Het Vierde eener Eeuw

Rede bij gelegenheid van het vijf en twintig-jarig bestaan van de „Standaard”

door Dr. H. Bavinck

Kampen. — J.H. Bos. — 1897

a



Wegens de beperktheid des tijds kon deze Rede op de feestelijk samenkomst in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam, 1 April j.l., niet in haar geheel worden voorgedragen.

Van het eerste, grootste gedeelte werd alleen een rÚsumÚ gegeven. Van de laatste bladzijden werden enkele nagenoeg letterlijk voorgelezen. Ik geef de Rede echter in druk, gelijk ik ze neerschreef.


Bavinck.


Kampen, 3 April 1897.




Dankbare waardeering van al wat goeds en groots in menschen gevonden en door menschen tot stand gebracht wordt, is ook den Christen geoorloofd. Wijl naar Christelijke belijdenis een schepsel niets heeft wat het niet heeft ontvangen, is zoowel minachting der gaven als vergoding van den mensch ten eenenmale buitengesloten. Om in deze ure, gewijd aan het vijfentwintig-jarig bestaan van de Standaard, beide te ontgaan, ontleen ik de stof mijner rede liefst aan de rijke geschiedenis, welke op dezen eersten April van het jaar onzes Heeren 1897 achter ons ligt.

Daarmede winnen wij ook aanstonds dit voordeel, dat wij ons zelven en anderen rekenschap geven van de richting, in welke de Standaard ons het vierde eener eeuw heeft geleid, en van de redenen, waarom wij al die jaren zoo trouw ons om haar heen hebben geschaard. Onze tegenstanders stellen ons gaarne als marionetten voor; misschien dat zoodanige rekenschap hun het inzicht verschaft, dat het volgen uit welbewuste overtuiging minstens van evenveel zelfstandigheid getuigt, als voortdurende oppositie, die, gelijk Groen het telkens ondervond, bij zijne bestrijders meest voortkwam uit ongenoegzaamheid van studie en nadenken 1). Een eigen opinie is maar al te veel het gevolg, niet van bijzonder veel, maar van bijzonder weinig studie. Tusschen eigenwijsheid en weinig wijsheid is het verschil niet zeer groot 2).

Daarbij komt nog eene andere reden, waarom ik in deze ure het liefst de historie spreken laat. Daar zijn er velen, die — |6| wederom geheel anders dan Groen, wien geen betrekking te hoog stond voor de eer, om zijnen landgenooten met eenige voorlichting van nut te mogen zijn 3) — in voorname minachting op het courantengeschrijf neerzien en met name de Standaard in den ban hebben gedaan. Om niet voortdurend gekrenkt en geŰrgerd te worden, hebben zij voor dit dagblad hun huis gesloten en den Redacteur hun vertrouwen niet alleen maar ook hunne achting ontzegd 4). De een noemde hem, om van andere smaadwoorden niet te spreken een „politieken tinnegieter”, en een ander zag in hem weldra een „ramp voor Kerk en Vaderland” 5).

Welnu, na vijf en twintig jaren moet het mogelijk zijn, een oordeel op te maken. Er zijn in elk geval gegevens genoeg. De Redacteur van de Standaard heeft zijne meening nooit onder stoelen en banken gestoken. Hij heeft schier over alles zijne gedachte gezegd, niet eens maar herhaaldelijk. Van achterhoudendheid, van vreeze, om voor zijn gevoelen uit te komen, is hij zeker niet te beschuldigen. Na een tijdperk van 25 jaren is het tot beslissing te brengen, of deze man eene ramp geweest is voor ons land en ons volk. Dat daarom eenige oogenblikken de historie tot ons spreke! Aan haar zij het woord!


*

Het is een lang proces en eene bange worsteling geweest, |7| waardoor de Christenen hier te lande geworden zijn tot eene zelfstandige, politieke, Antirevolutionaire partij. Daar waren er hier te lande steeds, die onder de stormen der omwenteling door trouw bleven aan het geloof, van de vaderen hun overgeleverd. Ze vormden de stillen in den lande, die in eigen kring zich hadden terug getrokken, en, lettende op de heerschappij en verbreiding van ongeloof en revolutie, menigmaal wanhoopten aan de toekomst van kerk en vaderland. Het officiŰele Nederland hield met deze menschen geen rekening en oordeelde ze eene overwonnen en wegstervende groep van duisterlingen en nachtscholieren. Maar deze getrouwen aan het Christelijk geloof en aan de nationale traditie kwamen in het begin dezer eeuw allengs tot ontwaking, en ze kregen een krachtigen steun in den gezegenden RÚveil, die als een adem des Geestes over de doode doodsbeenderen blies, uit de rationalistische oppervlakkigheid naar de onveranderlijke waarheden der Hervorming teruggrijpen deed, en vooral in de hoogere kringen des volks herleving en bezieling bracht.

Zoo kwam er allengs ontwaking uit den sluimer van het rationalisme. Bilderdijk hief zijne forsche zangen aan tegen ongodisterij en volkssouvereiniteit. Da Costa trad in 1823 op met zijne bezwaren tegen den geest der eeuw. Gemeenteleden en predikanten, kerken en kerkelijke vergaderingen verhieven hunne stem steeds luider en krachtiger tegen de leervrijheid en het synodaal bestuur van het Hervormd Genootschap, dat Willem I aan de kerken opgelegd had. Om bij de Gereformeerde Kerk te blijven, braken velen den band met het ongereformeerde Genootschap. En de gemengde school van 1806, welke eerst vrij algemeen voldeed en paste op den geesteloozen toestand dier dagen, wekte hoe langer hoe meer ontevredenheid en weerzin. Uit de lagere standen des volks, omzoomd en verbreed door een groep van aanzienlijken, kwam |8| een zwellende, wassende stroom van oppositie tegen het ongeloof en de revolutie der eeuw, die altijd hooger en stouter zich verhief, en niet meer te keeren of te bedwingen was door den banvloek der publieke opinie en de vervolging van het conservatief Liberalisme.

Deze Christelijke elementen van oppositie vormden de bouwstoffen der Antirevolutionaire partij. Gelijk in den worstelstrijd tegen Spanje, zoo ging door Gods wonder bestel ook thans eene schare van edelen met het volk weder hand aan hand. Maar hoe verre waren deze mannen verwijderd van de formatie eener politieke partij! Zij waren ontevreden met de revolutionaire toestanden in school en kerk, in staat en maatschappij; en zij zochten allen herstel en genezing in het Evangelie der Schriften. Doch bij eenigszins dieper onderzoek, welk een onderscheid en verschil, niet in stand en rang en ontwikkeling slechts, maar ook in inzicht, in neiging, in richting! Bilderdijk, da Costa, Groen, van der Brugghen, de Liefde, Heldring, de la Saussaye, Beets, van Oosterzee, Doedes, van Toorenenbergen, Brummelkamp, van Velzen, Scholte, de Cock — zij vertegenwoordigden van den beginne af aan elk een eigen zienswijze. Het confessioneel bewustzijn was nog weinig ontwaakt; Hervormden, Lutherschen, Remonstranten, Doopsgezinden gingen broederlijk saam, men leefde nog in het onbewuste, in de jaren der kinderlijke na´veteit; het was de tijd der slapende antithesen.

Maar de diepgaande verschillen waren van den aanvang aanwezig, en kwamen voor den dag, zoodra men ging nadenken en bewust ging leven. Verschil bleek er toen te bestaan over alles en allerlei, over Schrift en Kerk, Hervormd genootschap en Afscheiding, onderwijs en scholen, politiek en partij-formatie 6). Het is niets dan oppervlakkigheid, aan Groen de |9| verdeeldheid en scheuring der Christelijke vrienden te wijten 7). Zoo weinig is Groen de verstoorder der eenheid geweest, dat hij veeleer haar vader en schepper verdient te heeten. Hij was de man, die door wijsgeerige en theologische, door juridische en historische studie uit het vage en onbewuste tot het bewuste, klare denken zich verhief, die indrong in de diepte der beginselen en daar zijne principiŰele positie nam tegenover de richtingen en partijen van zijn tijd.

Groens Antirevolutionaire, Christelijk-historische opvoeding was in 1831 voltooid. Toen was de schets zijner beginselen gereed. In dat jaar is de grondslag der Antirevolutionaire partij gelegd 8). Eenvoudig en duidelijk was zijn standpunt. De revolutie van 1789 is geen gewone omwenteling, geen verandering slechts van regeeringsvorm, maar de stelselmatig gekweekte vrucht van eene ongeloofstheorie, die de souvereiniteit Gods uitwisselt voor de souvereiniteit van den mensch en van daaruit Ólle verhoudingen omkeert en vervalscht. Tegen deze revolutie is geen reactie, geen restauratie, geen conservatisme bestand, maar alleen een beginsel, dat in zichzelf en in al zijne toepassingen er lijnrecht tegenover staat, n.l. het Evangelie, bepaaldelijk gelijk het in de Reformatie aan het licht is gebracht en in zijn Calvinistischen vorm de oorsprong en waarborg van onze vrijheden is geweest. Met dat Evangelie is de revolutie altijd en alom te weerstaan; het is eene kracht Gods op ieder terrein van het leven, en daarom roept het niet alleen tot zwijgend getuigen en lijdelijk aanzien, maar ook tot handelen en strijden, in kerk en staat, in huisgezin en school en maatschappij. |10|

Om deze banier heeft Groen toen de Christenen hier te lande trachten te vereenigen. Hij heeft orde gebracht in den chaos, overeenstemming in de wisselende meeningen, en eene eenheid geschapen van beginsel, van program, van gedragslijn. Hij is leider geworden jure suo. Indien Groen daarbij ergens van te beschuldigen is geweest, zeker niet van enghartigheid, van onverdraagzaamheid, van gebrek aan geduld. Zijn bedoelen was en bleef ralliement. Hij was op weren, maar steeds ook op werven bedacht 9). Daarom ging hij zelfs niet verder terug, dan tot de onveranderlijke waarheden der Hervorming. Daarom legde hij op het Calvinisme niet dien nadruk, die er later op vallen moest. Daarom stelde hij de kerkelijke, de sociale, de electorale kwestie niet aan de orde. Daarom concentreerde hij heel den politieken strijd alleen op het lager onderwijs. Zoo toch hoopte hij Hervormden en Gescheidenen, Gereformeerden en Lutherschen, Confessioneelen en Irenischen geschaard te houden rondom zijne banier.

