeriger bespreking. Maar zij is toch zoo te beantwoorden, dat ieder gevoelen kan, waarom ik dat niet gedaan heb en niet doen kon.

Ten eerste zij hier iets meegedeeld over de wording van het Concept-Contract. Met het denkbeeld eener conferentie was ik niet bijzonder ingenomen, maar evenals anderen ben ook ik meegegaan. Persoonlijk durfde ik er mij te minder tegen verklaren, wijl allicht de gedachte dan bij sommigen zou hebben postgevat, alsof de in 1899 ondervonden teleurstelling mij, ofschoon anders zulk een voorstander van eenheid van opleiding, de conferentie deed afraden. En toen eenmaal de conferentie begonnen en |39| het vraagstuk opnieuw aan de orde was gesteld, meende ik, dat er dan ook ernst met de zaak gemaakt moest worden en zoolang gearbeid, tot wij bijeen waren. Toen dan ook de tweede conferentie te Utrecht 10 Sept. 1901 samenkwam, sprak ik een uur te voren in vertrouwen met de broeders Bos en Littooy, en vraagde hen, of zij, indien ik straks op die en die manier, welke ik eenigszins nader omschreef, tot een voorstel trachtte te komen, wilden medegaan. Want indien zij dat niet deden, zou ik ook geen nieuwe poging tot vereeniging aanwenden. Samen optrekken of anders niet — was mijne leus. En beide broeders verklaarden toen, na het vóór en tegen overwogen te hebben, dat zij in dien weg zouden medegaan.

Zoo kwam er op die tweede conferentie overeenstemming tot stand. In het toen opgestelde Concept-Contract werd van meetaf dit uitgangspunt gekozen, dat School en Faculteit vereenigd zouden worden tot ééne inrichting, die tegelijk zou dienst doen als School der kerken en als Faculteit der Universiteit. Hiertegen maakte niemand toen bezwaar. Allen vonden dit goed. Alleen Prof. Lindeboom vreesde, dat er hier twee koetsiers op den bok werden geplaatst, die den wagen elk in eene andere richting zouden sturen. Maar hij ging toch voorloopig mede. Eerst later trok hij zich geheel van de conferenties terug.

De anderen brachten nooit tegen het overeengekomen uitgangspunt eenig bezwaar in, ook Prof. Noordtzij niet in zijn stuk: Waarom niet geteekend? in de Bazuin van 21 Maart 1902. Maar wel werd door hem opgemerkt, dat de beide artikelen, waarin dit uitgangspunt vastgesteld werd, verkeerdelijk op de laatste conferentie uit het Contract naar de Bijbepalingen waren overgebracht. Dat was echter ook mijne gedachte, die ik reeds met een enkel woord op de conferentie en daarna in een brief aan Ds. van Schelven |40| geuit had, en waarop ik dus ook meende, dat men terugkomen moest. De provinciën oordeelden allen in denzelfden geest. En in het voorstel-Bavinck c.s. werd daaraan dan ook volkomen voldaan.

2º. Niemand kon echter in de verste verte vermoeden, dat dit uitgangspunt, waartegen niemand ooit eenig bezwaar had ingebracht, plotseling op de Synode door br. Bos verlaten, met een ander verwisseld en nu als schending van het beding zou worden voorgesteld.

Men moet n.l. weten, dat het groote verschil tusschen het voorstel-Bavinck c.s. en het voorstel-Bos hierin gelegen is, dat het eerste de eenheid zoekt in dien weg, dat School en Faculteit vereenigd worden tot ééne inrichting, die beide is, en dat het laatste de School wil laten treden in de plaats der Faculteit, om dan daarna toch weer als Faculteit dienst te doen en als zoodanig in verband te worden gezet met de andere Faculteiten aan de Vrije Universiteit.

Dat is al het verschil. Practisch, n.l. als de eenheid tot stand is gekomen, ziet er het nieuwe, dat ingevoerd is, in beide voorstellen ongeveer hetzelfde uit. Het is lood om oud ijzer. Het zijn twee druppelen water. Er is verschil in den aanloop, in den aanhef, maar betrekkelijk weinig in de uitkomst.

Daarom was aanvankelijk volstrekt niet te verwachten, dat dit verschil zulk een ernstig karakter zou aannemen en de broeders geheel uiteen zou doen gaan. Ik heb er eerst geen flauw vermoeden van gehad, dat daarop het scheepke van de vereeniging stranden zou. De broeders Noordtzij, Bos, Littooy e.a. hadden nooit ook maar met een enkel woord zich uitgelaten, dat zij nu in eens tegen het gemeenschappelijk vastgestelde uitgangspunt, tegen den door ons saam aangenomen grondslag van het Concept-Contract bezwaar hadden gekregen. En dan nog wel zoo |41| ernstig bezwaar, dat zij het voorstel-Bavinck c.s. eene schending van het beding gingen noemen en er zich in geenen deele bij neerleggen konden.

Maar broeders, zou ik willen zeggen, indien dit het geval is, dan zijt gij van 10 Sept. 1901 af schenders van het beding geweest. Gij hebt toen allen het uitgangspunt van het Concept-Contract zonder eenige tegenspreking aanvaard. En natuurlijk, dwalen is menschelijk, gij kunt later tot een ander inzicht gekomen zijn. Maar hadt gij mij dan niet even ervan kunnen inlichten, dat gij, al kwam benoeming, schorsing, ontslag ook geheel in handen van de kerken, toch niet tevreden zoudt zijn en toch niet mede zoudt kunnen gaan? Waarom liet gij mij in den waan, dat het uitgangspunt van het Concept-Contract bij u geen bezwaar ontmoette? En waarom zijt gij, gansch willekeurig en zonder eenige reden, op een gansch ander standpunt gaan staan?

3º. Men kan nog beter begrijpen, dat ik, meenende, dat de broederen te winnen waren, als maar bij benoeming, schorsing en ontslag het recht en de vrijheid der kerken gehandhaafd werd, daarbij volkomen te goeder trouw was, wanneer men let op de houding der broederen, vóór de Synode. Ds. Littooy kwam op de prov. Synode van Zeeland op zijne stem terug, niet omdat hij zelf plotseling zooveel bezwaar gevoelde tegen het, mits eenigszins gewijzigde Concept-Contract, — hij had het immers op de Middelburgsche classis krachtig verdedigd — maar omdat hij bemerkte, dat er nog zooveel kerken op het behoud der School gesteld waren. Ds. Westerhuis, die alleen de laatste conferentiën had bijgewoond, herriep zijne stem wel, maar stemde toch op de provinciale Synode te Groningen vóór het, bepaaldelijk in het artikel over de benoeming, gewijzigde Concept-Contract. Prof. Noordtzij toonde zich |42| aanvankelijk volstrekt niet tegen het voorstel-Bavinck c.s. gekant, en zeide ook later nog, dat, wanneer het voorstel-Bos vallen mocht, hij gaarne aan het voorstel-Bavinck medewerken en zich niet terugtrekken wilde. En zelfs had Prof. Lindeboom vlak vóór de Synode verklaard: liever het Concept-Contract gewijzigd of ongewijzigd aangenomen dan de toestand van onzekerheid bestendigd.

Met deze feiten voor oogen, hoe kon ik dan toch op de gedachte komen, dat, ook al werden nog zooveel rechten voor de kerken verworven bij benoeming, schorsing en ontslag, men toch niet zou medegaan en van het uitgangspunt een schibbolet zou maken?

4º. Bij dit verschil over het uitgangspunt trad, geheel tegen mijn vermoeden, dat over de benoeming in de schaduw. Maar toch was en bleef hare regeling van groot gewicht. In de particuliere samenkomst van Woensdagavond stelde ik voor, dat de benoeming geheel aan de kerken zou komen, maar dat Curatoren bij de benoeming aan de voordracht van professoren binnen zekere grenzen gebonden zouden zijn. Dit voorstel vloeide voort uit de overweging, dat bij de benoeming van professoren ook het wetenschappelijk belang in rekeniiig komen moet. Dit denkbeeld vond bij br. Bos instemming. Hij nam het in zijn oorspronkelijk voorstel over: „tot waarborg van het wetenschappelijke dezer inrichting benoemen de kerken op voordracht der Hoogleeraren” (Bazuin 25 Aug.)

Toen ik later op de Synode dit recht van voordracht verdedigde met een beroep op de regeling der benoeming aan de Theol. School, kwam er verandering in zijn voorstel. Hier in Kampen bestond n.l. de gewoonte, o.a. bij de benoeming van Prof. Biesterveld gevolgd, dat de professoren met de Curatoren en de tien door de Synode aangewezen deputaten één college bij de benoeming vormden, en dus niet alleen het |43| recht hadden van advies of voordracht, maar zelfs aan de beraadslagingen en ten slotte ook aan de stemming mochten deelnemen. Niemand had daartegen ooit eenig bezwaar ingebracht, noch Ds. Bos, noch Ds. Littooy, noch Prof. Noordtzij, noch Prof. Lindeboom, noch iemand anders.

Maar toen mijnerzijds in het voorstel aan de professoren niet het stemrecht en niet het recht van deliberatie en discussie maar alleen dat van binnen bepaalde grenzen bindende voordracht werd toegekend en dit met beroep op het gebruik aan de Theol. School verdedigd werd, toen kwam er in eens verzet. De oogen gingen open voor liet gevaar, dat de kerken in Kampen, aan de Theol. School, aan de eigen inrichting, van den katheder bedreigde.

En Ds. Bos wijzigde zijn voorstel aldus: „De Hoogleeraren in de Theologie worden benoemd door de Curatoren der Eigen Inrichting (of een Synodus Contracta) na prae-advies van de Theologische Professoren. Deze benoeming moet geschieden met minstens twee derde van de stemmen der Curatoren (of Synodus Contracta), welke benoeming vanwege de kerken door een benoeming tot hoogleeraar in de Theologische Faculteit door de Directeuren der Vereeniging voor Hooger Onderwijs gevolgd wordt.”

Hier was dus de voordracht door prae-advies vervangen. Maar daarbij waren wij bij het voorstel-Bos nog lang niet aan het einde der veranderingen.

Want bij eene latere discussie op de Synode werd de opmerking gemaakt, dat in dit gewijzigd voorstel de professoren eigenlijk van allen invloed bij de benoeming waren beroofd, tenzij bij conflict tusschen het advies der professoren en de keuze van de Commissie voor de benoeming aan de Generale Synode de eindbeslissing werd toegekend.

Maar dit stond in het gewijzigd artikel van het voorstel Bos niet in. Ds. Bos gevoelde echter het juiste der |44| opmerking en verklaarde, dat er onbegrijpelijker wijze een heel stuk uit dat artikel was uitgevallen. Er moest n.l. nog bijstaan: „Gaan de Curatoren der kerken in de benoeming buiten het prae-advies der Theologische Professoren, dan kunnen dezen tegen die benoeming, mits binnen twee maanden, schriftelijk gemotiveerde bezwaren bij de Curatoren der kerken inbrengen, en zullen dezen, wanneer zij bij hunne benoeming volharden, eene Generale Synode samenroepen, die binnen den tijd van een jaar vergadert en de zaak der benoeming tot beslissing brengt.”

Zoo verklaarde Ds. Bos. Maar anderen zeiden, dat Ds. Bos zich vergiste en dat dit gedeelte niet in het artikel behoorde te staan. Men scheen dus onderling niet bijzonder zeker van de zaak te zijn, wat bij een zoo gewichtig punt als de benoeming der hoogleeraren wel eenigszins bevreemdt.

Maar hoe dit zij, later werd officiëel medegedeeld, dat het door Ds. Bos er aan toegevoegde gedeelte er niet in behoorde te staan.

Zoo bleef echter de boven gemaakte opmerking van kracht, dat de professoren hoegenaamd geen invloed hadden bij de benoeming van een nieuwen ambtgenoot en dat de eindbeslissing bij de Commissie voor de benoeming verbleef.

Vrijdag 28 Aug. werd daarom medegedeeld, dat de broeders het stuk van de benoeming weder anders geregeld hadden. Het artikel moest nu aldus gelezen worden: „De hoogleeraren in de Theologie worden benoemd, wanneer niet de Generale Synode vergadert, door de Curatoren der Eigen Inrichting en de Deputaten ad hoc (zie art. 4). Deze benoeming geschiedt na prae-advies van de Theol. Professoren en met minstens veertien van de stemmen, welke benoeming vanwege de kerken door den benoeming tot hoogleeraar in de Theologische Faculteit door de Directeuren der Vereeniging voor Hooger Onderwijs |45| gevolgd wordt. Mocht het vereischte getal stemmen niet worden verkregen, dan zullen de Curatoren der Eigen Inrichting en de tien Deputaten bovengenoemd binnen één jaar eene Generale Synode doen samenroepen, die de zaak der benoeming beëindigt.”

