Lucas Lindeboom (1845-1933)

Des Heeren werk herdacht. Herinnering en Zegenwensch

Feestrede bij het Gouden Jubilee der Theologische School van de Gereformeerde Kerken in Nederland. 15 Juni 1904


door L. Lindeboom

Kampen — J.H. Bos — 1905

a



Door omstandigheden is de uitgave van deze Feestrede tot nu toe vertraagd. Wij vertrouwen, dat zij niet geacht zal worden, daardoor hare beteekenis te hebben verloren. Dat zij gezegend worde tot zegen van de Theol. School en de Kerken, is de wensch en bede van den schrijver.




Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren!

Habakuk III : 2.




Geliefden in onzen Heere Jezus Christus, waarde en zeer gewenschte feestgenooten,


Aan het slot der historie van Gods groote daden in de uitleiding der kinderen Israls uit Egypte, het diensthuis, tot de vestiging van des Heeren volk in des Heeren land, het aan de vaderen beloofde land Kanan, heeft de heilige geschiedschrijver een korte mededeeling toegevoegd betreffende den invloed van het weten en gedenken der daden des Heeren op het volgende geslacht. „Isral nu diende den Heere alle de dagen van Jozua en alle de dagen van de Oudsten die lang na Jozua leefden, en die al het werk des Heeren wisten, hetwelk Hij aan Isral gedaan had” Joz. 24 : 31. De leering en strekking dier woorden is duidelijk. Voor het dienen van den Heere, uwen God, o Isral, is onmisbaar het weten van wat Hij gedaan heeft aan uwe vaderen. Gij, o rijk gezegend volk, Gods volk uit alle volken der aarde, zijt geroepen, de daden des Heeren in gedachtenis te houden, en ze uwen kinderen bekend te maken; „opdat het navolgende geslacht die weten zoude, de kinderen die geboren zouden worden, en zouden opstaan en vertellen ze hunnen kinderen; en dat ze op God hunne hope zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijne geboden bewaren. En dat zij niet zouden worden gelijk hunne vaders: een wederhoorig en wederspannig geslacht, dat zijn hart niet richtte en welks geest niet getrouw was met God.” Ps. 73 : 5-8. Had gansch Isral maar voortdurend het goede voorbeeld van Jozua en die Oudsten gevolgd, en in latere eeuwen naar de bestraffing en opwekking des Geestes door Asaf gehoord! |4|

Dat deed Isral niet. Toen het geslacht der ooggetuigen was heengegaan, werd de rechte kennis en waardeering van Gods daden al minder en minder; toen week Isral af van de historische lijn, van de wegen des Geestes, des Woords en des Verbonds. En wat er wordt van een volk, dat God vergeet en verlaat, kan ons het boek Richteren leeren, en voorts al de geschiedenis van Isral, en die van de Christelijke Kerk tot op dezen dag.

Om het gouden feest der Theologische School, dat ons hier uit alle oorden des lands samenbrengt, het feest des Heeren, op dezen blijden dag aan de Gereformeerde Kerken gegeven, in geest en waarheid te vieren, is het dus ook voor ons noodig, goed te weten en aan al het volk van Nederland en geheel de Christelijke kerk rekenschap te kunnen geven: waarom wij thans ons verheugen en den Naam des Heeren loven. Geen beter middel ook om ware liefde voor de Theol. School te verlevendigen en ze te wekken in de harten onzer kinderen, opdat zij met ons, en na ons, tot in verre geslachten den Heere dienen naar Zijnen wil, Zijne inzettingen bewaren, en niet afbreken, maar versterken wat hunne en onze God heeft gebouwd en geplant.

Die overweging, broeders en zusters in Christus, heeft mij geleid bij de keuze en bearbeiding van de stof der feestrede, die als een deel van het feestwerk den Rector is opgedragen. In ’t gedenken van des Heeren werk in de stichting en de geschiedenis dezer Theol. School wil ik u voorgaan. Met den blik naar het verleden ga ik u een en ander herinneren, dat ons deze School en hare beteekenis in ’t ware licht kan doen zien; met den blik naar de toekomst heb ik een zegenwensch voor de jubilaris te spreken, die m.i. allen beminnaars van den Heere en zijn Sion betaamt. Moge het den Heere behagen, in onze zwakheid Zijne kracht te volbrengen, opdat ook dit woord |5| medewerke om het feest van dezen dag te doen strekken „tot eere Zijns Naams, tot heil der Kerken, tot welstand der School!” *


I.

De Theologische School behoort tot al het werk des Heeren, dat Hij gedaan heeft in, aan, en door de weer geopenbaarde en vrijgemaakte Gereformeerde Kerk in Nederland. Dat behoef ik niet te bewijzen: ieder die bekend is met de geschiedenis der Kerk in Nederland in de vorige eeuw, stemt toe: zonder de Afscheiding zou er thans geen sprake zijn van een gouden jubilee van deze of een andere Gereformeerde Theologische School. Met het oordeel over de reformatie van 1834 hangt ook principieel saam het oordeel over deze eigene Opleidingsschool der Kerken. Dat 1834 een werk des Heeren is, staat onder ons vast; in dit zelfde jaar zal nog de geschikte tijd komen om dit werk des Heeren onzes Gods opzettelijk te gedenken; 14 Oct. a.s. is het 7de kroonjaar voleind.

De uitgeleide Gemeenten hebben van stonde aan zelve moeten voorzien in de bediening des Woords. Door den nood gedrongen hebben de eerste herders en leeraars, en al spoedig ook van de anderen, bij al hun uitgebreiden arbeid, ook aan de opleiding hun krachten gewijd. Allengs ontstonden zelfs kleine opleidingsscholen, waarvan die onder de leiding van Ds. Brummelkamp te Arnhem, wel de meest georganiseerde geweest is. Vele uitnemende mannen zijn uit die opleiding voortgekomen. God verwekte toen, naar de gelegenheid en behoefte van de |6| Kerk in die dagen, mannen met veel geestelijke ervaring, degelijke kennis van de H. Schrift en van de Gereformeerde oude schrijvers; bejaarde en jeugdige mannen, van wie velen zeer goeden aanleg en kostelijke gaven van studeeren en spreken paarden aan zelfverloochenende liefde en ijver voor den Heere en Zijn volk. Met rijken zegen hebben gearbeid vele dienaren die na een voorbereiding van enkele jaren, sommigen van enkele maanden, in goede hope tot het heilig ambt worden geroepen en geordend. Doch z kon het niet blijven. Over al f niet kerkelijke opleiding is in de Gemeenten der Scheiding nooit verschil geweest; in al hare Acta heb ik althans geen enkel woord gevonden dat op een andere dan eigen opleiding doelt. 1) Maar dit is de zaak. De Gemeenten gevoelden allengs meer behoefte aan grondig en veelzijdig bestudeerde en bekwaamde dienaren, en vooral aan eenheid van opleiding, tot stuiting |7| van de vele verschillen, die ook in de velerlei opleiding oorzaak of voedsel vonden, en tot ontrusting en verdeeldheden der Gemeenten leidden. ’t Is de onvergankelijke eere van dat eerste geslacht predikanten, mannen van Art. 8 en van over het geheel onvolledige opleiding, dat zij, met de welbestudeerde voormannen zelven, hebben geroepen om een zoo goed mogelijke Theologische School, en die de ne School van al de Gemeenten zou wezen. Had Satan het niet belet, reeds veel vroeger ware zulk een School opgericht. Doch de droeve verdeeldheden en de breuken en scheuren braken de kracht. Ware de Scheiding een werk uit de menschen geweest, gewis, er waren niet dan brokken en splinters van de uitgeleide Kerk overgebleven. Maar God is getrouw; Hij hield Zijn werk in het leven, al liet Hij Satan en menschen veel toe; opdat blijken zou, dat de vrijmaking en de verzorging der Gemeenten Zijn werk is, en wie roemt, niet roeme op de Cock, f Scholte, Van Velzen, f Brummelkamp, maar alleenlijk in den Heere.

In de stichting der nu feestvierende Theologische School heeft God de Heere aan de opnieuw geopenbaarde Gereformeerde Kerk geschonken de saamvloeiing der voornaamste onderwijskrachten, de verhooring der gebeden, en de vrucht van veel arbeids; tot rijken zegen voor de eenheid, de uitbreiding, en de opbouwing der Gemeenten, Zijnen Naam ter eere.

Slaan we, om ons daarvan te overtuigen, enkele bladzijden op van de geschiedenis vr en n de geboorteure der School.

Dat de uitgeleide Gemeenten van meet af de bediening des Woords hoog gehouden hebben, en wars van alle doopersche en pitistische peuterij en geestdrijverij, grooten prijs gesteld op studie en wetenschap, staat te lezen aldadelijk in de Handelingen van de eerste Synode „van de opzieners van de Gemeente Jesu Christi, gehouden te |8| Amsterdam, 2 Maart v.v. 1836. Toen werd besloten, aan een adspirant-examinandus het volgende te antwoorden: „dat, zoo hij zich in den dienst des Heeren wenscht over te geven, hij vooraf zal behooren onderworpen te worden aan een examen in de talen, eer men tot het onderzoek in de andere noodige vakken zal kunnen overgaan; dewijl wij in den tegenwoordigen toestand der Kerk noodzakelijk achten, dat een Bedienaar des Goddelijken Woords in de gemeente met de noodige bekwaamheid voorzien is, om te kunnen staan tegen de vijanden en tegenstanders der Kerk; ziende verder op de wenken, die de Heere ons zal gelieven te geven naar Zijn Woord”. Art. 32. In het daarna vastgesteld „Reglement op het examen en de toelating tot het Herder- en Leeraars-ambt” wordt voor gewone gevallen ook kennis van talen en van de kerkgeschiedenis vereischt, en voor alle gevallen — let wel! — „grondige kennis van de beschouwende en dadelijke Godgeleerdheid, goed verstand van het herderlijk werk, en bekwaamheid in de predikkunde.” Daarbij werd de nadruk gelegd op goed getuigenis der gemeente van lidmaatschap, godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid en bescheidenheid. Art. 44.

Een jaar later, op de Synode te Utrecht, 28. Sept. tot 11 Oct. 1837, wordt over opleiding gesproken, en bepalingen desaangaande gemaakt. Naar Art. 18 Dordtsche Kerkenorde, achtte de Synode de opleiding te behooren tot de roeping van de dienaren des Woords; genoemd artikel werd toen aldus uitgebreid: „De dienaren des Woords zullen, tot onderwijzing der aankomende dienaren, zich zoeken te bedienen van de hulp van Doctoren of Professoren, mits dezen zijn lidmaten der gemeente en zij zich verbinden aan de Formuliren van Eenigheid”. In de verklaring namens deze Synode, get. S. van Velzen, praeses, en H.P. Scholte, scriba, tot beantwoording van een protest, worden drie bladzijden gewijd aan het bezwaar: dat de Synode de 4 |9| kerkelijke diensten der D.K. Art. 2, had herleid tot 3. Na 70 jaren zijn de Gereformeerde Kerken met dat artikel van Dordt nu nog niet in het reine en is ook daarom dit betoog van ’37 nog aller overweging waard. 2) Zij toonen daarin aan, dat de Synode niet de hulp van Doctoren of Professoren heeft verworpen, maar dat zulk een Professorenambt geen afzonderlijke Kerkelijke dienst is, omdat de opleiding tot den dienst des Woords de taak is van de Herders en Leeraars. Uit geheel dit actestuk blijkt zonneklaar dit: naar het oordeel dier Synode is de opleiding de roeping der Kerk, door de daartoe meest geschikte Dienaren des Woords, met vrij gebruik van alle doelmatige hulp.

De volgende Synode, 17 Nov.-3 Dec. 1840, gehouden te Amsterdam, stelde de gewijzigde Kerkorde van ’37 ter zijde;, maar zij, noch eenige latere Synode der Chr. Ger. Kerk heeft in anderen geest over de Kerkelijke opleiding gesproken. Dat blijkt wel duidelijk uit de volgende uitnoodiging, door die Synode gericht aan de Prov. Synoden. „Dat elke Provinciale Kerkeraad 3) ten minste nen Herder en Leeraar bepaaldelijk aanzoeke om zich, zooveel dit in den tegenwoordigen nood der Kerk geschieden kan, met de opleiding tot het Herders- en Leeraarsambt te belasten. |10| Het blijft echter niet te min ook aan de overige Herders en Leeraars vrijstaan deze opleiding te bezorgen.” Van de Synode van 1843 is officieel alleen bekend, dat zij, biddende om betere tijden, uiteenging, omdat de verschillen toen samenwerking onmogelijk maakten.

In 1846 kwamen de Gemeenten die nog samenleefden opnieuw in Synode 4) bijeen, te Groningen, 16-24 September. Hier voor het eerst stond op de Agenda: „oprichting van een algemeene Theologische school voor onze kerk.” De begeerte was er wel, en de behoefte zeer dringend, maar de bezwaren schenen te groot. De discussie, Vrijdagnam. begonnen, eindigde Zaterdagvoorm. met het besluit, dat men „van samenwerking, tot opleiding van Leeraren nog niets vast kon bepalen.” Art. 37. Maar zie, reeds in de eerstvolgende zitting, Maandagvoorm., kwam de vergadering daarop terug, „omdat men meende het toch eens te moeten beproeven, of het niet zoude kunnen verkregen worden.” Art. 51. En toen werd inderdaad een belangrijke stap voorwaarts gedaan. Besloten werd „dat ieder deze zaak op zijne Provinciale vergadering zal voorstellen, en daarvan verslag inzenden bij een Commissie te Groningen.” Een „plan van eene Algemeene School tot opleiding van jongelingen tot |11| den heiligen predikdienst” 5) werd vastgesteld, ter toezending aan iedere Provinciale Synode. Dit plan bevatte, benevens allerlei bepalingen, wenschen en wenken, ook reeds eene nominatie van „Opleiders, Hoofdonderwijzers, of Hoogleeraars”: drie titels voor n!

Deze arbeid was niet een vergeefsche. „De meeste afgevaardigden” der volgende Synode in 1849 te Amsterdam, 11-18 Juli 6) „hadden in last, aan de Synode voor te stellen, dat er middelen beraamd zouden worden, om de behoorlijke |12| opleiding van toekomende leeraars te bevorderen. Deze zaak is het onderwerp van vele gesprekken geweest. Algemeen werd geoordeeld, dat het nuttig en noodig was, eene School tot dit einde op te richten; doch het verkrijgen van bekwame onderwijzers en van de gelden, die voor zulk eene zaak gevorderd worden, leverde groot bezwaar op. Het besef van het groot gewicht dezer zaak en de beschouwing van den toestand der kerk brachten echter ten laatste de geheele vergadering tot het besluit om zoodanige School op te richten. Daarop is met algemeene toestemming het volgende bepaald”. 7) En dan volgt de vermelding van een vrij volledige organisatie, waarin o.m. werden geregeld het onderwijs, de examina, het kerkelijk toezicht, de zorg der Gemeenten voor de gelden. Drie hoofdonderwijzers werden gekozen en beroepen: D.D. G.F. Gezelle Meerburg, T.F. de Haan, en S. van Velzen; en „de voormalige akademiestad Franeker” werd aangewezen als de plaats waar de School gevestigd zou zijn. 8) Daartegen kwam dadelijk een bezwaarschrift in van den Kerkeraad van Amsterdam, die Ds. Van Velzen wilde behouden, en grooten nadruk legde op de financieele bezwaren, indien niet Amsterdam in plaats van Franeker werd gekozen. Doch de Synode antwoordde: dat deze bezwaren haar toeschenen wantrouwen te behelzen tegen Hem, die de Koning der Kerk is . . ., en zij van haar genomen besluit niet durfde afgaan. 9) Helaas, dat kloeke besluit kwam nochtans niet tot uitvoering. O, wat hebben de uitgeleide Gemeenten, onder vervolging van buiten en strijd van binnen, moeten worstelen om staande te blijven, en in de toenemende behoefte aan dienaren des Woords te voorzien! |13|

Moeilijk was de toestand voor de Synode, die in 1851 vergaderde, weder te Amsterdam, 23 April-1 Mei. 10) Zij |14| keurde niet goed de redenen van onderscheiden aard, 11) die als de oorzaak der niet-oprichting van de School werden medegedeeld.

„Evenwel was het der Vergadering bezwaarlijk te beslissen, aan wie de voorname schuld moet worden toegeschreven.” Allereerst werd besloten, het besluit van ’49 uit te voeren, doch met wijziging. Tot die wijziging behoorde ook, dat opnieuw over de plaats van vestiging werd gehandeld. De stemmingen leidden tot herstemming tusschen Amsterdam en Franeker, die echter geen van beide de volstrekte meerderheid konden verwerven. Het slot werd toen de aanneming van dit bijna hopeloos voorstel |15| van twee leden: „In aanmerking genomen, dat de Synode het over de plaats van de op te richten School niet eens kan worden, oordeelen Ondergeteekenden, dat het hun beter voorkomt, de zaak aan iedere Provincie aan te bevelen, gelijk in 1840 is geschied.”. „Hiermede was” — zegt het „Verslag” — „tevens stilzwijgend de verklaring gegeven, dat het besluit van 1849 voor dit oogenblik onuitvoerbaar was, en daarom werd er afgezien van de verdere behandeling van genoemd besluit.” 12) Daar lag het schoone plan voor den grond. In 1851 terug tot de eerste beginselen van 11 jaren vroeger! Wat zou er nu worden van de dringend noodige ne gemeenschappelijke opleiding, van de opnieuw diep geschokte eenheid en kracht der Gemeenten? Voorwaar, had de goede Herder niet zelf over Zijne kudde gewaakt en den duivel wederstaan, had Hij de leidslieden aan hun zwakheden en verkeerdheden overgegeven, nooit hadden de Gemeenten de reeds besloten Theologische School zien verrijzen.

Doch de Gemeenten waren een werk des Heeren. Ook de Theologische School zou een werk des Heeren zijn, een evenzeer verbeurde als onmisbare gave aan het ellendig en arm volk, dat ook uit deze benauwing van zonden en nooden tot Hem riep.