In weerwil van dit verzoenend streven, is hem de vereeniging van allen toch niet gelukt. Er waren er onder de mannen van den RÚveil, die uit andere beginselen leefden, die bij Fransche en Duitsche theologie en philosophie ter schole gingen en die afkeerig waren van de Gereformeerde orthodoxie. Van den aanvang af kozen zij tegen den leider partij. In de kerk veroordeelden zij zijn confessioneel optreden; in den staat zijne politieke organisatie en actie; op schoolgebied zijn ijveren voor gezindheidsscholen. Zelven tot partij-organisatie beide onwillig en onbekwaam, bepaalden zij zich tot tegenwerking en afbrekende kritiek. Dat zij met Groen niet medegingen, strekt hun niet tot verwijt; zij konden het krachtens hunne beginselen niet. Maar wel was het bevreemdend, dat de |11| ethisch-irenischen steeds irenisch waren tegen liberalisme en moderne theologie en steeds polemisch tegen orthodoxen en orthodoxie 10). Alwat door Groen in kerk en staat, voor lager of voor hooger onderwijs, door de pers of door organisatie ondernomen werd, vond bij hen gestadigen weerzin en tegenstand; maar het liberalisme en het ongeloof werkten zij bewust of onbewust in de hand 11). Eigen verdeeldheid gaf in 1857 ons aan ongeloofspropaganda prijs. Zonder meegaandheid van voortreffelijke geestverwanten zou het Christendom boven geloofsverdeeldheid der gemengde school den weg voor het Modernisme niet met schrikbarende snelheid hebben gebaand. Door ethisch-irenischen weerzin tegen de confessioneele en orthodoxe partij kwam de schoolwet van 1857 tot stand 12). De „ellendige” zinsnee in art. 194 der Grondwet werd door de Conservatieven, tegen den zin der Antirevolutionairen, aan de Liberalen opgedrongen, en beperkte de vrijheid van onderwijs weer, welke Staats-commissie en Regeering wilden schenken 13).

Toen echter de fusie van Antirevolutionairen en Conservatieven in ’57, onder het ministerie van der Brugghen, en later nog eens in 1866, onder het ministerie Heemskerk-van Zuylen, |12| zulke wrange vrachten droeg, toen was Groen ook beslist. Het jaar 1857 is voor de geschiedenis der Antirevolutionaire partij van het hoogste belang. Groen veranderde niet van beginsel, maar van gedragslijn en tactiek. Als hij in 1862, van het ministerie Thorbecke eene eerlijke naleving der schoolwet verwachtend, in de Kamer terugkeert, aanvaardt hij den godsdienstloozen, echter niet den antichristelijken staat. De Nederlandsche Regeering heeft bewust en willens met het Christendom gebroken en in de publieke instellingen de vlag der neutraliteit geheschen; welnu, ze zij dan ook neutraal, eerlijk, oprecht, volkomen! Maar dan is krachtens die neutraliteit ook eisch, dat er scheiding kome van kerk en staat, opdat de kerk haar vrijheid en zelfstandigheid herkrijge; dat de staat zich niet langer bemoeie met de theol. faculteiten; dat de schoolwet in die artikelen, waarin zij met die neutraliteit in strijd is, gewijzigd worde; en dat, ter verwezenlijking van den eisch: de bijzondere school regel, de openbare aanvulling, de ellendige zinsnee uit art. 194 der Grondwet worde geschrapt 14).

Met dat program trad Groen op in 1862. Zijne hope op de Regeering was beschaamd. Zijne verwachting van de edelen was teleurgesteld. Meer dan vroeger richt hij zich nu tot het volk, tot de kiezers, en tot het volk achter de kiezers. Hij werd door Conservatieven en Irenischen gedreven in democratische lijn. Niet in de doofheid, niet in de dofheid der volksklasse ligt de oorzaak van ons leed, zoo sprak hij, maar wel hierin, dat de volksstem (ook waar de spreuk gold vox populi vox Dei), ondanks de uitnemendheid van haar Christelijke aspiratie, in de stiklucht van hoogere kringen gesmoord werd 15). Stel het volk niet te laag; het is de slaperigheid en onkunde |13| der meer ontwikkelden, waarin het grootste gevaar ligt 16). Voor dat volk, waar hij trouw aan het beginsel en steun voor zijne politiek vindt, richt bij thans het oog. Van nu voortaan wil hij van geen fusie meer weten. De Conservatieve partij was steeds zijne ergste vijandin 17). Groen breekt met allen. Meer dan getalsterkte en invloed is hem het beginsel waard. Hij zet het mes in de wonde. De Antirevolutionaire gelederen dunnen geweldig; de getrouwen zijn weinigen; straks stond de veldheer alleen zonder leger. De jaren 1862—’72 zijn voor den leider jaren van lijden geweest 18). Van Zuylen afvallig, Keuchenius naar IndiŰ, Koorders gestorven, Saussaye en Beets uittredend uit Chr. Nat. Schoolonderwijs, de Antirevolutionare partij in de Conservatieve opgelost!

Maar toen allen wankelden, hield de veldheer stand. In zijn isolement lag zijne kracht. In 1869 herwint hij de zelfstandigheid der Antirevolutionaire partij; en als dan toch weer de partij in de Kamer tegen de partij buiten de Kamer partij kiest, dan tast bij in 1871 nog eenmaal door en stelt voor de stembus van dat jaar slechts drie candidaten: Kuyper, Keuchenius, van Otterloo; Kuyper tegen de politiek der meegaandheid, Keuchenius tegen de steeds voortdurende lofspraak over het in 1866 tot stand gekomen kabinet, van Otterloo tegen de ontchristelijking der school 19). De Liberalen brachten 26701 stemmen uit, de Roomschen 17494, en de Antirevolutionairen slechts 7520. Maar zij stonden, hoe klein dan ook, toch weer vrij en zelfstandig in het land. De Conservatieven, aan zichzelven overgelaten, werden in hun onmacht tentoongesteld en vermochten zonder de hulp van anderen |14| niets; ze verzamelden op hun candidaten niet meer dan 7319 stemmen. Het beginsel was gered, de eer was behouden, het vaandel onbesmet bewaard. En zˇˇ is de Antirevolutionaire Partij in den jare 1872 door Groen aan de leiding van Dr. Kuyper overgedragen. De veldheer nam in 1873 zijn emeritaat, op de leiding van zijn opvolger volkomen gerust 20).

*

De pijnlijke operatie, waaraan Groen de Antirevolutionaire partij in ’69 en ’71 onderwierp, slaagde volkomen. Genezing trad in. En het eerste merkwaardig teeken der herleving was de verschijning van de Standaard. Dat was inderdaad een evenement. De geloovige Christenen hadden hier te lande wel allerlei bladen en tijdschriften, maar deze droegen meest alle een godsdienstig, theologisch, kerkelijk karakter, bemoeiden zich met de politieke vraagstukken slechts in het voorbijgaan, en gaven geen leiding. Groen zelf gaf wel vele boeken en brochures in het licht en richtte zich vˇˇr de stembus wel eenige malen tot de kiezers; maar een blad, dat de politieke vraagstukken van den dag van Antirevolutionaire beginselen uit geregeld besprak, bestond er nog niet. Gelijk de Antirevolutionairen tot 1873 toe meest samengingen met de Conservatieven, zoo waren ze in den regel ook getrouwe lezers van het Haagsche Dagblad.

Na de radikale scheiding kon dit niet meer. De Antirevolutionaire partij was zelfstandig geworden. Ze moest nu ook hebben een eigen orgaan. Toen Groen de oprichting ervan vernam, was hem dit eene blijde verrassing, eene poging, om eindelijk aan eene dagelijks meer in het oog vallende behoefte te voorzien ; dubbel gewichtig, indien ze met de formatie van |15| den Kiezersbond in vereeniging gebracht werd 21). De oprichting van eew Antirevolutionair dagblad was inderdaad een keerpunt in onze staatkundige geschiedenis. De Antirevolutionaire partij was de kinder- en jongelingsjaren te boven gekomen en wilde niet meer loopen aan anderer leiband. Ze trad den mannelijken leeftijd in, wilde door eigen oogen zien en een eigen weg bewandelen. Tot bewustzijn gekomen van de onderscheidenheid van haar beginsel, leerde zij de roeping verstaan, om alle vraagstukken van den, dag van haar eigen standpunt uit te bezien, en door middel van de pers het Nederlandsche volk voor te lichten en propaganda te maken voor hare beginselen. En terzelfder tijd, als de Antirevolutionaire partij tot deze ontwikkeling was gekomen, stond een man gereed, in wien hare beginselen als het ware, vleesch en bloed waren geworden, die gedurende langen tijd den vertrouwelijksten omgang met Groen had genoten en ten volle zijn vertrouwen verwierf, en die bij dat alles in zeldzame mate de gave bezat, om de Antirevolutionaire beginselen te vertolken voor den eenvoudigste, in te denken, uit te werken, toe te passen op alle voorkomende vraagstukken, en pers en politiek in dienst te stellen van de Belijdenis van den Naam des Heeren Heeren.

Het eerste nummer verscheen den 1sten April 1872, den driehonderdsten gedenkdag van der Geuzen inneming van den Briel, en riep het Nederlandsche volk op, om zich te scharen rondom den standaard van Gods Woord en hoog te houden de banier der conscientievrijheid. De eerste tien jaren zijn toen door de Standaard aan een dubbelen arbeid gewijd, aan de bestrijding der fusie en triple alliantie en aan de organisatie der eigen partij. Klein maar rein was de Antirevolutionaire |16| partij in ’69, en ’71 uit den smeltkroes te voorschijn gekomen. Toch was de politieke ontwikkeling nog te gering en het argeloos samengaan met Conservatieven en Roomschen nog te kort geleden, dan dat zulk eene alliantie niet telkens weer hare bekoring oefende. De gedachte, dat vrome zin genoegzamen waarborg biedt voor politiek beleid, zat velen nog te diep in de ziel.

Van meetaf koos daarom de Standaard tegen alle fusie partij. Rusteloos heeft zij van ’72 tot ’81 het Conservatisme, de schijnbaar vrome en toch zoo onvrome en onware politicophobie, de theorie van de Vertrauensmńnner, de politiek der meegaandheid bestreden en op de kaak gesteld. Van de felle slagen, toen aan de Conservatieve partij toegebracht, is nog de heugenis bewaard. Maar geheel schijnt vergeten, en daarom verdient het te meer herinnering, dat de Standaard in die jaren met niet minder kracht te velde is getrokken tegen de fusie met Rome en tegen de ultramontaansche politiek. Van welken aard de verstandhouding was, kan daaruit blijken, dat de Gelderlander den Voorzitter van het Centraal ComitÚ een vunzige adder schold 22), dat de Tijd den Redacteur van de Standaard van „valsch spel” beschuldigde en de Antirevolutionaire partij gevoelen deed van haar genade te leven 23); en Schaepman aan Groen ten laste legde, in 1857 de Roomschen over den Moerdijk te hebben willen jagen 24). Toen, in die jaren, is het beginsel der Reformatie, de eere onzer martelaren, het bloed onzer vaderen, de vrijheid van geweten, de rechtsgelijkheid van alle burgers, de nagedachtenis van Groen door de Standaard met edele fierheid tegen Rome verdedigd. |17| Van de beschuldiging van coalitie en monsterverbond is, voor wie niet phantaseert maar studeert, vlak het omgekeerde waar. Het is de eere van de Standaard, de Antirevolutionaire partij niet alleen tegenover het Conservatisme maar ook tegenover het Romanisme zelfstandig en vrij te hebben gemaakt. Wel zocht ook toen de Standaard hare kracht reeds, niet in antipapistische felheid, in het opwekken van allerlei lage, zij het ook kerkelijke, hartstochten; doch in principiŰele bestrijding van ultramontaansche politiek kan de Christ. Histor. Kiezersbond van deze dagen bij de Standaard in de jaren ’72 tot ’82 ter schole gaan. Wat Groen van zichzelven getuigde: tegen ultramontaanschen overmoed heb ik mij altijd verzet; nooit was ik lofredenaar van anti-papistische felheid 25) is ook door de Standaard met nauwgezetheid-behartigd 26). En toen het jaar 1875 eene herhaling gaf van de jammervolle geschiedenis van 1857 en 1866; toen de Redacteur van de Standaard nu ook zelf persoonlijk de bittere ervaring opdeed, welke Groens deel was geweest; toen is na zjn terugkeeruit het buitenland in Maart 1877 de strijd tegen de triple alliantie nog sterker aangebonden. Toen gaf de Standaard den |18| raad, om uit de regeeringskringen zich terug te trekken, en onder het volk propaganda te maken voor de Antirevolutionaire beginselen. Het was een reculer pour mieux sauter. Voordat het leger kon gaan in deze strijd, moest het versterkt en geoefend 27).