Uit deze veranderingen blijkt, hoe weinig de broeders de zaak der benoeming hadden ingedacht. Onderling verschilden zij ten zeerste over de wijze, waarop ze geregeld moest worden. Alleen vreesde men van het voorstel-Bavinck c.s. dat de kerk erin werd overgeleverd aan den katheder!

En toch is deze vrees voor het grootste gedeelte denkbeeldig. Want ten eerste zal in de werkelijkheid het geval altijd zoo komen te staan, dat wanneer eenige Curatoren tegen eene voordracht bezwaar hebben, daarover ook in het college van Hoogleeraren reeds geen eenstemmigheid bestond. Vervolgens zullen Curatoren, zoodra het bezwaar een eenigszins ernstig karakter draagt, de verantwoordelijkheid eener benoeming noch tegenover het College van hoogleeraren noch tegenover de kerken op zich willen nemen, en dus zeer spoedig tot het samenroepen van eene Generale Synode besluiten. Voorts is de invloed der professoren op de benoeming van een ambtgenoot al te gering, wanneer deze tot het indienen van een advies beperkt wordt en de Curatoren daarmede doen kunnen, wat zij willen. Als er over den te benoemen persoon verschil bestaat, is de zaak gewichtig genoeg, om er eene bijzondere Generale Synode voor samen te roepen. En eindelijk bedenke men toch, dat de regeling der benoeming van een hoogleeraar altijd hoogst moeilijk blijft. Tegen elke regeling is er ten slotte bezwaar in te brengen. Eene volmaakte regeling bestaat er niet. Daarom stond dan ook voor de broeders, die op dit punt in het voorstel-Bavinck c.s. zich niet vinden konden, |46| alleszins de gelegenheid open, om er een amendement op in te dienen. Van principiëel verschil kon en mocht er bij dit punt geen sprake zijn.

5º. De discussie op de Synode had ook in art. 6 van het voorstel-Bos eene belangrijke wijziging ten gevolge. Daarin werd gehandeld over de onderteekening door de professoren van de Formulieren van Eenigheid en van Art. 2 der Statuten.

In het voorstel-Bavinck c.s. luidde het desbetreffende artikel aldus: „De Hoogleeraren in de Theologie onderteekenen de Formulieren van Eenigheid volgens een door de kerken daarvoor vast te stellen formulier; en ontvangen van de kerken vrijheid, om bij hunne benoeming tot Hoogleeraar in de Theologische Faculteit de verklaring te onderteekenen, dat zij in het artikel 2 der Statuten der Vereeniging voor Hooger Onderwijs aangegeven standpunt aanvaarden; met dien verstande, dat, naar het oordeel der Generale Synode, voor de Hoogleeraren in de Theologie deze verklaring hetzelfde inhoudt, als hetgeen in de onderteekening van de Formulieren van Eenigheid van hen door de kerken wordt geëischt, en dat eventueel verschil over de al of niet naleving van genoemd artikel 2 der Statuten voor hen door de Generale Synode alleen wordt beslist.”

Wij meenden, dat op deze wijze de onderteekening van art. 2 der Statuten, zonder iemands geweten te bezwaren, het best geregeld kon worden. Immers, de professoren onderteekenden dan wel als hoogleeraren in de Faculteit art. 2 der Statuten. Maar de Synode verklaarde officieel, dat deze onderteekening niets anders inhield dan die van de Formulieren van Eenigheid. En deze verklaring was niet zoo maar eens eene uitspraak, die morgen aan den dag weer teruggenomen kon worden, maar zij werd gegeven door de Synode, dat is door de Gereformeerde kerken |47| in Nederland. Ze kon door eene volgende Synode niet teruggenomen worden, tenzij zij heel het contract opzegde, want ze stond in dat contract. Zij werd dus officieel als het oordeel der Gereformeerde Kerken aan de Vereeniging voor Hooger Onderwijs aangeboden. Als deze dus het contract en in dat contract dit artikel aanvaardde, dan erkende zij daarmede feitelijk, dat de Synodale uitlegging van art. 2 der Statuten mogelijk en wettig was en zulke hoogleeraren, die art. 2 in dien geest opvatten, ten volle als hoogleeraren erkende en eerde.

Daarbij bedenke men nog, dat deze verklaring, door de Synode van art. 2 der Statuten gegeven, zonder twijfel in den kring der Vereeniging de heerschende is; dat er maar eene kleine groep is, die meent, dat art. 2 de Theol. hougleeraren behalve aan de Formulieren van Eenigheid ook daarnaast nog aan onomschreven beginselen bindt; dat de Synodale verklaring van art. 2 door de historie van den oorprong van dat artikel gewettigd, en als de juiste gerechtvaardigd wordt; en eindelijk, dat ten overvloede in het artikel van het voorstel-Bavinck opgenomen is, dat bij een eventueel conflict over de naleving van dit artikel de Vereeniging niets en de kerken alles te zeggen hebben. Wie dit alles goed overweegt, moet erkennen, dat de andere uitlegging van art. 2, door enkelen voorgestaan, inderdaad theoretisch en practisch van alle kracht is beroofd en geen enkel hoogleeraar, die een ander gevoelen toegedaan is, in eenig opzicht bindt of ook maar in het minst zijn geweten bezwaren kan.

Maar de broeders Bos c.s. waren hiermede niet tevreden. Zij leverden een ander artikel van dezen inhoud: „De Hoogleeraren in de Theologie onderteekenen, mede ter voldoening aan het bedoelde in art. 1 van het reglement voor de hoogleeraren van de Vrije Universiteit de |48| Formulieren van Eenigheid, volgens een door de kerken daarvoor vastgesteld formulier.”

Op de Synode werd echter door een der afgevaardigden op scherpzinnige wijze in het licht gesteld, dat dit artikel veel erger was, dan het desbetreffend artikel in het voorstel der vier hoogleeraren. Deze critiek maakte indruk en had ten gevolge, dat het artikel in het voorstel-Bos nu aldus gewijzigd werd: „De hoogleeraren in de Theologie onderteekenen de Formulieren van Eenigheid volgens een door de kerken daarvoor vastgesteld formulier en zijn vrijgesteld van de onderteekening van art. 2 der Statuten van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs.”

Dit nu komt zakelijk met het artikel van het voorstel-Bavinck c.s. overeen. Want of men zegt: gij onderteekent alleen de Formulieren van Eenigheid en niet art. 2, dan wel of men zegt: gij onderteekent beide, maar die onderteekening houdt beide malen precies hetzelfde in, n.l. verbintenis aan de Formulieren van Eenigheid, dat komt volkomen op hetzelfde neer.

Formeel verdient echter het artikel in het voorstel-Bavinck c.s. de voorkeur. Want daarin wordt rekening gehouden met de dubbele qualiteit der hoogleeraren; zij zijn professoren aan de School der kerken en tevens professoren in de Theol. Faculteit. Het voorstel-Bos wil dit eigenlijk ook. Want de Eigen Inrichting is toch ook weer Faculteit; de hoogleeraren aan de Eigen Inrichting zijn als hoogleeraren in de Theol. Faculteit volgens art. 8 van het voorstel-Bos ook aan de regelingen en het toezicht der Vrije Universiteit onderworpen. Welnu, dan zijn ze volgens dit artikel toch ook weer gebonden aan art. 2 der Statuten. Het conflict tusschen art. 6 en art. 8 in het voorstel-Bos kan tot allerlei moeilijkheden aanleiding geven. Dan alleen zou alles op het standpunt van het voorstel-Bos in orde |49| zijn, als de Vereeniging art. 2 der Statuten wijzigde of er een bepaalde verklaring van gaf. Dat was dan ook de wensch van Prof. Noordtzij. Maar aan dien wensch komt het voorstel-Bos veel minder dan het voorstel-Bavinck tegemoet. In dit laatstgenoemde voorstel accepteert de Vereeniging de Synodale exegese van art. 2 als mogelijk en gerechtigd. Maar in het voorstel-Bos kan zij de verklaring, door enkele anderen ervan gegeven, als de eenigjuiste blijven erkennen. En wijl de Theol. Professoren opzettelijk van de onderteekening van art. 2 zijn vrijgesteld, wordt deze verklaring der minderheid eigenlijk zijdelings door de Synode als de eenig-ware erkend.

En dat is het juist, wat het voorstel-Bavinck c.s. beslist ontkent en de Vereeniging dwingt te ontkennen. De bedoeling van het voorstel-Bos is goed, maar het tegendeel wordt er door bereikt.

6º. In beide voorstellen is er ook verschil over de salarieering. In het voorstel-Bavinck c.s. ontvangen de hoogleeraren in de Theologie hun tractement ten deele uit de kas der kerken en ten deele uit de kas der Vereeniging. Maar volgens het voorstel-Bos wordt het tractement, dat in beide voorstellen even hoog is, geheel en al door de kerken betaald.

Nu is hier op zichzelf niet veel tegen. Persoonlijk zou ik er hoegenaamd geen bezwaar tegen hebben. En ik zou mij zeer goed kunnen voorstellen, dat de Vereeniging voor Hooger Onderwijs bij overeenkomst tot de kerken zeide: indien gij het gansche tractement wilt uitbetalen, is mij dat aangenaam; ik heb er voordeel bij en kan mij daardoor des te beter toeleggen op de versterking en uitbreiding der andere faculteiten.

Doch men moet weten, dat dit punt van de salarieering niet nieuw is, maar reeds op de conferentie te Utrecht 10 Sept. 1901 is besproken. Daar werd toen algemeen |50| goed gevonden, om de salarieering zoo te regelen, als thans nog precies op dezelfde wijze in het voorstel-Bavinck c.s. wordt aangegeven. De redeneering was toen aldus: het zou wel mooi wezen, als heel het tractement door de kerken kon uitbetaald worden, want dan hadden zij ook financieel met de Vereeniging niets te doen. Maar men gevoelde ook de bezwaren. Want 1º. moet het tractement, bij vereeniging van School en Faculteit, voor al de hoogleeraren in de Theologie gelijk gemaakt en dus voor de professoren in Kampen aanmerkelijk verhoogd worden. 2º. Als al de professoren van de Theol. School en de Theol. Faculteit bij elkaar komen, zijn zij niet minder dan acht in getal. (Prof. Wielenga leefde toen ook nog). Als ieder een tractement van f 5000 ontvangt, is dat eene jaarlijksche uitgave van f 40.000. 3º. Daarbij komt, dat de kerken nog een gymnasium hebben, waar jaarlijks een twaalf à vijftien duizend gulden bij moet. En ook al dragen zij het gymnasium aan eene vereeniging over, zij zullen toch nog jaren lang eene vrij hooge subsidie aan zulk eene vereeniging moeten uitkeeren, in de eerste jaren zeker een f 10.000. En daarbij komen de kosten van verhuizing, gebouwen enz. Algemeen werd gevoeld, dat de kerken, als ze alles moesten betalen, al te zwaar zouden worden belast. En vandaar dat de salarieering toen met aller toestemming zoo is geregeld, als nu nog in het voorstel-Bavinck geschiedt. Niemand verklaarde zich daar tegen. Allen zonder uitzondering, Ds. Bos, Ds. Littooy, Prof. Wielenga enz., gaven er hun stem aan. Zij overwogen daarbij ook nog dat, als de hoogleeraren in de Theologie niet alleen dienst deden als hoogleeraren aan de Theol. School maar ook als hoogleeraren in de Theol. Faculteit, de Ver eeniging voor dezen dienst dan ook wel een gedeelte van het tractement kon betalen. |51|

Niemand kon dus verwachten, dat op het punt van de salarieering verschil zou ontstaan. Wij waren het daarin allen eens geworden en, naar ik meende, eens gebleven. Ds. Bos, Ds. Littooy, Prof. Noordtzij, ze hebben geen van allen vóór de Synode hun bezwaar tegen de overeengekomen tractementsregeling kenbaar gemaakt. Maar plotseling vernemen we op de Synode, dat men van de andere zijde ook op dit punt terugkomt. Het recht daartoe betwist ik niet. Maar had ik het recht dan ook niet, om mij te houden aan de bepaling, die algemeen goedgevonden was, en die daarom geschikt was, om verdeeldheid te voorkomen en de eenheid te bewaren?

7º. Ook de wijze, waarop de benoeming van de Curatoren in beide voorstellen geregeld is, verdient een oogenblik de aandacht.

Meermalen had ik gemerkt, dat de eisch, om het recht van benoeming, schorsing en ontslag geheel aan de kerken toe te kennen, bij hen, die voorstanders waren van de Vrije Universiteit, daarom vooral op bezwaren stuitte, wijl de Curatoren der School, door de provinciale Synoden benoemd, bijna allen mannen uit de actie van 1834 waren en dus de mannen uit de beweging van 1886 zoo goed als geheel ter zijde drongen.

