Herman Bavinck (1854-1921)
Theologische richtingen in Nederland
Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie
1e Jaargang, 2de Serie, onder redactie van Ds. N.A. de Gaay Forman, Prof. P. Biesterveld, Prof. M. Noordtzij, Dr. C.C. Schot Cz., Ds. J.J. Westerbeek van Eerten B.Jz.
Velsen (J.P. Nauta) 1894, 6,161-188
1) a
1. Het Supranaturalisme 2. De Groninger School 3. De Moderne Theologie 4. De Utrechtsche School 5. De Ethische Theologie 6. De Gereformeerde Richting
De Nederlandsche Theologie in de 19e eeuw is meermalen, ook door buitenlanders, onderzocht en beoordeeld geworden. Van al wat over haar geschreven is, noemen wij als het belangrijkste: Chr. Sepp, Proeve eener pragmatische geshiedenis der Theologie in Nederland van 1787 tot 1858, 3e druk, Leiden 1869. D. Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande, Leyde 1860. Dr. G.J. Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd 1800-1857, Dordrecht 1886. Idem, Groen van Prinsterer en zijn tijd 1857-1876, Dordrecht 1891. Dr. J.H. Gunning J.Hz., Het Protestantsche Nederland onzer dagen, Groningen 1889. Dr. J.A. Gerth van Wijck, art. Holland in Herzog und Plitt Real Enc. für prot. Theol. u. Kirche VI s. 254-266, Johannes Gloël, Hollands kirchliches Leben. Wittenberg (1885). Dr. Adolf Zahn, Abriss einer Geschichte der evangelischen Kirche auf dem europ. Festlande im 19n Jahrhundert, 2e aufl. Stuttgart 1888 enz. Al deze en meer andere werken kunnen als hulpmiddelen uitstekende diensten doen. Maar beginsel en wezen van de verschillende theol. richtingen, die achtereenvolgens in ons vaderland zijn opgekomen, kunnen alleen uit de geschriften der woordvoerders duidelijk worden gekend. |162|
De Nederl. Theologie heeft in deze eeuw verschillende invloeden ondergaan. Niet alleen het Calvinisme, dat onder het volk steeds bleef voortleven, maar ook de Zwitsersche Reveil; niet alleen de Duitsche Vermittelungs-theologie maar ook de Grieksche Wijsbegeerte hebben haar karakter bepaald. Haar geschiedenis is mede daardoor van die in andere landen in menig opzicht onderscheiden. En wie haar opmerkzaam bestudeert, bespeurt in haar weldra eene machtige worsteling van de diepste beginselen. De strijd van geloof en ongeloof, van evangelie en revolutie beheerscht haar geheel en werkt vandaar uit ook door in kerk en school, in staat en maatschappij. Aan de eene zijde zien we eene richting, die, beginnende met het oude Supranaturalisme door de Groninger School heen uitloopt in de Moderne Theologie, en op den weg der ontkenning steeds verder voortschrijdt. En aan de andere zijde komt daartegenover in het begin der eeuw, vooral onder invloed van den Reveil, eene partij des geloofs op, die eerst nog in apologetiek en bemiddeling haar sterkte zoekt, maar dan tot het historisch-nationale Calvinisme moedig wederkeert.
Zoo opgevat en in haar diepste beginselen voorgesteld, krijgt de Nederlandsche Theologie ook voor den vreemdeling meer dan louter historisch belang.
*
1. Het Supranaturalisme.
De bloei der Geref. Kerk en Theologie duurde hier te lande slachts kort en was spoedig voorbij. Reeds sedert het midden der 17e eeuw, de eeuw van objectiviteit en gezag, verhief zich het subject en ontwaakte de kritiek. Rationalisme en Pantheisme, Cartesianisme en Coceejanisme trachtten elk op zijne wijze den mensch |163| vrij te maken van het juk der traditie. Kerk en Staat spanden zich wel in om den stroom te keeren. Maar het was te vergeefs, de 18e eeuw was de eeuw der subjectiviteit. In dit tijdperk zien we de Geref. Theologie meer en meer uit het openbaar leven terugwijken naar de lagere en afgesloten kringen van het volk, waar ze voor versterving wordt bewaard, en waaruit ze eerst in deze eeuw met nieuwe kracht te voorschijn zal treden. Andererzijds geeft eene altijd breedere schare van het volk aan de invloeden van het engelsche deïsme en de fransche philosophie zich over, en haalt ongeloof en revolutie binnen onze erve. Maar tusschen die beide, tusschen het nationaal-gereformeerde geloof en de van buiten ingedrongen neologie komt tegen het einde der eeuw eene gematigde richting op, welke tot ver in de 19e eeuw haar leven rekt en als Supranaturalisme bekend staat. Hare voornaamste woordvoorders waren: te Leiden, de Hoogleeraren van der Palm, van Voorst, Borger, Clarisse, Kist, van Hengel; te Groningen, de Hoogleeraren Abresch, Chevallier, Muntinghe, IJpey; te Utrecht, de Hoogleeraren Bonnet, Heringa, Royaards, Bouman, Vinke. En deze werden omgeven en gesteund door een corps van bekwame, ijverige predikanten, zooals Dermout te s Gravenhage, Donker Curtius te Arnhem, Bosveld en Ewaldus Kist te Dordrecht en vele anderen. De dogmatische richting van dit Supranaturalisme kan o.a. zeer goed gekend worden uit H. Muntinghe, Pars theologiae christianae theoretica, 1800.
Zij is niet moeilijk te beschrijven; zij munt door oppervlakkigheid uit. Zij wilde niet ongeloovige zijn, o neen, zij hield den godsdienst in eere, zij was vroom, zij schatte bijbel en christendom hoog. Van de neologie |164| was zij ten diepste afkeerig. Zij wilde ook niet rationalistisch zijn in den zin van een Wegscheider en Paulus. Maar wel stelde zij er eene eere in, om rationeel te wezen. De rede kon het op het gebied van den godsdienst een heel eind ver brengen, maar ze kon toch de openbaring niet missen, en betoogde zelve hare noodzakelijkheid. Het Supranaturalisme ging dus niet uit van de openbaring en van het geloof, maar plaatste zich aanvankelijk buiten deze beide en trachtte nu door redeneeringen en bewijzen tot de openbaring te komen en de redelijkheid van het geloof te betoogen. Het testimonium Spiritus Sancti kon daarbij natuurlijk geen dienst meer doen. Het bewijs uit de wonderen en voorspellingen had geen kracht meer tegenover de ontkenners van de geloofwaardigheid der H. Schrift. Daarom sloeg het supranaturalisme den historischen weg in.
