Bilderdijk als denker en dichter

door Dr. H. Bavinck

Kampen — J.H. Kok — 1906

a



Voorrede

Van twee groote mannen herdenkt ons volk in dit jaar den geboortedag. Den 15den Juli a.s. is het drie honderd jaren geleden, dat Rembrandt Harmensz. van Rijn te Leiden het levenslicht aanschouwde, en den 7den September e.k. is juist de helft van dien tijd voorbijgegaan sedert den dag, waarop Willem Bilderdijk te Amsterdam geboren werd. Het gedenkfeest van den eerste zal in belangstelling en huldebetoon dat van den laatste zonder twijfel ver overtreffen. Want Rembrandts meesterstukken zijn over heel de beschaafde wereld verspreid en bekend; de dicht- en prozawerken van Bilderdijk zijn beperkt tot een kleinen kring en worden door weinigen gelezen. Gene vertegenwoordigende den tijd van den bloei der Republiek, heeft zich eene internationale vermaardheid verworven; deze, levende in de periode van het verval en den val der Republiek, heeft zelfs geene matige populariteit binnen de grenzen van zijn eigen land behaald.

Toch bestaat er tusschen deze mannen eene merkwaardige overeenkomst. Beiden hebben de zorgen des levens gekend. Ongunst der tijden was beider deel. In de moeilijke handelingen van den leeftocht is elk hunner, meer dan hem lief was, ingewikkeld geweest. In beider leven en kunst nam de liefde eene breede plaats in. Beiden besteedden veel zorg en moeite aan de studie en teekening van eigen persoon. Maar bovenal, uit de smarten des levens werd bij beiden het heimwee naar licht en harmonie geboren. Ze zagen opwaarts naar het licht, dat met gouden glans inviel in de sombere diepten van het aardsche bestaan. Ze vingen het in de eerste plaats op uit de openbaring Gods in Zijn Woord; Rembrandt en Bilderdijk waren beiden, elk op zijne wijze, leerlingen des Bijbels en vertolkers van voorstellingen en gedachten |8| der Schrift. En daarna zagen zij het rondom zich heen, in Gods wijde schepping; somber, donker, vol schaduwen was het leven, maar het licht viel erin van omhoog, overtoog het niet een glans van heerlijkheid; en uit de donkerte trad onder sterke belichting het beeld naar voren, dat hunne en onze ziel bekoort en juichen doet in zalige harmonie.

Ook Bilderdijk is na en naast Rembrandt de herdenking waard. Hoeveel over hem geschreven zij, nog is hij een onbekende in zijn eigen land, een onbegrepene door zijn eigen volk. Door analyse alleen, door eene, zij het ook volledige, opsomming van bijzonderheden uit zijn leven en werken, leert men dezen man niet verstaan. Er moet de synthese bijkomen, die hem grijpt in zijne eenheid en tot de harmonie van al zijn denken en dichten doordringt. Want Bilderdijk was een mensch op zichzelf, levend te midden van zijn veelbewogen tijd in eene eigen wereld van gedachten, een oorspronkelijke, zelfstandige geest, en, trots alle tegenstrijdigheden, die er in hem op te merken zijn, een man uit één stuk.

De volgende bladzijden trachten eene schets te geven van Bilderdijks levens- en wereldbeschouwing, welke door zijne biografen soms wel in het kort ter sprake gebracht, maar nooit volledig in hare eenheid werd uiteengezet. Ze handelen van Bilderdijk als denker en dichter, of liever van Bilderdijk als denker-dichter. Want beide was Bilderdijk tegelijk en in één. Opdat men een zuiver beeld van die wereldbeschouwing ontvangen zou, heb ik telkens aan Bilderdijk zelf het woord gegeven, en niet alleen aan den poëet, maar vooral ook aan den veel te weinig bekenden prozaïst. De lectuur zal elk de overtuiging verschaffen, dat men zich eenige moeite getroosten moet, om in de gedachtenwereld van Bilderdijk in te dringen. Maar heeft men deze verstaan, dan wordt er licht door verspreid over heel zijn persoon en arbeid. De kennis van den denker komt ten goede aan de waardeering van den mensch en den dichter. En de contrasten in zijn zielsbestaan wijken terug voor de eenheid van zijn zinnen en streven.


Amsterdam, Mei 1906.

H. BAVINCK. |9|


I. Bilderdijks persoonlijkheid

Bilderdijk is een man van scherpe tegenstellingen geweest. Ieder, die met hem in aanraking komt, voelt zich beurtelings door hem aangetrokken of afgestooten, tot bewondering of tot verwondering gestemd. Hetzij men zich onder zijne geestverwanten of onder zijne tegenstanders schare, men komt nu eens onder de bekoring van zijne persoonlijkheid en van zijne kunst, en wendt dan weer met verbazing, met ergernis, met droefheid van zijne woorden en handelingen zich af. Gevoelens van diepe vereering en dankbare liefde wisselen met gewaarwordingen van wrevel en medelijden af. In elk geval is het geen gewoon mensch geweest, die ons aldus uit onze onverschilligheid wakker schudt, en de meest verschillende aandoeningen in ons gemoed teweegbrengt 1.

Reeds in de verschijning en den omgang kwamen deze tegenstrijdigheden van den mensch Bilderdijk voor den dag. Bij Goethe, die ook uiterlijk rijk door de natuur was bedeeld, in zijne jeugd bij Apollo en in zijn mannelijken leeftijd bij een Jupitersbeeld werd vergeleken, steekt Bilderdijk geweldig af 2. Zijne stroeve; gelaatstrekken, zijne zware, borstelige wenkbrauwen, zijne sombere oogen, zijne achttiende-eeuwsche, nog aan den tijd en het hof van Lodewijk XIV herinnerende statigheid, zijne ouderwetsche kleeding, maakten hem tot een vreemdeling in zijn eigen tijd, en hielden ieder onwillekeurig op een afstand. Volgens |10| Jeronimo de Vries 3 was de vader van Bilderdijk een man, om bang voor te worden, en de zoon had daarvan iets overgeërfd. Daar hij onbeholpen en verlegen was, zich niet gemakkelijk bewegen kon en steeds door de vrees voor een dwaas figuur werd gekweld, voelde hij zich in een groot gezelschap niet op zijn gemak, vervulde hij op een diner of partij meest eene zwijgende rol en vond hij praten de moeilijkste zaak ter wereld 4.

En toch was het, alsof diezelfde man, als hij in een intiemen kring zich thuis gevoelde en loskwam, een ander mensch werd. Dan richtte zijne gestalte zich op, verdwenen de rimpels uitzijn voorhoofd, begon zijn oog te glanzen, en nam hij door zijne levendigheid, door zijne hoffelijkheid, door zijne geestigheid, allen voor zich in. Welke aanmerking er dan ook met volle recht op Bilderdijk als mensch te maken zij, dit pleit altijd sterk te zijnen gunste, dat hij, naar het getuigenis van Willem van Hogendorp, meer nog door den persoonlijken omgang dan door zijne geschriften, een kring van trouwe, aanhankelijke vrienden wist te winnen, die met zijne wijze van zien en denken zich geheel vereenigden 5.

