Adriaan Steketee (1846-1913)

Gedachten over onzen diepen val en de verlossing, die in Jezus Christus is,

naar aanleiding van eenige hoofdstukken uit de Heilige Schrift

Kampen (S. van Velzen Jr.) 1872

a





L.S!



Die aan de gemeente des Heeren nuttig wil zijn, kan niet beter doen dan goede middelen aanwenden om haar genegenheden op te wekken voor Jesus Christus en Dien gekruist, haar eenigen troost en roem, haar eenige blijdschap en kroon, die haar, zondig als zij was, kwam opzoeken, om haar tot God te brengen. En die het geluk wenscht van zondaren buiten God, zal hun geen grooteren dienst doen, dan wanneer hij hun op een gepaste wijze, het droevige van hun toestand en de verlossing, die er in Jesus Christus is, onder het oog brengt. Zoo zou deze mijn geringe arbeid niet vergeefsch zijn, als er menschen door werden geleid tot Christus. En dat zal zij niet, wanneer — hetgeen mijn wensch is — God haar zegent. Wat de wijze van schrijven aangaat, ik heb gemeend dat het niet ongepast en verkeerd was eenige korte gedachten voor te stellen, omdat er zooveel preÍken zijn, omdat het korte beter meÍgedragen kan worden dan het lange, omdat het korte in de meeste gevallen meer behaagt dan het lange en om andere redenen; evenwel niet, opdat men weinig van Christus zou spreken of een al te Lakonisch Christen zou zijn. Hoewel die gedachten niet geheel zonder verband zijn, heb ik toch geenzins het doel gehad een systeem te maken, terwijl ik mij ook hier en daar aan den tekst der Schrift wilde houden. |4| De begeerte om zoo te schrijven kwam bij mij op onder het lezen van het korte, doch kostelijke stukje van Pascal: Le mystŤre de Jesus. Naar wiens voorbeeld ik, om aan de voorstelling eenig leven bij te zetten, mij veroorloofd heb soms den Heere en een Christen sprekend in te voeren. Ik spreek hier van Pascal, vooral om dat aan velen onbekend of weinig bekend genie eens te kunnen aanbevelen, in ’t bijzonder aan hen, die anderen in de leer van Christus wenschen op te leiden. ’t Was een man, die veel en juist heeft gedacht; zijn gedachten zijn van groot nut, zij zijn diep, als de zee van Biscaje; een man, die groote mannen heeft gevormd: Vauvenargues, Vinet en anderen gingen bij hem ter school; een reuzengestalte tusschen vele wijsgeeren en wetenschappelijke godgeleerden — ik spreek niet van zijn godsvrucht —, als de dom van Utrecht tusschen vele gebouwen, een bekoorlijke verschijning onder vele lichten van welsprekendheid, als de maan onder mindere sterren. Zeker men zou verkeerd doen, als men hem voor philosophen uit dezen tijd wilde ter zijde stellen. Hiermede heb ik genoeg gezegd.


S. |5|



I. De verborgenheden van het Paradijs.

Gedenk van waar gij uitgevallen zijt en bekeer u!


*

Gedachten, naar aanleiding vooral van Genesis III, tot onze beschaming, vernedering en verootmoediging en tot opwekking om terug te keeren in de armen van den God aller genade.

1.

God heeft ons Zijn heilig Woord gegeven, opdat wij de ware kennis zouden hebben van het goede en het kwade. Dat Woord verklaart onze geschiedenis; ja, het voornaamste van onze geschiedenis, van het begin tot het einde, dus ook die dingen, welke nog gebeuren moeten, is er in vervat. Nu zijn er drie zaken, die vooral de aandacht trekken moeten en die elk mensch kennen moet, zal hij eeuwig gelukkig zijn: een Paradijs, verloren door de zonde; een kruis, verheven op Golgotha, aan hetwelk de Godmensch voor de zonde boette; een nieuw Paradijs, gewonnen door diens Goddelijke gerechtigheid.


2.

Zonder God geen Paradijs: dit zij een vaste grondstelling.


3.

Onze eerste ouders waren volkomen gelukkig; doch de vastheid van hun toestand lag — Gods voorzienigheid daargelaten — |6| bij hen. En de Heere gaf hun een proefgebod, waardoor Hij leven of dood in hun handen stelde. Maar laat ons, die zalig wenschen te zijn, o laat ons bidden. Heere, geef ons nooit zooveel vrijheid meer, vertrouw onze zaligheid nooit meer aan ons toe, veel minder als aan onze voorouders, doe het nooit, al maakt gij ons zoo heilig als de engelen; wij begeeren een zaligheid, van welke de vastheid ligt in U.


4.

Zooveel vertrouwen hebt Gij aan ons willen schenken 1), en onze eerste zonde was dat wij, o Heere, U niet vertrouwden, in U niet geloofden. Maar, als wij wederkeeren tot U, zult gij de eer terug hebben: wij zullen op niemand vertrouwen dan op U.


5.

Wij waren geschapen tot Gods lof en hadden de heerlijkste vermogens ontvangen en waren het laatst uit Zijn hand voortgekomen, en . . . . . wij vielen het eerst. Zoo veroordeelt ons elk schepsel Gods rondom ons.


6.

De Satan kwam tot onze voorouders in het lichaam van de Slang. Dat het de Satan was is niet te ontkennen, al zeide de Schrift het niet duidelijk; want de woorden der Slang geven het genoeg te kennen: wie toch zou zoo listig kunnen spreken? Zijn listige woorden zullen voor mij helpen getuigen, dat de Schrift Gods Woord is.


7.

Het was listig, dat de Satan de Slang gebruikte; want |7| zoodoende verschrikte hij de vrouw niet, doch kon door behendige bewegingen haar aandacht boeien; dat hij zich wendde tot de vrouw; dat hij begon met een vraag; dat hij vroeg niet naar den boom der kennis, maar naar al het geboomte; dat hij eerst tot twijfel wilde verleiden; dat hij toen loog met eene sterke bevestiging; dat hij toen, waarheid sprekend, zich op God beriep; dat hij zeide, dat zij aan God gelijk zouden zijn, kennende het goede en kwade, wat zeker voor hen begeerlijk moest zijn; dat hij verzweeg, dat zij aan hem gelijk zouden zijn; dat hij een schijn gaf, alsof de Heere niet dulden kon, dat zij tot kennis kwamen en hij beter aan hen dacht dan de Heere.


8.

De Satan sprak naar de letter niet ťťn leugen, hoewel naar de bedoeling alles leugen was. Recht Satanisch! Maar als wij niet in God gelooven, dan zal ook de waarheid, die tot ons komt leugen in ons worden, en wij zullen met de waarheid bedrogen worden.


9.

Als de stoutste leugenaars de waarheid spreken, beroepen zij zich op God: Maar God weet, zeide de Satan.


10.

Wees op uw hoede; want een kleine opening is voor de Slang genoeg.


11.

Gij zult hem herkennen aan zijn kronkelingen en zijn gegaffelde tong.


12.

De Slang was listig. O, gevallen mensch, als gij geen grooter wijsheid hebt dan de zijne en dan de uwe, als gij de Opperste Wijsheid niet hebt, dan vrees ik voor u! |8|


13.

En zij at, en zij gaf ook haren man met haar en hij at. Zij zetten het zegel op hun zonde; want de woorden van den Satan en het vergif der zonde waren reeds opgegeten. En of wij nu gewilliger mochten zijn om des Heeren woord op te eten!


14.

Zoo werd in ťťn oogenblik Gods schoone schepping bedorven. Ik ben een kind van die menschen; want ik kan niet anders dan bederven, en mijn naam moet zijn: Bederver. En de breuken, die ik altijd maak, zijn doodelijk; ach, wie zal ze heelen!


15.

En zij gevoelden, dat zij naakt waren. Zoo hadden wij dan de kennis. Maar de kennis Gods, de gerechtigheid en heiligheid waren weg. O, kennis zonder God is enkel ellende! Liever dwaas met U, o Heere!


16.

Onze eerste zonde was ongeloof, daarna kwam booze begeerte, hoogmoed, roekeloosheid, Jesuitisme (alsof het doel om aan God gelijk te zijn de middelen heiligde), oproerigheid en andere zonden. O, het Slangenzaad is vruchtbaar, en ons hart levert vruchten, dertig-, zestig-, honderdvoud.


17.

Beproef nooit of God de waarheid spreekt; want ofschoon gij het zult weten, de kennis zal noodlottig en doodelijk zijn. Het is het ongeluk van het ongeloof, dat te beproeven: de Satan, door ongeloof voortgedreven, heeft zich den kop te pletter geloopen, en de gansche wereld — Gods volk uitgezonderd — zal zich, gelijk hij, jammerlijk bedriegen. |9|


18.

Zoodra de zonde was gedaan, kwam God, en Adam, Hem hoorende, verbergde zich. Wij hadden moeten terugkomen; maar Hij kwam ons opzoeken; O, nederbukkeude goedheid! Hij zal er eeuwig lof van hebben en wij zullen Hem noemen den God des aanziens, en wij zullen zijn het volk van den God des aanziens, Lachai-Roi; want hebben wij ook omgezien naar Hem, die naar ons omzag 2).


19.

Adam verbergde zich. Ik ben een kind van dien man; want mijn natuur is schuw voor den Heere, ja, o gruwel, zij heeft een afkeer van Hem. Ik ben schuldig met dien man; want mijn natuur wil tot Hem niet komen.


20.

Hij verbergde zich tusschen het geboomte. O, waar is het geboomte, waar ik mij bergen kan; want, ik moet mij bergen voor zijn toorn, als Hij roept: „zondaar, waar zijt gij”!


21.

Dwaas, wilt gij u voor God verbergen!


22.

De Heere riep: „Adam, waar zijt gij”. Want hij was buiten God 3), en ’t was alsof Deze hem niet vinden kon. O Heere, dat gij ons hebt kunnen vinden! |10|


23.

Adam schaamde zich. Och of ik mij recht schamen kon, als Gij, o Heere, mij roept! |11|


24.

De man met de vijgeboombl‚ren stond voor God. Hij verontschuldigde zich en zeide: „de vrouw, die Gij mij |12| gegeven hebt, heeft mij gegeven.” Ik gevoel mij een kind van dien man; want mijn natuur is onoprecht en huichelt voor God en geeft op een scheeve wijze 4) God de schuld.


25.

De Heere onderhandelde niet met de Slang of vroeg aan de Slang niets. Maar Hij vervloekte de Slang. En in den vloek der Slang lag een wonderbaren zegen voor de vrouw en haar zaad, ofschoon zij onoprecht geweest was en de schuld van zich had afgeschoven: „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad; datzelve zal u den kop vermorselen, en gij zult het de versenen vermorselen.”


26.

O wonder van Gods genade: de vrouw wordt gered van onder de macht der Slang en de vrouw voor den man. Zij is de eersteling van den oogst der uitverkoornen. Want God zeide, dat Hij de natuur der vrouw veranderen zou en haar van een vriendin een vijandin der Slang maken zou: „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw.”


27.

God verkondigde het eerste Evangelie van een vrouwenzaad, een mensch, die de Slang zou haten en den kop vermorselen. Het oordeel des doods had Hij nog niet afgekondigd.


28.

En waarom wilde Hij menschen verlossen en niet de Slang |13| en zijne engelen? . . . ’t Was Zijn vrijmacht; kon Hij niet doen met het zijne, wat Hij wilde: „Ik zal mij ontfermen, diens Ik Mij zal ontfermen en Ik zal genadig zijn, dien Ik genadig zal zijn.” Waarom was Hij dan aan menschen genadig? . . . . . . . . Een eeuwig en een eeuwig zalig vraagteeken, mijne ziel!


29.

Bittere teleurstelling voor de Slang: hij moest het aanhooren, dat God aan de vrouw genade bewees en haar een zaad beloofde, dat hem te onder brengen zou. O volk van Gods genade, wanneer de Satan zijn doel heeft bereikt, is hij het verst van zijn doel af.


30.

De Heere heeft aan de Slang toen den kop niet willen vermorselen: Hij wilde, dat een mensch het zou doen; want Hij wilde zijn volk redden en verheerlijken. Ik zal u, Slang, overwinnen en u den kop verpletteren, ik worm der aarde en ellendig stof; ook daartoe hebt gij mij ellendig moeten maken; doch niet ik, maar de Immanuel, die gezegd heeft: gij in Mij en Ik in u.


31.