Het rechtmatige van dit bezwaar werd door mij gevoeld. De Christ. Geref. kerk en de Nederd. Geref. kerken zijn in 1892 zoo vereenigd, dat ze elkaar volkomen als van gelijken rechte erkenden. En zoo moeten wij nog met elkaar omgaan, ten minste zoolang het verschil van oorsprong in den stroom van het kerkelijk leven zich voortzet.

Daarom werd door mij in de particuliere samenkomst van eenige broederen op Woensdagavond 20 Aug. voorgesteld, dat de benoeming van Curatoren plaats zou hebben door de Generale Synode en. dat deze daarbij rekening |52| zou houden met de tweeërlei actie, waaruit de tegenwoordige Gereformeerde kerken zijn voortgekomen.

Dit denkbeeld vond bij de broederen ingang. Deze gulle erkenning van het gelijke recht der beide kerkengroepen deed hen, die anders hiertegen bezwaar gehad zouden hebben, er in toestemmen, dat het recht van benoeming, schorsing en ontslag van de hoogleeraren uitsluitend aan de kerken toegekend werd.

Ook Ds. Bos, in de vergadering tegenwoordig, gevoelde eenige sympathie voor het uitgesproken denkbeeld. Ook hij meende, dat er aan het geopperde bezwaar op eenigerlei wijze tegemoet gekomen moest worden. Hij formuleerde daarom de benoeming van professoren aldus: „ter voorkoming van eenzijdigheid bij de tegenwoordige gedeeldheid in de kerken, zal de benoeming moeten geschieden met 2/3 meerderheid van de Curatoren, met recht van beroep op de Generale Synode, die alsdan beslist” (Bazuin 25 Aug. 4e bl. 1e kol.) En de benoeming van de Curatoren werd nog weer later, in het uitgewerkte voorstel-Bos art. 15, aldus geregeld. „Vanwege de kerken worden tien Curatoren (met hunne secundi) benoemd, voor elke provincie één; Deze benoeming geschiedt door de Generale Synode, uit een voordracht van dubbeltallen door de Prov. Synodes.”

In beide voorstellen is er dus afwijking van wat op de conferentie te Utrecht vastgesteld en dus in het ongewijzigd Concept-Contract opgenomen was. Beide voorstellen gingen uit van de gedachte, dat er op dit punt, met het oog op het ingebrachte bezwaar, eenige wijziging noodig was. En beide toonen in de desbetreffende artikelen, dat zij bij benoeming van Curatoren en Professoren eenzijdigheid vermijden en de eelie groep niet over de andere willen laten heerschen. Maar zij verschillen in de wijze, waarop zij aan het ingebrachte bezwaar tegemoet willen komen. |53|

Is dàt echter een verschil van principieelen aard? En bestond er genoegzame reden om ook op dit punt eene anti-thetische houding aan te nemen? Niemand die het beweren zal. Vergelijk was bij dit artikel evenmin van te voren afgesneden, als bij al de andere, die tot dusver met een enkel woord besproken werden.

8º. Ten slotte nog het in veler oog belangrijkste punt. Er wordt gezegd, dat het voorstel-Bavinck c.s. onduidelijk is. Niemand weet te zeggen, of de Theol. School erin blijft of niet, en waar zij na de vereeniging met de Theol. Faculteit is te vinden. Maar het voorstel-Bos schenkt klaren wijn. Hier blijft de Eigen Inrichting der kerken gaaf en ongeschonden bestaan.

Laten we dit eens nauwkeurig van nabij bezien! En dan ontbreekt het zeker in het voorstel-Bos niet aan den naam van Eigen Inrichting. Die komt er, goed geteld, niet minder dan achttien malen in voor. Wie met woorden en klanken tevreden is, kan dus gerust zijn. Aan de „Eigen Inrichting” wordt in het voorstel-Bos meer eere, gegeven dan in de thans te Kampen bestaande Theol. School, die nooit officiëel onder dien naam optreedt.

Maar beantwoordt de zaak aan den naam? Wordt in het voorstel-Bos werkelijk datgene behouden, wat onder den naam van Eigen Inrichting verstaan wordt? Daarbij blijve nu maar kortheidshalve buiten bespreking, dat ook in dit voorstel het gymnasium van de Theol. School losgemaakt, de propaedeuse weggelaten, Kampen als plaats van vestiging prijs gegeven wordt.

De Eigen Inrichting wordt dus op alle manieren en aan alle zijden afgetakeld. Er blijft niets van over, dan de vier of vijf Hoogleeraren in de Theologie, die met de opleiding belast zijn en vanwege de kerken benoemd, geschorst, ontslagen en gesalariëerd worden. |54|

Maar dit daargelaten. Blijft de Eigen Inrichting in dezen afgetakelden vorm bij het voorstel-Bos volledig en ongeschonden bestaan? Om deze vraag juist te beantwoorden, lette men op het volgende:

a. In het genoemde voorstel gaat aan de artikelen eene overweging vooraf, en daarin staat geschreven: „dat het wenschelijk is, de twee thans bij hen bestaande inrichtingen voor Theologisch onderwijs en opleiding tot den dienst des Woords, n.l. de Theologische School te Kampen en de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam, tot ééne inrichting te vereenigen.”

Zoo staat er letterlijk. Maar met deze overweging is het uitgangspunt in art. 1 in strijd. Want hier wordt de eenheid verkregen, niet door vereeniging van de twee inrichtingen, maar door het opnemen van de Eigen Inrichting als Theol. Faculteit in de Universiteit. De zaak is deze, dat de overweging aan het Concept-Contract is ontleend en, zeker bij vergissing, boven de artikelen van het voorstel-Bos is geplaatst. Wel is dit eenigermate bevreemdend, vooral omdat het uitgangspunt van het voorstel-Bavinck c.s. het scherpst is afgekeurd en nu toch in het andere voorstel als overweging is opgenomen. Maar in elk geval bewijst deze tegenstelling tusschen overweging en uitgangspunt, dat de Eigen Inrichting ook in het voorstel-Bos allesbehalve gaaf blijft bestaan.

b. In artikel 1 van dit voorstel staat te lezen, dat de Eigen Inrichting als Theol. Faculteit opgenomen wordt in de Vrije Universiteit naast de andere faculteiten, maar dan toch met deze in zulk een verband wordt gezet, als voor de eenheid van het universitair onderwijs noodig is. Ze treedt dus in verband. Maar wat in verband treedt, is daardoor vanzelf gebonden. Een verband is een band. Het kan sterker of zwakker, enger of ruimer zijn, maar een |55| band blijft het. De Eigen Inrichting verliest dus ook in het voorstel-Bos een deel van hare zelfstandigheid. Het zeggenschap der kerken over haar is niet volstrekt meer, maar wordt beperkt door het verband, waarin zij tot de andere faculteiten wordt gezet. Zij wordt zelve eene Faculteit, deel van een geheel, onderworpen aan de wetten, die voor dat geheel gelden.

c. In art. 5 staat: de benoeming van de professoren aan de Eigen Inrichting door de Curatoren der kerken wordt gevolgd door eene benoeming tot hoogleeraren in de Theol. Faculteit door de Directeuren der Vereeniging. Deze tweede benoeming past zeer goed in het voorstel-Bavinck c.s., waar de hoogleeraren eene dubbele qualiteit blijven dragen. Maar zij is moeilijk in overeenstemming te brengen met het uitgangspunt van het voorstel-Bos, dat de Eigen Inrichting, als zoodanig, zonder meer, als Theol. Faculteit wil laten optreden. De dubbele benoeming onderstelt het tweeërlei karakter der ééne inrichting. Maar hoe kan daarvan sprake zijn, als er niets anders is dan de Eigen Inrichting? En waar blijft de ongeschonden Eigen Inrichting, als de dubbele benoeming gehandhaafd wordt?

d. Volgens art. 8 van het voorstel-Bos zijn de hoogleeraren der Eigen Inrichting onderworpen aan de regelingen en het toezicht van hare Curatoren. Maar dan volgt er: en als hoogleeraren in de Theol. Faculteit zijn zij onderworpen aan de regelingen en het toezicht der Vrije Universiteit. Deze bepaling gaat weder uit van de onderstelling, dat de beide inrichtingen vereenigd zijn, dat de hoogleeraren eene dubbele qualiteit dragen, dat zij twee benoemingen ontvangen, dat zij onder twee colleges staan, en dus aan een dubbel stel regelingen en aan tweeërlei toezicht onderworpen zijn. Alles uitnemend, precies als in het andere, door de vier hoogleeraren ingediende voorstel. |56| Maar waar blijft hier de Eigen Inrichting? Waar moet men ze zoeken, nadat ze als Theol. Faculteit met de andere faculteiten in verband is gezet?

e. Evenzoo is in art. 9, 10, 11, 16 van het voorstel-Bos naast elkaar van de Curatoren der kerken en van de Curatoren der Vrije Universiteit of de Directeuren der Vereeniging sprake. Natuurlijk bestaat hier dezerzijds niet de geringste bedenking tegen. In het andere voorstel geschiedt dit op dezelfde wijze. Maar de vraag is slechts: op welken grond wordt beweerd, dat de Eigen Inrichting in het voorstel-Bos beter in hare zelfstandigheid gehandhaafd wordt dan de Theol. School in het voorstel-Bavinck c.s.?

Neen, voor wie de voorstellen onbevangen vergelijkt, staat de zaak eenvoudig zoo, dat de Eigen Inrichting of de Theol. School in beide voorstellen evengoed verdwijnt en voortbestaat, alnaardat men het neemt. Het verschil zit alleen hierin, dat het voorstel-Bos in art. 1 den schijn aanneemt, en door het telkens herhalen van den naam: Eigen Inrichting dien schijn doet voortduren, alsof deze Eigen Inrichting gaaf en ongeschonden bleef bestaan.

Maar het andere voorstel zegt rond en eerlijk: neen, de Theol. School, zooals die nu in Kampen bestaat, blijft niet bestaan, zij wordt vereenigd met de Theol. Faculteit. Alleen het wezenlijke in die School, n.l. het zeggenschap der kerken over de School der opleiding, dat blijft.

En zoo ook: de Theol. Faculteit, zooals die nu in Amsterdam bestaat, blijft niet bestaan; zij verliest hare souvereiniteit in eigen kring, hare onafhankelijkheid van de kerken. Maar het wezenlijke in haar, dat blijft, n.l. het ingelijfd zijn in de Universiteit.

Van weerszijden worden dus offers gebracht. Maar daarom is het voorstel ook voor allen aannemelijk. |57|

Ziedaar de voornaamste punten van verschil tusschen de beide voorstellen. Of deze principieel en onverzoenlijk zijn, make een ieder voor zichzelven uit. Voor mij waren zij het aanvankelijk niet, en zijn zij het nog niet, voorzoover zij gaan over de benoeming, de onderteekening van art. 2 der Statuten, de salarieering en andere meer ondergeschikte zaken.

Maar het valt niet te ontkennen, dat het voorstel-Bos langzamerhand door de tegensteling eene beteekenis heeft verkregen, die het misschien oorspronkelijk niet had, die er wellicht aanvankelijk heel niet mede bedoeld werd, maar die er toch allengs aan gehecht en nu bijna onafscheidelijk aan verbonden is. Dat is een gevolg van den loop der omstandigheden, die niemand geheel in zijne macht heeft en die ons dikwerf, zonder en eer wij het vermoeden, brengen kan, waar wij niet wezen willen. De leiders worden zoo menigmaal, ondanks zichzelven, geleid.

Dat is, naar mij voorkomt, ook bij bet voorstel-Bos het geval geweest. En vandaar, dat het hoe langer hoe meer onaannemelijk werd.

Eerst ben ik op de Synode alleen tot een eigen, van dat van broeder Bos afwijkend voorstel gekomen, omdat ik meende, dat het mijne bleef uitgaan van datgene, wat over en weer was aangenomen en tot op de Synode toe bij niemand bestrijding had gevonden, en omdat dus een voorstel in dien geest de meeste kans van slagen bood. Ik meende, op de Synode mij niet gansch en al van het aangeboden Concept-Contract te mogen losmaken en plotseling een gansch ander standpunt te mogen innemen. De gedachte lag mijlen ver van mij, dat Ds. Bos dit wel van plan was te doen. Toch, als het op het recht en de vrijheid daartoe aankwam, dan waren deze aan mijne zijde nog grooter dan aan de zijne. Want vóór de Synode |58| was mijne houding tegenover het Concept-Contract zeer gereserveerd geweest. Ik stond er veel vrijer tegenover dan Ds. Littooy, die het op de classis Middelburg, en Ds. Bos, die het op de classis Dokkum en op de Friesche Synode verdedigd en aanbevolen had. Van meetaf was mijn oordeel, dat het Concept-Contract op belangrijke punten gewijzigd moest worden, als het ons brengen wilde tot eenheid van opleiding.

