Herman Bavinck (1854-1921), Thomas Bos (1846-1916), M. de Jonge, Herman Huber Kuyper (1864-1945), Arie Littooy (1834-1909), Alexander Frederik de Savornin Lohman (1837-1924), T. Tromp

Advies inzake het Gravamen tegen Artikel XXXVI der Belijdenis

Amsterdam etc. (Höveker en Wormser) 1905

a



De Generale Synode der Gereformeerde Kerken, die in 1902 te Arnhem gehouden is, droeg aan Prof. Dr. H. Bavinck, Prof. Dr. H.H. Kuyper, Ds. T. Bos, Ds. A. Littooy, ouderling T. Tromp, M. de Jonge Jzn. alsmede aan Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman op „de e. v. Synode te dienen van een advies in zake het gravamen tegen Art. 36 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis en dit advies een half jaar te voren ter kennisse van de Kerken te brengen”. (Acta Art. 21 en 23).

Het hier bedoelde gravamen, dat in 1896 op de Synode te Middelburg ingediend werd, luidde blijkens de Acta dier Synode Art. 179 aldus:

„Met alle leden der Synode den 11den Augustus door den voorzitter opgeroepen, om door het opstaan van hunne zitplaatsen instemming te betuigen met de Formulieren van Eenigheid der kerken, hebben ook ondergeteekenden aan deze oproeping gevolg gegeven, zonder daarbij uitdrukkelijk melding te maken van hun gravamen tegen eene zinsnede in art. 36 der Belijdenis. Zij onthielden zich hiervan, overmits zij niet anders onderstellen konden, dan dat dit hun gravamen genoegzaam aan hun medeleden bekend was. Nu echter (ook naar hun oordeel terecht) het voortbestaan van slapende gravamina, als gevaarlijk voor de zuiverheid der leer en mitsdien voor den welstand der kerken, door de Synode is afgekeurd, achten zij de Synode niet te mogen verlaten, zonder bezwaar te hebben ingebracht tegen den inhoud en de strekking van de derde zinsnede in art. 36 van de Belijdenis der kerken, als zijnde niet conform den Woorde Gods. Zij gaan hierbij uit van de h.i. onbetwistbare waarheid, dat wij, de confessie onzer vaderen belijdende, onder de woorden waarin zij beleden, niets anders verstaan mogen, dan hetgeen zij zelven, blijkens het stellige getuigenis der geschiedenis, met het bezigen dezer woorden bedoeld hebben; en dat, aldus verstaan en opgevat, deze derde zinsnede van art. 36 onzer belijdenis, bij oprechte |2| en eerlijke uitlegging, o.m. aan de wereldlijke overheid den plicht oplegt, om afgoderij en valschen godsdienst desnoods met het zwaard uit te roeien, en dat het aan de kerken is opgelegd, de overheid dit als haar plicht te prediken. Zulks nu in strijd met den Woorde Gods achtende, rekenen zij zich in hun conscientie verplicht, deze uitspraak niet te belijden maar te verwerpen; en stellen zij mitsdien hun verklaring desaangaande in handen der kerken, der kerken oordeel hierover inroepende, en te allen tijde bereid deze hun verklaring, op grond van de Heilige Schrift, gestand te doen.

F.L. Rutgers.P. Biesterveld.
M. Noordtzij.A. Kuyper.
D.K. Wielenga.H. Bavinck.
L. Lindeboom.J.H. Donner.

Oorspronkelijk had de Synode met het oog op het gewicht van zulk een gravamen tegen de Belijdenis geoordeeld, dat de beslissing niet behoorde plaats te vinden zonder dat ook de buitenlandselie Gereformeerde Kerken over dit gravamen waren gehoord. „Overtuigd, zoo luidde de considerans van haar besluit, dat zoo ergens, dan vooral hier met heiligen ernst en kalme bezadigdheid moet worden gehandeld; dat geen deel onzer belijdenis in debat mag gebracht, alvorens ook buitenlandsche kerken hierover geraadpleegd zijn; dat dit laatste ook daarom te meer noodig is, wijl alzoo van Nederland weer de stoot uitgaat, evenals vroeger, om ook die buitenlandsche Gereformeerde kerken tot krachtiger handhaving van de belijdenis der waarheid op te wekken en de heerlijke eenheid van de Kerk van Christus over heel de wereld tot klaarder bewustzijn dier kerken te brengen, besluit zij:

1º. behoorlijk acte te nemen van de nu bij de Synode ingekomen en onderteekende missive;

2º. eene commissie van acht leden te benoemen, zijnde de broederen Dr. H. Bavinck, Ds. T. Bos, Mr. D.P.D. Fabius, Mr. Th. Heemskerk, Dr. A. Kuyper, Ds. A. Littooij, en de ouderlingen T. Tromp, van Rotterdam en H. Windt, van Haren, ten einde de volgende Generale Synode te dienen van advies in zake het ingediende gravamen;

3º. dat het op te stellen advies een vol jaar voor het bijeenkonten der volgende Generale Synode aan al de kerkeraden der Gereformeerde kerken zal toegezonden worden;

4º. dat aan alle buitenlandsche kerken, met welke de onze in correspondentie getreden zijn, eene uitnoodiging vanwege de |3| Gereformeerde Kerken, hier in Generale Synode vereenigd, verzonden zal worden, ten einde ook die kerken, nadat haar ter bekwamer tijd het advies zal zijn toegezonden, en de kerken hier den dag der beraadslaging over dit punt der confessie zullen hebben vastgesteld, door haar afgevaardigden gehoord mogen worden.”

Toen echter noch op de Generale Synode te Groningen in 1899 (Acta Art. 41) noch op die te Arnhem in 1902 (Acta Art. 13) het bedoelde rapport ingediend was en een der aangewezen deputaten verzocht had van zijn taak ontheven te worden, benoemde de Generale Synode niet alleen nieuwe deputaten, maar beperkte zij ook tegelijk hun mandaat. Blijkbaar wordt met dit „beperkt mandaat” in de eerste plaats bedoeld, dat deputaten ontheven werden van den last, hun door de Generale Synode te Groningen opgelegd om hun advies vooraf ter kennisse te brengen van die buitenlandsche kerken, met welke de onze in correspondentie getreden zijn, en deze uit te noodigen afgevaardigden te zenden, die het oordeel dezer kerken aan de Generale Synode zouden overbrengen. Van het hooren der buitenlandsche kerken werd dus afgezien.

Ook naar het oordeel uwer deputaten is het inwinnen van het advies dezer kerken op de aangegeven wijze noch doeltreffend noch noodzakelijk.

Niet doeltreffend, omdat het aantal der buitenlandsche Gereformeerde Kerken, welke met de onze in correspondentie staan, naar verhouding te gering is, dan dat haar oordeel zou kunnen of mogen gelden als een beslissing van alle Gereformeerde Kerken, gelijk die bij de revisie der confessie op de Synode te Dordt in den jare 1618 en 1619 verkregen werd.

En niet noodzakelijk, omdat de meeste dezer buitenlandsche kerken zich reeds op afdoende wijze over het punt in geschil hebben uitgelaten en uit de wijzigingen of nadere verklaringen door haar aan de confessie toegevoegd haar gevoelen genoegzaam kan worden gekend.


*

Voorts meenen uwe deputaten uit dit „beperkt mandaat” in de tweede plaats te mogen afleiden, dat het de bedoeling der Synode is, dat zij zich stipt zullen bepalen tot het ingediende gravamen en niet geroepen zijn om een principieel advies te geven over de veel verder strekkende vraag, welke taak de Christelijke Overheid heeft op religieus en ethisch gebied of wat de verhouding moet wezen tusschen Staat en Kerk. |4|

De vroeger benoemde deputaten hebben wel in dien zin hun taak opgevat, maar juist die breede opvatting is mee oorzaak geworden, dat zij met hun arbeid niet gereed zijn gekomen. Met het oog ook daarop heeft de Synode de taak der nieuw benoemde deputaten enger omschreven en naar het oordeel uwer deputaten terecht. Het komt ook hun voor, dat de tijd nog niet rijp is voor een dergelijke diep ingrijpende en veel omvattende dogmatische beslissing.

Ook van dit gevoelen zijn uwe deputaten bereid rekenschap te geven.

Ze erkennen gaarne, dat in den loop der historie zich een gansch andere verhouding tusschen Staat en Kerk ontwikkeld heeft dan in de dagen onzer vaderen en in verband daarmede bij velen de overtuiging zich gevestigd heeft, dat het niet de roeping der Overheid is om aan ééne bepaalde Kerk boven andere de voorkeur te schenken of ééne bepaalde religie te verklaren tot religie van Staat. Intusschen zou met zulk een negatieve uitspraak, gesteld dat men haarin de Confessie wilde opnemen, het vraagstuk, dat hier aan de orde is, niet opgelost zijn. De Kerk zou, om aan de andere zijde misverstand af te weren, evenzeer verplicht zijn tegenover de neutrale Staatsidee, de valsche scheiding van Staat en Kerk, het niet meer rekenen met de ordinantiën Gods voor het volksleven en de ontkerstening van de gedoopte natiën positief haar dogma te stellen, wat volgens den Woorde Gods de roeping der Overheid is. Juist op dit punt echter ontbreekt tot nog toe die scherp belijnde en wel gefundeerde overtuiging, die alleen tot formuleering van een nieuw dogma leiden kan. Tal van vraagstukken komen hierbij aan de orde, die nog niet genoegzaam zijn doorgedacht en waaromtrent nog geen communis opinio is verkregen. Thans reeds een beslissing te willen nemen, zou een plukken zijn van de vrucht voordat ze rijp was, een vooruitloopen op de leiding des Heiligen Geestes, die de Kerk in alle waarheid leiden moet.

Waar ten slotte nog bij komt, dat zulk een nieuw dogma alleen dan genoegzame zedelijke autoriteit zou hebben, wanneer het werd vastgesteld met medewerking van allen, die de Gereformeerde belijdenis zijn toegedaan. De droevige verdeeldheid op eigen kerkelijke erve en het weinige gemeenschapsbesef tusschen de Gereformeerde Kerken in de onderscheiden landen, maken het echter onmogelijk, dat thans reeds zulk een revisie van de Confessie aan de orde komen kan.

Zich daarom stipt bepalende tot het hun gegeven mandaat, hebben uwe Deputaten gemeend alleen advies te moeten geven over het op de Middelburger Synode ingediende gravamen.

Blijkens de officieele verklaring door de bezwaarde broeders |5| afgelegd, geldt dit gravamen niet Artikel 36 in zijn geheel; ook niet wat in dit artikel gezegd wordt over den plicht der overheid „om de hand te houden aan den heiligen kerkedienst, het Koninkrijk van Christus Jezus te doen vorderen en het Woord des Evangelies overal te doen prediken”, maar alleen en uitsluitend die ééne zinsnede, dat het de taak der Overheid is „om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst.”

Hoewel de bezwaarden in hun gravamen enkel de zooeven aangehaalde woorden hebben vermeld, blijkt toch uit het verband duidelijk genoeg, dat mede bedoeld zijn de daarop volgende woorden: „en het rijk des antichrists te gronde te werpen”. Immers in het te gronde te werpen ligt evenzeer de gedachte van geweld opgesloten, waartegen het gravamen zich richt.

Volgens de bezwaarde broederen kan deze zinsnede „blijkens het stellige getuigenis der geschiedenis” „bij oprechte en eerlijke uitlegging” niet anders beteekenen, dan dat daardoor o.m. „aan de wereldlijke overheid de plicht wordt opgelegd om afgoderij en valschen godsdienst desnoods o.m. met het zwaard uit te roeien”. Zulks nu achten zij „in strijd met den Woorde Gods, waarom zij zich in hunne conscientie verplicht rekenen deze uitspraak niet te belijden maar te verwerpen”. Terwijl zij zich bereid verklaren „deze verklaring te allen tijde op grond van de Heilige Schrift gestand te doen.”

Van dit laatste aanbod hebben uwe deputaten gemeend geen gebruik te moeten maken. Vooreerst niet, omdat de bewijzen, die deze broeders hiervoor uit de Schrift meenen te moeten aanvoeren, door hen reeds meermalen en met groote uitvoerigheid zijn uiteen gezet. Terwijl voorts de Synode door in de commissie van advies enkele der bezwaarde broeders te benoemen, hun daarmede van zelf de gelegenheid schonk hun gevoelen desvereischt nog nader toe te lichten.

Hoe beperkt deputaten hun taak opvatten, ze ontveinzen zich echter geen oogenblik den diepen ernst van de taak hun opgelegd. De wensch der buitenlandsche afgevaardigden op de Synode te Dordt uitgesproken, dat onze kerken haar heerlijke belijdenis, die met het bloed van zoovele martelaren bevestigd was, ongeschonden mochten bewaren tot de wederkomst van Christus, vindt weerklank ook in hun hart. Waar het thans sinds de Dordtsche Synode de eerste maal is, dat de Synode geroepen wordt uitspraak te doen over een gravamen tegen een deel dezer belijdenis, behoort wel de grootste bedachtzaamheid in acht genomen te worden, opdat niet noodeloos een steen worde losgerukt uit het gebouw, dat onze vaderen ons hebben nagelaten. |6|

Toch konden en mochten deputaten u daarom niet adviseeren dit gravamen te laten rusten. Waar broeders uit gewetensdrang verklaren, dat zij op grond van de H. Schrift tegen een deel der Confessie bezwaar hebben, daar zou de Synode door over dit gravamen geen uitspraak te doen niet alleen op bedenkelijke wijze het gezag der Confessie verzwakken, maar wat nog erger is, te kort doen aan het grondbeginsel van alle Gereformeerde belijdenis, dat Gods Woord alleen richtsnoer is voor ons geloof en leven. Hoe hoog we ook onze Belijdenis stellen, een Kerk die desgevraagd zou weigeren haar belijdenis aan Gods Woord te toetsen, zou ophouden een Protestantsche Kerk te zijn.


*

Als nu overgaande tot het ingediende gravamen zelf, komt het uwen deputaten voor, dat in de eerste plaats onderzoek moet worden gedaan, of de zin en beteekenis, die de bezwaarde broeders aan de gewraakte zinswede hechten, juist is of niet. Bleek toch hun uitlegging onjuist te zijn, dan zou daarmede de grond van het gravamen zelf vervallen zijn en verdere toetsing hunner bezwaren aan de Schrift overbodig wezen.

Nu zijn uwe deputaten met de bezwaarde broederen van oordeel, dat „wij de Confessie onzer vaderen belijdende, onder de woorden, waarin zij beleden, niet anders verstaan mogen dan hetgeen zij zelven, blijkens het stellige getuigenis der geschiedenis, met deze woorden bedoeld hebben”. De Confessie is een historisch actestuk en moet daarom ook op historische wijze worden uitgelegd. Elke poging om de woorden van de Confessie te verklaren in een zin, die lijnrecht in strijd is met de bedoeling der opstellers, moet daarom reeds op historische gronden worden afgekeurd. 1) Maar nog veel zwaarder weegt bij uwe deputaten de bedenking, dat wie op dit ééne punt, met hoe goede bedoelingen ook, de historische beteekenis loslaat, daarmede den weg opent om, schijnbaar aan de Confessie vasthoudende, haar een gansch andere meening onder te schuiven |7| dan door haar auteurs is bedoeld. Dat dit gevaar niet denkbeeldig is, blijkt wel het best, wanneer men ziet, hoe verschillende Presbyteriaansche Kerken in Schotland en Amerika een reeks nadere verklaringen aan de Confessie hebben toegevoegd, die min of meer naar het Arminianisme overhellen, niettegenstaande deze Kerken verklaren de Westminstersche Confessie, wier Calvinistisch karakter onverdacht is, ongeschonden te willen bewaren. Terwijl ten slotte deze zelfde methode van exegese, in de school van Coceejus ook op de Schrift toegepast, genoegzaam getoond heeft, hoe daarmede alle vastheid van de Confessie wordt ondermijnd en de bedenkelijkste ketterijen kunnen worden binnen geloodst. Het geschil loopt dus niet alleen over een quaestie van exegetische methode, maar raakt wel degelijk het gezag, de vastheid en den inhoud der Confessie zelve.