Heere, geef mij vijandschap tegen de Slang en wat van de Slang komt; want Gij neigt het hart daartoe, Gij zet vijandschap.


32.

Van nu af twee partijen in onze geschiedenis, die elkander bestrijden: het vrouwenzaad en het zaad der Slang, van welke het vrouwenzaad zal overwinnen, en tusschen welke God zal richten in den dag des oordeels. Welke strijd ook is in de harten van Gods volk.


33.

De bezoldiging van de zonde was en blijft de dood, het |14| eeuwig gemis van God en de ontbinding van ziel en lichaam. Zoo is de dood geen gevolg van mijn natuur; maar omdat mijn zonde, ook mijn zonde, die ik in Adam deed, bezoldigd wordt, daarom moet ik sterven. De dood roept uit het Paradijs ons toe: Schuldig, schuldig voor God, en komt tot ons.


34.

Hoe zijt gij uit den hemel nedergevallen, o morgenster, gij zoon van den dageraad, die zeidet in uw hart: ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhoogen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden! . . Ja, in de hel zult gij nedergestooten worden, worm der aarde, aan de zijden van den kuil 5)!


35.

Ik geloof in Zijn nederdaling ter hel.


36.

Zoo was Gods onherroepelijk vonnis: Gij zult den dood sterven, en, als wij niets anders van Hem hooren, dan blijft er geen andere hoop of troost dan . . . . . . . . de dood.


37.

God verkondigde nogmaals het Evangelie door rokken van vellen te maken voor Adam en Eva, opdat zij zich daarmeÍ zouden dekken. Mijn vijgeboombladeren bedekken de schande mijner naaktheid niet; maar het kleed, dat God schenkt, zal goed zijn. Maar welk een kleed zal het niet moeten zijn, door hetwelk God mijn naaktheid niet zal zien! Mijn verstand heeft nooit zulk een kleed kunnen uitdenken. Doch welzalig zal ik zijn, als mijn misdaden bedekt zullen wezen 6). |15|


38.

Zij werden gedreven uit het Paradijs, en een Engel met een zwaard bewaarde den toegang tot het Paradijs en den boom des levens. Voorzeker de eerste, die zal durven binnentreden, zal getroffen worden en hij zal den eeuwigen dood moeten lijden; want het zwaard van Gods gerechtigheid doodt eeuwig. Doch kom, en aanschouw het wonder Gods: er is er Een gekomen, van wien geprofeteerd was: „zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder en tegen den man, die Mijn Medgezel is;” Een, die zeide tot een oproermaker en moordenaar: „heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn;” Een, die zich in dat zwaard stortte en voor de zijnen een opening maakte en hun toeriep: volgt mij! 7) Niet alleen |16| dat zwaard, maar een menigte andere vijanden betwistten Hem den ingang; maar Hij maakte een bres en stierf.


39.

En, als nu iemand vraagt: waarom zijt gij vol ellende en tegenspraak en de man des doods, dan is het antwoord: ik heb God verlaten en ben uit het Paradijs gedreven in gezelschap met de Slang en doortrokken van zijn vergif.


40.

Twee zaken blijven er uit het Paradijs: de zonde van ons en het Evangelie van God.




II. De verborgenheden van Jezus Christus.

a. Gedachten over Christus geboorte en de eerste omstandigheden uit Zijn leven, ter eere van dien Heiland, die, hoewel Hij het geen roof behoefde te achten, zich Gode gelijk te maken, voor Zijn volk de gestalte van een dienstknecht aangenomen heeft.

1.

Het Woord is vleesch geworden. Daar hebt gij dan het wonder der wonderen. Immanuel: dat is dan de naam van den Persoon, in wien zich de eeuwige liefde van God verwezenlijkte, de ontknooping van het raadsel onzer verlossing. ’t Is onbegrijpelijk, en ’t kon toch niet anders zijn: onze oneindige en moeielijke nood vereischte zulk een oneindigen en wonderlijken Persoon. Hij moest heilig mensch zijn, om onder Gods toorn te kunnen lijden en sterven in plaats van |17| Zijn volk, om al de gevolgen der zonde te kunnen ondervinden en medelijden met ons te kunnen hebben; mensch moest Hij zijn, opdat wij onzen Zaligmaker en God zouden kunnen zien, opdat onze natuur zou kunnen boeten en verheerlijkt worden, opdat door een mensch, een vrouwenzaad, de Satan zou kunnen overwonnen worden en Gods wet zou kunnen worden, volbracht. Hij moest God zijn, om Gods toorn te kunnen doorstaan, den dood en de hel te kunnen overwinnen, de wet te kunnen volbrengen, zonder zonde te kunnen lijden en onze natuur te kunnen heiligen; Hij moest zelf God zijn, omdat geen onschuldige aan onze zonde voor ons lijden mocht, opdat een offer zou kunnen worden gebracht van oneindige waardij, opdat wij Hem ons hart zouden mogen schenken en in Hem zouden mogen gelooven 8), opdat wij in Hem der goddelijke natuur zouden deelachtig worden. Hij moest God en mensch zijn in een persoon, omdat anders geen verlossing van kracht zou wezen opdat Hij de Middelaar zou kunnen zijn tusschen God en menschen en die beiden met elkander verzoenen zou. Ja, zulk een betaamde ons! O, wie is Gods raadsman geweest!


2.

O wijzen der wereld, als gij die verborgenheid hadt uitgevonden! . . . . Maar nu noemt gij haar dwaasheid. Doch wat hebt gij gedaan om van zonde te verlossen en om de menschelijke natuur te verbeteren, hetgeen gij meent te kunnen? Blijft de wereld niet vol van wrevel, ja is er geen grond om te vreezen, dat zij met al uw wijsheid te gronde zal gaan! 9)


3.

Zijn naam moest wezen Jesus. En zoo Zijn naam is, zoo |18| is Hij. O Heere, Uw naam is een zoete lokstem: Gij zijt de Heere God, en Gij komt op de vervloekte aarde roepen: kind van Adam, zondaar, waar zijt gij! Verberg u niet en wees niet bevreesd, al zijt gij naakt: Ik zal u naar het Paradijs terugvoeren; Ik kom om u te redden; Ik ben Jesus!


4.

Zijn naam moest wezen Jesus, omdat Hij Zijn volk zou zalig maken van hunne zonden, dat is, Hij zou hunne zonden wegnemen en hen zalig maken, door hen te brengen in Gods gemeenschap. En die twee zaken moeten gebeuren, zal onze behoefte vervuld zijn: geen balling uit het Paradijs zal rust hebben, zoo lang hij den naam van Jesus niet heeft gehoord. Welzalig het volk, dat het geklank van dien naam kent!


5.

Jesus, dat is de naam der ontferming, uitgedacht door God, door rechtvaardigen in eigen oogen niet gezocht, maar bij zondaren geliefd. Dat hij hemel en aarde en al de binnenkameren mijns harten eeuwig vervulle. Verlicht mij meer, o Heere, en Uw naam zal mij zijn van een eeuwig toenemende beminnelijkheid!


6.

Zijn naam is Christus. Want Hij is het Kind van Gods beloften aan Zijn volk en de Afgezonderde van eeuwigheid om Gods geschenk aan Zijn volk te zijn; want Hij is gezalfd tot Profeet, Priester en Koning tot Zijne heerlijkheid, en opdat Zijn volk een profetisch, priesterlijk, koninglijk volk zou zijn. Zijn naam is een olie voor Zijn volk: o Heere, laat mij wandelen in de geuren Uwer kleederen; maak mij Uwe zalving deelachtig. |19|


7.

Christus: die naam is ons liefelijk; want hoewel Hij wist dat het Hem den dood kosten zou, wilde Hij zoo heeten.


8.

Zulk een Profeet van zulk een zalving paste voor wederhoorigen, als wij zijn; zulk een Koning voor nooddruftigen, die geen helper hadden; zulk een Hoogepriester betaamde ons, die geheiligd was om met eene offerande te volmaken die in eeuwigheid geheiligd worden.


9.

Mijn volk, wees getroost: Ik ben, tot uw Hoogepriester aangesteld. Ik heb die eer niet genomen voor u te mogen lijden en sterven, maar God heeft Mij gezalfd. Niemand neemt zichzelven die eer aan, hoogepriester te zijn, maar die van God geroepen wordt, gelijk Ašron. Zoo heb ook Ik Mijzelven niet verheerlijkt om hoogepriester te worden; maar die tot Mij gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd 10).


10.

God had een wil om te verlossen en vond ook een weg, een weg, die open staat ook voor mij zondaar. En wat zal ik meer bewonderen? O, dat eeuwig mijn ziel getrokken worde van de zoete beschouwing van het eene tot die van het andere, van Zijn genade tot Zijn genade in Christus, van Zijn genade in Christus tot Zijn genade aan zulk een zondaar, als ik!


11.

Het Woord is vleesch geworden. Ik zal meer mijn God |20| gelooven, die mensch werd om mij te verlossen, dan de Satan, die een beest werd om mij te verderven.


12.

Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond. Onder ons kwam Hij wonen en werd vleesch voor zondaren! En om dat te getuigen, hoe Hij onder ons wilde wonen, kwam Hij, toen de groote lijst der namen van de „geheele wereld” gemaakt werd. Ach Heere, Gij ook hier; Gij ook op die lijst, onder zooveel, onder niets dan . . . . . . zondaren, onder zooveel dieven, lasteraars, moordenaars, gierigaards en menschen van andere en alle gebreken! Wat zullen wij zeggen, dat Gij met de zondaren wildet gerekend worden!


13.

’t Zal een eeuwige aanstoot zijn voor den Satan en al zijn volk, dat Gij, Heere, voor zondaren gekomen zijt. Zij murmureeren over u: Deze ontvangt de zondaren en eet met hen 11); de Michals roepen verachtelijk: hoe heeft de Koning van Israel zich ontbloot voor de minste der dienstknechten en dienstmaagden!


14.

Ja, Ik zal Mij nog geringer aanstellen, dan de minste dienstknechten en dienstmaagden; want met dezulken zal Ik verheerlijkt worden!


15.

Gij hebt ook uw intrek willen nemen in een beestenstal, om daarmeÍ te toonen, dat Gij geringe en onreine harten 12) verkiezen, wilt, om daarin een gestalte te verkrijgen. En ach Heere, als het zoo ook niet was! |21|


16.

Mijn volk, gij zijt gansch verheerlijkt inwendig 13).


17.

O, Gij, die U zoo diep vernederd hebt tot ons, zondaren, leer mij diep bukken, opdat ik U vinden moge.


18.

Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.


19.

Ja, Gij zijt gekomen om dat, wat niets was en verachtelijk, voor U te nemen; Gij hebt de koningrijken der aarde en de legioenen van engelen daargelaten en het verlorene willen zoeken. En er is ook niets verlorens, dat Gij niet gevonden hebt of vinden zult.


20.

Zijn hart is zoo vol liefde, dat Hij het niet bedwingen kan, maar gedurig wil uitstorten. Daarom zoekt Hij en vraagt Hij: is hier niet de een of ander, wien Ik weldoen kan?


21.

Doch de wereld wil Zijne liefde niet; zij wil de duisternis liever dan het licht. Als Hij van de wereld was geweest, zij zou Hem liefgehad hebben; maar zij haatte Hem, en daarom is Hij ook het ware zaad der vrouw.


22.

Zij kent het natuurlijk licht niet, hoe zou zij het hemelsch licht kennen. Maar dat is haar zonde, dat zij de duisternis liever heeft dan het licht. |22|


23.

Ontneem mij mijne wijsheid, Heere; want die is enkel duisternis en doet niets dan Uw licht verduisteren. Gij alleen kent U zelven: leef in mij en ik zal U kennen.


24.

Geef mij die ware wijsheid, die Gij aan de Wijzen uit het Oosten gegeven hebt; zij waren wijs, omdat zij geloovig tot U kwamen om U te aanbidden.


25.

Jesus werd vervolgd van het begin tot het einde van Zijn leven. Van voor Zijn geboorte af had Hij geen rust. Hij had nog minder dan de vossen of de vogelen des hemels; Hij had geen plaats om Zijn hoofd neder te leggen. Het zijn onze zonden, o Rustelooze, die U vervolgen: ach, dat wij zoo gezondigd hebben!


26.

Hij leed zooveel moeiten in Zijn ballingschap, omdat Hij Zijn volk liefhad: Isršel diende om een vrouw en hoedde om een vrouw en droeg de hitte van den dag en de koude van den nacht, omdat Hij haar liefhad.