De Gemeenten legden zich niet rustig neer bij het bang en droef besluit der Synode. Vooral in Groningen werd met kracht gearbeid tot versterking der opleiding. En in de „Circulaire” van de te behandelen zaken voor de Synode van 1854 te Zwolle verscheen opnieuw de oprichting van eene algemeene Theol. School. 13) Geloofd zij God: nu zou de |16| zwaar beproefde begeerte der bidders voor Sion komen als een boom des levens; tot beschaming van Satan, tot saambinding der harten en der Kerken; tot opbouw van Jeruzalem. Een heugelijk feit ging vooraf: de hereeniging van „Brummelkamp c.s.” 14) met de Gemeenten der andere gewesten, welke als de Christelijke afgescheidene Gereformeerde Kerk waren blijven samenleven. Door die, in ’51 tevergeefs beproefde, heeling van een groote breuke, was het pad voor een gemeenschappelijke Theologische School gebaand, meer dan in ’49. Nadat in de elfde zitting, Woensdag nam., 14 Juni, eerst nog was gehandeld over „’t verleenen van subsidie door den Staat aan de Kerk,” 15) kwam deze oude en altijd nieuwe zaak aan de orde. En reeds vr het einde van de volgende zitting, Donderdag voorm., |17| 15 Juni 1854, was het besluit genomen: zulk eene School op te richten. Heden, de voormiddag van 15 Juni 1904, is het juist 50 jaren, dat de Heere dit groote werk heeft gewrocht! Laat nu de spreker een oogenblik zwijgen en blijde dankbare ontroering onze harten doortrillen . . . .

. . . .

Halleju-Jah! Uw weg, o God, is in het Heiligdom, o God onzer Vaderen en van ons zaad. U zij de eere!

Bijna, niet geheel, eenparig was het besluit. De afgevaardigden van Zuid-Holland, door hun instructie te dezer zake gebonden, stemden niet mede, bl. 39. Zij verklaarden, „zich in dezen, overeenkomstig hunne instructin, onzijdig te zullen houden, en zich aan de stemming te onttrekken.” „Overigens wordt, onder opzien tot den Heere, met algemeene stemmen tot de oprichting besloten. Tot verpoozing is intusschen gezongen Ps. 133 : 3.” Na de verpoozing, zie, daar komt onverwachts het goede werk weer in gevaar. ’t Niet-meedoen van Zuid-Holland liet enkelen leden geen rust. Dat was „een onordelijke zaak die in de kerk vreemd is.” En „daar deze Provincie sterk is en alzoo buiten de zaak van de School zonde blijven,” meende Ds. W.A. Kok, een man van beteekenis in die dagen, die ook zelf menig uitnemend dienaar heeft helpen vormen: „zijne stem niet meer te kunnen geven tot oprichting der School.”

Dat woord miste zijne uitwerking niet. Eenige broeders verzoeken, opnieuw over de zaak te mogen spreken. Dit |18| wordt toegestaan. Dezen en genen ontzinkt de moed; doch de Heere zal het voorzien! In de namiddagzitting is „na uitvoerig spreken eindelijk voorgesteld en met meerderheid van stemmen aangenomen: ondanks het terugblijven van Zuid-Holland, met de oprichting der genoemde School voort te gaan.” Des Heeren stem was over de winden en golven en Zijne hand hield het roer.

En de Synode ging voort. Eerst bepaalde zij de plaats: uit 9 steden werd eindelijk de stad Kampen gekozen. 16) Ten tweede, handelde zij over de kosten en het onderhoud der op te richten Theol. School, en bepaalde o.a., dat in alle Gemeenten 2 of 4 maal ’s jaars openlijk een aanprijzing tot milde bijdragen zal geschieden. Ten derde, over Curatoren: voorzoover de tegenwoordige omstandigheden het gedoogen, tracht de Synode in practijk te brengen het dienaangaande bepaalde in sessie 163 der Na-Handelingen van Dordrecht 1618/19. Aan deze Curatoren, te benoemen door elke Provincie n als haar vertegenwoordiger, wordt opgedragen hetgeen tot de oprichting en het bestuur der School vereischt wordt, en desaangaande mededeeling te doen aan hunne Provinciale Vergaderingen. Ten vierde, over ’t Collegegeld, dat op f 52 per jaar wordt gesteld. Ten vijfde, over de examina. „Bij deze gelegenheid wordt |19| bepaald, dat alle praeparatoir-examina, ook van degenen die niet aan de School gestudeerd hebben, door de Curatoren worden afgenomen”. Ten zesde, over de verkiezing van Leeraren voor de School. Een geheel vrije nieuwe keuze wordt verkieslijk geacht; daardoor toonde de Synode, ook goeden prijs te stellen op het oordeel en de stem van de afgevaardigden der Geldersche Kerken, aan wie nu, dadelijk na de hereeniging, zitting verleend was. Met volstrekte meerderheid van stemmen worden gekozen DD. T.F. de Haan, S. van Velzen, A. Brummelkamp en J. Bavinck; en dit drietal voor mogelijke vacature: P.J. Oggel, H.G. Poelman, en H. de Cock. Vr de stemming was de volgende bepaling gemaakt, die wel karakteristiek is voor het besef van het recht en den plicht der Kerken om in geen enkel opzicht ook door de School hare vrijheid te laten binden in de eigen zorg voor de eigen opleiding van bedienaren des Woords; dat n.l. wanneer de Kerk op eene andere wijze in de behoefte begeert te voorzien, zij zich door hare eenmaal gedane keuze niet gebonden kan achten.” 17) |20|

Deze Synode te Zwolle, wier voorzitter Ds. P. Dijksterhuis was, staat daar als een toonbeeld van Gods ontferming over Neerlands Kerk en Volk. Die Synode heeft o.m. bewezen, dat in weinige weken en met geringe kosten veel kan worden behandeld en groote dingen tot stand gebracht. Zij heeft geduurd van 8 tot 22 Juni, en geen volle f 100 gekost. Met blijdschap in God, lovende Zijnen Naam, inzonderheid voor de heeling der breuken en de besloten oprichting der Theol. School, zijn deze vrome en vroede mannen gegaan ieder naar zijn huis en zijn werk. Van de bedienaren des Woords, leden dier Synode, is nog slechts n in leven: Ds. J. Bavinck. Hun werk echter is niet met hen gestorven. Wat zij hebben besloten, is door Gods zegen, trots de niet geringe teleurstelling, dat Ds. Bavinck de roeping niet durfde aanvaarden, 18) voorspoedig tot uitvoering gekomen.

Op den dag door de Synode bepaald, 20 September, kwamen de Curatoren bijeen, te Kampen. In de vacature werd gekozen Ds. P.J. Oggel, hoewel hij terstond had verklaard, zich onbekwaam te achten, en in geen geval de roeping te kunnen opvolgen; tot secundus Ds. H. de Cock. Ds. de Moen, Curator voor Overijssel, werd uitgenoodigd, bij de a.s. opening der School een rede te houden. „De Vergadering gesloten zijnde, zijn de broeders in liefde gescheiden” — z luidt het slot van de „Handelingen”: een liefelijke echo op de vreugde der eenheid van de Synode. |21|

Intusschen bedankte Ds. Oggel, en nam Ds. de Cock de roeping als Leeraar aan. Nu kon men voortvaren tot de met spanning verbeide opening der algemeene Theologische School. Den 6n December vergaderden de Curatoren en de benoemde „Hoofdonderwijzers” of Leeraren met de Gemeente van Kampen, in het vroegere kerkgebouw in de Hofstraat. Studenten waren er 37 aanwezig, van wie nog 7 op aarde zijn, en drie thans in ons midden; U in ’t bizonder een hartelijk welkom, veteranen van de ne eigene Opleidingsschool onzer Kerken! Ook vele broeders en zusters van elders namen aan deze blijde samenkomst deel. Ds. de Moen ging de vergadering voor in ootmoedig en kinderlijk smeekgebod, en hield daarna een rede over 2 Kron. II : 10a, de bede van Salomo: „Geef mij nu wijsheid en wetenschap”. In zijne toespraak tot de Leeraren wekte hij hen op, met die bede in het hart het gewichtvol werk te aanvaarden en te doen. Hunne hooge verantwoordelijkheid drong hij aldus aan: „De Heere Jezus ziet op U. De Gemeente Gods ziet op U. De kweekelingen dezer School zien op U. De Bezorgers (Curatoren) dezer School zien op U. Nederland ziet op U. De Vader der leugen ziet op U!” Toen was het plechtig oogenblik daar, dat de eerste Leeraren der Theologische School zich „voor het aangezicht Gods en Zijner Gemeente die hier vergaderd is” verbonden, onder opzien tot Gods genade, getrouw te zijn „in de bediening die U wordt toebetrouwd.” Voorgelezen werd het Formulier van onderteekening voor Professoren in de H. Theologie, „dat door onze 19) Dordsche Synode is opgesteld.” 20) „Ja” klonk het antwoord op de vraag der |22| verbintenis, die ook door onderteekening word bekrachtigd. Na den zegen in den Naam des Heeren, eindigde de waardige dienaar met dit woord van bemoediging en opwekking: „Aanvaardt nu met goeden moed, vreugde en dankzegging aan God, uwe bediening. Weest van Gods hulp verzekerd; Hij die U roept, is getrouw en machtig, die het ook doen zal.” Toen hief de Gemeente aan:


Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen!
Men loof Hem vroeg en spa.
De wereld hoor en volg mijn zangen
Met amen, amen, na!

Mede namens de andere Leeraren betreedt nu Ds. van Velzen den kansel. „Z.Ew. stelt in korte trekken de uitnemendheid van het werk van den bedienaar des Woords voor aan Onderwijzers en Leerlingen, die zich ter uitoefening van dit werk gezamenlijk aangorden.” In deze rede wordt met nadruk gewezen op de hooge eischen voor de bediening, en de bekwaam makende genade Gods, die op |23| het aanhoudend gebed in den weg der getrouwheid zeker mag worden verwacht. Des avonds van 6-9 u. werd weder een samenkomst gehouden, die door Ds. de Cock, tot nu toe dienaar der Gemeente alhier, werd geopend, en waarin onderscheidene predikanten en studenten optraden. Wie niet aan de beurt konden komen vanwege den ras verstreken tijd, — het uur van negen was toen reeds vrij laat — ontvingen den troost, dat in het te drukken Verslag 21) ook zij hun woord konden spreken. Vele nog lezenswaardige toespraken in proza en pozie zijn ons bewaard gebleven in dat Verslag, door de vier Leeraren bezorgd en onderteekend. Wilt ge een proeve, waaruit de geest der eerste studenten zoo duidelijk en zoo aangenaam spreekt? Hoort dan een paar coupletten van het lied, door n hunner aan Curatoren en Leeraren der School toegezongen:


Ja, Hij is getrouw en Zijn waarheid staat pal

Te midden van duizend gevaren!

Al drukte soms het leed, en al dreigde de val,

Hij droeg reeds een twintigtal jaren.


Daar staat Zijn Gemeente gespaard en geleid,

En roept steeds om meerdere knechten,

Gegord en gewapend, ja, dapper ten strijd,

Om ’t rijk van den Satan te slechten. |24|


Hij gaf U als leeraars den leidstaf in hand,

Tot vorming van gaarne getrouwen!

Maakt eendracht nu machtig — zoo kleve die band,

En God doe Zijn heil U aanschouwen!

En z ging dan het scheepje in zee. Reeds den tweeden dag na de opening, Vrijdag 8 December, hielden de Leeraren hun eerste vergadering. Tot praeses dier vergadering en tot Rector der School voor den tijd van een jaar 22) werd benoemd Ds. de Haan. In welken geest zij dezen hunnen gemeenschappelijken arbeid begonnen, zeggen ons deze enkele regelen van Art. 3 der Notulen: Wordt gesproken over het groot belang, hetwelk de Kerk heeft bij de nu opgerichte Theologische School. Naar aanleiding hiervan herinnert men elkander aan het gewicht dertaak, die wij op ons genomen hebben, aan de verantwoordelijkheid die op ons rust, -en aan de noodzakelijkheid, dat wij, als leeraren aan die School, al het mogelijke in de vreeze des Heeren aanwenden.om in vereeniging zamen te werken en den vrede en de liefde onder ons te bewaren." Van nu af werd de Theologische School een belangrijk stuk van het leven en de geschiedenis der op nieuw geopenbaarde en onder alle worstelingen voortdurend uitgebreide en tot zegen gestelde Gereformeerde Kerk. Eerlang zond ook Z.-Holland zijn Curator. 23) In alle Gemeenten |25| werd de beteekenis der School hoe langer hoe meer beseft en ondervonden. Wel bleven de moeilijkheden niet uit; vooral in de eerste jaren waren, trots alle goede voornemens, eensgezindheid en vrede soms verre te zoeken. Curatoren en Synoden hadden dan handen vol werk: ik kom daarop straks nog terug. 24) Maar de Heere hield Zijn werk in het leven; en na 1860 luwden de stormen, en eenheid, liefde en vrede verspreidden van jaar tot jaar meer haar liefelijk en zegenrijk licht in de School, en door haar in de Gemeenten. De School werd voor de Gemeenten, gelijk de Gemeenten voor de School, een behoud.

Alle Synode na 1854 hebben over de School gehandeld. En tot op den dag van heden trekken de punten van het Agendum betreffende de opleiding en de opleidingsschool de bizondere aandacht zoowel van de leden als van de voorgangers der Gemeente. Niet minder dan 63 Curatorenvergaderingen zijn om harentwil gehouden, en 78 Curatoren, van wie zeer velen reeds ontslapen zijn, hebben belangeloos de Kerken gediend in ’t bezorgen van de zaken der School. Van bizonder belang ook voor de Theologische School was het jaar 1869. Toen behaagde het Gode, op |26| nieuw een geduchte breuke te heelen, die door en na de Synode van ’37 ontstaan, en door al de vroeger gevoerde onderhandelingen niet weggenomen was. De Synode van 1869 had het voorrecht, de vereeniging tot stand te brengen tusschen de Gereformeerde Kerk, vroeger Gereformeerde Gemeenten onder het kruis, 25) en de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk, die nu voortaan onder den naam Christelijke Gereformeerde Kerk zouden samenleven. Voor die vereeniging was de Theologische School niet in het allerminst een beletsel of bezwaar. Ook die Geref. Gemeenten, mede uit de reformatie van ’34 gesproten, hadden nooit andere dan eigen opleiding der Kerken gezocht; ook haar liefde en vertrouwen mocht de Theol. School, nu ook hare School, al spoedig verwerven. 26)

In ’66 ontvingen de Docenten, zooals de Leeraren allengs werden genoemd, hulp door de benoeming van den heer C. Mulder voor de vakken van het lager en meer uitgebreid lager onderwijs. 27) Die hulp was inderdaad meer dan noodig, en, hoe goed ook, geenszins voldoende; want de Docenten stonden sedert 1860, toen de Synode aan Ds. de Haan |27| eervol emeritaat had verleend, 28) met hun drien voor al de litterarische en theologische vakken; blijkens de series, in de Curatoren-handelingen bewaard, een zeer groot getal.

In ’72 benoemde de Synode Ds. A. Steketee, pred. te Zaamslag, tot docent in de klassieke talen, in de hoop weldra een Gymnasium aan de School te kunnen verbinden 29). De Synode van ’75 versterkte opnieuw de onderwijskrachten door de benoeming van Ds. M. Noordtzij, pred. te Schiedam, tot docent in de exegetische vakken, vooral des O.T. 30).

In ’79 gaf de inwendige toestand der School veel zorg en moeite aan Docenten en Curatoren; de Synode had wel toen reeds mogen besluiten, wat zij 3 jaren later heeft gedaan, nevens of inplaats van de hoogbejaarde vaders van Velzen en Brummelkamp, die vr en n ’54 de hitte des daags en de koude des nachts hadden verduurd, nieuwe onderwijskracht aan de School te verschaffen. De ne gemeenschappelijke Theologische School had toen 25 jaren bestaan. Zou men dat feit feestelijk gedenken? 31) Zie, die vraag zelve getuigt meer van gedruktheid dan van opgewektheid des harten. Het gezicht op de weldaden des Heeren, die de School gegeven, bewaard, uit alle nooden gered, |28| en tot rijken zegen gesteld had, behield de overhand 32). Die feestviering van 6 December 1879, voor welker gedachtenis door een uitgebreid verslag in De Bazuin en andere bladen is gezorgd, is bij velen Uwer nog in aangename herinnering. De rector der School, Docent H. de Cock, hield op den tweeden dag des feestes eene rede, die nog zeer de lezing waard is, over „Het heden en verleden der School en hare roeping in de toekomst”. In die feestvreugde deelden alle de Gemeenten; ook toen, gelijk nu, waren vele broeders en zusters van Noord en Zuid opgekomen naar Kampen. De herdenking van Gods daden heeft krachtig medegewerkt om de dankbare en biddende liefde voor de School te versterken, zich openbarend ook in voortdurend toenemende offers, sommen zilver en goud, die de Synoden van ’54 en later niet hadden durven hopen. Nog |29| nimmer — ter eere van onze Gemeenten mag het worden gezegd, en nu wel eens met feestelijken dank — nog nimmer hebben onze Gemeenten het der School aan iets doen ontbreken! Toen de Synode van 1882, die aan docent A. Steketee eervol emeritaat verleende wegens physieke zwakte, 33) den moed greep ineens 3 nieuwe docenten te benoemen, Ds. D.K. Wielenga, pred. te Nieuwendijk, Dr. H. Bavinck, pred. te Franeker, en Ds. L. Lindeboom, pred. te Zaandam, bleek al spoedig dat die broeders recht gezien hadden, die ’t vertrouwen uitspraken, dat de Heere ook voor de gelden zou zorgen, en de Gemeenten gaarne zouden toonen bereid te zijn, al het noodige voor de versterking harer Theologische School blijmoedig te geven. 34) |30|

Nog eenige jaren hebben de vaders Brummelkamp en van Velzen een weinig kunnen medearbeiden. Brummelkamp ging 1888 de ruste in; van Velzen leefde tot 1896, maar leefde de laatste jaren niet meer mee. Reeds vr hem, in 1894, was, minder bejaard, de Cock ons ontnomen. Door de benoeming van Ds. P. Biestervold, pred. te Rotterdam, werd het getal docenten toen weder aangevuld. 35)