Scherper zijn nog de tegenstellingen, die in Bilderdijks zieleleven zich aan ons voordoen. Eenerzijds was hij somber, zwartgallig, pessimist; hij beziet alles van de donkerste zijde, klaagt over alles en nog wat, over zijn hoofd, zijn hart, zijn maag, zijne ingewanden, zijne nieren, over wind en weder, over huis en bezoek, over Engeland, Duitschland en Holland, over Amsterdam en Leiden en Haarlem, over de gansche wereld. Hij noemt deze wereld een misthoop, een dolhuis, een slijkpoel 6, dit leven eene hel 7, zichzelf den ellendigste aller menschen 8. In 1827 schrijft hij: Het schijnt, dat de Voorzienigheid mij alle aardsche rampen heeft willen doen doorgaan. Jammerlijke lichaamspijnen, kwellingen van geest en gemoed, beslommeringen van allerlei aard, |11| hoon, smaad, lijfs- en levensgevaren, ballingschap, armoe en gebrek, trouweloosheden van alle bedenkelijke zijden, nachtwaken, zwerven en zwoegen, met allerhande verdrukkingen zijn mooglijk nooit in zulk eene aanhoudende ophooping en overstelping aan eenig mensch in den loop van een eeuw tijds overkomen, als mij van ’t begin mijner heugenis tot heden 9. Indien hij drie dagen van zijn leven kiezen moest om weer te herhalen, hij zou er geen weten 10. Het leven was hem geen genot, maar een last, zwaarder, dan zijn zwakke schouders paste, een samenweefsel van verdrieten, eene straf, die hij met moeite droeg. Van zijne jeugd afaan had hij reeds naar den dood verlangd. In zijn Afscheid van het jaar 1811 zegt hij, in groote overdrijving, dat bij reeds in de wieg lag te schreien van verlangen naar den dood:

’k Zocht voor zesmaal negen jaar

De moederlijke borst, en, van die borst, de baar.
’k Lag in mijn wiegj’ alreeds met natbeschreide wangen
In ’t dorsten naar de dood te smachten van ’t verlangen. 11

Voortdurend aan zijn klachten zich overgevende, vervloekte hij soms zijn geboortestond 12:

Ik haat het leven dus, als elk een voedsel haat,
Dat sap- en smaakloos walgt, en d’ eter nooit verzaadt.
O God! hoe hard is ’t lot, waartoe ik werd geboren!
Ja, ’t leven is me een straf, en — zonder nut verloren.
Vertrappeld in het slijk op dees gevloekten grond,
Verwensch ik ’t oogenblik van mijn geboortestond.

Eene enkele maal, in 1810, kwam het zelfs zoover, dat hij, der wanhoop nabij, indien God het niet verhoed had, aan eigen leven de hand zou hebben geslagen 13.

Maar ter andere zijde, Gorter heeft terecht opgemerkt, dat ook in Bilderdijks zwartsten tijd, tusschen de onheiligste uitbarstingen van wrevel en bitterheid door, zich nog stille berusting, vast vertrouwen en roerende dank een weg banen 14. Er kwamen oogenblikken, waarin Bilderdijk de heerlijkheid en de weelde van het leven erkende. Trouwens in de periode van zijn leven, |12| die met zijne ballingschap eindigde, is er van zijn later pessimisme nog niet zoo heel veel te bespeuren. Als student is hij voor de vriendschap van J.H. van der Palm overdreven dankbaar 15; aan zijn vriend Bussingh geeft hij den raad: wees wijs, gevoel, geniet, en juich in uw bestaan 16; zijne erotische verzen uit dien tijd zijn vol dartelen levenslust 17. In zijne eerste vrouw bezong hij „de beminlijkste, edelste, en voortreflijkste aller giften van Hem, wiens milde hand van enkel zegen stroomt” 18. Aan de vadervreugd, welke hij genoot bij de geboorte van zijn eerste kind op 8 Sept. 1785, gaf hij uiting in een wonderschoon gedicht: Aan mijn dochterken 19. En in den Wiegezang bij datzelfde kind roept hij uit: Het leven heeft ook zaligheên 20. Zijn tweede huwelijk was een echt van wederzijdsche onverflauwde liefde; de gansche arme wereld bevatte zulk een goed niet, als hem in zijne gade geschonken was 21. Het is ook niet geheel juist, of althans voor misverstand vatbaar, wat Gorter schrijft: als Bilderdijk geestig en luimig wilde zijn, raakte hij meestal de klus kwijt, werden zijne aardigheden grof en zijne beelden gezocht. Wat ging den grooten dichter ongelukkiger af dan scherts en jokkernij, onbehouwener dan puntigheid en satire? 22 De zes Luimige Brieven aan zijne eenige zuster 23, tal van verzen zooals De Vloek 24, Het Pensioen 25, De eed der meisjes 26, De drie lessen van het recht 27, De geroofde hairlok 28, Robbert de Vries 29, Het Rechtsgeding 30, De Nachtegaal en de Koekoek 31, De Koekeloer of de eerste April 32, De Volksstem 33, De opdracht van den Muis- en Kikvorschstrijd 34 enz. tintelen van goeden luim, fijne satire, of gezonden humor. In zijne Brieven is er dikwerf een vroolijke toon te hooren; de schrijver is zich soms van den komischen kant van zijn voortdurend klagen bewust en staat dan haast op het punt, om er zelf den spot mee te drijven 35.

Maar, wat het meest van beteekenis is, met al zijne klachten eindigt de dichter, evenals de vromen des Ouden Testaments, |13| altijd weer in God. In den ouderdom neemt de innigheid der godsvrucht bij Bilderdijk toe, maar ook in de eerste helft van zijn leven ontbreekt de oprechte verootmoediging niet. Zijne Uitboezeming 36 van het jaar 1795, door Van Vloten onbegrijpelijkerwijze van „overdreven zelfspiegeling” beschuldigd 37, begint met het roerende complet:

O, Gij die met doordringende oogen
De plooien, die mijn hart doorziet!
Gij ziet mij voor u neêrgebogen,
En hoort mijn fluistrend avondlied,

gaat op dien toon door en blijft er ten einde toe aan getrouw. Zijn Gebed 38 van het jaar 1796 geeft op treffend schoone wijze uitdrukking aan de worsteling tusschen plicht en lust, waaraan hij in dien tijd ten prooi was. Al is Bilderdijk, helaas, ook in die worsteling bezweken, haar ernst kan toch door niemand worden ontkend en klinkt ons uit iederen versregel tegen:

Genadig God, die in mijn boezem leest!

Ik vlied tot U, en wil, maar kan niet smeeken.

Aanschouw mijn nood, mijn neergezonken geest,

En zie mijn oog van stille tranen leken!

Ik smeek om niets, hoe kwijnend, hoe bedroefd,

Gij ziet me een prooi van mijn bedwelmde zinnen:

Gij weet alleen hetgeen uw kind behoeft,

En mint het meer, dan ’t ooit zichzelf kan minnen.

Geef Vader, geef aan Uw onwetend kroost,

Hetgeen het zelf niet durft, niet weet te vragen!

Ik buig mij neer; ik smeek noch kruis, noch troost;

Gij, doe naar Uw ontfermend welbehagen!

Ja wond of heel; verhef, of druk mij neer:

’k Aanbid Uw wil, hoe duister in mijne oogen:

Ik offer me op, en zwijg, en wensch niet meer:

’k Berust in U, zie daar mijn eenigst pogen!

Ik zie op U met kinderlijk ontzag:

Met Christen hoop, noch laauw noch ongeduldig.

Ach, leer Gij mij, hetgeen ik bidden mag!

Bid zelf in mij: zoo is mijn beê onschuldig. |14|

Ofschoon het leven een samenweefsel van verdrieten was, toch bracht hij er Gode dank voor toe 39:

Dank echter! Oorsprong van het leven!

Dat mij uw wil in ’t aanzijn riep:

Schoon ook mijn uitzicht hier moest sneven!

Ik leerde U kennen, die mij schiep.

God is een bron van leven, heil en zegen, zijne weldaden zijn ontallijk, zij rijzen ieder morgenstond, maar duiken met geen avondstralen noch draaien met den hemel rond. Maar de mensch zelf is oorzaak van zijne smart en schept zich ramp op rampen uit alles, wat Gods gunst hem schenkt 40. Bilderdijk weet, dat louter vreugde voor den mensch niet goed zou zijn 41:

Wij, wij smeeken (dwaze menschen) immer vreugde, nimmer pijn,
Maar Gij zijt te goed, o Vader, om ons immer goed te zijn.

Daarom erkent hij, dat ook pijn en duizend lichaamskwalen giften zijn, die God zendt tot ons heil 42, onderwerpt hij zich aan Zijn wil, en vindt daarin vrede en rust.

De nepen

Der zweepen

Van weerspoed en leed,

Ontparsten

Den hardsten

Wel somtijds een kreet;

Maar de oogen

Ten hoogen

Tot Jezus gewend,

Verblijden

We in ’t lijden

En loven die ’t zendt. 43

Een ander gebrek, dat bij Bilderdijk spoedig opvalt, is zijn hoogmoed en ijdelheid. Niet alleen ging hij trotsch op zijne vermeende adellijke afstamming en vorstelijk bloed, maar hij was ook meer, dan met ootmoed en nederigheid bestaanbaar is, van het geheel eenige zijner persoonlijkheid zich bewust. Hij roemde in zijne onafhankelijkheid, verhief zich op zijne deugd en stelde zijne eer in de zuiverheid van zijn geweten, in het pal staan voor recht en waarheid, in het verdedigen der verdrukte onschuld.