27.

Hij deed niets dan goed, en de wereld leverde Hem niets op dan kwaad.


28.

Jesus werd verzocht door den Satan. Hij was in een woestijn en dan met hem; want een Paradijs was er ook voor Hem hier niet, en Hij moest het moeielijkste ondervinden. De Satan bood Hem steenen aan, toen Hem hongerde en zeide: Zoon van God, eet daarvan; als Gij de Zoon van God |23| zijt, zeg, dat zij brooden worden. Maar Hij weÍrstond den Satan. Hij werd verzocht door de vurige, maar dwaze liefde en het oprechte medelijden van Zijn discipel. Maar Hij zeide: ga achter Mij Satan! Hij werd wreed verzocht aan het einde van Zijn leven. Maar Hij bleef staande. Ook kon Hij niet vallen, doch alle gerechtigheid moest vervuld worden: Hij moest onze tweede Adam zijn en onze Hoogepriester in alles verzocht, doch zonder zonder; de Satan, de blinde moest door den drang van zijn ongeloof en tot zijn straf over dien steen vallen.




II. De verborgenheden van Jezus Christus.

In het kruis zal ’k eeuwig roemen.

b. Gedachten over de laatste omstandigheden van het leven onzes Heeren, naar aanleiding vooral van de laatste hoofdstukken van Johannes, van af hoofdstuk 14, ter eere van dien oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, die voor de vreugde, welke Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.

1.

Jezus verklaarde Zijn hart aan Zijn discipelen, voor Hij ging sterven. En als Hij dat doet, als Hij den eeuwigen stroom loslaat en laat vloeien, den stroom van genade en waarheid, van vrede en vertroosting, o hoeveel komt er dan niet te voorschijn. O alle gij dorstigen, komt tot de wateren! |24|


2.

Uw hart worde niet ontroerd, zoo sprak Hij, „uw hart”, en ’t was alsof Hij het Zijne vergat. Onze Borg had ook Zijn hart voor ons.


3.

Uw hart worde niet ontroerd, Mijn volk: Ik ben bij u, Ik zal u niet begeven of verlaten. Al is het, dat alles u ontzinkt, geloof in Mij, dan ben Ik er nog, uw hart worde niet ontroerd.


4.

Vertrouw niet op u zelven, want gij kunt niets dan vallen; gij zijt gevallen in ’t Paradijs en wat zult gij doen op dezen mesthoop der aarde 14)! Maar geloof in Mij en wees niet versaagd.


5.

O Heere, neem mijn gansche vertrouwen, en ik zal het u schenken.


6.

Gij zijt wel naakt, geheel ontbloot van het goede; maar geloof in Mij, Ik zal u gerechtigheid aantrekken als een pantser, en gij zult u voor God niet moeten schamen.


7.

Uw verstand zal u wel begeven; maar uw hart zij niet ontroerd. Want het heeft eene grootere kracht. Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude.


8.

O Heere, hebt Gij dat reeds gedaan! |25|


9.

Ik ga voor uwe zaak zorgen in den hemel. Alles is gereed, wanneer gij daar komt.


10.

Wees getroost, Mijn volk, Ik ga heen om uwentwil. Ik was niet van deze aarde, Ik kwam slechts om u te halen.


11.

O Heere, ga henen en spreek Gij voor ons tot den Vader; want Hij kan met geen zondaren onderhandelen, en wij kunnen God niet zien en leven!


12.

Zie, hier ben Ik, Mijn volk: die Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien. Maar buiten Mij kan niemand God zien en leven.


13.

O Heere, U te zien is ons leven! U te zien, al de goedigheid Gods 15), al Zijn rechtvaardigheid en heiligheid, al Zijn wijsheid, Hem zooals Hij is . . . . . . o, dat wij klaar en onderscheiden mochten zien!

14.

Mijn volk, gij zult God gelijk zijn; want gij zult Hem zien, gelijk Hij is; gij zult met Hem omgaan en zitten aan Zijn rechterhand; want gij zult zijn in Mij en Ik in u. Ik zal den Leugenaar voor eeuwig beschamen; hij zal voor u de waarheid gesproken hebben. |26|


15.

Gij wildet God gelijk worden langs een onheiligen weg;; maar gij zult tot Hem komen langs een heiligen weg: Ik ben de weg.


16.

Jezus zeide tot Zijn discipelen, dat Hij heenging; maar dat Hij weder komen zou tot hen. Zij moesten daarom niet ontroerd zijn; want als Hij heengaat van Zijn volk, dan is het om met meerdere genadegiften terug te komen.


17.

Hij zou henengaan, opdat de dierbare, eeuwige Trooster tot Zijn volk komen zou; want Hij had Zijn volk lief en de Trooster had hen lief en de DrieŽenige God had hen lief. O, volk van Christus, acht dien Trooster hoog, want Hij heeft u lief en is een gezondene van den Vader en een afgebedene door onzen Heere!


18.

Blijft in Mijne liefde en bewaart Mijne geboden, zoo sprak Hij, voor Hij heenging. O, dat wij verwaardigd zijn Hem lief te hebben en Zijne geboden te bewaren!


19.

Niet te vergeefs zult Gij gebieden; want Gij hebt gezorgd, dat wij zullen kunnen doen, wat Gij gebiedt: Gij hebt, o Liefdevolle, om den Trooster voor ons gebeden, die ons alles zal leeren.


20.

Indien gij Mij lief hebt en Mijne geboden bewaart, dan zal Mijn Vader u liefhebben en wij zullen woning bij u maken. Ach, Heere: bij Uw wormken der aarde, zulke gasten! |27|


21.

Doch in het minste, dat er is, zal de heerlijkheid Gods het meest schijnen.


22.

Staat op, en laat ons van hier gaan, zoo sprak Hij; Ik kom, Ik kom, o Mijn God, Ik heb lust Uw welbehagen te doen. O, die Bereidwillige om te sterven! Mochten wij bereidwillig wezen Zijn geboden te doen en bij Hem het eeuwige leven te zoeken!


23.

Jesus ging heen met Zijn discipelen. En Hij sprak met hen. Al Zijn woorden en ook Zijn laatste klanken waren voor ons.


24.

Jesus zeide: Ik ben de ware wijnstok. Ja Heere, Gij zijt die wijnstok, die zijn most heeft willen verlaten om te gaan heerschen en zweven over de boomen 16). Ja Heere, Uw liefde is beter dan de wijn.


25.

Ik ben de ware wijnstok, en Mijn Vader is de landman, en gij zijt de ranken. Ik ben uwe levenskracht en uwe vrucht is uit Mij gevonden. Van u zelven komt er geen vrucht in eeuwigheid; maar in Mij zult gij veel vruchten dragen. Gij zult vruchten dragen; het zullen de uwe zijn. Mijn volk, uwe vruchten zullen zoeter zijn dan de wijn der druiven!


26.

Ach, Heere! Zoo zal onze zaligheid niets meer zijn dan een bijzaak; maar wij zullen leven om vruchten voort te brengen. |28|


27.

Gij zult zalig zijn in het vruchten voortbrengen 17).


28.

En daarin wil die goede, volzalige God nog verheerlijkt worden, dat zulken als wij Hem vruchten voortbrengen. De Satan zeide: zij zullen in eeuwigheid geen vruchten kunnen voortbrengen; maar God zeide: dit volk heb ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.


29.

Blijft in Mij, want zonder Mij kunt gij niets doen, dan zonde. Ga Mij nooit voorbij en wil nooit heilig zijn zonder Mij; Gij kunt zonder Mij Gode nooit behagen; maar geloof eerst, en gij zult vruchten voortbrengen.


30.

Er is ťen Geest des levens in ons, en gij zijt met Mij vereenigd, zooals Ik met den Vader vereenigd ben. Wij zijn niet twee, maar ťen, mijn volk.


31.

O, diepe verborgenheid: „gelijk Ik met den Vader.” O, was het dan dat, dat Gij, Heere, van eeuwigheid hadt bedoeld! Hoe zalig zijn Uwe wonderen voor ons!


32.

Leven van Mijn leven te genieten, dat is Avondmaal te houden, en dat moogt Gij eeuwig doen; dat had Ik voor u beschikt. |29|


33.

Geen eeuwige zee van zonden zal Mijne liefde uitblusschen!


34.

O, Mijne discipelen, Ik heb u meer lief dan Mijn leven; ik heb u lief gelijk de Vader Mij lief heeft. ’t Is in uwe taal niet uit te drukken, wormkens der aarde.


35.

Heere, dat wij U mogen liefhebben; want alleen de liefde, die Gij ons schenkt, zal Uw liefde kennen.


36.

Uw hart zij nooit ontroerd: gij hebt Mij nooit bewogen tot liefde; Ik heb u vrijwillig lief.


37.

O, onze Heere en onze God! Ja, er kon geen liefde voor ons opkomen dan in het hart van God.


38.

Mijne liefde is nooit geboren; Ik heb u nooit lief gekregen; maar Ik had u van eeuwigheid lief.


39.

Ik heet u niet meer dienstknechten; maar Ik heet u vrienden; want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet. Wij moeten geen geheimen hebben.


40.

Gij zijt mijn vrienden, zoo gij doet wat Ik u gebied. Geef mij liefde voor u, Heere, en bind mij aan den zachten |30| band Uwer geboden. Dan zal ik ook mijn band liefhebben en daarom vrij en zalig wezen.


41.

Gij hebt Mij niet uitverkoren; maar Ik heb u uitverkoren. Neen, Heere, niet wij u, schoon Gij het meest begeerlijk zijt, maar Gij ons, het wegwerpsel der aarde; wij hebben vrijwillig den Satan uitverkoren. Důch daarom zal ons hart u loven tot in eeuwigheid; daarom zullen wij u te meer liefhebben.


42.

De wereld zal u haten; maar weest getroost: zij heeft Mij eer dan u gehaat. Zij zal u haten, omdat Ik u verkoren heb. Dat zij nooit redenen ontvange om de oorzaak van dien haat te bedekken!


43.

Zij was er nog niet, toen Ik u lief had.


44.

Zij weet niet, wat zij aan u verschuldigd is, en Mij kent zij niet. Weest getroost, zij kan niet bestaan zonder Mijn langmoedigheid, en om uwentwil bestaat zij nog.


45.

Gij zult verdrukking hebben; maar weest getroost, die wilt gij immers om Mijnentwil wel dragen?


46.

Hebt goeden moed: het geldt niet u, maar Mij! De wereld zal teleurgesteld zijn, de blinde: zij zal meenen, dat zij u vervolgt en niet weten, dat zij zich in den persoon bedriegt en Mij vervolgt. |31|


47.

Gij zult vervolgd worden door den Overste der wereld, gelijk ook Ik. Die Egyptische Pharao zal het vernemen als gij, Mijne ellendigen, tot Mij roept en zal u dan dubbel doen zuchten onder de tichels der verdrukking. Maar Ik zal, u hooren en u kennen.


48.

De wereld heeft God verlaten en haat Hem. En dat is haar zonde. Maar Ik ben gekomen in den weg der gerechtigheid, en der verzoening; doch zij verwerpt Mij. En dat is haar groote en onherstelbare zonde. Nu heeft zij geen voorwendsel, geen slachtoffer meer.


49.

Gij zult Mijne getuigen zijn in de wereld en tegen de wereld. Ik zal u den Trooster geven, en gij zult voor Mij zorgen op de aarde, en Ik zal voor u zorgen in den hemel.


50.

Zij zullen u veel leed aandoen. Maar wat zij ten kwade denken, heb Ik ten goede gedacht. Hebt goeden moed: Ik zal u in ketenen laten boeien, opdat gij moogt gevoelen, hoe vrij gij zijt; Ik zal u in verdrukking brengen, opdat gij weten moogt, hoe zacht Mijn juk is; Ik zal de gansche wereld tegen u laten strijden, opdat gij weten moogt, hoe sterk gij zijt in Mij; Ik zal de Satans u laten omsingelen, opdat gij hen beschamen moogt; Ik zal u laten sterven, opdat gij zult mogen ingaan in de eeuwige vreugde en opdat Mijne groote kracht aan u verheerlijkt worde! |32|


51.

Ik zal u ook louteren in den smeltkroes der ellende. ’t Is omdat gij Mijn kostelijk goud zijt en geen slijk der aarde.


52.

De Satan zal u bestrijden; maar vreest niet: Ik heb overwonnen; Ik ben uw sterke toren en ziet gij het niet: dien Abimelech is de kop verpletterd, en hij is bezig zich zelven te doorboren 18).