Nu is zeer zeker door sommige broeders het gevoelen wel verdedigd, dat men bij de uitlegging der Confessie niet in dien strikten zin gebonden is aan de bedoeling der opstellers, omdat de Confessie de levende uiting is van de geloofsovertuiging der gemeente ook in onzen tijd en daarom alleen de letter der Confessie heeft te beslissen. Volgens hen nu schrijft onze Confessie in de gewraakte zinsnede wel aan de Overheid de taak voor om de afgoderij en den valschen godsdienst te weren en uit te roeien, maar laat zij de keuze der middelen en wegen, waardoor de Overheid dit doel te bereiken heeft, vrij. De Overheid kan dit dus doen door maatregelen van dwang of geweld, maar ze mag het desverkiezende ook doen door overal „het Woord des Evangelies te doen prediken” en voorts van alle vervolging of onverdraagzaamheid in zake de religie zich te onthouden. Waar nu de ondervinding geleerd heeft, zeggen deze broederen, dat elke maatregel van geweld en vervolging het hier bedoelde kwaad niet stuit en keert, maar veeleer bevordert, en dat het rijk van den Antichrist en de afgoderij alleen overwonnen kunnen worden door de zuivere prediking des Woords, oordeelen zij dat de Overheid deze taak het beste volbrengen kan door van alle vervolging af te zien en alleen geestelijke wapenen te gebruiken. Volgens hun inzicht eischt de letter der Confessie dan ook niet, dat de Overheid geweld gebruiken moet. Immers, zoo merken ze op, Artikel 36 zegt niet, dat de Overheid „ketters of afgodendienaars” moet weren en uitroeien, maar „afgoderij en valschen godsdienst” en het woord „uitroeien” sluit wel in zich het denkbeeld van geweld, wanneer het gebruikt wordt in verband met levende wezens, maar niet wanneer het gezegd wordt van zaken of denkbeelden. Het gebruiken van |8| geweld wordt in Art. 36 dus wel niet verboden, maar toch evenmin gebiedend voorgeschreven. Op soortgelijke wijze heeft de Vrije Kerk van Schotland getracht het bezwaar van velen tegen een gelijkluidende plaats in haar Confessie uit den weg te ruimen, door in haar acte van 1 Juni 1846 (act anent questions and formula) te verklaren, dat „hare Kerk wel vasthield aan dezelfde Schriftuurlijke beginselen ten opzichte van de plichten der naties en hare heerschers met betrekking tot de ware religie en de Kerk van Christus, waarvoor zij tot hiertoe gestreden heeft, maar dat zij alle beginselen, die tot onverdraagzaamheid en geloofsvervolging leiden, afwijst en loochent en niet gelooft, dat hare Confessie of eenig deel daarvan, mits eerlijk uitgelegd, zulke verdraagzaamheid of vervolging begunstigt2).

Intusschen heeft Dr. Ph. Schaff, de uitnemende kenner der symbolen, een zoodanige uitlegging niet ten onrechte als onjuist afgekeurd 3) en naar het oordeel uwer deputaten is ze, hoezeer ook met een beroep op de letter onzer Confessie verdedigd, toch niet wel te handhaven.

Reeds de woorden zelf der Confessie laten naar de overtuiging uwer deputaten deze opvatting niet toe.

Er is sprake van een ambt of taak der Overheid (de Fransche tekst heeft office, de Latijnsche officium), gelijk dan ook in de oorspronkelijke editie van 1562 staat: het is hare ampt ende officie. En die taak zelf wordt aldus omschreven, dat de Overheid heeft te weren, uit te roeien en te gronde te werpen (de Fransche tekst heeft ôter, ruiner et detruire, de Latijnsche submoveant, evertant et diruant, terwijl de oorspronkelijke editie van 1562 in plaats van uitroeien heeft te niete te doen). Deze sterke uitdrukkingen sluiten alle gedachte uit, alsof de Overheid hier slechts lijdelijk had toe te zien of alleen met geestelijke wapenen de afgoderij had te doen weerstaan. En wat alles afdoet, de Schriftuurplaatsen, waarop de Confessie tot staving van dit gevoelen zich beroept (in de oorspronkelijke editie van 1562 evenals in die van 1582) n.l. 1. Kon. 15 : 12 en II. Kon. 23 : 1 en v.v., waarin sprake is van de Koningen Asa en Josia, die de afgoden wegdeden uit het land, toonen genoegzaam in welken zin dit uitroeien der afgoderij is bedoeld.

Ook over de vraag, wat onder afgoderij, valschen godsdienst en het rijk van den Antichrist te verstaan is, meenen uwe deputaten dat |9| kwalijk verschil van gevoelen kan bestaan. Wel is de opmerking terecht gemaakt, dat hiermede niet bedoeld zijn ketterijen of dwaalleeringen in den gewonen zin des woords, want de uitdrukking valsche godsdienst beteekent hier niet een valsche geloofsovertuiging of religie, maar gelijk uit den Franschen tekst onzer confessie (faux service de Dieu) en den Latijnschen (adulterinum Dei cultum) afdoende blijkt, de valsche eeredienst. In dien zin heeft Voetius gelijk, wanneer hij in zijn Disp. Theol. t. III. p. 806 en Pol. Eccl. t. II, p. 422 opmerkt, dat het uitroeien of dooden der ketters geen geloofsartikel onzer kerken is. Maar aan de andere zijde meenen uwe deputaten, dat het toch ook niet aangaat onder afgoderij en valschen godsdienst alleen of in de eerste plaats de heidensche afgoderijen of valsche godsdiensten zooals die der Mahomedanen te verstaan. 4) Reeds de bijvoeging van het rijk van den Antichrist weerspreekt dit. Het lijdt toch geen tegenspraak dat onze vaderen met deze woorden voornamelijk het oog hadden op den Paus en de Roomsche Kerk, gelijk zij dan ook in de voorrede voor de leerregels van Dordt spreken van „de Tyrannie des Roomschen Antichrists ende de schrickelijcke Afgoderie des Pausdoms”. Evenzoo wordt in den Heidelbergschen Catechismus vraag 80 de Mis een „vervloekte afgoderij” genoemd en in Art. XXIX onzer Confessie gesproken van de „afgoderijen” der valsche, d.i. der Roomsche Kerk. De bedoelde uitdrukkingen slaan dus in de eerste plaats op de Roomsche Kerk en voorts op elke kerk of secte, die naar het oordeel der vaderen wat dit punt aangaat met de Roomsche Kerk op een lijn te stellen zijn.

Moeilijker is daarentegen de vraag te beantwoorden, of de bezwaarde broederen recht hebben, wanneer zij in hun gravamen beweren, dat onder de middelen, waarmede de Overheid deze taak te volbrengen heeft o.m. de doodstraf behoort. Uit het woord uitroeien zelf blijkt dit wel niet, omdat hier sprake is van zaken (afgoderij, valschen |10| godsdienst en het rijk van den Antichrist) en niet van personen. Maar dat onze Gereformeerde Kerken wel degelijk oordeelden, dat de Overheid geroepen was om degenen, die zich aan deze zonden schuldig maakten, te straffen en desnoods te dooden, kan moeilijk worden betwist. Wel hebben zij de doodstraf in zulk een geval steeds als uiterste remedie beschouwd, maar dit raakt alleen de toepassing en in beginsel hielden zij wel degelijk staande, dat de Overheid het zwaard van God ontvangen had om ook zulke boosdoeners te straffen. Het verband van Art. XXXVI zelf wijst dit uit, want aan de bedoelde zinsnede gaan vlak vooraf de woorden, dat „God de Overheid het zwaard in handen heeft gegeven tot straffe der boozen en bescherming der vromen”. En dat dit niet alleen ziet op de overtredingen tegen de tweede tafel der wet, maar evenzeer op die tegen de eerste tafel (waaronder de afgoderij en de valsche godsdienst valt) blijkt genoegzaam uit het feit, dat onze Kerken op haar eerste Nationale Synode te Emden in 1571 besloten hebben ook de Fransche Confessie te onderteekenen en in deze Confessie uitdrukkelijk staat: „om deze oorzaken heeft God het zwaard in de handen der overheidspersonen gegeven om tegen te gaan de zonden die begaan worden niet alleen tegen de tweede tafel van de geboden Gods, maar ook tegen de eerste tafel”. Ook het beroep, dat onze vaderen bij dit gedeelte van de Confessie deden op de Schrift en met name op den reformatorischen arbeid van Koning Josia, waarvan gemeld wordt in 11 Kon. 23, wijst dit afdoende uit, want hier is niet alleen sprake van het wegdoen der afgodsbeelden maar ook in vs. 20 van „het slachten der priesteren der hoogten op hun altaren”.

Laten de duidelijke bewoordingen onzer Confessie dus geen twijfel toe omtrent den zin en de beteekenis der gewraakte zinsnede, ook het „getuigenis der historie”, waarop de bezwaarde broederen zich beroepen, bevestigt naar het oordeel uwer deputaten hun opvatting volkomen.

In de eerste plaats wijzen uwe deputaten u daartoe op het getuigenis dat onze Nederlandsche Kerken zelve desaangaande afleggen.

Gelijk bekend is heeft Guido de Bres onze Nederlandsche Confessie grootendeels vervaardigd naar het model der Fransche Confessie, die in 1559 door de Synode te Parijs is vastgesteld. Toch is Guido de Bres deze Confessie niet slaafs gevolgd, maar hier en daar heeft hij niet onbelangrijke wijzigingen aangebracht, zooals ook met name geschied is in Art. XXXVI, want de geheele derde zinsnede over |11| de taak der Overheid om de hand te houden aan den heiligen Kerkedienst en de afgoderij uit te roeien komt in de Fransche Confessie niet voor. De oorsprong van deze zinsnede nu is niet moeielijk na te gaan, want Guido de Bres heeft hier, gelijk op meerdere plaatsen, gebruik gemaakt van de Institutie van Calvijn om onze Confessie te verrijken. Dat dit ook hier het geval is blijkt uit Boek IV hfdst. 20 § 3, waar Calvijn zegt dat, „de burgerlijke regeering niet alleen dient, opdat de menschen mochten leven enz. maar ook opdat er geen afgoderij noch lastering tegen Gods naam en tegen Zijne waarheid noch andere dergelijke schandalen en ergernissen tegen de Religie in het openbaar zouden ontstaan en onder het volk gezaaid worden.” Hij verklaart voorts uitdrukkelijk, dat hij „die burgerlijke ordening goedkeurt, die daarnaar tracht, dat de ware Religie, die in Gods wet begrepen is, niet openlijk door openbare goddeloosheden vrijelijk en ongestraft (impune) geschonden en verontreinigd worde.” En in § 9 waar hij wederom over de zorg der Overheid voor de Religie spreekt, houdt hij niet alleen staande, dat het de eerste taak der Christelijke Prinsen en Magistraten is om te zorgen voor de zuiverheid der religie, maar veroordeelt hij ook scherp het gevoelen van hen „die wel wilden dat de Overheid, God en de religie terzijde stellende, zich alleen bemoeien zou met de gerichtshandeling onder de menschen” en „gaarne zouden zien, dat er geen rechters in de wereld waren, die de schenders der godsdienstigheid straffen mochten”. Deze uitdrukkingen van Calvijn, wiens gevoelen bij de uitlegging onzer Confessie altoos in de eerste plaats verdient gehoord te worden, zijn niet alleen van belang, omdat zij ons den oorsprong der bedoelde zinsnede verklaren, maar nog veel meer omdat ze doen zien op welke wijze dat „weren en uitroeien ran alle afgoderij” moet worden opgevat. De bedoeling is, dat op het publieke terrein des levens afgoderij, valsche godsdienst, godslastering enz. door de Overheid niet straffeloos mag geduld worden.

Dat onze Nederlandsche Kerken steeds in dien zin de taak der Overheid hebben opgevat, blijkt genoegzaam uit haar eigen historie. Uwe deputaten kunnen hier slechts op enkele uitspraken en feiten wijzen, maar meenen dat deze duidelijk genoeg spreken.

Vooreerst wijzen ze er u op, dat in het officieele schrijven, dat door onze kerken bij de Confessie gevoegd is en tot opschrift draagt: „Vermaninghe tot de Ouerheyt”, uitvoerig gehandeld wordt over de vraag, of de Overheid het recht heeft de ketterij te straffen. Hoewel nu ketterij niet hetzelfde is als afgoderij of valsche godsdienst, |12| zoo zal toch niemand ontkennen, dat waar de Overheid geroepen wordt geacht om de ketterij, d.w.z. de persoonlijke dwaling desnoods met het zwaard te straffen, dit zelfde à fortiori geldt van de zooveel erger zonde van afgoderij en valschen godsdienst. Onze Kerken nu toonen in dit schrijven uitnemend goed het gevoelen te kennen van hen, die achten dat de Overheid liever met het geestelijke dan met het materieele zwaard de ketterij moet tegengaan: „Het meeste deel der oude Leeraers, hebben gheacht, dat de Ouerheyt niet gheoorlooft en is, de consciencien aen te roeren, om die te verweldighen ende te bedwinghen te gheloouen, mitsdien, dat het materiael sweert haer inde handen gegeuen is, om de roouers, dieuen, doodtslaghers, ende andere, die dese menschelicke regeringhe beroeren, te straffen. Maar aengaende der Religie, ende het ghene, dat totter zielen behoort, het eenich Geesteliek sweerdt des woordts Gods, moet ende mach hierin neerstelick remedieren, scheydende den ijuer ende Religie, die yemandt beschermt vande oproericheydt ende verstooringhe der regeringhe.” In plaats echter van met dit gevoelen hun instemming te betuigen, verwerpen en weerspreken zij het: „Maer wy zijn in dese sake te vreden, niet te volghen noch te gheloouen dese goede Leeraers. Wy belijden, dat de Ouerheyt moet de kennisse hebben der ketterien, de welcke wy toestaen te zijne verstooringhen onder het ghemeyn volek, soverre dat onder dit decksel de onnooselheydt niet verdruckt en worde, door het eenich aenbrenghen van synen vyanden, sonder ghehoort ende verstaen te worden, maer dat de Ouerheydt dencke op het ghene, dat de wijse man seyt. Wie den Godloosen recht seyt te wesen, ende den gherechten verdoemt, die zijn beyde den Heere eenen grouwel. Waerby het van noode is, dat de Richter van hemseluen bekenne ende versekert zy, van de ongherechticheydt ende ketterije, door den woorde Gods ouerwonnen, eer hy syne handt wt steke, om den beschuldichden te oueruallen.” Al eischen onze Kerken dus, dat niet op lichtvaardige gronden en niet onverhoord de aangeklaagde zal worden veroordeeld, het recht der Overheid om de ketterij te straffen wordt met nadruk gehandhaafd.

Evenzoo geschiedde dit in het verzoekschrift, dat de Nederlandsche vluchtelingenkerk te Londen in 1575 aan de Overheid richtte, toen deze over vier Nederlandsche wederdoopers het doodvonnis had uitgesproken. Men verzocht wel dit doodvonnis in een andere straf te veranderen, maar verklaarde te gelijk:

„Hoewel wy gheensins en staen in etlicker dwalynghe die meenen |13| dattet eener Christelieker Ouerheit niet georlooft zy te straffen de hertneckighe voorstanders der ketterien, die teghen God ende synen waren godsdienst lasteren, ende die het simpele volck met verkeerde ende oproerighe leerynghen verleiden, die by gheen andere middelen ten rechten weghe connen ghebracht werden”. 5)

En om nog een derde uitspraak onzer Kerken aan te halen, in de Remonstrantie door de Kerken van Zuid-Holland in 1575 bij de Staten ingediend en waarin uitvoerig over het onderscheid der Burgerlijke en Kerkelijke Regeering gehandeld wordt, staat: „Der magistraet officie is den wterlicken affgodendienst doer mandamenten te verbieden en de godtslasterers te straffen.” 6)

Uwe deputaten herinneren er u voorts aan, hoe onze Kerken juist op grond van wat in Art. XXXVI als taak der Overheid beleden werd, bij de Overheid voortdurend er op hebben aangedrongen, dat zij plakkaten en ordonnantiën zou maken tegen de „oeffeningen van de Pauselijcke Affgoderije en de Superstitiën”, de Wederdoopers of Mennonieten in het land niet zou dulden, de samenkomsten der Remonstranten en zelfs der Lutherschen of Martinisten zou verbieden, om te zwijgen van de nog veel scherpere maatregelen, die de Kerken wilden, dat, de Overheid nemen zou tegen de secten als de Davidioristen en Familiaristen in de 16e en de Hattemisten en Labadisten in de 17e eeuw. Dit alles levert wel den treffendsten commentaar op wat onze Kerken in Art. XXXVI hebben beleden en toont in welken zin het weren en uitroeien van afgoderij en valschen godsdienst door hen is bedoeld.


*

In de tweede plaats vestigen uwe deputaten de aandacht op hetgeen aangaande de taak der Overheid ten opzichte van afgoderij, ketterij, enz. in de geloofsbelijdenissen der buitenlandsche Kerken wordt geleerd.