Zijne leus was naar zijn eigen zeggen:

Met hart, met mond, met pen en rechterhand,
Getrouw aan God, Oranje, en ’t Vaderland. 44 |15|

Vooral in den eersten tijd van zijn leven 45 komen deze zelfgenoegzame uitingen in zijn poëzie en proza voor. Telkens stelt hij zichzelf voor als een man, die ten allen tijde alleen gehandeld heeft- naar recht, plicht en geweten 46. Posten, ambten, geld, voordeel voor zichzelf heeft hij menigmaal, niet zonder eenige hooghartigheid, versmaad, maar de roem was hem zoet, dat hij steeds voor waarheid, deugd, godsdienst, zedelijkheid, recht, onschuld in de bres was getreden:

Partijzucht trok te veld met wapens en standaarden
De onnoozelheid, aan eed, aan God getrouw en Vorst,
Gekerkerd en bedreigd bij ’t blikkren van de zwaarden,
Had toevlucht, schuts noch wijk. Zij vond die in mijn borst. 47

In 1795 zegt hij van zichzelf:

’k Ben Bilderdijk. — Ge ontzet? Nu kent ge heel mijn lot.
Die naam is nergens vreemd, waar de eerbied woont voor God.
De snoodheid heeft dien zelf, door d’ aardbol rondgedreven,
En door haar brandmerk hem een eeuwige eer gegeven.
Hem drage ik, fier daarop zoo veer’ mij de Almacht leidt.
En hij beveelt nu alom aan deugd en menschlijkheid. 48

In zijn beroemd Afscheid uit het jaar 1811 klinkt dezelfde toon ons tegen:

Wat heeft het levenslicht

Dat balsem stort in ’t hart dan welbetrachte plicht?
Waar troost dan bij de plicht? Waar wellust of genoegen,
Dan, op haar eedle baan voor haar alleen te zwoegen?
Wie schudt zijn plichten af, dan met zijn zelfgevoel?
Neen, wien de plicht bewaart, is voor Gods hemel koel!

Dank zij der dichtkunst, leefde Bilderdijk voor die plichten en droeg hij een vrij geweten mee, wat zon hem ooit bescheen 49. Nog in 1820 zegt hij, geen ander goed te kennen, dan vrede in ’t gemoed bij trouw aan hart en plicht 50. En in 1829 zingt hij:

Geweten, Godstem in ’t gemoed
Wier inspraak alle leed vergoedt |16|
Wen hel en wareld ons vervolgen!
Wie heeft, wie biedt uw dierbaar heil
Voor alle wereldschatten veil,
Welhaast in ’s afgronds keel verzwolgen! 51

Doch ook aan deze zelfverheffing ontbreekt de keerzijde niet. Naar waarheid heeft Jeronimo de Vries opgemerkt, dat Bilderdijk zelf met Bilderdijk niet veel op had 52. Zijn hoogmoed werd getemperd door een diep gevoel van afhankelijkheid van God 53. In die ondeugd zag hij zelf, bij al zijn gevoel van nietigheid, zijn hoofdgebrek 54. Al hangt zijn ijdel hart niet aan goud en eer, aan rang en wellust, hij is toch niet minder dwaas dan zij, die naar deze schaduw jagen, omdat hij een speelpop is van zijn hoovaardij en het heil bij zichzelven zoekt 55. Wat schrikkelijke zonde die hoogmoed was, bleef Bilderdijk niet verborgen. Het was het gruwelmonster, de trotsch, die engelen beide en menschen van uit hun heilstaat bonsde, des aardrijks bloei verslensen, des hemels zaligheid vervlieten deed 56. Het is de zonde, die de ziel des menschen beheerscht, zijn hart tot haar prooi heeft, zijn brein bezwalkt, het oog der ziel hem rooft en het flauwste tintelen van de vonk der waarheid bij hem uitdooft 57. Daarom verzoekt hij menigmaal in zijne brieven, dat men elkander, dat men ook hem het vergif van den hoogmoed niet in het hart moet storten 58, en smeekt hij God vurig om verlossing van zijn eigenwaan:

Mijn God, ja ’k voel uw Geest, mijn hart, mijn ziel, bestralen:

’k Geloof: mijn innigst neemt mijn Heiland juichende aan.

’k Wil juichend, deze Uw gaaf met al mijn bloed betalen;

Maar red me en maak mij vrij van ’t gif van Eigenwaan!

Van ’t zelfbehagend zwak om met mij-zelf te blinken,

Van ’t prikk’len van de drift, de wellust, ’t zingestreel;

’t Verneedrend dat mij steeds verdierlijkt weg doet zinken,

En uit den rang verstoot van ’t mij verordend deel! 59

De dichtbundels van Bilderdijk en evenzoo zijne brieven zijn vol van dergelijke belijdenissen van schuld en beden om vergeving. Het soms al te sterk zich verheffend zelf bewustzijn wisselt af met een diep gevoel van afhankelijkheid, kleinheid en |17| ootmoed. De man, die als een profeet en getuige optrad te midden van zijne tijdgenooten, was tevens, naar het getuigenis van Capadose in 1867, bij uitnemendheid een man des gebeds. En wij verstaan, dat Jer. de Vries van hem getuigen kon: onoprecht, hooggevoelig, trotsch was hij, wat anderen ook mogen denken of beweren, volstrekt niet 60.

Dergelijke tegenstellingen zijn er nog vele meer in Bilderdijk waar te nemen. Zij nemen in aantal toe, naarmate wij meer intiem kennis met hem maken. Zoo valt het niet te ontkennen, dat hij driftig, oploopend, kort aangebonden was, een lastig humeur had en aan zijne kwade luim al te dikwerf bot vierde; maar het staat even vast, dat hij menigmaal goedhartig, medelijdend, hulpvaardig was en soms zelfs overdreven dankbaar voor de geringste blijken van genegenheid 61. Eenerzijds hield Bilderdijk ervan, om zich als zeer onpractisch, onervaren en onbeholpen in de dingen van het dagelijksch leven voor te stellen; hij wist niet, of een pond vleesch, dat twee stuivers of twee gulden kost, in het eene geval goedkoop, in het andere geval duur te noemen is 62; in al die zaken was hij de grootste domkop, die er leefde 63; van geld en rijkdom had hij van kindsbeen af een zonderlingen en onberedeneerden afkeer 64. Maar ter anderer zijde blijkt hij van al die kleine zaken heel goed op de hoogte te zijn; niets ontsnapt er aan zijne aandacht; in het tanden krijgen der kinderen, in het zogen der moeder, in het aanwenden van geneesmiddelen tegen allerlei kwalen stelt hij levendig belang 65; en zijne minachting van geld en rijkdom sproot niet daaruit voort, dat hij door beperking zijner behoeften er zich onaf hankelijk van had weten te maken, maar hing veeleer samen met zijne zucht, om, gelijk Da Costa het uitdrukt 66, den grand seigneur te spelen en zich boven dergelijke nietigheden ver verheven te achten. Zoo ook maakt Bilderdijk niet altijd den indruk, dat hij eerlijk en oprecht met zichzelf en zijne medemenschen omgaat; dit blijkt niet alleen uit de onverdedigbare wijze, waarop hij zijn eerste huwelijk verbroken en zijn tweede gesloten heeft, |18| maar verder ook uit de manier, waarop hij zijne tegenstanders behandelt, hun gevoelen weergeeft en weerlegt, eigen meeningen vasthoudt en tot paradoxen de toevlucht neemt 67; en toch is waar, wat hij van zichzelf zegt: oprechtheid is mijn character, en ik laat gaarne den grond van mijn hart zien, het moge dan wijs of dwaas, goed of kwaad heeten 68. In elk geval verdient hij den naam van een openhartig man; achterhoudend was hij niet 69. De spreuk, forma dat esse rei, heeft nooit, zoo zegt hij, tot mijn wereld behoord, maar is die van een wereld van schijn en valschheid, waar ik nooit deel in had en die ik nooit kon leeren verdragen. Hij speelde nooit een rol, maar toonde zich altijd zooals hij was, zonder iets te verbergen of iets opzettelijk te laten kijken. Men moest het hem dan ook niet kwalijk nemen, als hij ronduit zei, dat de menschen verweerde gekken zijn, en niet, om ze te winnen: aap, wat hebt gij mooie jongen speelde 4).