53.

Mijne liefde zal de banier over u zijn, Ik heb u te duur gekocht, dan dat Ik niet voor u zou zorgen. Ook de Vader zelf heeft u lief, en wie zal dien sterk gewapende zijne vaten ontrooven.


54.

De weg naar boven is niet anders dan door een tranendal henen. Maar aan het einde komt de blijdschap, en niemand zal uw blijdschap van u nemen. Maar geloof in Mij, en zelfs de tranen zullen zoet wezen.


55.

Ik heb de wereld overwonnen. En gij hebt haar overwonnen, Mijn volk, ook eer gij gestreden hebt, en dat zult gij mogen zeggen door het allerheiligste geloof.


56.

Toen onze Middelaar Zijn hart aan Zijn volk had verklaard, deed Hij dat ook aan Zijn God. En Hij bad voor Zijn volk, dat opdragende aan Zijn Vader. O, dat welzalige volk: in welke handen wordt het niet overgegeven en door Wien! |33|
57.

Hij bad niet voor de wereld; er was ook geen grond om voor haar te bidden in het Hoogepriesterlijk gebed, maar voor de Zijnen, omdat de Vader die Hem gegeven had, en Hij zich voor hen tot een sIachtoffer heiligde en Zijne heerlijkheid op hen legde, omdat zij ook den Vader toebebooren, omdat de Vader den Zoon lief had met een eeuwige liefde. O, hier is rotsgrond! Hier is een veilige rust voor de ziel!


58.

Aan het einde van Zijn gebed, maakte Jesus Zijn uitersten wil den Vader bekend: Vader, Ik wil dat, waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid zien , die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij lief gehad voor de grondlegging der wereld.


59.

Zoo wijdde zich de groote Hoogepriester onzer belijdenis tot den dood door . . . . . een gebed.


60.

O arme wereld, welk bloed hebt gij aan God te geven voor uw zouden, en wie is uw Hoogepriester! Gods volk vindt al zijn heil in den Hoogepriester Gods en in Gods bloed 19).


61.

Jesus ging uit met Zijne discipelen. Hij ging over de beek |34| Kidron 20). Hij trad over de onreinheden en vuilheden der inwoners van Jerusalem henen. De zonden van Zijn volk ging Hij te gemoet; zij waren onder Zijn voeten; Hij liet ze achter zich. Aanschouw het met vreugde, o volk van zonden, van bloedschulden, Jerusalem, dat beneden zijt, hoe uw Koning over de beek Kidron gaat!


62.

Jesus ging over de beek Kidron naar het donkere Gethsemanť. In vroeger dagen ging ook de Koning David er over, toen hij zijn stad verlaten moest voor zijn snooden zoon Absalom. En al de burgers van Jerusalem moeten dien weg op, doch niet om te lijden, als de groote Koning.


63.

Jesus wist, dat de donkere ure komen moest. O schrikkelijke alwetendheid! Maar Hij had gebeden en ging heen.

64.

Jesus nam met zich Petrus en de zonen van Zebedeus en kwam in den hof Gethsemanť. En een weinig voortgegaan zijnde, begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Want Hij moest God ontmoeten, den Heilige en Rechtvaardige, en welk mensch kan God zien en leven, en Hij was schuldig in plaats van Zijn volk. O, zondaren, wat zal het zijn, als gij God zult moeten zien, en er geen bergen zullen zijn om op u te vallen en geen heuvelen, om u voor Hem te bedekken, en gij niet zult kunnen ontvluchten, noch verteeren. O, volk van Jesus Christus: zie, wat gij hebt aan uwen Borg! |35|


65.

Jesus werd droevig en zeer beangst. Hebt gij nooit Davids bittere klacht gehoord en medelijden gehad met zijn deerniswaardig lot: Absalom, mijn zoon, dat ik voor u gestorven ware. Maar, als gij den Zoon van God aanschouwt in Gethsemanť, is het, alsof gij uit al den weemoed van dien Ontroerde, de stem der liefde hoort: Mijn volk, Mijn volk, ach, dat Ik voor u mocht sterven!


66.

Hier kwamen al de heirlegers van onze zonden tegen Hem op; want God liet al onze ongerechtigheden op Hem aanloopen. En zij omringden Hem als bijen. Is het gering heirlegers te verslaan, en kan een eenige duizend vellen; doch al kon dat zijn, wie kan een enkele zonde verdoen. Maar Hij verdelgde al onze zonden, en zij waren niet meer, „de zonde van Juda zal gezocht, maar niet gevonden worden.”


67.

Jesus bad of het niet mogelijk was, dat die drinkbeker van Hem voorbijging. Hij heeft gevraagd 21) of er geen andere weg ter zaligheid was, geen andere verlossing, dan ten koste van Hem. Maar God wilde niet anders. Er is geen voldoening aan God, dan door het bloed van Christus.


68.

O onverbiddelijke rechtvaardigheid! God zal er eeuwig den lof van hebben, dat het onmogelijk was. O grondelooze, onveranderlijke genade voor ons: het was onmogelijk! O liefde |36| van onzen Heere, die alle verstand te boven gaat: Jesus zeide, dat Ik hem drinke!


69.

Een mogelijke weg was er niet; maar Jesus moest het onmogelijke doen!


70.

Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe. Mijne ziel is enkel smart en droefheid: zie, Ik ben krank van uwe plagen, Mijn volk, en van . . . . liefde.


71.

Jesus bad tweemaal, dat Hij mocht sterven, zoo het Gods wil was; want Gods wil en Zijn volk waren Hem dierbaarder dan het leven. Wat zullen wij zeggen, dat Hij bad om voor ons te mogen sterven!


72.

Te zondigen en Gods werk te bederven, is gemakkelijk; maar van zonde te verlossen, dat is moeielijk 22), daartoe moet hemel en aarde, tijd en eeuwigheid, de gansche hel en de ziel van Mij ontroerd worden: gij hebt Mij, Mijn volk, arbeid gemaakt door uwe zonden. Maar Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg.


73.

Ach Heere, om eenige schenkeltjes uit den muil van den Leeuw te redden, moest daarom zooveel geschieden!


74.

De Slang kronkelde zich rond Hem, en . . . . hoe werd Hij geperst! |37|

75.

Zijn zweet werd als groote druppelen bloeds. Hij was in arbeid om onze zonden; want de gansche hel wilde ons uit Zijn hand rukken; maar Hij hield ons vast.


76.

Wees getroost, Mijn volk: Mij benauwen, Mij dooden, dat kunnen zij, maar u uit Mijne hand rukken niet!


77.

O Heere, hoe diep waren wij gezonken, en in welke diepten der hel hebt Gij ons snooden willen zoeken!


78.

Zijne ziel was geheel bedroefd tot den dood toe; want Gods toorn verteerde haar. O Gethsemanť, in uw donkerheid gebeurde het eeuwig wonder: Gods volk wandelt in den oven des vuurs van den toorn des grooten Gods, en hunne kleederen worden niet gezengd; want zie, er is nog een persoon bij hen!


79.

Hij ging tot Zijn discipelen, Petrus en de zonen van Zebedeus; maar Hij vond hen slapende van droefheid. Zij hadden geen troost voor Hem; want Hij moest de pers alleen treden. Doch bij ons is de schande: wij hebben Hem alleen gelaten, en het gold onze zaak.


80.

Hij had niemand noodig, maar die goede Heiland wilde de menschen opzoeken, opdat zij tot Hem zouden mogen spreken en Hem troosten zouden. Doch, toen zij sliepen, werd een engel daartoe verwaardigd. En zoo was het wel, Heere: nu |38| weet ik zooveel te meer, dat wij niets aan onze verlossing hebben gedaan.


81.

Ach, wij zorgeloozen: indien Hij niet voor ons zorgde! . . . .


82.

Gij moet niet meer slapen, Mijn volk, als men tegen Mij samenspant. Maar, al kunt gij dat: Ik heb toch voor u geleden.


83.

Jesus stond bij Zijn discipelen, en zij sliepen. En Hij zeide: slaapt nu voort. Slaapt nu voort: Ik zal wel voor u lijden!


84.

Slaapt nu voort: dat Ik niets aan u zou hebben en niet op u rekenen kon, dat wist ik van eeuwigheid wel. Doch gij kunt rekenen op Mij.


85.

Slaapt nu voort; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak: Ik weet, dat gij Mij lief hebt en dat is Mij genoeg.


86.

Wees voor eeuwig gerust, Mijn volk: Ik zal voor u waken en niets zal u deren.


87.

Slaapt nu voort; doch weldra zult Gij Mij zonder vermoeidheid mogen dienen, want Ik ga u van alle vermoeidheid verlossen.


88.

Ja, dat zij slape, onze keurbende: nu weet ik zooveel te beter dat ik U, o Heere, alleen behoef. |39|


89.

O Lam van God, Gij hebt gezwegen in uw verdrukking en gezegd: Uw wil, o God, geschiede, dat Ik den drinkbeker drinke. Ach, dat ik van u leeren moge in de grootste benauwdheden, geen anderen wil te hebben, dan dien van God; dat ik, nu ik u gezien heb in Gethsemanť, nimmer twiste met mijn God.


90.

Dat mijne liefde voor U onuitsprekelijk zij: wij hebben uw lijden niet gezien en hadden het ook niet kunnen vatten; want het was oneindig; Gij hebt gebeden den drinkbeker te mogen drinken; hij is U gegeven, en Gij hebt de zee van onze eeuwige wanhoop, van onze eeuwige verdoeming, van onze eeuwige ellenden, de eeuwige Sodomswateren leÍggedronken, voor ons, die dat verdiend hadden te moeten doen, die soms niet een uur met U kunnen waken!


91.

Gethsemanť zal ons dierbaar zijn, de lusthof, het Paradijs onzer gedachten. Daar werd onze tweede Adam voor God geroepen: waar zijt gij? Doch Hij heeft zich niet verborgen, maar ging den vertoornden God tegemoet: dat Ik hem drinke, en wederom zeide Hij: wien zoekt gij.


92.

Toen Jesus nog sprak tot Zijn discipelen, kwam Judas met een gewapende bende. Jesus ging hen tegemoet, en, toen Hij bij hen kwam, deinsde Hij niet terug en aarzelde niet zich bekend te maken. Hij nam de duisternis ook niet waar om te vluchten.

93.

Zij kwamen met zwaarden en stokken. Hij had de |40| roekeloozen kunnen vernietigen. Doch Hij was niet gekomen om menschen te verderven, maar om Zijn volk te behouden en zelf vernietigd te worden.


94.

Zij kwamen met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar. Moordenaars, gelooft in Hem, en uw hart zij niet ontroerd; laat ook de hondekens 23) in Hem gelooven en niet versaagd zijn; want zij kwamen met zwaarden en stokken tegen Hem.


95.

Ik werd verraden door een kus, opdat men Mij kennen zou en ter dood zou kunnen leiden. Zelfs een kus kan een plaats vinden in het plan des Satans. Ik zal u ook kussen, Mijn volk, met de kussen van Mijn mond, de kussen van vergeving en vriendschap, van vrede, en zaligheid, opdat gij het recht weten moogt, dat gij het zijt, die Ik innig lief heb en die Ik zoek om naar de heerlijkheid te voeren.


96.

O Judas, gij ook daar, om ons te dienen!


97.

Jesus zeide tot Judas: „vriend”. Hij kende den wil des Vaders, en het was wel, dat Hij ook die bitterheid ondervinden moest, welke Zijn discipel Hem aandeed. „Vriend”, zeide Hij: het was een antwoord om een hart als een steenrots te verteederen en te vermorselen; want Hij had geen lust in den dood van Judas.


98.

Hij zeide tot hen: wien zoekt gij; zij zeiden Jesus den |41| Nazarener. Hij zeide: Ik ben het. En toen Hij dat zeide, vielen zij ter aarde. O ongeloovigen, weest op uwe hoede; want Hij zal nog eens komen, en wat zal het dan zijn, wanneer Hij zeggen zal: „Ik ben het”!


99.

Troost u, volk des Heeren: Hij heeft gezegd, onze Borg, tot Zijnen Vader: Ik ben het; indien Gij dan Mij zoekt, laat dezen henengaan.


100.

Simon Petrus, hebbende een zwaard, trok het uit en hieuw den dienstknecht des Hoogepriesters het oor af. Toen de Heere hem vroeg of hij waken wilde, sliep hij, en, nu de Heere niets vraagt, gebruikt hij zijn zwaard. Ach, zoo zijn wij!