En hierin heeft de tweede arbeid van de Standaard in dat eerste tiental jaren bestaan. De Antirevolutionaire partij werd georganiseerd en gedisciplineerd. In Groens dagen kwam het hier niet toe. Er was geen Kiezersbond, geen deputatenvergadering, geen uitgewerkt program, en kiesvereenigingen slechts in zeer geringen getale. Groen riep alleen tegen den tijd der verkiezingen eenige vrienden in den Haag of Utrecht saam en stelde met hen de te volgen gedragslijn vast. Zoodra echter de partij in ’69 hare zelfstandigheid herwon, werd ook de behoefte aan een kiezersbond gevoeld. In 1873 begon de organisatie der plaatselijke kiesvereenigingen en trad het Centraal ComitÚ voorloopig op. Den 1 Jan. 1878 zag het program van beginselen het licht. De deputaten-vergadering kwam voor het eerst bijeen in datzelfde jaar; samenwerking en overleg van Centraal ComitÚ en Kamerclub werd voorbereid.

En toen Kappeyne’s schoolwet in 1878 de scherpe resolutie invoerde, werd het groote en grootsche Volks-petitionnement op touw gezet. In de vergadering van Chr. Nat. Schoolonderwijs te Utrecht den 2 Mei 1878 werd het desbetreffend voorstel van Dr. Kuyper aangenomen. En reeds op Zaterdag den 3den Augustus van dat jaar werd door eene Commissie, met Elout aan het hoofd, aan Z.M. den Koning op het Loo een smeekschrift aangeboden, voorzien van meer dan 300,000 handteekeningen en voor niet minder dan 115000 |19| kinderen eene School met den Bijbel begeerend 28). De Koning teekende de wet wel, reeds den 17den Augustus. Maar de zedelijke invloed, die van deze beweging uitging in de Antirevolutionaire gelederen, kan moeilijk overschat. Nieuw leven werd er uitgestort. Geestdrift werd er gewekt. Het bewustzijn van kracht werd verhoogd. De gedeeldheid der broederen scheen geheeld. De liefde en offervaardigheid voor de Christelijke school nam toe. De Unie: Eene school met den Bijbel werd gesticht. En de stembus van 1870 zette op dit alles de kroon, en schonk aan de voorstanders der vrije school den zedelijken triumf. Het stond toen in het land 37000 tegen en slechts 27000 vˇˇr de neutrale staatsschool. En wel was de rechterzijde, schoon overgroote meerderheid in het land, dank zij census en kiestabel, minderheid in de Kamer — hier stond het toch 51 tegenover 35 — maar in den verkiezingsstrijd van 1879, straks door dien van 1881 bevestigd, werd het Conservatisme volkomen verslagen, en het Liberalisme zoo duchtig geslagen, dat de overwinning toen reeds eene kwestie was van tijd.

Wat in tien jaren tijds door de Standaard werd verkregen, is ongeloofelijk haast om te zeggen. In 1871 Groen alleen, zonder leger, zonder pers, zonder program, zonder een noemenswaard getal van Kiesvereenigingen en slechts drie leden in de Kamer. En in 1881 een dagblad, dat ondanks alle tegenwerking en verguizing van jaar tot jaar aan invloed won, eene steeds zich uitbreidende kleine Antirevolutionaire pers, een kiezersbond, een Centraal-ComitÚ, meer dan tweehonderd kiesvereenigingen, verspreid over heel het land, een uitgewerkt program, en in de Kamer twaalf leden; en onder dezen, sedert |20| de verkiezing in Gorkum 10 Juni 1879, Keuchenius weer terug, de man van de motie, het belichaamde protest van alle fusie en triple alliantie politiek! Dit was het werk van den man, die bij het begin van zijn optreden een „politieke tinnegieter” was genoemd!


*

Aan het einde van eene tienjarige worsteling stond dit feit boven allen twijfel vast, dat de minderheid in het land de meerderheid was in de Kamer. Op deze uitkomst steunende, bond de Standaard in de eerstvolgende jaren den strijd tegen het Liberalisme aan. De volksgeest was bewerkt. Het leger georganiseerd. Orde en tucht waren wedergekeerd. Beginsel en program stonden vast. Zoo was het dan nu de tijd, om naar de Regeeringskringen terug te gaan en een einde te maken aan de onrechtvaardige, liberalistische overheersching. De Standaard had zelve een duidelijk program van actie. Eerst censusverlaging, opdat er eene andere Kamer kome, die weer eene zuivere vertegenwoordiging van het volk zij. Dan met die andere Kamer herziening der Grondwet, niet alleen van art. 194, maar ook van vele andere artikelen, met name 168. En daarna allerlei andere, politieke, financieele, sociale, oeconomische, militaire hervormingen 29).

Op dit program bood de Standaard in 1881 samenwerking aan andere partijen aan, die daarmede geheel of gedeeltelijk mochten overeenstemmen. Deze samenwerking was iets principieel anders dan de fusie, die de Antirevolutionaire partij van 1860 tot 1870 bedorven had en bijna tien jaren lang onafgebroken door de Standaard was bestreden. De fusie van vroeger was van conservatief gehalte; zij geschiedde zonder politiek beginsel, zonder program, zonder vast accoord, zonder |21| partijformatie en begrenzing tegenover elkaar. Schijnbaar op overeenstemming in geloof steunend, was zij in den grond leugenachtig en onwaar; ze vervalschte de beginselen, wischte de grenzen uit en leverde in de practijk niets dan teleurstelling op.

Maar de samenwerking, door de Standaard bedoeld, was een welbewust samengaan van twee of meer zelfstandige, georganiseerde partijen, die enkele wenschen met elkaar gemeen hadden en ter verkrijging daarvan, voor een bepaalden tijd en voor een bepaald doel, samen optrokken in den strijd. Zij vernietigde niet, maar ging juist uit van het verschil in beginselen zij onderstelde de zelfstandigheid en organisatie der partijen zij stelde de gemeenschappelijke belangen van te voren duidelijk vast. Samenwerking in dezen zin was van fusie het lijnrechte tegendeel, zoo sterk zelfs, dat wie haar aanvaardt, voor fusie is behoed, en wie haar verwerpt, altijd weer tot fusie komt 30).

Deze samenwerking werd nu door de Standaard wel voor het eerst in 1881 aangeboden. Maar het denkbeeld zelf was niet nieuw. Het was reeds in de Heraut van 28 April en 15 Mei 1870 ontwikkeld, en bepaaldelijk ook op Roomschen, Conservatieven |22| en Radicalen toegepast 31). Het had de volledige instemming van Groen 32). Het is door de Standaard niet eens, maar vijf en twintig jaren aaneen toegelicht en bepleit, en altijd in denzelfden geest, op denzelfden voet, en met eene bewonderenswaardige gelijkheid aan zichzelve. En desniettemin — neen, principieel is het nimmer bestreden. Geen enkele partij heeft gezegd, of in de practijk getoond, dat zulk een samengaan ongeoorloofd en onzedelijk is. Niemand durft beweren, dat het stemmen van een Roomsche, een Liberaal, een Radikaal altijd en in alle omstandigheden verboden is 33). Maar wat wel is geschied, is dit, dat Irenischen, Conservatieven en Liberalen telkens, als het hun voordeelig was, deze samenwerking als een monsterverbond hebben uitgekreten, de hartstochten van het volk hebben opgezweept, en, juist op het oogenblik als de overwinning nabij scheen, aan de Antirevolutionaire partij de nederlaag hebben bezorgd. Samenwerking werd veroordeeld en tegelijkertijd de fusie binnen gehaald en om de stemmen van Roomschen gebedeld. Dat is de politieke demoralisatie, waartegen de Standaard met edele verontwaardiging getoornd heeft, en die zij gestriemd heeft met de geeselkoorden van haar woord.

Zulk eene samenwerking was in de jaren 1870-1880 onmogelijk, omdat geen enkele partij, ook niet de Antirevolutionaire, zelfstandig en vrij was georganiseerd. Maar nu scheen zij uitvoerbaar te zijn. Er waren teekenen, die op eene goede |23| organisatie ook bij andere partijen hope gaven. Dr. Schaepman was in 1880 in de Kamer gekomen en gaf in 1883 eene proeve van program 34). De Duitsche centrumpartij scheen ook de Roomschen hier te lande tot jaloerschheid te verwekken 35). Het voorbeeld van de Antirevolutionaire partij scheen ook bij anderen navolging te zullen vinden. En toch is ook toen zelfs de samenwerking niet tot stand gekomen in den geest en naar den wensch van de Standaard. Roomschen en Conservatieven stemden wel op onze candidaten maar hadden tot organisatie der partij en tot het opstellen van een program noch den lust noch de bekwaamheid. Zij stonden in de schoolkwestie wel aan onze zijde, maar stemden in electorale, sociale en kerkelijke kwestie niet met ons overeen 36). Vandaar dat de Standaard de samenwerking slechts aarzelend en niet dan met bezorgdheid heeft aanvaard, telkens weer sprak van eigen weg te gaan, en op het program van beginselen meer dan ooit den nadruk legde 37). Maar de leider wordt ook menigmaal zelf geleid en is bij de uitvoering van zijn program van de omstandigheden afhankelijk 38). De Tijd ried na 1873 en vooral na 1879 de Roomschen aan, om hunne stem op onze candidaten uit te brengen 39). Aan de ongerechtige overheersching van het Liberalisme kon geen einde gemaakt worden dan door samenwerking der minderheden. Reeds in 1880 was de Grondwetsherziening in aantocht, en dan moest daarbij de groote slag geslagen worden voor het recht en de vrijheid der bijzondere school 40). Het was te voorzien, dat het Liberalisme |24| binnen enkele jaren overwonnen zou worden. Reeds in 1878, zoo hebben de bladen ons onlangs verhaald, voorspelde Dr. Kuyper aan den heer Lohman, dat over tien jaren de antiliberalen aan de Regeering zouden zijn. De Standaard sprak in dienzelfden geest 41). Alleen, met het oog op die waarschijnlijke en al te spoedige zegepraal legde zij aan Centraal-ComitÚ, Kamerleden, pers en partij de ernstige vraag voor: als gij straks, misschien reeds in 1883 tot de regeering geroepen wordt, zijt gij dan gereed 42)?