Uit allerlei uit- en inwendige getuigenissen werd allereerst de authentie, integriteit en axiopistie van de Schriften des N. Test. bewezen. Uit deze fides humana klom men dan tot de fides divina op; immers het alzoo als geloofwaardig bewezene N. Test. leerde ons het Goddelijk gezag kennen van Jezus en de Apostelen, bevestigd door wonderen en voorspellingen. En uit dit goddelijk gezag des N. Test. werd dan ten slotte de inspiratie en autoriteit van het O.T. bewezen. En als men dan alzoo door de pars formalis der dogmatiek was heengeworsteld en op een reeks van historische bewijzen de waarheid der openbaring en de redelijkheid van het geloof had gebouwd, dan kwam men eindelijk aan de pars materialis der dogmatiek. Maar welk eene dogmatiek! Met behulp van de hooggeloofde grammaticale exegese van Ernesti werd uit de Schrift |165| eene zoogenaamde bijbelsche theologie afgeleid, die den naam van dogmatiek niet dragen mocht. Het was een samenvoegsel van eenige algemeene oppervlakkige christelijke waarheden, die niet uit de diepte der Schrift waren geput en aan de kracht der Geref. belijdenis ten eenenmale waren gespeend; eene populaire godsdienstleer, welke God veranderde in het Opperwezen, Christus in een leeraar, den mensch in een verstandswezen, zonde in zwakheid, bekeering in verbetering, heiligmaking in deugd. Ze was om het kort uit te drukken deïstisch in de theologie, pelagiaansch in de anthropologie, ariaansch in de christologie, moralistisch in de soteriologie, collegialistisch in de ecclesiologie en eudaemonistisch in de eschatologie. Geen wonder, dat deze richting, die altijd den mond vol had van verdraagzaamheid, terstond haar gematigdheid en kalmte verloor, als het de Geref. theologie en de Geref. vromen gold. Daarentegen was ze bang voor de linkerzijde, die haar heur halfheid verweet, en trachtte deze altijd door zachtheid en toegefelijkheid te winnen. Toch baatte dit niet. Zoodra eene nieuwe richting optrad, was het met haar heerschappij gedaan.
*
2. De Groninger School.
De Groninger Theologie heeft haar geestelijken vader in Ph.W. van Heusde, Hoogleeraar in de Wijsbegeerte te Utrecht 1804-1839. De grondgedachten zijner philosophie, neergelegd in zijne werken: De Socratische School, 4 deelen 1834-1839, Initia philosophiae Platonicae, 2 deelen 1827-31, Brieven over het beoefenen der Wijsgeerte 1837, komen hierop neer: de wijsgeeren zijn tegenwoordig meest allen zeer eenzijdig en vervallen daardoor tot materialisme of idealisme. |166|
De ware Wijsbegeerte moet echter uitgaan van den mensch zooals Socrates en Plato dat deden. De mensch toch is bron en uitgangspunt van alle wetenschappen. Zijn gevoelvermogen is het uitgangspunt van alle kunsten, welke uitloopen in de aesthetica. Zijn kenvermogen is de bron dier lagere wetenschappen (mathèmata) welke eindigen in de logica. En zijn begeervermogen is het beginsel van die hoogere toegepaste wetenschappen (Episthèmae), welke zich samenvatten in de ethica. Beginsel en wortel van al deze kunsten en wetenschappen is in den mensch zijne liefde tot het schoone, ware en goede. Maar de mensch is niet alleen het uitgangspunt, hij is ook het doel van al deze kunsten en wetenschappen. Zij bedoelen immers alle, om den mensch op te leiden tot het wezenlijk ware, goede en schoone. En de ware wijsbegeerte is dus die, welke door middel van al die kunsten en wetenschappen den mensch opvoedt tot zijne waarachtige bestemming. Opvoeding is daarom de centrale gedachte in van Heusdes philosophie. Wel heeft de mensch van nature liefde en aanleg tot het ware, goede en schoone; maar die liefde moet opgewekt en die aanleg moet ontwikkeld worden. Aan dezen eisch beantwoordt de wijsbegeerte van Socrates en Plato meer dan eenige andere. Dezen toch hebben haar van den hemel weer op aarde gebracht en de aandacht van de natuur af op den mensch gevestigd. Daarom zijn zij beiden de herstellers geworden van de kunsten en wetenschappen en de hervormers van den godsdienst. Hun wijsbegeerte is door dit haar karakter verwant aan en voorbereiding voor het christendom. Zij is er de propaideia toe. Maar het christendom staat het hoogste; het is de ware paideia; het leert ons beter dan de philosophie van Socrates |167| God en ons zelven kennen. Want het spreekt van Gods heiligheid en liefde, van onze schuld en verzoening. Christus staat daarom verre boven Socrates; hij is het volmaakte ideaal van al wat waar is en goed en schoon.
Deze gedachten hadden heel wat meer bekoorlijks dan de dorre begrippen van het koude supranaturalisme. Van Heusde vermoeide zich niet met de tegenstelling van rede en openbaring, hij sprak niet van uitwendige openbaring aan maar van opvoeding van den mensch, hij zag in den mensch niet alleen een verstandelijk maar ook een ethisch en aesthetisch wezen, hij wees niet op eene afgetrokkene leer maar op den persoon van Christus. Voeg daarbij dat van Heusde eene interessante persoonlijkheid was, dat hij de gave bezat om tot nadenken op te wekken en liefde voor de waarheid in te boezemen. En het is te verstaan, dat hij weldra eene schare jongelingen aan zich verbond, die in hem hun leermeester zagen. Eén studentenkring in Utrecht en een andere in Groningen ondergingen vooral zijn invloed. En opmerkelijk, velen van deze studenten kwamen kort daarna als Hoogleeraren en predikanten in de stad en de provincie Groningen in elkanders nabijheid. J.F. van Oordt en P. Hofstede de Groot werden Hoogleeraar in 1829, Pareau in 1831. Van Herwerden werd predikant te Groningen in 1831, Amshoff in 1832, enz.