101.

U alleen, Heere, zij de lof: Gij hebt niets aan ons gehad, maar, ook in Uw lijden stonden wij U tegen. Ook zelfs de liefde, die Gij in het hart stort, bederven wij door onze dwaasheid.


102.

Toen vluchtten Zijne discipelen, Hem verlatende. Er was niets van ons te verwachten. Weest getroost, Mijn volk: er is niets van u te verwachten; schapen, schapen Mijner weide, gij zijt menschen; maar Ik ben de Heere uw God!


103.

Weest getroost, Mijn volk; Ik ging mijn moordenaars te gemoet; maar gij zijt gevlucht; Ik ging voor u naar den dood, maar gij zijt hem ontvlucht.


104.

Aan Mijne liefde zult gij niet ontvluchten. |42|


105.

Jesus liet zich binden en leiden naar den dood. Opdat Zijn volk van alle banden zou verlost zijn en zou mogen roemen in de vrijheid der heerlijkheid; opdat Zijn volk zou leven. Zie, het Lam wordt gebonden en weggevoerd. Arme wereld, weg met uw beloften en goden, die gij mij wilt opdringen, weg arme Satan, gij kunt en wilt niets voor mij doen, gij wilt niet gebonden zijn tot mijne vrijheid, gij wilt niet voor mij sterven; maar de Christus uit Gethsemanť, die zich liet binden voor mij en naar den dood ging, die en die alleen is mijn God.


106.

Jesus werd henengeleid eerst tot Annas en daarna tot Kajafas. Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat ťťn mensch voor het volk stierve. Dat zeide hij niet van zich zelven, maar van God 24); want Hij moest getuigen voor het plaatsvervangend lijden van Christus tot troost van Gods volk en beschaming der ongeloovigen. En toen hij dat woord gesproken had, moest hij daarnaar handelen. Zoo gebruikt de Heere de grootste vijanden tot het grootste nut voor Zijn volk.


107.

Jesus moest niet veroordeeld worden door gewone menschen of sterven in een oproer; maar de Hoogepriester en Pilatus |43| moesten Hem veroordeelen; dat wil zeggen: het moest geschieden in Gods naam. Pilatus had ook geen macht, dan die hem van God gegeven was. Het moest zoo zijn; wij moesten door God veroordeeld worden in Hem.


108.

De Hoogepriester ondervroeg Jesus, opdat hij een oorzaak zou vinden om Hem te veroordeelen. Toen hij die niet vinden kon, werd hij ongeduldig en bezwoer Hem, dat Hij zeggen zou of Hij de Christus was, de Zoon van den levenden God. En Christus beleed, dat Hij die was. Toen scheurde de Hoogepriester zijn kleederen en zeide: „gij hebt Zijn Godslastering gehoord; wat dunkt ulieden?” En zij zeiden: Hij is des doods schuldig. Voorzeker, Hij zou des doods schuldig geweest zijn, als Hij de waarachtige God niet geweest was.


109.

Zie nu, wat de Satan met ons voorhad, hoe hij ons wilde weldoen, toen hij wilde, dat wij ons God zouden gelijk maken, en welk een leugenaar hij is, die gezegd heeft, dat wij niet zouden sterven: er is hier een mensch, die zegt dat hij God is, en daarom wordt hij door de dienaars van den Satan, menschen vol haat en geveinsdheid, ter dood veroordeeld.


110.

O, welk een troost dat Hij daarom sterven moest: nu weet ik, dat Hij mijn tweede Adam is.


111.

De Satan gebruikte eerst den Hoogepriester Gods om Jesus te veroordeelen. Zoo is het geen nieuwe list van hem, als hij door dienaren, die van God zijn aangesteld, Christus bestrijdt en diens Godheid loochent. |44|


112.

Petrus stond buiten de rechtzaal in het voorhuis, bij de dienstknechten en warmde zich. Hij warmde zich, bij het vuur van de goddeloozen, en . . . . . . . Zoo gaat het dan een kind van God!


113.

Petrus verloochende den Heere. Een kinnebakslag van Petrus: welk bitter lijden!


114.

Petrus kwam van stap tot stap tot de vreesselijkste zonde: hij was reeds begonnen te zondigen, toen hij, den Heere tegensprekende, zeide: „Heere, al werden zij ook allen aan U geŽrgerd, ik zal geensins aan U geŽrgerd worden”; hij had niet gewaakt en gebeden, maar geslapen; nu was het woord van een dienstmaagd genoeg om verder te doen zondigen. De weg der zonde is afhellend en, helaas, zoo gemakkelijk voor het vleesch!


115.

Wat zouden wij tegen al de machten der hel, die niet bestand zijn tegen het woord eener dienstmaagd.


116.

Ach, met welk een ontsteld en tegenstrevend hart zal Petrus gezondigd hebben. Want Gods volk zondigt niet gelijk anderen; maar zij doen moeielijke zonden.


117.

Petrus wilde veinzen, en hij kon het niet, daarom handelde hij wonderlijk! De Satan liet zooveel te meer zeggen: O, gij zijt van die. Die weet, wanneer hij niet veinzen moet; ofschoon hij het meest veinst, als hij de waarheid spreekt. |45|

118.

In dezelfde ure zwoeren beiden, de Heere, dat Hij de Christus was en Petrus, dat hij Hem niet kende. Hij is niet als wij, en dat is onze eeuwige sterkte.


119.

Die goede Heiland dacht aan Petrus in Zijn angsten en zag hem aan. En dat was genoeg: Petrus weÍrstond dien blik niet, maar moest naar buiten gaan en bitter weenen. Veracht dan Petrus niet; maar prijs veel meer den Heere, wiens blik hem uitdreef om bitter te weenen: ja, al onze zonden zullen Hem grooter maken.


120.

De Joden leidden Jesus van Kajafas naar het rechthuis. Maar zij gingen daar niet in, opdat zij niet zouden verontreinigd worden. Christus verstooten, en in geringe zaken nauwgezet zijn: zie, zoo doen geveinsden.


121.

Pilatus kwam uit en vroeg, waarvan zij den mensch beschuldigden. Zij zeiden: indien deze geen kwaaddoener ware, wij zouden hem u niet overgeleverd hebben. En dat woord was de waarheid — schoon niet in hun mond —: God had Hem niet laten overleveren, niet laten lijden, als Hij geen zonde had gehad. Gode zij dank: het was de waarheid; want Hij was onze Borg.


122.

Het was listig tot Pilatus te zeggen, niet dat Hij zich Gods Zoon noemde, maar dat Hij zeide, dat Hij de Koning der Joden was. Zoo weten de dienaars van den Satan een woord tot hun voordeel te gebruiken. En toch spraken zij niet |46| zoo, buiten de voorzienigheid Gods; want Christus moest lijden als Hoofd van Zijn gemeente.


123.

De Overpriesters wilden Jesus doen doorgaan voor een slecht GalileŽr: uit Galilea kwam allerhande gespuis, oproermakers en roovers. En waarlijk: Hij had een GalileŽr voor ons willen worden, en al de GalileŽrs, al de Zijnen zullen er zich eeuwig over verblijden, dat Hij de beschuldiging heeft moeten dragen: deze mensch is een GalileŽr.


124.

Wij hebben bevonden, riepen zij, dat deze het volk verkeert, verbiedende den Keizer schatting te geven. Zij logen; evenwel Hij verkeerde het volk: Hij keerde er velen om van kinderen des Satans tot kinderen Gods. Daarom haatte Hem de wereld en de Satan. Maar ook deze beschuldiging zal Hem prijzen.


125.

Dat de Joden voor een heidenschen Overheerscher stonden, was bewijs genoeg, dat Jezus de ware Messias en hun Koning was.


126.

Jezus legde de goede getuigenis af voor Pilatus, dat Hij de Koning was van Zijn volk. En Hij, die ons toen in Zijn lijden niet verloochende, zal ons ook niet verloochenen voor Zijn Vader in Zijnen grooten dag.


127.

Pilatus getuigde, dat hij gansch geen schuld in Hem vond. Ach, die verklaring kon Hem het hart niet verlichten, maar moest Hem diep grieven; want Hij wist, dat Hij toch schuldig was, ja, de grootste kwaaddoener van wege Zijn |47| volk voor God. Maar Pilatus woord was onze vrijspraak: O, volk van dien Koning, zoo zegt God: Ik vind gansch geen schuld in u.


128.

De menigte riep: Hij beroert het volk. O Heere, is dat Uw schuld. Ja, Gij beroert er velen, en beroeren, gelijk Gij, dat kan niemand: laat alle volken door U beroerd worden, en och, of er ook in mijn ziel gedurig zalig oproer mocht worden verwekt door U, zalig Beroerder IsraŽls.


129.

Pilatus zond Hem naar Herodes. Maar Herodes hoorde niets van den Heere. De nieuwsgierige eindigde zijn onderzoek met Christus te bespotten. Zoo gaat het meer.


130.

Herodes deed Hem een blinkend kleed aan en zond Hem terug naar Pilatus. Zoo moest Hij tot een bespotting wandelen door de straten van Jeruzalem. Maar liefelijk is het ons den glans van Zijn kleed te aanschouwen: dat is Uw blinkende heerlijkheid, Heere, dat Gij onze bespotting gedragen hebt.


131.

Weest getroost, Mijn volk, gij zult wandelen in blinkende kleederen door de straten van Mijn Jeruzalem.


132.

Op dien dag Zijner bespotting werden Herodes en Pilatus vrienden. Christus werd overgegeven aan de eerzucht van Herodes, en dat geschenk was goed genoeg om dezen te verzoenen met Pilatus. Droevige vriendschap! |48|


133.

Pilatus verklaarde nogmaals de onschuld van onzen Heere en zeide: zoo zal ik Hem dan kastijden en loslaten. Doch dat was ook de verklaring van zijn eigen onrechtvaardigheid. Ach, dat onze Heer vallen moest in de handen van zulk een onrechtvaardigen rechter, en dat God zulk eenen tot ons geluk daar had aangesteld.


134.

Pilatus zeide: zoo zal ik Hem dan nu kastijden en loslaten. Maar gij bedriegt u, Pilatus, de Satan kan nu niet toegeven of schikken 25).


135.

Pilatus geraakte in verlegenheid met dien mensch. En dat zal meer gebeuren; want men heeft niet op eenmaal met Hem gedaan, en Hij gaat niet heen, als men het wil.


136.

Pilatus wilde Christus loslaten en stelde Hem daartoe tegenover een moordenaar en oproermaker, Barabbas. Maar de Joden begeerden, dat Barabbas zou losgelaten worden. Dat was de dankbaarheid aan onzen Heere, die zoovelen van den dood had gered en vrede gebracht had, waar Hij kwam. Doch om onzentwil moest Zijn lot zoo zijn.


137.

Wees getroost, Mijn volk: Barabbas ontving genade, ten koste van Mij; gij wordt losgelaten, ontvangt genade — doch rechtvaardig —: die Barabbas zijt gij! |49|


138.

Christus kruisigen en de moordenaars niet dooden: zoo moet men zich veroordeelen.


139.

Pilatus nam Hem en geesselde Hem, omdat door Zijn striemen ons genezing geworden moest. En de krijgsknechten een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten Hem die op; want de doornen onzer vervloeking moesten de kroon Zijner heerlijkheid wezen. Ook wierpen zij Hem een purperen mantel om; want in plaats van het kleed Zijner oprechtheid, moest Hij het kleed onzer bloedschulden dragen. En zij bespotten Hem en gaven Hem kinnebakslagen en zeiden: Wees gegroet Gij Koning der Joden, omdat Zijn volk Israel tot in eeuwigheid gezegend wezen moest.


140.

Pilatus bracht Hem uit en zeide: Ik breng Hem uit, opdat gij weten zoudt, dat ik gansch geen schuld in Hem vind. Ach, Heere, hoe goed zijt Gij, dat Gij zoo dikwijls onze onschuld wilt betuigen!


141.

Jesus kwam uit, dragende de doornen kroon en het purperen kleed. En Pilatus zeide: zie, de mensch! Alsof hij zeggen wilde: is er geen medelijden voor Hem? Wees getroost, Mijn volk: voor Mij niet, maar voor u!


142.

