Lucas Lindeboom (1845-1933)

Het Doctoraat in de Heilige Godgeleerdheid aan de Theologische School der Christ. Geref. Kerk

De Vrije Kerk. Vereeniging van Christ. Geref. Stemmen

onder redactie van J. van Andel, H. Beuker en W.H. Gispen, Leiden (D. Donner) 1885
11 (1885) 8,343-361 (augustus 1885)

a



Is de tijd nabij, dat van „het” genoemde Doctoraat kan gesproken worden?

De a.s. Synode wordt geroepen om met deze gewichtige zaak zich bezig te houden.

Sedert vele jaren is er in onze bladen, ook in dit tijdschrift nu en dan sprake geweest van recht en roeping der Christ. Geref. Kerk, om door hare Theol. School zoowel den graad van „Doctor” als dien van „Candidaat” in de Heilige Theologie te verleenen.

Menigeen onder ons, wellicht ook buiten ons, haalt de schouders op, of glimlacht, als hij een broeder in ernst over deze zaak hoort spreken. De dagen zijn echter of zullen weldra voorbij zijn, dat men zich van deze „kwestie,” als ge ook dit Doctoraat z noemen wilt, met eenige groote of hooge woorden zal kunnen afmaken.


De Synode van Dordt 1618/19 heeft, op het voetspoor van hare voorgangsters, het Doctoraat in de Theologie onder de Ambten en Diensten der Kerk opgenomen.

Dat de Belijdenis het Doctoraat niet noemt, en slechts drie Ambten kent, is duidelijk. Doch dat de Synoden, die alle n de geboorte der Belijdenis vergaderden en hare Kerkorde opstelden, die zelve de Belijdenis tot symbool der Kerken verhieven en bevestigden, daarop niet gelet |344| zouden hebben — wie durft dt beweren? ’t Is dus zeker niet zonder doel, dat zij bij de Ambten in de Belijdenis genoemd, in de Kerkorde ook het Doctoraat hebben gevoegd.

Op de vraag: waarom zij in de Kerkorde niet gesproken hebben over dat verschil met de Belijdenis, en waarom zij niet ook in de Belijdenis het Doctoraat hebben ingevoegd? — kunnen de antwoorden verschillen, en moge het onderzoek worden voortgezet. Maar dit staat intusschen vast, dat de Nederlandsche Geref. Kerk van haar eerste tijden af op het Doctoraat het oog gevestigd heeft, met verlangen om den dienst der Doctoren te gebruiken in het belang der Kerk: tot de vermeerdering der kennis van Gods Woord in de Gemeenten, en de mond-stopping der tegensprekers.

Is dat zoo, dan mag de Christ. Geref. Kerk, die beweert de voortzetting der aloude Geref. Kerk te zijn, die zoowel de aloude Kerkorde als de Belijdenis omhoog heft, zick niet onttrekken aan de grondige behandeling van de Doctoraats-kwestie. Zij heeft nu 50 jaren lang zich vergenoegd met Leeraren te kweeken en te ordenen: laat zij haar tweede halve eeuw beginnen met Doctoren te vormen, en, mede daardoor, met alle kracht arbeiden, om de Geref. Theologie uit den Woorde Gods op den historischen grondslag uit te bouwen en te ontwikkelen. Waarom zal de rijk gezegende uitgeleide Kerk, die de vrijheid geniet, waarnaar vele Vaderen snakten, en waarnaar vele broederen heden ten dage tal van zuchtingen doen uitgaan, zich zelve onbevoegd of machteloos verklaren tot dit deel van de roeping der Geref. Kerk?

Alleen ingeval men oordeelt dat de „Doctores” van Dordt in strijd zijn met de Belijdenis, en dus . . . de oude Geref. Kerk door de Artikelen desbetreffende van het rechte pad, van den eenvoud der Schrift is afgegleden: |345| alleen in dat geval mag onze Kerk zich losmaken van het Doctoraat. Doch dan zal zij zich niet een akte van, onbevoegdheid of onvermogen uitreiken, maar welbewust, in het besef van en krachtens hare roeping, in den naam des Heeren positie nemen. Dan zal zij een kwaad uitzuiveren, gelijk zij in hare eerste dagen deed door het jus patronatus en de inmenging der Overheid te verwerpen. Doch — dan zal zij ook deugdelijke redenen voor dit haar oordeel moeten geven.