In 1835 richtten zij, twaalf in getal, een gezelschap op. Daaruit ontstond het tijdschrift: Waarheid in Liefde, een godgeleerd tijdschrift voor beschaafde christenen 1837-1872. En behalve in dit tijdschrift, legden zij hunne gedachten neer in handboeken voor alle vakken der theologie. Hun Compendium Dogmatices et Apologetices zag in 1845 het licht. |168|
De gedachten der Groninger theologie zijn nu wezenlijk geen andere dan die van van Heusde. Zij groepeeren zich alle om deze ééne: openbaring is de opvoeding der menschheid door God tot Godegelijkvormigheid. Deze gedachte brengt voor de leer van God mede, dat God niet beschouwd wordt als Souverein of Rechter, maar als Vader. Voor den mensch volgt daaruit, dat hij niet is een kind des toorns, maar niettegenstaande zijn zinnelijken zondigen toestand een kind Gods, met goddelijken aanleg en vatbaar voor de heerlijkste ontwikkeling. Maar daartoe moet hij opgevoed worden. En dat doet God door zijne openbaring in natuur en geschiedenis. Daardoor voedt Hij ook reeds de Heidenen op; hun godsdiensten staan niet tegenover maar slechts op lageren trap beneden het christendom, de theologia naturalis is verwant aan en voorbereiding voor de theologia revelata. Het christendom is de hoogste godsdienst, de hoogste openbaring Gods. Het wezen des Christendoms is geen leer, maar de persoon van Christus. In zijne gansche verschijning, in zijn leven en sterven, is Hij de Openbaarder Gods. Dat kon hij wezen, omdat hij wel niet de eeuwige en natuurlijke Zoon des Vaders is, maar toch voor zijne komst op aarde in den hemel een voorbestaan had. Maar ook met zijn dood, die geen voldoening was aan Gods gerechtigheid maar betooning van Zijne liefde, en niet noodzakelijk was maar door God slechts toegelaten werd, houdt Gods openbaring niet op. Neen, na zijne opstanding en hemelvaart zet Jezus zijne goddelijke opvoeding der menschheid voort, en wel door middel van Zijne kerk. De kerk is wezenlijk eigen aan het Christendom. Zij is het opvoedings-instituut van God. Rome heeft dat beter begrepen dan de Protestanten. |169| En nu in dezen tijd is de Jakobuskerk der joodsche gemeenten, de Petruskerk van Rome, de Pauluskerk van het Protestantisme bestemd om over te gaan in de Johanneskerk der toekomst.
Met deze gedachten deed de Groninger Theologie haar intocht in de Ned. Herv. Kerk. Zij behaalde op het Supranaturalisme weldra de zege en breidde zich vooral uit in de Noordelijke provinciën des lands. Maar zij werd ook onderworpen aan ernstige kritiek, van de zijde der orthodoxie sedert 1842, en van die der opkomende moderne theologie sedert 1851. Aan de laatste verloor zij zelfs vele van hare discipelen. De Groninger Theologie werd eene wegbereidster voor de moderne. Toch hebben velen, vooral onder de leiding van Hofstede de Groot († 1886), zich tot op den huldigen dag, als eene eigene theologische richting weten staande te houden. Sedert zij in 1867 op kerkelijk terrein naast modernen en orthodoxen met eene eigene kiesvereeniging optraden onder den naam van het Evangelie, worden zij meest de Evangelischen geheeten. Aan de Akademiën behooren de kerkelijke Hoogleeraren Gooszen (schrijver van een belangrijk werk over den Heidelb. Catech. 1890) en Offerhaus te Leiden, Cannegieter te Utrecht, Reitsma te Groningen nog tot hunne richting. Hun orgaan is het tijdschrift Geloof en Vrijheid, dat sedert 1867 maandelijksch verschijnt. Door hun Supranaturalisme zijn ze nog altijd van de Modernen onderscheiden.
*
3. De Moderne Theologie.
Deze is niet zoo gemakkelijk te beschrijven als de beide vorige. Zij is op godgeleerd gebied een bont verschijnsel, dat zeer verschillende karaktertrekken vertoont. |170| Vooral vier personen hebben tot haar ontstaan bijgedragen. De Leidsche Hoogleeraar Scholten († 1885) was de dogmaticus harer eerste periode en na 1864 haar criticus van het N. Test. Zijn ambtgenoot Kuenen bood haar een machtigen steun door zijne historische kritiek van het O. Test. en den Godsdienst van Israël. De Utrechtsche Hoogleeraar Opzoomer drukte haar vooral den stempel op van het anti-supranaturalisme. En de doopsgezinde hoogleeraar, Hoekstra, te Amsterdam schonk haar vooral haar ethische richting.
Reeds als student te Utrecht had Scholten bezwaar tegen de toen daar heerschende Supranaturalistische richting. Vooral twee dingen stonden hem tegen: haar onvaste dogmatische grondslag en haar gemis aan wijsgeerige diepte. Straks sluit hij enger aan de kerkleer zich aan en bestrijdt in haar naam de Supranaturalistische en de Groninger Theologie. In deze richting word hij versterkt door Schweizers Glaubenslehre der evang. ref. Kirche 1844-47. En in 1848 geeft hij in het licht het eerste deel van zijn De Leer der Herv. Kerk in hare grondbeginselen, uit de bronnen voorgesteld en beoordeeld, dat in 1850 door een tweede deel gevolgd werd. In deze eerste periode (tot 1864) was Scholten nog vrij conservatief. Hij handhaaft de persoonlijkheid Gods, het metaphysisch Zoonschap van Christus, zijne zondeloosheid, opstanding en hemelvaart, de echtheid van de meeste schriften des N.T. (in zijn Hist. Krit. Inleiding tot de schriften des N.T. 1856); zelfs treedt hij nog tegen Opzoomer als tegen een ongeloovige en vijand van het christendom op. Maar voor de dieper zienden, zooals van Oosterzee en Saussaye in hunne beoordeelingen van Scholtens werk, bleef het niet verborgen, dat dit conservatisme maar tijdelijk was en |171| dat het beginsel, waarvan Scholten uitging, op louter negatie uitloopen moest.