De krijgsknechten meenden, dat het purperen kleed en de doornen kroon Hem bespottelijk maken zouden. Maar voor Zijn volk maken zij Hem liefelijk, en het zal met |50| weemoedige vreugde zijn Koning aanschouwen. O, Zijn schoonheid glanst zoo zeer, wanneer zij vergaan is voor het oog der menschen!

143.

Zie, de mensch! Een bespotte en gegeesselde, een schouwspel voor de menschen! Maar gij, Mijn volk, en gij alleen ziet Mijne heerlijkheid. Zoo zal ook de wereld de uwe niet kunnen zien, wanneer gij bij haar zijt; maar Ik zie u, Ik ken u; zie, gij zijt schoon, en er is geen gebrek aan u!


144.

Al de doornen die er rond de lelie zijn, zullen ons meer haar glans vertoonen!


145.

Zie de mensch! Ja, dat is ons het schoonste gezicht, de schoonste tentoonstelling, de liefelijkste prediking, de eenige en eeuwige troost, dat onze God mensch werd, om in onze natuur te kunnen lijden en ons te kunnen verlossen en verheerlijken en zich, met al onze krankheden beladen, aan ons vertoonde. Dien ImmanuŽl te zien, dien Man, die Gods Medgezel is, mijn offer en mijn God, dat zal mijn eenige eeuwige vreugde zijn.


146.

Mijn volk! er is niets heerlijks of begeerlijks aan Mij, dat gij Mij zoudt aanzien. In zulk een toestand waart gij, toen Ik u gezien heb en Ik had medelijden met u en Ik kwam staan op uwe plaats als een vervloeking.


147.

Ach, Heere, nu ik U gezien heb, zal ik nooit mij zelven meer beminnen!


148.

Zie de mensch! Zie, hoe lief Hij ons heeft! |50|


149.

O Pilatus, gij vertoont Mij de heerlijkheid van de deugden Gods!


150.

Pilatus wilde Hem loslaten. Maar de Joden riepen: Hij heeft zich Gods Zoon genoemd, daarom moet Hij sterven. Toen werd de onrechtvaardige Rechter nog meer bevreesd en vroeg den Heere. van waar zijt Gij; want dat zachtzinnige Lam Gods leed op een goddelijke wijze. Zie, zoo is de mensch: ofschoon hij God ziet, hij kent Hem niet. Van waar zijt Gij, vroeg Pilatus; doch, zonder een antwoord af te wachten, openbaarde hij zijn hoogmoedige menschelijke natuur en zeide: ik heb de macht U te kruisigen, (of Gij Gods Zoon zijt of niet).


151.

Pilatus wilde Hem loslaten; maar het mocht niet zijn: het wonder Gods moest gebeuren, dat hij den Heere tegen zijn begeerte moest overleveren. Er werd eindelijk een woord geroepen, een woord van den Satan, dat sterk genoeg was om zijn gansche geweten te onderdrukken: indien gij dezen loslaat, zijt gij des Keizers vriend niet, en hij verkoos de vriendschap des Keizers en de onrechtvaardigheid, boven de smaadheid van Christus en de rechtvaardigheid.


152.

Het zijn niet enkel de Joden; maar wij hebben des Heeren dood geŽischt. Onze zonden lieten niet af voor Hij gestorven was.


153.

Wees gerust, Mijn volk: Ik zal niet aflaten, eer ik de zaak voor u voleindigd heb; Ik ben uw Losser 26)!


154.

Pilatus ging op zijn rechterstoel zitten en zeide tot de Joden: zie, uw Koning! Zoo mogen wij weten, dat wij dien Koning naar recht en gerechtigheid van God ontvangen hebben. 27)


155.

De Joden riepen: neem weg, neem weg, kruisig Hem. En het was de voorbereiding voor het Pascha. Ja, Hij moet spoedig weggenomen worden; want ons Pascha moet geslacht worden!


156.

Kruis Hem, riepen zij, wij hebben geen Koning dan den Keizer! Zij verkozen in hun dwaasheid den Keizer boven hun Koning en wilden liever genegenheid veinzen voor den Keizer dan hun Koning laten leven.


157.

Toen gaf Pilatus Hem dan hun over, opdat Hij gekruisigd zou worden. En zij namen Jesus en leidden Hem weg naat Golgotha, buiten Jerusalem. En een groote menigte van volk, ook van vrouwen volgde Hem, die Hem beweenden en beklaagden. En de omstandigheid is ook zoo, dat wij wel mogen weenen en klagen: wee onzer, dat wij zoo gezondigd hebben!


158.

Mijn volk, ween niet: zie, hoe ik den vloek en uw smaadheid en den toorn Gods over uw zonde wegdraag!


159.

Gij dochters van Jerusalem, weent niet over Mij, zoo sprak Hij; maar weent over u zelven en over uw kinderen! 27) |53| Als gij over u zelven nog niet geweend hebt, dan moet gij over Hem niet weenen; Hij zal Zijn pad voor Zijn volk wel wandelen; onteer hem niet!


160.

O, weent over u zelven! Gij hebt geroepen. Zijn bloed kome over ons en onze kinderen, en Hij is overgegeven aan uw wil. O Jerusalem, o wereld; want God zal bloed van u eischen, omdat gij Zijn Zoon naar Golgotha voert 28)!


161.

O wereld, ween over u zelve: de afgezant 29) des Heeren tot de menschen, die kwam om vrede te maken en vergiffenis 30) aan te kondigen, die afgezant van God werd gehoond en gedood! Welke barbaren dooden afgezanten 31), welke barbaren zijn niet verontwaardigd, als het gebeurt, wie durft zulk een afgezant dooden!


162.

En zij kruisigden Hem tusschen twee moordenaren. Zie, Mijn volk, Ik en zondaren, wij behooren bij elkander en zijn onafscheidelijk met elkander verbonden.


163.

O Heere, Uw gedaante is liefelijk tusschen moordenaren; Uw gestalte steekt liefelijk uit boven Uw medegenooten, o Koning der booswichten! Komt, booswichten, laat ons Hem aanschouwen: er is hoop voor ons! |54|

164.

Pilatus schreef Zijn beschuldiging boven Zijn kruis: deze is Jesus, de Nazarener, de Koning der Joden. Ja, mijn Heere, dat is waarlijk Uw eenigge schuld voor God geweest, dat Gij de Koning waart en hebt willen zijn van Uw IsraŽl. Daarom hebt Gij naar recht aan het kruis gehangen.


165.

Laat het in alle talen gelezen worden, dat het waarlijk Uw doodschuld was, dat Gij ons hebt liefgehad met een eeuwige liefde en daarom met recht zijt gekruisigd.


166.

Ach, daar is geen taal, in welke ik dat handschrift onzer zonden genoeg kan lezen en de liefelijkheid er van kan doorgronden!


167.

Waarlijk, Hij is de Koning der Joden. Pilatus zeide: wat ik geschreven heb, heb ik geschreven. Nu moest die wankelmoedige man om onzentwil standvastig zijn, opdat wij nog een zegel op het handschrift Gods hebben zouden.


168.

Toen de krijgsknechten Hem kruisigden, bad Hij: „Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen.” En Hij, die voor Zijn beulen bad, zal ook Zijn volk niet vergeten.


169.

De Oversten beschimpten Hem, zeggende: anderen heeft Hij verlost, Hij kan zich zelven niet verlossen; als Hij de Zoon van God is, dat Hij afkome! Zoo word Hij vreesselijk verzocht door den Satan; want wie kan zulk een list |55| uitdenken: van Christus te eischen, dat Hij Zijn Zoonschap zou bewijzen, door Zijn volk te verloochenen. Indien Hij afgekomen ware, Hij zou onze Verlosser niet geweest zijn en ook Gods Zoon niet.


170.

Ik zal Mij wel verlossen, Mijn volk, maar eerst u!


171.

Hij zal zich zelven wel verlossen; maar dat zullen Zijn vijanden niet mogen zien. O, hoe zullen zij verschrikken als zij, die Hem bespot hebben, Hem zullen zien in Zijn grooten dag!


172.

Hoe wonderlijk is God; een onvernuftig mensch kent Hem niet: Zijn geliefde, zondelooze Zoon hangt in de smarten der hel, en de snoode bespotters van dien Zoon zijn levend, ja gezond en verheugd. Maar denk niet, dat Hij verkeerd handelt, al schijnt het zoo. En wees niet ontstoken over den voorspoed der goddeloozen.


173.

Zelfs een van de moordenaren bespotte Hem. Elk scheldwoord, o mijn Heere, zal U prijzen!


174.

Toen er niemand was, die voor Christus sprak, liet God een steen roepen en Zijn Zoon verheerlijken, namelijk, den anderen moordenaar. God maakte hem een prediker der gerechtigheid en beschaamde de gansche wereld en den Satan; want die moordenaar werd door Zijn Zoon aan den Satan ontrukt en werd verwaardigd Gods stem te zijn tot het volk. |56|

175.

Gij hebt ons getroost, Heere, omdat Gij voor Uw werk volbracht was, nog genade hebt willen bewijzen aan een moordenaar! Gij hadt medelijden met hem en hebt zijn ellenden op U genomen en hem Uw gerechtigheid geschonken, opdat hij rechtvaardig zou behouden worden. En om dezelfde reden wenschen wij zalig te worden: niet om waardigheid; want wij hadden allen den kruisdood moeten ondergaan en dat voor eeuwig; niet omdat wij tot U geroepen hebben; want wij waren niet waardig tot U te roepen, en ’t is alleen Uw genade, dat gij recht geeft om tot U te roepen, en wie kan er roepen dan door Uw Geest; wij hadden het leven verbeurd met den menschenmoordenaar; zoo zal Uw reddende genade onze eenige roem zijn.


176.

Onze Verlosser openbaart den luister Zijner goddelijke almacht aan een moordenaar, terwijl Hij voor hem beschikt over het Paradijs.


177.

Heden zult gij met Mij in ’t Paradijs zijn. Want er is geen afstand tusschen den dood en het Paradijs.


178.

Gij zult met Mij in het Paradijs zijn, zeide de Heere. En die beiden gingen samen, God en de moordenaar, maar die nu geen moordenaar meer was, doch heilig en onbevlekt.


179.

Rechtvaardigen, in eigen oogen, zullen in eeuwigheid den ingang van het Paradijs niet kunnen doorgaan; maar de moordenaars, die U volgen, Heere! |57|


180.

En waarom is door onzen Heere genade bewezen aan den eenen en niet aan den anderen moordenaar. ’t Was Zijne vrijmacht, ’t was naar ’t eeuwig welbehagen 32). Wij zullen die vrijmacht prijzen met dien moordenaar, die bekende, dat hij rechtvaardig in hetzelfde oordeel was als Hij.


181.

Zoo zie dan hier tweederhande personen: een God van moordenaars en moordenaars van God. Het slangenzaad en het zaad der vrouw openbaren een ieder het hunne.


182.

En er werd duisternis over de gansche aarde, van de zesde tot de negende ure, en de zon verbergde zich voor het gruwelijk schouwspel. Komt, menschenkinderen, ziet het groote wonder Gods: hoe het zwaard Gods ontwaakt is tegen den Man, die Gods Medgezel is; hier om dit kruis bewegen zich onze geschiedenis die van een ieder onzer, hemel en aarde, tijd en eeuwigheid, alle raadselen, alle wonderen, alle diepten des Satans en de diepten Gods!


183.

Welke duisternis er in Zijn ziel was, is niet gezien en is onbegrijpelijk: Hij riep uit de angsten van den eeuwigen dood: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten! Wat het was, zonder God te zijn voor Hem, die de vermaking was van eeuwigheid af van Zijn Vader, wie zal het minste daarvan zeggen! |58|


184.

De schare, die er bij stond, was ontroerd, en zij sloegen op hun borsten. O, Mijn volk, Ik heb u niet verlaten. Uw hart zij niet ontroerd; ween niet, want daartoe ben Ik in deze ure gekomen; Ik had daarvoor deze handen en voeten, opdat zij doorboord zouden worden; Mijn rug, opdat hij geploegd zou worden; Mijn hoofd, opdat het door een kroon van doornen gewond zou worden, en alles geschiedt om u eeuwig te troosten!


185.

In de grootste duisternis heeft Hij geroepen: Mijn God, Mijn God! Zoo moet in de donkerste ure het vertrouwen van de kinderen Gods op hun God niet bezwijken.


186.

In dien zucht der zuchten van Mij, zijn al de uwen saamgesmolten en verslonden.


187.