Maar ik was tevens van gedachte, dat door belangrijke wijzigingen het Concept-Contract voor bijna alle broederen aannemelijk kon gemaakt worden. En het scheen mij een eisch van eerlijkheid en goede trouw, om in dien weg de eenheid te zoeken. Wij hadden op 10 Sept. 1901 te Utrecht een gemeenschappelijk uitgangspunt gevonden. Ds. Bos, Ds. Littooy enz. hadden daarmede hunne instemming betuigd. Wij moesten ons dus, naar mijne meening, daaraan houden. Indien de een weer dezen, en de ander dien kant uitging, was van te voren te berekenen, dat alle poging tot vereeniging met onvruchtbaarheid geslagen zou worden.

Voorts zij ieder in zijne eigene conscientie ten volle verzekerd en ieder beslisse voor zichzelven, in hoeverre en hoelang hij aan het gegeven woord in deze zaak zich gebonden moest achten. Maar voor mijn eigen geweten zou het een daad van ontrouw en van oneerlijkheid zijn geweest, als ik, handelende, alsof de conferenties niet gehouden waren en geen Concept-Contract aan de kerken aangeboden hadden, het uitgangspunt van 10 Sept. verlaten had en tot mijn voorstel van 1899 teruggekeerd was. Dit mocht en dit wilde ik niet doen.

En het was ook volstrekt niet gebleken, dat dit noodzakelijk of gewenscht was. Want in 1899 was dit voorstel, zoodra de Heraut er zich tegen verklaarde, in de kerken |59| vrij koel ontvangen. Broeders, die er nu sterk voor zeggen te ijveren, gevoelden er toen bitter weinig sympathie voor. Nadat het Concept-Contract aan de kerken in dit jaar was toegezonden, heeft geen enkele kerkelijke vergadering het voorstel van 1899 ter sprake gebracht; voorzoover zij eenheid van opleiding thans wenschelijk en mogelijk achtten, hebben zij die alle in den weg van het min of meer gewijzigd Concept-Contract begeerd. De Utrechtsche vergadering, door Prof. Noordtzij saamgeroepen, nam het voor dat voorstel niet op. Prof. Noordtzij diende het, als lid van de commissie voor de opleiding, op de Synode niet in. Ds. Bos en Ds. Littooy hadden vóór de Synode met geen woord laten weten, dat zij thans alleen eenheid wilden in den weg van het voorstel van 1899. Van Ds. Bos, die het Concept-Contract op classis en provincie verdedigd had, was allerminst te verwachten, dat hij plotseling op de Synode een gansch ander standpunt zou gaan innemen.

Wat reden, wat recht, wat vrijheid bestond er dan toch, om eensklaps op de Synode de eenheid der broederen, voorzoover ze op de conferentie en in het Concept-Contract verkregen was, te verbreken en een voorstel in te dienen, dat door geen enkele kerk was overgenomen? Hoewel ik het voorstel van 1899 nog geheel voor mijne rekening neem en in dien weg wel terdege eenheid van opleiding mogelijk blijf achten, wensch ik toch in eene zaak als deze het recht der kerken te erkennen. Als zij toonen, het niet te willen, zou het mij niet passen, om het haar op te dringen.

In volle oprechtheid verklaar ik hier dan ook, dat ik er geen flauw vermoeden van gehad heb, dat de broeders Bos c.s. ook dan niet zouden medegaan, wanneer in zake benoeming, schorsing en ontslag het zeggenschap geheel |60| aan de kerken bleef. In dien geest heb ik op de Synode, gesproken en gearbeid. Natuurlijk kan ik mij daarin hebben vergist. Het is mogelijk, dat toch weer bij benoeming, schorsing en ontslag in het voorstel-Bavinck niet dat recht der kerken is verworven, dat door de broeders Bos c.s. werd begeerd. Maar indien zij gewild hadden, dan hadden wij daarover toch op de Synode, ook nog nadat de stemming over de artikelen en voordat de eindstemming had plaats gehad, nader kunnen spreken. Onzerzijds werd dit voorgesteld, maar de broeders Bos c.s. meenden op dezen voorslag niet te moeten ingaan.

Trouwens het bleek op de Synode hoe langer hoe duidelijker, dat al werd het recht der kerken bij benoeming, schorsing en ontslag ook volledig gehandhaafd, de broeders Bos c.s. daarmede thans niet meer tevreden zouden zijn. En was een ander punt op den voorgrond geschoven. Het voorstel-Bavinck c.s. wilde, getrouw aan de afspraak van 10 Sept. 1901 en getrouw aan het door geen enkele kerk afgekeurde uitgangspunt van het Concept-Contract, dat de eenheid van opleiding in dien weg tot stand zou komen, dat Theol. School en Theol. Faculteit vereenigd werden tot ééne inrichting, die tegelijk School der Kerken en Faculteit der Universiteit zou zijn.

Zonder dat iemand dit vermoeden of verwachten kan, heeft Ds. Bos dit uitgangspunt veranderd. Hij heeft met het Concept-Contract, met de uitspraak der kerken over dit punt, met de afspraak op 10 Sept. 1901, hoegenaamd geen rekening gehouden en zich er in geen enkel opzicht door gebonden geacht, en heeft een gansch nieuwen weg aangewezen, om tot eenheid van opleiding te komen, n.l. om de „Eigen Inrichting” te laten opnemen als Theol. Faculteit naast de andere Faculteiten in de Vrije Universiteit. Ik wil aan Br. Bos in geenen deele het recht |61| betwisten, om zulk een Voorstel te doen. Ik constateer alleen het feit. Maar dit feit leert dan toch, dat niet door mij, maar door hem de afspraak verbroken en de gemeenschappelijke grondslag verlaten is. En allen die dit lezen, zullen mij om deze reden zeker wel willen gelooven, als ik open uitspreek, dat ik vóór en bij het indienen van mijn voorstel in elken kring van broederen voor het recht der kerken bij benoeming, schorsing en ontslag in de bres ben gesprongen. Ik deed dat, omdat ik van overtuiging ben, dat in onze tegenwoordige toestanden een sterk zeggenschap van de kerken in zake opleiding en theologie wenschelijk en noodzakelijk is. Maar ik deed dat ook, om de broederen, die aan de Theol. School gehecht zijn, te winnen. Ik deed het, om aan de broeders Bos, Littooy enz. op allerlei wijze tegemoet te komen en voor de eenheid van opleiding hun stem te verwerven. En ik heb, misschien dwalende maar in elk geval volkomen ter goeder trouw, gemeend, dat de broeders dan zouden kunnen medegaan, wanneer bij benoeming, schorsing en ontslag het recht der kerken verzekerd was.

En dan ten slotte nog als een ontrouwe te worden uitgeworpen, omdat men niet plotseling en onverwacht op de Synode een gansch ander standpunt dan het gemeenschappelijk vastgestelde heeft durven en willen innemen — het wondt dieper, dan zich in woorden uitdrukken laat.


Maar, zal men zeggen, we deden toch niet anders, dan tot het voorstel teruggaan, dat uwerzijds in 1899 was ingediend. Om redenen van eerlijkheid en goede trouw kondt gij het misschien op de Synode niet steunen; maar wat wij wilden, is toch zakelijk niets anders dan hetgeen door u in 1899 werd begeerd.

Ook deze opmerking verdient overwogen te worden. En |62| dan is er ongetwijfeld overeenkomst tusschen het voorstel Bos en dat van mij op de Synode te Groningen. Maar overeenkomst is geen identiteit. Als twee hetzelfde doen, is het nog niet hetzelfde. Als Ds. Bos niets anders bedoelde, dan mijn voorstel van 1899, waarom nam hij het dan niet over, gelijk het daar lag? Dit deed hij echter niet; hij gaf er eene verklaring en een uitwerking van, die ik onmogelijk voor mijne rekening kan nemen. Bij aandachtige vergelijking zal ieder dit inzien.

Beslissend te dezen opzichte is — om andere, min of meer belangrijke verschillen kortheidshalve onbesproken te laten — dat in mijn voorstel (Theologische School en Vrije Universiteit bl. 71 v.) nooit sprake is van de Eigen Inrichting, maar van de Theologische School, of liever nog van eene Hoogeschool voor de wetenschappelijke beoefening der Theologie en voor de opleiding tot den dienst des Woords. In het voorstel-Bos echter is de „Eigen Inrichting” schering en inslag. En dat is geen verschil in naam slechts en van toevalligen aard, maar het is wezenlijk. Zoodra de naam veranderd werd, zou het voorstel-Bos voor een goed deel zijn eigenaardig karakter verliezen. Aan dien naam zit een historie verbonden. In dien naam wordt een beginsel gezocht. Er ligt in, dat de kerken altijd en overal van Godswege geroepen zijn, om zelve, zonder eenige medewerking van anderen, voor de wetenschappelijke beoefening der Theologie en voor de opleiding tot den dienst des Woords zorg te dragen.

De broeders, die het voorstel-Bos steunden, hebben dit met die uitdrukking zeker niet allen bedoeld. Maar ze zullen niet kunnen ontkennen, dat het licht, waarin die naam van „Eigen Inrichting” staat, en de historie, die er aan verbonden is, onwillekeurig de gedachte aan het daar mee uitgedrukte beginsel doet opkomen. |63|

Dit nu is mijne overtuiging nooit geweest en is het nog niet. Toen wij, hoogleeraren aan de Theol. School, in 1899 een gemeenschappelijk voorstel aan de kerken aanboden, zijn wij niet op principiëele maar op practische gronden tot die overeenstemming gekomen. Mijne ambtgenooten Noordtzij, Wielenga, Biesterveld en ik hebben toen en later herhaaldelijk in tegenwoordigheid van Prof. Lindeboom verklaard, dat wij met dat voorstel en ook met de in de Bazuin van 22 Maart 1901 gepubliceerde Stellingen volstrekt niet geacht wilden worden, het beginsel eener Eigen Inrichting toegedaan te zijn. Alleen meenden wij, dat in de hedendaagsche toestanden een sterk zeggenschap aan de kerken in zake opleiding en theologie toekwam, dat eene kerk voor deze belangen evengoed zorgen kon en mocht als eene particuliere vereeniging, en dat in dien weg ook het best naar onze overtuiging eene vereeniging van Theol. School en Theol. Faculteit te verkrijgen zou zijn.

Prof. Lindeboom zal de eerste willen zijn, om de juistheid van deze mededeeling te bevestigen. Wij hebben op dit punt altijd rond en open met elkander omgegaan en wisten en weten zeer goed, wat wij aan elkander hebben.

Dat dit beginsel, aan den naam van „Eigen Inrichting” verbonden, langzamerhand de gedachten van alle voorstandbrs van het voorstel-Bos is gaan beheerschen, blijkt uit de volgende feiten.

a. Toen Vrijdag 29 Aug. de eindstemming over de beide voorstellen had plaats gehad en het voorstel-Bosverworpen was, legden de voorstanders daarvan officiëel eene verklaring af, dat zij niet konden stemmen voor het voorstel-Bavinck, omdat dit voorstel naar hunne overtuiging niet in overeenstemming was met het door alle vereenigde kerken in 1891/92 aanvaarde beding betreffende eene |64| yeigene inrichting ter opleiding voor den dienst des Woords” (Bijvoegsel van de Bazuin n. 37, 2e bladz.)

De vorm is zachter, dan waarin men van dezelfde zijde in 1893 de Concept-regeling verwierp, maar de zaak is dezelfde. Het voorstel-Bavinck c.s. is in de eerste en voornaamste plaats verwerpelijk, omdat het met het beding van 1892 in strijd is. Nu zij er maar niet op gewezen, dat de broeders Bos c.s., dit verklarende, met zichzelven in lijnrechte tegenspraak komen. Want indien het voorstel-Bavinck met het beding van 1892 in strijd is, dan geldt dat in nog sterker mate van het Concept-Contract. Maar dat Concept-Contract is met medewerking van br. Bos en Littooy e.a. opgesteld, het is door hen op de kerkelijke vergaderingen, veel sterker dan ooit door mij is geschied, verdedigd en bepleit. Zij hebben dus feitelijk maanden lang zich schuldig gemaakt aan schending van het beding, aan ondermijning van het beginsel, dat de kerken moeten hebben een „eigen inrichting” tot opleiding voor den dienst des Woords.