In het formeel gedeelte der dogmatiek was dit de scheiding van Schrift en Woord Gods. De historische bewijsvoering van het Supranaturalisme kon toch de waarheid der H. Schrift niet betoogen; Lessing en Rousseau hadden dit reeds lang aangetoond. Het testimonium Spiritus Sancti kon evenmin iets bewijzen voor al het historische enz., dat in de Schrift aanwezig was. Daarom moest tusschen Schrift en Woord Gods worden onderscheiden, aan het laatste alleen, d.i. aan den godsdienstig-zedelijken inhoud geeft de gezuiverde rede getuigenis. Zoo werd door Scholten de idee van het feit, het Christendom van de historie losgemaakt. In het materieel gedeelte der dogmatiek ging Scholten uit van het spiritualistisch monisme, dat hij uit de Duitsche philosophie had overgenomen en met de volstrekte souvereiniteit Gods in de Geref. theologie vereenzelvigde. Onder de kritiek van dit beginsel bleef er schier niets van de Geref. dogmata over. En de positieve gedachten van Scholtens eigen stelsel waren eenvoudig deze: God is immanent en openbaart zich in al het geschapene. Openbaring valt met schepping en onderhouding samen; eene buitengewone, bijzondere openharing is er niet. God openbaart zich in al zijne werken, in natuur, in geschiedenis, bovenal in den mensch Jezus, die in zijn leven en sterven ons den waren godsdienst toont. Door deze objectieve manifestatie is God dus kenbaar; alles predikt zijne macht maar ook zijne goedheid, en liefde. Maar de mensch wordt zinnelijk, d.i. zelfzuchtig en zoudig geboren. Daarom moet er in hem eene subjectieve apocalypsis plaats hebben, om die objectieve manifestatie Gods te verstaan. Deze |172| apocalypsïs bestaat in de ontwikkeling zijner godsdienstig-zedelijke natuur, in de verlichting van zijn verstand en de reiniging van zijn hart. De alzoo godsdienstig en zedelijk ontwikkelde mensch kent God, hij ziet Hem in al zijne werken, bij gelooft Zijne liefde en weet zich zijn kind. Deze manifestatie Gods in natuur en geschiedenis, in leven en lot, bovenal in Jezus, is zoo duidelijk en werkt zoo krachtig op de zedelijke natuur van den mensch, dat deze haar op den duur niet kan wederstaan.
Maar deze wijsgeerige gedachten traden eerst nog niet duidelijk voor den dag. Ze Waren daartoe nog te zeer in orthodoxe vormen gehuld en met conservatieve bestanddeelen vermengd. Scholten was zelf eerlijk en oprecht overtuigd, dat hij de verzoening van gelooven en weten, van theologie en philosophie, van hart en verstand gevonden had. En hij wist anderen in die overtuiging te doen doelen. Weldra werd het nieuwe Evangelie van vele kansels met geestdrift verkondigd. Zijne colleges werden druk bezocht. Zijn Leer van de Herv. Kerk werd in korten tijd driemalen vermeerderd en herdrukt. En onder zijne aanhangers was de illusie algemeen, dat de redelijkheid van het geloof, en nog wel van de Geref. Kerkleer, was gevonden. Maar ze zou spoedig worden verstoord. In 1864 volgde bij Scholten zelven de omkeer. In de voorrede voor zijn werk Het Evangelie van Johannes, hetwelk in dat jaar verscheen, verklaart hij open, dat hij vroeger meende in de goed uitgelegde Schrift nog zijne wereldbeschouwing te bezitten. Maar thans was dit niet het geval meer. De wereldbeschouwing van Johannes was de zijne niet. Hij komt nu tot de erkentenis, dat tusschen zijne gedachten en die der Schrift geen overeenstemming, maar |173| eene diepe klove bestaat. Van nu af aan wijdt hij zich aan het histor.-kritisch onderzoek van het N. Test., en sluit zich bij de Tubingers aan.
Deze omkeer was bij Scholten zonder twijfel de consequentie van zijn eigen beginsel maar ook gevolg van den invloed, door Kuenen en Opzoomer op hem en zijne leerlingen uitgeoefend. Kuenen was door zijne kritiek van het O. Test. (Hist.-Krit. Inl. 1861 v.) tot de overtuigjng gekomen, dat de Israelitische godsdienst zeer goed zonder eenig supranaturalistisch element kan worden verklaard. En Opzoomer kwam, na eene korte Krauseaansche periode, onder den invloed der wijsbegeerte van Comte en Mill en huldigde weldra het empirisme, dat voor wonderen geen plaats overliet. De gevolgen van dit alles bleven niet uit. De illusie werd verstoord, het geloof en de geestdrift gingen verloren. Sommige predikanten, zooals Pierson en Busken Huet legden hun ambt neer en verlieten de kerk. Anderen voelden zich onvoldaan door het monisme van Scholten. De behoefte des harten had aan zijn intellectualisme niet genoeg. En de zedelijke natuur van den mensch was onbevredigd door zijn determinisme. Een geheele groep van moderne theologen maakte van Scholtens stelsel zich los en sloot zich nauwer aan Hoekstra aan. Deze was niet zooals Scholten bij Hegel maar bij Kant ter schole gegaan. Hij zocht den grond van het godsdienstig geloof niet in de rede maar in het gemoed, in de zedelijke natuur van den mensch, en had ook tegen Scholten de wilsvrijheid verdedigd. De nieuwe ethische richting, welke nu onder de modernen opkwam, liet zich aldus hooren: al zouden wij ook door de rede tot God als het Absolute kunnen komen, dat Absolute is toch niet de God, dien ons harte behoeft. Maar de |174| schepping predikt geen liefderijk God. Den God, dien wij behoeven, vinden wij niet buiten ons maar alleen binnen in ons. Godsdienst is toewijding aan het zedelijk ideaal, aan de macht van het goede, aan het Du sollst des gewetens. Godsdienst is geen wetenschap en geen wereldbeschouwing, maar godsdienst is eene bijzondere levensopvatting. Reine zedelijkheid, heiligheid is de inhoud der religie. En sommigen van deze richting gingen zoo ver, dat er niet ten onrechte van eene atheïistische nuance onder de moderne theologen gesproken werd.