Deze af keer van een rol te spelen was zoo sterk, dat hij niet alleen nooit voor iemand uit den weg wilde gaan, maar ook ieders gunst en welwillen zoo openlijk versmaadde als hij ze innerlijk verachtte 71; het kostte zijn vrienden de grootste moeite, hem in zijne benarde omstandigheden te hulp te komen en toch den schijn te vermijden, dat zij hem een dienst bewezen. Hij kon niet dulden, dat iemand eene rol bij hem speelde, en kon toch niemand in zijn ongekunsteld naturel uitstaan 72. Het denkbeeld van een ambt was hem onverdragelijk 73, en toch was hij diep gegriefd, toen hij bij de benoeming van een hoogleeraar te Amsterdam gepasseerd werd. Hij stelde aan het leven vrij hooge eischen, maar, wijl zijne ziel een afkeer had van het afscheiden van middel en doel en wel doel maar geen middel toeliet, maakte iemand, die hem een voordeel uit eenigen arbeid voorspelde, hem het werk onmogelijk 74. Hij klaagde voortdurend over miskenning, maar achtte zich miskend, als hij niet miskend werd 75. |19| Van zijn veertigste jaar af laat hij het ons bij iedere gelegenheid hooren, dat hij achteruitgaat, dat zijn geest vermindert, zijn geheugen verzwakt, zijn oordeel verstompt, maar hij toont tot een jaar vóór zijn dood eene werkkracht, die verbaast. De klachten over zijn lijden verstommen nooit, en toch was zijn hart evenzeer als zijn verstand ervan overtuigd, dat dit lijden eene weldaad voor hem was 76. Hij geloofde vastelijk, dat in afhankelijkheid alle geluk, in individueele vrijheid het grootste jammer voor den mensch en voor alle schepsel gelegen was, en toch was zijn gansche gedrag er op uit, om eene volstrekte onafhankelijkheid deelachtig te worden, en alle betrekking met menschen te doen ophouden 77.

Diepe behoefte had Bilderdijk aan liefde, aan sympathie; hij wilde philantroop uit behoefte des harten zijn, en zocht naar waarheid, rechtheid en ineensmelting van zielen; maar hij vond logen, slingering en zelfzucht 78. Van nature was hij verlegen, beschroomd, schuw voor menschen, een minnaar der eenzaamheid; maar deze eenzaamheid was voor hem noodig, om zelfstandigheid, onafhankelijkheid van oordeel, vertrouwen op eigen inzicht te leeren. En deze zelfstandigheid en oorspronkelijkheid maakte hem later in den tabbaard strijdbaar 79. Een reuzengeest aan de eene zijde en in zijn tijd facile princeps op elk terrein, waarop hij zich bewegen wilde, was Bilderdijk toch andererzijds in velerlei opzicht een groot kind, waarmede men veel geduld moest hebben en heel voorzichtig moest omgaan 80. Door zijn genialen aanleg zag en greep hij menigmaal de waarheid, maar door gebrek aan nauwkeurig wikken en wegen maakte hij zich aan menige overdrijving en oppervlakkigheid schuldig 81. Tot in het laatst van zijn leven toe een kind der achttiende eeuw blijvende, was hij toch een der vaderen van de negentiende eeuw 82. |20| Classicus deels, wandelende in het spoor der ouden, kwam hij, vooral ook door Ossian, onder den invloed der romantiek, schudde de schoolsche wetten in de kunst van zich af, en zocht haar oorsprong in het gevoel 83. Bilderdijk had eene sterke zinnelijke natuur en gaf in 1828 nog zijn Grijzaarts Bruiloftszang uit 84; maar hij eerde in de gemeenschap des huwelijks eene der schoonste gaven, door God aan den ongelukkigen sterveling geschonken 85. Hij was van harte de Gereformeerde belijdenis toegedaan, maar veroorloofde zich van haar verschillende afwijkingen. Volgeling van Calvijn, had hij toch voor sommige leerstukken en plechtigheden der Roomsche Kerk onverholen sympathie. Hij was Nederlander in merg en been, warm vaderlander, trouw aanhanger van het Oranjehuis, maar hij bezong Koning Lodewijk niet een geestdriftig gemoed en wijdde eene beroemde Ode aan Napoleon. In zijn hart conservatief en aristocratisch, koesterde hij toch sommige democratische en liberale denkbeelden. Moltzer noemt Bilderdijk den grijsaard van het verleden, Goethe den jongeling der toekomst, 86 maar de beginselen, door Bilderdijk verkondigd, hebben over het rationalisme zijner dagen de volledige overwinning behaald.

Een man met zulk een geprononceerd karakter wekt verschillende gewaarwordingen op en geeft aanleiding tot de meest uiteenloopende beoordeelingen. In zijn Uitzicht op mijn dood van het jaar 1824 kon Bilderdijk terecht van zichzelf getuigen:

Gehaat, vervolgd, veracht, van kerk- en staatsverstoorderen

Van anderen opgetild tot boven ’t firmament!

Ach laffe lof en hoon, zoo nietig ’t een als ’t ander,

Uit onverstand of drift bij handenvol verkwist! 87

Maar ook wie niet door onverstand of drift zich laten meesleepen, zijn menigmaal met zijn persoon verlegen. Ook da Costa noemde hem een man, zonderling in alles; volgens Willem de Clereq was hij voor velen een raadsel; en Groen van Prinsterer schreef van hem: Christen-wijsgeer is het tegendeel van sofist, maar het apodictische van Bilderdijk geleek naar sofistischen trant 88. |21|

Allerlei pogingen zijn beproefd, om dezen man eenigszins beter te begrijpen. Beurtelings is de schuld van de verwijdering tusschen Bilderdijk en het Nederlandsche volk geheel aan het laatstgenoemde of geheel aan den eerste geweten, of ook wel eerlijk tusschen beide verdeeld. Maar Te Winkel zeide in 1890: Trots alle studie, aan Bilderdijks werken sinds 1833 besteed, trots alle bijzonderheden, uit zijn leven sinds dien tijd openbaar gemaakt, is Bilderdijk nog steeds een raadsel gebleven voor ieder, die bij hem den gewonen maatstaf aanlegt, die hem beoordeelt naar de regels van het gezond verstand en het natuurlijk gevoel 89. In navolging van Dr. Swart Abrahamsz, die Multatuli van medisch standpunt beoordeelde 90, trachtte Te Winkel Bilderdijks eigenaardigheden uit zijn zenuwlijden te verklaren 91; reeds van zijne moeder zou Bilderdijk een sterken aanleg voor neurasthenie geerfd hebben, en deze zou door ziekelijkheid en zwakte, door opiumgebruik en aderlatingen, door eenzaam leven en gebrek aan beweging, door pijnlijke teleurstellingen en smartelijke ervaringen enz., sterk toegenomen en ontwikkeld zijn.

Al zijn al deze omstandigheden bij eene beoordeeling van Bilderdijk zeer zeker in rekening te brengen, zij mogen toch geen dienst doen, om gebreken en zonden te verontschuldigen of te vergoelijken. Mr. G. Mees maakte zich indertijd van de verklaring van Bilderdijks persoonlijkheid al te gemakkelijk af, als hij zeide: De vader een klein, zwaar gewenkbrauwd man, stevig en krachtig van geest, de moeder een driftig en licht ontvlambaar gestel: smelt die twee zielen in een en gij hebt hunnen zoon Willem 92. Zoo eenvoudig is een mensch niet te verklaren; al zijne vele trekken uit het karakter van Bilderdijk ook in zijne ouders aan te wijzen, daarmee is het geheim zijner persoonlijkheid niet ontsluierd. Want ten eerste zijn de wetten der overerving ons nog zoo goed als geheel onbekend, en ten andere doet de continuiteit en herediteit de variabiliteit niet te niet. leder mensch is eene persoonlijkheid op zichzelf en plaatst ons voor een nieuw raadsel. Indien onder het verklaren en begrijpen van een mensch, |22| van zijne gedachten en gezindheden, van zijne woorden en daden dan ook verstaan wordt, dat wij hem kunnen doorzien en berekenen als een mathematisch vraagstuk, dan is eene poging daartoe reeds van te voren met onvruchtbaarheid geslagen. Hoogstens kunnen wij het zoover brengen, dat wij de gezindheden en gedragingen van een bijzonder mensch, in weerwil van zijne eigenaardigheid, terugleiden tot den regel van het algemeen-menschelijke en tot het inzicht komen: ook aan dezen mensch was niets menschelijks vreemd.