Maar de broeders kunnen zich een tijdlang vergist hebben en thans tot een beter inzicht gekomen zijn. Dat is natuurlijk mogelijk; en eerlijkheid gebiedt, om dan naar die veranderde overtuiging te spreken en te handelen. Doch dan ligt daarin opgesloten, dat die verandering niet bij mij, maar bij de andere broeders, heeft plaats gehad; dat die verandering zoo groot is geweest, dat zij nu in strijd achten met het beding, wat zij zelf eerst hebben goedgevonden; en dat daarom die verandering niet louter van practischeii, maar van principiëelen aard moet geweest zijn. Zij zouden m.a.w. niet kunnen verklaren, dat het voorstel-Bavinck c.s. met het beding in strijd was, indien zij in dat beding niet een onschendbaar beginsel zagen.

Hoe daarmede nu weer te rijmen is, dat zij |65| desniettegenstaande een voorstel indienden, dat de eigen inrichting toch weer in verband met de Vrije Universiteit bracht en dus in diezelfde mate van hare zelfstandigheid beroofde, mogen de broeders voor zichzelven beoordeelen. Ons is het genoeg, er opmerkzaam op te maken, dat de aanklacht, alsof het voorstel-Bavinck c.s. met het beding in strijd is, stilzwijgend van de onderstelling uitgaat, dat dat beding een onaantastbaar beginsel inhoudt.

b. Diezelfde onderstelling ligt ten grondslag aan de houding, die de broeders Bos c.s. aannamen, nadat de eindstemming had plaats gehad. De praeses vraagde hen, of zij naar de meerderheid zich conformeeren en bij het besluit zich konden neerleggen. In dat geval zou het besluit natuurlijk door de Synode zijn uitgevoerd.

Maar, ofschoon niemand toen officieel namens de minderheid spreken kon, Ds. Bos zeide toch: Meer dan ééne prov. Synode heeft haar leden in last gegeven, niet over te gaan tot uitvoering van een besluit, wanneer een aanzienlijke meerderheid daartegenover staat. Daarom bedenke de meerderheid, dat zij niet doorga. Aan der broederen overweging geven wij het over: niet tot de uitvoering van het besluit over te gaan. Ds. Littooy zei: de beide voorstellen zijn niet in wezen gelijk. Het verschil zit in Art. 1. Het voorstel-Bavinck c.s. voldoet niet aan 1893 en ’99. Veel sterker liet echter Prof. Lindeboom zich uit; volgens het verslag in de Bazuin (Bijvoegsel n. 37, 2e bladz.) zeide hij: Na de verklaring van Ds. Bos behoefde er geen gedachte te zijn aan een zich neerleggen van de minderheid bij de meerderheid. Hij kan zich in geenen deele neerleggen. Zal de Synode het besluit uitvoeren, dan ga ik nietmede. En aan het slot voegde Prof. Lindeboom eraan toe: van een niet willen medegaan met het voorstel-Bavinck is bij ons geen sprake, maar wij kunnen niet. |66|

Natuurlijk nemen wij deze verklaring aan, zooals ze daar ligt. Maar dan is daar weder mede uitgesproken, dat er tusschen het voorstel-Bavinck c.s. en het voorstel-Bos naar het gevoelen der minderheid een principieel verschil moet bestaan. En dat kan niet anders liggen, dan in het beginsel van de eigen inrichting.

c. Nog sterker heeft Prof. Lindeboom zich na de Synode uitgedrukt. Op het titelblad van zijn maandschrift: Wat zegt de Schrift, Sept. 1902 kondigde hij de vorige week aan, dat hij eerlang in eene korte toelichting bij de beide voorstellen het diepgaand, principieel en practisch verschil tusschen beide zou aantoonen.

Uit deze feiten blijkt zonneklaar, dat het voorstel-Bos c.s. ook al is het door den opsteller oorspronkelijk niet zoo bedoeld, toch feitelijk van een andere gedachte uitgaat en een anderen geest ademt, dan het voorstel-Bavinck op de Synode te Arnhem en ook op de Synode te Groningen. Het voorstel-Bos c.s. is door de omstandigheden geworden tot een voorstel van Prof. Lindeboom, die inzake de opleiding en theologie, gelijk hij zelf gaarne erkennen zal, altijd een ander beginsel heeft gehuldigd, dan al zijne ambtgenooten, niet alleen Prof. Biesterveld en mij, maar ook Prof. Noordtzij en wijlen Prof. Wielenga.

En het was spoedig op de Synode te merken, dat het voorstel-Bos c.s. in die richting zijne sterkte moest gaan zoeken. Want als de voorstanders dat niet gewild hadden, dan hadden zij zichzelven verzwakt. Dan hadden zij geen argument gehad, om zelfstandig met een eigen voorstel te blijven staan; om elken voorslag tot amendeering van het voorstel-Bavinck c.s. en zelfs tot nader overleg af te slaan; om na de eindstemming conformeering naar de meerderheid te weigeren; om bij monde van Prof. Lindeboom te verklaren: wij willen wel, maar wij kunnen niet. |67|

Zoo komt menigeen dikwerf door omstandigheden daar, waar hij niet wezen wil en waar hij ook vroeger nooit gestaan heeft. Wie na de Synode nog het zelfstandig bestaan der school verdedigen wil, moet het standpunt innemen, dat het hebben van een eigen inrichting voor de kerk een beginsel, dat wil zeggen, een bepaald gebod Gods is, dat niet straffeloos is te schenden. Dan alleen staat hij sterk, kan hij nog met warmte en overtuiging voor de eigen inrichting pleiten, en liefde en bezieling voor haar wekken in den kring van degenen, die het standpunt van dit beginsel innemen.

Maar wie dit niet kunnen doen, staan zwak in de verdediging van het goed recht der Theol. School. De argumenten, waarmede zij vroeger dat goed recht nog konden verdedigen, zijn hun door het besluit der Synode ontnomen. Want immers heeft de Vereeniging voor Hooger Onderwijs, ondersteld n.l. dat het besluit der Synode door haar werd aangenomen, alles toegegeven, wat de kerken bij benoeming, schorsing, ontslag en salariëering der hoogleeraren in de Theologie billijker wijze verlangen en verlangen kunnen.

Dat wil niet zeggen, dat het voorstel-Bavinck c.s. voor geen enkele wijziging, zelfs niet in den vorm vatbaar zou zijn. Maar wezenlijk en zakelijk wordt daarin alles verkregen, wat in het voorstel van 1899 en ook in de Stellingen van de hoogleeraren der Theol. School om den nood der tijden verlangd en in het belang van de eenheid van opleiding begeerd werd. Hun optreden heeft dus succes gehad. Het recht en de bevoegdheid der kerken in zake opleiding en theologie is in den kring der broederen, zoowel van B als van A, veel beter dan vroeger erkend. Al is het ook, dat het voorstel-Bavinck c.s. noch met het voorstel van 1899 noch met de Stellingen van 22 Maart 1901 woordelijk |68| overeenstemt; dit is nog veel minder met het voorstel-Bos het geval. En hij, die zoowel dit voorstel van 1899 als die Stellingen geconcipiëerd en geformuleerd heeft en ze daarom naar hun geest en strekking het best uitleggen kan, is op goede gronden van oordeel, dat al de daarin gestelde eischen zakelijk en wezenlijk in het thans door de Synode aangenomen voorstel veel beter ingewilligd zijn dan in het voorstel, dat door diezelfde Synode verworpen word.

Wie daarom in dat door de Synode aangenomen voorstel hun wenschen vervuld zagen, kunnen moeilijk inzien, waarom het zelfstandig bestaan der School nog gehandhaafd moet worden. De wapenen, die hun vroeger ten dienste stonden, zijn hun door het besluit der Synode, een voor een uit de handen geslagen. Met welk recht en op welken grond kan men nog het zelfstandig voortbestaan der School verdedigen, als de uit de vereeniging van die School met de Theol. Faculteit geboren inrichting aan de kerken al die waarborgen schenkt, waarop zij in den tegenwoordigen tijd aanspraak mogen maken?

Zeker, men kan ook nog iets anders en iets meer hebben begeerd, dan in het besluit der Synode aan de kerken geschonken werd. Maar ieder zal toestemmen, dat er bij een compromis altijd wat te wenschen overblijft, en dat dit een verschil betreft van minder of meer. Wordt daardoor echter het voortzetten van een strijd gerechtvaardigd, die ons kerkelijk leven verwoest, onze beste krachten verteert en ons allen ontrouw aan onze dure roeping maakt? Is het dan niet beter, dat het Concept-Contract gewijzigd of zelfs ongewijzigd aangenomen wordt, dan dat de onzekerheid en de onrust bestendigd wordt, waarin wij met elkander worstelen, lijden en verzwakken?

Er is maar één ding, dat ons, op Gereformeerd standpunt en met art. 31 van de Dordsche Kerkorde in de hand, |69| tegenover het besluit der Synode mag en moet pal doen staan. En dat is, als wij met de hand op het hart, voor het aangezicht Gods en in de tegenwoordigheid zijner heilige gemeente verklaren kunnen: Broeders, wij zouden wel willen, maar wij kunnen niet! Maar dan is daarmede ook bewezen, dat de tegenstelling tusschen de twee voorstellen op de Synode, die eerst zoo groot niet scheen en misschien aanvankelijk volstrekt zoo niet bedoeld werd, een principiëel karakter heeft aangenomen, en dat het zelfstandig voortbestaan der School nu alleen nog met warmte van overtuiging door hen te verdedigen is, die zeggen: om der conscientie wil, wij kunnen en wij mogen niet! |70|


4. Weer Synode?

Wie daarom niet van harte met het beginsel eener eigene inrichting instemt, is door de verschillende beslissingen der Synode inzake de opleiding in een lastig gedrang gekomen. Dat geldt van al de kerken, maar is in bijzonderen zin van toepassing op mijn ambtgenoot Biesterveld en mij, die tot dusver met groote liefde aan de School der kerken onze krachten hebben gewijd.

Op de Synode werd dat al spoedig door velen beseft. Het vermoeden van Ds. Elzenga, alsof de Synode daarom zoo gemakkelijk tot niet-uitvoering van haar eens genomen besluit was overgegaan, omdat men misschien al een beteren weg wist, om de Theol. School omkoud te brengen, is boven reeds besproken; het is van allen grond ontbloot. Vóór de eindstemming was er noch direct noch indirect eenige samenspreking gehouden of eenige afspraak gemaakt over eene eventueele benoeming aan de Vrije Universiteit. Maar wel werd in de derde week, toen de artikelen der beide voorstellen tegenover elkander in behandeling waren, niet door de hoogleeraren uit Amsterdam, maar door enkele leden der Synode tot mijn ambtgenoot en mij gezegd, dat wij wel eens door den gang van zaken genoodzaakt |71| zouden kunnen worden, om de School te verlaten en elders een werkkring te zoeken. Niet dat men iets van eene benoeming wist. Men redeneerde alleen uit den toestand van het oogenblik. Als het dezen kant uitgaat, zoo sprak men, en de Synode uw voorstel aanneemt en dan toch weer de School ter wille der minderheid handhaaft, dan wordt uwe positie te Kampen hoogst moeielijk.

Wij hebben dat zelven ook terstond zeer levendig gevoeld. Vandaar dat ik in diezelfde week vóór de eindstemming mij nog eens vertrouwelijk tegenover Ds. Littooy uitsprak. Ik wees hem op de mogelijkheid, dat de School door de houding der minderheid in een hoek zou komen te staan, waar hij noch ik haar gaarne in geplaatst zagen; dat de positie van Prof. Biesterveld en mij dan bijna onhoudbaar werd; en dat het dan wel mogelijk was, dat wij eene eventueele benoeming aan de Vrije Universiteit zouden moeten aannemen.

Deze waarschuwing heeft echter tot mijn leedwezen geen gevolgen gehad. Zoo ging dan de eindstemming door. En eerst na die eindstemming hebben Prof. Rutgers, Kuyper, Geesink, Biesterveld en ik een oogenblik geconfereerd en over eene mogelijke benoeming gesproken. Men vraagde ons, wat wij ervan dachten. Daarop hebben wij onzerzijds alleen geantwoord, dat inderdaad na den afloop der beide voorstellen onze positie aan de Theol. School uiterst moeilijk werd en daarom eene eventueele benoeming aan de Vrije Universiteit zeer ernstig door ons zou overwogen worden. Maar wij verbonden ons tot niets en verzochten alleen, om er nog eens over te mogen nadenken, dan later er nog eens nader over te onderhandelen, en in elk geval vóór dien tijd geen benoeming op ons te laten uitbrengen.

Zoo zijn we uiteengegaan. ’s Maandags 1 Sept. had ik |72| nog een gesprek met Ds. Elzenga. Omdat ik zelf de laatste week de Synode niet meer bijwonen kon, oordeelde ik het goed, om aan Ds. Elzenga, die in den namiddag weer naar Arnhem ging, mede te deelen, dat de mogelijkheid niet was uitgesloten, dat Prof. Biesterveld en ik eene benoeming aan de Vrije Universiteit ontvingen en haar aannamen. Maar ook dit woord had geen verdere uitwerking.