Intusschen had de vereeniging plaats gehad van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsch Gereformeerde Kerken uit de Doleantie van ’86. Van ’88-’91 was die vereeniging tegengehouden inzonderheid door verschil van inzicht en wensch terzake van de opleiding tot den dienst des Woords. Toen die Kerken eindelijk besloten, genoegen te nemen 36) met de verklaring der Synode, |31| dat zij handhaafde het beginsel, dat de Kerk geroepen is eene eigene inrichting te hebben voor de opleiding van dienaren des Woords, ten minste wat de Godgeleerde vorming betreft — toen ging het werk der vereeniging voorspoediglijk voort. In 1893 kwam de School met eere en versterkte positie uit den onverwachten aanval en strijd. 37) |32|

In 1896 werd het litterarisch onderwijs; waaraan steeds meer zorg was besteed, door toevoeging van Candidaten en Doctorandi, eenmaal ook van een Doctor in de letteren; van het theologisch onderwijs gescheiden, en geschoeid op gymnasiale leest met eigen Rector en organisatie. Toen heeft ook de theologische opleiding gewichtige verandering |33| ondergaan; de Curatoren zijn van examinatoren bijwoners der examina met adviseerende stem geworden; de Docenten met den titel Professoren of Hoogleeraren versierd en ontheven van de litterarische vakken behalve in de propaedeuse; en de examina zijn in vorm en tijd e.a. vrijwel gelijk gemaakt aan die der Universiteiten. Wat daarover en in verband daarmede is te doen geweest, mag ik thans wel voorbijgaan. 38) Wat in ’99 inzake eenheid van opleiding |34| is beproefd, en wat in 1902 vr en door en na de Synode aan deze Theologische School is wedervaren, 39) daarover zou ik op een dag als deze liefst geheel zwijgen; slechts tot roem van Gods zorg voor de School, deze spruit Zijner planting, dit werk Zijner handen, zal ik vermelden, dat de School nabij den dood is geweest. en reeds de bel van de doodsklok in beweging gebracht werd. De toestand was inderdaad bang. Den 1en April hadden wij onzen Wielenga ten grave gedragen; in December gingen de broeders Bavinck en Biesterveld heen, en de helft van onze studenten namen zij mee. Na het bedanken van een der nieuw benoemde hoogleeraren, Ds. B. van Schelven, was wederom beproefd, de benoeming onbepaald uit te stellen. Een voorstel om niet nu reeds tot benoeming over te gaan, kreeg 5 van de 10 stemmen, en was dus verworpen. En stem meer en de Theologische School, met 2 inplaats van 4, 5 Professoren alleen gelaten, had allicht spoedig voor goed vacantie gekregen. Wat zeg ik: n stem meer? Neen, indien dat voorstel slechts anders ware geformuleerd, positief inplaats van negatief, en de stemming dus had gegaan over de vraag: nu reeds Professoren benoemen? dan |35| was niet-benoeming de uitslag geweest. Maar ziet, nu moest tot benoeming worden overgegaan. 40) En z is het geschied, dat de Theologische School, al weder worstelend gelijk de Zeeuwsche leeuw met de onstuimige baren: „luctor et emergo”, naar het eindbesluit der Synode van Arnhem, ontving wat zij in de tegenwoordige omstandigheden behoefde. Wederom brak de zon door de wolken, werd de hand gezien, die van Boven haar behoedde en leidde. In ’t voorjaar van 1903 aanvaardden de broeders Dr. H. Bouwman, pred. te Hattem, en Dr. A.G. Honig, pred. te Zeist, het hoogleeraarsambt aan de School, zoodat zij nu 4 hoogleeraren telt, die in de propaedeuse worden bijgestaan door 3 lectoren. Sedert gingen 13 studenten van haar uit als candidaten tot het praeparatoir examen; 6 nieuwe studenten worden haar toegevoegd, en met 20 mocht zij dit jaar den arbeid voortzetten. |36|

Het Gymnasium, aan de Theologische School verbonden, met negen Leeraren, thans ook in ’t bezit van het promotierecht, telt 40 leerlingen. Namen we nu in aanmerking, dat van dezen, gelijk tot heden, ongeveer 2/3 voor de Theologische School zijn bestemd, dan heeft de School, gerekend naar de wijze van opleiding van ’54-’96, thans het nogal hoopvol cijfer van bijna 50 kweekelingen voor den dienst der Kerken, met 4 hoogleeraren, die door 3 lectoren worden bijgestaan in de propaedeutische vakken.

’t Behoort niet tot mijne taak, thans een oordeelkundig onderzoek in te stellen naar de licht- en de schaduwzijde van het onderwijs en al wat tot de opleiding behoort van de eerste en van de tweede 25 jaren, en daaruit leering voor de toekomst te putten. Evenmin om al de miskenning te noemen, te kenschetsen, en tegen te spreken, waarmede deze School van onderscheidene zijden is en nog wordt bejegend. Ieder zie voor zich zelven toe, dat hij niet krenke des Heeren werk, die haar tot rijken zegen voor Zijn Naam en volk heeft gebruikt; en niemand oordeele over haar en haar arbeid zonder haar te kennen, zonder zuivere weegsteenen en den rechten maatstaf, vrij van vooroordeel, partijzucht, en zelfverhoovaardiging. De Gereformeerde Kerken en hare School hebben op dezen dag alle reden om te betuigen: de Heere heeft niet gedaan naar onze zonden, maar ons boven bidden en denken gezegend. „Want gij ziet uwe roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen. En het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niet is, opdat Hij het geen is, te niet zou maken. Opdat geen vleesch zou roemen voor Hem.” 1 Cor. 1 : 26-29. |37|

Met vreeze en beven hebben de eerste Leeraren tot dezen arbeid zich overgegeven, terwijl rijkbegaafde mannen als Gezelle Meerburg, Oggel en Bavinck de taak niet aandurfden. Met geringe middelen, zonder eigen gebouw en zonder bibliotheek, op een traktement van f 1200.—, zonder woning, begonnen zij het onderwijs in allerlei vakken van voorbereidende wetenschap, en daarbij de hoofdzaak: de Theologie en wat daartoe behoort. Jaren lang hebben zij 30 en wel eens meer uren per week college gegeven, bij al het andere werk in en voor de Gemeente alhier, voor de Zending en de zaken der Kerk in ’t gemeen. De studenten in den eersten tijd waren niet allen, maar wel voor een groot deel, mannen en jongelingen van eenvoudige afkomst en van weinig litterarische ontwikkeling, doch velen openbaarden kostelijken aanleg envoorbeeldigen ijver en voor ieder benijdbare kracht. 41) Allengs deed God, die hen riep, en hun de gaven en krachten vermeerde, de spruit groeien tot een boom, die zijne takken zegenend uitbreidde over Nederland, Oost-Friesland, Amerika, Afrika, en zelfs aan O.-Indi van zijne vrucht meedeelen mocht. Meer dan 500 predikers van het Kruis evangelie mocht deze School kweeken, bekwame en getrouwe bedienaren van het onfeilbaar Woord Gods, herders en leeraars der Gemeenten, en die ook uitgingen om het verlorene in de wegen en in de heggen te zoeken.

Opgericht in den tijd toen de zoogenaamde Groninger theologie nog fleurde, heeft zij in de wapenrusting Gods de Gereformeerde theologie bewaakt, te voorschijn gebracht, hare smaadheid bij geleerden en ongeleerden in eere |38| veranderd, en hare vernieuwde beoefening ook in wetenschappelijken vorm aan ons geslacht ais roeping van Gods wege verkondigd; en naar hare kracht ging en gaat zij zelve daarin voor. De Theologische School heeft ook —alle roem aan den Heere! — ons kleine Nederland vervuld met herauten der bloedtheologie, die, roemend tegen Groningen’s jubel: de leer der voldoening sterft uit, de kerken hebben leeg gepreekt van vele leeraars, die, minachtend genoeg, uit de hoogte hunner universitaire studie en wijsheid neerzagen op „die afgescheiden dominees” met hun verouderde begrippen en meestal eenvoudig burgerlijke levensmanier. Door de kweekelingen der School heeft de God der vaderen de kennis des Woords doen herleven in vele kringen des volks, en met deze de Gereformeerde belijdenisschriften en theologische werken, de leer van het eeuwig welbehagen Gods als de oorzaak der zaligheid en godzaligheid, weder tot eere gebracht, zoowel tegenover het bijgeloof als het ongeloof. Toen in het modernisme de vroomheid en wijsheid der verwereldlijkte theologie het masker afwierp, had God in de Christelijke Gereformeerde kerken en hare School een machtigen dam opgericht tegen den wassenden stroom van ongeloof en revolutie.

Duizenden en tienduizenden zijn in die 50 jaren voor den Heere en de zaligheid gewonnen en toegevoegd tot zijne belijdende Kerk. Vooral na de stichting der School hebben de Gemeenten der Scheiding het licht des Woords op allerlei gebied doen schijnen, ook door de pers. Door De Bazuin, 42) en andere bladen; door tijdschriften als |39| De Vrije Kerk, 43) welks 24 deelen van degelijke studie en belangstelling in alle zaken van het Koninkrijk Gods spreken; door menig getuigenis tegen de stoute beweringen van het bijgeloof en het ongeloof op theologisch en ander gebied, en geschriften tot sterking en opbouwing van het geloof der Gemeenten. Onberekenbaar noem ik vrijmoedig den invloed van de School en hare discipelen op de zaak van het lager onderwijs en de scholen, ook van middelbaar en hooger; opdie van de christelijke barmhartigheid, en van de algemeene belangen van het volk; en tot bewaring en versterking van de liefde tot ons Koninklijk Huis van Oranje Nassau. Zonder dezen invloed der Theologische School zou de kleine anti-revolutionaire partij 't waarschijnlijk niet hebben uitgehouden - onze afgescheiden dominees en gemeenten hebben Groen van Prinsterer al zijne levensdagen geerd en gesteund, en den weg helpen banen voor lateren bloei. In en door de Gereformeerde kringen is het Wilhelmus van Nassauen weder in gebruik en tot eere gekomen. De sociale toestanden, vooral op de dorpen, hebben ook veel te danken aan de herders en leeraars, die over het geheel beter dan de andere predikanten het volk kenden, en in hun midden leefden, me voelend en deelend in hun vreugde en hun leed. Door den kansel, de catechisatie, het huisbezoek c.a. |40| hebben die 500 mannen met de vroeger geordende dienaren een vr reikenden invloed uitgeoefend ten goede voor land en volk, voor Koningshuis en Overheden, en tot ontdekking en ontwikkeling van allerlei gaven en krachten voor het praktische leven, en ook voor de onderscheidene takken van wetenschap. Hoeveel invloed de Theologische School zijdelings en rechtstreeks heeft geoefend op Gereformeerde en andere Christenen in den lande, zelfs op tal van gemeenten en voorgangers in het N.H. Genootschap; wat zij door Gods bestel ook heeft gewrocht tot voorbereiding van de vrijmaking en jukafwerping der Kerken in ’86 — dat is niet in cijfers te zeggen en te bewijzen; maar dat in de herlevende liefde tot de waarheid buiten de uitgeleide Gemeenten ook vrucht van den arbeid der School mag worden gezien, zal in later dagen algemeen worden erkend. Zij is ook, zoo al niet de moeder, dan toch de leidsvrouw geworden van andere Theologische Scholen. Naar haar voorbeeld stichtte Ds. D. Postma, een harer eerste ijveraars, en haar eerste Penningmeester, 44) de Theologische School der Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika. 45) Een harer discipelen uit mijn studententijd, de onlangs ontslapen professor G.E. Boer, was de eerste docent van de Theologische School der Christelijke Gereformeerde Kerk in Amerika, aan wie op dit oogenblik nog drie vroegere discipelen onzer School als hoogleeraars arbeiden. Van hun deelneming in |41| onze vreugde deden de Curatoren dier School ons ook reeds blijken. 46) Ook de Gemeenten van Bentheim en Oost-Friesland hebben naar hare kleine kracht, in hare Theol. School te Emden, het voorbeeld van ’54 met zegen gevolgd. En zelfs de Theologische School, die onze in ’92 niet met de vereeniging meegegane broeders hebben opgericht, te Rijswijk, is uit den zelfden wortel gesproten. En zeg ik te veel, als ik ook dit schrijf: zonder de Gereformeerde Theologische School van 1854 zou nu voor een Gereformeerde Universiteit nog zelfs geen bouwterrein zijn te vinden?

Op het 25-jarig feest gevoelde een hoogleeraar van de Utrechtsche Universiteit, prof. van Oosterzee, zich gedrongen aan deze School zijne belangstelling te toonen; zijn zegenwensch kleedde hij in dit feit en woord der heilige historie: „En de braambosch werd niet verteerd.” Exod. 3: 2b.

Op dit 50-jarig feest mogen wij aan vriend en vijand |42| toeroepen: De Heere heeft groote dingen aan ons gedaan. Dies zijn wij in Hem verblijd, en loven wij Zijnen Naam. Komt, feestgenooten, heffen wij den lofzang aan, staande voor het aangezicht des Heeren, den lofzang, waarin de Gemeente voor den Troon samenstemt met ons, die strijden hier beneden:


Looft God, looft Zijn Naam alom,
Looft Hem in Zijn Heiligdom!
Looft des Heeren groote macht
In den hemel Zijner kracht!
Looft Hem om Zijn mogendheden!
Looft Hem naar zoo menig blijk
Van Zijn heerlijk Koninkrijk,
Voor Zijn Troon en hier beneden.

Ps. 150 : 1.


II.

En wat zullen wij nu aan onze jubilaris toewenschen? Vr 25 jaren uitte de feestredenaar — blz. 15 — de vrees, dat men eerlang aan de School het recht om te blijven bestaan, zou ontzeggen. „Er zullen er zelfs zijn die de opheffing dezer inrichting wenschen, indien al niet vorderen . . .” Dat klonk toen menigeen wel wat somber en onwelwillend toe, maar Docent de Cock heeft toen nuchter en helder gezegd, wat hij zag komen, en dat, helaas, gekomen is. Van opheffing dezer School is nog de laatste weken gewaagd in sprake en schrift. Ook zonder dat zou ik niet durven verwachten, een zegenwensch te kunnen spreken die aller instemming vindt. Danken voor het vele goede, dat God vooral aan de C.G. Kerk en aan Nederland in ’t gemeen geschonken heeft in de School — dat kunnen en willen waarschijnlijk wel bijna alle leden van de Gereformeerde Kerken, en zeer velen buiten haar; doch wenschen en bidden, dat de School blijve, en steeds dieper hare wortelen uitsla in den vruchtbaren grond van |43| Neerlands Kerken, doen wel velen nog, maar volstrekt niet allen. Dat onloochenbaar feit werpt ook voor mijn hart eene droeve schaduw op dezen heerlijken gedenkdag, en is m.i. niet tot Gods eere, niet zonder gevaar voor de School en voor de Kerken. Maar dat weerhoudt mij niet, op te wekken tot den lof des Heeren, en evenmin van den zegenwensch, die allen betaamt: dat de Theologische School leve, groeie en bloeie tot in verre geslachten! In dien zegenwensch is vanzelf begrepen, dat de Heere aan al de Gereformeerde Kerken, aan voorgangers en leden, eenerlei hart geve om in de School een werk Zijner machtige ontferming te eeren, van blijvende beteekenis voor den bloei van de Kerk en het Koninkrijk Gods. Als dt niet gebeurt, zal de School niet komen tot de onontbeerlijke rust, wier gemis nu al vele jaren haar arbeidskracht heeft geschaad, de Kerken geschokt, en ook onzen levensweg met velerlei verdriet en hinder bezaaid. Als haar slechts levensverlenging wordt toegewenscht, omdat en zoolang de historie nog haar werking doet bij velen vooral van het wegstervend geslacht, dan blijft toch de bijl liggen aan den wortel dezes booms en een ban woelen in den boezem der Kerken. 47) Afgezien, zelfs van het „beding”, zullen de |44| Kerken het, en nu in waarheid, eens moeten worden over de eigene opleiding en opleidingsschool, zal de zon van den vrede 48) en de vruchtbaarheid doorbreken door de sombere wolken, en Neerlands Kerken bloeien in liefelijkheid en samenbinding, en krachtige daden doen tot afbreuk van het rijk der duisternis op alle terreinen.

Uwe opkomst tot dit feest, broeders en zusters, vermeerdert mijne vrijmoedigheid in den Heere om, zij het ook, vanwege den tijd, in ’t kort saamgevat, U de redenen te zeggen, waarom ik ook voor Gods aangezicht niet anders zou durven wenschen en bidden, dan dat de Theologische School van nu voortaan, gelijk in ’54 en later, de bevestiging worde der eenheid, de olie op de golven van |45| gedeeldheid en twisting, de versterking van de Gemeenten in ons allerheiligst geloof.

1. De School is niet begeerd en ontvangen als een voorloopig iets, een noodhulp, zonder overtuiging van roeping. Wie dat meent, kent de geschiedenis niet. Zeker, de Kerken van ’34 zijn door den nood tot de eigene opleiding gedreven, evenals tot de Scheiding. Maar is dit niet juist een kenmerk van alle werk Gods? De Geuzen hadden niet afgesproken, den Briel te gaan innemen; Hendrik de Coek dacht niet aan verlating van de Herv. Kerk, toen hij voor de sebaapskooi van Christus zich in de bres stellen ging; maar God voerde de Geuzen voor den Briel, de Cock tot de Scheiding, en de uitgeleide Kerken door den „leerarennood” tot de eigene opleiding. Eerst het leven, dan het bewustzijn; eerst het feit, daarna ’t inzicht in de beteekenis — z doet God altijd, in de natuur en in de genade. En onze Vaderen kenden het Woord en de Belijdenisschriften; zij hadden ook in de Kerkgeschiedenis gelezen van opleidingsscholen; en op den weg van Wezel naar Dordrecht vonden zij gedenksteenen, die van begeerten en smarten der Kerken inzake de opleiding van dienaren getuigden.