Meer dan 10 jaren, ongeveer van 1868 tot 1878, is er tusschen de intellectualisten en de ethischen onder de modernen een hevige strijd gevoerd. Maar geen van beiden heeft de zege behaald, en verzoening is evenmin gevonden. Alleen is de verwarring toegenomen. Over en weer heeft men wat van elkander overgenomen, zoodat er aan schakeeringen geen gebrek is. De verschillen betreffen vooral den oorsprong, het wezen, de openbaring, de waarde van den godsdienst, de verhouding van godsdienst en zedelijkheid, en die van godsdienst en wetenschap. Ook het werk van Prof. Rauwenhoff, Wijsbegeerte van den godsdienst, eerste gedeelte, Leiden 1887 (onvoltooid wegens den dood des auteurs in Jan. 1889) heeft geen eenheid gebracht. Hoeveel belangstelling en waardeering het ook ondervond, het neemt in de verste verte voor de tweede periode der moderne theologie de plaats niet in, welke Scholtens werk in de eerste veroveren mocht. Aan kritiek heeft het dan ook niet ontbroken. Rauwenhoff verklaart den oorsprong van den godsdienst uit de zedelijke aandoeningen van eerbied en ontzag, die naar eene of andere aanleiding door den primitieven mensch op eene natuurmacht |175| worden overgedragen en hem daarin zijn God deden zien. Het wezen van den godsdienst vindt Rauwenhoff in het geloof aan eene zedelijke wereldorde, hetwelk voor de wetenschap onaantastbaar is. Maar de vorm, waarin dat wezen zich altijd openbaart, is geloof aan eene bovenzinlijke persoonlijke macht, en deze is gewrocht der dichtende verbeelding. Het bevreemdt niet, dat deze denkbeelden geen algemeene instemming vonden en geen eenheid gebracht hebben.
De moderne theologie bleek sterk in het afbreken, maar in het opbouwen zwak.
*
Wanneer wij nu ten slotte de drie beschreven richtingen nog even overzien, is er iets tragisch in deze ontwikkeling der dogmatische gedachte. Het is een langzaam ontbindingsproces. Het begon met de terzijde stelling der belijdenis; alleen de Schrift moest gehoord worden. Dan wordt ook de Schrift losgelaten en gaat men tot den persoon van Christus terug. Van den persoon van Christus wordt echter eerst zijne Godheid, dan zijn prae-existentie, vervolgens ook zijne zondeloosheid prijs gegeven, en er blijft niets van hem over dan een godsdienstig mensch, een religieus genie, die ons Gods liefde openbaart. Maar ook dat bestaan en die liefde Gods blijken voor de kritiek niet bestand. Zoo is dan het zedelijke in den mensch de laatste grondslag, waarop men tegenover het materialisme zich zoekt te handhaven. Maar ook die grondslag zal blijken, onvast en wankel te zijn.
*
4. De Utrechtsche School.
Hoevelen er ook met de bovengenoemde richting op den weg der ontkenning werden medegevoerd; onder |176| het volk bleef er altijd nog eene kern, die niet mee afdreef op dien stroom maar aan Schrift en belijdenis vasthield. En onder de hoogere standen kwam er eene herleving des geloofs door den Reveil, die na de restauratie door persoonlijk bezoek, en door geschriften van uit Zwitserland ook hier werd overgeplant. De mannen van den Reveil waren echter lang niet allen kinderen ééns geestes. Eerst merkte men dat zoo niet. Maar langzamerhand kwamen de verschillen over belijdenis, theologie, Kerk, Staat, Universiteit, enz. voor den dag. Uit deze verschillende inzichten, die van huis uit onder de geloovigen aanwezig waren, werden straks op wetenschappelijk gebied ook verschillende theologische richtingen geboren.
Het eerste belangrijk teeken van leven, dat van geloovige zijde op wetenschappelijk-theologisch terrein werd gegeven, waren de Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theologie, die in 1845 begonnen teverschijnen onder redactie o.a. van Dr. J.I. Doedes, en Dr. J.J. van Oosterzee. De laatste opende het met eene Proeve over den tegenwoordigen toestand der apologetische wetenschap en hare wenschelijke ontwikkeling in onze dagen en zocht den laatsten grond voor de waarheid van het christendom niet in verstandelijke redeneeringen en historische bewijzen, maar in het gevoel, in de ervaring des christens. Maar na eene scherpe kritiek van Opzoomer, die in 1846 tot Hoogl. in de Wijsbeg. te Utrecht werd benoemd, verklaarde van Oosterzee korten tijd daarna in hetzelfde tijdschrift, dat hij vroeger door gidsen uit de school van Schleiermacher op de baan van het subjectivismewas geleid maar nu in de feiten het eerste en het objectieve bewijs voor de waarheid des christendoms zag. |177| Daarmede kwam hij op denzelfden weg, die ook door zijn ambtgenoot Doedes bewandeld werd. Eerst beiden predikant te Rotterdam, kwamen ze weldra als Hoogleeraren te Utrecht weer in elkanders nabijheid, Doedes in 1859, van Oosterzee in 1863. Er was tusschen hen, ook in verband met hun aanleg en gaven, op theologisch terrein een niet onbelangrijk verschil, rakende de verhouding van gelooven en weten. Doedes oordeelde, dat er van God en goddelijke dingen in den eigenlijken zin geen weten mogelijk was, en maakte dus tusschen gelooven en weten eene scherpe en streng volgehouden scheiding. Van Oosterzee meende daartegenover, dat de Theologie, die uit het geloof wordt geboren, wel ter dege eene wetenschap was; natuurlijk eene eigensoortige, eene wetenschap des geloofs, maar niettemin evengoed eene wetenschap als de andere vakken van hooger onderwijs. Maar de overeenstemming, die tusschen de beide Hoogleeraren bestond, heeft dat verschil bij de leerlingen der Utrechtsche School geheel op den achtergrond doen treden. En die overeenstemming was groot. In de pars formalis der dogmatiek hebben zij het oude Supranaturalisme vernieuwd. De laatste gronden voor het geloof werden gezocht in historische bewijzen. Wel werd erkend, dat die bewijzen, om iemand te overtuigen en tot het geloof te brengen, eene zekere gesteldheid des harten, eene zedelijke gezindheid onderstelden. De bewijzen, waarop het geloof rustte, waren geen bewijzen in stricten zin, maar alleen gronden, die door het vertrouwen van het subject aangevuld en voldoende geacht moesten worden. Maar toch lagen de gronden van het geloof op het gebied van het weten. Niets werd aangenomen dan na voorafgaand onderzoek.