Door de krachtige samenwerking der minderheden is het toen tot overwinning van het Liberalisme gekomen. Elke verkiezing bracht van 1881 af tot 1888 toe, voor de rechterzijde een meer of minder schitterenden triumf. Er was een gestadige vooruitgang; het getal Kamerleden van anti-liberale zijde nam gaandeweg, schier van jaar tot jaar, toe. In 1884 stonden er in de Kamer 44 Anti-liberalen tegen 42 Liberalen; de Kamer was even om; Mackay werd tot voorzitter verkozen 43). In April 1886 werd, ofschoon op geheel onaannemelijke voorwaarden, aan Mackay de vorming van een ministerie opgedragen 44). In 1888 werd de meerderheid verplaatst; 52 Anti-liberalen stonden tegenover 46 Liberalen; van drie in 1871 waren de Antirevolutionaire Kamerleden tot drie en twintig in 1888 gestegen; in April van dit jaar trad het ministerie der rechterzijde op.

In enkele jaren tijds was, vooral onder de leiding van de Standaard, de Liberale partij verslagen en het Christelijk beginsel weer publiekelijk in deze landen in eere hersteld. Wat in 1888 een feit werd, scheen in 1872 eene onmogelijkheid; |25| de gedachte eraan was ongerijmd; Groen heeft nooit zulk eene verwachting durven koesteren. Maar de strijd van de Standaard en de overwinning van 1888 heeft geleerd, wat er door samenwerking ook in ons vaderland nog voor de Antirevolutionaire beginselen verkregen kan worden. Aan welke billijke of onbillijke kritiek het Ministerie-Mackay nu ook onderworpen zij; het heeft de booze profetie en de ongunstige verwachting der Liberalen ten eenenmale beschaamd en de bewijzen geleverd, tot regeeren bevoegd en bekwaam te zijn; het heeft naar de getuigenis van den Hooorleeraar Buys eene werkzaamheid ontwikkeld, welke bij die van vorige regeeringen niet achterstond 45); het heeft eene schoolwet gegeven, die in een langen strijd verademing en wapenstilstand gebracht en aan de bijzondere school de rechtsgelijkheid in beginsel verzekerd heeft 46). Dit was wederom voor een groot deel vrucht op den arbeid van dien man, die in 1880 eene ramp voor kerk en vaderland was genoemd.


*

Zonder twijfel is het Kabinet-Mackay het hoogtepunt geweest, dat door de politieke actie der rechterzijde, de Standaard vooraan, in vijfentwintig jaren is bereikt. Op den vloed echter is ebbe gevolgd; bij de verkiezing in 1891 behaalden door allerlei omstandigheden de Liberalen weder de meerderheid; het ministerie-Mackay werd vervangen door het Kabinet-Tak.

De ontwikkeling der Antirevolutionaire partij was in zekeren zin te snel geschied; zij werd eerder tot de regeering geroepen, dan zij enkele jaren te voren ook maar had kunnen vermoeden; het aantal leden, dat haar in de Kamer vertegenwoordigde, |26| stond in geen verhouding tot hare getalsterkte in het land 47), en de taak, waartoe zij geroepen werd, overtrof verre de voorbereiding, die haar gegund was geweest. Bovendien was het van 1881 af duidelijk, dat de Roomschen niet alleen in de sociale, electorale en militaire vraagstukken positie zouden nemen tegenover de Antirevolutionairen, maar ook hun diepe antipathieŰn tegen den Calvinist niet zouden kunnen overwinnen. De minachting voor den Calvinist, zegt de Heer de Savornin Lohman terecht, zit den Roomschen te diep in het bloed. Een slippedrager van Calvijn te zijn is zeker — naar hun oordeel — het verachtelijkste, wat iemand kan overkomen, en de Maasbode e.a. verzekerden, dat niets minder dan dat plaats had, zoo men zich met de adviezen van mannen als Dr. Schaepman vereenigde 48).

Erger was, dat de oude verdeeldheid onder de Antirevolutionairen zelven weer opwaakte. Lang had ze gesluimerd. Na 1871 schenen allen saam op te trekken in den strijd. De leiding van Dr. Kuyper werd, hoewel aarzelend en nooit van harte 49), toch een tijdlang aanvaard. Het volkspetitionnement van 1878 sloot de gelederen nog nauwer aaneen. Maar de eensgezindheid was niet principieel. Er is geen beschuldiging meer onwaar en meer met de feiten der historie in strijd dan dat Dr. Kuyper met al de talenten en krachten, waarmede God hem heeft toegerust, de geloovige Christenen in Nederland op de droevigste wijze heeft uiteengescheurd 50). De gedeeldheid der Protestantsche Christenen dagteekent reeds van de eerste dagen van den RÚveil en de Scheiding. |27| Telkenmale is zij voor den dag gekomen en op alle gebied 51). De ethischen zijn nooit met Groen homogeen geweest. De irenischen hebben den veldheer van 1862 nooit erkend als den man naar hun hart 52). Zijne principieele bestrijding van de fusie met de Roomschen en Conservatieven, had nooit hun sympathie. Zijne candidaatstelling van het driemanschap in 1871 scheen hun een roekeloos bedrijf. 53) De eisch tot scheiding van Kerk en Staat en afschaffing van de Theol. Faculteit; het program, waarmede hij na 1857 optrad; zijne aansluiting aan het Calvinistische volk; zijne instemming met Dr. Kuyper werd misschien gedragen, maar nooit van harte goedgekeurd. En daarentegen heeft Groen heel zijn leven er zich voor ingespannen om bijeen te houden, wat maar immer mogelijk was. En Dr. Kuyper is voortgeschreden in dit zelfde spoor. Volk en edelen, Irenischen en Confessioneelen, Hervormden en Gescheidenen heeft hij op politiek gebied steeds trachten te vereenigen en vereenigd te houden op den grondslag van het program.

Ja, de vereeniging van alle geloovige Christenen is vergelijkenderwijs aan Kuyper nog beter en langer dan aan Groen van Prinsterer gelukt. Het ralliement is van 1870 tot 1880, ja zelfs nog tot 1888 toe, grooter en inniger geweest dan ooit in de dagen van Groen. Als Groen had |28| kunnen zien, wat wij in 1888 hebben beleefd, hij zou zijn oogen niet hebben geloofd. Zulk eene samenwerking, zonder verzaking van beginselen, was in zijne dagen onmogelijk. Toen liep alle verbintenis op fusie uit; maar het Ministerie-Mackay, vrucht van de gemeenschappelijke actie der rechterzijde, is geen da capo geweest van dat van 1857 en 1866.

Maar dit is waar, dat het ook aan Dr. Kuyper niet is gegeven geweest, om de principieele verschillen en tegenstellingen, die er van den aanvang af, lang vˇˇr zijn optreden, bestonden, te verzoenen en op te lossen in harmonie. Dat verschil was aanwezig en het is blijven bestaan tot op den huidigen dag, al heeft het ook nu en dan gesluimerd. Dit kan sine ira et studio worden geconstateerd. Het staat historisch vast. Het is met de stukken te bewijzen. Zelfs dit kan aan de irenischen niet als schuld worden aangerekend, dat zij bezwaren hadden in de politiek van de Standaard. Zij konden om hun beginsel niet anders. Maar onbillijk is het en onrechtvaardig, als zij de oorzaak der verdeeldheid, in plaats van bij het verschil in beginselen, bij de gedragslijn van de Standaard gaan zoeken. Want deze is zichzelf gelijk gebleven 25 jaren lang. Van Dr. Kuyper was van zijn eerste optreden in 1868 af niet anders te verwachten. Toen reeds werd de tegenstelling tusschen hem en de irenischen openbaar 54). Zonder twijfel zou hij, ondanks al zijne hem te laste gelegde gebreken, met gejuich door de irenischen zijn binnengehaald, indien hij de beginselen van Groen verzaakt, aan het Calvinisme den rug toegekeerd, de nachtschool doodgetrapt en in plaats van zelfstandige samenwerking, fusie en vermenging had bepleit. De vriendschap van de irenischen ware aan Dr. Kuyper ten volle verzekerd geweest, als hij aan de Gereformeerden de vriendschap opgezegd had.

Maar dat heeft de Standaard nu eenmaal niet gedaan. In |29| den strijd der beginselen heeft zij de zijde van Groen, niet die van van der Brugghen gekozen. En trouw aan het program van Groen, heeft zij den strijd voor het vrije, Christelijke onderwijs ook tot de Hoogescholen uitgebreid. Eerst scheen zij hierbij op aller medewerking te kunnen rekenen. Groen eischte reeds in 1862 afschaffing der Theol. faculteiten 55); het denkbeeld van eene vrije Christelijke Universiteit vond jaren lang bij velen sympathie, bij Vos, van Rhijn, Gunning, Cohen Stuart 56); den 13 Dec. 1875 gaf Dr. Gunning in de Standaard zelfs den raad, om eene conferentie saam te roepen en daar over zulk eene stichting van gedachten te wisselen. De wet op het Hooger Onderwijs van 1876, die de theologie omzette in eene moderne godsdienstwetenschap, scheen voor een oogenblik velen de oogen te openen en wakker te schudden uit den slaap. Maar weldra verzonk alles weer in zoete, diepe rust. De la Saussaye had reeds in 1867 en 1872 zijne stem verheven tegen de afschaffing der theol. faculteit 57). Van de conferentie, door Dr. Gunning voorgesteld, hielden velen zich terug 58). Toen de wet van 1876 er eenmaal was, stelde men zich met een onprincipieel en nietsbeduidend aanvullingsplan tevreden 59). Prof. Doedes vond weldra, dat het zoo hoorde, en dat de wet eene geschikte arbeidsverdeeling gaf. 60) Het was spoedig, alsof er |30| niets was gebeurd. De matige oppositie maakte voor berusting, en deze straks voor goedkeuring en loftuiting plaats. En toen nu andere mannen met zulk eene politiek niet konden medegaan, meenende dat de tijd te ernstig was om te slapen; toen zij oordeelden, dat het tijd tot handelen was, en dat er naar het woord van de Liefde niet zoozeer zachtmoedigheid als wel stoutmoedigheid te pas kwam; toen zij eene Vereeniging voor Hooger Onderwijs stichtten, in 1878, en twee jaren later eene Vrije Universiteit op den grondslag der Gereformeerde beginselen — toen werden deze mannen beschuldigd, de geloovige Christenen op de droevigste wijze uiteen te scheuren, toen waren geen woorden sterk genoeg, om deze stichting aan te vallen en te bestrijden. De kalme oppositie tegen de wet van 1876 had niets te beduiden bij den strijd, die nu aangebonden werd tegen de Christelijke Hoogeschool. De ireniek sloeg plotseling om in de heftigste polemiek. De Staatstheologie rees in achting, de wet van 1876 scheen onschadelijk, maar de Vrije Universiteit was een gevaar voor Kerk en Vaderland, Dr. Kuyper een ramp voor beide. Wat geen zoogenaamde neutraliteit van den Staat, geen conservatief of liberaal ministerie, geen onchristelijke wet, geen moderne godsdienstwetenschap had vermocht, dat vermocht eene zwakke vereeniging voor Gereformeerd Hooger Onderwijs: de broeders wakker te schudden uit den slaap en te veranderen in eene schare van hartstochtelijke strijders 61). Zoo zijn de feiten. Maar zoo mag dan ook, zelfs de tegenstanders rechters zijnde, gevraagd |31| worden: is het billijk, is het rechtvaardig de schuld der verdeeldheid aan de Standaard te wijten?