Ineens had God hen in de vrijheid gezet; de vrijheid van het juk der Genootschapsorganisatie bracht ook de vrijheid van het juk der Universiteits-theologie en opleiding mede. Een vrije Kerk, en in die vrije Kerk vrije Theologie, vrije opleiding, vrije studie, vrije erkenning der gaven — al die vrijheid ontvingen ze tegelijk; en zij hebben haar vol vreugde op het schild geheven en onder veel franen en gebeden, ten koste van goed en bloed, verdedigd en gekoesterd tot op deze ure toe. De Kerk moet zelve zorgen voor hare eigene zaken — dat besef deed de Heere terstond opwaken. We zagen het reeds in de eerste Synode van 1836 tot uiting komen; en de Synode van ’37 was reeds |46| in staat, met oordeel des onderscheids zelfbewust een eigene opleiding te regelen. God wil, dat het predikambt en de scholen onderhouden worden, Catech. Zond. 38; God dringt er ons toe; God zal het ons doen gelukken; die overtuiging gaf hun geen rust vr de algemeene Theologische School was geopend.

In die zelfde dagen richtten uitnemende mannen als Groen van Prinsterer, Da Costa, Wormser, en anderen een Christelijk Gereformeerd Seminarie op, dat ten doel had ook voor de Kerken der Scheiding leeraars te vormen, en dat door voormannen van de Scheiding en door voorstanders van de herstelling der Kerk in het Genootschap zou worden verzorgd en bestuurd. Maar daarvan wilden de Kerkvergaderingen niets weten 49); hoe hoog zij die mannen ook achtten, zij volgden |47| van Velzen, die hun toeriep: De Kerk niet onder voogdij! 50) Ook Brummelkamp, die eerst bereid was zijne School in dat Seminarie in te lijven, trok zich terug, 50) en onderteekende met de andere Leeraren der School, in het verslag van 6 Dec. 1854, deze woorden, die als eene belijdenis klinken: „En die dag, waarop we niet langer zouden behoeven te zeggen: wij bezitten geen School; wij missen dus nog hetgeen onder het voornaamste gerekend moet worden van ’t geen de Kerk van Christus behoeft — die dag verscheen, en de Heere stortte op denzelven een milden en verkwikkenden zegen uit over Zijne zoo duur gekochte Kerk.” |48|

Bij de bevestiging der nieuwe Docenten in ’83 riepen de Deputaten ad hoc, de gewezen voorzitter der Synode te Zwolle, Ds. Gispen, en de Curator, Ds. Bavinck, als om strijd: de Kerk en de School behooren bijeen. En in 1886 prezen al de Curatoren het beginsel der eigene opleiding als eene heerlijke gave van God, in onze Kerken tot openbaring gekomen en „onherroepelijk” n met het leven der Kerken. 51) In den bidstond ter opening van de Synode van |49| ’88 bepaalde de voorganger 52) ons bij Openb. 3 : 11: „Houd wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme,” en riep hij |50| der Gemeente toe: Nooit geve de Kerk hare School over.

Bij de vereeniging 1891/92 hield de Christelijke Gereformeerde Kerk deze hare dochter in de armen geklemd, en heeft zij hare erkenning en aanneming als kind des huizes tot volstrekte voorwaarde gesteld en verkregen. Het verzet tegen de latere pogingen om de School op te lossen, wordt schromelijk miskend door wie daarin niet zien kan of wil de krachtige werking van de zelfde diep gewortelde overtuiging, waaruit God de School geboren deed worden. Daarom roep ik mijzelven en U toe: blijft in de historische lijn; verbreekt het werk des Heeren niet, versteekt, U ook niet achter de vaten, maar komt uit met troffel en zwaard! |51|

2º. Vr er weder sprake mag zijn van verzetting van de welbeproefde palen en paden, die onze vaderen gemaakt hebben, moet eerst worden aangetoond, dat „het beginsel van de roeping der Kerk tot eigen opleiding” in strijd is met de beginselen van de Gereformeerde Symbolen en Kerkenorde, f van de H. Schrift. Te bewijzen is dan o.m.: dat alleen de Kerken niet het recht en den plicht hebben, de „souvereiniteit in eigen kring” te handhaven; dat andere corporaties beter bekwaam zijn om de belangen der Kerk te behartigen dan zij zelve, die de belofte heeft dat de Heilige Geest in haar zal wonen en zorgen voor alle noodige gaven en krachten; dat de wetenschap der Godskennis niet groeit en niet behoort op het terrein der particuliere genade, f dat zij gedeeld is, en niet in haar geheel gegeven aan de Kerken en hare ambten, die de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen dragen. Zoolang deze en de daarmee samenhangende stukken niet uit en naar de Schrift zijn bewezen, en geloofsovertuiging der Gemeente geworden, mag niemand beproeven, de Kerken en de opleiding te brengen op een ander, niet-kerkelijk, spoor, en hare vrijheid ook maar in het minste te binden aan eenige andere macht. Zoowel de Kerken van ’86 als van ’34 hebben het Genootschapsjuk: d.i. het juk van alle vreemde macht, afgeworpen in den Naam des Heeren. Dat zij nu ook hare vrijheid ten volle bewaren! Uit de Kerken der Doleantie zelve is de drang opgekomen om zeggenschap te hebben over de opleiding aan de Vrije Universiteit. Daarvan is het Verband-contract, dat in 1891 is vastgesteld, het gevolg. Zie de Acta der voorl. Syn. v.d. N.G. Kerken, 1901, en vroeger. „Eigen” opleiding is dan ook het recht en de plicht en een levensbelang van al de vereenigde Geref. Kerken.

Der Kerken vrijheid is hare waarheid, haar vrede, haar leven. „Want de Heere is onze Rechter, de Heere is onze |52| Wetgever, de Heere is onze Koning; Hij zal ons behouden.” Jes. 33 : 22.

3º. Maar — zouden de Kerken niet het offer harer eigen Opleidingsschool mogen brengen in ’t belang van de behoefte onzes volks aan kweeking eener christelijke wetenschap voor de terreinen der algemeene genade? Dat zij verre! God, die den Kerken hare School gaf, is ook machtig, het Christelijk Hooger Onderwijs in alle wetenschappen tot zijn recht, bloei, en eere te brengen; de historie dezer School spreekt ook voor dien roependen nood onzer dagen het Christenvolk bemoedigend toe, en spoort allen aan, ook voor dit werk in Gods Rijk een zeer gewillig volk te zijn op den dag van Gods heirkracht in heilige sieradin. Ook daarvoor echter is eerste voorwaarde: dat we ons wachten voor elke baccil van Doopersche separatie, van Roomsche mixtuur, en van Rationalistische degeneratie, van natuur en genade; dat allen de Kerk eeren in haar eigen wezen en leven als de Gemeente van Christus, gekocht door Zijn bloed, toebereid door den Geest voor het eeuwige leven, als een licht en een zout voor alle gebied der wijsheid en practijk van het tijdelijk leven; dat de Kerken zelven haar pad zuiver houden, al haar goed en haar grenzen bewaken; en dat iedere kring en elke school blijve op zijn eigen gebied, en aldus al Gods ordinantin en rechten worden geerd en onderhouden. Dan zal er ook geen reden van twisting meer zijn over weiden en waterputten, als tusschen de herders van Abraham en Lot, van Izak en Abimelech weleer. 53)

4º. Vooral ook voor de opleiding zelve moeten de Kerken |53| ongedeeld en ongerept hare vrijheid handhaven tegenover den Staat, en andere Kerken, en alle Corporaties, van welken aard ze ook zijn. Alleen in de geheel vrije hand der Kerken is, uit kracht van hare altijd voortdurende behoefte aan herders en leeraars, hare blijmoedige verzorging, en hare trouwe alomvattende tucht, de zekerheid, de zuiverheid, en de doelmatigheid der opleiding gewaarborgd — zoolang n.l. de Kerken zelven blijven staan en bouwen, naar de Schrift, op het fundament, dat gelegd is.

A. Ook onder ons is in den laatsten tijd wel eens over de opleiding gesproken, alsof zij niet de moeite waard was, die de Kerken om haar zich getroosten. De opleiding en opleidingsscholen behooren niet tot het wezen der Kerken, zij raken de eeuwige zaligheid niet; o, zielen, richt liever uw oog naar den hemel, en verlangt naar de komst van uw Heiland: z heeft men hooren zuchten en roepen. 54) Maar ik vraag u: is dat de taal van gezond en frisch leven? En wat, als bij en in zulke woorden wel terdege positie genomen wordt tegen hen die voor de „eigen” opleiding staan? Zeker, de zaligheid hangt niet aan de eigen opleiding; maar in die gedachtenlijn hangt de zaligheid ook niet aan het lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken: zullen wij daarom terugkeeren naar de N.H., f de Roomsche Kerk? De Gereformeerde Kerken hebben tot nu hare vrijheid zoowel tegenover als in de opleiding bewaard, en ook Art. 8 gehandhaafd, en zij mogen nimmer door eene School zich laten beheerschen of beroeren. Maar met dat al is en blijft naar Gods Woord, naar Gods bestel der |54| gaven, naar de leiding des Geestes in de Kerk, opleiding en opleidingsschool een eerste levensbehoefte voor elke Kerk, die waarlijk leeft en wil blijven leven. 55) Daarom moeten ook de Gereformeerde Kerken zekerheid van opleiding hebben. Toen in 1860 da Costa de rust was ingegaan, schreef Groen van Prinsterer aan Wormser: „Ds. Schwartz meent, dat het Seminarie bestond door het geloof van da Costa. Ik was steeds ongeveer van dezelfde gedachten, |55| en ben van gevoelen dat het Seminarie den heer da Costa zal volgen in het graf.” En dat Seminarie is spoedig daarop verdwenen. Z zou het ook met de Theologische School zijn gegaan, indien zij niet de school der Kerken geweest was.

In 1858 was de sedert lang bange toestand door gebrek aan eenheid en samenwerking onhoudbaar geworden, naar het oordeel van al de Leeraren; en een der adviezen luidde: de School op te heffen. Toen hebben de Curatoren en later de Synode zich naar hun recht en plicht tusschen de partijen gesteld, en de School werd behouden. 56) En z is tot nu toe den Kerken de onmisbare opleiding verzekerd geworden. Indien de School had geleefd uit het talent en het geloof van hare eerste of latere hoogleeraren, dan zou zij met den dood van den een en het heengaan van den ander zijn ten grave gedaald. Had zij ook geen hechter steun dan de veranderlijke gezindheid van kleinen en grooten in geloof, wetenschap, geld en krachtige woorden, ach, zij zou gevallen zijn, toen, vooral in de laatste jaren, veler houding het woord van den Psalmist kwam toelichten: „Vest op prinsen geen betrouwen, daar men nimmer heil bij vindt. Zoudt g’ uw hoop op menschen bouwen?” Zelfs de N.H. Kerk, die aldoor nog den Staat laat zorgen voor de opleiding harer predikanten, heeft na 1876 moeten opwaken en de Universiteitsopleiding aanvullen. Haar opleiding, voorzoover ze dien naam mag dragen, is geheel afhankelijk van de, reeds geheel verbasterde, zoogenaamde Theologische faculteiten.

Wat er van ons Hooger Onderwijs worden zal, is Gode bekend. De strijd onzer dagen om dat hooge volksbelang is ook voor de opleidingszaak leerrijk genoeg. |56|

Hadden de Vaderen maar nooit de opleiding uit de handen gegeven, doch op het voelspoor van Wezel, en naar het Dordtsch Formulier, de Theologische wetenschap en opleiding ouder hare macht gehouden en wedergebracht! Wat een Universiteit, openbare of bizondere, ook moge doen, opleiding van Kerkdienaars kan haar niet tot plicht worden gesteld. Wel aan de Kerk. Indien zij haar eigen huis, Gods Huis, niet verzorgt, is zij dan niet erger dan een ongeloovige? En alleen zij heeft de belofte, dat ze niet zal ondergaan. Al werden alle Universiteiten geslecht, God zal Zijne Kerk bewaren; de Kerk zal altijd herders en leeraars behoeven; en God zal haar die in den weg der opleiding geven. Daarom, Gereformeerde Kerken, houdt wat gij hebt, om de zekerheid van opleiding ook voor volgende tijden.

B. En niet minder om de zuiverheid van opleiding. Een opleiding, die zelve niet zuiver is in de leer der waarheid en godzaligheid, kan wel, voor zooveel aan haar ligt, studenten afleiden van den weg des Heeren, en verleiders kweeken, maar geen bouwers op het fundament, geen dienaren van het Woord Gods, geen herders der schapen van den goeden Herder. Zou een socialistische en anarchistische krijgsschool verkieselijk zijn voor de kweeking der officieren van H.M.’s leger? Daarom moeten de Kerken souvereine macht over de opleiding der dienaren hebben en houden. Haar is het Woord Gods toebetrouwd; zij is de pilaar en de vastigheid der waarheid; hare opzieners moeten acht hebben op de geheele kudde, en waken, dat geen huurlingen en wolven inkomen. Zij moeten ten volle vrij van elke andere macht de tucht oefenen over de leden, de voorgangers, en de opleidingsscholen. Dat hebben de Vaderen wel begrepen en ook wel gewild; hun dienstbaarheid aan het gezag en het geld der Overheid heeft het verhinderd. Wie „De Leidsche Professoren en de Executeurs der Dordsche Nalatenschap” van Prof Dr. A. Kuyper heeft gelezen en begrepen, weet |57| er alles van. Ook tegenover Professoren, die wel onder het Dordtsche Formulier hun handteekening zetten, maar zich daaraan niet hielden, stonden de oude Kerken in haar onvrijheid zoo goed als machteloos. Onder de leuze „wettig vrij”, zijn allengs de Professoren ook der Theologie „bandeloos willekeurig” geworden. Had het Gode niet behaagd, naar den rijkdom Zijner Verbondsgenade, de boeien en jukken te verbreken, er zou heden ten dage geen Vrije Gereformeerde Kerk zijn en geen Opleiding op den grondslag der Kerken. Vruchteloos zijn geweest de veelszins krachtige, prachtige, adressen van de heeren en broeders Groen van Prinsterer, Elont, Capadose e.a. in en na 1842 aan de N.H. Synode, die de ontaarding aantoonden van het Theologisch Universitair onderwijs tot een propaganda tegen Christus en de Schriften. Nog onlangs heeft die Synode zelve twee kerkelijke hoogleeraren benoemd die niet buigen voor de H. Schrift als Gods onfeilbaar Woord. Geloofd zij God! de Theologische School staat nog op even den zelfden grondslag als de Gereformeerde Kerken, wier dienares zij is om Jezus’ wille. Al hare hoogleeraren en leeraren zijn, naar het Woord, aan de Belijdenisschriften gebonden. De tusschenkomst der Synoden in ’57 en later hebben dreigende leerverschillen aan de School vereffend; en bij de minste reden van nadenken hebben de Kerken het in hare macht, ook „de mededienaars in de School” te beproeven, en alle afwijking van de zuivere leer te stuiten door hare tucht, tot openlijke bestraffing en afzetting toe.

Dat recht, die roeping, die eere, dien zegen, heeft God ons gegeven. Z moet het blijven. Opdat de opleiding zoowel zuiver als verzekerd zij, en de Kerken zelven de waarheid behouden, en door de reine bediening des Woords en der Sacramenten opwassen tot een heiliggen tempel, en al hare leden worden gebouwd tot een woonstede Gods in den Geest! |58|

C. De opleiding moet ook doelmatig zijn, voorbereidend vor het ambt, z dat de Kerken in ’t vertrouwen mogen leven, uit de School mannen te ontvangen die niet slechts de noodige wetenschap hebben verzameld, maar die ook voor al het werk des ambts zijn toebereid, mannen van gaven en kracht, van karakter en ijver, van liefde en trouw. Niet ieder die een goed examen in al de vakken kan doen, is ook geschikt voor de practijk van het ambt. Daarom is onderwijs niet genoeg; vorming is noodig, vorming door onderwijs en studie en omgang, door voorbeeld en leiding van de jonge Nazirers; en noodig daarom ook biddende zorg en waakzaamheid van ouders en vrienden, en vooral van de opzieners der Kerken en Scholen, dat geen andere dan welbegaafde en godvreezende zonen in de Scholen opgenomen en straks aan de Kerken ter onderzoeking en beroeping aangeboden worden. 57) Over het onvoldoende en ondoelmatige van de opleiding, practisch en ook wetenschappelijk, aan de Rijkshoogescholen, is in Duitschland, in ons land, en waar al niet? sedert vele jaren bitter |59| geklaagd, en meerdere invloed der Kerk op de opleiding als een der eerste vereischten verkondigd. Ruim een 10-tal jaren geleden gevoelde zelfs een hooggeplaatst Magistraat, de toenmalige Commissaris der Koningin van Friesland, zich gedrongen, in publieken geschrifte te wijzen op de dringende noodzakelijkheid, dat de predikanten meer wilden en konden inwerken op alle standen des volks, meer meeleven ook met de geringere klassen in hun nooden en gevaren, meer leiding geven naar den eisch van de werkelijke toestanden en woelingen van dezen tijd. 58) De dienaar des Woords moet, gewis, niet in allerlei volksbelangen zijn tijd en krachten verdeelen en slijten; hij is en zij altijd en overal de bedienaar des Woords, de herder en leeraar der schapen van Christus. Maar wel is het zijn roeping, op den kansel, in de catechisatie, in huisbezoek en omgang, door woord en geschrift, door geheel zijn optreden en leven, het lic ht des Woords te doen stralen voor aller menschen voet, op al de paden van alle standen en kringen des volks; als een voorbeeld der geloovigen, een eere van Christus bij allen. Op de vorming van zulke dienaren moet geheel de opleiding gericht zijn. En wie kn daarop beter toezien, beter daartoe meewerken, dan de Kerken zelven, die immers het best weten, wat goed en noodig voor haar is; die gedurig, door blijde n door droeve ervaring, ondervinden, van hoe groote beteekenis voor de Gemeente en geheel het volksleven is de trouwe arbeid van herders en leeraars, wel gefundeerd en dagelijks dieper gravend in de Schriften; wien de schapen niet vreemd zijn, maar „eigen”, |60| Joh. 10 : 12; menschen Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust? 59)

Vanaf de opening der Theologische School hebben Curatoren en Kerkvergaderingen, dit verstaande, ook op de doelmatigheid der opleiding toegezien en daartoe gearbeid. Gedurig zijn er van de School verwijderd, tijdelijk, f voor goed, uit oorzaak van onwaardig gedrag; maar ook menigeen is het voortgaan met de studie ontraden, f belet, uit oorzaak van gebrek aan aanleg, f ijver, f om andere eigenschappen en neigingen, die hen ongeschikt deden achten voor het ambt in de Gemeente des Heeren. Dat ook de Theologische School in dit opzicht niet de volmaaktheid bereikte, zoomin als in elk ander, en alle reden heeft om toe te zien, dat zij bij den ijver voor wetenschappelijken vooruitgang niet vermindere, maar toeneme in het medeleven met de Gemeente en geheel ons volk in al zijn geledingen — dat weten en belijden wij allen; en niets is ons liever dan dat alle de Gemeenten ons helpen om ook in dezen deele voort te gaan van kracht tot kracht. Niet om voor onzen arbeid een lofzang te dichten, spreek ik, maar om het besef te versterken, dat de opleiding, ook om doelmatig te zijn, in de vrije hand der Kerken moet blijven, en dat de Kerken aan haar ook in dit opzicht zonder ophouden alle aandacht en zorg hebben te wijden. —

Om al die redenen dan wensch ik der jubileerende Theologische School toe: dat zij leve, groeie en bloeie; dat zij een van jaar tot jaar aangroeiend getal studenten zich zie toevertrouwd, die behooren tot de „gaven” van het verheerlijkt Hoofd der Gemeente, Ef. 4: 11; dat de Kerken haar nimmer verzaken, en dat zij nooit den Kerken worde tot schade, maar hoe langer hoe meer tot sterking in den arbeid en den strijd voor |61| den Heere; tot een zegen voor al het volk van Nederland; een steun ook voor onze geerbiedigde Overheden en voor de geliefde Koningin Wilhelmina en Haar Huis.