En Doedes ging zelfs zoover dat hij eenmaal |178| uitsprak, dat als er geschreven, staat: de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God, men eerst diende te onderzoeken of die dwaas geen gelijk had. Beiden namen hun theologisch standpunt dus niet in maar vóór en buiten het geloof in het weten. Optredende in een tijd, dat Groningers en Modernen met zelfbewustheid de orthodoxie bestreden, zagen zij zich geroepen, om tegenover deze richtingen hun geloof te rechtvaardigen. Van Oosterzee laat daarom in zijn dogmatiek een breeden apologetischen grondslag aan de thetische uiteenzetting des geloofs voorafgaan. Apologetiek en polemiek waren daarom de beide wapenen, die door de Utrechtsche Hoogleeraren met voorliefde werden gehanteerd. En al is het nu, dat zij door dit hun supranaturalistisch standpunt de zelfstandigheid der theologie niet genoeg hebben gehandhaafd, maar het geloof lieten afhangen van en zich lieten schikken naar het weten, in hun tijd was deze positie misschien de eenig mogelijke, zij hebben de Groningers en Modernen wel niet gewonnen, maar toch het zwakke en wankele geloof bij velen in eigen kring versterkt, en een terrein geëffend, waarop de volgende theol. richtingen optreden konden.
Met dit apologetisch standpunt staat ten nauwste de inhoud hunner dogmatiek in verband. In vergelijking met de diepe klove, die hen van hunne tegenstanders scheidde, schenen de verschillen klein en gering, welke er onder de geloovigen aanwezig waren. Op die verschillen zijn zij niet ingegaan. Het confessioneel bewustzijn is door hen niet gewekt. Het was hun genoeg, als zij, de bolwerken van het christendom prijsgevende, slechts de vesting mochten behouden. Op kenmerkend gereformeerde leerstukken legden zij niet den nadruk, maar de groote hoofdwaarheden van het christendom |179| werden door hen met moed beleden en verdedigd. Van Oosterzee had tot spreuk: Christianus nomen, Reformatus cognomen. Hij bleef in zijne dogmatiek wezenlijk staan bij de theologie van den Reveil, bij de onveranderlijke waarheden der Hervorming.
En Doedes ging nog verder terug en gaf in zijne Leer der Zaligheid eene eenvoudige bijbelsche theologie. Voorstanders eener gematigde orthodoxie, konden zij daarom met de later optredende streng-geref. theologie volstrekt niet medegaan. Zulk een confessionalisme stond hun sterk tegen de borst. Van Oosterzee kwam er nog in de laatste jaren van zijn leven tegen op, o.a. in zijne verhandeling over de Theopneustie 1880. En Doedes legde er een krachtig getuigenis tegen af in twee werken, over de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, 1880 en den Heidelb. Catechismus, 1881, waarin hij deze beide confessies aan eene scherpe maar niet diepgaande kritiek onderwierp.
Desniettemin, al is de orthodoxie hun ook boven het hoofd gegroeid en voorbijgestreefd, zij hebben jegens de Theologie en de Kerk, in Nederland zeer groote verdiensten. Zij hebben in een tijd, toen de orthodoxie algemeen als een verouderd, en totaal overwonnen standpunt gold, de belijdenis van den Christus naar de Schriften zich niet geschaamd, en velerlei smaad en miskenning om harentwille gedragen. Zij hebben een geslacht van predikanten gekweekt, die de groote waarheden van Schrift en belijdenis weer met moed en vrijmoedigheid hebben verkondigd. Nog tot op den huidigen dag zijn de meeste geloovige predikanten in de Herv. Kerk discipelen van hun school en kinderen huns geestes. En aan de Akademiën is hunne richting, zij het ook min of meer gewijzigd, thans nog |180| vertegenwoordigd door de Hoogleeraren Cramer en Lamers te Utrecht, die samen uitgeven: Bijdragen op het gebied van Godgeleerdheid en Wijsbegeerte en de kerkelijke Hoogleeraren, van Leeuwen te Utrecht, en Kruijf te Groningen.
*
5. De Ethische Theologie.
Hoe groot de invloed der Utrechtsche School ook was, zij voldeed niet aan allen. Naast haar trad weldra eene andere theol. richting op in den persoon van D. Chantepie de la Saussaye, (geb. 1818, pred. te Leeuwarden 1842, te Leiden 1848, te Rotterdam 1862, hoogl. te Groningen 1872-74), eene beminnelijke persoonlijkheid, een diep denker, een machtig prediker. Hij kon zich in geen der bestaande richtingen vinden. De Reveil was hem te ontheologisch, de Groninger Theologie te onphilosophisch, de orthodoxie te onwetenschappelijk en de Moderne Theologie te ongeloovig. Hij zocht naar iets anders en beters en vond dat in de Duitsche Vermittelungstheologje van Nitzsch, Twesten, Müller, Dorner, Rothe e.a. Hij wilde evenals dezen behoud van het geloof maar ook van de wetenschap. De orthodoxe dogmatiek kon zoo maar niet geloovig aangmomen worden. Zij begon met a priori het gezag der H. Schrift vast te stellen en belette daardoor het vrije onderzoek. Zij plaatste de leer vóór het leven, veranderde het geloof daardoor in eene verstandelijke daad en leed alzoo aan een verderfelijk intellectualisme. De philosophie van Kant en de historische kritiek van de H. Schriften hebben bovendien dit orthodoxe standpunt ook volkomen geoordeeld. Daarom moet er een andere weg worden ingeslagen, om op godsdienstig-zedelijk gebied de waarheid deelachtig te worden. En die weg is de |181| ethische. Dat wil zeggen: niet de mensch met zijn redeneerend verstand, maar de mensch met zijn gemoed, zijn hart, zijn geweten, d.i. de ware, de zedelijke mensch erkent en verstaat alleen de waarheid. In de taal der Schrift gesproken: alleen wie wedergeboren is uit water en Geest, kan het Koninkrijk der Hemelen zien. (Joh. 3 : 3.) Wie Gods wil doet, verstaat van Jezus leer, dat ze uit God is. (Joh. 7 : 17.) Maar zulk een gelooft dan niet op eenig uitwendig gezag van Schrift, Kerk, historische bewijzen, maar alleen op grond van eigen ervaring (Joh. 4 : 42), op grond van het gezag dat de waarheid in zichzelve heeft. En zulk een gelooft niet met zijn verstand eenige rechtzinnige stellingen. Dat is geen waarachtig geloof. Geloof is geen werk des verstands maar eene zaak des harten; geloof is leven. Het is het leven des H. Geestes in ons, de vervulling van onze ethische aspiratiën, het is het ware, volkomen natuurlijke, echt-menschelijke leven. En wat zoo iemand gelooft, d.i. de waarheid, bestaat niet in eenige verstandelijke dogmata, in eene leer of eene belijdenis. Neen, de waarheid is niet iets intellectueels, zij is door en door zedelijk van nature, zij is persoonlijk, zij is de levende Christus zelf. Dat zijn de ware geloovigen, die in hun hart gemeenschap hebben met den levenden, persoonlijken Christus; in Hem zijn zij de waarheid deelachtig, ook al is hun belijdenis van den Christus nog zoo onzuiver. Maar dat leven des geloofs, dat zetelt in het hart, blijft niet binnen dat hart besloten. Het werkt in op heel den mensch, openbaart zich in al zijne daden, het verheft zich in zijn verstand tot bewustheid. Zoo ontstaat de roeping der theologie, om dat geloofsleven in te denken en te formuleeren. De leer volgt dus op het leven. De |182| dogmatiek is gebouwd op de ethiek. Dogmata zijn beschrijvingen, maar altijd feilbare, van het leven des geloofs. Daarom moeten die dogmata altijd opnieuw aan kritiek worden onderworpen. Ze moeten telkens weer in den smeltkroes worden geworpen, opdat de goede erts van de leemen bestanddeelen gereinigd worde. Gevaar is hier niet aan verbonden. Want al wisselt de vorm, de inhoud blijft. Het geloofsleven staat en valt niet met eenige dogmatische formule of met een resultaat der historische kritiek. Het is onafhankelijk en schept zich altijd nieuwe vormen. De gemeente kan bij die kritiek niets verliezen maar alles winnen.