Men ziet dus, dat de a.s. Synode voor een gewichtige vraag wordt geplaatst. Zij moet „Ja” f „Neen” zeggen, en weten, wat en waarom zij alzoo beslist.

’t Is daarom, dat wij de vrijheid nemen enkele gedachten en wenken onder de aandacht te brengen van de lezers van „de Vrije Kerk,” in de hoop dat zij ook den afgevaardigden der kerken tot eenig nut kunnen zijn.


Het Doctoraat in de Godgeleerdheid is in de geschiedenis bekend: a. als een wetenschappelijke titel, door de School uitgereikt; b. als een Ambt, gelijk de Dordsche Kerkorde daarvan spreekt.

Wij begeven ons thans niet in de historische vraag, naar de hoedanigheid, den ouderdom, de afkomst enz. van titel en Ambt der Doctores Sanctae Theologiae. Evenmin bespreken wij thans, hoe het Doctors-ambt in de Christ. Geref. Kerk zou moeten worden geregeld, met het oog op benoeming, dienst, recht, verhouding tot de kerkelijke samenkomsten en regeeringen.

Indien men ons maar dit ne toegeeft, dat — ingeval nl. er geen reden is om al wat op het Doctoraat betrekking heeft kort en goed uit de Kerkorde te schrappen — aan de benoeming tot Doctor, aan de inzetting in het Doctors-ambt, eene „beproeving” moet voorafgaan. |346| Evenals zulks geschiedt met hen die staan naar het ambt van Bedienaar des Evangelies.

De graad van „Candidaat in de Theologie” is ook eenerzijds een wetenschappelijke titel: omdat zij door de School wordt uitgereikt; anderzijds een kerkelijke titel; — of wellicht beter gezegd, een kerkelijk-wetenschappelijke titel: omdat zij a. door Curatoren vanwege de Kerken, met advies der Leeraren vanwege de Kerk, wordt toegekend; b. in zich sluit de beroepbaarheid voor de Gemeenten, die zonder deze bekwaamheid en het wettig bewijs daarvan niet verkregen kan worden.

(De beroepbaarheid volgens Art. 8 laten we hier vanzelf ter zijde.)

Gelijk nu de graad van Candidaat vereischte is voor de beroeping, zoo zal ook wel de graad van Doctor, na wettig door de Kerk vastgesteld onderzoek, een vereischte, minstens een aanbeveling zijn voor het Doctorsambt, en een begin van deszelfs organisatie.

Wie zulke bekwaamheid bezit, en erkenning daarvan door de Kerk, zou ook zonder bepaald Ambt, tenzij hij een luie dienstknecht ware, aan de Kerk goeden dienst kunnen en willen bewijzen, en daarin een prikkel van plichtsbesef en aanmoediging hebben. Om ook deze gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten en dienaren van Gods Kerk gewilliglijk en met vreugde „aan te leggen.”


De vraag op de Agenda der Synode, D. V. te houden binnen Rotterdam, 17 Aug. vv. ’85, luidt aldus: „De Synode spreke den wensch uit, dat onze Kerk den Doctorstitel verleene.”

Dezen keer wordt de beteekenis van dit punt op de Agenda verhoogd door de omstandigheid, dat een predikant der Christ. Geref. Kerk zich bij de Curatoren der |347| Theol. School heeft aangemeld met het verzoek, dat hem de weg gewezen of geopend worde tot verkrijging van den graad van Doctor Sanctae Theologiae, en zich aangeboden voor een eventueel georganiseerd examen.

Moge bovenstaande formuleering niet geheel onberispelijk zijn, wijl o. a. dadelijk de vraag ontstaat: aan wie de Synode haar wensch zou moeten adresseeren, — de bedoeling is duidelijk, en de bekende zaak zelve daarmede ter Synodale tafel gebracht.

Ook reeds zes jaren geleden was dit punt ter Synode: toen van Zuid-Holland, nu van Gelderland. Het Agendapunt luidde toen aldus:

De Synode wijze aan, hoe onze Kerk mettertijd kan komen tot het verleenen van den Doctorstitel in een goeden officieelen weg, en wat in zulk een geval tot de examina dier mannen behoort.”