Waar de Gereformeerde Kerk niet als de Luthersche en Roomsche Kerk één geloofsbelijdenis bezat, die voor allen gold, maar elke landskerk haar eigen belijdenis formuleerde, daar hebben de Gereformeerde Kerken om hare eenheid te doen uitkomen steeds nadruk gelegd op de „harmonia confessionum”, de onderlinge overeenstemming harer belijdenisschriften, en zijn zelfs op bevel der Kerken uitgaven verschenen, waarin deze confessies gezamenlijk waren |14| afgedrukt. Uwe deputaten meenen daarom het recht te hebben tot verklaring van onze eigen geloofsbelijdenis ook op deze buitenlandsche confessies uwe aandacht te mogen vestigen.

De Berner Synode van 1532 verklaarde in hare Lehrartikel, waarin uitvoerig over de macht der wereldlijke overheid gehandeld wordt, wel dat de overheid geen macht heeft zich in te laten met het geweten, maar „daarom zoo gaat zij voort, zullen zij de goddelijke regeering niet nalaten, voorzoover deze uitwendig is, en den vrijen loop der genade zullen zij door hun macht als medehelpers Gods bevorderen, dat wil zeggen, dat zij zich houden aan de gezonde leer, de dwaling en verleiding afwenden, alle godslastering en openbare zonden in godsdienst en leven weg doen”. 7)

De eerste Helvetische Confessie van 1536 gaat in Art. 24 nog veel verder: „Al degenen, die van de heilige gemeenschap en het gezelschap der kerk zich afscheiden en afzonderen, vreemde, ongoddelijke leer in de kerken invoeren of zulke leer aanhangen (welk euvel in onzen tijd bij de wederdoopers meest gevonden wordt) zoo zij naar de waarschuwing der kerk en de Christelijke vermaning niet luisteren en die gehoorzaam zijn, maar hardnekkig in hun twist en dwaling tot nadeel en verleiding der kerk willen volharden, dezulken zullen door de macht der Overheid gestraft en in toom gehouden worden, opdat zij de kudde Gods met hun valsche leer niet vergiftigen en bevlekken”. En evenzoo wordt in Art. 26 als taak der Overheid aangegeven, „dat zij de ware eere Gods en den rechten godsdienst met bestraffing en uitroeiing van alle godslastering bescherme en bevordere”. 8)

En nog scherper spreekt zich de tweede Helvetische Confessie van 1562 uit in Art. XXX: „De voornaamste taak der Overheid is voor den vrede en de publieke rust te zorgen en deze te bewaren. Dit zal de Overheid zeker nooit gelukkiger kunnen doen dan wanneer zij in waarheid Godvreezende en godsdienstig is, namelijk wanneer zij naar het voorbeeld van de meest heilige koningen en prinsen van het volk des Heeren de prediking der waarheid en het zuivere geloof zal bevorderen en de leugens en alle bijgeloof met alle goddeloosheid en afgoderij zal uitroeien en de Kerke Gods zal beschermen. Want metterdaad leeren wij dat de zorg voor de religie in de eerste plaats toekomt aan de heilige overheid. Laat zij daarom |15| het Woord Gods in haar handen houden en zorgen, dat niets geleerd worde wat daartegen strijdt . . . Laat zij de gerechtigheid oefenen door rechtvaardig te oordeelen, want zij heeft het zwaard van God niet tevergeefs ontvangen. Zij gebruike daarom dit zwaard Gods tegen alle misdadigers, oproermakers en Godslasteraars. Zij strafe ook de onverbeterlijke ketters (die waarlijk ketters zijn) en die niet ophouden de majesteit Gods te lasteren en de kerke Gods te beroeren, ja haar geheel te verderven.” 9)

De Engelsche Confessie van 1553 zegt in Art. XXXVI: „Wij geven niet aan onze koningen het recht om het woord Gods of de sacramenten te bedienen, maar alleen dat voorrecht, dat wij zien dat God zelf in de Heilige Schriften aan alle vrome vorsten gegeven heeft, dat zij namelijk alle staten en rangen, die door God hun zijn toebetrouwd, hetzij deze kerkelijk of burgerlijk zijn, regeeren en met het burgerlijke zwaard zullen bedwingen alle wederspannigen en kwaaddoeners.” 10)

De Schotsche Confessie van 1560 verklaart in Art. XXIV dat „het de voornaamste taak der koningen, vorsten en andere overheden is, dat zij de zuivere religie beschermen en de bezoedelde van vlekken reinigen; want zij zijn niet alleen ingesteld tot bewaring der burgerlijke orde, maar ook tot bescherming van de religie, opdat zij de afgoderij en alle bijgeloof, die in haar gebied ontstaan zou, onderdrukken, gelijk te zien is in David, Josaphat, Hiskia, Josia en andere koningen, die wegens hun brandenden ijver voor de handhaving der zuivere religie bijzonderen lof hebben verkregen.” 11)

Evenzoo oordeelt de Erlauthaler of Hongaarsche Confessie van 1562: „De eerste taak der Overheid is, dat zij hare handelingen richte naar het voorschrift der wetten. Vervolgens drage zij zorg voor de handhaving van de beide tafelen (der wet). Zij zorge dat het woord Gods recht in haar gebied verkondigd worde, de godloochenaars en meineedigen straffe zij. Zij roeie uit de afgoden, de ontuchtige kloosters van monniken en nonnen, die als ’t ware bordeelen zijn. Zij straffe met lichamelijke straf de ketters, wier schuld bewezen is, die hardnekkig zijn en voor de waarheid niet willen wijken. De conciliën en Augustinus en Ambrosius leeren, dat het de taak der vorsten is, dat de ongeloovigen gedwongen worden |16| tot het geloof en dat de onheilige en afgodische diensten van God worden uitgeroeid. Dwing ze om in te gaan” 12).

Opmerking verdient echter, dat in de tweede Hongaarsche Confessie, die in hetzelfde jaar verscheen en die zich bijna woordelijk aansluit bij Beza’s Professio fidei, in Cap. V, Art. 32: Van het ambt van de Christelijke overheid, de volgende woorden met opzet zijn weggelaten, die bij Beza voorkomen: „Ook moet hier door ons niet geluisterd worden naar hen, die onder voorgeven van een valsche langmoedigheid en met bewijsredenen, die niet alleen niets zeggend en dwaas zijn, maar die zelfs gepaard gaan met groote onvroomheid en heiligschennenden overmoed, de valsche profeten en ketters onttrekken aan het zwaard der Christelijke vorsten, terwijl er daarentegen geen slag van menschen is dat met grooter gestrengheid door de Christelijke Overheid moet gestraft worden, gelijk het uitgedrukte Woord Gods beveelt en de vrome vorsten steeds hebben gedaan, Exod. 23: 20. Deut. 13 etc.” 13). Men ziet hieruit, dat de Hongaarsche kerk deze uitdrukkingen toch te kras vond voor een Geloofsbelijdenis.

Een eigenaardig standpunt neemt de Boheemsche Confessie in, die in Art. XVI § 4 verklaart, dat de Overheid ten deele haar macht ontleent aan God en ten deele aan het Lam, d.i. Christus. In die laatste qualiteit nu hebben de Overheidspersonen de roeping om „het rijk van Christus krachtig te beschermen tegen Satan en den antichrist, voorvechters zich te betoonen van de Kerke Gods, van de dienaren van Christus en van de zuivere leer des Evangelies en daarentegen alle afgoderij en tyrannie van den Antichrist zooveel in hun vermogen is ter neer te werpen (profligare)” 14).

Ten slotte zij nog gewezen op de Westminstersche Confessie van 1647, die wel de rijpste vrucht mag heeten van de symbolische ontwikkeling der Gereformeerde Kerken. In hoofdstuk XXIII § 3 dezer belijdenis wordt aangaande de Overheid geleerd: „De burgerlijke overheid mag zich niet de bediening des Woords en der Sacramenten of de macht der sleutelen van het Koninkrijk der hemelen aanmatiigen; desalniettemin heeft zij de macht en is het haar plicht zorg te dragen, dat eenheid en vrede onderhouden worden in de Kerk, dat de waarheid Gods zuiver en ongeschonden bewaard blijve, dat alle godslasteringen en ketterijen worden onderdrukt, alle bederf of misbruik in eeredienst en kerkregeering worde voorkomen of gereformeerd |17| enz.” 15). Nog nader wordt dit uitgewerkt in Hoofdstuk XX § 4, waar gehandeld wordt over het misbruik van de Christelijke vrijheid en de maatregelen daartegen te nemen: „Zij die zoodanige leeringen hebben verspreid of zoodanige praktijken hebben verdedigd, welke in strijd zijn met het licht der natuur of met de bekende beginselen der Christelijke religie (hetzij deze het geloof, den eeredienst of de zeden betreffen) of met de kracht der godzaligheid; of (die) zoodanige dwalende meeningen of praktijken (verdedigen), welke òf uit haar eigen natuur òf door de wijze van ze publiek te maken of te verdedigen, den uitwendigen vrede en orde, welke Christus in zijn Kerk heeft ingesteld, met den ondergang bedreigen, — dezulken mogen wettig ter verantwoording worden geroepen en tegen hen mag worden opgetreden zoowel met de kerkelijke censuren als met de macht van de burgerlijke Overheid16). Geheel in overeenstemming hiermede wordt dan ook in den breeden Westminsterschen Catechismus, vraag 109, bij de uitlegging van het tweede gebod als zonde tegen dit gebod o.a. genoemd religionis falsae toleratio, het dulden en toelaten van een valsche religie 17).

De overige Gereformeerde Confessies hebben zich over dit punt (met uitzondering van de Fransche geloofsbelijdenis, wier gevoelen reeds medegedeeld is) niet nader uitgesproken. Vooral is het opmerkelijk, dat noch in den Geneefschen Catechismus, door Calvijn opgesteld, evenmin als in de verschillende Geloofsbelijdenissen, die van hem zijn uitgegaan of die te Genève golden, zooals met name de Geneefsche Geloofsbelijdenis van 1536, die waarschijnlijk van Farel afkomstig is, de Geloofsbelijdenis voor den Koning van Frankrijk van 1557 en de Geloofsbelijdenis van de studenten der Universiteit van Genève van 1559, welke beide door Calvijn zijn opgesteld, over dit punt wordt gesproken. Wel wordt in beide laatstgenoemde Confessies uitvoerig over het ambt der Overheid gehandeld, maar noch van het straffen van ketters of godslasteraars, noch van het weren en uitroeien van afgoderij of valschen godsdienst is hier sprake.

Natuurlijk mag hieruit niet worden afgeleid, dat Calvijn daarom persoonlijk tegen het straffen van ketters of het verbieden van valsche godsdiensten was, want het tegendeel blijkt duidelijk genoeg zoowel uit zijne werken als uit zijne daden. Maar wel volgt hieruit, dat Calvijn |18| het niet noodig vond, of niet wenschelijk achtte, een dogmatische uitspraak omtrent dit punt in de Confessie op te nemen.

Laat men echter deze éene uitzondering buiten rekening, dan blijkt uit de aangehaalde Confessies, hoe schier alle Gereformeerde Kerken de taak der Overheid tegenover afgoderij, valschen godsdienst, ketterij, godslastering enz. aldus hebben opgevat, dat de Overheid hiertegen met maatregelen van dwang en geweld en desnoods met de doodstraf moest optreden. Er is zeker verschil in uitdrukking en in scherpte van toon, maar in het wezen der zaak is geen verschil. Bovendien die beide Confessies, die in de formuleering wel het verste gaan, nl. de tweede Helvetische en de Westminstersche Confessie zijn juist die, welke het meest algemeen erkend zijn geworden. De tweede Helvetische Confessie is niet alleen door alle Protestantsche Cantons in Zwitserland aanvaard, maar ook goedgekeurd door de Gereformeerde Kerken in de Palts, in Frankrijk, in Schotland, in Hongarije, in Polen en geldt nog in Oostenrijk. Terwijl de Westminstersche Confessie niet alleen beleden wordt door tal van kerken in Engeland, Schotland en Ierland, maar ook in Noord-Amerika groot gezag heeft. De overeenstemming van de Gereformeerde Confessies op dit gewichtig punt laat naar het oordeel van uwe deputaten geen zweem van twijfel over, dat de gewraakte zinsnede in onze Nederlandsche Confessie ook in dien zin moet worden verklaard.


*

In de laatste plaats wijzen uwe deputaten u op het eenparig gevoelen der Gereformeerde theologen, omdat al heeft hun gevoelen zeker geen dogmatisch gezag, het hier beleden dogma toch het beste kan gekend en verklaard worden door de toelichting, die de mees invloedrijke theologen ervan gegeven hebben.

Natuurlijk kan er niet aan gedacht worden hier ook maar eenigs zins volledig te zijn. Voetius wijdt in zijn Pol. Eccles. t. II. aan dit vraagstuk niet minder dan twee honderd bladzijden en andere schrijvers zijn nog uitvoeriger. Uwe deputaten meenen echter, dat het voldoende is op enkele kenmerkende uitspraken te wijzen, terwijl ze voorts in een noot opgeven, waar verdere litteratuur te vinden is. 18) |19|

Voorop ga het gevoelen van Calvijn. Hoe Calvijn in zijne Institutie over deze quaestie oordeelt, is reeds vroeger meegedeeld, maar niet minder belangrijk is het tractaat, dat Calvijn schreef om de terdoodbrenging van Servet te verdedigen en dat tot titel draagt: Een getrouwe uiteenzetting van de dwalingen van Michael Servet en een korte weerlegging dier dwalingen, waarin geleerd wordt dat de ketters met het zwaard moeten gestraft worden. Dit tractaat mag metterdaad classiek heeten en Beza heeft in zijn meesterlijk verdedigingsgeschrift van dit tractaat met uitvoerige citaten van Luther, Melanchton, Bullinger e.a. aangetoond, dat het door Calvijn uitgesproken gevoelen niet op zich zelf stond, maar schier door alle reformatoren gedeeld werd. Calvijn nu eischt zeer zeker, dat er onderscheid gemaakt zal worden tusschen ketters en ketters; hij keurt de onmenschelijke wreedheden af, waarmee de Roomsche inquisitie was opgetreden: hij wil dat vooraf de weg van overreding zal beproefd worden en alleen bij hardnekkig verzet gestraft zal worden; hij acht, dat in de meeste gevallen een lichtere straf als met name ballingschap voldoende is; maar na al deze reserves gemaakt te hebben, eindigt hij toch met te zeggen „dat het de plicht der Overheid is met het zwaard degenen te straffen, die, terwijl ze zelf afvallig zijn van het ware geloof, anderen tot afval aansporen en als smaders Gods de ellendige zielen met hunne bedriegerijen als in netten verstrikken, den vrede der kerken verstoren en de overeenstemming der godzaligheid verscheuren en aan stukken rijten”. „God, zegt hij, heeft niet bevolen het zwaard te gebruiken tegen allen zonder onderscheid, maar Hij heeft aan rechtvaardige straffen onderworpen de afvalligen, die goddelooslijk zich vervreemd hebben van den waren Godsdienst en getracht hebben anderen tot een gelijken afval over te halen”. „Wanneer wij, gaat hij voort, aan de Overheid de zorg opdragen voor de bescherming der Religie, dan scherpe zij haar zwaard niet, opdat zij iedere ketterij |20| straffende, met overhaasting tot bloedstorting overga. Want wij weten, dat er bij de dwaling drieërlei trap moet onderscheiden worden en wij zeggen, dat aan sommigen vergiffenis moet geschonken worden, voor anderen een lichte kastijding voldoende is, zoodat alleen de openbare goddeloosheid met de doodstraf gestraft worde”. 19)

Hoe ernstig deze overtuiging was blijkt wel het best uit hetgeen de Geneefsche predikant F. de Morel, toen hij tijdelijk in dienst was te Parijs, in een schrijven van 5 Juni 1559 aan Calvijn meedeelt. In het Fransche parlement, het hoogste gerechtshof in Frankrijk, was destijds een machtige partij, die juist met het oog op de verdrukte Gereformeerden alle geloofsvervolging wilde afschaffen. Ze zonden daarom aan de predikanten een boodschap met het verzoek uit de Schrift hun de noodige bewijsplaatsen te leveren, waaruit blijken kon „dat de ketters niet met den dood gestraft behoorden te worden.” Wel verre echter van aan dien wensch te voldoen, antwoordden de predikanten „dat noch in de Schrift, noch bij hen iets gevonden werd wat als dekmantel zou kunnen dienen om zulk een dogma voor te stellen; dat zij een zoodanige vrijheid om in zake de religie alles ongestraft te moeten aanhooren niet verre de voorkeur gaven boven de tyrannie, waaronder zij thans gebogen gingen. Wilde men zorg dragen voor de vromen en onschuldigen, dan moest met alle macht daarheen gestuurd worden, dat het geschil over de religie door bekwame mannen onderzocht werd, opdat degenen, die het betere gevoelen waren toegedaan, werden vrij gesproken, de anderen de straf droegen voor hun ketterij en goddeloosheid” 20). Dit woord teekent de geesten. Men verdroeg liever zelf den brandstapel dan dat men de ketters ongestraft liet.