En nu was het volgens de la Saussaye thans vooral een tijd, waarin alle dogmata gereconstrueerd moesten worden. De Theologie had de gewichtige taak, om ze van hun scholastischen vorm te ontdoen, ethisch te vernieuwen en christologisch om te werken. Alle dogmata, Inspiratie, Triniteit, Schepping, Christus, de Voldoening, de Kerk, ze moesten zulk eene herschepping ondergaan. En Saussaye arbeidde in dien geest. Wat er zoo van de verschillende dogmata terecht kwam, is licht te bevroeden. Verkiezing b.v.b. was geen eeuwig besluit Gods meer maar werd nu de persoonlijke mededeeling Gods aan den mensch. Voldoening bestond niet meer in het volbrengen van Gods, wet en het dragen van Zijn toorn, maar was de eenheid van God en mensch, door Christus met zijne vleeschwording begonnen en in zijn dood gehandhaafd en voltooid enz. Veel nieuws werd bij deze omsmelting der dogmata door Saussaye niet geleverd; de duitsche Vermittelungs-theologie had dit alles reeds voor hem gedaan.
Toch is zijne beteekenis voor de Nederlandsche Theologie niet gering te schatten. Niet alleen is hij door |183| zijne machtige en boeiende prediking voor velen ten rijken zegen geweest. Maar hij heeft het intellectualisme en empirisme met kracht bestreden, de verduisterende werking der zonde in het licht gesteld en de noodzakelijkheid der wedergeboorte voor de erkentenis der waarheid nadrukkelijk betoogd. Boven de Utrechtsche Theologie had hij dit vooruit, dat hij niet vooraf in eene breede en altijd wankele apologetiek het recht van zijn geloof behoefde te betoogen, maar aanstonds, ook tegenover de modernen, zich kon beroepen op en aansluiten aan het geweten in den mensch. Niettemin is het aantal van hen die dezen theoloog met bewustheid volgden, niet groot geweest. Aan de Akademie werkte hij te kort, om een schare van discipelen te vormen. Daarontegen heeft hij in Dr. J.H. Gunning, vroeger predikant te s Gravenhage, daarna kerkelijk hoogleeraar te Amsterdam en thans hoogleeraar te Leiden, een talentvollen medestander gehad, die zijne denkbeelden trouw heeft overgenomen maar ook nog met eenige theosophische en apocalyptische beschouwingen verbindt.
Onder de Hoogleeraren behooren tot zijne richting zijn zoon P.D. Ch. de la Saussaye, schrijver van het Lehrbuch der Religionsgeschichte 1887-9, te Amsterdam, Valeton te Utrecht, Van Dijk, Wildeboer en van Rhijn te Groningen; terwijl enkele predikanten, Dr. Daubanton, e.a. een tijdschrift Theologische Studiën redigeeren, dat de beginselen der ethische Theologie voorstaat.
*
6. De Gereformeerde Richting.
De Apologetische en de Ethische Theologie, hoezeer ook op waardeering aanspraak hebbend, leden toch aan |184| twee groote gebreken. Ten eerste waren hare beginselen niet van zulk eene innerlijke vastheid, dat zij op den duur tegen het moderne ongeloof bestand bleken te zijn. En ten andere waren zij juist daardoor niet bij machte, om het gereformeerde deel onder de geloovigen aan zich te verbinden. Het was te voorzien, dat op de periode van verzoening en bemiddeling in de Theologie, straks als de ijdelheid ervan was gebleken, een tijd van scheiding en uiteengaan volgen moest. In weerwil toch van alle achteruitzetting en onderdrukking bleef er nog een aanzienlijk gedeelte onder de geloovigen aan de Geref. waarheid getrouw. In het begin der eeuw waren er slechts weinige predikanten van hun geest; meest vergaderden ze daarom in gezelschappen, voedden zich met de oude schrijvers, en klaagden over den vervallen toestand der kerk. En die toestand was treurig. Een geest des diepen slaaps was over heel de kerk uitgegoten; het koude dorre supranaturalisme heerschte alom. En daarbij had de Koning in 1816 zonder recht en zonder reden aan de Ned. Herv. Kerk eene inrichting en bestuur geschonken, welke met de prestyteriale regeering geheel in strijd waren. Het ontbrak niet aan klachten en betuigingen van smart. Maar eerst in 1834 kwam het tot eene moedige daad. Verhinderd om te spreken en te handelen naar Gods Woord en de belijdenis der kerk, scheidden vele Gereformeerden overeenkomstig art. 29 der Ned. Geloofsbel. van het Ned, Herv. Kerkgenootschap als de valsche kerk zich af, en gaven geboorte aan de Christelijke Gereformeerde Kerk. Maar hoe invloedrijk die Afscheiding ook was en later meer en meer werd, ook voor de Ned. Herv. Kerk, toch was het getal dergenen die meegingen gering; verreweg het grootste gedeelte der Gereformeerden bleef achter. |185|
Maar nu waren er onder de mannen van den Reveil, die steeds enger aan die Gereformeerden onder het volk zich aansloten. Onder hen moet in de eerste plaats Bilderdijk † 1831 worden genoemd. Vooral in twee opzichten is deze voor de Geref. richting van beteekenis geweest. Vooreerst door rusteloos en onvermoeid in proza en poëzie, in woord en daad de belijdenis van Gods volstrekte Souvereiniteit te handhaven en te verdedigen tegen alle deisme, rationalisme en pelagianisme. En dan ten andere ook, door tijdens zijn verblijf te Leiden op samenkomsten, waar hij allerlei belangrijke onderwerpen vooral ook de Vaderlandsche geschiedenis behandelde, eene schare discipelen te vormen, die evenals hij principieel bezwaar hadden tegen den geest der eeuw. Onder hen moet hier vooral genoemd worden Mr. G. Groen van Prinsterer, geb. 1801, gest. 1876, die door zijne studie van Plato, door de beoefening van de Geschiedenis des Vaderlands en door zijne latere kennismaking met Reveilmannen steeds meer gedreven werd niet maar in algemeen christelijke, maar bepaald in, christelijk-historische richting. In 1831 was naar zijn eigen later getuigenis deze zijne christelijk-historische of antirevolutionnaire opvoeding voltooid en zijne schets dier beginselen gereed.