Tot dien einde wek ik U allen op, onder gedurige bidding en smeeking hiertoe mede te werken, dat de Kerken, welke verandering zij voor en in de School immer noodig, f nuttig, mogen achten voor den dienst Gods, nooit ofte nimmer hoogleeraren en verzorgers der School binden of laten binden aan iets anders, iets minder of meer, dan de Belijdenisschriften, haar eigen grondslag, eenheidsband, en strijdbanier, die al hare leden belijden; dat zij nauwlettend toezien, of professoren en curatoren met teedere trouw in alles zich aan die verbintenis houden, en met alle macht de Theologische School bouwen; dat zij voor de verzorging van de School en alle belangen van Gods Huis blijven steunen alleen op de schatkist van den Heere Jezus en Zijne blijmoedige gevers; dat zij terugkeeren op hare schreden, voorzoover zij uitgegleden zijn van dien vasten weg, en hare School in gevaar hebben gebracht; dat zij zich zelven en hare opleiding eeren, in waarheid en gerechtigheid, voor ’t aangezicht Gods en der menschen, door weg te ruimen alle hinderpalen, en te breken allen tegenstand tegen dit 50-jarig werk onzes Gods. Opdat de kinderen niet verzondigen, wat de vaderen hebben afgesmoekt en verzorgd, en Gods Geest bedroefd zich van ons zou keeren; maar de harten der kinderen, weer met die der vaderen n, den Troon der genade bestormen om nieuwe krachtige werking des Geestes in de School en de Kerken, die wij allen boven alles dringend behoeven; en dat z opnieuw en meer dan ooit tevoren de wonderen van Gods genade onder ons worden gezien. God bouwe de School door de Kerken, en de Kerken door de School! Hij geve den Kerken ook het noodige licht om hare Kerkenorde en Belijdenis in heldere overeenstemming te brengen betreffende de bediening van |62| het ambt der opleiding. En de School kenne en volbrenge meer en meer door de leiding des Geestes haar heerlijke roeping! Zij behoeft niet de waarheid te zoeken. Die is er; de Gemeente is uit de waarheid en heeft de waarheid; en zij kent de waarheid, door het licht en de getuigenis des Heiligen Geestes.

De School staat, en ze moet palstaan, trots den smaad van al wie wetenschap onvereenigbaar achten met het geloof, op het Woord des Heeren, dat blijft in der eeuwigheid, terwijl alle heerlijkheid ook van menschelijke wijsheid en stelsels bij den dag verflenst en verdwijnt. Zij moet de Kerken dieper inleiden in die eenige onfeilbare en algenoogzame kenbron van den onzienlijken God, opdat de Gemeente, zich meer en meer bewust wordend van de Godskennis, die haar zaligheid is, zoowel tegen Rationalisme als Agnosticisme roeme in God, die niet is te begrijpen, maar wel zich doet kennen aan een iegelijk, die gelooft, zooveel als ons noodig is in dit leven tot Zijne eer en de zaligheid der Zijnen.

Voor de vermeerdering van de kennis dier hemelsche wijsheid, die de koningin en het licht van alle wetenschappen is, heeft de Theologische School ook gebruik te maken van alle doelmatige middelen, die de Heere in de onderscheidene wetenschappen en hare beoefening tot Zijnen dienst ons bereidt. De School moet de Kerken hare kostelijke Belijdenissen helpen bewaren, vooral door ze in heur juisten zin te doen verstaan; opdat de Kerken ook in deze dagen weer mogen weten en zeggen, wat al, en wat niet, Gereformeerd heeten mag, wat binnen, en wat buiten, den kring der Belijdenis ligt. Zij heeft niet over te nemen, maar wel aan te moedigen en mede leiding te geven aan, den arbeid der studie van de andere dienaren des Woords, van wie velen ook uitnemende kracht en misschien meer tijd tot rustige studie hebben dan de hoogleeraren, die dag aan |63| dag met velerlei werk van studeeren en doceeren en wat meer tot de opleiding behoort, zijn bezet. Alle dienaren des Woords en ook de opzieners zijn geroepen, ieder in zijne mate, te arbeiden aan den heiligen tempel der Godgeleerdheid, aan den wasdom des lichaams van Christus; en een dienaar die beschaamd maakt is iedere prediker, die niet voort blijft studeeren.

De School heeft tot taak, den studenten te leeren studeeren, hun den weg te wijzen in het Woord en in alle zaken van het Huis Gods, de jeugdige geestdrift te winnen voor het hoog ideaal: Schriftgeleerden, Schriftuurlijke Godgeleerden, te worden, in Jezus’ school zonder ophouden leerend en geleerd door den Geest der openbaring in Zijne kennis; gezalfde predikers van Christus, den Heere, van wier woord en werk de grondtoon is en tot hun laatsten snik blijft: vrede door het bloed Zijns kruises! tot veler toebrenging, tot toebereiding van de Bruid des Lams voor het nieuwe Jeruzalem, tot eeuwige heerlijkheid van den Drieenigen God.


Broeders en zusters, ik moet eindigen. Zijt ge ’t met dien zegenwensch eens? Hebt gij steeds in dien geest over de jubilaris van heden gedacht en gesproken, en biddend en smeekend het goede voor haar gezocht? Deze dag moet voor de Kerken en voor de School, voor ieder onzer, ook een dag van zelfonderzoek en schuldbelijdenis zijn. Ach, wij allen struikelen dagelijks in velen.

Maar wij gelooven in een God van genade, die de ongerechtigheden vergeeft en de krankheden geneest, den Satan op de vlucht drijft, en al Zijn volk wil saambinden in een zelfde gevoelen, en doen smaken hoe goed het is dat broeders ook samenwonen, en schouder aan schouder, hart in hart, staan en arbeiden en strijden voor Zijnen Naam, den korten tijd van dit aardsche leven. |64|

Wat zal het over 50 jaren zijn? Dan zal mijn mond niet meer pleiten voor de eigene opleiding der Kerken; de meesten uwer komen dan niet op tot het eeuwfeest der School. Intusschen zal de Gemeente veel hebben te doen, te strijden, en ook te lijden. Maar de God der Vaderen zal ook de God der kinderen wezen; in de doorboorde handen van den Heere, der Gemeente is ook de opleiding veilig van Zijne dienaren voor den heiligen dienst hier en in de landen der heidenen.

En wij zullen zalig zijn, hetzij wij leven, hetzij wij sterven, indien wij getrouw worden bevonden in den dienst van God en het Lam, door de genade des Geestes. Een ander is het die zaait, en een ander die maait. Wij genieten op dezen dag rijke vrucht van wat vr 70 en 50 en 25 jaar is gezaaid, en geplant, en besproeid. Voor den Troon van God zien wij eerlang onze ontslapene voorgangers weder, en wachten wij onze zonen en dochteren; en wij danken te zamen Hem die den wasdom gaf aan het zaaisel en een vollen loon aan ieder en allen die zaaiden en maaiden. Hallelujah! U, zij de eere, o God van Isral, onze God en Vader in Christus. Vergeef ons onze zonden, en neem ons dankoffer aan; en Uw werk in deze Theologische School, o Heere, behoud het in het leven, tot vreugde van Uw volk in verre geslachten, tot eeuwigen lof van Uwen grooten Naam! Amen.


Verhoog, o Heer, Uw Naam en kracht.
Zoo zal ons vroolijk zingen
Door lucht en wolken dringen.
Z wordt Uw heerschappij en macht
Door ons, nog eeuwen lang,
Geloofd met psalmgezang!

Ps. 21: 13. |65|

Bijlage A.

(Zie bladz. 9).


„Dewijl de Synode bij de behandeling der Kerkeordening den opbouw en den vrede der Kerk, overeenkomstig Gods Woord, bedoeld heeft, zoo heeft zij noodig geoordeeld, de navolgende verklaringen hierbij te voegen, naardien het laatste protest van Ds. de Cock, — bl. 67 v.v. — welligt aanleiding zoude kunnen geven tot misvattingen, en de gemeente betrekkelijk de besluiten en bedoelingen der Synode in onzekerheid zoude kunnen gebracht worden.

3º. De Synode heeft, na rijp beraad, met Gods Woord en de daarop gegronde Formulieren van eenigheid, gezegd: de diensten zijn driederlei, Art. 14 der Kerkeordening. Zij heeft dit niet gedaan om daardoor de hulp van Doctoren en Professoren te verwerpen; Art. 34 der Kerkeordening bewijst het tegendeel. De Synode is echter in gemoede overtuigd geworden, dat zulk een Professorsambt geen afzonderlijke dienst is. En hoewel sommige vroegere Synoden hetzelve onder de kerkelijke diensten hebben gerangschikt, evenwel hebben niet alle dit gedaan. In Gods Woord vinden wij in het geheel geen spoor van zoodanige kerkelijke dienst, afgezonderd van het Herders- en Leeraarsambt. Integendeel, wij vinden de zorg voor aankomende Dienaren aan Herders en Leeraars opgedragen, 2 Tim. II : 2; Tit. 1 : 5. Er wordt wel gewag gemaakt, 1 Cor. XII : 28-31, van de gave der talen, doch niet als van eene afzonderlijke personeele dienst. Die gave staat in gelijken rang met de gave der gezondmaking. En evenmin als de Synode de Medicinae Doctores, die op de gewone wijze de gaven der gezondmaking ontvangen, onder de kerkelijke diensten heeft durven rangschikken, evenmin mogt zij dit doen met Doctoren of Professoren van eene andere wetenschap. Onze Formulieren van eenigheid kennen ook zulk eene kerkelijke dienst niet. De geloofsbelijdenis spreekt alleen van Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen. Voor deze alleen vinden wij Formulieren ter bevestiging in onze Liturgische Schriften. |66|

In onze vroegere Kerkeordeningen worden de Doctoren het eerst in die van Middelburg, Anno 1581, Art. 2, onder de kerkelijke diensten gerangschikt. In de Kerkeordeningen van Wezel, Anno 1568, vinden wij wel in Art. 14 van Leeraars, in onderscheiding van Dienaren des Woords, gewag gemaakt, maar wij lezen ook in Art. 15 dadelijk: van dusdanige leeraars en kan men voor als nu niet sekers beramen, tot dat de tijd en voorval der saken ’t zelve zal leeren dengenen die in de Synode ’t sijner tijd sullen bijeenkomen.

Daardoor gaf die Synode dadelijk bewijs, dat zij in Gods Woord geene bepalingen daaromtrent vond, terwijl zij integendeel naar Gods Woord zeer uitvoerige verordeningen maakte omtrent de Profeten, Art. 16-19. Ook blijkt uit die verordeningen, dat de gezegde Synode door Profeten of Leeraars geenszins verstaan heeft eene orde van oefenaars, die in de openbare bijeenkomsten bij gebrek aan Dienaren des Woords als vaste of bezoldigde kerkelijke dienaren de godsdienstoefening zouden leiden. De protesterende leden op onze Synode te Utrecht gaven duidelijk te kennen, dat zij meenden onder den naam van Doctoren en Professoren ook oefenaars te mogen verstaan. Doch hiervan is geen spoor, noch in de Kerkeordeningen, noch in de Formulieren, noch in den Bijbel. Van de oefenaars, gelijk er heden sommige zijn, vindt men niets bij onze voorvaders. De Profeten, waarvan zij spreken, waren er niet om in het gebrek van predikanten te voorzien. Maar tot de Profeten behoorden oudtijds zoowel predikanten, ouderlingen en diakenen als particuliere leden. En zoodanige profeten kwamen, na de gewone bijeenkomsten des Zondags of ook in de week, bijeen, om een gedeelte uit de Heilige Schriften te verklaren en tot onderwijzing te gebruiken, niet om over een of twee verzen te prediken.

In de Kerkeordening van Emden, Anno 1571, en in die van Dordrecht, Anno 1574, vindt men wederom niets van Doctoren of Professoren. Eerst in die van Dordrecht, Anno 1578, vinden wij van Professoren der Theologie gewag gemaakt, Art. 50, 51, 52; doch geenszins ais eene kerkelijke |67| dienst. In het opschrift dier Kerkeordening vinden wij alleen Dienaren des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen. De opneming van bepalingen omtrent Doctoren of Professoren in die Kerkeordening kwam zeker daarvan, dat in 1575 te Leyden eene Hoogeschool was opgerigt, bij octrooi van Prins Willem I. Toen moest de Kerk zorgen, dat zij verzekering kreeg van die Leeraars, dat de jongelingen, welke aan hun onderwijs werden toebetrouwd, in de regtzinnige leer der waarheid onderwezen werden, en vandaar, volgens ons oordeel, Art. 50 in de Kerkeordening van 1578. Uit Art. 51 blijkt evenwel allerduidelijkst dat men toen in geenen deele de dienst der Doctoren of Professoren onder de Kerkelijke diensten heeft gerangschikt.

Eerst in de Kerkoordening van Middelburg, Anno 1581, vinden wij: de diensten zijn vierderlei, hoewel ook daar uit Art. 12 en 13 duidelijk blijkt, dat men onder die vierde dienst geene profeten of voorgangers in de bijeenkomsten der gemeente verstond, maar onderwijzers van eenen hoogeren rang. De reden, waarom de Synode te Middelburg de onderwijzers tot eene vierde dienst in de Kerk verhief, is ons onbekend. En dewijl onze Synode te Utrecht overvloedige reden vond in hetgene hierboven gezegd is, om de Doctoren of Professoren niet als eene Kerkelijke dienst in onderscheiding der gewone Herders en Leeraars aan te merken, heeft zij ook dit latere bijvoegsel afgeschaft, en gezegd: de diensten zijn driederlei: Dienaren, des Goddelijken Woords, Ouderlingen, en Diakenen”.

„De reden, waarom de Synode te Middelburg de onderwijzers (Professoren der Theologie) tot een vierde dienst in de Kerk verhief, is onbekend” — zegt de Synode van 1837. Zooveel is o.i. wel duidelijk, dat die Synode, van 1581, de opleiding der a.s. dienaren zooveel mogelijk in de macht van de Kerken wilde houden, f terugbrengen, en dat zij daarom het ambt der Doctoren of Professoren aan de Universiteit, aan wie de opleiding was toevertrouwd, onder de Kerkelijke diensten heeft opgenomen. |68|

De theorie van een tweerlei theologie 60): die der Godskennis van de Gemeente, en de zg. wetenschappelijke theologie, „de theologie als wetenschap”, is uit later eeuw dan die van Middelburg en Dordt. Deze theorie, die nog altijd wacht op bewijs van bestaansrecht, kan derhalve volstrekt niet dienen tot uitlegging of toelichting van Art. 2 der Kerkenorde van Dordrecht 1618/19.

Aan alle dienaren der Kerken, inzonderheid aan de hoogleeraren in het Kerkrecht, bevelen wij de bovenstaande uiteenzetting van het standpunt der Synode van 1837 zeer ter overweging aan.

Dat God aan den Heere der Gemeente, Ef. 4: 11-16, niet al de gaven zou hebben gegeven voor en in het „Instituut” der Gemeente, die voor haar onderhoud en wasdom en arbeid noodig zijn, kan toch, bij nadenken, niemand meenen, die gelooft, dat Gods werk in alle maniere goed en volkomen is. Alzoo, n van beide: f, wat men „wetenschappelijke theologie” noemt, is een wetenschap die buiten de Gemeente omgaat, en behoort tot de algemeene menschelijke kennis en studie, naar de instelling der menschen; f zij is eene behoefte der Gemeente; maar dan ligt zij ook binnen de bevoegdheid en bekwaamheid en roeping van de Kerken, en speciaal van het Herders- en Leeraarsambt, en is haar aard, inhoud, methode, en doel daaruit te kennen en vast te stellen.


Bijlage B.


Deze „Verklaring” van Ds. Brummelkamp, waarvan sprake is in de noot op bladz. 16, is reeds in hoofdzaak opgenomen in de aanteekeningen op bladz. 46 en 47.




*. Deze woorden zijn ontleend aan het slot van het Feestprogram. „Wij besluiten dit Feestprogram met den wensch, dat velen uit alle oorden des lands zullen opkomen tot de viering van het Gouden Feest der School, en met de bede, dat de Heere door Zijne genade het feest z doe slagen, dat het rijkelijk strekke tot eere Zijns Naams, tot heil der Kerken, tot welstand der School.” Zie De Bazuin 6 Mei j.l.