Bij dit verschil in 1880 kwam voorts nog het gebrek aan overeenstemming in het kerkelijk vraagstuk. Het zij toegestemd, dat het Evangelie, gelijk Groen het verstond, d.i. wezenlijk in zijne Gereformeerde opvatting, tot eene actie dreef ook op kerkelijk terrein, die den irenischen niet aangenaam en welgevallig kon zijn. Het zij ook erkend, dat het voor de irenischen moeilijk moest vallen, in Groen den leider der politiek af te scheiden van den handhaver van het recht der Hervormde gezindheid, en zoo ook den Redacteur van de Standaard los te denken van den Redacteur van de Heraut en van den vader der doleantie. Maar toch staat daartegenover, dat de Standaard steeds, met eene zuiverheid van onderscheiding, die alleen gevolg kan zijn van eene volkomene beheersching van beide terreinen, de kerkelijke kwestie buiten de politiek heeft gehouden. Vˇˇr en na de doleantie heeft de Standaard over het kerkelijk vraagstuk, voor zoover het naar art. 20 van het program ook eene staatkundige zijde heeft, zich steeds uitgelaten in denzelfden geest. Indien er verandering bij den Redacteur van de Standaard valt op te merken, is deze aan de irenischen ten goede gekomen. In 1879 toch heeft hij ter wille van Ds. Buitendijk zijne vroegere meening gewijzigd en goedgevonden, dat de Staat de gelden voor den eeredienst niet alleen zou kapitaliseeren voor de rechthebbenden maar voor alle kerken, die thans naar de Grondwet ondersteuning uit de schatkist genieten. Zoo kwam hij op hetzelfde standpunt te staan, dat later ingenomen werd door den Heer Beelaerts van Blokland 62); trok bij in dezen — het is bijna |32| ongeloofelijk — ÚÚne lijn met Dr. Vos 63) en Dr. Bronsveld 64), en kwam hun nader dan zelfs de Heeren Baron de Geer van Jutphaas en Jhr. de Savornin Lohman. En even zuiver als de Standaard zich hield, gedroeg zich ook de Antirevolutionaire partij. Op politiek terrein werd naar geen kerkelijke kleur |33| gevraagd. Hervormden werden overal over heel ’t land heen door alle Antirevolutionairen met warmte aanbevolen en gesteund; van achteruitzetting op staatkundig terrein vanwege kerkelijke overtuigingen was nimmer sprake. Maar wel is omgekeerd door Irenischen en Liberalen de kerkelijke kwestie telkens aangegrepen tot aanbeveling of tegenwerking van candidaten; menigmaal scheen het, alsof godsdienstige en staatkundige belijdenis er niets toe deed, indien de candidaat maar lid van de Hervormde kerk was en als een tegenstander bekend stond van de doleantie. Maar desniettemin wordt de Standaard in den ban gedaan; haar Redacteur moet wezen eene ramp voor Kerk en Vaderland; aangenaam en welgevallig zijn alleen zij, die voorshands tevreden zijn met de bestaande scheiding tusschen kerk en staat en op het oogenblik van deze kwestie geen casus belli maken met de Liberalen.

Dat nu is geen politiek meer. Het is een spelen met beginselen. En daarbij gaat men dan nog altijd voort, om den Standaard-redacteur de oorzaak van alle verdeeldheid te noemen, en hem te beschuldigen van oneerlijke politiek en schromelijke overdrijving, van Jezu´tisme en huichelarij, van eer- en heerschzucht, van onchristelijke practijken en onedele bedoelingen. Deze aanklachten minderen zeker daardoor in waarde, dat zij alle zonder uitzondering, ÚÚn voor ÚÚn en stuk voor stuk, ook tegen Groen zijn ingebracht 65). Doch laat ons ook |34| in eene ure als deze ten volle billijk zijn. Laat ons bedenken, dat de dragers der beginselen menschen zijn, zwak en feilbaar en tot dwalen ieder oogenblik geneigd. Laat ons erkennen, dat ook van de Standaard het woord des Apostels geldt: indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man. En laat ons dan alle woorden van onedel gehalte, alle beschuldigingen van persoonlijken aard tegenover elkander, zonder ze te tellen of te wegen, uitwisschen, vergeven, vergeten indien het kan. Dan blijft toch op den bodem nog, het verschil in beginsel rusten, dat de Standaard niet veroorzaakte maar vond. En dat verschil in beginselen, laat het zich wederzijds formuleeren en uitwerken en toepassen; dat het zich belichame in een program, dat het zich organiseere in eene partij. Indien de Irenischen daartoe konden besluiten, er zou hope komen op samenwerking; misschien dat de overeenstemming grooter bleek dan men dacht.

Maar wat de politiek zoo dikwerf bedorven en de verhoudingen menigmaal zoo bitter heeft gemaakt, het is dit, dat men samenwerking als een monsterverbond bestrijdt en op dat zelfde oogenblik eene fusie beoogt, waarbij van geen beginsel sprake is; dat men ons als eenmaal Groen toevoegt, wij laten |35| ons door u niet lokken op het terrein der politiek 66) en terzelfder tijd eene politiek drijft, die geen hooger doel kent dan te behouden wat men heeft; dat men eerst uit vreeze voor politiek aan de Antirevolutionairen zich onttrekt en hare organisatie veroordeelt, en straks den Christ. Hist. Bond opricht en rondreist als verkiezingsagent; dat men den Protestantschen hartstocht tegen Rome voedt en het Protestantsch beginsel tegen Rome verzaakt; dat men altijd irenisch voor het liberalisme, steeds polemisch optreedt tegen de orthodoxie; dat men koud en onverschillig blijft als het de hoogste belangen geldt van Schrift en Kerk en belijdenis, als het de eere Gods geldt en van zijnen Christus, maar aanstonds warm wordt en in toorn ontsteekt, als mannen, het voor die Schrift en belijdenis opnemend, in strijd komen met liberalistische besturen en regiementaire bepalingen in kerk en in staat. Daarin bestaat bij ons, Christenen, de grootste ellende.

Bij deze verschillen, die ons verdeeld houden, is de electorale kwestie, welke sedert 1892 ons uiteen deed gaan, schier van geen beteekenis. De kieswet Tak moge ons tijdelijk verdeeld hebben; tenzij andere en diepere motieven ons scheiden, houdt het kiesrechtvraagstuk ons op den duur niet uiteen. De electorale kwestie is thans tot eene voorloopige oplossing gebracht. De Antirevolutionaire partij laat haar rusten en brengt ze vooreerst niet aan de orde. Andere belangen vragen thans behartiging en voorziening. Waarom zou dan hereeniging onmogelijk zijn met mannen, die alleen om grondwettige bezwaren in 1892 eene andere richting insloegen? Ik weet, dat ik spreek uit aller naam: Welkom zou ons de schoone dag wezen, als althans deze scheiding maar tijdelijk bleek te zijn; als op den grondslag van het Program weer verzoening en samenwerking tot stand kwam; |36| als Centraal-ComitÚ en Kamerclub voortaan in nauwer verband tot elkander konden treden; en als wij allen te zamen, volk en edelen, weer konden strijden voor de eere van onze Antirevolutionaire beginselen. Dit is toch zeker, dat de Standaard, ook waar zij de lijnen van Groen in Calvinistischen en democratischen zin doortrok, geen vijandschap heeft gewild tusschen hoogere en lagere standen. Democratie wil naar haar eigen, herhaalde verklaring toch niet anders zeggen, dan dat het volk in al zijn rangen en standen meer dan tot dusver ga deelnemen aan de publieke zaak 67). Volk en edelen, zij zijn in onzen worstelstrijd tegen Spanje door God zelven samengevoegd; zij zijn in het begin dezer eeuw weer tot elkander gebracht door de Geesteswerking van den RÚveil; en zij zullen ook in de toekomst weer samengaan, indien over en weer bet misverstand opgehelderd en de bedoeling in het licht gesteld wordt. Want de aristocratie is door het democratisch Calvinisme zoo weinig uitgesloten, dat wij op dit oogenblik als Calvinisten hulde brengen aandearistoeratie van den geest. Maar de aristocratie beantwoorde danookaan haar aard en haar roeping; zij is de bloem des volks, de edelste uiting van onb nationale leven. Zˇˇ gazedanvoorop, niet los van en niet tegen maar aan de spits van het volk ; vooraan in den strijd; in den strijd voor onze rechten en vrijheden. Dan zullen ook de edelen het verstaan, dat zij rekenen kunnen op de liefde en de trouw, ja wat meer zegt, ook op het gebed van ons volk. Want wee het volk, ook het Calvinistische, dat zijne groote, zijne edele mannen niet eert!


*

Daarom dan aan het einde de historie van vijf en twintig |37| jaren overziende, gedurende welke de Standaard leiding gaf aan de Antirevolutionaire partij, hebben wij reden om dankbaar te zijn.

Dankbaar allereerst voor het geloof en den moed, die zij in den strijd voor onze beginselen aan den dag gelegd heeft. Het was vˇˇr vijf en twintig jaren iets gansch anders, dan heden ten dage, om de banier van het Calvinisme te ontplooien voor aller oog. Er was een moed toe noodig, die slechts aan weinigen wordt geschonken. Als heel een land en volk met al zijne openbare instellingen van staat en kerk en school tegenover ons staat; als de publieke opinie, aan de pauselijke macht der Middeleeuwen gelijk, ons met haar banvloek en doemvonnis dreigt; als niet alleen de heffe des volks ons werpt met haar slijk maar ook alle edelen en aanzienlijken zich van ons keeren en aan hunne verachting en smaad ons prijs geven; — om dan t˛ch op te staan, het juk der tirannie van de schouders te werpen, tegen den stroom op te roeien, te worstelen voor een beginsel dat den Grieken eene dwaasheid en den Joden eene ergernis is, en de zijde te kiezen van eene groep, die klein en onaanzienlijk als eene secte door allen wordt tegengesproken — dat M.H. is groot en schoon en onze warme hulde waard! Ik zal zulk een heldenmoed eeren, waar ik dien vinde. Ik zal hem eeren in Thorbecke, als hij optrekt tegen het Conservatisme; in Multatuli, als hij in verontwaardiging de Droogstoppels geeselt en het opneemt voor den verdrukten Javaan; in alle helden van ons geslacht, die op wat terrein dan ook, met de macht der gewoonte en der traditie hebben gebroken, en die in het besef hunner roepingen naar de inspraak van hun hart gesproken hebben, omdat zij niet zwijgen konden. Ik zal hem eeren in de profeten en apostelen, in de martelaren en hervormers, die meer dan de macht der menschen, ook de machten der duisternis hebben |38| weerstaan. Vergunt mij dat ik hem ook eere in de mannen van den RÚveil en de Scheiding, in Bilderdijk en da Costa, in de la Saussaye en van Oosterzee, in Groen van Prinsterer en Keuchenius, en ook in hem, die meer dan zij allen de banierdrager van het Calvinisme mag heeten. Alleen wie iets beseft van de macht der gewoonte, hoe zij ons onbewust in haar dienst neemt, beslag op ons legt, overheerscht en gevangen neemt, kan het geloof en den moed waardeeren, noodig om met haar te breken. Wie aan die gewoonte zich onderwerpt, hem wacht zeer zeker een aangenaam en een gemakkelijk leven. Maar wie tegen zijne eeuw ingaat, en vooral wie tegen den geest der eeuw zijn: ik kÓn en ik mÓg niet anders, plaatst, die heeft op den smaad en de verachting zijner tijdgenooten te rekenen. Ook aan den Redacteur van de Standaard is even als aan Bilderdijk, da Costa en Groen, de verguizing door zijne tegenstanders, en helaas ook het wantrouwen en de miskenning zijner geestverwanten niet gespaard. Maar zulke mannen zijn het dan ook, die de geschiedenis niet schrijven maar maken; die den stroom van het leven voor verzanding en moerassigen stilstand bewaren, en door het nageslacht altijd weer in hunne eere worden hersteld.