De Synode had toen vele dingen, en niet alle van bemoedigenden aard, aangaande de Theol. school, en vele andere belangen te bespreken. Er was geen opgewektheid om dezen troffel te hanteeren. „Wordt algemeen goedgevonden, ook vanwege het vele dat nog noodzakelijk behandeld moet worden — dit punt thans niet te behandelen.” De Synode van Dordrecht dezer eeuw, Art. 136, heeft zich dus volstrekt niet uitgesproken. Evenmin de Curatoren, die over de zaak zelve geen advies gaven, maar alleen rapporteerden: „het komt aan het Kollege van Curatoren niet wenschelijk voor, op de a.s. Synode de kwestie van den Doctorstitel ter sprake te brengen.” En, let wel dit besluit was genomen met slechts 6 van de 10 stemmen. Vier broeders Curatoren achtten dus ook toen grondige bespreking van deze zaak wel terdege wenschelijk of noodig.

’t Is te verwachten, dat ook thans de Curatoren hunne meening of advies niet aan de Synode zullen onthouden. |348|

De Christ. Ger. Kerk heeft nu zes jaren tijd gehad van beraad. De Synode van Rotterdam is in de gelukkige positie, deze kwestie nog geheel open en vrij te vinden. Zij haar de eere beschoren een begin te maken met Schriftuurlijke, Kerkvoordeelige regeling dezer zaak, welker ongeregeldheid zoo velen nabootsing voor navolging, klatergoud voor juweel doet aanzien en najagen!


Dr. Kuyper zegt in zijn Tractaat van de Reformatie der Kerken, bl. 64; na op het verschil tusschen de in de Belijdenis en in de Kerkorde genoemde Ambten te hebben gewezen; het volgende, dat wel der overweging waardig is.

„Op grond hiervan dient erkend, dat het Doctorenambt dusver nog in staat van wording verkeerde, en eerst allengs door verdere ontwikkeling van den kerkelijken toestand tot zijn recht zal kunnen komen. Bij die verdere ontwikkeling zal dan als regel dienen te gelden:

1º. dat het kerkelijk Doctorenambt geheel onderscheiden worde van de universiteitstitels aan gepromoveerde personen verleend;

2º. dat het kerkelijk Doctorschap nooit een bloote titel, maar steeds een ambt zij, ten doel hebbende om de aanstaande dienaren des Woords op te leiden, wetenschappelijk de waarheid uiteen te zetten, en de waarheid, die de Kerk belijdt, tegen ketterij te verdedigen; en wel deze drie sam, of n dezer drie;

3º. dat zulke Doctoren aan de kerkelijke seminarin geplaatst worden, liefst tegelijk met opdracht van een deel van den dienst des Woords;

4º. dat zulke kerkelijke Doctoren zitting ontvangen in den kerkeraad hunner plaats, en adviseerende stem erlangen op classis en synode; |349|

5º. dat ze voor het Doctoraat niet verkiesbaar worden gesteld dan na behoorlijke examinatie van studin en godzaligheid; en

6º. dat deze kerkelijke Doctoren voor hun ambt aangewezen worden door de Kerk, en in hun ambt ingezet hetzij door den kerkeraad, indien ze plaatselijk beroepen zijn, ’t zij indien ze voor een kerkelijke kweekschool zijn aangesteld, door de classis of synode die deze kweekschool heeft gesticht.”

Wij schreven al die punten over, om er eens de aandacht op te vestigen: zonder daarover thans ons gevoelen te zeggen. Om reden bovengenoemd, dat wij thans niet over de organisatie van het Ambt, maar over bekwaamheid en graad, mede ter voorbereiding van die organisatie, handelen. De door ons onderschrapte regel in punt 5 komt ons hier al, aanstonds te stade.

Ook Dr. Kuyper acht het diensvolgens een vereischte, dat de behoorlijk verleende graad voorafga aan het Ambt: en dat die graad niet verleend worde zonder degelijk belijnd onderzoek, m.a.w. „na behoorlijke examinatie” van „studin” en van „godzaligheid”, d.i. zoowel van geestelijke geschiktheid als van wetenschappelijke bekwaamheid.

Gewichtige vragen treden ons nu al dadelijk tegemoet. Als daar zijn:

A. In welke verhouding hebben Kerk en School hiertoe te saam te werken?

B. Is het nu reeds de tijd voor de Christ. Geref. Kerk en hare Theol. School?

C. Zou het niet beter zijn, voor goed deze kwestie ter zijde te stellen?

D. Indien niet — is er oorzaak om ons te benaarstigen tot de goede regeling, en verleening van het Doctoraat? |350|

Over elk dezer vragen enkele regelen, die tot nadenken en onderzoek mogen dringen.