1. Niet in het „Verslag” (Acta) van de Synode van 1851, maar in het Voorwoord, dat geheel een persoonlijk woord is van den scriba, Ds. H. de Cock, wordt de gedachte uitgesproken, dat misschien buiten de Kerk om een Theologische School zal opgericht worden. „En juist het letten op de leiding des Heeren biedt ons eene vertroosting aan in de verijdeling van onze verwachting. De tegenwoordige toestand zal misschien leiden tot de vestiging eener Theologische School, zooals die door de kerk nog niet tot stand gebracht is kunnen worden.” Ds. d. C. doelde ongetwijfeld ook op de Seminarie-plannen van Wormser en Groen van Prinsterer. Doch 1º is hij alleen daarvoor verantwoordelijk, niet de Synode; 2º. moet wel in ’t oog gehouden worden: a. dat hij die woorden schreef in diep besef van de noodzakelijkheid eener degelijke Theologische School, en in moedelooze droefheid over de mislukking van de pogingen tot stichting eener School door de kerken; en vooral b. dat zulk een School hem niet als ideaal, maar slechts als noodhulp begeerlijk scheen. Let slechts op het, door mij onderschrapte, „nog niet” in bovenstaande aanhaling; alsmede op deze regelen, blz. VIII: „Eene andere zaak, waarover wij onze droefheid niet kunnen verbergen, is het niet tot stand komen eener Theologische School.” Zie hierbij de aanteekening op blz. 13 en 14.

2. Zie deze „Verklaring”: Bijlage A.

3. Is „Kerkeraad” hier een drukfout, f met opzet geschreven?

In de toelichting is sprake van „Provinciale Kerkvergadering”. Ds. Scholte verkoos de benaming Class. en Prov. Kerkeraad, doch deze was geen lid dezer Synode.

Deze Synode bestond uit afgevaardigden der Prov. Synoden van Groningen, Vriesland, Drenthe, Overijssel, Boven Gelderland, Noord-Holland, en een ouderling namens de Gemeenten te Delft en te Schiedam. Zie, blz. 55, in den „Brief aan de Provinciale Kerkvergaderingen, die zich onttrokken hebben aan het houden dezer Synode”: Noord-Brabant, Zeeland, Utrecht, Zuid-Holland, en Beneden Gelderland, de oorzaken en redenen van die scheure en breuke, en de begeerte der Synode tot hereeniging.

4. Tot deze Synode waren gekomen afgevaardigden, van Gelderland en Overijssel vereenigd: twee Herders en Leeraars; van Friesland: twee Herders en Leeraars en twee ouderlingen; van Groningen, Drenthe en Zuid-Holland id. id., en van Noord-Holland: n Herder en Leeraar en n Ouderling.

Op deze Synode ontbraken dus afgevaardigden van Zeeland, Noord-Brabant en Utrecht. De voornaamste oorzaak daarvan was: dat die Synode „onbepaald was uitgeschreven naar de Dordtsche Kerkenorde”; zie Handelingen en Besluiten. Art. 2, bl. 1-6. Na lange deliberaties werd aan de afgevaardigden van Gelderland en Overijssel zitting verleend, maar aan die van Noord-Holland niet, tenzij met adviseerende stem.

5. Dit Plan, ontworpen door Ds. T.F. de Haan, is als bijlage achter de Acta gevoegd, bl. 35-37.

6. Deze Synode bestond uit afgevaardigden van alle Provincin, behalve Utrecht, omdat de Gemeenten in die provincie weinig in getal waren en daarom onder Noord-Holland behoorden. Drenthe was vertegenwoordigd door 2 afgevaardigden; Overijssel en Zuid-Holland door 3; Zeeland door 1; de overige door 4. Ook werd als lid der Synode erkend de hoofdonderwijzer, Ds. T.F. de Haan, uit Groningen en Friesland.

Sedert de vorige Synode waren de Gemeenten in Gelderland-Overijsel in twee groepen uiteengegaan. Beide groepen hadden afgevaardigden gezonden. Tegen de toelating van de afgevaardigden namens de groep die Ds. Brummelkamp volgde, had de Synode bezwaar, omdat zij zich verklaarden, „tegen eene verbindende kerkregeering” en „in kerkelijke scheuring verkeeren”. Vergelijk bl. 3 en 4, 19-21 en 28-30 van „de Handelingen en Besluiten” der Synode van 1846. Het slot der deliberatie was de uitnoodiging „dat zij de vergadering zouden bijwonen” zonder recht van stem. Deze werd door hen niet aangenomen, en daarop zijn zij vertrokken. Van eenig verschil over de opleiding was geen sprake. Zie bl. 7-13 van het „Verslag” van de Synode.

Terwijl deze Synode werd gehouden, „begon de cholera in deze stad al heviger te woeden.” Nadat een der hospiteerende broeders, Ds. Evers, aan die ziekte was overleden, vraagden sommigen, „of het niet raadzaam was, de vergadering op te schorten.”

Na hoog ernstige samenspreking verklaarde de Praeses als het gevoelen der meerderheid: „dat de Vergadering in den weg des Heeren was en overeenkomstig hare roeping zich verplicht achtte om de voorkomende zaken te behandelen.” Alle de leden berustten in dit oordeel. Zie bl. 4-7 „Onder welken indruk de Vergadering gehouden werd”.

7. Zie IV, over de opleiding van toekomende Leeraars; bl. 18 v.v.

8. De Gemeente te Franeker was door dit besluit blijde verrast en nam het voorstel der Syn3de vrijwillig en volvaardig aan. Zie bl. 20, 28 en 29.

9. Zie bl. 26, 27, en 30 van het „Verslag”.

10. Op deze Synode waren alle Provincin vertegenwoordigd; door 2 afgevaardigden Overijssel en Noord-Brabant; de overige door 4. Ook waren Ds. Brummelkamp en 4 andere Leeraren en twee Ouderlingen als vertegenwoordigers van de op zich zelf staande groep — zie bl. 11 — tegenwoordig. Een samenspreking van twee dagen leidde echter niet tot de gewenschte hereeniging. De Synode oordeelde, dat het Kerkelijk standpunt van Ds. B. c. s. tegenover het N.H. Genootschap een ander was dan dat der Afscheiding.

Ook kwam toen ter sprake de Theol. School te Arnhem, in verband met de plannen tot samenwerking met Ned. Herv. broeders (het vooral door Wormser gewenschte Seminarie tot opleiding van Leeraars voor de Afgescheidene en de Ned. Herv. Kerk.) Ds. J.H. Donner sprak daarvan als ook een bezwaar tegen de hereeniging: „Wij zijn reeds eenigszins geslaagd, om eene School te vestigen, en denken daaraan ook te laten arbeiden mannen, die nog niet bij ons behooren, doch die zich reeds sedert lang betoond hebben, de waarheid lief te hebben en voor te staan; doch dit zou de Vergadering niet willen toestaan.” De Praeses, Ds. Van Velzen, beantwoordde Ds. Donner, en zeide: „dat de oprichting eener School goed is, doch dat ook de wijze van oprichting goed moet zijn, en dat noch tegen het een, noch tegen het ander aanmerking gemaakt zonde worden, indien zij in dezen slechts handelden overeenkomstig Gods Woord, de Formulieren van eenheid en Kerkorde.”

Op de vraag, of het „misschien ook de door U bedoelde School” is, die hen verhinderde, zich met de Synode te vereenigen, werd door Ds. Brummelkamp geantwoord: dat de School niet als de oorzaak beschouwd moet worden, maar dat die te vinden is in tegenovergestelde richtingen, sinds eenigen tijd geopenbaard; bl. 12 en 13. Onder de 3 zaken, door Ds. B. bij het begin der samenspreking noodig geacht voor eene vereeniging, behoorde als no. 3: „Dat, dewijl hunne School door den loop der omstandigheden ontwikkeling heeft gekregen, dezelve door ons worde erkend”; bl. 6 van het „Verslag” van de Synode. In het besluit betreffende Ds. B. c.s. verklaart de Synode, bld. 18: „C. Betrekkelijk de erkenning van de door hen bedoelde School, kan de vergadering niet beslissend antwoorden, omdat haar van die School nog niets zekers is bekend geworden.” |14|

Dat de Synode er geen oogenblik aan gedacht heeft, zich tevreden te stellen met een niet-kerkelijke School, blijkt duidelijk uit het, na het vertrek van de Geldersche broeders, vernieuwd besluit tot stichting eener algemeene Theologische School. De droeve afloop van die besprekingen verandert daaraan niets. Ook is dit wel duidelijk, dat de Geldersche broeders het niet geraden vonden, dieper op de zaak dier School in te gaan, en dat Ds. Donner zeer juist zag en sprak, toen hij zeide: „. . . dit zou de Vergadering niet willen toestaan”; alsmede dat de Praeses even voorzichtig als doorzichtig in elk opzicht het oordeel der Synode over die Schoolzaak reserveerde. Opmerkelijk is ook de verklaring van Ds. Brummelkamp op de Synode te Zwolle — bl. 23 van de „Handelingen van de Synode” — dat de Onderwijzers in Gelderland zich nog nimmer anders dan als Leeraars (d.i. Herders en Leeraars) hebben aangemerkt, en dat zij hun werk ook niet anders dan als zoodanig verricht hebben”. Hij was „volgens Kerkorde er tegen, dat hoogleeraars als zoodanig zitten”. Zie beneden, bl. 16.

11. Die redenen waren: „bezwaar over het tarief voor de gelden”, „het lang wachten van Ds. Meerburg, eer ZEw. zich verklaarde omtrent de op ZEerw. uitgebrachte roeping”, en vooral het vroeger genoemd bezwaar van Amsterdam, door de Provinciale Vergadering van Noord-Holland ter kennis van de onderscheidene Provincin gebracht, tegen het besluit om de School niet te Amsterdam, maar te Franeker te vestigen. „Deze redenen, ofschoon de oorzaak van het niet uitvoeren van het besluit der Synode van 1849, werden beschouwd als daartoe geene aanleiding te hebben mogen geven”.

12. Zie bl. 30-32.

13. Deze Synode bestond uit afgevaardigden van al de Provincin. Aan de twee Hoofdonderwijzers van Groningen: D.D. de Haan en Poelman, en aan D.D. Brummelkamp en van Houten, werd zitting verleend met „raadgevende stem.”

14. Zie het leerrijk verslag der onderhandelingen, die twee dagen vereischten, bl. 3-22 van de „Handelingen.” Daaruit blijkt, dat al spoedig na de Synode van 1851 pogingen tot hereeniging zijn gedaan, en wel met goeden uitslag. ’t Bleek echter, dat „de Vergadering moet oordeelen, of de vereeniging op goede gronden is tot stand gekomen.” In zijne verklaring, bl. 11-15, „Handelingen”, verdedigt Brummelkamp zich vooral tegen de verdenking, alsof zijn samenwerking met N.H. broederen voor een Seminarie — zie boven, bl. 13 en 14, — een verloochening ware van de Scheiding. Zie deze verklaring: Bijlage B.

15. Te dier zake was de C.A.G. Kerk nog niet tot het rechte inzicht gekomen. Zij besloot, aan de Hooge Regeering een adres te zenden, „waarin wij als burgers ons regt aantoonen op geldelijke toelagen uit ’s Lands kas, en als Christenen aan de Regeering haren pligt voorhouden, om de Kerk met bijdragen te steunen.” De leiding des Geestes wordt ook hierin openbaar, dat Hij de verkeerde begeerten verhindert te komen, en de Kerk brengt, ook door zulke teleurstellingen, tot juister en helderder inzicht in hare roeping en hare krachten. De afgevaardigden der Vereen. Presbyter. Kerk van Schotland — nu, helaas, reeds aan ’t afdolen — op de Synode van 1860, te Hoogeveen, waren het middel in de hand des Heeren om de Kerk te genezen van de meening, dat zij „Subsidie van den Staat” mocht vragen en daaraan behoefte had. |17|

Na dien tijd heeft geen Synode weer om subsidie gevraagd; integendeel, de eene Synode na de andere heeft op schrapping van art. 168 (thans 171) der Grondwet aangedrongen, en der Overheid als hare roeping voorgehouden, dat zij geene der kerkgenootschappen salarieere. Geve God, dat de Gereformeerde Kerken ook dit goede pand bewaren, en dat nimmer eenige kerk „salaris uit het paleis begeere,” wat altijd uitloopt op, en in beginsel is, een verlies, een „prijsgeving, van de vrijheid”.

16. Zie vijftiende sessie, Art. 2. „Na de stemming blijkt, dat de drie steden Zwolle, Kampen en Groningen de volstrekte meerderheid hebben verkregen. Eer men tot de eind-stemming overgaat, wordt over deze drie plaatsen nog eens rijpelijk gehandeld. Is gezongen Ps. 131 : 4, en gebeden door Ds. van Velzen. Hierop heeft de stemming plaats, waarna blijkt dat over Groningen en Kampen weder moest gestemd worden, daar geene dier plaatsen de volstrekte meerderheid op zich heeft vereenigd. Eindelijk blijkt bij een tweede stemming, dat de Vergadering tot plaats voor de op te rigten Theologische School de stad Kampen heeft aangewezen.”

Tot in de twintigste sessie was de Synode bezig met de zaken der School.

17. Achttiende sessie, Artt. 5 en 6. „Verder wordt, met het oog op No. 5 der 163e Sessie van de Postacta, waarin de vereischten van de Leeraren aan de Theol. School worden opgegeven, met het oog op den toestand onzer Kerk, met het oog op de mogelijke uitbreiding, waardoor mannen van meerdere wetenschap ons kunnen worden toegevoegd, met het oog eindelijk op de aanschrijving van eene Provincie, die genoemd Artikel wenscht te zien in aanmerking genomen, bepaald, dat, wanneer de Kerk op eene andere wijze in de behoefte begeert te voorzien, zij zich door hare eenmaal gedane keuze niet gebonden kan achten. De Leeraren behouden echter aanspraak op een behoorlijk onderhoud door de Kerk, totdat zij weder van eenige gemeente een beroep als Herder en Leeraar zullen ontvangen hebben, waardoor voldoende in hunne behoeften kan worden voorzien.”

De Synode van 1882 „neemt de conclusie van dit artikel over, zoodat bovenstaande bepaling thans volle rechtsgeldigheid bezit.” Art. 208.

Een voorstel om aan de Provinciale Vergaderingen de vrijheid te |20| verleenen „op eigen kosten, een Leeraar, de goedkeuring van Curatoren wegdragende, aan de Theologische School tot hulp toe te voegen; terwijl zoodanig Leeraar onder opzigt n van de Leeraars die door de Synode beroepen zijn, en van de Curatoren behoort te staan”, wordt verworpen. Twintigste sessie, Art. 2. Zie hierbij Drie en twintigste sessie, Art. 5.

18. Zie Artt. 18 en 19 van de Handelingen der 1e vergadering van Curatoren.

19. Opmerkelijk is dit „onze” Dordsche Synode. De C.G. Kerk wilde niet geacht worden een nieuwe Kerk te zijn, maar de voortzetting in nieuwe openbaring van de aloude Gereformeerde Kerk.

20. Al de volgende hoogleeraren hebben dit Formulier openlijk met „Ja” beantwoord en daarna onderteekend. Ook is in Art. 7 van het |22| „Reglement voor de Theologische opleiding aan de Theol. School”, 1896, deze onderteekening verplicht gesteld. „De hoogleeraren en lectoren moeten leden zijn van een Gereformeerde Kerk, onderteekenen bij hun optreden het verbindingsformulier voor de professoren der H. Theologie, vastgesteld door de Synode van Dordrecht van 1618/19 (zie Postacta, sessie 175) en verbinden zich tot onderwerping aan het toezicht der Curatoren.”

In de tweede vergadering der Curatoren, 2 en 3 Mei 1855, is vastgesteld een „Reglement voor de Curatoren van de Theologische School der Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk in Nederland”, waarvan Art. 4 de onderteekening van bovengenoemd Formulier ook voor hen verordent. „De Curatoren zullen in hun College het Formulier van onderteekening, dat door de Dordsche Synode van 1618 en 1619 is opgesteld, onderteekenen als bewijs van getrouwheid aan de leer der Gereformeerde Kerk, in de bezorging der Theologische School.” Vg. Art. 7 van de derde vergadering van Curatoren. De namen van al de Curatoren tot nu toe staan onder dit Formulier geschreven in het boek daarvan zijnde.

21. Dit Verslag is geplaatst in De Bazuin, 2e jg., No 20, en ook afzonderlijk uitgegeven.

De „Inwijdingsrede” van Ds. C.G. de Moen, „De bede van Salomo om wijsheid en wetenschap, een gepast voorbeeld voor allen, maar inzonderheid voor de dienaren in ’s Heeren wijngaard, die met Gods hulp de hun opgelegde taak willen aanvaarden en volbrengen” is uitgeg. te Kampen bij S. van Velzen jr., 1855. Bij den zelfden „Gedachtenis of Tweetal preken, de eene voor, en de andere bij het afscheidnemen van de Gemeente te Amsterdam gehouden, 26 November 1854, benevens eene Rede, uitgesproken bij het aanvaarden der betrekking als Leeraar aan de Theologische School te Kampen, 6 December 1854, door S. van Velzen.” Het thema der Rede is: Het groot gewigt van het werk van den Evangeliedienaar.

22. Z is het nog. De Rector der School, in lateren tijd door de Curatoren, in den regel naar de volgorde van den diensttijd, aangewezen, is Voorzitter der vergaderingen van het College van hoogleeraren, en bekleedt deze functie gedurende n jaar; in den regel is de 6de December, de jaardag der School, de dag van overdracht van het rectoraat.

23. In de vijfde vergadering der Curatoren, 1 Oct. ’56, is voor het eerst een Curator uit Z.-Holland aanwezig. Vg. Art. 8 van de tweede vergadering: bezwaren van de Classis Gorinchem tegen de opening der School; en, Artt. 9 en 14, de „redenen, waarom Z.-Holland nog niet |25| tot de Theol. School kan toetreden”, n.l. „eenige grieven tegen Leeraars der School,” i.z. Art. 36, waarvan Z.-H. vreesde, dat de proponenten het, onder den invloed van Ds. Brummelkamp, niet onvoorwaardelijk zouden onderteekenen. De Vergadering achtte dat bezwaar niet gegrond, en achtte overigens — zeer verstandig — „dat, wanneer het noodig is, uitspraak te doen betreffende verschillende verklaringen van eenig Artikel der Formulieren, alleen de Synode hiertoe bevoegd is.” Naar de derde en de vierde vergadering was reeds Ds. S.O. Los afgevaardigd door de Classen Rotterdam en Dordrecht, die, volgens een brief van den Scriba der Prov. Vergad. van Z.-Holland, „tot vereeniging met de Theol. School zijn toegetreden, met toestemming van de beide anderen Classen in de genoemde Provincie.” Artt. 6, 48, en 50, van de Handel. der derde, en Art. 9 van de vierde Verg. d. C.