Hetzelfde standpunt wordt ook ingenomen door Beza in zijn tractaat: Dat de ketters door de Overheid moeten gestraft worden. Beza maakt evenals Calvijn onderscheid tusschen ketters en ketters, tusschen degenen die dwalen ter goeder trouw en die hardnekkig tegen de waarheid zich verzetten, maar voor de laatsten oordeelt hij dat er dan ook geen straf te streng is. Indien de Overheid, zegt hij, echtbreuk en moord met den dood straft, misdaden die tegen den mensch begaan zijn, hoeveel te meer moet diezelfde straf dan niet toegepast worden op misdaden, waardoor de Majesteit Gods beleedigd wordt. Ook het belang van den Staat zelf brengt dit mee; want een dief of |21| brandstichter of moordenaar brengt maar nadeel toe aan één persoon, terwijl wie den waren dienst van God verderft, een brand ontsteekt, waardoor duizenden voor eeuwig omkomen. „Daarom hetzij de Overheid de eere Gods wil handhaven, hetzij dat zij den Staat wil bewaren, moet zij geen gestrenger straf toepassen op wien ook dan op de godslasterlijke en goddelooze ketters”. 21) Vooral is van belang wat Beza zegt over de roeping der Overheid ten opzichte van de afgoderij. Na voorop te hebben gesteld, dat niet alle afgoderij door de Overheid gestraft moet worden, gelijk God ook aan Israel niet beval alle afgodendienaren te dooden, maar alleen degenen, die zijn volk Israel tot afgoderij trachtten te verleiden, gaat hij aldus voort: „Zoo zeggen wij derhalve, dat wanneer ook nu iemand in de kerk van God zou trachten de menschen weer te verlokken tot de afgoderij der heidenen of roomschen, (ad paganicam vel papisticam idololatriam) het de plicht van de Christelijke Overheid zou zijn zulk een verderfelijken afgodendienaar ernstig te straffen”. 22)

Nu is het zeer zeker waar, dat dit strengere gevoelen van Beza en Calvijn later niet onbelangrijk is verzacht. Al heeft Bogerman nog in 1601 Beza’s tractaat in het Nederlandsch vertaald en er zijn hartelijke instemming mee betuigd, het meerderdeel der Nederlandsche theologen was toch niet voor de toepassing van de doodstraf of beperkte haar tot die gevallen, waarin sprake was van openbare godslastering en van dwaalleeringen, die gevaarlijk waren voor den Staat. Zoo verklaren de Leidsche professoren in hun Synopsis, jarenlang het standaardwerk onzer theologie (ed. Bavinck p. 623, 624) „dat het beter is de kettersche leeraars af te zetten of te verbannen of op een andere wijze te beteugelen dan met den dood te straffen”, terwijl alleen een uitzondering gemaakt wordt voor dezulken „die geheel en al atheist en ten zeerste godslasterlijk zijn, het bestaan van God en diens voorzienig bestel over menschelijke zaken op de meest goddelooze wijze hardnekkig loochenen, de gemeene religie der Christelijke Kerk met hun afgrijselijke godslasteringen verderven en den vrede en de rust van den Staat uit louter kwaadwilligheid en ongeneeslijke boosaardigheid van gemoed verstoren en door geen ander geschikter of zachter middel of geneesmiddel kunnen bedwongen worden”. En bovenal was men het hier over eens, gelijk Maresius in zijn Uitlegging van de Geloofsbelijdenis het uitdrukt (p. 556) dat „al staat het in |22| sommige gevallen aan de Overheid vrij godslasterlijke verleiders te dooden, vooral indien zij niet alleen lastig voor de Kerk, maar ook gevaarlijk voor den Staat bevonden worden, dit toch liever aan de wijsheid en het geweten der Overheid moest overgelaten worden, dan dat de regeerders der Kerk hierop al te heftig bij de Overheid zouden aandringen”. De brandstapel van Servet te Genève en de onthoofding van Valtentinus Gentilis te Bern heeft in Nederland dan ook geen navolging gevonden.Volk en Overheid beide waren daartoe van „ketterdooden” te afkeerig.

Maar al wordt dit gaarne toegestemd, tweeërlei mag hierbij toch niet uit het oog worden verloren. Vooreerst, dat al keurden deze theologen de toepassing der doodstraf niet wenschelijk, zij toch het recht der Overheid om zulke ketters ter dood te brengen wel degelijk hebben verdedigd en dit nog in het midden der 18e eeuw zelfs door zoo uitnemende theologen als à Marck in zijn Compendium Theologiae Christianae (ed. 1722 p. 687) en door B. de Moor in zijn Commentarius perpetuus op à Marck’s Dogmatiek (ed. 1761 t. VI. p. 493 en v. v.) is geschied. En ten tweede, dat men wel het dooden der ketters afkeurde, maar geenszins het straffen en het wel degelijk den plicht der Overheid rekende om zij het dan ook door zachtere straffen, zooals geldboete, gevangenisstraf, ballingschap of eeuwigdurige opsluiting de verspreiding der ketterij tegen te gaan. Walaeus, die in zijn Censure ofte Oordeel over de Belijdenisse der Remonstranten wel het meest beslist zich tegen de toepassing der doodstraf verklaard heeft, laat hier toch onmiddellijk op volgen: „Maer evenwel en houden wij ’t daervoor niet, datmen daerom den toom moet loslaten aen alle invoerders van nieuwicheden. Wij weten dat het ampt der Overheyt is de hartneckige verleyders ende verstoorders der kercke oock met straffen te bedwingen” (p. 55).

Wat ten slotte het vraagstuk van de tolerantie betreft of het dulden door de Overheid van andere kerken en secten, die afweken van de publieke Religie, meenen uwe deputaten te kunnen volstaan met hier kort saamgevat het gevoelen van Voetius weer te geven, wiens autoriteit op het gebied van het kerkrecht onbestreden is.

Voetius maakt onderscheid tusschen de libertas conscientiae, de vrijheid van het geweten en de libertas exercitii of de vrijheid van godsdienstoefening. Onder de libertas conscientiae verstaat hij niet alleen de vrijheid voor ieder om voor zichzelf te mogen gelooven wat men wil, zonder dat hiernaar een inquisitoriaal onderzoek mag worden ingesteld, of dat de Overheid iemand hierom straffen mag, of hem tot een ander geloof mag dwingen, maar ook het recht om die geloofsovertuiging |23| mee te deelen aan zijn huisgenooten, in den familiekring godsdienstoefeningen te houden en zelfs, wanneer de gelegenheid dit medebrengt, deze overtuiging ook buitensdeurs te belijden en te verdedigen, ja zelfs om openbare godsdienstoefeningen en samenkomsten van deze religie buiten ’s lands bij te wonen 23). De libertas exercitii of de vrijheid van godsdienstoefening daarentegen bestaat daarin, dat men niet alleen in het privaat zijn religie mag belijden, maar ook in het openbaar en gemeenschappelijk door het houden van kerkelijke samenkomsten, door vergaderingen van correspondentie en synodes en door publieke geschriften. De vraag nu in hoeverre de Overheid zulk een vrijheid van geloofsovertuiging of van openbare godsdienstoefening behoort toe te staan, wordt door hem op de volgende wijze beantwoord:

1. Iedere Overheid is in haar conscientie gehouden volgens het bevel Gods de ware religie en de ware kerk niet alleen toe te laten, d.i. niet te verhinderen, maar veel meer te bevorderen, te steunen, te beschermen en naar vermogen te eeren.

2. Het staat niemand in de vierschaar van het geweten vrij een valsche religie (d.i. een afgodische, kettersche of geheel van het geloof vervallene) voor te staan en voor haar vrijheid van belijdenis en oefening aan de Overheid te vragen, of zonder weten en tegen den wil der Overheid zich deze vrijheid toe te eigenen en aan te matigen.

3. Indien er echter zijn die dit doen, dan staat het toch de Overheid als Dienaresse Gods niet vrij, de vrijheid van godsdienstoefening hetzij in het openbaar, hetzij zoo dat het half in het openbaar, half in het privaat geschiedt, hetzij op eenige andere wijze of mate toe te staan, indien zij de bevoegdheid en de macht bezit om dit te beletten.

4. Het is niet absoluut en zonder meer ongeoorloofd voor de Overheid om aan diegenen harer onderdanen, die alleen maar van de ware Kerk zich hebben afgescheiden (schismatici) of die zelfs dwalen — mits deze dwaling betrekking heeft alleen op de kerkelijke macht of de plechtigheden en ceremoniën of des noods op een of meer geloofsartikelen, wanneer deze maar niet den grondslag van het geloof raken — een mindere of meerdere, beperktere of ruimere vrijheid van godsdienstoefening toe te staan, zelfs al heeft zij de bevoegdheid en de macht om dit te verhinderen.

5. Veel minder mag er nog aan getwijfeld worden, dat het geoorloofd is aan dezulken de vrijheid van het geweten, afgescheiden van de vrijheid van godsdienstoefening, toe te staan. |24|

6. Deze vrijheid van het geweten mag de Overheid in gevallen van noodzakelijkheid (bijv. wanneer de grondwet dit eischt of een verdrag er toe bindt) ook toekennen aan degenen, die in fundamenteele geloofsartikelen dwalen; maar buiten die gevallen van noodzakelijkheid kan zulk een vrijheid, wanneer daaronder begrepen wordt het recht om hun dwalingen te belijden, mee te deelen en te verdedigen, hun niet evenzeer worden veroorloofd, vooral niet aan die verleiders, die anderen het gif van hun atheisme, leeringen aan Epicurus of Lucianus ontleend, geestdrijverij en libertinisme listiglijk indruppelen of hen daarmee besmetten. Het is beter dezulken uit te zuiveren en uit den Staat te bannen, opdat de onderdanen niet aan het gevaar van besmetting worden blootgesteld en Gods toorn worde afgewend.

7. Intusschen mag aan de conscienties geen geweld worden aangedaan en nog veel minder een inquisitoriaal onderzoek naar de gewetens worden ingesteld, om de menschen door uitwendig geweld te dwingen te gelooven, of aangaande de religie te gevoelen, wat zij weigeren te gelooven, of waarvan zij niet overtuigd willen worden, ja wat zij verklaren niet te kunnen gelooven.

8. Zoowel de verleiders als de verleiden kunnen met gepaste strafmiddelen gedwongen worden binnen de perken der orde te blijven, opdat zij n.l. niet vrijelijk de ketterijen belijden en verspreiden; maar zij behooren niet wegens hun kettersche gevoelens met de doodstraf gestraft te worden. 24)

Het standpunt, dat Voetius hier inneemt, kan zeker een milde toepassing heeten van hetgeen in Art. XXXVI beleden wordt. Waartoe het in de praktijk lijdt, kan wel het beste daaruit blijken, dat volgens Voetius de vrijheid van godsdienstoefening aan de Mennonieten en Remonstranten alleen dan te vergunnen is, wanneer vaststaat dat zij geen Sociniaansche ketterijen aanhangen; dat die vrijheid geheel en al door hem ontzegd wordt aan de Roomschen en dat hij oordeelt, dat in geval de doodstraf moet toegepast worden, hiervoor zeker in de eerste plaats in aanmerking komt de pas in Engeland ontstane secte der Kwakers. 25)


*

Het onderzoek, dat uwe deputaten hadden in te stellen, naar den zin en beteekenis van de gewraakte zinsnede van Art. XXXVI is hiermede afgeloopen. |25|

Zoowel uit de duidelijke bewoordingen van het Artikel zelf als uit de verklaringen en de praktijk onzer Nederlandsche kerken, de onderlinge overeenstemming van de belijdenisschriften onzer overige gereformeerde kerken en het eenparig gevoelen onzer gereformeerde theologen meenen uwe deputaten te mogen afleiden, dat met de woorden: „het ambt der Overheid is de afgoderij en den valschen godsdienst uit te roeien en het rijk van den Antichrist te gronde te werpen”, bedoeld is dat het roeping en plicht is der Overheid als zoodanig om zonder aan de consciëntien geweld aan te doen of in het verborgen leven in te dringen, op het publieke terrein des levens, dat onder haar hoede staat, met al de haar ten dienste staande middelen (zooals wettelijke bepalingen, verbod van openbare godsdienstoefeningen, straffen tegen weerstrevenden en ketters) al die secten, kerken of personen, die zich volgens haar oordeel schuldig maken aan afgoderij, vervalsching van den dienst Gods of medewerking aan het rijk van den Antichrist, tegen te staan en te onderdrukken.


*

Na aldus de beteekenis van de woorden te hebben vastgesteld, hebben uwe deputaten ten tweede u van advies te dienen over de vraag, of het gravamen der bezwaarde broederen juist is, dat dit stuk onzer belijdenis „niet conform den Woorde Gods is, maar daarmede strijdt”.

Uwe deputaten oordeelen, dat het niet noodig is u een breede uitlegging te geven van de Schriftuurplaatsen, die over en weer in dit geding zijn aangehaald. Door een der broeders, die het gravamen onderteekend hebben, is dit reeds geschied (zie de Heraut Jaargang 1883 Nr 309-313) en uwe deputaten meenen u daarheen te mogen verwijzen. Onze vaderen waren gewoon voor dit dogma een beroep te doen op hetgeen God de Heere in Lev. 24 : 15 en 16 aangaande Godslastering, Deut. 13 : 1-6 en 18 : 20 aangaande de valsche profeten, en Deut. 13 : 6-18 en Deut. 17 : 2-7 aangaande den Israëliet, die anderen verleidde of zelf afviel tot afgoderij, bevolen had. Deze plaatsen raken echter de quaestie niet, waarom het hier gaat, daar in de genoemde teksten geen sprake is van een valschen eeredienst of een kerk, die er afgodische gebruiken op na houdt, maar van godslastering, valsche profetie en afval tot het heidendom. Evenmin geldt hier het voorbeeld, waar onze vaderen op wezen, van Pinehas, Elia en Elisa, die met geweld de afgoderij hebben tegengegaan, omdat deze personen geen overheidsambt bekleed hebben |26| en uit hun handelingen derhalve geen regel voor de Overheid kan worden afgeleid. Van meer belang is zeker hetgeen ons in de boeken der Koningen en Kronieken gemeld wordt omtrent godvruchtige koningen als Asa, Jehu, Hiskia, Josia e.a., die de hoogten hebben weggenomen, de afgoderij hebben uitgeroeid, de Baäls-priesters hebben gedood cff. 1 Kon. 15 : 12 en v.v. II Kon. 10 : 18 en v.v. 18 : 4; 23 : 1 en v.v. II Kron. 31: 1; 34 : 33, omdat hieruit blijkt, dat onder de Oude Bedeeling dit uitroeien van de afgoderij en valschen godsdienst door de Overheid een Gode welgevallig werk was en dit toen metterdaad tot de roeping der Overheid behoorde.

Intusschen kan de theocratische rechtsbedeeling en wetgeving van Israël, niet zonder meer voor de Christelijke Overheid in onze dagen ten regel worden gesteld, omdat daardoor de grens zou worden uitgewischt, die Oud en Nieuw Verbond scheidt. Bij Israel was volk en kerk één, had God als Israel’s Koning de wetten gegeven, droeg het koningschap evenals de eeredienst, een typisch karakter, viel de kerkelijke met de burgerlijke straf saam. Dat alles is onder de Nieuwe Bedeeling anders geworden; de kerk is zelfstandig komen te staan naast den staat; de geestelijke tucht is onderscheiden geworden van de burgerlijke straf; het typische koningschap is in Christus’ geestelijk Koningschap vervuld; de wetgeving is aan de aardsche overheid opgedragen. Israel’s wetten op ons staatsleven toe te passen is daarom in strijd met de bedoeling Gods. Waar nog bij komt, dat zelfs zij, die het sterkst dit gevoelen drijven, toch de volle toepassing van hun eigen beginsel nooit hebben aangedurfd. Als God aan Israel beveelt, dat de sabbathschender zal gesteenigd worden (Num. 15 : 32-36) en dat de ziel, die het Pascha niet houdt, uit hare volkeren zal worden uitgeroeid (Exod. 12 : 19), dan heeft niemand gewaagd daaruit af te leiden, dat de Christelijk Overheid ook nu sabbatschennis of moedwillig verzuim van het Avondmaal met den dood zou moeten straffen. 26)

Uwe deputaten ontkennen daarom niet, dat in de zoogenaamde burgerlijke wetgeving van Israel beginselen liggen opgesloten, die |27| voor alle tijden en voor alle volkeren gelden. Ze scheiden niet in sociniaanschen zin tusschen Oud en Nieuw Testament, alsof voor den Christen en de Christelijke Overheid het Oude Testament geen beteekenis meer zou hebben. Maar ze gelooven, dat deze eeuwige beginselen niet te vinden zijn eenvoudig door zich te beroepen op een wet of voorbeeld uit Israels geschiedenis, wanneer daarbij geen rekening wordt gehouden met het principieele onderscheid, dat Israel’s theocratie van de Nieuw-Testamentische bedeeling scheidt.