Zóó zonderling was nu Bilderdijk niet, dat wij een beroep zouden moeten en mogen doen op een erfelijk zenuwlijden, dat hem in vele zijner woorden en daden ontoerekenbaar maakte 93. Want in weerwil van al zijne rampen en ontberingen had Bilderdijk een sterk, taai gestel; hij bereikte den leeftijd van 75 jaren; zijne werkkracht was in 1827 nog verwonderlijk groot en flikkerde in 1829 nog eenmaal op 94; omgang en correspondentie met vrienden hield hij tot in het laatste jaar zijns levens aan; en de menigvuldige beschrijvingen, die hij van zichzelven geeft, stellen duidelijk in het licht, dat hij heel goed wist, wie hij was en wat hij deed. Bovendien, voor een genie gelden geen andere wetten van zedelijkheid en recht, dan voor elk ander mensch. En als zulk een begenadigd kunstenaar optreedt als een getuige en verdediger der waarheid Gods, dan is de eisch niet onbillijk, dat de heiligende kracht dier waarheid ook in zijn eigen leven, denken en werken worde aanschouwd. Indien Bilderdijk de apostolische vermaning beter behartigd had, om in den strijd tegen de zonde ten bloede toe tegen te staan, zou zijn woord krachtiger, zijn invloed grooter zijn geweest en zijne persoonlijkheid een edeler indruk hebben gemaakt.

Toch past het den beoordeelaar niet, om tegenover Bilderdijk eene houding aan te nemen, alsof hij in dezen mensch met een buitengewoon slecht exemplaar van ons geslacht te doen zou hebben. Menschen, ook groote mannen, vallen gewoonlijk tegen, als men ze van nabij leert kennen; en de zonden springen te meer in het oog, als zij afsteken tegen schitterende gaven. Ook Goethe, die als de „Olympiër” verheerlijkt wordt, kon grillig en luimig, |23| scherp en bitter, gedrukt en ontevreden zijn 95. En nu heeft Bilderdijk in zekeren zin het ongeluk gehad, dat hij met zijne verbazende openhartigheid alles uitte wat er in hem omging, dat hij het toevertrouwde aan het papier en er zelf voor een groot deel door de pers publiciteit aan gaf. Hij gevoelde behoefte, steeds zichzelf te bestudeeren 96; hij was altijd met zichzelven bezig, hij bestudeerde zijn gelaat, zijne portretten, zijn lichaamstoestand, zijn zieleleven, gaf zich rekenschap van de geringste gewaarwording, van elke verandering in zijne stemming, en zocht er oorzaken voor. Als men hem naar zijne gezondheid vraagde, begon hij een lang relaas te geven en was hij niet dan met groote moeite van dit onderwerp af te brengen 97. In zulke zelfbespiegeling steekt een groot gevaar; zij leidt er licht toe, dat men in zichzelf altijd eene zekere abnormaliteit ontdekt, dat men ziekten en kwalen opspoort, ook waar ze niet zijn, en dat men tot anderen steeds over zichzelven, over eigen toestand spreekt. Aan dat gevaar is geen schrijver van een dagboek, van eene bekeeringsgeschiedenis, van confessiones en is ook Bilderdijk niet ontkomen. Maar daarom is Bilderdijk ook van alle kanten te bezien. Hij heeft niets van zichzelf verborgen gehouden. Wie zijne zwakheden, zijne gebreken, zijne zonden opsommen wil, vindt in zijne geschriften overvloedige stof. Wat zou menig groot man er anders uitzien, als wij zooveel van hem wisten als van Bilderdijk!

Reeds deze openbaring van wat hij is en van al wat er in hem omgaat, wijst er op, dat wij in Bilderdijk te doen hebben met eene door en door subjectieve natuur. In dit opzicht was hij aan Rousseau verwant, wiens Confessions door hem vertaald werden 98; evenals deze, was hij een tolk van den nieuwen geest, van den geest der romantiek, die het menschelijk subject weer in het middelpunt plaatste. Met deze eigenaardigheid van zijn persoon was Bilderdijk zelf zeer goed |24| bekend. Als Pierson eenmaal de opmerking maakt, dat men in Bilderdijks mededeelingen geen beschrijvingen moet zien van den objectieven toestand, waarin hij verkeert, maar van het bewustzijn, dat hij dienaangaande heeft 99, dan spreekt hij slechts uit, wat Bilderdijk ons rechtstreeks of zijdelings zelf te kennen geeft. Hij miste voor de vreugde der wereld het eigenaardig orgaan 100. Hij weet, dat hij met zijne constitutie niet genieten en geen vreugde in het leven smaken kan 101, dat hij gelukkiger is in zijn ongeluk dan hij in hetgeen men geluk noemt zou kunnen zijn met een hart als het zijne 102, dat hij alles op eene andere wijze ziet en gevoelt dan ieder het doet, en eene geheel andere wereld heeft daar hij in leeft 103. Het aanzijn op deze aarde heeft geen waarde voor een boezem, die gevoelt 104, die teeder en met nadruk voelt 105. Jeronimo de Vries heeft deze subjectieve natuur van Bilderdijk het best beschreven, als hij zeide, dat hem geschonken was „eene al te gevoelige ziel in een prikkelbaar gestel, verleiding aanbrengende tot overprikkeling, tot overdrijvingen onmatigheid; een beklagenswaardige, hoogst gevaarlijke kwaal, maar met fijngevoeligheid en heerlijke poëzy toch op het naauwst verbonden” 106.

Deze buitengewone sensibiliteit 107, die Bilderdijk van nature eigen was en door de ervaringen van zijn leven opgewekt en bevorderd werd, is de grondtrek in zijne persoonlijkheid, de bron, waaruit al zijne krachten en gaven gevoed werden. Uit deze gevoeligheid laat zich verklaren de wonderbare receptiviteit van zijn gemoed, de aandoenlijkheid voor alwat er in en buiten hem plaats had, de innige belangstelling in groote en in kleine dingen, het koninklijk universalisme van zijn geest. In deze eigenschap wortelt zijn fier zelfbewustzijn, zijne zelfverheffing, zijn trotsch, maar ook zijne oorspronkelijkheid, zijne zelfstandigheid, zijne genialiteit. Zij is de oorzaak van zijne prikkelbaarheid, ongestadigheid, woeligheid 108, van zijn gebrek aan evenwicht en harmonie, van zijne |25| overdrijving en onmatigheid 109. Door haar leeren wij verstaan zijn goedhartigheid, innigheid, teederheid, medelijden, behoefte aan sympathie. En met haar staat ook in nauw verband de eigenaardige wereldbeschouwing, die hij langzamerhand zich verworven heeft. Mits het niet opgevat worde als eene vergoelijking van zijne zondige woorden en daden, kan men zeggen, dat de gebreken bij Bilderdijk de keerzijde zijner deugden waren. Hij zou niet de zelfstandige geest, de veelomvattende geleerde, de machtige dichter, de moedige strijder zijn geweest, indien hij niet die wonderbare sensibiliteit hadde bezeten, welke ook de haard van zijne minder edele hartstochten was.

Maar hiermede is toch nog niet genoeg gezegd. Bij dit subjectief kwam een objectief element. Door geboorte en opvoeding, door het lezen in den Bijbel en in Cats, door de poëzie en door de wijsbegeerte werd Bilderdijk een steeds inniger belijder van het Christendom. Hoezeer men wenschen moge, dat dit Christelijk geloof hem in zijn persoonlijk en openbaar leven nog meer beheerscht hadde, dan het feitelijk gedaan heeft; het heeft toch een onuitwischbaren stempel op zijne persoonlijkheid gezet. Men huivert bij de gedachte, wat er van Bilderdijk met zijne sterke zinnelijke natuur, met zijn zelfstandigen geest, met zijn bruischenden hartstocht, met zijne groote gaven geworden zou zijn, indien hij zich niet in ootmoed had leeren buigen voor zijn Heiland en Heer. Maar Christus is dezen sterken geest te sterk geweest. Daardoor trad er in Bilderdijks persoonlijk leven een bange worsteling in, niet maar tusschen plicht en lust, maar veel dieper en ernstiger tusschen het vleesch en den geest, zooals Paulus daarvan spreekt. Zijne geschriften dragen daar de menigvuldige, treffende bewijzen van. Maar nergens heeft hij er aangrijpender van gesproken, dan in deze weinige woorden „Ik beschouw mijn geheel doorgeworsteld leven als een staat van aantrekking van God en terugstooting van mijne zijde, waarin de genade met het verderf in een eindeloozen strijd is. Die dit leest, bidde voor mij” 110. Eene worsteling van zonde en genade, dat is het leven van Bilderdijk |26| geweest, en die worsteling verheft hem ondanks al zijne zwakheden tot een held des geloofs.