’t Is donkerheid van rondsom; maar zie op naar het kruis, volk des Heeren; zie, hoe heerlijk de zon der beminnelijkheid en der liefde schijnt!


188.

O, goddeloozen, ’t was voor Gods geliefde kind vreesselijk te vallen in de handen van dien levenden God!


189.

O, zondig volk, zoek hier vertroosting in het midden der donkerheid, der vervloeking; hier op Golgotha is de weg naar God, hier de ingang tot het Paradijs! |59|


190.

Jesus vergat in Zijn grootste ellenden Zijn moeder niet, maar zorgde voor haar.


191.

Jesus wetende, dat alles volbracht was, vroeg lafenis aan de menschen, en, opdat de Schrift vervuld zou worden, zeide Hij: „Mij dorst”! En Hij ontving van hunne wreede barmhartigheid een weinig edik, zuren wijn. Ook om onzentwil was het, dat Hij dien edik nam, opdat Hij onzen dorst zou wegnemen en ons zou mogen laven met den zoeten wijn der liefde.


192.

Zijnen zoeten liefdewijn zet Hij het laatst op.


193.

Jesus zeide, toen Hij den edik genomen had: „het is volbracht” 33)! Alles is opgehoopt geworden op Mijn hoofd en getorscht, al uw zonden, Mijn volk, geboet, al uw lasten gedragen, al uw zuchten gezucht, al uw vervloeking uitgewischt, uw overwinning bevochten, uw vrede met God gesloten!


194.

Jesus boog het hoofd. Heft dan nu uwe hoofden op, volk van God, rebellen, volk, dat hoogmoedig uw hoofden hadt opgeheven tegen God: uw Heiland buigt het hoofd voor Hem; Hij heeft aan Gods wil gehoorzaamd, en Hij geeft den geest!

195.

Dat ik zoo sterve: het hoofd buigende voor Hem, wiens wil geschieden moet in den hemel en op de aarde. |60|


196.

Jesus gaf den geest. Want Zijn leven behoorde aan Hem. En God nam ons eeuwig rantsoen aan.


197.

En God zette Zijn hemel der hemelen voor ons open: het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeŽn, en Hij liet vele heiligen opstaan, Zijn volk tot een getuigenis, dat de weg naar Zijn heiligdom ingewijd was door het bloed Zijns Zoons.


198.

De krijgsknechten braken Zijn beenen niet, omdat Hij gestorven was. En om nog een getuigenis te geven, dat Hij gestorven was, moest een der krijgsknechten Zijn zijde doorsteken en de Apostel bloed en water daaruit zien vloeien. Zoo is Hij waarlijk het Lam, dat voor ons geslacht is, waarlijk vleesch van ons vleesch, waarlijk gestorven; zoo is er waarlijk geen leven meer in onze Zonde.


199.

Zijn zijde werd doorstoken. De wonde zal Hij dragen als herkenningsteeken in den dag der dagen. Liefelijk zullen de lidteekenen voor hun zonden wezen voor Zijn volk, ja, zoo begeeren zij Hem te zien, maar vreesselijk voor Zijn vijanden.


200.

Heiligen dienden Hem na Zijn dood. Bij Zijn borgtochtelijk lijden moesten zij van verre staan.


201.

God beschikte onzen Heere een nieuw graf, een koninglijk graf voor onze Zonde. En Hij liet dat graf door de dienaren van den Satan bewaren.


202.

Het was Sabbath. Er blijft eene rust over voor Christus en voor het volk van God. De groote Jona is in de zee geworpen, en de golven der verbolgenheid zijn gestild, en het scheepje der Kerk is gered.




II. De verborgenheden van Jezus Christus.

Troost, troost mijn volk; spreek naar het hart van Jerusalem, en zeg haar, dat haar strijd vervuld is en dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar ongerechtigheden: verlossing en heiligmaking!

1.

Jesus leeft! Het was de eerste dag der week vroeg in den morgen, toen die blijde boodschap tot de discipelen kwam. O, ’t was een dag van een goede boodschap, een schoone dag, een dag van triumf: de rechterhand des Heeren doet groote daden, des Heeren sterke rechterhand!


2.

Wanneer alles hopeloos is, doet de rechterhand des Heeren sterke daden.


3.

Een schoone dag, een dag van goede boodschap! Maar het is de laatste niet, mijn volk!


4.

Heere, Gij hebt voor ons niets dan evangelies!


5.

Jesus leeft voor Zijn volk! O, het is genoeg; nu kunnen wij sterven; dat is ons leven, dat Hij leeft. Jesus leeft: eenige vrouwen waren naar het graf gegaan en vonden het geopend, maar den Heere zagen zij niet; doch er waren engelen, die dat tot haar gezegd hebben.


6.

Doch Zijn liefhebbers zijn niet gansch voldaan voor zij Hem zien, Hem hebben: Petrus en de Apostel, dien Jesus liefhad, liepen naar het graf om Hem te zien en Maria Magdalena stond bij het graf en weende, omdat Jesus weg was.


7.

Maria Magdalena zocht Jesus, waar zij Hem had verloren.


8.

Er stond een man bij Maria, die zeide: „vrouwe, wat weent gij”? 34) En zij antwoordde: „omdat zij mijn Heere weggenomen hebben”. „Mijn Heere”, zeide zij; want zij meende recht op Hem te hebben. Toen sprak die man een woord: „Maria”! en de liefde van Maria verstond het. Zij ontroerde; zij zeide: ”mijn Meester”! ’t Was nog dezelfde Jesus van zondaars en zondaressen.


9.

Weet gij het niet, Mijn volk: als gij om Mij weent, sta Ik voor u!


10.

Ik ben nog niet opgevaren; want Ik wilde u eerst nog troosten, Maria!


11.

Jesus zeide: „Mijn Vader is de uwe”. Hij noemde Zijn discipelen niet meer vrienden maar broeders.


12.

Er waren twee dwalende schapen; zij hadden hun Herder niet meer. Toen zij met elkander spraken op den weg over Jesus den Nazarener, kwam er een vreemdeling bij hen, die hen bestrafte en de Schriften uitlegde. O, Hij was een wandelende hemel, en het waren levende woorden, die Hij sprak!


13.

Zij hadden denzelfden Geest als Hij, en hunne harten kenden Hem. Daarom brandden zij.


14.

Zij dwongen Hem met hen in huis te gaan en bij hen te blijven. En, toen zij aanzaten en Hij het brood brak, kenden zij Hem: ’t was hun Heer! En, toen zij Hem kenden, kwam Hij weg uit hun gezicht. Zoo gaat het op de aarde.


15.

Het treft altijd zoo, dat Jesus zich bij Zijn vrienden voegt, als zij over Hem spreken of treuren.


16.

Jesus kwam tot Zijn discipelen, toen de deuren gesloten waren. En Hij zeide tot hen: vrede zij uliedenl Vrede, mijn volk; geniet nu de weldaden van het eeuwig verbond, dat in Mijn bloed tusschen God en u is gemaakt! Vrede met God, met elkander, met de steenen des velds, vrede door Mij! Geen dood, geen verdoemenis, geen beschuldiging meer voor u; niemand zal in alle eeuwigheid iets op u hebben aan te merken; niemand zal uw vrede van u nemen!


17.

Zoo komt Hij in geslotene harten en wordt daar gezien en spreekt daar van vrede.


18.

Jesus kwam de ongeloovigheid van Thomas te hulp en zeide: breng uwe hand hier en uw vinger en betast Mijn wonden. Want Hij is zulk een Hoogepriester, die medelijden weet te hebben met onze zwakheden.


19.

Er is geen rust voor ons, eer wij onze handen gelegd hebben op Zijn wonden en geen geloof voor Hij gezegd heeft: „breng uw handen hier”!


20.

De Heere openbaarde zich aan Zijn discipelen, bij de zee van Galilea. Hij at met hen. Hij was hun gast. Hij toonde ook Zijn liefde en getrouwheid aan Simon Petrus en herstelde hem in de achting van de andere discipelen. Ook daartoe was Hij op aarde gebleven.


21.

Hebt gij Mij liever dan dezen, vroeg Jesus aan Petrus. |65| Misschien meende Hij: hebt gij Mij liever dan deze visschen of gereedschappen; wilt gij niet liever Mijne schapen weiden? Maar al meende Jesus de gansche wereld, Petrus meende: U heb ik liever, Heere!


22.

De Heere vroeg aan Petrus, of hij Hem liefhad. Doch Petrus kon zijn liefde niet uitdrukken. Zoo is een kind van God: hun zonde staan zij spoedig tegen door bitter te weenen; doch voor hun liefde kennen zij geen grenzen.


23.

Als de liefde gewantrouwd wordt, wordt zij bedroefd. O wantrouw den Heere nooit, gij zijne liefhebbers!


24.

Wees getroost en zalig, Mijn volk. Ik ben alwetend!


25.

Op den veertigsten dag, na Zijn opstanding, kwam Jesus tot Zijne discipelen en leidde hen naar den Olijfberg. Hij beloofde aan Zijn volk den Heiligen Geest, dien Hij zenden zou, als een pand Zijner liefde, terwijl Hij van ons Zijn vleesch, als een pand, zou medenemen naar den hemel. Die Heilige Geest zou al de kinderen Gods, die aan Christus gegeven waren, verzamelen tot aan het einde der eeuwen.


26.

Gaande naar den Olijfberg, vroegen de discipelen, wanneer Hij Israel het Koningrijk zou oprichten. Maar de Heere kwam hun nieuwsgierigheid tegen en zeide, dat het hun niet toekwam, te weten de tijden en gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen hand gesteld had. |66|


27.

Wees niet bevreesd of ongeloovig, Mijn volk: het werk is wel groot; maar Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde; Ik heb werktuigen en schatten in menigte; duizend millioenen menschen zijn in Mijn dienst en engelen en duivelen zonder getal.


28.

Jesus voer op van den Olijfberg, en Zijn volk staarde Hem na. Hij nam de zuchten der zielen van Zijn volk mede.


29.

Eene wolk verbergde Hem voor onze oogen; maar het geloof ziet aan de andere zijde van de wolk, waar Hij heenging, en wat er gebeurde.


30.

Er is slechts een wolk tusschen Mij en u, Mijn volk!


31.

Wij zullen elkander wederzien, Mijn volk, om nooit weer te scheiden!


32.

Nu is het de begeerte van Zijn volk: kom Heere Jesus! maar nog veel meer is het de Zijne: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beŽrft het Koningrijk, dat u bereid was van voor de grondlegging der wereld!




III. De verborgenheden van het nieuwe Jerusalem.

Ontsluit, Ontsluit voor mijne schreden

De poorten der gerechtigheid;

Door deze zal ik binnentreden

En loven ’s Heeren Majesteit!


1.

Er komt eene roepstem van boven, die weerklinken zal tot aan het einde der dagen en voornamelijk dan: komt, gij gezegenden mijns Vaders, beŽrft het Koningrijk, dat u bereid was van voor de grondlegging der wereld; komt: de poorten mijner stad staan voor u open dag en nacht.


2.

Weest blijde, Mijn Volk; Ik ben uw Rechter. Komt aan Mijn rechterhand, en gaat in de vreugde uws Heeren!


3.

Dat is de stem van Jesus van Nazareth. O, hoe zalig zal de ontmoeting zijn van Jesus en die op Hem hebben gehoopt!


4.

Hoe zalig, met hemelsche oogen de oogen Zijner liefde en getrouwheid te zullen mogen zien. Hun blijdschap zal dan onbepaald, door ’t licht, dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogsten toppunt stijgen! |68|


5.

Komt en aanschouwt den Koning Salomo. Toen de Koningin van het Zuiden zag de heerlijkheid van den aardschen Salomo, het huis, dat hij gebouwd had en de spijs zijner tafel en het zitten zijner knechten en het staan zijner dienaren, was er geen geest meer in haar. Doch meer dan Salomo is hier.


6.

De heerlijkheid van daar boven kan niet verhaald worden. Er is een mensch in Christus geweest, die opgetrokken is geweest in den derden hemel en gezien heeft onuitsprekelijke dingen. Doch in de nieuwe taal van daar boven zal er beter van kunnen worden gesproken.


7.

O, hoe hebt Gij, Heere, die heerlijkheid, die Gij bij den Vader hadt, willen verlaten om als een knecht voor ons te dienen!


8.

Een groote schare is daar, die niemand tellen kan, met het Lam van God in het midden; allen in het licht der heiligheid Gods. En dat Lam stelt Zijn gemeente voor aan God, als eene zonder vlek en rimpel.