Dinsdag 16 Sept. hadden Prof. Biesterveld en ik eene conferentie in Amsterdam met de hoogleeraren Rutgers, Geesink en Kuyper. Daar werd na breede bespreking over en weer goedgevonden, dat de professoren der Theol. Faculteit aan den Senaat (de gezamenlijke Professoren en de Curatoren) en daarna aan de Directeuren zouden voorstellen, om ons beiden te benoemen. En wij onzerzijds verklaarden ons bereid, om, indien zulk eene benoeming uitgebracht werd, ze op te volgen. Deze laatste verbintenis werd door ons aangegaan, omdat wij de Vrije Universiteit in de tegenwoordige omstandigheden niet aan een échec mochten blootstellen, en ik persoonlijk niet bij vernieuwing Heeren Directeuren tot eene benoeming mocht laten overgaan, tenzij zij vooraf van den goeden uitslag zich hadden vergewist.

Dezen stand van zaken deelden wij mede op eene conferentie, die Vrijdags 19 Sept. te Amsterdam belegd was, om te zien, of er nog niet eenige eenstemmigheid tusschen de dissentieerende broederen in de zaak der opleiding te verkrijgen ware. Het doel, waartoe de conferentie plaats had, werd niet bereikt. Maar wij deden er toch mededeeling van het voornemen van de professoren der Theol. Faculteit, om ons aan den Senaat, aan de Curatoren, aan de kerkelijke deputaten voor de oefening van het verband en aan de Directeuren ter benoeming aan te bevelen, en |73| tevens van het voornemen onzerzijds, om zulk eene eventueele benoeming aan te nemen. Meer werd er niet medegedeeld en kon er niet medegedeeld worden. Ten onrechte werd daarom spoedig na deze conferentie door de couranten bericht, dat benoeming en aanneming reeds geschied waren.

Zelfs kwam er in beide vertraging, doordat Heeren Directeuren niet zoo spoedig konden samenkomen, als aanvankelijk werd voorgesteld, en ook doordat mijn ambtgenoot en ik eerst nog gaarne overleg pleegden met de Curatoren der Theol. School, voordat de benoeming op ons uitgebracht en deze door eene aanneming onzerzijds gevolgd werd.

Op ons verzoek kwam de Curatorenvergadering Maandag 6 Oct. j.l. hier in Kampen saam. Daar deelden wij mede, dat bij Heeren Directeuren het voornemen bestond, om ons te benoemen tot hoogleeraren aan de Vrije Universiteit, en dat wij onzerzijds ons verbonden hadden, om eventueel zoodanige benoeming aan te nemen; dat wij voor onszelven in de gegeven omstandigheden geen gronden hadden, waarop wij aan Heeren Directeuren verzoeken zouden, tot zulk eene benoeming niet over te gaan, maar gaarne van de Curatoren der Theol. School zulke gronden, indien zij daartoe genegen en in staat waren, zouden zien aanwijzen; dat wij eindelijk door zoodanig advies ons natuurlijk niet volstrekt gebonden zouden kunnen achten, maar het desniettemin op hoogen prijs zouden stellen en er ernstig mede zouden rekening houden.

Na eenige deliberatie werd dit verzoek door de Curatorenvergadering met staking van stemmen in ontkennenden zin beslist. Den volgenden dag werd, nadat de Curatoren in comité vergaderd waren geweest, ons nog kennis gegeven van de volgende in comité met alle stemmen aangenomen |74| motie: „De vergadering van Curatoren, de mededeelingen van de Hoogleeraren Bavinck en Biesterveld vernomen hebbende, spreekt als haar oordeel uit, dat met het oog op den toestand der Theol. School ten zeerste gewenscht is, dat deze hoogleeraren aan deze inrichting blijven.”

Met dit resultaat was voor ons de zaak beslist. Er behoefde, er kon en er mocht zelfs bij ons niet de minste aarzeling meer bestaan om eene benoeming te ontvangen, en deze dan ook overeenkomstig onze belofte aan te nemen. Donderdag 9 Oct. kwam des morgens de benoemingsbrief hier te Kampen aan. En Maandag 13 Oct. j.l. gaven wij aan H.H. Directeuren bericht, dat wij deze benoeming na ernstig overleg in de vreeze des Heeren wenschten op te volgen. 1)

Wij hebben daarmede een besluit genomen, dat voor onze personen niet alleen, maar ook voor de Theol. School en voor de kerken van beteekenis kan zijn. Belangstellenden in beider heil en welstand hebben er recht op, om althans tot zekere hoogte de overwegingen te kennen, die ons tot dezen gewichtigen stap hebben geleid.

En dan geve men zich in de eerste plaats helder rekenschap van het besluit, dat door de Synode te Arnhem in zake de eenheid van opleiding genomen, werd. Daarin toch spraken de Gereformeerde kerken het openlijk uit, dat eene vereeniging van School en Faculteit, in den zin van het |75| voorstel der vier hoogleeraren, haar boven alles gewenscht scheen, en door haar noch in strijd met het beding noch ook in tegenspraak met het recht en de vrijheid der kerken werd geacht. En wel werd daarna door de Synode besloten, om deze vereeniging niet tot stand te brengen. Maar dit geschiedde alleen na verklaring der minderheid, dat zij bij het besluit zich niet neerleggen kon. Zoo weinig was dat besluit dan daarna ook van de baan, dat de Synode in hare laatste zitting bij het nemen van maatregelen in het belang van School en Faculteit door dat besluit hare gedragslijn bepalen liet. Zij veranderde niet van overtuiging, ook al liet zij ter wille der minderheid de School nog afzonderlijk voortbestaan.

Te oordeelen naar deze door de Synode gevolgde gedragslijn, is het geheel in haar geest, als mijn ambtgenoot en ik, eene benoeming ontvangende aan de Vrije Universiteit, ons bereid verklaren om deze aan te nemen. Want terwijl de Theol. School door de Synode op allerlei wijze werd achteruitgezet, is de Vrije Universiteit door haar met liefde bejegend en in de collecten met de School op ééne lijn gesteld. Zoolang de Synode deze besluiten handhaaft en in deze overtuiging staat, spreekt zij er ingewikkeld hare goedkeuring over uit, als wij, de School verlatende, voortaan onze krachten wijden aan de Vrije Universiteit. Ons heengaan wordt door de houding der Synode, die het mede door ons onderteekend voorstel aannam, ten volle gerechtvaardigd. Indien wij na de Synode te Arnhem vrijheid vinden, om voortaan als hoogleeraren in de Theol. Faculteit te Amsterdam op te treden, dan doen wij dat in de overtuiging, dat de kerken zelve ons daarvoor den weg hebben gebaand en de vrijheid hebben gegeven. De kerken zelve achten het zelfstandig voortbestaan der Theol. School niet gewenscht meer; zij geven blijkbaar voor de |76| opleiding tot den dienst des woords aan de Vrije Universiteit, de voorkeur. Welnu, dan handelt in haar geest en naar haar wil, ja dan treedt te meer in den dienst der kerken degene, die als hoogleeraar de School verlaat en aan de Vrije Universiteit zich verbindt.

Daaruit is ook te verklaren, dat vele broederen, die vroeger gansch anders adviseerden, nu van meening waren, dat wij eventueel eene benoeming aan de Vrije Universiteit juist in het belang der kerken moesten aannemen. Zelven hadden wij na het besluit der Synode geen gronden meer, om het zelfstandig voortbestaan der School te verdedigen en eene roeping naar elders af te wijzen. Vele anderen, die wij vertrouwelijk raadpleegden, verklaarden zich onbekwaam, om ze voor ons aan te voeren. Zelfs de Curatoren gingen op ons vriendelijk verzoek niet in en wendden als college niet de minste poging aan, om ons voor de School te behouden. Wat konden wij dan anders doen, dan aan de roepstem gehoor geven, die uit Amsterdam tot ons kwam?

Maar er is meer. Als mijn ambtgenoot en ik, zonder eene benoeming aan de Vrije Universiteit ook maar op eenigerlei wijze uit te lokken, deze ontvangen en er dan toch voor bedankt hadden, zouden wij niet alleen met den geest der Synode in strijd gehandeld, maar ook den schijn op ons geladen hebben, alsof wij ons op het standpunt der minderheid plaatsten, aan het voorstel-Bos onze adheesie betuigden, en in dien zin aan het voortbestaan der Theol. School wilden mede-arbeiden.

En toch, daar staan wij niet en kunnen wij thans niet gaan staan. De redenen zijn daarvoor in het voorafgaande duidelijk aangegeven. De minderheid, die met het voorstel-Bos is medegegaan en waartoe ook onze twee ambtgenooten behooren, weet dit zeer wel. Aan die minderheid kunnen |77| Prof. Biesterveld en ik niet welkom zijn. Het gaat hier niet over onze personen; wij gelooven gaarne, dat men ook aan die zijde van harte begeert, dat wij onzen arbeid aan de Theol. School voortzetten. Maar het gaat over het objectieve standpunt, dat de minderheid tegenover het door de Synode aangenomen voorstel en dus tegenover twee van de voorstellers ervan heeft ingenomen. En dan is het duidelijk, dat wij beiden in het oog dier minderheid niet anders kunnen zijn dan schenders van het beding en ondermijners der School. In het laatste, voor de Synode verschenen Bijblad van zijn maandschrift (Juli en Aug. 1902 bl. 58) schreef Prof. Lindeboom: De middenpartij heeft groote schuld aan de onrust, sedert jaren. Niet heet en niet koud voor „het beding” en de vrijheid der kerken en de Theol. School; met haar zeeziekmakende slinger-taal van: nog niet rijp; zoolang de kerken de School hebben; om des vredes wil zachtaan enz. enz. — heeft die partij, willens of onwillens, de linkerzijde gediend als aanknoopingspunt, om telkens opnieuw weer te beginnen met plannetjes tot opheffing van de „Eigen Inrichting” en alzoo de kerken en hare Theol. School helpen ontrusten.

Welnu, het doet er niets toe, of Prof. Lindeboom bij deze beschrijving ook aan ons heeft gedacht of niet. Het is best mogelijk, dat hij daarbij zich gansch andere personen heeft voor oogen gesteld. Maar feit is, dat wij beiden tot zulk eene middenpartij behooren, dat wij, indien het met het behoud van het recht der kerken geschieden kan, vereeniging van School en Faculteit hoogst wenschelijk achten; en dat wij met name voor het beding van 1892 volstrekt geen bijzondere voorliefde gevoelen. Zulke mannen kunnen nu, afgedacht van onze personen, niet naar het hart der minderheid zijn. Indien zij aan de School verbonden blijven, zijn ze haar meer schadelijk dan voordeelig. Hun |78| persoon en hun arbeid wordt voortdurend gewantrouwd. De omgang en het verkeer lijden eronder. Van krachtige samenwerking is geen sprake meer. Als de School na het besluit der Synode nog te handhaven is, dan moet en dan kan dat — tenzij de kerken zelve weer van standpunt veranderen — alleen geschieden door mannen, die uit overtuiging het beginsel der eigen inrichting belijden en daarvoor anderen weten warm te maken.

Men overwege toch wel, dat de positie thans eene gansch andere is dan in 1893, na de Synode te Dordrecht. Toen hebben de deputaten zelven, die de Concept-regeling indienden, deze teruggenomen; zij hebben toen zelven mede gearbeid aan de bestendiging en de bevestiging der School. Met vrijmoedigheid kon ik toen mijn arbeid aan de Theol. School voortzetten.

Maar thans staat het geval geheel anders. Niemand stelde zich volkomen en zuiver op het standpunt van het beding. Geen enkel praeadviseerend of stemhebbend lid der Synode hield zich aan hetgeen betreffende de eigen inrichting op de Synode te Dordrecht 1893 (Handelingen bl. 146) was bepaald. Allen stelden voor, om School en Faculteit, zij het ook op verschillende wijze, te vereenigen en dus in zoo verre aan het isolement en de zelfstandigheid der eigen inrichting afbreuk te doen. Het verschil liep niet meer, gelijk in Dordrecht, over het al of niet onveranderd behouden van de eigen inrichting, maar over de wijze, waarop deze met de Universiteit in verband kon worden gezet. Als er zich door den loop der omstandigheden niet een principe tusschen geschoven had, zou de strijd alleen geloopen hebben over een verschil van minder of meer. Daarom was de Synode te Arnhem, gansch anders dan die te Dordrecht, volkomen vrij, om een van de beide voorstellen aan te nemen. En zoo heeft zij ook gedaan. Maar daardoor is |79| de School, toen de andere broederen zich bij het besluit niet konden neerleggen, eigenlijk geworden de School van hen, die daarin een beginsel gehandhaafd willen zien. Dat principe is stilzwijgend door de minderheid aanvaard; dat alleen gaf haar recht en vrijheid, om zich niet naar de meerderheid te voegen. Maar dat beginsel is het ook, dat de School thans, na de vele concessiën van de andera zijde, in haar afgezonderd bestaan alleen nog wettigen en bevestigen kan. Juist daarom echter is het voor hen, die dat beginsel nimmer hebben omhelsd, zoo hoogst moeilijk om, gebukt onder het wantrouwen der minderheid en verlamd in hun kracht, nog met blijmoedigheid den arbeid aan de School te blijven voortzetten.