A. De verhouding van de Kerk en hare School? In de vraag zelve is reeds uitgedrukt, dat o.i. de Kerk in deze zaak zeggenschap heeft.

Op dit punt heeft de verkeerde praktijk een verkeerde leer tot stelsel gemaakt. Ook wij zijn in gevaar den eenvoud dezer dagheldere materie al te eenvoudig, oppervlakkig, ongeleerd, te gaan achten.

De Universiteit alleen heeft recht dien graad te verleenen — zegt de een. Doch de Godgeleerde wetenschap hangt niet af van de wetenschappen; zij ontleent aan gene niet haar bestaansrecht, regel of doel: wel is zij zelve onmisbaar voor de Universitas scientiarum: het geheel der wetenschappen. Daarom heeft ook wel een Theol. School recht van bestaan, doch zijn Universiteiten zonder Theologie, gelijk ook de Nederlandsche thans zijn, onvolkomen lichamen zonder hart en hoofd, die . . . toch maar blijven promoveeren en doctoreeren, alsof zij, en zij alleen, het volle recht hadden. . . .

Aan de Theol. faculteit in verband met het geheel, of, zoo er eene Theol. School is, aan deze komt het toe, dien graad te verleenen — zoo zegt een ander. Hoe meent gij? moeten we vragen. Met of zonder medearbeid der Kerk? Als uitvoerder van den last der Kerk, f als haar mederegent of mededinger?

Gods Woord geeft licht. De kennis Gods van ieder geloovige is het werk des Geestes, die der Gemeente de volheid van Christus toepast. En tot elk geloovige zegt de Schrift: „Gij hebt de zalving van den Heilige, en weet alle dingen.” Ook het ambt en de bekwaammaking daartoe, van Herder en Leeraar enz. is gave van den Heere |351| der Gemeente, gewerkt door den nen zelfden Geest, die in Christus als het Hoofd en in de Gemeente als zijn lichaam woont, naar het besluit en bestel van God. Aan de Gemeente is dus ook opgedragen de bewaring en verbreiding en uitdeeling der verborgenheden Gods. Zij doet dat in verband met en door de ambten, door de ambtenaren van Christus, haar daartoe gegeven.

Er is dus geen Godgeleerdheid zonder en buiten de Gemeente denkbaar. Uit haar, door haar en voor haar is en moet zijn en zal altoos wezen de niet valschelijk maar met recht aldus genaamde Theologie — omdat de Gemeente uit, door en voor Christus is.

Een School der Theologie kan en mag dus slechts van de Kerk uitgaan en door haar bestuurd worden, evenzeer als zij tot hare verzorging van Christus wege verplicht is, en door die School gebouwd moet worden.

Die School nu heeft ook een zelfstandig leven en werken. Evenals elk lid en elk ambt een eigen leven en werkkring heeft. De Ouderling eerbiedigt het ambt des Leeraars, de Diaken treedt niet in het werk des Opzieners. Zoo ook hier.

De School, onze Theol. School bij name, heeft een ander werk en leven dan b.v. een Kerkeraad, of een Catechisatie. Haar werk is het te onderwijzen, en, onderwijzers met verzorgers en opzieners der School samen arbeidende, te onderzoeken en te bevorderen, d.i. akte van bekwaamheid te verleenen. De verhouding van Kerk en School is dus niet eene gecordineerde, nevengeschikte: maar eene gesubordineerde, ondergeschikte, van de School. De Kerk onderwijst, onderzoekt, bevordert, stelt beroepbaar, edoch door de School: evenals zij, zonder de School, doch zich aansluitende aan het door haar zelve georganiseerde en geffectueerde werk der School, door de Classis |352| den beroepene der Gemeente de zending verleent, hem in den wijngaard des Heeren uitstoot.

Dat is de vrijheid, het recht en de roeping der Kerk, die dezen naam mag dragen. Zij heeft niets van doen met Paus of Keizer of zich dus noemende onafhankelijke Universiteit of Wetenschap. Zij is de bruid en de gelastigde van Christus.