9.

Alle werkers der ongerechtigheid zijn veroordeeld en buitengeworpen, en nooit komt er iets, dat de zonde doet, bij de gemeente der uitverkoornen.


10.

Nooit zal de Satan u meer verleiden; maar komt, Mijn volk, |69| op die plaats, uit welke hij gevallen is, om daar eeuwig over hem te staan triumpheeren.


11.

Gij zult God mogen zien, die op den troon zit en Hem mogen dienen zonder zonden en dood en ellenden. O zalig voorrecht, bekwaam gemaakt te zijn om den lof van God en van het Lam te vermelden!


12.

Zalig voorrecht, dat te mogen doen met elkander, in gemeenschap der heiligen, gedreven door eenen Geest!


13.

De eerste dingen zijn voorbijgegaan; de lange geschiedenis van onze zonden en ellenden, wankelmoedigheden en dwaasheden is ten einde. O Heere, hoe heilig en aanbiddelijk zijn Uw wegen: Gij hebt ons de kennis van de zonde gegeven en ons door den doolhof der zonde heengevoerd, en nu weten wij beter, wie Gij zijt en zijn gekomen tot een vasten toestand; Gij hadt iets beters voor ons beschoren, een beter Paradijs: wij danken U, dat Gij ons uit het eerste hebt verdreven!


14.

Wij zijn tegen U opgestaan en hebben U ter dood toe gehaat. Maar Gij hebt tegen ons gestreden en hebt ons overmocht, door . . . . . liefde, een eeuwige, een grondelooze! Bij ons was de schande, dat wij tegen U zijn opgestaan; maar wij danken U, Heere, dat Gij het zoo hadt beschoren, dat Gij ons de zaligheid gunt, als overwonnenen aan Uwe voeten te liggen. Dit Paradijs zal ons zaliger zijn, omdat wij het als overwonnenen ontvangen uit loutere genade en toch naar recht. |70|


15.

Gij hebt ons, o Heere, de uitnemendste schepselen willen maken, heerlijker dan de engelen; want tot de engelen is niet gezegd: Gij zijt de Mijne, en Ik ben de uwe; Ik heb u ondertrouwd in gerechtigheid; en tot geen der engelen hebt Gij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, zit aan Mijn rechterhand; maar dat hebt Gij gezegd tot onzen Koning, tot ons vleesch en bloed.


16.

Geen schooner voorwerp tot lof en dankzegging, dan Hij van Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn en het Lam, het sieraad en het licht van den hemel der hemelen.


17.

Daar is geen einde!




1. Dit moet niet verkeerd worden opgevat: God wist wel wat van zijn maaksel te wachten was.

2. Zinspeling op Gen. 16 : 14.

3. Opheldering aangaande den oorsprong der zonde.


Doctor Subtilis is een lastig man, en ik ben blijde, dat hij niet zoo dikwijls meer aan mijn deur komt, als toen ik in de theologie studeerde; |10| want de dorre man, de man zonder hart, is er geheel toe in staat eens anders gevoel te smooren. Ik geef toe, dat hij nu en dan een enkel woord spreekt, opdat ik door hem aan mijn vele dwaaaheden en de redelijkheid van mijn Godsdienst herinnerd worde; maar om hem veel te laten spreken, daartoe is zijn tijd niet alleen voorbij, maar de tijd is ook te kostelijk daartoe; men komt met hem ook niet vooruit, want hij heeft den geest van de Atheensche sophisten en is geheel onpraktisch. Welk nut hij ooit aan de menschen gedaan heeft, behalve zijdelings of zonder zijn bedoeling, weet ik niet; maar wel weet ik, dat er velen door zijn ijdele bespiegelingen bedorven zijn, en dat zijn invloed het leven des eenvoudigen geloofs zeer heeft gekrenkt. Lag het aan mij, ik zou daarom den onpraktischen man, die van onze goede rede zooveel misbruik maakt, de eereplaats willen geven, die Aristophenes te onrechte aan Socrates toekent, in een mand hoog aan de balken, opdat hij in de lucht spreke en speculeere. Doch hij wandelt rond, en van tijd tot tijd sta ik hem te woord. Zoo kwam hij onlangs, met een foliant onder zijn arm en stelde mij zijn geliefkoosde vraag voor: verklaar mij den oorsprong der zonde. Uit niets wordt niets, zeide hij, en, waar iets is, daar moet een oorsprong zijn; zoo moet er ook een oorsprong zijn van Adams zonde, en die moet liggen of in God of in Adam. Maar de zonde kan niet uit God wezen; want zij is tegen Zijn natuur, ook niet uit Adam, want hij was heilig: ergo, de zonde heeft een ontbrekende oorzaak, een causa deficiens. Hij wilde al verder ergo zeggen — een woord, zonder hetwelk gij den Doctor niet denken kunt — en de gevolgtrekking maken, dat wij geen schuld hadden, al waren wij zondaars, toen ik hem in de rede viel en zeide: dat geef ik u niet toe, dat de zonde geen oorzaak heeft. Laat mij, Doctor, u ook een vraag doen. Zeg mij of twee dingen ook iets kunnen voortbrengen, dat tegen de natuur van beiden of van een van beiden is? Of om de vraag door een voorbeeld op te helderen: kunnen de zon en de maan te zamen geen duistere vlek voortbrengen? Maar deze schaduw, zeide ik, wijzend op die van den Doctor, van wien is zij, van de zon of van u? Van mij en niet van de zon, sprak de Doctor: de omtrek duidt het genoeg aan; doch als er geen zon was zou er geen schaduw zijn. Dat is waar, zeide ik; maar niet minder zeker is het, dat de zon |11| het niet helpen kan, dat gij zwartheid maakt. Door dit voorbeeld zou ik u willen voorstellen waar de oorzaak van de zonde te zoeken is: het is niet ongerijmd God te vergelijken bij de zon, daar Hij een licht is in hetwelk, geen duisternis is, evenmin den mensch als een wezen voor te stellen, dat zijn licht ontleent aan de zon. Maar zeg nu eens, ging ik voort, wanneer gij, Doctor Subtilis, midden in de zon stondt, zoudt gij dan zwartheid van u afgeven? Voorzeker niet, antwoordde hij, maar zoodra ik, van positie veranderend, buiten de zon ging, zou ik mijn schaduw geven. Zoo is het, zeide ik, juist met den mensch en God: zoolang Adam niet buiten God, zoolang hij niet iets wilde zijn buiten God, had hij geen zonde; maar hij veranderde moedwillig van positie. God ontdeed zich niet van Adam; maar Adam verliet God; wie heeft dan de schuld aan de zwartheid der zonde, God of Adam? Die van positie veranderde heeft de schuld, antwoordde de Doctor, en Adam kon niet van positie veranderen, zonder zwartheid van zonde voort te brengen. Maar wilt gij dan ook, vroeg de Doctor, dat de zwartheid der zonde de schaduw is van de schuld? Ja, zeide ik, geIijk de schaduw noodwendig volgen moet op de verandering van positie, van binnen naar buiten de zon, zoo volgt de zwartheid der zonde de schuld. De Doctor was niet voldaan en voerde mij tegen, dat ik de zaak toch niet had verklaard. En hoewel ik gulhartig moest bekennen dat ik niet wist, hoe de schaduw eigenlijk ontstaat en de wil tot zonde ontstond, meende ik genoeg aangetoond te hebben, dat, als in het rijk der stof de verandering van positie van licht schaduw voortbrengt, zoo ook in het andere rijk de verandering van positie van heiligheid zonde kan voortbrengen. Maar, o Doctor, zoo besloot ik, dat wij, zoomin gij als ik, alles begrijpen kunnen, is mij duidelijk genoeg: vooreerst wij zijn God niet, en dan uw schaduw, zoowel als de mijne, is veel te groot en veel te zwart. Doch hoe geraken wij onze schaduw kwijt; is dat in uw hart opgekomen? Er staat in de Schrift, zeide de Doctor: „die in Christus is, is een nienw schepsel.” Maar hoe wil iemand in Christus komen? Als God iemand trekt, komt de getrokkene tot Christus, zeide hij; God maakt iemand gewillig. Maar hoe kan dat zijn, dat iemand gewillig wordt? Zie, dat weet gij niet, zoomin als gij het waaien van den wind verstaat en den lust onzer |12| voorouders om te zondigen- Zoo gij dan het aardsche niet verstaat, vraag dan niet naar wat God verborgen heeft; doch vraag, of gij in Christus zijt. Doctor Subtilis ging heen en wij hadden genoeg van elkander.

4. Uit Adams „insinuatie”: „die Gij mij gegeven hebt,” spreekt de Slangenaard.

5. Jesaia 14 : 11.

6. Ps. 32.

7. Bij het nÍerschrijven van deze woorden, dacht ik aan de bekende woorden van Arnold von Winkelried: „Ich soll euch eine Gasse machen”.

Arnold von Winkelried.

Eere zij den grooten Zwitser, eere aan von Winkelried,

Die, een koene daad verrichtend, voor zijn volk zijn leven liet.

’t Leger van de Oostenrijkers trok door ’t veld in dichten drom,

Door de Zwitsers niet te stuiten, ongenaakbaar van rondom.

Want er staken uit zijn phalanx vele lansen, dicht geveld,

’t Stekeldier was niet te kwetsen; die ’t wou doen teleurgesteld.

Makkers, ’k zal een einde maken aan hun hoon en uw verdriet,

’k Zal voor u een oop’ning maken: aldus riep von Winkelried;

Volgt mij na, zij moeten wijken, brengt mijn groet aan mijn gezin!

Veertien lansen daarop grijpend, valt hij met zijn borst daarin.

Aldus sneuvelde de dapp’re; maar de Zwitsers sloegen hard,

Drongen woedend in de oop’ning, sloegen d’orde gansch verward,

En verwonnen werd de vijand, vrij het Zwitsersch grondgebied;

Eere aan den koenen Zwitser, eere aan von Winkelried!


’k Weet geen grooter daad dan deze onder vele heldenda‚n,

Dan, o Christen, vrije Christen, ťen uit uw historiebla‚n.

Eens heeft …en zich opgeofferd, strijder zonder wederga;

Ik zal u een oop’ning maken, riep, volbracht Hij: volgt Mij na!

8. Want vervloekt is de mensch, die op vleesch zijn vertrouwen stelt.

9. Anno 1871.

10. Hebr. 4 : 4, 5.

11. Luc. 15 : 2.

12. Augiusstallen.

13. Ps. 45 : 14.

14. Job 1.

15. Exodus 33 : 19.

16. Richt. IX : 13.

17. Gelijk de vrouw in het kinderen baren.

18. Richt. 9.

19. Gods bloed, zegt Luther, zoo treffend, als het recht wordt verstaan. Wij aanvaarden ook met blijdschap den naam van bloedtheologen, terwijl wij gelooven, dat er tot Gods eeuwigen lof en met Gods welbehagen „zonder bloedstorting geen vergeving is.”

20. Kidron: misschien afgeleid van rdq, zwart zijn. Althans het water van de beek was zwart, omdat de vuilheden der stad en daaronder het bloed van de offerhanden des tempels er in geworpen werden.

21. (denk ik).

22. Aen: Lib. 6 : 126-129. Tros Anchisiada, etc.

23. Ben ik een hond, zeide Goliath tot David, dat gij komt met een stok.

24. Die het plaatsvervangend lijden onzes Heeren loochenen, spreken van zich zelven. Ja zij zijn allen Satans. Ja Christus zelf noemt hen zoo. Want toen Petrus Hem dat lijden wilde afmanen, zonder te weten, dat de Satan zijn vurige liefde gebruikte om den Heere, vreesselijk te verzoeken en in zijn dwaasheid zeide: „Heere heb medelijden met Uzelven”, antwoordde de Heere: „Ga achter Mij, Satan; gij zijt Mij een aanstoot.”

25. accomodeeren.

26. Ruth 3 : 18.

27. Ps. 89 : 8. En onze Koning is van Isrels God gegeven.

28. Anno 1870.

29. Parlementair.

30. Amnestie.

31. Legatorum nomen ad omnes nationes sanctum inviolatumqne semper est. (Caes. de B.G. III. 9.)

32. Hier hebben wij een schilderij van het „particularisme.”

33. Consummatum est.

34. Dit woord herinnert aan dat bij Homerus: mijn kind wat weent gij (teknon, ti klaieis). Maar het is van een andere schoonheid en het is waar.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004