De derde factor, waarmede bij het begrijpen van Bilderdijks persoonlijkheid te rekenen valt, is gelegen in de tijdsomstandigheden, in welke hij leefde. Het was de „Aufklärung”, die in de achttiende eeuw allerwege den toon aangaf. Naar de korte en duidelijke definitie van Erdmann 111 bestaat deze in de poging, om den mensch als verstandig en als individueel wezen tot heerschappij over alle dingen te brengen. Het toenmaals heerschende deisme, dat de immanentie Gods loochent en daarmede den band Gods met het geschapene en dus ook dien tusschen alle schepselen onderling doorsnijdt, leidde vanzelf tot rationalisme, wat het kennen, tot pelagianisme, wat het willen en handelen aangaat. Het stelt toch aan den mensch den eisch, om geheel alleen op zichzelf te vertrouwen; om alle vooroordeelen af te leggen, zelf alles te onderzoeken, niets te gelooven op gezag, altijd door eigen oogen te zien; en zoo ook, om zelf in eigen kracht het goede te willen en te doen, en in den weg der deugd de hemelsche zaligheid en het eeuwige leven te verwerven. In de „Aufklärung” vierde de autonomie van den mensch haar triumf. Tot dusver was hij aan allerlei machten in kerk en staat, in godsdienst en moraal onderworpen geweest, maar van nu voortaan zou hij zijn eigen heer en meester zijn; terwijl hij zich vroeger naar de dingen richtte, moesten deze zich thans richten naar hem; staat en maatschappij, wetenschap en kunst, godsdienst en moraal moesten alle nieuw worden opgebouwd op den door den mensch zelf gelegden grondslag en naar het door hem gemaakt bestek.

De beginselen dezer nieuwe richting drongen in de tweede helft der achttiende eeuw uit Engeland en Duitschland, maar vooral uit Frankrijk, ook in ons vaderland door en lieten weldra, niet alleen in godsdienst en zeden, in wetenschap en kunst, maar ook in staatkunde en partijformeering haar invloed gelden. Tot dien tijd toe bestonden er slechts twee partijen: de staatsgezinde en de stadhouderlijke, de aristocratische en de democratische, de regenten- en de volkspartij. Gene had langzamerhand alle macht |27| in handen gekregen, en had geen hooger wensch dan deze te behouden; zoo verzette zij zich met alle kracht tegen elke zelfstandige beteekenis van het huis van Oranje en wist het zelfs zoover te brengen, dat zij eerst Willem IV en daarna vooral Willem V geheel en al aan hare macht onderwierp en aan haar belangen dienstbaar maakte; en wijl zij zich van den kant van Engeland met een achteruitgang van haar handel en kapitaal bedreigd zag, was zij ook om deze reden Franschgezind. De volkspartij was echter van oudsher met hart en ziel aan het huis van Oranje verknocht; in de Prinsen uit dat huis zag zij de van Godswege geroepen beschermers van de rechten des volks tegenover de oppermachtige Regentenpartij; en toen Willen IV en Willem V tegen deze partij niet opgewassen bleken te zijn, en meer en meer hare dienstknechten en slaven werden, werd zij diep teleurgesteld en vond zich van allen steun en hulpe beroofd. In deze binnenlandsche toestanden vormde zich onder invloeden van buiten eene nieuwe partij, die aanhangers won onder beide genoemde partijen, ingang vond bij burgers van alle rangen en standen, en weldra onder den naam van Patriotten of Keezen zelfstandig optrad. Bekoord door de rechten van den mensch en de souvereiniteit van het volk, was zij zoowel tegen de macht van de Regenten als tegen die van den Stadhouder gekant. Eerst ging zij met de Regenten saam, om de macht van den Stadhouder te breken; daarna keerde zij zich tegen de Regenten zelven, om ook aan hun régime een einde te maken. Want het was deze partij te doen om de verwezenlijking der oppermacht van het Volk. De nieuwe ideeën, versterkt nog door den Amerikaanschen vrijheidsoorlog, wekten in hare gelederen eene onbegrijpelijke geestdrift. En „niets werd verzuimd, om de bevolking in opgewondenheid te brengen. Het land werd met een vloed van couranten, tijd- en vlugschriften, politieke tractaten bedekt. Overdrijving, leugen, laster, hoon, spotternij, geen middel zoo verachtelijk, dat niet, ten dienste der nieuwe begrippen, en dus ter verguizing van de overheden en van den stadhouder, gebruikt werd” 112. Aan groote woorden, klinkende leuzen, holle phrasen |28| was er geen gebrek. Ontaarden, uitvaagsels van de wereld, laffe slaven der tirannie, landverraders, pesten der maatschappij, aterlingen, vloekverwanten, dwingelanden, samenzweerders, burgerbeulen, monsters, deze en soortgelijke waren de titels, welke de nieuwe partij aan den Stadhouder, aan de overheden, aan al hare tegenstanders gaf 113. En als aan de tirannie van deze machten maar een einde gemaakt was, de heerschappij der rede afgekondigd en het recht des volks erkend was, dan zou de zon der vrijheid, der gelijkheid en der broederschap over Nederland en over alle volken opgaan. Van Frankrijk uit breidde zich immers het geluk en de welvaart steeds verder over heel de wereld uit. En de Vrijheid en Gelijkheid, de eenige goden, thans door de rede erkend, zouden de godheden zijn, welke straks door alle, menschen werden gediend en hen zouden binnenleiden in een onverwelkelijk aardsch paradijs.

Men moet deze tijden en toestanden kennen, om het optreden van Bilderdijk, indien niet te waardeeren, dan toch te verstaan. Niemand zal het zeker opnemen voor al de smaadwoorden, die Bilderdijk zijn tegenstanders naar het hoofd slingert, allerminst als deze nu en dan een persoonlijk karakter gaan dragen. Maar om billijk te zijn, dient men allereerst zich rekenschap te geven van de ruwe, trotsche, taal, waarvan de tegenpartij zich bediende tot kenschetsing van alle belijders van het Christelijk geloof, van alle minnaars van Nederland en Oranje. Op eene natuur als die van Bilderdijk met haar diep gevoel, haar brandenden hartstocht, haar geweldige passie, moest de godsdienst der „Aufklärung” een indruk maken, die hem dikwerf zelf te machtig was. Mijne verontwaardiging, schreef hij eenmaal aan Tollens, over de waanwijze domheid dezer eeuw kent geen maat, als zij eenmaal losbarst 114. Met treffende juistheid heeft Bilderdijk in deze woorden zijne houding tegenover de eeuw, in welke hij leefde, geteekend. Deze eeuw was de zijne niet en zou het nooit worden 115. Gloeiende verontwaardiging bracht zijne ziel in beroering, dreef hem aan tot verzet, en legde hem eene taal op de lippen, die niet als wetenschappelijke beschrijving, maar als |29| uitgieting van het overstelpt gemoed gelden wil. Bilderdijk is een van die „groote ontevredenen” in de geschiedenis van ons geslacht, die zoo ontzettend hebben kunnen haten, omdat zij zoo grenzeloos hebben liefgehad.