Onze Geref. Vaderen hebben het ook altijd z begrepen. Lees Catech. 38. „Dat het Predikambt en de Scholen onderhouden worden”, is reeds in het 4de gebod aan de Kerk bevolen, gelijk het ook reeds door de Kerk des Ouden Verbonds aldus is begrepen en toegepast. De Geref. Kerk heeft het wel niet verkregen, maar toch met alle naarstigheid gestreefd naar het recht der Kerk om bepaaldelijk de studie der Theologie onder haar patronaat te hebben. Zie o.a. het Formulier voor de Doctoren en Professoren, der Godgeleerdheid, voor Rectoren enz.

Nooit moet de Christ. Geref. Kerk, die naar de Schrift en Geref. Kerkorde en historie, zoo gansch terecht een Theol. School heeft gesticht, verzorgd, geordend, en onder haar oppertoezicht en bestuur geplaatst, de School als een volwassen dochter, of hoe men ’t noeme, zelfstandig maken. Dan zou zij zelve straks de dienaresse worden van haar kind, en de School mettertijd gevaar loopen eene preutsche, eigenzinnige maitresse ofte meesteresse te worden, die ook in haar theologie een „eigen” standpunt en pad als haar recht, misschien wel als haar „wetenschappelijke” roeping zou gaan beschouwen, en alzoo eerst onnut worden, en daarna — evenals ’t met zoo vele Scholen en Univertiteiten gegaan is — een schade en bederf voor de Theologie en de Kerk, voor de religie en de leden der Gemeente, voor huis en maatschappij.

Gelijk het nu met de onderzoeking en promotie der |353| Candidaten gelegen is, zoo ook met het onderwijs enz. der Doctoren. De Doctorale graad is toch niet iets anders, maar iets meer dan die, en wel in de zelfde zaak en voor het zelfde doel. De Candidaat heeft akte van studie in de wetenschap der Godgeleerdheid: de Doctor insgelijks; de laatste echter in meerdere omvang, diepte, of hoe gij dat wilt formuleeren. Zijne studie en zijne akte is in wezen en doel de zelfde, doch in trap en mate, in graad, onderscheiden. Daarom dan moet de Kerk, en zij alleen en geheel, dien graad verleenen, en het daartoe betrekkelijk onderwijs, onderzoek enz. ordenen, en voortdurend de organisatie en reformatie daarvan aan zich behouden. Zij doet dat echter door de Theol. School, Leeraren en Verzorgers. Niet door een Kerkeraad, Classis of Synode kan de Kerk den Doctorsgraad verleenen: wel door haar Kweekhof der heilige wetenschappen, de School. Het Doctorsambt valt om de zelfde reden buiten de School als zoodanig, doch evenals het Predikambt niet buiten verband met haar voorbereidend werk.

Dit is de eenvoudige leer van de verhouding van Kerk en School, naar de Schrift; welke zoo wie niet zorgvuldiglijk bewaart en betracht, zal der Kerk schade aanbrengen, en niet eere en vrucht.


B. Nu reeds de tijd?

Waarom zou het niet, mijn vriend?

Is het goed, noodig, dat de Godgeleerdheid beoefend worde, dat mannen die daarvoor bizondere gave ontvangen hebben, meer dan anderen vermogen zich aan voortgezette studie der heerlijkste en alleen heilige wijsheid der kennis van God, der onderzoeking en uitlegging van het Woord Gods wijden — is dt goed, en heeft de Kerk alleen het recht dien mannen den graad van erkenning, |354| waardeering en aansporing te geven, zeg, is dan uw vraag niet vanzelf beantwoord en — geoordeeld?

Het recht der C.G. Kerk ontkent niemand, die haar bestaansrecht niet tot een vraagteeken wil promoveeren. Het recht der Theol. School al evenmin. En wie kan nu de Kerk ontslaan van hare roeping om haar recht, het recht en de gave aan haar van Christus, den Heere, ongebruikt te laten, de gaven onbevorderd, den arbeid ongedaan?

’t Is altijd de tijd dat ’s Heeren huis gebouwd worde, en de werkingen des Geestes niet worden tegengestaan maar op gemerkt, en dankend biddend met heiligen ijver haar een vrije loop bereid, een bedding gegraven worde. De Kerk late den Heiligen Geest toch in haar werken, opdat zij de volheid van Christus moge genieten en openbaren. Hem heeft de Vader aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen: welke zijn lichaam is, en de vervulling (het pleerooma) Desgenen die alles in allen vervult.