Meerderheid en minderheid drijven ons dus beide in de richting der Vrije Universiteit. Nog eens, er is hier geen sprake van persoonlijke verhoudingen. Wij oordeelen alleen naar het objectieve standpunt, dat door beide groepen op de Synode is ingenomen. En dan staat het vast en wordt het ons uit vele particuliere gesprekken en brieven bevestigd, dat aan de meerderheid ons vertrek naar de Vrije Universiteit niet ongevallig is, en dat de minderheid het wenschelijk acht, dat er voortaan aan de School alleen mannen arbeiden, die uit volle overtuiging het beginsel van de eigen inrichting toegedaan zijn en met beide voeten staan op den grondslag van het beding.

Wat blijft er in dit moeilijk geval voor Prof. Biesterveld en mij dan anders over, dan om, in gehoorzaamheid aan dezen wensch der kerken en daarin de leiding des Heeren erkennende, thans met vrijmoedigheid eene roeping op te volgen, die door de Vrije Universiteit op ons uitgebracht wordt? De reden voor het aannemen der benoeming ligt dus niet bij ons, maar bij de kerken. Als wij gaan, dan gaan wij niet, omdat wij willen, maar omdat wij moeten, |80| omdat de meerderheid en de minderheid er ons zedelijk toe dwingt. En omdat wij moeten, durven wij ook, al zijn wij diep doordrongen van het gewicht der taak, die ons wacht.

Van de rechter- en van de linkerzijde drongen velen daarom bij ons aan, om eene eventueele benoeming op te volgen. Maar er waren ook anderen, — en hun aantal zou zeker veel grooter geweest zijn, als de benoeming en de aanneming niet bijna gelijktijdig hadden plaats gehad — er waren ook anderen, die zeiden: waarom kunt gij in den bestaanden toestand niet berusten? Gij behoeft er de verantwoordelijkheid niet voor te dragen, want aan allen is uw oordeel over het opleidingsvraagstuk bekend. Maar gij kunt den toestand aanvaarden, gelijk de Synode dien zelve door het niet-uitvoeren van haar besluit geschapen heeft, en weder met stille berusting aan den arbeid gaan. Uw blijven aan de School is in haar belang en ook met het oog op den vrede en de eenheid der kerken gewenscht.

Onzerzijds hebben wij op dezen vriendelijken aandrang te antwoorden, dat inderdaad zulk eene aanvaarding van den toestand op zichzelf niet onmogelijk is. Onze conscientie zou op die wijze niet in het gedrang behoeven te komen. Maar het zij ons vergund, openhartig te zijn. Men is op ons blijven aan de School in haar belang gesteld, en meent, dat ons vertrek haar schade zal doen. Soms drukt men zich uit in bewoordingen, die ons te veel eer aandoen en daarom niet door ons aanvaard mogen worden. Maar het komt toch alles hierop neer, dat wij dienst zullen doen als middelen, om de School zelfstandig te doen voortbestaan, om sympathie voor haar te blijven wekken, om collecten en contributiën voor haar te doen toenemen, om het getal studenten voor daling te bewaren enz. Hoe vereerend dit alles nu ook zij, het laadt eene verantwoordelijkheid op |81| ons, die wij niet kunnen en niet mogen dragen. Voor een dienaar des Woords is het noodig, dat hij niet ingewikkeld worde in de handelingen van den leeftocht. Maar zoo is het ook voor een hoogleeraar aan de Theol. School ten hoogste gewenscht, dat hij onbezorgd en rustig aan tijn arbeid zich kunne wijden en niet tegelijk als agent voor de School dienst behoeve te doen.

En toch, daar moet het toe komen, als de School na de Synode te Arnhem nog weer op de been geholpen zal worden. Wij zeggen volstrekt niet, dat dit onmogelijk is, dat het straks aan financiën en aan discipelen ontbreken zal. Niemand kan in de toekomst zien. Maar dit is zeker, dat er dan voor de School eene krachtige actie op touw gezet moet worden, eene actie, die voor een goed deel buiten de kerken omgaat, en tegen de kerken ingaat. Voor mijn ambtgenoot en mij wordt dat weer een zeer moeilijk geval. Want één van beide: wij moeten al die beweging lijdelijk aanzien en laden dan den schijn op ons, dat wij er mede instemmen en er onze goedkeuring aan hechten; of wij spreken ons uit en komen er tegen op, maar dan is de School weer een tooneel van strijd enlijdt zij onder de inwendige verdeeldheid.

Onderstel echter, dat dit alles nog geen bezwaar opleverde, en dat wij allen te zamen, den bestaanden toestand aanvaardende, weer krachtig onze schouders zetten onder de School, die onze liefde heeft; dan weten wij van tevoren, dat wij daarbij toch overal en naar alle zijden op verzet en tegenstand zouden stooten. In het College van Curatoren, in de Synodale Commissie voor de benoeming, in bijna alle kerken, kerkeraden, classes en provincies — overal is er verschil van inzicht. Zoodra wij van uit Kampen eene actie op touw zetten en eene organisatie in het leven roepen ten behoeve van de Theol. School, staat |82| er eene machtige partij tegenover ons. Indien wij daarvoor terugwijken, bestaat er alle kans, dat de School langzaam uitsterft. Indien wij desniettemin doorgaan, — en het belang der School zou daartoe noodzaken, — dan nemen wij de verantwoordelijkheid op ons, om als hoogleeraren aan de eigen inrichting der kerken eene Schoolpartij te vormen, die voor het grootste gedeelte buiten de kerken om en tegen de kerken in georganiseerd wordt. Aan anderen laten wij nu gaarne over, om zelfstandig te beoordeelen, wat zij in dezen mogen doen; maar men gunne ons dan ook de vrijheid, om ronduit te verklaren, dat wij zulk een weg niet durven bewandelen. Dat kunnen zij doen, die van de eigen inrichting een beginsel maken. Maar dat kunnen, dat mogen wij niet doen. De opleiding van dienaren des Woords is ook naar onze overtuiging van groot gewicht; maar de regeling daarvan is geen artikel van onze belijdenis, de eigen inrichting is geen dogma, de School te Kampen is geen stuk der leer. Het gaat bij deze gansche queestie niet over eene heilige waarheid, die God ons heeft geopenbaard in zijn Woord; het raakt de zaligheid onzer zielen niet; het betreft alleen de vraag, hoe groot het zeggenschap der kerken zal zijn bij de opleiding van dienaren des Woords. Dat is alles. Voor een sterk zeggenschap zijn tegenwoordig alle kerken te vinden. De strijd loopt naar onze overtuiging dus alleen over een verschil van graad en mate. Welnu, ook indien de kerken hierin een beslissing namen, die niet voldeed aan wat wij wenschen, wij zouden er toch geen oogenblik aan denken, om daartegen eene actie in de kerken op touw te zetten. Wij zouden er ons eenvoudig bij neerleggen, omdat het geen artikel geldt van ons geloof, en wij zouden de verantwoordelijkheid laten rusten op hen, die ze wettiglijk hadden te dragen. Maar hoe zouden wij nu dan |83| rechtstreeks of zijdelings kunnen medewerken aan eene beweging tot instandhouding der School, die de kerken verdeelt en het broederlijk saamleven onmogelijk maakt?

Goed beschouwd, is ons de School daar ook te lief voor. Zoolang zij School der kerken was, hebben wij haar met liefde en met blijdschap gediend. Maar wij bidden God, dat Hij ze beware, om ooit eene partijschool in zijne kerken te worden. Als de School niet zijn en blijven en meer en meer worden kan de School van alle kerken, dan is het veel beter, dat zij in volle eere met de Theol. Faculteit vereenigd of ook zelfs eenvoudig opgeheven worde. Juist omdat wij opkomen voor het recht der kerken, kunnen wij er niet toe medewerken, om de School langzamerhand te maken tot eene inrichting van eene bijzondere groep, van eene kleinere of grootere partij, van eene particuliere vereeniging, buiten de kerken om en tegen de kerken in. Indien de School niet meer wortelt in het hart van de kerken, is het met het beding van 1892, is het zelfs met het door anderen gehuldigde beginsel van een eigen inrichting, is het met het karakter der School zelve in strijd, om haar over te planten in den bodem eener niet-kerkelijke organisatie. De School zij School der kerken, of zij houde op te bestaan! Indien zij zelfstandig haar leven moet voortzetten, dan besta zij naar recht, niet door gratie. Dat hadden wij dan ook van de Synode verlangd. Als zij besloot, om de School te handhaven, dan moest zij haar eene positie van recht verschaffen. Door dat niet te doen, door haar alleen bij gratie te laten voortbestaan, heeft zij de School genoodzaakt, om uit zelfbehoud haar vastigheid in eene niet-kerkelijke organisatie, in eene particuliere vereeniging te gaan zoeken. Maar daarmede is dan ook alle reden vervallen, om het arbeiden aan de Theol. School hooger te stellen dan dat aan de Vrije Universiteit. Hoe |84| vreemd het klinke, na de Synode zijn de verhoudingen eigenlijk zoo geworden, dat de School der kerken langzamerhand dreigt te veranderen in de School eener Vereeniging, en dat de Theol. Faculteit, die als deel der Universiteit van eene Vereeniging uitgaat, zich bereid toont, om te worden de School der kerken. Zoo kan in korten tijd het getij verloopen. Jammer maar, dat er steeds zoo weinigen zijn, die op het juiste oogenblik weten de bakens te verzetten!

Maar wij hebben misschien reeds al te lang over ons zelven gesproken. Dit zou haast niet te verontschuldigen zijn, indien er, afgedacht van onze beide personen, bij heel deze historie, niet een hoog en heilig belang betrokken ware, dat ook bij onze beslissing ten slotte den doorslag heeft gegeven. Nu eene practische oplossing aan de gedeeldheid der opleiding geen einde heeft kunnen maken en eene principieele overtuiging de broederen noodzaakte, om hun: wij kunnen niet, uit te spreken; nu komt de richting aan de orde, in welke de Gereformeerde kerken dezer landen zich overeenkomstig hare belijdenis en roeping te ontwikkelen hebben.

En dan behoort het eenerzijds onder ons vast te staan, dat de kerken in de tegenwoordige toestanden een sterk verband en een beslissend zeggenschap mogen eischen in betrekking tot de School, die hare toekomstige dienaren opleidt en aan de beoefening der theologische wetenschap zich wijdt. De toestanden zijn veel te ernstig; de vraagstukken, die zich voordoen, veel te diep ingrijpend; de onzekerheid van partijen, vereenigingen en bonden veel te groot, dan dat de kerken zich zouden mogen afhankelijk maken van eene School, die buiten haar invloed staat en zich ten slotte, als het erop aankomt, aan haar zeggenschap onttrekken kan. Het succes van het heden mag ons |85| de oogen niet verblinden. Wij behooren nuchteren en wakende te zijn. Wij zijn nog ver af van eene Gereformeerde maatschappij en van een Gereformeerden staat. Het blijft ook heden ten dage nog: niet vele edelen, en niet vele rijken en niet vele machtigen.

En daarom zullen wij onze hope voor eene School voor Gereformeerde wetenschap niet bouwen op eene schare, die misschien uit staatkundige redenen een tijdlang met ons optrekt, maar op den kring van dat volk, dat in oprechtheid des harten de vreeze des Heeren als het beginsel van alle wijsheid belijdt. In de kerk van onzen Heere Jezus Christus, in het hart der gemeente, in het gebed van het volk Gods zal eene School van wetenschap nu en nog meer in de toekomst haar vasten bodem moeten zoeken en vinden; anders zal zij niet bestand blijken te zijn tegen de stormen, die tegen haar, naarmate zij beslister en krachtiger optreedt, van alle zijden zich verheffen zullen.