De moeilijkheid schuilt toch hierin, dat God de Heere voor deze Nieuw-Testamentische bedeeling geen klaar en uitgedrukt bevel heeft gegeven, hoe de Christelijke Overheid tegenover ketterij, valschen godsdienst en het rijk van den Antichrist heeft op te treden. Elke poging toch om hiervoor een regel af te leiden hetzij uit de Oud-Testamentische profetie, zooals Ps. 2 : 10-12 en Jes. 49 : 23; hetzij uit de straffen, die de Apostelen hebben uitgeoefend tegen Ananias en Saffira en tegen Elymas den toovenaar; hetzij uit de algemeene roeping der Overheid Rom. 13 : 2 en 1 Tim. 2 : 1, 2 — de plaatsen waarop Calvijn zich beroept — brengt hier geen stap verder, omdat in al deze teksten met geen woord sprake is van het uitroeien van afgoderijen of het vervolgen van ketters. Uit Ps. 2 en Jes. 49 kan alleen worden afgeleid, dat de Overheidspersonen zich voor Christus hebben te buigen en Zijne Kerk hebben te beschermen, maar niet dat de Overheid als zoodanig geroepen is met het zwaard de vijanden van Christus en Zijne Kerk te verdelgen. De schrikkelijke straffen door de Apostelen op Ananias, Saffira en Elymas toegepast, zijn wonderen van God geweest en kunnen evenmin voor de Overheid tot regel worden gerekend als de ondergang van Pharao en zijn heir in de Roode Zee. En de uitspraak van Paulus, dat de Overheid als Dienaresse Gods het zwaard draagt tot straf dengene, die kwaad doet, geldt niet alleen voor de Christelijke Overheid maar voor de Overheid in het algemeen en zegt hier even weinig als de vermaning van den Apostel, dat de gemeente bidden zal „voor koningen en allen die in hoogheid gezeten zijn, opdat wij een gerust en stil leven mogen lijden in alle godzaligheid en eerbaarheid”, want blijkbaar wordt hiermede niets anders bedoeld dan dat de Overheid de Christenen niet vervolge, maar hen bescherme, opdat zij rustig en stil kunnen leven. Nu mag uit dit zwijgen van het Nieuwe Testament zeker niet te veel worden afgeleid, want de Christelijke Kerk stond bij haar optreden tegenover een heidensche overheid en directe aanleiding bestond er dus niet voor de apostelen om zich |28| over deze vraag uit te laten. Maar wel blijkt hieruit, dat met een beroep op een rechtstreeksch bevel van God in het Nieuwe Testament deze quaestie niet is op te lossen.

Naar de overtuiging uwer deputaten kan die oplossing dan ook alleen gevonden worden door acht te geven op de beginselen, die Gods Woord ons in het Nieuwe Testament kennen doet aangaande den aard van Christus Koninkrijk. Juist daarin ligt de tegenstelling met het Oude Testament, dat dit koninkrijk niet aardsch maar geestelijk is, niet komt met uitwendige gedaante, maar binnen in u is. Christus zelf heeft tot Pilatus gezegd: „Mijn koninkrijk isn iet van deze wereld. Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn koninkrijk niet van hier”. (Joh. 18 : 36.) Toen Petrus het zwaard wilde trekken om hem te verdedigen, sprak Christus: „Keer uw zwaard weder in zijne plaats: want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan”. (Matth. 26 : 52.) En toen de discipelen vuur uit den hemel wilden laten nederdalen om de Samaritanen te verdelgen, die Christus niet wilden ontvangen, bestrafte hij hen en sprak: „Gij weet niet, van hoedanigen geest gij zijt”. (Lucas 9 : 55.) Alle poging om zijn rijk door uitwendig geweld uit te breiden of te verdedigen heeft Christus derhalve tegengestaan en afgekeurd, omdat dit met den aard van zijn Koninkrijk in strijd was. En dat dit niet alleen gold tijdens zijn omwandeling op aarde, toen Hij nog in den staat der vernedering was, maar de blijvende grondwet zou zijn voor zijn Koninkrijk, heeft Hij uitdrukkelijk geleerd in de gelijkenis van het onkruid op den akker. Want als de dienaars van den heer van den akker vragen: wilt gij dat wij heengaan en het onkruid vergaderen, geeft de heer ten antwoord: „Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met ditzelve de tarwe niet uittrekt. Laat ze beide te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid, en bindt het in busselen, om het te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijne schuur” (Matth. 13 : 29-31). Over de bedoeling van dit woord kan geen twijfel bestaan, want Christus zelf heeft hiervan de verklaring gegeven in Matth. 13 : 36-43.

Zoo hebben het ook de Apostelen verstaan, toen zij na Christus hemelvaart zijn uitgedaan in de wereld om Christus kerk te stichten. Zij hebben dat gedaan gelijk de Apostel Paulus uitdrukkelijk zegt niet „met vleeschelijke wapenen” (II Cor. 10 : 4) maar door het |29| zwaard des Geestes, dat is Gods Woord (Eph. 6 : 17). Zij hebben den stiijd gevoerd, „niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht” en dat alleen met de geestelijke wapenrusting, die God hun geschonken had (Ef. 6 : 12 en v.v.). Hun eenige kracht lag in het Evangelie, dat zij predikten, want dat „Evangelie is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft” (Rom. 1 : 16). Zoo hebben ze de Kerk gesticht, de ketterijen uitgebannen, de wereld overwonnen. Dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof (1 Joh. 5 : 4). En zoo is de profetie vervuld, dat „niet door kracht noch door geweld, maar door Gods Geest” de geestelijke tempel van Christus gemeente zou worden gebouwd. (Zach. 4 : 6).

Indien dit de ordinantie Gods is voor Zijn Kerk, dan mag de Overheid deze ordinantie niet weerstaan. Zij mag niet wijzer willen zijn dan God, die alleen door de prediking Zijns Woords Zijn Kerk wil uitbreiden en in stand houden. Ze is Dienaresse Gods en daarom heeft ze Zijn bevel te eerbiedigen. Ze mag de Kerk niet met het materieele zwaard beschermen tegen ketters, want Christus heeft aan Zijn Kerk het geestelijke zwaard geschonken, om dit te doen. Ze mag de afgoderij en den valschen godsdienst niet uitroeien en het rijk van den Antichrist te gronde werpen, want Christus heeft gewild, dat boozen en goeden te zamen zouden opwassen, totdat Hij zelf in den dag des oogstes scheiding maken zal.

Hierbij komt in de tweede plaats, dat God nergens in Zijn Woord beloofd heeft, dat Hij aan de Overheid een bijzondere leiding Zijns Geestes schenken zou om onderscheid te kunnen maken tusschen de zuivereen de valsche Kerk, tusschen het ware geloof en de ketterij. Onder de Oud-Testamentische bedeeling kon de Overheid bij elk voorkomend geval door Urim en Thummim of door de profetie Gods wil vernemen, maar deze bijzondere openbaring Gods viel onder het Nieuwe Testament weg. Consequent is dan ook hier alleen de Roomsche Kerk, die aan den Paus een onfeilbaar gezag toekent en aan zijn uitspraak de Overheid bindt. Maar voor ons Protestanten, die zulk een onfeilbaar gezag der Kerk loochenen en gelooven, dat de Overheid zelfstandig en naar den eisch van haar eigen geweten heeft te handelen, ontbreekt elke waarborg, dat de Overheid in haar keuze en beslissing niet mistasten zal. Gelijk de historie dan ook leert, dat de Overheid telkens juist de ware Kerk vervolgd en de valsche Kerk heeft beschermd. |30|

En eindelijk, de ervaring leert evenzoo, dat door vervolging of onderdrukking van Overheidswege de ketterij en de afgoderij niet uitgeroeid wordt, maar veeleer toeneemt in kracht. Ook hier geldt dat „het bloed der martelaren het zaad is der Kerk”. In het aangrijpend schrijven, waarmede onze Nederlandsche vluchtelingen te Londen de Overheid baden de doodstraf niet toe te passen op de Nederlandsche Wederdoopers, hebben zij zelf dit uitgesproken: „de eruarentheit onser tyden leert ons dat so verre ist van daer dat het ghemeene volck deur sodaneghen ommebrynghen beweegt wert, om de verderflike leerynghen te schuwen, dat sy ter contrarien daer deur vele meer opgewect werden om der ketteren opinien te gaen ondersoecken, dewyle sy de hertneckighe volherdinghe der ketteren voor een stantvasticheit der warer martelaren Christi beduyden, insulckerwys dat sy de ghene, die sy int leven niet vele en achten, beghinnen in groote verwonderinghe te hebben, nadien sy so voor haer gelooue gestoruen zyn” 27).

Ook Maresius, die in zijn Uitlegging van onze geloolsbelijdenis op dit zelfde gevaar wijst, voegt er daarom aan toe: „dat de ketters met geen andere steenen moeten gesteenigd worden dan die opgegraven zijn uit de steengroeve van Gods Woord, dat zij met geen ander zwaard moeten gedood worden dan met het zwaard des Evangelies en dat het beter is hen zacht tot de kennis der waarheid te leiden dan hen met wreedheid te dooden”. (p. 556)

Het is om deze redenen dat uwe deputaten niet anders oordeelen kunnen dan dat het ingediende gravamen juist is en dat de bedoelde woorden van onze geloofsbelijdenis niet in overeenstemming zijn met wat Gods woord ons leert.


*

Zij hebben te meer vrijmoedigheid om tot deze conclusie te komen, omdat — en daarop wijzen zij u in de derde plaats — de taak, die hier aan de Overheid wordt opgedragen, hun ook toeschijnt in strijd te zijn met de beginselen, die door onze Reformatoren zelf, met name door Calvijn, zijn beleden.

Bij het onderzoek naar deze beginselen, dient in de eerste plaats er op gewezen dat de aanklacht van onverdraagzaamheid en vervolgingszucht, meest met beroep op Servet’s brandstapel, tegen het Calvinisme ingebracht, voor de rechtbank der historie kwalijk kan worden gehandhaafd. Ook al willen uwe deputaten geen oogenblik vergoelijken |31| wat naar hun overtuiging een der donkerste bladzijden van het Calvinisme is, de rechtvaardigheid gebiedt toch te erkennen, dat het hier minder een persoonlijke dwaling van Calvijn dan een „dwaling van zijn eeuw” gold. Niet aan Calvijn, maar aan Augustinus is het te wijten, dat eeuwen lang als dogma heeft gegolden, dat de Overheid geroepen was de afgoderij en de ketters uit te roeien. Het compelle intrare, dwing ze om in te gaan, is van hem af komstig.

Reeds dit feit nu maakt dat hier moeilijk van een specifiek Gereformeerd beginsel kan gesproken worden. Het was de algemeene geloofsovertuiging van die dagen, een erfdeel dat het Calvinisme uit de historie medebracht. Want wel hebben onze Vaderen zich voor dit dogma steeds beroepen op de Schrift en mag aan hun goede trouw niet getwijfeld worden, maar tweeërlei dient hier toch in het oog te worden gehouden. Vooreerst dat onze vaderen in hoofdzaak zich beriepen op bewijsplaatsen uit het Oude Testament en, gelijk vroeger is aangetoond, daarbij door hen niet voldoende acht is geslagen op het onderscheid tusschen de Oude en Nieuwe Bedeeling. En ten tweede dat de onderscheiding, die zij maakten tusschen de ketterij in bijkomstige en fundamenteele geloofsartikelen, hun eisch, dat de Overheid de libertas exercitii, de vrijheid van godsdienstoefening, aan de ketters zou verbieden, de door hen geëischte straf van ballingschap voor de erge ketters, evenals de taak, die zij aan de Overheid opdroegen om de Synoden der Kerk bijeen te roepen en daar een zeker toezicht uit te oefenen, niet ontleend is aan de Schrift, die van dit alles niet weet, maar aan het corpus juris civilis, aan den codex van Justinianus. Het is het oude recht van Byzantium’s keizers, ontstaan in een tijd, toen de Christelijke Kerk reeds van de Evangelische waarheid begonnen was af te wijken, een recht, dat in de 15e eeuw door de juristen opnieuw ingevoerd, in de 16e eeuw in alle beschaafde landen van Europa als geldend recht werd beschouwd, dat de bron ook van hun rechtsbeschouwing is geweest, gelijk zij dan ook zelf telkens op dit recht zich hebben beroepen.

Voorts mag hierbij niet vergeten worden, dat de strijd, dien het Protestantisme in de 16e eeuw tegen de Roomsche Kerk en de Anabaptisten te voeren had, niet alleen een religieus maar ook een politiek karakter droeg. De Anabaptisten waren nog niet de rustige Mennonieten van later tijd, maar de revolutionnaire groep, die alle overheidsgezag verwierp, door naaktlooperij en gemeenschap van vrouwen de zeden aantastte en dus voor den Staat zelf een ernstig gevaar opleverde. En evenzoo was dit het geval met de Roomsche |32| kerk. Waar met name in ons vaderland de strijd ging tegen een vorst, die met vreemde troepen ons land wilde heroveren met het uitgesproken doel om het Protestantisme uit te roeien en de Roomsche Kerk in eere te herstellen, daar kon de Overheid in de Roomschen bezwaarlijk anders zien dan heimelijke bondgenooten van ’s lands vijand en moest zij hen daarom wel van alle Staatsbetrekkingen uitsluiten, wilde zij de vrijheid van land en volk niet op het spel zetten.

Terwijl eindelijk tot hunne verontschuldiging dient opgemerkt, dat onze vaderen, al hielden zij in hun confessie staande, dat de Overheid de ketters moest straffen en de afgoderij had uit te roeien, daarom toch nooit de wreedheid van de Roomsche inquisitie hebben goedgekeurd of toegepast. Terwijl de Roomsche Kerk alle ketters des doods schuldig verklaarde, wilden zij dat er onderscheid gemaakt zou worden tusschen dwalenden, verleiders en openbare godslasteraars; terwijl de Roomsche Kerk een inquisitioraal onderzoek instelde naar hetgeen iemand geloofde en door foltering en pijnbank hem tot bekennen dwong, wilden zij alleen straffen, wanneer iemand openlijk propaganda voor zijn kettersch gevoelen dreef; en terwijl de Roomsche Kerk met de wreedste straffen duizenden ter dood gemarteld heeft, vormt de brandstapel van Servet gelukkig een uitzondering.

Al moge dit alles tot verklaring en verontschuldiging strekken van het standpunt door onze vaderen ingenomen, uwe deputaten meenen toch, dat dit standpunt niet alleen ingaat tegen de Schrift maar ook in strijd is met een tweetal beginselen, die juist door het Calvinisme het eerst gepredikt of sterk op den voorgrond zijn gesteld en die dus zeer zeker als specifiek Gereformeerde beginselen mogen gelden.

Het eerste beginsel, waarop zij doelen is de libertas conscientiae, de vrijheid der conscientie. Niemand heeft beslister dan onze vaderen het uitgesproken, dat over de conscientie niemand macht heeft dan God alleen; dat noch de Overheid noch de Kerk de conscientie dwingen mag en dat daarom ieder vrij moet wezen om in zijn eigen conscientie te beslissen, hoe hij God dienen wil. „De Overheid,” zoo zegt de Synopsis p. 624, „mag niemand dwingen tot het geloof, dat zij zelve voor waar houdt. Want het geloof moet door overtuiging, niet door dwang komen; niets behoort zoo vrijwillig te zijn als de religie en de innerlijke dienst van God; en niets ligt minder op den weg eener Christelijke Overheid dan een averechtsche en verkeerde wreedheid, waardoor ze de menschen tot huichelaars maakt en hen dwingt om |33| met den mond te belijden, wat ze met bet hart niet gelooven.” Indien dit zoo is, dan mag de Overheid ook niemand straffen, omdat hij in zijn geloofsovertuiging dwaalt, want straf is dwang. Alle ketterstraf wordt hierdoor van zelf buiten gesloten. Maar evenmin mag de Overheid dan iemand beletten God ook uitwendig te dienen naar zijne overtuiging, zij het al dat de Overheid dezen dienst voor afgodisch of kettersch houdt. De onderscheiding, die onze Vaderen gewoonlijk maakten om aan deze consequentie te ontkomen tusschen de vrijheid van geloofsovertuiging (libertas conscientiae) en de vrijheid van godsdienstoefening (libertas exercitii) is, zooals zij daarbij de grenslijn trokken, metterdaad onhoudbaar. Want alle religie brengt uit haren aard mee, dat zij niet alleen is inwendige dienst van God (cultus internus) maar ook uitwendige dienst (cultus externus). Wie den eerste toestaat, kan den tweede niet weren.