Is de School nog niet „rijp” voor zoo grootsche taak, laat dan de Synode toch geen dag toeven met haar rijp te maken, door haar te geven wat haar mocht ontbreken.

Wat ontbreekt haar?

’k Hoor zeggen: het wetenschappelijk recht. Inderdaad? Wordt dan aan onze School niet een wetenschappelijk onderwijs gegeven? Is zij wellicht een klaarmakerij-schooltje, waar Kort Begrip of zoo iets wordt ingepompt? Heeft de Synode niet een lange lijst van vakken vastgesteld, en examineren de Curatoren niet in alle deze? Maken onze studenten niet kennis ook met de dwalingen, om te leeren dezelve te toetsen en te wederleggen? Zijn de testimonia leugenachtig, die getuigen dat zij in Exegetische, Historische, Dogmatische, Praktische theologie bekwaam bevonden zijn? |355|

Wat spreekt, wat meent gij dan?

En is het dan zoo’n onoverkomelijk bezwaar, om de eischen voor het Doctoraat te vermeerderen in de zelfde lijn, en op den zelfden grondslag? Of welke reusachtige afmetingen wilt gij voor het Doctoraat tot eisch gesteld hebben?

Zijn de eischen der Universiteiten voor het Candidaatsexamen hooger dan bij ons? Zoo neen, waarom zoude onze Theol. School niet, met noesten arbeid, het daar gevorderd peil van het Doctoraal examen kunnen halen?

Wat hebben wij echter met de verleugende, ook in hare encyclopaedie onbetrouwbare, universiteiten te doen, die niet eenmaal Theologie doceern, maar slechts eene hart- en hoofdlooze, in vorm en materie moderne, z.g. godsdienstwetenschap, die onzen God indeelt bij de afgoden?

Laat ons toch toezien dat wij niet door het ongeloof ons de wet laten stellen, wat „wetenschap” en wetenschappelijke Theologie zij, en wanneer en waardoor wij de bevoegdheid zouden hebben of kunnen verkrijgen, om Doctores Ecclesiae, Leeraren der Kerk, bekwaam in de woorden Gods, te gradueeren!

De zoogenaamde „wetenschap”, en hare dienaars, meesters, en die met haar boeleerden, hebben vooral in de laatste eeuw de Godgeleerdheid verknoeid, vernield, als zwijnen des wouds in ’s Heeren hof, en de Kerk vergiftigd en tot een aanfluiting gesteld.

Bedenke de Synode ook dit. Als gij uw Theol. School niet wetenschappelijk, of niet genoeg wetenschappelijk acht, of maakt, dan zijt gij zelve oorzaak, dat jongelingen van grooten aanleg, en die gaarne ijveren „naar de beste gaven”, in den waan komen, dat zij om wetenschappelijke Godgeleerden te worden, elders moeten gaan. En — |356| waarheen dan? Nu in Nederland geen Theologie meer wordt onderwezen, en de Doctors-graad alleen uit onkunde of onware vertoonzucht voor de aloude graad van Leeraar der Godgeleerdheid kan gehouden of uitgegeven worden? En daarbij alle Universiteiten in dienst zijn van de Christusverwerping, van Satan dus, den moordenaar der menschenzielen en — van alle ware Theologie?


Maar — wij hebben geen „Doctoren”, en die zijn toch noodig om „Doctoren” te promoveeren. Ook dit is misverstand. De Synode bestaat niet uit mannen met het Doctorsambt bekleed: die geven slechts advies: mag de Synode daarom geen School stichten, geen Leeraren benoemen? Dn — is onze School en zijn hare Leeraren allen „onwettig.”

De Curatoren zijn geen „Doctoren”: toch hebben zij opzicht over de School, en is alles zoowel wat het onderwijs als de examina aangaat aan hun goedkeuring onderworpen.

En de Leeraren der School — bekleeden die niet het ambt van Doctoren en Professoren? Heeft niet de Kerk hen daartoe geroepen? Moet de wettigheid van hun wetenschappelijke bevoegdheid betwist worden, om reden zij niet door de ongeloovige Scholen zonder ware Theologie, met een onvolledigen kring van z.g. godgeleerde studin, zijn beproefd en gewaarmerkt? Indien niet — welk bezwaar is er dan, om hun het onderwijs en onderzoek van mannen die staan naar een hoogeren dan den gewonen graad in de kennis der ware vrije Theologie toe te vertrouwen?