Voorts, al deze mannen hadden in den strijd, dien ze aanbonden, geen ander wapen dan de macht van het woord. De diepte en vastheid der overtuiging heeft hen allen welsprekend gemaakt. Bilderdijk heeft in zijne forsche zangen de gespierdheid, de geweldige kracht, den onuitputtelijken rijkdom onzer taal aan het licht gebracht. Da Costa heeft ze overtogen met het Oostersch coloriet, met den gloed der Oudtestamentische profetie. Groen van Prinsterer beeldhouwt zijne gedachten in marmerblokken van stijl, zelfstandig en vast als eene rots. Maar de taal van de Standaard heeft al deze voorgangers overtroffen in elasticiteit van beweging, in levendige |39| voorstelling, in beeldrijke schildering, in dramatische handeling, in bezielende, meesleepende kracht. Haar stijl is uit zinnen gebouwd, die, licht gewapend, vlug en bewegelijk, vroolijk en vol moed, onder zang en muziek, optrekken tegen den vijand, aanvallend of verdedigend, voor- of achterwaarts wijkend, maar die, altijd slagvaardig, het liefst zich bevinden midden in het gewoel van den strijd.

Er is onlangs terecht gezegd, dat de knobbel der strijdhaftigheid bij de Calvinisten meer dan bij andere menschen ontwikkeld is. Het Calvinisme gedoogt immers geen transactie van beginselen, van geloof en ongeloof, van waarheid en leugen, en rust dus niet, voordat het de eere Gods tot erkenning gebracht heeft op alle terrein. En zoo heeft ook de Standaard van dien strijd nimmer afgelaten. Gedragen door eene machtige overtuiging, tintelde haar taal ten allen tijde van geest en van leven; hare artikelen waren menigmaal schitterende improvisaties op schrift; de entrefilets waren dikwerf edel gesteenten van gedachte en van taal. Met ÚÚn beeld, ÚÚn zin werd het karakter van de vijand, de aard van den strijd, de positie der partijen geteekend; ÚÚne enkele uitdrukking, straks als een gevleugeld woord op aller lippen zwevend, was ter teekening voldoende; en klaar stond de zaak voor ieders oog. Nooit gaf de Standaard een door betoog, eene afgetrokken redeneering, maar altijd lag in het woord het hart, de ziel van een man. En die man schreef niet, maar hij sprak tot ons op het papier, en hij greep door dat woord ons aan in verstand en wil, in hart en geweten, en rustte niet, voordat hij wist wat hij aan ons had. Ik wil niet ontkennen, dat midden in het gewoel van den strijd de slagen soms wel eens al te fel zijn neergekomen, en dat onder het opstijgen van den kruitdamp niet altijd even duidelijk de vriend van den vijand is onderscheiden. Maar deze eere kan ook door de tegenstanders aan de Standaard |40| niet worden onthouden, dat zij in hare vijfentwintigjarige loopbaan gestreden heeft voor beginselen, die haar en die heel de Antirevolutionaire partij heilig zijn. Zij heeft gesproken, krachtig en luide, omdat zij geloofd heeft. En daarom heeft zij aan duizenden geloof, bezieling, geestdrift ingestort. Als wij soms moedeloos neerzaten, heeft de Standaard met haar nimmer versagend idealisme; met haar onbezweken moed, met haar taaie volharding, met haar breeden, vrijen blik, met haar bistorischen zin, rekenend niet met dagen maar met jaren en eeuwen, ons opgebeurd en wederom aangewakkerd tot den strijd. Geestdrift heeft zij gewekt, waarlijk niet alleen voor de partij en het partijbelang, maar meer dan dat voor de banier van het Evangelie, waaronder wij opgetrokken zijn tegen de revolutie der eeuw. Vertrouwen heeft zij ons ingeboezemd op de kracht van ons beginsel. Gehoorzaamheid heeft zij ons gepredikt aan de ordinantiŰn Gods. En eerst en meest heeft zij in ons allen ontstoken iets van den ijver, die ons bezielen moet voor de eere van Gods heiligen Naam. De smaad en de schande, die er meer dan eene eeuw, ook voor ons eigen besef, rustten op den Gereformeerden, den Calvinistischen naam, zij heeft ze er afgewenteld. En als wij thans zonder eenig gevoel van schaamte, met eenige fierheid en geestdrift zelfs, ons Calvinisten noemen en hoog en breed laten wapperen de vaan van onze beginselen, dan hebben wij dat in de eerste plaats aan de Standaard te danken.

Doch niet alleen naar binnen, ook naar buiten heeft de Standaard invloed gehad en vrucht op haar arbeid gezien. Zonder vrees voor tegenspraak mag beweerd, dat de Nederlandsche pers in het algemeen door de Standaard tot hooger politieke ontwikkeling is gebracht. Ik spreek thans niet van de kleine Antirevolutionaire pers, die wel dikwerf is gesmaad maar die toch als eigenaardig Nederlandsch en Calvinistisch |41| verschijnsel waardeering verdient en getuigenis aflegt van veerkracht en moed. Maar ook de buiten ons staande pers heeft, door het voorbeeld van de Standaard, beter dan vroeger haar roeping beseft, om ook op politiek terrein met beginselen te rekenen, en aan de voorlichting van het volk dienstbaar te zijn. Dit is in elk geval zeker; de Standaard heeft leven in de brouwerij gebracht en door het leveren van stof, bij alle partijen en persorganen zich verdienstelijk gemaakt. De gedachtenrijkdom en de vindingrijkheid van de Standaard raakte nooit uitgeput en gaf altijd dat onderwerp aan de hand, dat uitmuntte door actualiteit. Ieder redacteur heeft wel eens te klagen over gebrek aan stof; maar bij de Standaard is er van armoede schier nooit eenig spoor geweest; altijd voelde men, dat zij nog meer had te zeggen; zij hield altijd nog een pijl op den boog. Toen de Redacteur van de Standaard dan ook in zijne laatste ernstige krankheid buitenlands vertoefde, werd zijn gemis ook in de liberale pers gevoeld en erkend. Wel werd in den eersten tijd op de Standaard door velen de methode van het doodzwijgen toegepast; maar deze heeft langzamerhand voor meerdere waardeering plaats gemaakt. De Standaard heeft hare tegenstanders gedwongen, met haar te rekenen. Zij had op den politieken gang van zaken in ons land een altijd wassenden invloed.

In den breede kan dit thans niet aangetoond; laten enkele feiten daarom mogen strekken ten bewijze! Na 1848 is de Grondwetsherziening het eerst door Groen van Prinsterer aan de orde gesteld, met name voor art. 194; de Standaard nam ze over en breidde ze tot vele andere artikelen uit; het ministerie-Kappeyne viel er nog om in 1879; maar in 1881 was ze al in aantocht en in 1887 kwam zij tot stand. Art. 194 der Grondwet was voor de Liberalen nog in 1874 een onaantastbaar bolwerk tegen de rechtsgelijkheid der bijzondere school; sedert |42| 1883 werden ze allengs voor wijziging gewonnen; en later kwamen zij tot de schrandere ontdekking, dat hunne opvatting altijd onjuist was geweest. De Schoolwet van 1857 was jaren lang voor de Liberalen het nec plus ultra voor de regeling van het openbaar onderwijs, onverbeterlijke proeve van staatsmanswijsheid, Neerlands roem op het gebied van wetgeving; sedert 1874 drongen de Liberalen zelven, met Moens en Kerdijk aan het hoofd, op radikale verbetering aan, welke hun in de wet van Kappeyne maar ten deele en toch blijkens latere ervaringen nog in te rijke mate werd geschonken. In 1879 riep de Standaard reeds om eene andere Kamer en eene andere Kieswet; straks lieten ook andere stemmen zich hooren in denzelfden geest; en na verloop van tijd kwamen beide, zij het ook hortend en stootend, tot stand. De kamers van arbeid, het eerst in 1874 van Antirevolutionaire zijde ter sprake gebracht, waren lang eene oorzaak van goedmoedige scherts; thans worden ze door allen noodzakelijk geacht en hebben ze reeds een begin van uitvoering gekregen. Het sociaal congres in Nov. 1891 werd vier jaar later door een kerkelijk congres voor Hervormden gevolgd, en de sociale, democratische richting, waarin de Standaard stuurde, vond willens of onwillens onder alle partijen navolging en steun. De organisatie der plaatselijke kiesvereenigingen, het program van beginselen, de programma’s van actie, de deputatenvergadering bovenal, wekten buiten onzen kring bij velen den spotlust op en verschaften hun menig vroolijk oogenblik; thans zijn ze voorwerp van jaloerschheid en strekken ze allen ten voorbeeld. De vrome vrees voor de kronkelpaden der politiek hield menigeen tot voor korten tijd van de Antirevolutionaire partij terug; thans schijnt deze door de Standaard er zoo volkomen uitgeslagen, dat de politicophoben van weleer veranderd zijn in hartstochtelijke politici, en rondreizen als verkiezingsagenten. Jaren |43| lang was de neutraliteit een lievelingsdenkbeeld van het Liberalisme; onderwijs, wetenschap, kunst hadden met godsdienst even weinig te maken als handel en nijverheid; thans is die neutraliteit voor velen geworden tot een last; het Liberalisme werd vroom; en de liberalen laten zich naar de uitdrukking van Van Houten in 1889, transformeeren tot eene synodale partij. Ja, indien vreeze voor het Calvinisme een maatstaf van zijn invloed ware, zou men een oogenblik in den waan kunnen komen, dat de Standaard het invloedrijkste dagblad en de Antirevolutionairen de machtigste partij in Nederland waren.

Maar afgedacht van al den zegen en den invloed, die den arbeid van de Standaard kroonde, zijn we haar bovenal dankbaar voor de trouwe wacht, welke zij waarnam bij onze beginselen. Het is zeer goed mogelijk, dat de Antirevolutionaire partij, evenals in ’69 en ’71, nu of later weer wegslinkt tot eene kleine onbeduidende groep. Maar Groen heeft het ons geleerd, en de Standaard heeft het ons ingescherpt, dat, al is het ook dat wij geroepen tot den strijd meenens strijden en met inspanning van alle kracht, het ons toch niet in de eerste plaats om succes is te doen. Een staatsman niet, een Evangeliebelijder, dat is ons aller leus, het devies van heel onze partij. Desnoods geen enkel vertegenwoordiger in de Kamer, en slechts, als in 1871, een 7000 mannen in het land, die de knie voor ongeloof en bijgeloof niet buigen. Indien we maar trouw bevonden worden in den strijd en ongeschonden bewaren den schat des geloofs, die ons van de vaderen is overgeleverd! Hoog boven succes en voorspoed staat de eere van Hem, wien te dienen op ieder terrein het diepste beginsel, de veer- en de drijfkracht van ons handelen is. Daarop heeft de Standaard steeds ons oog en, ons harte gericht. Wij danken haar bovenal voor de principieele Christelijke |44| politiek, welke zij niet onbezweken moed nu 25 jaren gesteld heeft tegenover de politiek van het ongeloof en die van de opportuniteit.