En het tweede beginsel is, dat de Overheid en de Kerk twee zelfstandige machten zijn, die niet op elkanders gebied mogen ingrijpen. Het Calvinisme heeft zich even beslist gekeerd tegen de Roomsche opvatting, dat de Paus als stedehouder van Christus macht heeft over de Overheid, als tegen de Luthersche en Zwingliaansche opvatting, dat de Overheid, hetzij als zoodanig, hetzij als summus episcopus, te zeggen heeft over de Kerk. Calvijn zelf heeft met vaste hand de grenslijn tusschen beide getrokken, toen hij in zijn Institutie (IV. 20. 1) schreef, „dat er tweeërlei regeering is; de eerste die in de ziel of in den inwendigen menseh gelegen is en het eeuwige leven betreft, en de tweede die alleenlijk tot onderwijzing van de burgerlijke en uitwendige rechtvaardigheid behoort”. Scherp wordt door Calvijn de roeping van Staat en Kerk onderscheiden. „Want gelijk geen stad of geen dorp kan bestaan zonder magistraat of politie, alzoo heeft ook de kerke Gods zekere geestelijke politie en regeering van noode, dewelke nochtans ganschelijk onderscheiden is van de burgerlijke regeering (prorsus distincta)”. (IV. 11. 1). De Kerk mag daarom op het gebied der Overheid zich niet begeven; in alle Gereformeerde kerkenordeningen staat als grondregel, dat op de kerkelijke vergaderingen alleen kerkelijke zaken en geen politieke mogen verhandeld worden. En omgekeerd heeft de Overheid ook geen zeggenschap over de Kerk, omdat de Kerk alleen staat onder het koninklijk regiment van Christus in den hemel, alleen Zijn Woord haar rijkswet is en ze op haar heilige erve geen andere macht of wet dulden of erkennen mag. Wanneer Calvijn desniettegenstaande aan de Overheid de macht toekende om „de Religie |34| recht te stellen en te schikken” en het gevoelen veroordeelt van hen, die willen, dat „de Overheid zich alleen bemoeien zal met de gerichtshandelingen der menschen” (IV. 20. 2 en 3), dan is de inconsequentie van dit standpunt niet moeilijk in te zien en blijkbaar door Calvijn zelf ook wel gevoeld (IV. 20. 2). Ook de onderscheiding, gelijk onze Vaderen die later gemaakt hebben tusschen het jus circa sacra, dat aan de Overheid wèl toekwam, en het jus in sacra, dat aan de Overheid ontzegd werd, baatte evenmin als hun uitvlucht dat de ketters niet gestraft werden als ketters maar voor zoover en omdat hun ketterij de rust en den vrede van den Staat verstoorden 28). Want de praktijk heeft genoegzaam getoond, dat dit jus circa sacra, in dien breeden zin als dit door onze vaderen werd opgevat, de Kerk toch weer onder de macht der Overheid bracht en wanneer men ketterij of valschen godsdienst een staatsmisdaad noemt, dan geeft men daarmede van zelf aan de Overheid het recht over geloofszaken te beslissen. Wie gelijk Calvijn de roeping der Overheid principieel beperkt „tot de burgerlijke en uiterlijke rechtvaardigheid der zeden”, kan haar niet tot taak stellen om de religie te reformeeren of den valschen godsdienst uit te roeien.

Al moesten uwe deputaten zich tot een korte uiteenzetting van beide beginselen bepalen, ze meenen toch genoegzaam te hebben aangetoond, waarom naar hunne overtuiging de wettige consequentie van beide Gereformeerde beginselen medebrengt, dat de Overheid aan hare onderdanen vrijheid moet laten om naar hun overtuiging God te dienen en van alle inmenging in geloofszaken heeft af te zien.

Ook de historische ontwikkeling van het Calvinisme drukt hierop het zegel, want het is volkomen juist wat Prof. Müller in zijn Symbolik (p. 523) opmerkt: „Het Calvinisme heeft als erfenis den ijver voor kerkelijke zelfstandigheid nagelaten en juist daarom elke gedachte aan dwang in geloofszaken laten varen.” Het ligt buiten het bestek van een advies als uwe deputaten hebben te geven, om dit door een breed historisch betoog aan te toonen, maar de reeds vroeger meegedeelde citaten uit Gereformeerde theologen toonen, hoe men de gevallen, waarin de Overheid de ketters te straffen had, steeds meer heeft beperkt; van doodstraf allengs niets meer weten wilde; de geestelijke wapenen beter keurde dan het wereldlijke zwaard om de ketters te overwinnen, en allengs ook tot de overtuiging kwam, dat |35| de Overheid niet aan elke secte of kerk, die dwaalde, de libertas exercitii had te ontzeggen.

Ook de praktijk heeft feitelijk nooit in de Gereformeerde landen aan de strenge theorie beantwoord. Zoodra het staatkundig gevaar voorbij was, heeft de Overheid in ons land eerst oogluikend, straks min of meer met haar toestemming „de afgoderij van de Paapsche Mis” en, „den valschen godsdienst der Roomsche Kerk” evenals de godsdienstoefeningen der Remonstranten en Mennonieten geduld. Bij de overgave van Maastricht werd zelfs een officieel verdrag met de burgerij gesloten, waarin de publieke exercitie der Roomsche religie werd toegestaan 29). Mannen als Des Cartes en Spinoza, hoeveel gevaarlijker hun ketterijen ook waren dan die van Servet of Gentilis, liet de Overheid ongemoeid. Wie in Roomsche of Luthersche landen een al te vrijzinnig werk niet dorst uitgeven, wendde zich naar Holland en vond uitgevers bij de vleet. Een vrijheid als op het stuk van religie in Nederland heerschte, werd in geen ander land van Europa gevonden.

Nu ontkennen uwe deputaten niet, dat onze Gereformeerde vaderen zich over die toegeeflijkheid in de praktijk meermalen hebben beklaagd. Zelfs stemmen zij gaarne toe, dat waar het denkbeeld eener absolute religievrijheid reeds in hun dagen door verschillende secten als de Anabaptisten en de Remonstranten bepleit werd, ten deele op dezelfde gronden als ook thans daarvoor worden aangevoerd, gelijk bij Beza 30), Walaeus 31), Voetius 32) e.a. te zien is, zij daartegen principieel zich hebben gekant. Maar drieërlei mag hierbij niet worden vergeten. Vooreerst dat deze sekten zelf, gelijk onze Vaderen terecht opmerken, wanneer ze de macht in handen hadden, van tolerantie voor anderen niets wilden weten en op hun beurt de Gereformeerden nog veel feller hebben onderdrukt, gelijk het schrikbewind der Wederdoopers te Munster en de tyrannie der Remonstranten onder Oldenbarnevelt bewees 33). Ten tweede, dat zoowel bij de Libertijnschgezinde Overheid als bij deze secten hun ijveren voor de religie-vrijheid niet bij allen voortkwam uit eerbied voor de conscientie, maar, gelijk zij het zelf uitspraken, vaak voortsproot uit indifferentisme op religieus gebied, omdat zij meenden dat de Overheid |36| ieder op zijn manier moest laten zalig worden, want dat het verschil in confessie en kerkvorm er toch niet toe deed 34). Dat onze Vaderen met hand en tand zich tegen dat indifferentisme verzet hebben, was hun recht en hun plicht. Waarbij in de derde plaats komt, dat waar deze vrijheid ook gevraagd werd voor zulke sekten als de Davidjoristen en Anabaptisten, die aan allerlei onzedelijkheid en schennis der eerbaarheid zich schuldig maakten, onze vaderen terecht hebben opgemerkt, dat onder den dekmantel van de vrijheid der religie de Overheid zulk een schending van de zedewet niet toelaten mocht.

Uwe deputaten meenen dat hiermede de gestelde vraag beantwoord is.

In zooverre de thans algemeen geldende opvatting van de vrijheid der religie haar oorzaak vindt in de neutrale Staatsidee, in religieus indifferentisme, in de moderne wereldbeschouwing, dat de religie privaatzaak is en de Staat zich daarmede niet heeft in te laten, staat deze opvatting lijnrecht tegenover het Calvinisme en zouden ook uwe deputaten geen oogenblik aarzelen haar te verwerpen. Zulk een opvatting zou dan ook niet te rijmen zijn met het overige deel van Art. 36 der Belijdenis, waarin met zoovele woorden wordt uitgesproken, dat het tot het ambt der Overheid behoort „het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.”

Maar in zooverre deze opvatting te danken is aan de overtuiging, dat God alleen over de conscientie te gebieden heeft, dat elke dwang van Overheidswege op het stuk der religie daarom ongeoorloofd is, dat de Overheid juist uit eerbied voor de religie en uit liefde voor de kerk haar geestelijke autonomie niet mag aantasten, en dat zij aan de kracht van Gods Woord de uitroeiing van alle afgoderij en valschen godsdienst en het te gronde werpen van het Rijk van den Antichrist heeft over te laten, meenen uwe deputaten dat daarin slechts de consequente gevolgtrekking ligt van de beginselen, door de Reformatoren op grond van de Heilige Schrift beleden, ook al is dit door onze Vaderen ten gevolge van allerlei storende invloeden niet genoegzaam doorzien. |37|


*

Uwe deputaten worden in deze overtuiging nog temeer versterkt, omdat die Gereformeerde Kerken in het buitenland, voor wie de Confessie niet een dood kapitaal is geworden, maar nog een levende getuigenis van haar geloof is, schier zonder eenige uitzondering op dit punt hare Confessie hebben gewijzigd of nader verklaard.

Zij willen zich hiervoor niet zoozeer beroepen op het feit, dat in de nieuwe geloofsbelijdenissen door de Vrije Kerken in Frankrijk, Zwitserland en Italië opgesteld, — zooals met name in de Constituties van de Eglise Evangélique libre van Waadland van 1847, van de Eglise Evangélique van Genève van 1848, van de Eglise Evangélique van Neuchatel van 1874, van de Union des Eglises Evangéliques libres van Frankrijk van 1849 en van de Chiesa Evangelica Italiana van 1870 evenmin als in de Declaration de Foi, die de Synode van de Gereformeerde Kerk van Frankrijk in 1872 gaf, 35) van eenige roeping der Overheid om afgoderij of valsche godsdiensten uit te roeien sprake is. Wel blijkt niet alleen uit dit stilzwijgen, maar evenzeer uit het geheele standpunt, dat deze Kerken innemen tegenover den Staat, dat zij van geen dwang in religiezaken willen weten en met kracht voor de zelfstandigheid der Kerk opkomen, maar het Calvinistische beginsel is in deze Kerken toch te zwak bewaard gebleven, dan dat haar getuigenis hier gewicht in de schaal werpen mag. Het Calvinisme leeft en bloeit nog alleen, behalve in ons land, in Engeland, Schotland, Noord-Amerika en in Zuid-Afrika. Het is dus vooral op deze landen dat hier de aandacht moet gevestigd worden.

Nu kunnen uwe deputaten aangaande de Gereformeerde Kerken in Zuid-Afrika tot hun leedwezen u geen mededeelingen doen. Het is hun niet bekend, of het gravamen tegen Artikel XXXVI ook daar is opgekomen en door eenige Synode behandeld is.

Daarentegen kunnen zij u wel meedeelen, tot welke beslissingen een soortgelijk gravamen heeft geleid bij die Kerken, die in Engeland, Schotland en Amerika aan de Westminstersche Confessie onverzwakt vasthouden en uwe deputaten meenen, dat het van belang is u deze beslissingen eenigszins uitvoerig weer te geven, met het oog op de vraag hoe uwe Synode, indien zij het gravamen wettig keurt, te handelen heeft.

De eerste wijziging, die is aangebracht, is te danken aan de Congregationalisten, die behoudens enkele wijzigingen de Westminstersche Confessie overnamen in de Savoy Declaration van 1658; zoo hebben |38| zij o.a. de laatste sectie van Cap. XX, waar gehandeld wordt over het straffen der ketters door de Kerk en de Overheid, geheel weggelaten en Cap. XXIV: Over de Overheid, aldus gewijzigd: „Ofschoon de Magistraat verplicht is de belijders en de belijdenis van het Evangelie aan te moedigen, voort te helpen en te beschermen en burgerlijke verordeningen te regelen en in te stellen in behoorlijke ondergeschiktheid aan de belangen van Christus in de wereld, en tot dat einde zorg heeft te dragen, dat menschen, die verdorven zijn van gemoed en levenswandel, niet losbandig godslasteringen en dwalingen, die uit haar eigen natuur het geloof omverwerpen en onvermijdelijk de zielen verderven van hen, die ze aannemen, openbaar maken en verspreiden; maar wat die geschillen aangaat omtrent de leeringen van het Evangelie of de wijze van God te dienen, die voorkomen kunnen bij menschen, die een goede consciëntie betrachten, dit openbarende in hun levenswandel, en die vasthouden aan het fundament, daarbij anderen, die met hen verschillen, niet storen in hun wijze van God te dienen, zoo bestaat er onder het Evangelie geen last voor de Overheid om dezulken in hun vrijheid te besnoeien”. 36)

Ook de Presbyterian Church van Amerika heeft de Westminstersche Confessie in 1729 aangenomen, maar reeds toen verklaard, dat zij die gedeelten van de Confessie, die over de Overheid handelden, geenszins aannam „in zulk een zin, alsof zij veronderstelde dat de burgerlijke Overheid een dwingende macht had over de Synodes met betrekking tot de uitoefening van haar ambtelijk gezag of macht had om iemand te vervolgen wegens zijne religie.” 37) Op voorstel van de Synode van 1787 werd besloten, ten einde alle misverstand op dit punt te voorkomen, de Confessie te wijzigen en deze wijzigingen zijn goedgekeurd op de Generale Synode van 1789. Zij betreffen vooreerst Art. XX § 4, waarin sprake is van de straf over ketters; hier werden aan het slot alleen geschrapt de woorden: en door de macht van de burgerlijke Overheid. Ten tweede werd Art XX § 3 aldus veranderd: „De burgerlijke Overheid mag zich niet aanmatigen de bediening des Woords en der sacramenten of de macht der sleutelen van het Koninkrijk der hemelen of in het minst zich mengen in geloofszaken. Echter is het de plicht der burgerlijke Overheid als voedsterheeren de Kerk van onzen gemeenschappelijken Heere en Meester te beschermen, zonder de voorkeur te geven aan eenige bepaalde Kerk van christenen boven de andere, op zulk een wijze dat |39| alle kerkelijke ambtsdragers zonder uitzondering de volle, vrije en onbestreden vrijheid zullen genieten om elk deel van hun heiligen dienst te kunnen volbrengen zonder vrees voor geweldpleging of gevaar. En daar Jezus Christus een geregelde regeering en tuchtoefening in zijn Kerk heeft ingesteld, zoo behoort geen wet van eenigen Staat tusschenbeide te komen en te beletten of te verhinderen, dat deze regeering en tucht behoorlijk geoefend worden onder de vrijwillig toegetreden leden van welke Kerk ook volgens hun eigen belijdenis en geloof. Het is de plicht van de burgerlijke Overheid om den persoon en den goeden naam van al hare onderdanen te beschermen op zulk een afdoende manier, dat het niemand worde toegestaan, hetzij onder voorwendsel van religie of van ongeloof, iemand anders, wie het ook zijn moge, eenige beschimping, geweld, smaad of schade aan te doen; en zij heeft maatregelen te nemen, opdat alle godsdienstige en kerkelijke vergaderingen kunnen gehouden worden zonder overlast of stoornis”. De derde wijziging in Cap. XXXI § 1 aangebracht kan hier voorbij worden gegaan, omdat zij alleen betreft de vrijheid van de Kerk om Synodes te houden zonder vergunning van de Overheid. Maar wel is van belang, dat de Synode in den Westminsterschen Catechismus bij de zonden tegen het 2e gebod in vraag 109 schrapte de woorden: het dulden of toelaten van een valsche religie. 38)

Ook de kleinere Presbyteriaansche Kerken, gesticht door Schotten die zich in Amerika hebben gevestigd, hebben ten deele wijzigingen in de Confessie aangebracht met het oog op de verhouding tusschen de Overheid en de Kerk. De Associate Reformed Church, deed dit reeds in 1799. De wijzigingen bestaan hierin: vooreerst dat de laatste woorden van Art. XX § 4: het straffen van de ketters door de Overheid, aldus worden gelezen: „en naar mate hun verkeerde leeringen of practijken, hetzij uit haar eigen natuur, hetzij door de wijze waarop ze verspreid ol verdedigd worden, verderfelijk zijn voor de uitwendige rust van de Kerk en van de burgerlijke maatschappij, mag ook tegen hen opgetreden worden met de macht van de burgerlijke Overheid”. Ten tweede is de volgende wijziging in Art. XXIII : 3 aangebracht: „De burgerlijke Overheid mag zich niet aanmatigen de bediening des woords en der sacramenten of de macht der sleutelen van het Koninkrijk der Hemelen. Evenwel, daar de openbaring van het evangelie noodzakelijke verplichtingen oplegt aan alle classen van menschen, die |40| daarmee bevoorrecht zijn geworden, zijn de overheidspersonen gehouden hun respectieve plichten uit te voeren in onderwerping aan het Evangelie, hun regiment uitoefenende naar Christelijke beginselen en regeerende in de vreeze des Heeren, volgens de aanwijzingen van Gods Woord, als dezulken, die eens rekenschap zullen geven aan den Heere Jezus wien God gesteld heeft tot een rechter der wereld. Vandaar dat de Overheid als zoodanig in een Christelijk land verplicht is de Christelijke religie, als het kostbaarste belang van hare onderdanen, voor te staan met al die middelen, die niet in strijd zijn met burgerlijke rechten en niet ten gevolge hebben eenige inmenging in de regeering van de Kerk, welke het vrije en onafhankelijke koninkrijk is van den Verlosser, of aanmatiging van eenige macht over de conscientie.” Ten derde werd in vr. 109 van den Catechismus het verbod van „dulden van een valsche religie” niet geschrapt, maar veranderd in het verbod om „een valsche religie goed te keuren (authorizing) 39)”.