Nog een bezwaar dat — niet bezwaart.

Zal men ons Doctoraat erkennen? Antwoord: de Kerk des |357| Heeren vraagt slechts naar de erkenning van hare leden en van — den Geest Gods. Het Doctoraat moet immers niet dienen als inleiding tot benoeming aan een Staatsschool? En daarbij: Worden de diplomata b.v. in de rechtsgeleerdheid, geneeskunde, enz. van Nederlandsche Universiteiten ook in het Buitenland erkend? Immers neen, evenmin als de buitenlandsche hier. Zijn ze daarom in eigen land ook niet goed? Of geldt voor elk land, en dus ook voor elke Kerk, vooral voor de Kerk de souvereiniteit in eigen kring? Staat het schoon, die gering te schatten?

Wat meer zegt. Onze Kerk erkent geen enkel diploma, tenzij van zusterkerken, gelijk ook alleen deze de Candidaten en predikanten onzer Kerk erkennen. Onze Leeraren en Curatoren onderzoeken gediplomeerden van alle graden. Eenige jaren geleden bood zich een Doctor in de godsdienstwetenschap van Leiden’s Universiteit aan de Curatoren der Kamper School ter onderzoeking aan. Noem de bescheidenheid van dien Doctor prijselijk: zij verdient het, want hij erkende het recht en de bevoegdheid der niet-Doctorale met Kerkelijk-doctorale macht bekleede ambtsdragers, omhem te onderzoeken. Maar erken dan ook dat en Curatoren n Professoren door de Kerk, en door haar alleen, met de opdracht!en dies bevoegdheid kunnen worden bekleed, om zoowel Doctoren als Candidaten te promoveeren. En geen te ver gedreven, en dn misplaatste, bescheidenheid zou die vaders en broeders daarvan behoeven terug te houden, of mogen doen aarzelen. En — ook in dezen zou het begin het moeilijkst zijn. Is eenmaal de wagen in het voorhanden spoor goed op gang, dan zal hij van jaar tot jaar beter rijden.


C. Voor goed ter zijde?

Waarom? Om geen „meesters” in de Kerk te brengen? |358| Maar dat is immers het doel niet. Noch titel-pronk noch meesterschap mag het doel zijn. En sints wanneer is uitstekende bekwaamheid en erkenning daarvan juist de bron des kwaads geweest? „Meesters” kunnen zoowel zitten in leerlingen als onderwijzers, en groeien wel eens het eerst uit minkundigen, die met bekwamen willen, of ambtshalve moeten meedoen en gelijk-op werken.

Zijn de Candidaten der School gevaarlijk of in gevaar vanwege hun titel? Zoo ja, dan schaffe men ook hun School-examen en graad af, om allen, gelijk de broeders van art. 8, alleen door Classis of Prov. Synode te onderzoeken.

„Liever mannen zonder titels dan titels zonder mannen”. Zeer zeker. Maar mannen met titels en titels met mannen dan? Van zulken alleen was sprake. En de Kerk is zeker wel van zins en bij machte om de noodige maatregelen te riemen, dat alleen aan „mannen”, mannen van uitstekende wetenschap en godzaligheid, die titel verleend worde.

De Staat geeft niet altijd waarborg voor de bekwaamheid. Althans volgens Mr. Godefroi (Hand. 2de K. der St. G. 1875/76 bl. 1131) heeft de geschiedenis van de universiteits-examens geleerd, dat geenszins de Rijksprofessoren altijd de noodige waarborgen hebben opgeleverd, dat alleen aan hen, die daarop aanspraak hadden, doctorale graden zijn verleend.

Dat de Kerk des Heeren, ook de afdeeling der ne Kerk, die de Chr. Geref. Kerk in Nederland heet, aan zulke „mannen” behoefte heeft, wie durft het ontkennen? De gansche Theologie is verwoest, en moet hersteld, ontwikkeld, opgebouwd, worden. De afval klimt, de behoefte der Kerk vermeerdert, de Schrift is voor een groot deel nog een onontgonnen goudmijn: is er dan geen plaats en werk |359| voor meer dan gewone en tot de bediening eener gemeente voor joderen Leeraar noodzakelijke mate en voortzetting van studie en wetenschap in de heilige Godgeleerdheid?