24. Zie beneden.

25. Zie over de pogingen tot vereeniging van de „Vereenigde Gereformeerde Gemeenten onder het kruis”, bl. 13-17 van het „Verslag” der Synode van 1849; bl. 19-28 Syn. ’51: bl. 29-33 Syn. ’54; Art. 58 Syn. ’57; in bl. 14-53 Syn. ’60. Op de Synode van ’69 kwam, tot blijde verrassing van weerszijden, de vereeniging tot stand; bl. 10-29.

26. Ds. N.J. Engelberts, em. pred., een der voormannen van bovengenoemde Gemeenten, staat nog heden ten dage kloek en weltoegerust aan de zijde van hen die strijden voor de Theol. School. Zie o.a. in 4n en 5n Jg. van het maandschrift: Wat zegt de Schrift? (bij Gez. Meerburg, Heusden) zijne artt. „De opleiding tot den dienst des Woords, de roeping der Gemeente.”

27. Hand. Syn. ’66, Art. 128. Vg. Art. 74 der Synode van 1875. Op zijn verzoek is aan den heer Mulder 1 Mei 1902 eervol ontslag verleend. Zie Bijlage F Synode 1902.

28. Handel. Syn. 1860, bl. 22-26 en 55.

29. Zie de „Handelingen” dier Synode, Artt. 37-57; Vg. Syn. ’75, Artt. 56-58, 60 en 146.

30. Zie de „Handelingen,” Artt. 68 en 69. Ds. Brummelkamp werd toen ontheven van „een gedeelte der werkzaamheden aan de Theol. School”, en tot Hoofdredacteur van „De Bazuin” benoemd. Art. 63. Ds. Noordtzij aanvaardde 16 Sept. 1875 „het Leeraarsambt aan de Theologische School”, met eene rede over „De beoefening der Exegetische Theologie, inzonderheid van de Texst-kritiek, de Geschiedenis des Bijbels en de Exegese”; na „bevestiging” door Ds. J.H. Donner, met eene rede over „de hooge belangrijkheid der Theologisch-Exegetische Wetenschap.”

31. Handelingen der Curatorenverg. ’79.

32. Zie het Verslag der Curatoren aan de Synode, Bijl. II, en Artt. 126-148 en 154 en 155.

Een der belangrijkste besluiten, waartoe de Synode zich gedrongen gevoelde door den toestand der School, is wel deze bepaling aangaande de adspirant-studenten:

De Synode

a. acht het wenschelijk dat: de adspirant-student, behalve het gewone lidmaatattest, overlegge een bijzonder getuigschrift van zijn Kerkeraad of Classis aangaande zijn godsvrucht en karakter, met het oog op den dienst des Heeren in het Evangelie.

b. terwijl de Commissie voor het admissie-examen bovenal heeft te letten op de godsvrucht, den aanleg, en het karakter van den adspirant, met

c. getrouw onderzoek naar zijne beweegredenen om Evangeliedienaar te worden. Art. 139. Zie ook 140 en 144-148. — Over het besluit tot viering van „het Zilveren jubileum der Theol. School”, zie Art. 137.

Op die Synode is ook, naar aanleiding van een — toen niet behandeld — voorstel van Z.-Holland, gesproken over het verleenen van denDoctorstitel”. Vg. de belangrijke discussie over het voorstel van Gelderland: „De Synode spreke den wensch uit, dat onze Kerk den Doctorstitel verleene,” Synode 1885, bladz. 76-80.

33. Zie de Handelingen, Artt. 163, 179, 203.

34. Zie het van geest en leven tintelend verslag der Curatoren van den toestand der School, Bijlage III, waarin de Secretaris, Ds. J.F. Bulens, na een dankbaren terugblik op de geschiedenis der opleiding van het begin der Scheiding af, uitriep: „Geliefde Broeders, leden van deze vergadering! Voelt gij geen snaar in uwe ziel trillen, bij het vernemen van zulke zaken? Welt U geen traan uit het oog, wanneer gij het toen met nu gaat vergelijken? . . . Blijven wij daarom, Eerw. Broeders! immer gedachtig aan de Apostolische vermaning: „bewaar het pand U toebetrouwd”, dan gaan wij een heerlijke toekomst tegemoet.

Welke tonen men ook buiten onze Kerk moge aanslaan, gaan wij slechts in de kracht des Heeren stillekens voort, doende wat de Heere ons zegt, zonder ophef, zonder rumoer. Jezus is aan onze zijde, en Zijne belofte: „Zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld”, zal Hij zeker vervullen.

Bij de bevestiging der nieuwe docenten 10 Jan. 1883, in de Burgwalkerk te Kampen, spraken Ds. W.H. Gispen en Ds. J. Bavinck goede, treffende, woorden over het bestaansrecht van, en de behoefte der Kerk aan, eene eigene Theol. School en hare gewichtige roeping. Docent Wielenga aanvaardde zijn ambt, ’s av., met eene rede over „Het Karakter der Kerkgeschiedenis”; Lindeboom, 11 Jan. voorm., met eene rede over: „de Bijbelsche Geschiedenis, de onomstootelijke Godsopenbaring |30| en de onmisbare sleutel tot de wetenschap; Bavinck, ’s av., met eene rede over „De Wetenschap der H. Godgeleerdheid”.

35. Docent Biesterveld aanvaardde zijn ambt, 27 Sept. 1894, met eene rede over „Het hooge belang der ambtelijke vakken”, na bevestiging door Ds. T. Bos, die in het licht stelde den aard en de beteekenis van de Theologische School als „de eigene Inrichting der Kerken voor de opleiding tot Bedienaren des Woords.”

36. Zie punt elf van het Besluit der voorloopige Ned. Geref. Synode, o.a. medegedeeld in No. 38 van De Bazuin van 1891, en in de Acta, voorl. Synode N.-G.-Kerken, 1891; „ten elfde, dat zij genoegen neemt met de slotverklaring der Christ. Gereformeerde Synode te Leeuwarden zijnde van dezen inhoud:

En eindelijk wat de opleiding tot het leeraarsambt betreft, oordeelt de Synode te moeten handhaven het beginsel, dat de Kerk geroepen is eene eigene inrichting tot opleiding harer leeraren te hebben, ten minste wat de godgeleerde vorming betreft.

Altoos verstaande, dat de bedoeling van deze verklaring niet is: 1º, om het aloude Gereformeerde beginsel van vrije studie te vernietigen; noch ook 2º, om verandering te brengen in de Gereformeerde wijze van examinatie der aanstaande Dienaren des Woords; evenmin 3º, om iets te laten vallen van den eisch van wetenschappelijke ontwikkeliug, die steeds door de Gereformeerde Kerken gesteld is, en ook |31| 4º niet, om tegen te spreken dat de vereenigde Kerken over de regeling dezer zaak later, indien noodig, hebben te oordeelen.”

In het Concept-besluit stond punt 4 eerst aldus: „ . . . . . . . over deze zaak . . . . . . ”; door Deputaten der C.G. Kerk is daartegen dit bezwaar geopperd, dat z geheel deze „zaak” eener „eigen inrichting” op losse schroeven gesteld zou worden. Met gemeen goedvinden is toen bovenstaande wijziging aangebracht, dat, de zaak zelve vaststaande, de vereenigde Kerken over „de regeling” zouden hebben te oordeelen, n.l. wat betreft eventueel noodig geachte bepalingen inzake de organisatie der School, plaats van vestiging en dergelijke „regelingen.”

Zie ook in Acta voorl. Syn. N.G. Kerken, 1892, bl. 103, de „Resumtie van hetgeen door beide Synoden te Leeuwarden en te ’s Gravenhage reeds overeengekomen is.” . . . . .

En zij hebben eindelijk beide het beginsel aanvaard, dat de Kerken eene inrichting moesten hebben voor de opleiding harer leeraren, tenminste wat de godgeleerde vorming betreft, maar daarnaast uitdrukkelijk het beginsel van vrije studie gehandhaafd.”

37. De „Concept-regeling” — zie Acta G.S. 1893, Art. 33 — door de Deputaten ad hoc ontworpen, werd door de Curatoren-vergadering met 9 stemmen tegen 1 veroordeeld. Volgens de Acta G.S. Art. 30, blz. 33 beneden en 34 boven, besloten de Curatoren, dat:

de Concept-regeling niet in behandeling kan komen wegens niet-beantwoording aan de bedingen, door de Synode gesteld.” Zie de motiveering van dat besluit in de Bijlage, blz. 37. In het met alle stemmen aangenomen voorstel van 16 Commissie-leden, Art. 130, blz. 145 en 146, werd het beding van eene „eigene inrichting” 1º bevestigd en aldus omschreven, dat de Synode: onder „eigen inrichting” verstaat: „eene Kweekschool van Dienaren des Woords”, geheel en alleen van de Kerken uitgaande en door haar |32| verzorgd en bestuurd, die de geheele opleiding kan geven, of, indien te eeniger tijd scheiding van de voorbereidende en de Theologische studin geheel of ten deele noodig mocht worden geoordeeld, ten minste voor de geheele Theologische vorming, dat is, de vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie en de praktische toebereiding voor de heilige bediening heeft te zorgen;

2º verklaard, dat de Theologische School, thans gevestigd te Kampen, die als de eigene inrichting der Christelijke Gereformeerde Kerk met hare fondsen aan de vereenigde Kerken is overgedragen en door deze is overgenomen, de eigene inrichting der Gereformeerde Kerken is, en dat het in geenen deele de bedoeling is, deze op te heffen; . .”

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Vergelijk het voorstel van de afgevaardigden van Groningen en Zeeland, Art. 66, blz. 80 en 81, en dat van Dr. Kuyper c.a. Art. 69.

De spanning, door bovengenoemde Concept-regeling veroorzaakt, blijkt duidelijk uit het Agendum der Synode. In „De Roeper” No. 19-34 is dat Concept door mij besproken in 13 artikelen, en is het ook door andere broeders getoetst.

Zie voorts De Bazuin, De Vrije Kerk, De Heraut en Kerkboden van die dagen.

Voor de geschiedenis dezer troebele dagen leze men, benevens de Handelingen der Curatoren-vergadering en haar rapport aan de Synode, „De Vrije Kerk”, „De Heraut,” „De Bazuin”, „De Roeper” en de Kerkboden; de brochures: „Opleiding en Theologie” van Dr. Bavinck, mede namens de ambtgenooten Biesterveld, Noordtzij en Wielenga bij J.H. Kok te Kampen, en mijn „Bewaar het pand U toebetrouwd! of „de Geruststelling in „Opleiding en Theologie” onderzocht en gewogen. Een woord aan de Kerkeraden en aan de leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland”, bij G.Ph. Zalsman te Kampen. Daarop volgde „Nadere Verantwoording” van Dr. Bavinck c.s. En toen kwam de Synode.

38. Het Rapport c.a. over de Opleiding van de Deputaten, benoemd door de vorige Synode, werd afgewezen, na een o.i. gansch onbillijke critiek, die het Rapport niet toetste aan het mandaat: gelijkmaking van studin enz. aan de Theol. School en aan de Theol. Faculteit der Vrije Universiteit, maar van uit het universitair standpunt en begrip van theol. studie der Commissie van advies. Waarom dt „Rapport over de Opleiding” niet is opgenomen in de Acta der G.S.? Aan de „Concept-regeling” was wel een plaats verleend in de Acta van 1893.

Hoe groot ook de verandering is, die toen de Theol. School onderging, herhaaldelijk is uitgesproken, dat de beginsel-quaestie buiten ’t geding was en bleef. In zoover is dit zeker waar, dat toen de School niet is geworden een geheel zelfstandig Instituut, maar een Opleidingsschool gebleven, die geheel in de macht is van de kerken.

De Kerken laten haar arbeiden naar haren aard, doch niet eerst sedert ’96, maar van den beginne af. Of echter en in hoever het karakter en de beteekenis der School door die forsche en aan ’t model van een Universiteits-faculteit ontleende, zonder om te zien doorgedreven, verandering in ’96 niet terdege geschaad en gekrenkt is, mag nog wel eens overwogen worden. Ongetwijfeld is dit zeer opmerkelijk, dat reeds op de Synode van ’99 een voorstel kwam, nog wel van de Curatoren, om te beproeven het Gymnasium, waartoe in ’96 besloten was, met verdubbeling ongeveer van de uitgaven, die de Theol. School behoeft, weer kwijt te raken . . . . .

Op de Synode heb ik, tot ontlasting mijner conscintie, tegen die averechtsche „reformatie” der School getuigd, o.a. als een wegbereiding voor hare oplossing in de Vrije Universiteit. Zie Bijlage O 2. In alle bescheidenheid meen ik aan de overweging der broederen te mogen aanbevelen de vraag, of de volgende jaren niet in mr dan n |34| opzicht het gegronde van mijn wenken en waarschuwingen hebben in het licht gesteld. In ’96 is de poging gelukt om voor de in ’93 verworpen concept-regeling het pad te effenen. En van die ure af zijn de School en de Kerken, die door het besluit van ’93 gerust gesteld waren, in een gevaarlijke onrust, die alleen door schuldbelijdenis over onrecht en herstel van recht kan worden weggenomen.

39. Men zie over de beweging in 1899 behalve „De Bazuin”, „De Roeper”, „De Heraut”, en Kerkbodes, de Handelingen van de Curatorenverg. van ’98 en ’99 en de brochures van Dr. H. Bavinck: Theologische School en Vrije Universiteit. Een voorstel tot vereeniging, bij J.H. Bos Kampen; Het Recht der Kerken en de Vrijheid der Wetenschap, bij G.Ph. Zalsman, Kampen. Id. de Stellingen van al de Professoren der Theol. School, De Bazuin, 21 Maart 1901, tegenover die der Vrije Universiteit, De Heraut, 23 Maart 1901. Voor het voor de Theol. |35| School en de Kerken zoo droeve jaar 1902, zie, behalve de bladen: vooral „De Bazuin” en „De Heraut”, het Rapport der Curatoren-verg. aan de G.S., en de Handelingen der vergaderingen van Curatoren na de Synode, 6 en 7 Oct. en 30 en 31 Oct., 27 Nov. en 18 Dec. 1902. In de Acta der G.S., Artt. 126 en 127, het besluit tot vereeniging van de Theol. School met de Theol. Fac. der V.U. Artt. 102, Bijlagen B B 1 en B B 21, 113, 121, 124., De „Verklaring” van 15 leden en 2 adviseerende leden der Synode, en de tegenverklaring van Ds. J. van Andel c.a. Artt. 121, 123, 125, en de terzijzetting van dat besluit. Idem, mijn persoonlijk woord, Art. 141 en Bijlage H H, dat en waarom ik, in casu van uitvoering van dat besluit, geen vrijheid zou hebben mee te gaan naar Amsterdam, o.a. om Art. 2 der Statuten van de Vereen. v. H.O., waarin een andere grondslag gelegd is dan die der Kerken en Kerkelijke samenleving. Bizonder droef was de laatste dag der Synode voor de voorstanders van „de eigen inrichting” naar de overeenkomst van ’91/’92; zie Artt. 208 en 211. Ook de Motiveering van de „Verklaring” der minderheid op de Synode, De Bazuin, Oct. 1902; en het Bijblad van „Wat zegt de Schrift?” 1e en 2e Jg. en de brochure van Dr. Bavinck: Blijven of heengaan?

40. Zie Handelingen verg. van Curatoren, 18 Dec. ’02.

41. Onderscheidene bijdragen van studenten in de eerste jaargangen van het jaarboekje der C.G. Kerk bewijzen, dat de School van den beginne af ook litterarisch gevormde en rijkbegaafde studenten onder hare kweekelingen mocht tellen.

42. De Bazuin, „Stemmen uit de Gereformeerde Kerken in Nederland,” Ten voordeele der Theologische School, is door Ds. C.G. de Moen opgericht in 1853, en aan de Theol. School ten geschenke gegeven. Het 1e No. onder redactie van de Leeraren der Theol. School, is van 2 Nov. 1855. Aan het slot van het inleidend woord zeggen deze |39| redacteuren: „Krachtige taal wordt, inzonderheid tegenwoordig, gevorderd. Er worden mannen vereischt in den geest van Elias om de naderende komst des Heeren aan te kondigen. Laat er dan geen stilzwijgen zijn bij ulieden die des Heeren doet gedenken! Blaast de bazuin, gij, die Knechten des Heeren zijt! De Heilige Geest gorde uit genade velen aan en Zijn zegen kome over dit Blad!”

43. De Vrije Kerk, Vereeniging van Christ. Geref. Stemmen, opgericht en vele jaren geredigeerd door Ds. H. Beuker, verscheen van 1875-1898 maandelijks en heeft grooten invloed geoefend. De laatste jaren was de redactie toevertrouwd aan Ds. T. Bos.

44. Toen Ds. Postma in 1858 naar Zuid-Afrika was vertrokken, is de Heer R. Busma als Penningmeester opgetreden; na diens overlijden Ds. C.G. de Moen; na dezen Ds. J. Nederhoed, die, evenals zijn voorganger, tot het einde zijns levens in dezen arbeid de School heeft gediend. Na zijn dood is Dr. H. Franssen, em. pred, tot dezen arbeid geroepen.

45. Het „Kerkblad” van de Geref. Kerk in Z.-Afrika bevat in een zegenwensch aan onze feestvierende Theol. School o.a. ditgetuigenis aangaande Ds. Postma en het beginsel der eigen opleiding: |41|

„Onze vader Postma rekende het altijd als een genade Gods, dat hij verwaardigd werd ook die School in stand te helpen brengen, en het groote beginsel door de stichting van die School uitgesproken, was ook het zijne. Moge het altijd maar het beginsel onzer Kerk in ZuidAfrika blijven!

Dit beginsel was: dat de Kerk eene School behoort te hebben, die, met uitsluiting van alle anderen, aan haar onderworpen is.