In 1858 smolt deze Associate Reformed Church saam met de Associate Church zonder meer onder den naam van de United Presbyterian Church. Bij deze saamsmelting werden opnieuw enkele veranderingen in de Confessie aangebracht. Het slot van Art. XX § 4 werd nu aldus gelezen: „En daar de burgerlijke Overheid Gods dienaresse is om goed te doen aan de vromen en een wreekster, om degenen die kwaad doen te straffen, is zij derhalve verplicht personen en gezelschap en te onderdrukken, wat ook hun openlijk uitgesproken doel moge zijn, hetzij politiek hetzij religieus, wier beginselen en practijken openlijk gepropagandeerd en verdedigd, er op berekend zijn de grondslagen van een welgeordende maatschappij omver te werpen.” Art. XXIII § 3 werd niet onbelangrijk uitgebreid naar het model der Confessie van de Presbyterian Church. Na de woorden: noch de sleutelen van het koninkrijk der hemelen, volgt hier: „ook zullen zij geenszins zich inlaten met de regeling van geloofszaken of eeredienst. Als voedsterheeren zijn de Overheidspersonen verplicht hun ambt te bedienen naar de geopenbaarde beginselen van het Christendom en gebruik te maken van de gelegenheid, die hun hooge plaats en uitgestrekte invloed hun schenkt, om de Christelijke religie, zooals hun eigen hoogste belang en het welzijn van het volk dit eischt, met al de middelen te bevorderen, die niet gepaard gaan met eenige inbreuk op de rechten, die de Kerk toekomen, of met eenige aanmatiging van gezag over de conscientie der menschen. Zij behooren niemand te straffen, |41| omdat hij een ketter is of scheurmaker. Hun komt geen gezaghebbend oordeel toe over geloofszaken, daar hun gezag zich alleen uitstrekt tot de uitwendige werken of daden van hare onderdanen in de kwaliteit van burgers en niet van Christenen. Het is hun plicht de Kerk te beschermen op zulk een wijze, dat alle kerkelijke ambtsdragers de vrije, volle en onbestreden vrijheid zullen hebben om elk deel van hun heiligen dienst zonder vrees voor geweldpleging of gevaar te verrichten. Zij mogen geen wet vaststellen, die op eenige wijze inbreuk zou maken op of verhinderen zou de behoorlijke uitoefening van de regeering en tuchtoefening door Jezus Christus in Zijn Kerk ingesteld. Het is evenzoo hun plicht den persoon, goeden naam, staat, natuurlijke en burgerlijke rechten van al hunne onderdanen op zulk een wijze te beschermen, dat het niemand worde toegestaan onder welk voorwendsel ook die te schenden; en zij heeft zorg te dragen, dat alle godsdienstige en kerkelijke vergaderingen gehouden kunnen worden zonder overlast en stoornis. Daar God alleen Heer en Meester is over het geweten, mag de Overheid niemand, die onder haar burgerlijk gezag staat, dwingen God te dienen op een wijze, die strijdt met het voorschrift van zijn eigen geweten; maar wel is de Overheid bevoegd zulke leeringen te beteugelen en zulke praktijken te straffen, die er toe leiden de grondslagen van de burgerlijke maatschappij omver te werpen en de gemeenschappelijke rechten van de menschen te verkrachten.” 40)

De vroegere Associate Church, die ten deele nog voortbestaat, meende daarentegen het recht niet te hebben de Westminstersche Confessie te wijzigen, omdat „het onbetamelijk is, gelijk zij zeide, dat eene kerk de geloofsbelijdenis van een andere kerk wijzigt, daarin veeleer haar eigen gevoelen uitdrukkende dan dat van hen, die haar vervaardigd hebben”. Duisterheden of dwalingen in de Confessie konden derhalve alleen verholpen worden door een „nadere verklaring” of Testimony. In 1784 werd reeds zulk een Testimony gegeven, waarbij als de overtuiging der kerk werd uitgesproken, dat „de overheid als zoodanig niet over de kerk heerschen mag, dat zij aan de belijdenis van de h.i. ware religie geen voorrechten mag schenken, die anderen konden verhinderen in hun natuurlijke rechten; dat haar geheele taak als overheid betrekking heeft op de menschen niet in hun kwaliteit van Christenen maar van leden der burgerlijke maatschappij41). |42|

Alleen de Reformed Presbyterian Church houdt letterlijk aan de Confessie vast en verbiedt zelfs aan hare leden eenig ambt in den Staat aan te nemen, omdat de grondbeginselen van de Confessie niet in de Amerikaansche Constitutie staan 42).

Voordat uwe deputaten Amerika verlaten, merken zij nog op, dat ook de Amerikaansche Episcopaalsche Kerk, die de „39 geloofsartikelen van de kerk van Engeland” overnam, Art. XXXVII, handelende over de burgerlijke overheid, aldus wijzigde: „De macht van de Overheid strekt zich uit over alle menschen zoowel geestelijken als leeken, in alle dingen, die het tijdelijke leven aangaan, maar zij heeft geen macht over die dingen die zuiver geestelijk zijn. En wij gelooven dat het de plicht is van alle menschen, die belijders zijn van het Evangelie, om eerbiedige gehoorzaamheid te bewijzen aan de burgerlijke Overheid, wanneer deze regelmatig en wettig is aangesteld43).

Heeft men in Amerika dus algemeen de Confessie gewijzigd, in Engeland en Schotland zelf deed men dit niet. Wat de zoogenaamde Staatskerk in Schotland betreft is dit te begrijpen, want naar het schijnt brengt de positie van een Staatskerk volgens het in Engeland geldende recht mee, dat de Confessie niet gewijzigd mag worden dan met goedkeuring van het Parlement. Zelfs heeft de jongste beslissing van het Hoogerhuis in zake het proces over de goederen der Vrije Kerk getoond, dat de Engelsche jurisprudentie ook aan een Vrije Kerk het recht niet gunt haar belijdenis te wijzigen op straffe, dat ze anders het recht op alle hare goederen verliest. Feitelijk zijn de Kerken in Engeland en Schotland daardoor in een keurslijf gebonden en is dit wel mee een der oorzaken, waarom zij niet tot „wijziging”, maar tot „nadere verklaring” van de Confessie haar toevlucht namen.

Zoo is bij de vereeniging van de Presbyterian Church in Engeland en de United Presbyterian Church tot the Presbyterian Church of Engeland in 1876, in de vereenigingsacte o.m. als basis opgenomen, dat als Formulieren van Eenigheid gelden zullen de Westminstersche Confessie en de kleine en groote Catechismus, maar „dat van de ambtsdragers der Kerk, wanneer zij de genoemde formulieren van eenigheid onderteekenen, niet geëischt wordt, ook al houdt de Kerk vast aan de verplichting der burgerlijke regeerders om in hun eigen taak en werkkring zich te onderwerpen aan het gezag van den Heere Jezus Christus, dat zij in deze formulieren iets zullen |43| aannemen wat onverdraagzaamheid of vervolging begunstigt of zou kunnen beschouwd worden als te begunstigen.” 44)

En evenzoo heeft men in Schotland gehandeld. De „basis of union” van de United Presbyterian Church van Schotland handhaaft de Westminstersche Confessie en Catechismus in hun geheel, „mits wel verstaande dat wij in deze formulieren niet iets goedkeuren, waarin geleerd worden, of verondersteld worden geleerd te zijn, beginselen van dwang, of vervolging of onverdraagzaamheid in zake de religie.” 45) En in overeenstemming daarmede staat in de onderteekeningsformule een clausule waarin gezegd wordt: „welverstaande dat van u niet geeischt wordt iets in deze formulieren goed te keuren, waarin geleerd worden, of verondersteld worden geleerd te zijn, beginselen van dwang enz.” 46).

De Free Church van Schotland heeft in de reeds op pag. 7 opgenomen acte van 1846 verklaard, dat „zij niet meende dat hare Confessie of eenig deel daarvan, mits eerlijk uitgelegd, onverdraagzaamheid of vervolging begunstigde, of van oordeel was dat hare ambtsdragers door de confessie te onderteekenen belijdenis deden van eenig beginsel, dat onbestaanbaar was met de vrijheid van conscientie of het recht van eigen oordeel.” 47)

Eenigszins anders is gehandeld door de Reformed Presbyterian Church van Schotland. Deze Kerk heeft een nadere verklaring gegeven in twee actestukken genaamd de Terms of Communion (voorwaarden voor het lidmaatschap) en Formula of Ordination (bevestigingsformulier), die als gezaghebbend worden beschouwd. Hierin wordt gezegd, dat men door de Confessie te onderteekenen niet geacht wordt gehouden te zijn „alle gevoelens of elke uitdrukking te verdedigen” en uitdrukkelijk verklaard, „dat het gebruik maken van Overheidsdwang van wat soort ook, met het doel om de menschen te dwingen een kettersche geloofsbelijdenis af te zweren of een gezonde schriftuurlijke belijdenis aan te nemen en te belijden, onvereenigbaar is met de natuur der ware religie en in de praktijk altijd met onvruchtbaarheid moet geslagen blijken” 48).

Denzelfden weg sloeg de United Original Secession Church van Schotland in. Ook zij gaf een nadere verklaring, waarin gezegd wordt dat „de leer aangaande de burgerlijke regeering, die in de Confessies der |44| Gereformeerde Kerken en bepaaldelijk in de Westminstersche confessie vervat is, verdedigd kan worden op gronden aan de Schrift en de rede ontleend, gelijk te voren is aangetoond. Welke beteekenis men ook aan sommige uitdrukkingen van de Confessie op zich zelf beschouwd, zou kunnen hechten (impose), men zal niet vinden, wanneer men eerlijk en oprecht de geheele leer, die de Confessie omtrent dit punt geeft, verklaart en uitlegt, dat de Westminstersche Conjessie terecht beschuldigd kan worden van aan te zetten tot vervolging om der consciëntie wille of van dingen, die alleen de religie betreffen, te onderwerpen aan het oordeel en de beslissing van de burgerlijke Overheid of aan deze toe te kennen eenige heerschappij over of macht in de Kerk49).

Voorts zij nog vermeld, dat de Calvinistic Methodist Church van Wales die aan Whitefield’s bezielde prediking haar ontstaan dankt en aan de Gereformeerde beginselen trouw bleef, in 1823 een nieuwe confessie aannam, die wel grootendeels naar het model der Westminstersche confessie is vervaardigd, maar hier en daar toch van deze confessie afwijkt. Met name is dit ook het geval in het artikel, dat over de Overheid handelt. Van een roeping der Overheid om ketterij, afgoderij of valschen godsdienst uit te roeien wordt hier met geen woord gesproken. Het artikel luidt: „God de opperste heerscher en Koning van geheel de wereld heeft de koningen en allen, die dragers van het gezag zijn, ingesteld om onder Hem heeerschers over de menschen te zijn, tot Zijn eigen eere en ten beste van heel het volk. Hij bekleedt hen voorts met gezag om een schrik te zijn voor kwaaddoeners en desnoodig straf over hen uit te oefenen. Zij zijn voorts door Hem gezonden om te loven en te beschermen degenen, die wèl doen. Het is de plicht van alle onderdanen om hen te eeren en te vreezen; hun in alle dingen te gehoorzamen, die in overeenstemming zijn met Gods Woord; voor hen gebeden en dankzeggingen te doen, hun wetten te eeren en te gehoorzamen, alle cijns en schatting te betalen, die zij hun opleggen, zonder murmureering, achterhouding of bedrog. Wij hebben ons daaraan te houden dat onze plicht om den Koning te eeren en te gehoorzamen rust op de ordinantie en het gezag van God, wiens dienaar hij is, en niet op de persoonlijke deugden des konings”. 50) |45|


*

Het resultaat van hun onderzoek kort saamvattende meenen uwe deputaten tot de volgende conclusies te mogen komen:

Vooreerst dat de gewraakte zinsnede blijkens de bewoordingen van de confessie zelve in verband met het getuigenis dei historie onzer eigen kerken, de overeenstemming der gereformeerde belijdenisschriften van alle landen en het algemeen gevoelen der gereformeerde theologen metterdaad bedoelt, dat de Overheid met middelen van dwang en geweld de afgoderij en den valschen godsdienst, waaronder in de eerste plaats de Roomsche kerk verstaan wordt, zal tegengaan en het rijk van den Antichrist zal te gronde werpen.

Ten tweede dat dit gevoelen, alsof de Overheid geroepen is om met straf ketterij en valsche of minder zuivere religies tegen te gaan, niet alleen niet gedekt wordt door de Heilige Schrift, maar in strijd is met wat Gods Woord ons leert omtrent het onderscheid tusschen de bedeeling van Oud en Nieuw Testament, het geestelijk karakter van Christus’ Koninkrijk en het verbod om in den dienst van dit Koninkrijk van andere dan geestelijke wapenen zich te bedienen.

Ten derde dat dit gevoelen, dat zijn oorsprong vindt deels in Augustinus’ opvatting van de roeping der Overheid om ketters te straffen, deels in het oude Byzantijnsche recht, dat destijds heel de rechtsbeschouwing beheerschte, wel verklaarbaar is bij onze Vaderen, omdat het de algemeene geloofsovertuiging was van hun tijd, en omdat de religieuse worsteling dier dagen tegelijk een politiek karakter droeg, maar toch in strijd is met de groote beginselen, die door Gods genade het Calvinisme zelf verwaardigd is te verkondigen, met name de vrijheid van ieder om God naar zijn geweten te mogen dienen; de onafhankelijkheid en autonomie der Kerk, die alleen aan Christus heeft te gehoorzamen, en de roeping der Overheid om zoowel deze vrijheid der conscientie, als deze autonomie der Kerk te eerbiedigen en te erkennen.

Ten vierde dat die Gereformeerde Kerken, die voor een gelijk gravamen stonden tegen hare Confessie als onze Kerken, dan ook eenparig hebben geoordeeld door wijziging of nadere verklaring aan dat bezwaar te moeten te gemoet komen; een feit dat te zwaarder weegt, omdat dit niet geschied is door Kerken, die allengs van de belijdenis onzer vaderen waren losgeraakt, maar die integendeel haar hartelijke en oprechte instemming met deze Belijdenis volmondig hebben uitgesproken en haar overigens ongeschonden wenschen te bewaren.

En ten vijfde dat deze verandering van inzicht omtrent hetgeen God de Heere in Zijn Woord ons geopenbaard heeft aangaande de |46| roeping der Overheid, — mits hierbij scherp onderscheiden worde tusschen het valsche begrip van neutraliteit, dat in religieus indifferentisme zijn oorsprong vindt, en de erkenning, dat de Overheid uit eerbied voor de Kerk des Heeren en de conscientie harer onderdanen zich van alle inmenging in zaken der religie te onthouden heeft, — te erkennen en te eerbiedigen is als de vrucht van de leiding des Heiligen Geestes, die naar de belofte door Christus aan zijn discipelen geschonken, hen in alle waarheid leiden zou.