De meening, dat men met een man als Bilderdijk heeft afgerekend, als men al zijne gebreken heeft opgesomd, als men aangewezen heeft, dat hij heerschzuchtig, hoogmoedig, zinnelijk was, dat er voor hem maar één middelpunt in de wereld was, nl. zijn eigen ik, zulk eene meening is de oppervlakkigheid zelve. Busken Huet mat in den Nederlandschen Spectator van het jaar 1860 de onvolkomenheden breed uit, die Bilderdijk als mensch en als dichter aankleefden; en tegenover eene valsche apologie, die verdedigt wat voor geene verdediging vatbaar is, was hij ten volle in zijn recht. Maar later erkende hij zelf, dat met deze critiek het laatste woord over Bilderdijk niet gesproken was 116. Zoo is het ook gesteld met de beschuldiging, welke eerst door Van Vloten, daarna door Te Winkel en Kollewijn tegen Bilderdijk is ingebracht, dat hij geen man van karakter is geweest, of, gelijk laatstgenoemde het in meer zachten vorm uitdrukt, dat hij weinig karakter in den engeren zin des woords heeft bezeten 117. Als men alleen let op den buitenkant zijner persoonlijkheid, op de snelle wisselingen van zijne stemmingen, op de tegenstrijdigheden, die in zijne natuur voorkomen, schijnt er voor deze aanklacht eenige grond te bestaan. Maar wie bij hem, evenals bijv. bij een Luther, doordringt tot de kern van zijn wezen, ontvangt een diepen indruk van de standvastigheid van karakter, welke Bilderdijk van zijn eerste optreden af tot het einde zijns levens toe vertoont. Om in het einde der achttiende eeuw op te treden tegen den alles bedwelmenden geest der „Aufklärung”, daartoe was eene vastheid van overtuiging, eene kracht des geestes en eene onverzettelijkheid van wil noodig, als waarvan wij ons thans geene voorstelling kunnen vormen. IJdelheid noch hoogmoed verklaart zulk een optreden. En veel juister oordeelde Busken Huet, als hij, den moed indenkende, die tot zoodanig protest vereischt wordt, Bilderdijk in zijne onweerstaanbare kracht bij |30| een ijzeren zuil en een koperen muur vergeleek 118. Niemand, die dit in het oog houdt, kan Bilderdijk karakter ontzeggen. Karakter toch bestaat in het vaste, consequente willen en handelen naar bepaalde grondstellingen. In dezen zin heeft Bilderdijk meer dan iemand in zijn tijd getoond, karakter te bezitten. Reeds als student werd hij om zijne politieke en godsdienstige gevoelens geplaagd en bespot 119, en heel zijn leven door heeft hij ter wille van deze beginselen veel smaad verduurd. Nu is er daarbij geen verschil over, dat Bilderdijk zijne zaak al te spoedig en te volledig met de zake Gods vereenzelvigd heeft; en ook is er geen twijfel aan, dat hij door zijne persoonlijke handelingen menigmaal aan de beginselen, die hij voorstond, schade heeft berokkend. Maar wie den ganschen persoon in het oog vat, heel dat leven overziet, er den grondtoon van beluistert en de beginselen er van opspoort, die ontdekt eene eenheid en harmonie, welke te meer treft, naarmate ze minder verwacht kon worden. Semper idem — was zijne leuze, en daaraan is hij inderdaad in de kern van zijn persoonlijkheid, blijkens de verknochtheid aan zijne beginselen, en de verdediging van wat hij voor waarheid hield getrouw gebleven ten einde toe. Trouwens, indifferent, neutraal kon een man als Bilderdijk niet zijn. Hij was door en door partijman, hij was absoluut in al zijne beweringen, van het relativisme had hij een hartgrondigen afkeer. Zulk een absolutisme is zeker niet altijd het ware en juiste standpunt, dat de feilbare mensch tegenover de velerlei richtingen van zijn tijd behoort in te nemen. Maar indien Bilderdijk minder absoluut ware geweest, zou hij minder resoluut zijn opgetreden tegen de dwalingen van zijn tijd.

Deze partijdigheid, in goeden en in kwaden zin, is ongetwijfeld eene der oorzaken, waarom Bilderdijk nooit in den vollen zin populair zal worden. Daarvoor zijn noch in den dichter noch in ons volk de vereischten aanwezig. De Revolutie heeft nog sterker dan de Reformatie ons volk in twee richtingen uiteen doen gaan. Jaren geleden schreef Vosmaer al, dat de bewonderaars van Bilderdijk tot het verleden gaan behooren en dat geen enthousiasme en geen lyriek den dichter meer redden zal. „Bilderdijk heeft in zijn leven den rug gekeerd aan de toekomst en zijn heden |31| vervloekt. Zijn heden heeft zich van hem afgewend en zijne toekomst, die thans ons heden is, gevoelt zich geheel vreemd van hem. Auch diese Geschichte ist ein Gericht” 120. Volgens Moltzer ligt de oorzaak van de verwijdering tusschen Bilderdijk en het Nederlandsche volk vooral daarin, dat niemand ooit sterker dan hij blind is geweest voor de heilrijke en gezegende gevolgen der Fransche Revolutie 121. In denzelfden geest schreef Jonckbloet, dat de tegenzin tegen Bilderdijk wel zal blijven bestaan, zoolang er eene klove van beginselen zal liggen tusschen den dichter en zijn volk 122.

Er ligt in deze uitspraken meer waarheid, dan in de poging van Busken Huet 123, om de impopulariteit van Bilderdijk o.a. te verklaren uit zijn wansmaak, grofheid, en onkieschheid, want oude en nieuwe kunst bewijst genoegzaam, dat ons volk op dit gebied heel wat verdragen kan, en werkelijk zoo spoedig niet bloost, als Huet het zich voorstelt. Ook ligt er in die getuigenissen meer waarheid dan in de meening van Kloos, dat Bilderdijk buldert, giert, gilt of grijnzend gichelt, maar nimmer zingt 124, want zulk eene meening kan slechts gebaseerd zijn op eene gebrekkige kennis van den schat van echte poëzie, die in Bilderdijks werken is bewaard. Daarentegen is het volkomen juist, dat de beginselen, waarvan Bilderdijk uitging, lijnrecht staan tegenover die, welke door een groot deel van ons volk als de ware worden erkend. Hùn man zal Bilderdijk nooit worden; de tolk hunner gevoelens is hij niet en wilde hij niet wezen. Er staat echter tegenover, dat het zaad, door Bilderdijk gestrooid, vruchten heeft gedragen. Er is eene aanzienlijke groep in den lande, die ook tot het Nederlandsche volk behoort, en die met dankbaarheid op zijn arbeid terugziet en zijne gedachtenis in eere houdt. Welke beginselen de duurzaamste zijn, die van Bilderdijk of van zijne tegenstanders, de toekomst zal het leeren. Als wij rekening houden met de geschiedenis der laatste eeuw, staan de kansen voor Bilderdijk niet ongunstig. Die geschiedenis is inderdaad een gericht geweest, maar in eenigszins anderen zin, dan door |32| Vosmaer werd bedoeld. De worsteling tusschen moderne en Christelijke wereldbeschouwing is veel te ernstig en gaat veel te diep, dan dat er van een triumf der eerste thans reeds sprake kan zijn. Aan de „uitvaart” der laatste is het nog lang niet toe.

Ondanks deze principiëele tegenstelling, behoort Bilderdijk niet aan ééne groep in het Nederlandsche volk toe, maar aan dat volk in zijn geheel. Partijman was hij door en door, inzoover neutraliteit, onaandoenlijkheid, onverschilligheid in het kleine zoowel als in het groote voor hein een onding was. Maar hij was het niet in dien zin, dat hij, zich opsluitend in een engen kring, voor al wat daar buiten omging, geen oog en geen hart had. Zijn geest was daarvoor te origineel, te rijk, te universeel aangelegd. Hij heeft vele leermeesters gehad en nam het goede, waar hij het vond, maar niemand is zijn geestelijke vader geweest. En als hij denkend en dichtend den inhoud van het Christelijk geloof ontvouwde, dan was het, omdat hij daarvan heil verwachtte voor heel het rijke, volle menschenleven. Vader is hij geweest van het Nederlandsch Réveil. Maar zijn invloed is en mag daartoe niet beperkt blijven. Hij was óók een der rijkstbegaafde mannen van ons vaderland, denker als weinigen, dichter bij Gods genade, meester onzer taal verdediger onzer nationale zelfstandigheid. Zoolang diep gevoel en rijke verbeelding, edele hartstocht en heroische moed, geniale vlucht en echte poëzie, warme liefde voor Oranje en Nederland op dezen bodem in eere blijven, mag Bilderdijk aanspraak maken op de hulde van heel de Nederlandsche natie. Of het volk die hulde hem betoonen zal, is eene andere vraag. Om de gunst des volks heeft Bilderdijk niet gebedeld; naar populariteit heeft hij nimmer gestreefd. Als deze hem onthouden wordt, spreekt het Nederlandsche volk, niet over Bilderdijk, maar over zichzelf het vonnis uit. Want klein is een volk, dat zijne groote mannen niet eert. |33|




1. Gorter, Letterkundige Studiën, 2e druk. Amsterdam, Van Kampen, 1831, bl. 132, 133.

2. Da Costa in de rede: Bilderdijk herdacht, Dichtwerken van Bilderdijk, Haarlem, Kruseman 1856 v., XV 582.

3. Brieven van Mr. Willem Bilderdijk II bl. XIII.

4. Brieven II 81. Kollewijn, Bilderdijk, zijn leven en zijn werken II 384.

5. Kollewijn II 423; verg. verder aldaar II 884v. Jonckbloet, Gesch. der Ned. Letterk., herzien door C. Honigh, vierde goedkoope uitgave VI 68. Da Costa, De Mensch en de Dichter Willem Bilderdijk, Haarlem, Kruseman 1859, bl. 24v.