Dit beginsel is het ware, en al moge zoodanige School den weidschen naam van „Universiteit” niet kunnen dragen, het heil der Kerk zal op die wijze beter behartigd worden.

Van ganscher harte bidden wij dan ook, dat de Heere die School moge zegenen, en tot een rijken zegen stellen voor de Gereformeerde Kerken in Nederland en ook voor ons in Zuid-Afrika.”

46. De professoren G. Hemkes, F.M. ten Hoor, en W. Heyns; de laatste heeft zijn studie aan deze Theol. School begonnen en aan die der C.G. Kerk in Amerika voleind.

Ook een der professoren van de Vrije Universiteit, prof, P. Biesterveld, heeft zijne opleiding geheel aan de Theol. School te danken. Prof. H. Bavinck volgde korten tijd hare lessen.

47. In „Het Recht en de Macht, inzake de Opleidings-quaestie” door A. Littooy, pred. te Middelburg, Mb. H.D. Littooy, 1903, die ook een antwoord is op Dr. Bavink’sBlijven of heengaan?” wordt, met terugblik op de historie en op grond van de voorwaarden der vereeniging in 1891/1892, helder in het licht gesteld, dat door de Synode van 1902 en wat daarna is geschied, onrecht is gepleegd.

Ds. L. zegt in het begin, blz. 8, zoo juist . . . . „Eerst toch moeten wij de waarheid, en dn, in den weg der waarheid, den vrede liefhebben. Daar nu naar mijne overtuiging de waarheid en het recht, bij de laatste behandeling der opleidings-quaestie, niet ten volle betracht en in het licht gesteld is, gevoel ik — die alles mee behandelen en doorleven moest, mij tot spreken geroepen . . . . .”

En het zoo waar als krachtig slot legt voor de |44| conscintie aller Kerken deze vraag: „Of is, zou vragen wij een ieder, met het oog op hetgeen gebeurd is, alles is in orde? Is er niets geschied, dat in strijd is met de zedelijke verplichtingen, en dat, wordt het niet weggenomen, kan voortvreten als de kanker?

Kerken Gods, moet Gij U niet uitspreken?

Moeten deze wateren maar over Gods akker heenloopen?”,

Zoo is het. Er is een kankergezwel, dat het leven van de G.K. bedreigt, als het nog langer verbloemd of bepleisterd wordt. Alleen van wegneming is genezing des lichaams te hopen.

48. Mocht men toch eens ophouden, het begrip „vrede” en ook „liefde” te verbasteren en die kostelijke woorden en zaken te misbruiken. Zoo zijn er b.v. die om des vredes wil en uit liefde tot de — macht boven recht eerende? — broeders de Theol. School zouden willen opofferen.

Alsof men dn niet een valschen vrede zou maken, die een schijnvrede zou blijken. Van liefde en vrede, die de waarheid krenken, en opofferen willen wat niet is eigen belang en bezitting, maar het belang der Kerken, en naar veler overtuiging een gave van Gods ontferming, een inrichting en arbeid op Zijn woord gegrond — zulk eene vredelievendheid is niet Gode behagelijk, en veeleer getuigend van onmanlijke weekheid dan van gezonde kracht en hechte trouw.

49. In zijn „Verklaring” aan de Synode van ’54 zegt Ds. Brummelkamp van zijn medewerking tot de „oprichting van het seminarie te Amsterdam”, tot wegneming van sommiger bezwaar, dat hij daarmede de Scheiding zou hebben verloochend:

„. . . . . En vraagt men, of ik op die vergadering te Amsterdam al het mogelijke heb gedaan tot hare geruststelling, zoo wil ik gaarne zeggen dat ik dit ontkennend moet beantwoorden. „Ik was daar niet op uit, en ook bij mij was wantrouwen.” Ook wil ik niet ontkennen dat vrees bij mij bestond, dat ik of een woord te veel zou zeggen, of dat men het, ingeval wij hereenigden, daarna zou kunnen gebruiken om mij, met betrekking tot het op te richten Seminarie, te bemoeielijken. Ik wist toch dat men dat wantrouwde, dat men meende dat wij niet zonder verloochening van beginselen met niet-afgescheidenen te zamen konden werken. En wat meende ik? Bij de wetenschap dat de niet-gescheidenen ons standpunt kenden, en ook volstrekt niet gevorderd hadden dat wij iets daarvan zouden opgeven, was ik veilig in de gedachte: „Zoo de Heere ons maar getrouw maakt en bewaart voor afwijking, zal het „ordelooze” zich zelve verliezen in het „ordelijke”, het „onkerkelijke” in het kerkelijke”. Onze Gereformeerde beginselen zijn daartoe positief en beslist genoeg. Niet door ons, maar door een der niet-gescheidene broeders was meermalen zelf gezegd: wat doen wij? Eigenlijk richten wij niets nieuws op; hetgeen thans te Arnhem is, komt over naar Amsterdam en krijgt uitbreiding.” En |47| voor zoover die niet-gescheiden broeders medewerken, dacht ik, worden zij daardoor geleidelijk gebracht op den weg, dien zij zeggen te willen bewandelen, den kerkelijken en wel Gereformeerden, dien zij echter maar volstrekt niet willen onder den naam van Afgescheidenen . . .” bladz. 13 en 14 Handel. Syn. C.G. Kerk, 1854.

50. Zie het in De Bazuin, 13 Febr. 1903 en De Wachter van 25 Febr. en 6 Maart v.v. 1903 vermelde artikel van Ds. van Velzen in No. 18 van „De Stem” 1851, get. De ontworpen oprichting van een Christelijk Gereformeerd Seminarie te Amsterdam, of de Kerk onder voogdij.

„. . . . Wiens plicht is het, wien komt het toe de toekomende Leeraars en Zendelingen op te leiden? Zelfs de eenvoudigste zal antwoorden: dit is de plicht, de roeping en het werk der Kerk. Wie op den Bijbel acht geeft, wie met de Gereformeerde leer en instellingen vereenigd is, en een ieder die goede orde voorstaat of waarborg verlangt, dat de zaak naar eisch zal worden waargenomen, zal volstrekt eischen, dat eene inrichting tot opleiding van toekomende Godsdienstleeraars en Zendelingen door de Kerk worde bezorgd en onder haar opzicht sta.”

En van de ontwerpers van het Seminarie zegt hij:

„Ziet eens welke dienstvaardige voogden! Ik weet niet hoe de Hervormden over die voogdijschap denken, maar dit weet ik, dat de Christelijke Afgescheiden Gereformeerde Kerk, blijkens het genoemde verslag, volstrekt niet daarmede ingenomen is en die geheele zaak met wantrouwen verneemt. Kan het anders? Eenige personen werpen zich op om zich aan te matigen wat der Kerk behoort . . . .”

Ds. W. Diemer noemt dat Seminarie „de eerste uitgaaf van de Vrije Universiteit van thans.”

51. In een adres ter „begroeting” van de „Hooggeerde Vaders” S. van Velzen en A. Brummelkamp, bij de herdenking van hun afzetting, het gouden jubil hunner vrijmaking, 7 Oct. 1835 en 13 Jan. 1836. — We hebben enkele regelen, die vooral thans zoo gedenkwaardig zijn, onderstreept. „. . . Er is een tweede oogpunt, waaruit wij Uwe afzetting in hare gevolgen wenschen te overzien.

De behoefte aan het zuivere Woord in Uwe onmiddelijke omgeving bracht U, vroeger en later, in den aanvang onwillekeurig misschien, tot het opleiden van predikers, om eenigermate althans in dien nood te voorzien. Geleidelijk nam die arbeid vastere vormen aan; en ten zijnen tijde mocht Uw oog het aanschouwen, dat de Opleiding van aanstaande Dienaren des Woords door de Kerk in haar geheel werd aanvaard en behartigd. Zoo ergens, Hooggeerde Vaders, dan was Uwe plaats dr, mede aan het hoofd dier Theologische School; en voor hoeveel jongeliiigen en mannen heeft in die betrekking Uw onderwijs alreeds den weg gebaand tot de bediening des Woords; hoevelen, die ook in dezen zin U hun geestelijke Vaders noemen! Maar behalve het eervolle dat voor Uw personen hierin ligt opgesloten, heeft de Heere in Zijne Voorzienigheid, in dat zelf — en terstond — aanvaarden dier opleiding, U gebruikt om ook deze waarheid in Nederland weer op den kandelaar te plaatsen, dat de Kerk zelve, en niemand anders, Moeder is en blijven moet der Godgeleerde School. Eene waarheid, theoretisch onder de Theologen en Kerkmannen van voor vijftig jaren misschien niet onbekend, in de praktijk evenwel onbetwistbaar sedert lang verzuimd. Voor U, Hooggeerde Vaders, was de taak weggelegd om het eerst de hand aan dezen ploeg te slaan; en voor zoover in onze dagen, bij de leidende geesten op dit gebied, zuiverder denkbeelden over de opleiding tot het Leeraarsambt veldwinnend mogen heeten, is dit voorzeker ook een zijdelingsche vrucht van dezen Uwen vijftigjarigen arbeid. Een nieuwe „eere” dus, waaxin door God Uw smaad bij de |49| menschen is veranderd; een heilig, onherroepelijk, beginsel dat Gij aldus, zelfs buiten den kring Uwer ambtelijke werkzaamheid, door woord en voorbeeld hebt gepredikt.”

Dit adres is gedateerd: Kampen, 13 Febr. 1886, en onderteekend door de Curatoren: A. Brummelkamp, J. van Andel, W.H. Eskes, J. Bavinck, J.F. Bulens, M. van Minnen, L. Neyens, W. Doorn, J. van der Linden, en A. Littooy.

*

In een art. in de Zuider-Kerkbode, 15 Juni 1904, 6 December 1854, deelt Ds. A. Brummelkamp Jr. interessante bizonderheden mede over het oorspronkelijk plan van een Seminarie te Amsterdam, en de oorzaak waardoor de samenwerking van zijn vader met da Costa c.a. verhinderd is, n.l. dat de eerste tegenover de Herv. broederen volhield, dat zij „die in de Herv. Kerk blijven” zich „in een zondigen weg bevinden.” „. . . . De poging om met de Herv. broeders een School te stichten, hoe goed bedoeld ook, moest falen. Er lag geen levensvatbare gedachte in. Langs den kerkelijken weg moest het komen. De in de Afscheiding aanwezige krachten, bleven voor de Afscheiding bewaard!”

Van de Theol. School getuigt deze zoon der Scheiding:

„. . . . Zoo ergens, dan moet het van die eerste jaren te Kampen heeten: klein bij den weg.

En toch, en toch! Hoe is die teedere spruit gewassen tot een forschen stam, die zijn takken en zijn schaduw spreidde in steeds wijder kring. Hoe is deze bescheiden arbeid een middel in de hand des Heeren geweest, om vijftig jaren lang de Kerken en de natie een zuivere Evangelie-prediking te schenken, als tegenwicht tegen allerlei ketterij en leervervalsching op Katheders en Kansels van hoogescholen en officieele Kerken. Want het was wel waarlijk Theologie wat er werd onderwezen, en er werd gestudeerd. Prestige in het oog der wereld had zij niet, de School; dat kwam eerst later. Maar in Gods oog bewaarde zij het pand haar toevertrouwd; en wat haar aan invloed in Nederland ontbrak, dat werd ruimschoots vergoed, als zij, ver over de grenzen, in Amerika, in Indi, in Zuid-Afrika hare kweekelingen aan den arbeid mocht zien, waartoe hare opleiding hier de vereischte uitrusting had mogen geven.”

52. „. . . . En aan middelen om gemeente en volk van predikers te |50| voorzien, liet onze God het niet ontbreken. Eene School gaf Hij ons, ten einde ons mannen te geven, door studie geschikt gemaakt, om het Evangelie in zijn verheven eenvoud te verkondigen, als het eenig redmiddel van mensch en maatschappij.” Geboren uit den schoot, gevoed door de offers, gedragen door het gebed der Kerk, staat zij daar, als een getuige van wat Gods Kracht in de zwakheid Zijns volks vermag, en als een roepstem van Godswege om heel ons land met het Evangelie te vervullen.

Waarlijk, met het oog op die School mag gezegd, dat God ons zoowel arbeidskrachten gaf, zoowel mannen die de geopende deuren ingaan, als deuren, die geopend werden. Ook hier geldt het: „houdt wat gij hebt.” En dan volgt dit hooge, krachtige woord, dat klinkt als een parool in den strijd: „Nooit geve de Kerk de School prijs, die God haar gaf, niet zoozeer om er de wetenschap door te dienen, gelijk de Staat beoogt, als hij aan deze eene Universiteit geeft, alswel om er mannen door te vormen, om de geopende deuren in te gaan. Nooit! — huiveren wij voor de gedachte om ooit uit onze handen te geven, wat God in onze handen gaf.” Zoo sprak Ds. J. van Andel in 1888. Zie bladz. 10 van „Houdt, wat gij hebt.” Toespraak, geh. te Assen, ter opening van de Synode der C.G. Kerk, 13 Aug. 1888. — Ik heb de meest kernachtige woorden onderstreept. Och, dat Ds. V. A. zelf, en alle voorgangers en al de Gemeenten, voortdurend mochten hooren naar deze vermaning, en alzoo spreken! Dat al de Gemeenten ook in de a.s. Synode zoo mogen „huiveren” zelfs voor de gedachte om . . . . Gods gave uit hare handen te geven!

53. Men denke o.a. aan wat op en door de Gen. Synoden van 1896 en 1902 gesproken en gedaan is inzake den eisch van een 2e collecte voor de Vrije Universiteit; waarvan in 1902, ai mij, zelfs de bestendiging der 2e Collecte voor de Theologische School afhankelijk is gesteld! Zie de Acta.

54. Aldus Ds. J.W.A. Notten, in zijn afscheidswoord aan de lezers van „De Bazuin”, No. v. 2 Jan. 1903. „. . . . Teedere geslingerde zielen, die in deze onrustige dagen niet weten waaraan zij zich te houden hebben, zou ik willen toeroepen: zet uw aangezicht niet naar Kampen, niet naar Amsterdam, maar naar het Jeruzalem dat boven is.”

55. De Scheiding was een werk Gods, en wel tot wederopenbaring der Gereformeerde Kerk; en de School kwam voort uit, wortelde in, en was dienende voor de Kerken; dt was haar kracht, haar eere. Van de Kerken en van haar School geldt, wat Ds. de Moen zoo schoon en aandoenlijk tot Gods eere getuigt, in het inleidend woord voor den 1sten jaargang van het Jaarboekje voor de C.A. Ger. Kerk in Nederland, 1856, bl. 32 en 33: „Wat waren we toch als wij twintig jaren terug zien, toen hier en daar weinige geloovigen verwaardigd werden om den Heere Jezus Christus als Koning Zijner duurgekochte Kerk te mogen belijden — toen de wereld ons bespotte en zeide: „Wat willen die aemechtigen?” Toen wij in schuren moesten vergaderen, en onze godsdienstige bijeenkomsten daarenboven werden belet, uiteengedreven, beboet enz., zoodat het scheen, alsof er in Nederland geene plaats meer zou zijn waarop wij rustig onzen voet zouden kunnen zetten, om in vereeniging met hen, die Christus als Koning Zijner Kerk beleden hadden, ook boven het beruchte twintigtal Hem te dienen?

Met weinigen gingen wij toen den kruisberg op; met weinigen zeiden wij: „God in den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen.” Nehem. II : 20a: „En zie, wij zijn niet beschaamd geworden.”

Gaf God in dien tijd ons slechts zeven mannen, die ons voorgingen, als onze leeraars en wegwijzers op den weg des levens, thans is dit getal tot bijkans honderdvijftig aangegroeid, en hebben wij daarenboven eene Theologische school, met vier Leeraren, die aan veertig jongelieden onderwijs geven, om hen tot het leeraarsambt te bekwamen . . . .” Zie ook wat Prof. van Velzen in zijn kostelijk „Gedenkschrift der C.G. Kerk bij 50 j. jubil, 14 Oct. 1884” zegt van de eigen opleiding vr ’54 en van de Theol. School en hare geschiedenis. bl. 121. v.v.

56. Zie Handelingen van de Synode der C. A. Ger. Kerk, 1857 bl. 46-52, en der Synode van 1860, bl. 17 v.v. Vg. boven bl. 25.

57. Niet genoeg wordt door velen in de G.K. gelet op het hoog belang der opleiding, der vorming, van den student, die lust heeft tot het „Opzienersambt,” 1 Tim. 3 : 1, voor hettreffelijk werk.” Dat een bepaalde hoeveelheid kennis, door een examen gemeten, volstrekt geen zekerheid geeft, dat de candidaat bekwaam en geschikt is voor den heiligen dienst, is tot schade der Gemeente dikwerf gebleken. Opgeleid en geoefend worden, vervolgens „beproefd” worden ook door en in den arbeid, en daarna „dienen”, in het ambt gesteld worden, als menschen Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust — 2 Tim. 3 : 16 en 17, 1 Tim. 4 : 10 — z wil het de Schrift, de Heere der Gemeente. Ontbreekt die vorming, dan is dat gebrek niet te herstellen, allerminst door den candidaat eenige maanden uitstel te geven. De Kerken moeten op de Scholen kunnen vertrouwen, dat zij de studenten toebereiden, niet maar voor een examen, maar voor het werk des ambts. Hier is een hooge roeping, een zware verantwoordelijkheid, voor hoogleeraren en voor studenten, en niet minder voor verzorgers en opzichters der Scholen.

58. Zie hierover de Aanteekeningen en Bijlagen in mijne rect. rede: Godgeleerden. Heusden, Gez. Meerburg, 1894; het art. van Ds. Buytendijk in „Theol. Studin”, 1903, en Prof. Dr. F.L. Daubanton, De Universitaire vorming van de a.s. predikanten der Ned. Herv. Kerk. Idem Vota Academica, door Prof. Dr. I. van Dijk.

59. Zie hierover o.a. mijne rect. rede over 2 Tim. 3 : 14-17: „Blijft in het Woord van God!” Heusden, Gez. Meerburg, 1888.

60. Zie o.a. de Bijlage: „Tweerlei Theologie” in de rede „Godgeleerden.”




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004