Het is op deze gronden, dat uwe deputaten u adviseeren het gravamen der bezwaarde broederen tegen de bedoelde zinsnede in de Confessie gegrond te verklaren en zoodanige maatregelen te nemen als noodig zullen zijn om hunne conscientiën te ontlasten.


*

Hoewel de Synode aan deputaten niet uitdrukkelijk heeft opgedragen haar voorstellen te doen, op welke wijze aan dit gravamen tegemoet kan worden gekomen, wanneer de Synode het wettig oordeelt, meenen zij toch niet tegen de bedoeling der Synode te handelen, wanneer zij ten slotte ook over die vraag u dienen van advies.

Zooals uit de hierboven meegedeelde beslissingen der buitenlandsche Gereformeeerde Kerken bleek, heeft men hiertoe vierderlei weg ingeslagen; enkele Kerken hebben een nieuw geloofsartikel geformuleerd of enkele uitdrukkingen in de Confessie gewijzigd; andere hebben de woorden, waartegen bezwaar bestond, uit de Confessie geschrapt; nog andere hebben aan de Confessie een nadere verklaring toegevoegd, waardoor het bezwaar ondervangen werd, en een laatste groep heeft in de onderteekeningsformule een clausule opgenomen, waardoor de moeilijkheid uit den weg werd geruimd. Feitelijk laten deze vier middelen zich tot twee terug brengen: wijziging der Confessie of nadere verklaring, hoe de Confessie moet worden opgevat.

Het laatste middel, dat vooral door de Kerken in Engeland en Schotland is toegepast, heeft zeker het voordeel, dat daardoor de Confessie zelve ongeschonden blijft. De Confessie behoort niet alleen aan onze Kerken toe, maar is het gemeen bezit van alle Gereformeerden in den lande en zoolang de kerkelijke verdeeldheid het onmogelijk maakt, om met medewerking van alle voorstanders der Gereformeerde religie de Confessie te herzien, gevoelen uwe deputaten al het bezwaar dat er in ligt, indien een deel van de belijders der Gereformeerde religie in de Confessie wijzigingen aanbrengt. |47|

Hierbij komt in de tweede plaats, dat het bezwaar door een nadere verklaring betrekkelijk gemakkelijk te ondervangen zou zijn. Wanneer de Synode bijv. verklaarde dat zij de woorden: „dat het ambt der Overheid is om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst en het rijk des Antichrists te gronde te werpen” niet verstond of bedoelde in dien zin, dien de opstellers der Confessie en de Kerken, die de Confessie hebben vastgesteld, daaraan gehecht hebben, alsof de Overheid dit doen moest door middelen van dwang of geweld, maar aldus dat de Overheid door de prediking van het Evangelie vrij te laten en te bevorderen mede arbeiden moest om de afgoderij en den valschen godsdienst te weren en uit te roeien en het rijk van den Antichrist te gronde te werpen, dan zou daarmede zonder eenige krenking der eerlijkheid en waarheid, die vooral aan de Kerk van Christus niet voegen zou, het bezwaar tegen deze uitdrukking uit den weg zijn geruimd.

Toch meenen uwe deputaten na ernstige overweging u dit middel niet te mogen aanraden.

Een nadere verklaring van eenig betwist deel der Confessie is zeer zeker geoorloofd en door onze Vaderen, zoowel op de Synode te Dordt bij den strijd over de praedestinatie, als later in de zoogenaamde Walchersche artikelen wel gegeven. maar dan was het doel steeds om hetgeen in de Confessie beleden werd nog scherper en precieser uit te drukken en alle misverstand te voorkomen.

Dient zulk een nadere verklaring echter om aan de woorden van de Confessie eene uitlegging te geven, die lijnrecht in strijd is met de bedoeling onzer Vaderen, uit wier handen wij deze Confessie ontvangen hebben, dan wordt daarmede een zeer gevaarlijke weg voor de toekomst geopend. Rees toch in later tijd op veel ingrijpender punten bedenking tegen de Confessie, dan zou men op dit precedent zich kunnen beroepen om door een soortgelijke verklaring het bezwaar te ondervangen. In schijn zou de Confessie aldus ongeschonden worden bewaard, maar feitelijk haar inhoud worden prijsgegeven. Het is om dit gevaar te voorkomen, dat deputaten de Synode moeten afraden dezen weg in te slaan.

En nog veel minder kunnen zij u aanraden in de onderteekeningsformule een clausule in te lasschen, waardoor instemming met dit stuk der belijdenis niet meer geëischt wordt. Behalve het bezwaar toch, dat een onderteekeningsformule, die op een punt den band aan de Confessie doorsnijdt, of instemming met hetgeen de Confessie belijdt, facultatief laat, als precedent het zelfde gevaar oplevert, waarop uwe |48| deputaten u boven wezen, achten zij dat daardoor het karakter der Belijdenis als uiting van het geloof der geheele Kerk op zeer bedenkelijke wijze zou ondermijnd worden.

Het is daarom dat uwe deputaten het beter oordeelen, dat de Synode niet door een min of meer willekeurige verklaring van de Confessie of door een beperkende clausule in de onderteekeningsformule, maar door wijziging van de Confessie zelve het bezwaar tot oplossing brenge, gelijk ook de Gereformeerde Kerken in Amerika zulks gedaan hebben.

Het bezwaar, dat de Confessie, die gemeen bezit is van alle Gereformeerden in ons land, niet gewijzigd mag worden, zoolang niet alle Gereformeerden daartoe mede kunnen werken, kunnen uwe deputaten niet deelen. Ware het juist, dan zouden, zoolang de vereeniging van alle Gereformeerden in ééne Kerk niet tot stand is gekomen, alle gravamina onopgelost moeten blijven en daarmede het primordiale recht van elk geloovige, om op grond der H. Schrift bedenkingen tegen de confessie te mogen inbrengen, waarover de kerk te oordeelen heeft, te niet worden gedaan.

Indien dus wijziging der Confessie de meest gewenschte weg is, dan kan dit geschieden òf door een nieuwe formuleering in plaats van de oude te stellen òf door de gewraakte woorden te schrappen.

Het eerste achten uwe deputaten niet raadzaam om de reeds vroeger opgegeven redenen. De verschillende formuleeringen, die de Amerikaansche Kerken kozen, toonen hoe weinig overeenstemming nog op dit punt bereikt is en hoe moeilijk het valt hier zoo volledig te zijn, dat alle misverstand buitengesloten wordt.

Zoo blijft dus alleen dit middel over, dat de Synode de bedoelde woorden van onze Confessie schrappe of desnoods tusschen twee haakjes plaatse en in een noot verklare, waarom deze woorden door de Gereformeerde Kerken thans niet meer beleden worden.

De bedenking, dat de Synode door deze woorden te schrappen den indruk zou kunnen geven, alsof volgens haar de Overheid geen roeping heeft tegenover afgoderij en valschen godsdienst en niet desnoods met straf zou mogen optreden tegen valsche religies als bijv. de Anabaptisten of Mormonen, die de zedewet aantasten of revolutionnaire beginselen in toepassing brengen, achten uwe deputaten niet juist. Het ingediende gravamen toch richt zich uitsluitend tegen deze uitspraak der Confessie, dat de Overheid met dwang en geweld deze taak heeft te volvoeren en dit doen moet tegenover alle afgoderij en valschen godsdienst als zoodanig. Door de bedoelde woorden |49| te schrappen (die blijkens het getuigenis der historie dit metterdaad bedoelen) verklaart de Synode alleen, dat zij zulk een optreden van de Overheid met straf en dwang niet conform den Woorde Gods acht. En wat de taak der Overheid betreft om met geestelijke wapenen d.w.z. door de prediking des Woords enz. tegen de afgoderij en den valschen godsdienst op te treden, zoo ligt dit reeds voldoende uitgedrukt in de woorden, die onveranderd in de Confessie blijven staan, dat de Overheid „het Koninkrijk van Christus Jezus heeft te doen vorderen en overal het Woord des Evangelies heeft te doen prediken.” Alleen met deze geestelijke wapenen behoort de Overheid de afgoderij en den valschen godsdienst te bestrijden en te wederstaan.

Bovendien bestaat er naar de overtuiging uwer deputaten geen noodzakelijkheid om zulk een uitspraak over de taak der Overheid tegenover afgoderij en valschen godsdienst in de Confessie op te nemen of te behouden.

Uwe deputaten achten het dan ook opmerkelijk, dat Calvijn in de door hem opgestelde geloofsbelijdenissen vermeden heeft over dit punt een besliste uitspraak op te nemen. Bij een zoo scherpzinnig denker als Calvijn kan hier van vergeten geen sprake zijn. Daarvoor is elk woord in zijne Confessies te wèl gewogen en te ernstig overdacht. Bovendien bestonden in Calvijn’s dagen reeds tal van Confessies, die over dit punt zich uitvoerig uitspraken en waren deze Calvijn zeker niet onbekend.

Voorts wijzen zij er u op, dat ook onze Gereformeerde kerken op de Synode te Dordt in 1619, toen zij een nieuw artikel hebben opgesteld, waarin over de roeping der Overheid tegenover de kerk gehandeld werd (Art. 36 der kerkenorde), hierin wel verklaard hebben dat het „ambt der christelijke overheden is den Heiligen Kerkedienst in alle manieren te bevorderen, denzelven met haar exempel der onderdanen te recommandeeren en aan de Predikanten, Ouderlingen en Diakenen in allen voorvallenden nood de hand te bieden en bij hare goede ordening te beschermen”, maar dat zij den plicht der overheid om de afgoderij en den valschen godsdienst te weren en uit te roeien in dit artikel niet op nieuw hebben uitgesproken.

Weglating van de bedoelde woorden schijnt uwen deputaten op de genoemde gronden dus het meest aanbevelenswaardig. Terwijl de Synode om alle misverstand af te snijden nadrukkelijk zou kunnen verklaren. dat zij met de schrapping dezer woorden alleen bedoelt, |50| dat de Overheid niet, gelijk onze Vaderen meenden, met middelen van geweld de afgoderij en den valschen godsdienst heeft te weren en uit te roeien, maar dat zij daarom geenszins ontkent, dat de Overheid de roeping heeft om door de prediking des Evangelies te bevorderen, de afgoderij en den valschen godsdienst tegen te gaan.

Aan de wijsheid uwer Synode en aan de leiding des Heiligen Geestes laten uwe deputaten het over om in deze gewichtvolle zaak een zoodanige beslissing te nemen, als het meest strekken zal tot welzijn der kerken en tot eere van Zijnen heiligen naam.


Amsterdam,
Februari 1905.

H. Bavinck.
T. Bos.
M. de Jonge.
H.H. Kuyper.
A. Littooy.
A.F. de Savornin Lohman.
T. Tromp.



1. In het proces door de Vrije Kerk van Schotland tegen de Vereenigde Vrije Kerk gevoerd, waarbij de strijd everzeer liep over een verklaring van een deel der Confessie, heeft ook de Lord Chancellor bij de eindbeslissing door het Hooger Huis zeer beslist het standpunt ingenomen, dat de beteekenis der Confessie uit de historie van dien tijd en de bedoeling der opstellers moest worden verklaard, zie A. Taylor Innes, Free Church Union Case, 1904, p. 24 en v.v.

2. A. Taylor Innes. The Law of Creeds in Scotland, 1902, p. 332.

3. Ph. Schaff. The Creeds of Christendom, 1899, t. I. p. 799.

4. Over ’t algemeen oordeelden onze vaderen zelfs, dat de Overheid niet geroepen was om met geweld de afgoderijen der heidenen uit te roeien of de Heidenen, Joden en Mahomedanen te straffen. Beza, Tract. Theol. ed. 1552 p. 157 zegt dat het beter is voor dezulken God te bidden om bekeering dan de Overheid te vragen hen te straffen. Zie voorts à Marck, Compendium Theologiae, ed. 1722 p. 69 en vooral de Moor, Commentarius perpetuus, t. VI, p. 490 enz., waar dit met beroep op het getuigenis van verschillende Gereformeerde theologen bewezen wordt. Ook Maresius in zijn Uitlegging van de Geloofsbelijdenis, p. 552 zegt uitdrukkelijk, dat met de woorden afgoderij en valsche godsdienst bedoeld zijn „de Roomsche Antichrist en diens Tyrannie en ergerlijke dwalingen.”

5. Hessels, Ecclesiae Londino-Batavae Archivum. DI. III, p. 317.

6. Reitsma en Van Veen, Acta der Prov. en Part. Syn. DI. II, p. 161.

7. Müller, Die Bekenntnisschriften der reformierten Kirche, 1903, blz. 32.

8. t.a.p. blz. 108, 109.

9. t.a.p. blz. 220.

10. t.a.p. blz. 520.

11. t.a.p. blz. 262.

12. t.a.p. blz. 313.

13. t.a.p. blz. 447.

14. t.a.p. blz. 490.

15. t.a.p. blz. 593.

16. t.a.p. blz. 587.

17. t.a.p. blz. 627.

18. P. Martyr, Loci Communes 1580 p. 106.

Zanchius, Opera Theol. 1617, IV, 580-587.

Idem, Miscellanea II p. 166. |19|

Polanus, Syntagma Theol. Christ. 1625 p. 693.

Junius, Opera Theol. 1607, t. I p. 544, II, 76, 77.

Danaeus, Ethices Christ. libri tres, 1579, II c. 13.

Rivetus, Opera Theol. 1660, I 1371-1376, II, 694.

H. Alting, Theol. Elenctica nova, 1654 p. 693-700.

Heidegger, Corpus Theol. Christ. II, 625-636.

Turretinus, Theol. Elenct. Loc. XVIII qu. 31-49.

Mastricht, Theor. pract. Theol. p. 953.

Marck, Het Merch der Christene Gotgeleertheit, XXXIII § 32.

Brakel, Redel. Godsd. XXIX § 26, 27.

19. Calvini Opera ed. Baum, Cunitz, Reuss. T. IV, p. 467, 476/7.

20. t.a.p. t. XVII, pag. 541.

21. Theod. Beza. Tract. Theol. 1582. p. 152.

22. t.a.p. blz. 137.

23. Voetius, Pol. Eccl. t. II. p. 380, 381.

24. t.a.p. blz. 387, enz. v.

25. t.a.p. blz. 432 enz. blz. 490 enz. en Disp. Sel. t. III. blz. 807.

26. Het is dan opmerkelijk, dat toen in later tijd Bellarminus en de Roomsche polemisten zich op deze zelfde teksten beriepen om daarmede de Inquisitie en het dooden van ketters te verdedigen, onze vaderen zelf de geldigheid van deze wetten en voorbeelden van Israël voor onze dagen ontkend hebben, omdat „deze wetten behoorden tot de bijzondere wetten en de burgerlijke regeering van Israël en daarom niet als regel mochten gesteld worden voor iederen Staat en voor iedere Overheid.” Voetius, Pol. Eccl. t. IV. p. 405.

27. Hessels, Archivum Londino-Batavum t. III p. 318.

28. Voetius, Disp. Sel. t. III. pag. 804 en v.v.

29. Voetius, Pol. Eccl. t. II. p. 396.

30. Beza, Tract. Theol. pag. 96 en v.v.

31. Walaeus, Censure pag. 24 en 54 en v.v.

32. Voetius, Pol. Eccl. t. II. pag. 432 en v.v.

33. Voetius, Pol. Eccl. t. II. pag. 435.

34. Zie o.a. Beza, Tract. Theol. pag. 96.

35. Men vindt deze Confessies bij Schaff l.c. t. III. blz. 781 en v.v. en Müller l.c. blz. 903 en v.v.

36. Schaff, l.c. t. III. p. 720.

37. A.A. Hodge, A Commentary on the Confession of faith, 1870, p. 428.

38. Schaff, l.c. t. III. p. 720.

39. Schaff, l.c. t. I, pag. 811.

40. Schaff, l.c. t. I, pag. 812.

41. Schaff, l.c. t. I, pag. 812.

42. Schaff, l.c. t. I, pag. 812.

43. Schaff, l.c. t. III, pag. 512.

44. A.H. Drysdale, History of the Presbyterian in England 1889, p. 626.

45. Taylor Innes, l.c. pag. 333.

46. Hodge, l.c. pag. 488.

47. Taylor Innes, l.c. pag. 332.

48. Hodge, l.c. pag. 429.

49. Hodge, l.c. blz. 429.

50. Müller l.c. pag. 895.




a. Rapporteur voor dit Advies was Herman Huber Kuyper.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004