6. De Dichtwerken van Bilderdijk XII 115.

7. Dichtw. XII 172.

8. Brieven II 195.

9. Brieven II 260.

10. Brieven II 230. Dichtw. V 62.

11. Dichtw. IX 108.

12. Dichtw. XII 173.

13. Da Costa, De Mensch en de Dichter, bl. 247v. Van Vloten, Bloemlezing uit de dichtwerken van Mr. Willem Bilderdijk, 1869 bl. 482.

14. S. Gorter, Letterk. Studiën, 2de druk, 1881 bl. 118.

15. Dichtw. X 259.

16. Dichtw. X 257.

17. Dichtw. IX 389v.

18. Van Vloten, Bloemlezing 47.

19. Dichtw. X 284.

20. Dichtw. X 291.

21. Dichtw. XII 229.

22. Gorter t.a.p., 129, 121.

23. Dichtw. XII 400v.

24. Dichtw. I 173.

25. Dichtw. I 404.

26. Dichtw. X 135.

27. Dichtw. XIII 197.

28. Dichtw. XIII 368.

29. Dichtw. I 231.

30. Dichtw. I 469.

31. Dichtw. I 438.

32. Dichtw. I 440.

33. Dichtw. XIII 232.

34. Dichtw. III 51.

35. Bijv. Brieven II 178v., 209, 210v., 231v.

36. Dichtw. XII 14.

37. VanVloten, Bloemlezing bl. 113.

38. Dichtw. V 10.

39. Dichtw. V 11.

40. Dichtw. V 62, 63.

41. Dichtw. XII 38.

42. Dichtw. Xl 232.

43. Dichtw. V 256.

44. Dichtw. VIII 379.

45. Pierson, Gids Maart 1886 bl. 401 zegt: tot zijn 36e jaar, maar deze grens is te scherp getrokken.

46. Brieven II 81, uit het jaar 1805.

47. Verg. Gorter, t.a.p. 168.

48. Dichtw. XII 23.

49. Dichtw. IX 109, 110.

50. Dichtw. V 183.

51. Dichtw. VI 198.

52. Brieven II voorrede bl. XII.

53. Kollewijn t.a.p. II 398, 406.

54. Gesch. des Vaderlands XIII 29.

55. Dichtw. V 64.

56. Dichtw. V 155.

57. Dichtw. V 155.

58. Brieven I 281, 289, II 7.

59. Dichtw. V 277.

60. Brieven II bl. XI.

61. Brieven II voorrede bl. XI en 276. Verg. Kollewijn II 388, 404, 425.

62. Brieven II 79.

63. Brieven II 92.

64. Gesch. des Vad. XIII 29.

65. Brieven I 277.

66. De Mensch en de Dichter bl. 245.

67. Kollewijn II 406.

68. Brieven III 51.

69. Brieven II 2.

70. Brieven II 212. De zin der aangehaalde Latijnsche spreuk werd daarbij door Bilderdijk misverstaan. Verg. ook Gesch. des Vad. XIII 32.

71. Gesch. des Vad. XIII 32.

72. t.a.p. bl. 33.

73. t.a.p. bl. 33.

74. t.a.p. bl. 30.

75. N.C. Balsem, Dichterleven en Levenspoëzie. Een viertal Lezingen, Haarlem, Tjeenk Willink 1881, bl. 34.

76. Gesch. des Vad. XIII 29.

77. Gesch. des Vad. XIII 30, 34.

78. t.a.p. bl. 30, 33.

79. Dichtw. I 53. Vergelijk Kollewijn II 394 v. 425.

80. Kollewijn II 424.

81. Kollewijn II 395 v. Pierson, Gids Maart 1886 bl. 404. Te Winkel t.a.p. 28 v.

82. Schimmel bij Jonckbloet bl. 3 zegt minder juist: wij mogen het betreuren, dat Bilderdijk, met de grootsche gaven hem geschonken, op de grens van twee eeuwen verscheen en daardoor aan geene toebehoort. Want Bilderdijk verscheen niet op de grens, maar leefde 44 jaren in de 18e, en 32 jaren in de 19e eeuw, en behoort daarom tot beide.

83. Kollewijn II 443.

84. Dichtw. X 204.

85. Dichtw. X 363v. XI 289.

86. Mr. H.E. Moltzer, Bilderdijk en het Nederlandsche volk. Aan wien de schuld der verwijdering? Groningen, Wolters 1873 bl. 35.

87. Dichtw. XII 367.

88. Nederl. Gedachten V 250. Vergel. Ongeloof en Revolutie 1868 bl. 34v.

89. Te Winkel, Bilderdijk, lotgenoot van Multatuli, Haarlem 1890 bl. 9, 10.

90. In het bekende Gidsartikel. December 1888.

91. Vergel. ook Kollewijn II 383.

92. Bij Kollewijn II 383.

93. Vergelijk ook Pierson, Gids 1891 IV 30-33.

94. Kollewijn II 341.

95. Verg. C.A.H. Burckhardt, Goethes Unterhaltungen mit dern Kanzler Friedrich von Müller. Stuttgart, Cotta 1898, besproken in Neue Kirchliche Zeitschrift 1900 bl. 743 v., en ook hetzelfde tijdschrift 1906 bl. 322-328.

96. Van kindsbeen vestte zich mijn aandacht op mijzelven, zegt Bilderdijk zelf, Dichtw. XII 370. Vergelijk ook het Nabericht van zijne Ziekte der Geleerden.

97. Kollewijn II 384.

98. De vertaling zag nimmer het licht, Kollewijn II 448.

99. Pierson, Gids Maart 1886 bl. 405.

100. Brieven II 205.

101. Brieven II 93, 205.

102. Brieven I 277.

103. Brieven II 82.

104. Dichtw. VI 173.

105. Dichtw. XII 12.

106. Brieven II bl. XI.

107. Sensibiliteit in den zin van het Duitsche Empfindlichkeit, niet in dien van Empfindsamkelt. Sentimenteel was Bilderdijk over het algemeen niet.

108. Woelig noemt Bilderdijk zichzelf, maar tegelijk ook gevoelig voor weldoen, kennis, schoon, Dichtw. XII 108.

109. Onmatig, zegt Bilderdijk van zichzelf, ben ik uit de aart, omdat niets mijne behoefte vervult, zelfs voor geen oogenblik, en mijne ziel geene bepaling denken of lijden kan. Gesch. des Vad. XIII 30.

110. Geschiedenis deá Vaderlands XIII 31.

111. Erdmann, Grundriss der Geschichte der Philosophie, 3e Aufl. Berlin 1878 II 237.

112. Groen van Prinsterer, Handboek der Gesch. van het Vaderland, vierde druk bl. 559.

113. t.a.p. bl. 559, 560, 611, 614.

114. Brieven III 71.

115. Dichtw. VI 39.

116. Busken Huet, Litterarische Fantasiën. Vierde Reeks. Haarlem 1887 bl. 96 v.

117. Te Winkel t.a.p. bl. 60. Kollewijn II 381.

118. Busken Huet t.a.p. bl. 126.

119. Brieven II bl. XIV.

120. Nederl. Spectator 1873 bl. 279.

121. Bilderdijk en het Nederl. volk bl. 85.

122. Jonckbloet t.a.p. bl. 79.

123. Nederl. Spectator 1860 bl. 10 v.

124. Kloos, Veertien Jaren Litteratuurgeschiedenis I 1896 bl. 147, 148.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2005