Maar al is dit onze vaste overtuiging en al zullen wij, de School verlatende, die straks in een anderen kring gestand blijven doen en met warmte verdedigen — dat neemt toch niet weg, dat wij als Gereformeerde belijders aan eene Theol. School niet genoeg hebben en met zulk eene School niet tevreden mogen zijn. Zoolang het gaat over het verband tusschen de kerken en hare opleidingsschool, zal men ons altijd vinden aan den kant van hen, die in den tegenwoordigen tijd de kerken zoo vrij mogelijk willen houden van allen invloed en macht, welke buiten haar staat. Maar zoodra het beginsel in het geding komt, was steeds en is nog terstond onze keuze bepaald. Wij mogen dan de verantwoordelijkheid niet op ons nemen, wij mogen zelfs den schijn niet op ons laden, dat wij, voorzoover het ons gegeven is, de kerken zouden willen brengen in een richting, die met de katholiciteit van ons Christelijk geloof, met het nationaal |86| karakter van onze Gereformeerde belijdenis, met onze hedendaagsche roeping, met het heil der kerken, met den eisch der wetenschap, met het belang ook van onze studenten in strijd is. Op zichzelf had de School te Kampen zeer goed kunnen uitgebouwd worden tot eene universiteit. Maar zij heeft, helaas, haar tijd voorbij laten gaan; trots alle bezwaren, is zij steeds te Kampen gevestigd gebleven; van verplaatsing, van verbetering, van uitbreiding is er thans geen sprake meer. En toch, indien het daar niet toe komt, derft zij steeds meer den zegen, dien zij tot dusver verspreid heeft en komt zij ten slotte in den hoek van het krachteloos conservatisme testaan.

En nu is de Vrije Universiteit zeker nog klein van kracht. Zij is nog nauwlijks meer dan eene Theol. School met een aanhangsel. Het is de vraag, of zij ooit eene eenigszins complete universiteit worden zal. Maar ook al zou dat niet het geval zijn, al zou zij het in de eerste tientallen van jaren slechts kunnen brengen tot eene matig bezette theologische, litterarische en juridische faculteit, dan zou zij toch ons aller steun verdienen. Van een kleinen kring van mannen, die saam in éénen geest, zij het ook slechts een klein gedeelte der wetenschap beoefenen, kan zulk eene groote kracht in heel het land uitgaan. Dat wordt nu reeds door de Vrije Universiteit bewezen. Maar dat zou nog veel sterker het geval kunnen zijn, wanneer Theol. School en Theol. Faculteit vereenigd waren en alle belijders van de Gereformeerde waarheid zich eendrachtig schaarden rondom de ééne School. Dan kon vandaar een rijke zegen uitgaan over al onze kerken, over heel ons land en ons volk, over alle terreinen des levens. En opnieuw zou aan de wereld het heerlijke schouwspel vertoond kunnen worden, dat het dwaze Gods wijzer is dan de menschen en dat het zwakke Gods sterker is dan de menschen. In Christus toch, die |87| het Hoofd der gemeente is, zijn alle schatten verborgen van wijsheid en kennis. In Hem woont al de volheid Gods lichamelijk.

En dan zou daarin ook de geschiedenis en de zegen der Scheiding van 1834 worden bestendigd en voortgezet. Want het werk Gods in de Scheiding heeft daarin bestaan, dat Hij haar als een middel gebruikt heeft, om de zuivere belijdenis van zijn Woord in deze landen te behouden en voor de vermenging met allerlei theorieën en stelsels van menschen te bewaren. Daartoe heeft de Scheiding gediend. Door haar is in de eerste plaats de kerk des Heeren weer in ons vaderland tot eene zuivere openbaring gekomen. Zij is de eerste geweest, die naar de mate harer bescheidene kracht op den grondslag der waarheid Gods eene School voor Hooger Onderwijs heeft gesticht, welke tot den huidigen dag een overvloedigen zegen heeft verspreid. Geen wonder, dat de kinderen der Scheiding aan haar met innige liefde gehecht zijn, en dat hun de miskenning hard valt, waarmede alwat uit de kerkelijke beweging van 1834 is voortgekomen dikwerf door huisgenooten en medeburgers bejegend wordt. Maar laten wij het ook niet vergeten, dat niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst beproefd is; en dat in het Koninkrijk der hemelen de minste de meeste is. Te zijner tijd, als wij Gode den weg niet voorschrijven, maar stil op zijne gangen letten, zal Hij beter en duidelijker dan in het haar ongunstige heden het werk der genade aan het licht doen treden, dat Hij in de Scheiding heeft willen verheerlijken.

Maar daarom juist behooren wij met alle kracht een voorstel te steunen, dat, met behoud van het recht en de vrijheid der kerken, de School met de Faculteit vereenigt. Want wat zal, menschelijker wijze gesproken, het gevolg zijn, als de School in haar isolement te Kampen gehandhaafd |88| blijft? Dit, dat zij langzamerhand en in steeds meerdere mate ophoudt dien zegen te verspreiden, welke tot dusver van haar voor alle kerken uitgegaan is. De stroom des levens, ook van het kerkelijk leven, gaat haar voorbij, en zij zelve blijft als eene verlatene op den oever staan. De kerken toch zijn in haar groote meerderheid niet tegen haar gekant, maar wel tot hare vereeniging met de Theol. Faculteit geneigd. De minderheid, die haar liefheeft en steunt, slinkt van jaar tot jaar. Als zij zelfstandig haar bestaan wil voortzetten, moet zij, om niet te gronde te gaan, tot maatregelen de toevlucht nemen, die met haar eere en waardigheid in strijd zijn. Zij komt dan, waar zij niet wezen wil, en waar zij naar haar oorsprong en geschiedenis niet wezen mag.

Daarom is naar ons oordeel niet hij de rechte zoon der Scheiding, die voor het onveranderd behoud van het bestaande pleit; maar deze is het, die als een wijs man op de teekenen der tijden let en de School weet aan te passen aan de nieuwe toestanden, waartoe het voorzienig bestuur des Heeren ons in de laatste vijfentwintig jaren in ons vaderland gebracht heeft. In die met de Theol. Faculteit vereenigde School zet dan de historie der Scheiding, het in zake opleiding en theologie verkregen recht der kerken, de zegen der waarheid voor alle kinderen van Gereformeerden huize zich voort. Zoo wint de School weer de liefde van alle kerken. Zoo herneemt zij de plaats, welke zij thans gevaarloopt te verliezen, maar die zij oorspronkelijk in de Gereformeerde kerk van deze eeuw heeft ingenomen en die haar wettiglijk toekomt. Zoo kan zij, onder de leiding des Heeren, in haar nieuwe gedaante voor kerk en vaderland nog tot een rijkeren zegen worden gesteld, dan haar tot dusver beschoren was.

En daarom op de vraag: blijven of heengaan? is dit ons |89| antwoord: indien de School, na de Synode van Arnhem, in het beginsel eener eigen inrichting haar kracht en haar sterkte gaat zoeken, — gelijk zij het aanvankelijk heeft gedaan en uit zelf behoud wel moet gaan doen —, dan is het beter, dat wij de School verlaten en in de Theol. Faculteit onzen arbeid ten dienste der kerken gaan voortzetten. In de oogen van hen, die dat beginsel toegedaan zijn, kunnen wij niet anders dan valsche vrienden zijn, die het, zij het ook met de beste bedoelingen, op de verzwakking en den ondergang der Theol. School hebben toegelegd. Dat is in zachter of sterker bewoordingen in 1893 gezegd; het is herhaald in 1896; het heeft bij vernieuwing op en na de Synode te Arnhem dienst gedaan. Welnu, laat dan de handhaving en verdediging der School voortaan alleen toebetrouwd worden aan mannen, die met beide voeten op het beding van 1892 staan! Dan kan er eerlijkheid en oprechtheid komen in onze kerkelijke verhoudingen. Dan kan alle beschuldiging van schending van het beding, van ontrouw aan het gegeven woord, van, verzaking van ambt en plicht ond er ons een einde nemen. En in ons kerkelijk leven breekt de tijd wellicht aan, waarvan door een onzer op de Synode gezegd werd: als er niets van de vereeniging der beide Scholen komen mocht, dan moeten wij hierin berusten, dat de Heere het alzoo bestuurdheeft. En dan kan Hij de beide inrichtingen ook wel ruimschoots naast elkander zegenen. Met het verijdelen van elke poging, om tot eenheid te komen, wil de Heere ons dan misschien de groote les te leeren geven, dat wij, naast elkander staande, elkander zouden liefhebben en waardeeren.

Het is deze zelfde gezindheid, die nog ons bezielt. De zaken zijn gansch anders geloopen, dan iemand zich had kunnen voorstellen. Maar aan den zin en den geest van |90| deze woorden wenschen wij getrouw te blijven, ook als wij straks in een andere School ons zullen wijden aan de opleiding van dienaren des Woords in onze Gereformeerde kerken. Wij gaan heen, niet in eenige bitterheid des gemoeds, maar wel met diepe droefheid in het hart. Want wat men ons ook ten laste moge kunnen leggen, wij staan in de overtuiging, dat wij voor de School, voor de kerken, die haar gesticht hebben, voor de Scheiding, waaruit zij geboren is, steeds het goede hebben gezocht. Wij hebben de beschuldiging van ontrouw, van schennis van het beding, van ondermijning en vernietiging der School in onzen veeljarigen arbeid niet verdiend. En wij gaan heen met het stellige voornemen, om deze liefde, die in ons geplant is van onze geboorte af en die met de jaren in sterkte toenam, door geen verandering van werkkring uit onze ziel te laten uitroeien. Wij zullen voor de School en voor de kerken, die op haar zelfstandig bestaan alsnog gesteld zijn, het goede blijven zoeken. Maar nu op eene wijze en in een weg, die ons niet meer van den kant onzer naaste broederen aan beschuldiging van ontrouw en plichtsverzaking blootstellen kan.

Daarbij blijven wij — hoe kan het anders? — diep in het hart nog de hoop koesteren, dat ons heengaan slechts een vooruitgaan is. Wij keeren, schijnbaar althans, voor een tijd aan onze vrienden en broeders in de gescheidene kerken den rug toe, maar met den vurigen wensch, dat wij elkander eerlang weer terugvinden mogen en dan samen in éénen geest mogen arbeiden aan het vervullen der roeping, welke de Heere in deze tijden ons toebetrouwd heeft.

De beste weg is dit ons verlaten van de School, naar onze meening, daarom ook niet. Er is een andere en een uitnemender weg. Niet wij beiden moesten heengaan, |91| maar de gansche School moest verhuizen. Zij behoorde in te gaan in den nieuwen toestand, die voor haar gereed was gemaakt. Zij moest heengaan van een uithoek naar het middelpunt des lands; van den steun eener kleine groep tot de liefde van alle Gereformeerde kerken; van het isolement der theologie tot de gemeenschap der ééne wetenschap.

Daartoe zou het nog kunnen komen, als alle kerken eenstemmig aandrongen op het houden eener Generale Synode, die het te Arnhem genomen en des noodig zoo goed als eenparig herziene besluit met vastberadenheid en blijmoedigheid ten uitvoer legde. Maar van dwang, zelfs van den schijn van dwang, mag daarbij geen sprake zijn. Indien de mannen broeders, die in het beginsel eener eigen inrichting hun kracht zoeken, niet van harte en gewillig daartoe medewerken, dan is het beter, dat wij in den eersten tijd van alle poging tot vereeniging der beide opleidingsscholen afzien en, elk op eigen terrein, vergetende hetgeen achter is, met nieuwen moed aan den arbeid gaan. De dagen, waarin wij leven, zijn veel te ernstig, dan dat wij nog langer in ouderlingen twist onze kracht verteren mogen of zelfs de eenheid onzer belijdenis op het spel mogen zetten. Laten School en Faculteit dan in vrede naast elkander wonen, in wederzijdsche waardeering met elkander wedijveren, en ieder in hare mate jagen naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.

Misschien, dat wij dan allen te zamen in de droeve geschiedenis der opleiding ten slotte nog leeren bewonderen de diepte der wegen Gods, wiens gedachten dikwerf zoo gansch andere dan de onze zijn.




1. In Art. 1 van de Instructie voor de Hoogleeraren aan de Vrije Universiteit wordt bepaald, dat niemand als hoogleeraar optreden kan dan na onderteekening van de verklaring, dat hij, voorzooveel zijn onderwijs daarbij betrokken is, het in Art. 2 der Statuten aangegeven standpunt aanvaardt.

Door ons beiden is te dezen aanzien aan H.H. Directeuren in onzen aannemingsbrief gemeld, dat wij, bereid tot de van ons geëischte onderteekening, Art. 2 der Statuten in dien zin verstaan, dat het de Hoogleeraren in de Theologie voor hun onderwijs alleen bindt aan de drie Formulieren van Eenigheid, gelijk die in den jare 1619 door de Nationale Synode van Dordrecht voor de Nederlandsche Gereformeerde Kerken zijn vastgesteld.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004