Van den beginne aan nam Groen onder de mannen van den Reveil een eigen standpunt in. Aan de historie van eigen land en volk zich aansluitend, legde hij nadruk op het christelijk karakter der natie en op het recht der Hervormde gezindheid. In 1842 diende hij daarom met zes andere Haagsche Heeren een adres in bij de Synode der Ned. Herv. Kerk, om het recht der Geref. belijdenis tegen de Groningers te handhavan. Dit jaar kan het geboortejaar heeten van de |186| confessioneele partij in de Ned. Herv. Kerk, en de aanvang der scheiding tusschen de geloovige christenen onderling. Maar deze scheuring zou spoedig grooter worden. Groen kwam niet alleen in de kerk op voor het Recht der Herv. Gezindheid, waarover hij in 1848 een belangrijk werk het licht deed zien. Hij was ook Evangeliebelijder op het gebied van de Staatkunde. In 1847 gaf hij zijn standaardwerk over Ongeloof en Revolutie uit. En in 1849 werd hij verkozen tot Lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dit jaar kan men daarom noemen het geboortejaar der Antirevolutionaire partij. De Gereformeerde partij van Groen werd nu ook eene staatkundige partij. Zoo kwam er niet alleen kerkelijk maar ook staatkundig eene scheiding onder de christenen tot stand.
Toch was er nog één terrein, waarop overeenstemming bestond en samenwerking mogelijk was. Dat was het christelijk lager onderwijs, hetwelk toenmaals het voornaamste artikel was van het Antirevolutionaire program. Op dit terrein zocht Groen samenwerking te behouden. Hij dreef het gereformeerde niet door, hij stond pal bij de onveranderlijke waarheden der Hervorming en trachtte daarin Confessioneelen, Ethischen, Lutherschen, Doopsgezinden, Afgescheidenen enz. te vereenigen. Maar in 1857 werd onder het Ministerie van Van der Brugghen, vriend en geestverwant van Chantepie de la Saussaye, de neutrale godsdienstlooze Staatsschool ingevoerd. Dat was een slag in het aangezicht der christelijk-historische partij, te pijnlijker, omdat hij door een mede-belijder toegebracht werd. Nu brengt Groen eene gewichtige verandering in zijne politiek. Tot dusver had hij verdedigd het christelijk karakter van den Nederlandschen Staat en van de |187| Staatsinstellingen. Maar bij zijn terugkeer in de Tweede Kamere in 1862 verklaart hij in de door den Staat vrijwillig aanvaarde neutraliteit te berusten. Nu verlangt hij vrije scholen als regel en openbare neutrale scholen als uitzondering; nu neemt hij in zijn politiek program op scheiding van Kerk en Staat; nu eischt hij opheffing der theol. faculteiten aan de Overheidsuniversiteiten. Deze wending in Groens politiek was wederom voor velen een motief tot scheuring; het verschil in beginselen tusschen de geloovige christenen op het gebied van Kerk, Staat en School kwam hoe langer hoe duidelijker uit; zelfs vele Gereformeerden in het Ned. Herv. Kerkgenootschap gingen met Groen in deze nieuwe richting niet van harte mede. Zoo was de principieele scheuring reeds tijdens Groens leven een feit.
Maar na zijn dood in 1875 trok zij nog verder door. Het strenge Calvinisme, waarbij Groens opvolger zich aansloot, de oprichting der Vrije Universiteit, de losmaking der doleerende kerken van het Synodaal verband, en eindelijk de democratische richting, waarin de antirevolutionaire partij zich onlangs wenschte te bewegen, hebben velen van de Gereformeerden en van hunne belijdenis vervreemd. Daartegenover staat echter de winst, dat de kerken der scheiding en der doleantie vereenigd zijn en samen eene niet onaanzienlijke macht vormen tot handhaving en verbreiding der Gereformeerde beginselen. In dit opzicht ligt op die kerken eene schoone en dure roeping.
De Geref. Theologie is schier eene eeuw lang zonder wetenschappelijke beoefening gebleven. Zij staat thans plotseling tegenover allerlei machtige problemen, die vroeger in het geheel niet of in veel eenvoudiger vorm voor haar bestonden. Zij moet overgeleid worden in |188| deze eeuw en toegepast worden op de verschillende vraagstukken, die thans van alle zijden aan de orde worden gesteld. Andere richtingen, die achtereenvolgens in ons vaderland zijn opgetreden, zijn onmachtig gebleken om het ongeloof te keeren en zelve het geloof te behouden. Zij zijn mede afgedreven op den stroom en bezaten het weerstandsvermogen niet, dat tegen revolutie en evolutie beide van noode is. Moge het dan aan de Geref. Kerken gegeven zijn, om aan eene Theologie het aanzijn te schenken, die eenerzijds den schat van het verleden bewaart maar andererzijds ook de rechten van het heden erkent, en gelooven en weten weer in de rechte verhouding stelt tot elkaâr.
Kampen.
H. Bavinck.
1. Dit opstel werd met eenige uitbreiding en in Engelsche vertaling door Prof. G. Vos het eerst geplaatst in The Presbyterian and Reformed Review, April 1892.
a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Zie de voorafgaande Engelse uitgave: Recent Dogmatic Thought in the Netherlands, The Presbyterian and Reformed Review 3 (1892) 209-228.
|