Ik weet wel, beginselen zijn geen mathematische formulen; Kuyper is Groen niet, en de Standaard is geen copie van de Nederlandsche Gedachten. Groen zelf kwam er hoe langer hoe meer toe, geleerd door de teleurstellingen, die in zoo rijke mate zijn deel waren, om tot het volk terug te gaan, in de maatschappij zijne sterkte te zoeken en, zonder eenige hulp van den staat, alleen in de vrijheid met het Evangelie tegen ongeloof en revolutie te strijden. En de Standaard heeft deze politieke beginselen van Groen dieper uit Schrift en historie opgehaald en alzijdiger uitgewerkt en toegepast op ieder terrein van het leven. Gelijk de Heraut uit het instituut der kerk terugging tot de kerk als organisme, zoo heeft de Standaard onder en achter den staat teruggegrepen naar de maatschappij, naar het volk in al zijne rangen en standen, naar de bronnen en oorsprongen des levens. De Schrift beide van Oud en Nieuw Testament heeft haat daarover het licht doen opgaan. Calvijn heeft haar daarheen den weg gewezen. De historie der Calvinistische volken, ook in ons eigen land, teekende dit spoor voor haar af. Tusschen het absolutisme van den staat en de hierarchie van de kerk nam de Standaard hare positie in het organisme en het organische leven der maatschappij. Pantheisme en clericalisme zijn daarom haar geboren en gezworen vijanden. Wie haar daarvan beschuldigden, wisten niet wat zij deden. Daar is naast de Heraut geen blad in ons land, dat beide zoo principieel en rusteloos heeft bestreden als de Standaard. Zij ziet die vijanden, als niemand ze vermoedt; zij ziet ze niet, zij ruikt ze uit de verte; en zij waarschuwt, als er nog geen wolkje aan de lucht schijnt te zijn.

En desniettemin, of liever, juist daarom is de Standaard |45| het blad, dat meer dan eenig ander, religie en politiek op de innigste wijze verbonden heeft. Er is geen gebied, dat niet principieel door den godsdienst, door de groote tegenstelling van geloof en ongeloof, wordt beheerscht. En met name op staatkundig terrein gaat het ten slotte om de souvereiniteit, om de eere van God Almachtig. Het is mij bekend, dat juist deze inmenging van de religie in de politiek menigmaal ergernis heeft verwekt. En meer dan eens is aan de Standaard de eisch gesteld, om God Almachtig er buiten te houden. Maar zij heeft daaraan niet kunnen en niet mogen voldoen. De Schrift leert niet anders, want uit God en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. De Gereformeerde religie laat geen andere opvatting toe, want de eere Gods stelt zij alom op den voorgrond. God is alles, of Hij is niets voor ons. Met Hem, met Zijne ordinantiŰn komen we steeds en overal in aanraking. En deze ordinantiŰn Gods heeft de Standaard voor ons opgespoord, in ’t licht gesteld en gehandhaafd. Daarom heeft zij als geen ander blad de Schrift als het Woord Gods beleden en tegen alle verzwakking en vervalsching verdedigd. Daarom heeft zij uit die Schrift en bij haar licht ook uit natuur en historie de wetten opgespoord, die voor het leven in zijn onderscheiden uitingen hadden te gelden. En daarom is zij ook achter staat en kerk tot de maatschappij en het volk teruggegaan. Aan den staat zijn eigen taak, om het recht staande te houden; ook aan de kerk haar eigen plaats en eere!

Maar daarachter ligt nog het rijke leven der maatschappij in al zijne kringen en ordeningen, dat niet aan staat of kerk zijn oorsprong dankt, maar daaraan voorafgaat, en in de schepping zelve is gegrond. Uit die maatschappij komt op het huisgezin en de school, het beroep en de arbeid, de kunst en de wetenschap, de handel en de nijverheid, en al die kringen, die den |46| rijkdom van het menschelijk leven tot openbaring brengen en die alle toch weer zich onderscheiden door een eigen natuur en door eene eigene levenswet. En daarom eischte de Standaard, in diepe tegenstelling zoowel met het staatsabsolutisme als met alle clericalisme van kerk of wetenschap, dat van al deze kringen en sfeeren de souvereiniteit in eigen kring zou worden erkend en geŰerbiedigd. Dat is het Christelijk-politieke, het Calvinistisch-antirevolutionaire beginsel van de Standaard geweest. En daarom heeft zij ervoor geijverd, dat de school aan de ouders moest komen; dat de universiteiten vrij zouden zijn; dat arbeid en handel en nijverheid georganiseerd zouden worden overeenkomstig hun eigen natuur; dat huismanskiesrecht zou worden ingevoerd; dat alle rangen en standen zouden deel nemen aan de publieke zaak; dat er in het staatkundige gelijke rechten voor alle burgers zouden bestaan; dat de volksvertegenwoordiging in onze Staten uit het organisch volksverband zelf voortkomen zou.

De Standaard is dikwerf van repristinatie beschuldigd. En het is zoo, zij is tot de Reformatie, tot de Schrift, teruggegaan en heeft beide in zich opgenomen; breed slaat zij hare wortelen in de historie, die achter ons ligt. Maar zij is daardoor tegelijk door en door negentiende-eeuwsch, een op en top modern blad en aan alle conservatisme volkomen gespeend. Zij komt niet achteraan, maar zij ziet vooruit en loopt vooruit. Steunende op den Bijbel heeft zij in ons land de vrijheid aangedurfd, zooals geen Roomsche of Liberaal, geen Conservatief of Irenische ze heeft durven schrijven in zijn program of heeft durven toepassen in de practijk. Zij vraagt niets dan recht, recht voor allen, recht ook voor onszelven. Zij vraagt geen ondersteuning van den staat, geen privilege voor de kerk, geen voorrang voor eenige godsdienstige overtuiging. Wat zij vraagt, is vrijheid alleen; vrijheid, om in de maatschappij |47| met niet andere dan zedelijke wapenen den strijd der beginselen, en dus onzerzijds van het Evangelie tegen de revolutie, te strijden. Als dat recht en die vrijheid aan allen gelijkelijk wordt geschonken, dan durft zij den kamp aan. Noch voor Romanisme noch voor Liberalisme is zij dan bevreesd. Zij gelooft aan den zegen der Reformatie, aan de historie en de toekomst van ons volk, aan de kracht van ons beginsel, aan het gezag van Gods Woord. Toen zij optrad, heeft zij ons opgeroepen om ons te scharen rondom den standaard van Gods Woord en hoog te houden de banier der vrijheid. Daaraan is zij zelf getrouw gebleven tot op dezen dag. En daarom spreek ik het als mijne, en zeker ook als uwe overtuiging uit, op een geschiedenis van 25 jaren gegrond: zoolang Dr. Kuyper Redacteur van de Standaard is, — en God geve, het zij lange nog! — zoolang is het principieel belang van de Antirevolutionaire partij in de handen van de Standaard veilig. En ook zoolang wij, steunende op den Bijbel, strijden voor de vrijheid, hebben wij het recht om aan te heffen het lied van da Costa:

Zij zullen het niet hebben,

Ons oude Nederland!

Het bleef bij alle ellenden,

Gods en der Vadren pand!

Zij zullen het niet hebben,

de goden van den tijd!

Niet om hun erf te wezen,

Heeft God het ons bevrijd!




1. Groen van Prinsterer, Nederl. Gedachten I 24 III 5 VI 26. Parlem. StudiŰn en Schetsen III 171. 194.

2. Fabius, Voorheen en Thans 1886 bl. 26.

3. Groen van Prinsterer, Narede van vijfjarigen strijd bl. 129, bij Fabius, t.a.p. bl. 24.

4. Dr. Bronsveld zegt in de Stemmen v. W. en Vr. Febr 1897 bl. 164: wij hebben ons losgemaakt van den man, die met al de talenten en krachten, waarmee God hem heeft toegerust, de geloovige Christenen op de droevigste wijze heeft uiteengescheurd, en ook met middelen, die waarlijk onedel en onchristelijk waren, zijne inzichten heeft verdedigd, zijne tegenstanders heeft bestreden en verguisd en voor altijd ons vertrouwen en onze achting zich onwaardig heeft gemaakt.

5. Kuyper, Revisie der Revisie-legende 1879 bl. 28. Standaard 2 Febr. 1880.

6. Wagenaar, Het Reveil en de Afscheiding 1880 bl. 79 v. Vos, Groen van |9| Prinsterer en zijn tijd. 1800-1857, Dordr. 1886 bl. 89 v. Van Oosterwijk Bruyn, Het Reveil in Nederland 1890 bl. 108 v.

7. Cf. Buitendijk bij Groen, Parlem. Stud. en Schetsen III 193 v.

8. Nederl. Gedachten V 346.

9. Ned. Ged. V 398-400. Bij de Stembus II 22.

10. Groen, Natuurlijk of ongerijmd bl. 20, bij Fabius, Voorheen en Thans bl. 6. 132 v.

11. Groen, Natuurlijk of ongerijmd bl. 16. Fabius, t.a.p. 128.

12. Ned. Ged. III 305.

13. Van Otterloo, Bijdragen ter toelichting der schoolkwestie 1874 bl. 14 v. Groen haalt Ned. Ged. V 118 met instemming dit citaat van Prof. Buys aan: Het is uit de conservatieve partij, dat jaren geleden uit vrees voor de orthodoxie, de onbillijke strijd tegen de Afgescheidenen is voortgekomen; uit haar midden ook, dat later krachtig verzet is aangeteekend tegen de vrije organisatie van de Roomsch-Catholijke Kerk; uit haar midden vooral, dat in 1848 een angstkreet is opgegaan tegen de vrijheid van onderwijs, en kort daarna, toen het bleek, dat die vrijheid niet meer te keeren was, de eisch om, als tegenwigt van het vrije onderwijs, in de nieuwe Grondwet het gebiedend voorschrift op te nemen, dat alom in het Rijk van Overheidswege voor voldoend openbaar lager onderwijs zou worden zorg gedragen.

14. Ned. Ged. II 1. Ons Schoolwet-program 1869 bl. 8 v. Vrijheid v. Chr. Nat. Ond. in verband met scheiding van Kerk en Staat 1863.

15. Groen v. Prinsterer, Ned. Ged. I 5.

16. Ned. Ged. V 134.

17. Ned. Ged. III 81.

18. Ned. Ged. V 38.

19. Ned Ged. II 312. 339 v.

20. Ned. Ged. V 1.

21. Ned. Ged. III 153.

22. Standaard 26 Sept. 1881.

23. ibid.

24. Standaard 1 Febr. 17 Febr. 13 Maart ’77.

25. Bij de stembus, naschrift XV, bij Vos. Groen v. Pr. en ziju tijd, 1857—1876 Dordr. 1891 bl. 481. Groens verhouding tot de Roomschen wordt daar breedvoerig, maar zeer eenzijdig, besproken bl. 463 v. Cf. ook Fabius, Voorheen en Thans, bl. 3.