Zou de Heere der Gemeente onze Kerk ook daartoe niet willen bekwamen? Moeten wij den Geest des Heeren tegenstaan? Of — de gaven erkennen, zoeken, leiden, ontwikkelen?

Kunt gij dat alles zonder verleening van den Doctorsgraad — dan is het even goed. Doch dan zorgt gij toch al vast voor gelegenheid tot bekwaming in hoogere mate? En voor terughouding, met een band op de conscientin, uwer zonen van het elders zoeken van een graad in naam zonder het wezen? En voor waardeering, aanmoediging, van die gaven en bekwaamheden in de Gemeenten?

Indien gij dt alles wilt en kunt — gelijk ’t uw roeping is, Chr. Geref. Kerk — waarom dan ook niet den naam, den graad? Waarom dan zoo bang voor een titel, gij die zelve sommigen uwer Dienaren meer dan den titel, het Ambt der Doctoren geeft, en aan velen een onderscheiden naam en dienst en eere? Waarom zult gij dan zoo vreesachtig, of eigenzinnig? u stellen tegen wensch en gebruik en Kerkorde der Geref. Nederl. Kerk . . .?

Indien echter de Schrift zelve er tegen getuigt, of het onraadzaam doet achten — dn willen wij hooren en volgen. Dn willen wij met alle kracht elke poging in deze richting helpen tegengaan. Wie dat meent te kunnen aantoonen, die spreke, en zwijge niet. Of liever, hij late de Schrift spreken.


D. Oorzaak tot benaarstigen?

Ons dunkt, ja.

Gelijk reeds volgt uit het boven gezegde. De behoefte der Kerk dringt. En onder onze predikanten zijn er wel, |360| die behoefte hebben aan een geestelijken prikkel, aan geestelijke bemoediging, aan erkenning en waardeering hunner groote gaven, om toe te nemen in de echt wetenschappelijke studie der Theologie. Open hun den weg, help hen, des noodig, met eenige middelen, en gij zult het zien: wateren die nu zachtkens gaan, zullen tot rivieren worden; gaven zullen opwaken, die nu dreigen in te sluimeren.

De behoefte der Theologie. Zij is verbannen van de Universiteiten. Wr vindt gij, ook elders, eene Geref. Kerk met eene Geref. School en Theologie? Mag de Geref. Kerk in Nederland zich bepalen tot die mate van theologische wetenschap, die elk predikant noodig heeft? Of zal zij van allen eischen wat de Heere slechts aan weinigen geeft?

Het belang onzer Theol. School. Indien naast het Candidaats- ook een Doctoraal examen wordt ingesteld, dan zal vanzelf n het onderwijs n het onderzoek meer paedagogisch en encyclopaedisch kunnen worden ingericht. Dan zouden enkele vakken voor het Candidaatsexamen beperkt kunnen worden, en bij het Doctoraal de nadruk gelegd op wat nu toch niet met billijkheid in den breede kan worden gevorderd van discipel of examinandus.

En dan zal vanzelf, onder den gewonen zegen des Heeren, het getal toenemen van mannen die, met of zonder ambt, aan de Kerk in ’t gemeen en aan het nageslacht den dienst kunnen bewijzen, dien elk Dienaar des Woords in zijne mate aan zijne Gemeente heeft te bewijzen, zonder tot dat algemeene altijd roeping of bekwaamheid te hebben: den dienst om, gelijk de Geref. Kerk der 16de en 17de eeuw dit begeerde: „de Heylige Schrifture uyt te leggen, en de Suivere Leere tegen de Ketterijen en dolinge voor te staan”. Dan zal ook allengs het getal toenemen van Dienaren, bekwaam en geschikt om |361| de rij der „Doctores Ecclesiae” aan de School der Kerk te verbreeden en aan te vullen.


Met den wensch, dat ze welwillend ontvangen worden, bied ik deze gedachten aan de broederen aan. Leide de Geest des Heeren de Kerk in de rechte paden! Zalve Hij in bizondere mate de leden der Synode, die tot zoo gewichtvolle dingen geroepen worden!


Kampen, 20 Juli 1885.

L. Lindeboom.




a. Ook verschenen als overdruk, s.l. (s.nl) s.a., met paginering 1-19







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004