26. Zie hier enkele nummers van de Standaard, die over Rome handelen 1 Febr. 17 Febr. 13 Maart 1877, tegen Schaepman: 18 Juli 1877 over onze martelaren; 3 Juli 1877 over Ultram. laster; 23 Juli 3 Sept 5 Sept 11 Sept. 8 Oct. 31 Oct. 1877 over Rome’s dwang; 31 Oct. 1877 over Rome en de Revolutie; 2 en 8 Nov. 1877 over Rome en Rusland; 5 Nov. 1877 over Rome en de rechtsgelijkheid, die het niet erkennen kan; 1, 10, 16, 19 Nov. 1877 over onze zelfstandigheid tegenover Rome; 28 Nov over de Roomsche centrum-partij; 10 Jan. 1878 over de Jezu´eten; 28 Jan. 1878 over Rome’s onwaarheid; 16 Maart 1878 over Rome en de vrije school, die het eigenlijk niet begeert; het sterkst spreekt het nummer van 9 Maart 1879, Geen Pays met Rome, waarmede ook te vergelijken is een schrijven van Prof. Fabius, bij Vos, Groen van Prinsterer 1891 bl. 490 v.

27. Standaard 14 Maart, 5 Juni 1877 enz.

28. Over het volkspetitionnement, zie de Standaard, vooral van Aug. 1878, en voorts: Gedenkboek betreffende het volkspetitionnement, bewerkt door N.M. Feringa. Amst. Kruyt 1878.

29. Standaard 11 Juni 1881.

30. Zie de Standaard van 2, 4, 7, 30 Maart, 11 April, 2, 16 Mei, 9, 10, 25 Juni, 12, 16, 26 Sept. 1881 enz. En zoo spreekt de Standaard altijd door over samenwerking in denzelfden zin, 9 April 1885, 12, 21 Febr. 1894. Nooit heeft zij tegenover Conservatisme, Romanisme of Radikalisme eenig beginsel prijsgegeven of achtergehouden, of zelfs iets van haar fierheid afgelegd. Wij vreezen Rome niet en komen niet achter Rome aan, 12, 26 Sept. 28 Dec. 1881. De missie bij den Paus vindt onder ons geen steun, 15 Nov. 1893. Ineensmelting of zelfs te nauwe aaneensluiting aan Rome ware verraad aan onze historie, en verloochening der consciŰntievrijheid, Kuyper, Maranatha 1891 bl. 15, enz., want het ware te veel om op te noemen. De preutschheid van de Standaard is aan Tijd, Centrum, Maasbode niet onbekend. Maar het gaat met de Standaard als met de geschriften van Groen; men leest en bestudeert ze niet, zegt het abonnement op, en verwerft zich dan de vrijheid, om den tegenstander toe te dichten, wat men wil. Vergelijk het 22e hoofdstuk van Ons Program, over Partijbeleid bl. 1159 v.

31. Ons Program bl. 1224.

32. Ned. Ged VI 6. 9. 30.

33. Dr. Vos, Groen v. Prinsterer en zijn tijd 1891 bl. 480 zegt alleen, dat hij van den beginne aan het stemmen op een Roomsche ontraden heeft. Ds. Buitendijk ging echter veel verder dan de Standaard en beval reeds bij eerste stemming een Roomschen candidaat aan, Wag. weekblad 30 Dec. 1882, waartegen de Standaard opkwam 8 Jan. 29 Mei 1883.

34. Standaard 10 Sept. 1883.

35. Standaard 28, 30 Nov. 1877. 16 Mei 1881.

36. Standaard 18 Nov. 15 Dec. 1881, 9 Febr. 1883 enz.

37. Standaard, 6, 9 Jan. 1882, 1, 3, 5 Mei 1882.

38. Standaard, 28 Oct. 1881.

39. Standaard, 9 Febr. 1883.

40. Standaard, 7 Jan., 26 Nov. 1880.

41. Standaard, 11 Juni 1881. 5 Jan. 1882.

42. Standaard, 28 Oct. 1881. 25 Mei 1885.

43. Standaard 28 Oct. 11 en 16 Nov. 1884.

44. Standaard 19 Mei 1886.

45. Gids Jan. 1891 bl. 114.

46. Standaard 30 Aug. 2 Sept. 1889.

47. De Standaard heeft dit steeds open en ridderlijk erkend, 25 Juni 1877, 26 Sept. 1881.

48. De Savornin Lohman, Partij of beginsel. ’s-Hage 1892 bl. 8.

49. Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd 1891 bl. 462-489.

50. Zie boven bl. 6 noot 2.

51. Als naar den aard van het onderwerp hier bijna uitsluitend het verschil op den voorgrond treedt, dat van het begin af tusschen confessioneelen en irenischen bestond, dan mag daarbij toch in geen enkel opzicht te kort worden gedaan aan de waardeering, waarop ook deze laatsten om hun strijd tegen het ongeloof bepaaldelijk tegen de Groninger en Moderne Theologie, aanspraak hebben. Ook mannen als van Oosterzee, Doedes, van Toorenenbergen, de la Saussaye, Beets enz. hebben zich tegenover het liberalisme en modenisme de belijdenis van den Christus niet geschaamd en er velerlei smaad om gedragen. Van Oosterzee heeft er zijn wetenschappelijken naam voor ten offer gebracht.

52. Vos, Groen van Prinsterer 1891 bl. 168, 502.

53. ib. bl. 446 v.

54. Kuyper, Revisie der Revisie-legende bl. 25 v.

55. Vrijheid van Christ. nat. Ond. in verband met scheiding van Kerk en Staat. 1863. Doedes was er mee ingenomen en ontwierp reeds een Ontwerp van Reglement op de Godg. Kweekscholen 1868.

56. Vos, Groen van Prinsterer 1891 bl. 510. Kuyper, Revisie der Revisie-legende bl. 30 v. Strikt genomen bl. 135.

57. Ch. de la Saussaye, Het wezen der Theologie 1867. De plaats der theol. wetenschap in de Encycl. der wetenschappen 1872.

58. Kuyper, Revisie bl. 30. Strikt genomen bl. 186 v.

59. ib. cf. Standaard 16 Juni 1880.

60. Doedes, Geen Staatstheologie met een slippendraagster 1877 cf. Standaard 24 Oct. 1877.

61. De twee ernstige bezwaren, tegen de Vrije Universiteit ingebracht, waren vooral deze, dat zij uitging van eene vrije vereeniging, en niet van Kerk of Staat, en dat zij gebouwd werd op den grondslag der Gereformeerde beginselen. Beide bezwaren werden door Dr. Kuyper in zijn Leidsche Professoren 1879, Revisie der revisielegende in 1879, Strikt genomen in 1880 voldoende weerlegd. Maar de sympathieŰn keerden er niet door weer.

62. Standaard, 4 Maart en volg. 1884. 16 Juni en volg. 13 Juli en volg. 1885. 11 Mei en volg. 1896.

63. Dr. Vos schreef in 1868: wij mogen niet vergeten, dat de Staat vele geldelijke en wettig erkende verplichtingen aan onze Kerk heeft; wij kunnen den historischen grond niet voorbijzien, waarop de uitkeering der geldsommen gebaseerd is. Onze tractementen van landswegge vloeijen voort uit die verplichtingen, en geenszins uit het revolutionaire beginsel, dat alle burgers voor alle godsdiensten moelen opbreneen. Moeten sommigen, zeg: enkele duizenden in de belastingen toch bijdragen voor onze Kerk, ofschoon zij er niet toe behooren, dit verwekt bij ons niet het minste gewetensbezwaar, omdat zij, direct of indirect, zij zelven of hunne voorouders, veel meer profiteerden van den roof, aan onze Kerk gepleegd, dan zij nu voor de beroofden moeten opbrengen. Hunne bijdragen zijn billijke restituties, Vos, Groen v. Pr. 1891 bl. 336.

Deze zin is onze aandacht waard en zou verdienen breedvoerig ontleed te worden. Later, in 1874, heet het wat vriendelijker: Wil men mede voor de Afgescheidene Predikanten landstractement vragen op grond van de tweede alinea [van art. 168 G.W.], mij best; kan men den Staat bewegen tot de uitkeering van een vast kapitaal naar evenredigheid van de nu genotene inkomsten voor onze Kerk, mij ook goed; maar direct of indirect mede te werken tot ontzenuwing van de in dat artikel van Staatswege erkende verplichting, dÓt nooit, Vos, ib. 453, 454.

Blijkens het bovenstaande maakte Dr. Vos zich noodeloos ongerust. Noch de Standaard noch de Antirev. partij wil in eenig opzicht aan rechten te kort doen; zij vragen juist niets anders dan recht.

64. Dr. Bronsveld schreef nog pas in de Stemmen van Febr. 1897 bl. 172: Wij zijn tevreden voorshands met de bestaande scheiding tusschen kerk en staat. Zoo wij iets zouden verlangen, dan zou het wezen, dat de staat aan de kerkgenootschappen een kapitaal gaf, waarvan de renten gelijk staan met het bedrag van hetgeen nu aan die verschillende kerkgenootschappen wordt uitgekeerd. De toestand werd dan geheel zuiver. Maar wij zullen op ’t oogenblik geen casus belli daarvan maken met de liberalen.

Principieel is er dus geen verschil met Dr. Kuyper. Alleen, Dr. Vos en Dr. Bronsveld berusten in en zijn tevreden met een toestand, al is die niet zuiver, en vermijden liefst conflict met de liberalen. En dezen moesten krachtens hun beginsel er juist vˇˇr zijn!

65. Fabius, Voorheen en Thans bl 9 v., vooral de noot op bladz. 16, die zee gemakkelijk kan worden uitgebreid. De Vaderlander schreef voor enkele dagen naar aanleiding van het Standaard-jubilÚ het volgende:

„Iemand, aan wiens menschenkennis ik diepe hulde breng, zeide mij dezer dagen nog: dr. Kuyper en Multatuli zijn twee mannen, die in de laatste jaren aan ons volk het meeste kwaad hebben gedaan; de eerste vergiftigde de kerkelijke, de tweede de onkerkelijke helft onzer natie.

Wie telt de vlijmende woorden, de snerpende geeselslagen, de halve waarheden, de openbaar valsche voorstellingen, de krenkende beleedigingem, welke de Standaard |34| te lezen gaf, en waardoor dat blad zoovelen heeft gegriefd, en ook gedemoraliseerd?

Het ware, dat in de Standaard is voorgekomen, wordt verre overtroffen en teniet gedaan door de logenachtige voorstellingen, waarvan dat blad zoo dikwerf overvloeide.

En niets heeft meer kwaad gedaan, dan de zalvende, vrome toon, waarop zoo vaak de laagste, en meest onchristelijke dingen gezegd werden.

Dr. Kuyper zal dat alles niet goed maken door op 1 April een schuldbelijdenis af te leggen, gelijk wij er zoo vele van hem hebben gehoord, en welke voor ons gevoel nog stuitender zijn dan zijn woorden, die hij doopte in gal en alsem.

De heer Bavinck, die door de gratie van dr. Kuyper zich „professor” noemen durft, wordt door ons waarlijk niet benijd, nu hij zal optreden als lofredenaar van den Standaard-redacteur.”

Van welk een bittere gemoedsstemming leggen deze woorden getuigenis af?

66. Ned. Ged. III 4.

67. Standaard 21 Juni. 18 Dec. 29 Dec. 1893 enz.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004