Lucas Lindeboom (1845-1933)

Godgeleerden

Rede op den 39sten jaardag der Theol. School van de Geref. Kerken in Nederland

door den aftredenden Rector L. Lindeboom
Heusden (A. Gezelle Meerburg) 1894

a



Het doel dezer rede is, mede te arbeiden om den naam „Godgeleerden” weder op zijne plaats en tot zijne eere te brengen. „Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij;” — zegt de Heere Jezus Joh. 6 : 45. Daarom mag de Gemeente het niet zwijgend aanzien, dat menschen, geleerd of ongeleerd, die den Zoon niet eeren en dus ook den Vader niet hebben, dezen naam blijven dragen en tot verleiding der onwetenden misbruiken.

Omdat alle geloovigen God kennen, gelijk zij van Hem zijn en worden onderwezen, is het de roeping niet alleen van de voorgangers maar van al de leden, de ware Godgeleerdheid te beoefenen, en zich in woorden en werken als „Godgeleerden” te openbaren. Indien het besef van dit voorrecht en deze roeping mag opwaken en krachtig worden, zal ook de liefde en arbeid der Gemeente voor de kweeking en inzonderheid voor hare eigene kweekschool van Bedienaren des Woords toenemen.

De zaak der Godgeleerde Wetenschap en der Opleiding van herders en leeraars, is eene zaak die allen leden der Gemeente aangaat. Ieder kenne zijne roeping! Tegenover alle „Godgeleerden”, die meenen dat zij boven de Gemeente staan; tegenover alle „Godgeleerde Wetenschap”, die de Gemeente onbevoegd verklaart tot hare onderwijzing en keuring, zij allen die God vreezen en voor Zijn Woord beven, de waarschuwing en opwekking der Schrift herinnerd: „En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van |4| God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?” „En ik betuig, wederom aan een iegelijk mensch die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de geheele wet te doen.” — „;Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen!” Gal. 4: 9; 5 : 3 en 1.

Moge dit getuigenis met broederlijke welwillendheid worden ontvangen, ook door hen die niet geheel er mede kunnen instemmen; en gebruike de Heere der Gemeente het ten zegen voor Kerk en School, naar den rijkdom Zijner genade!


Kampen, December 1893.

L.L. |5|




Geliefde Ambtgenooten, Discipelen, Bedienaren des Woords, Ouderlingen, Diakenen, en voorts gij allen, broeders en zusters in het geloof der heiligen,


Genade zij U en Vrede!



Allen hartelijk welkom op dezen 39n jaardag van onze geliefde Theol. School. Vele jaren lang heeft de School ’t zich moeten getroosten dat haar dies natalis onopgemerkt voorbijging. Een verjaardag 14 dagen na dato te vieren, wie zou dat voor zich en zijn huis begeerlijk kunnen achten? Op dezen avond, den 6den December, keeren wij tot de oude paden terug. Moge het er toe bijdragen, dat de beteekenis van den 6den December 1854 door ons en in al de Gemeenten steeds beter worde beseft; dat de stichting der Theol. School elk jaar met rijken zegen en Ootmoedigen dank aan den Drieëenigen God worde herdacht. Tot in verre geslachten zij de 6de December een feest des Heeren, mocht het zijn, weldra, voor alle ware Gereformeerden in Nederland!

Nog niet allen die de Gereformeerde belijdenis liefhebben, arbeiden mede aan de Geref. Kerken en deze hare eigene School; nochtans mag de School reeds sedert lang waardeering vinden ook bij velen van die broeders en zusters. En wel heeft de School heden rijke stof tot dankbare vreugd. In ’54 door enkele tientallen Gemeenten gesticht, wordt zij thans reeds door 700 Geref. Kerken de hare genoemd. Bij de vereeniging der C.G. en der N.G. Gemeenten werd o.a. |6| overeengekomen, dat de Kerken geroepen zijn eene eigene inrichting te hebben voor de opleiding van hare bedienaars des Woords, althans wat de Godgeleerde vorming betreft. En de Generale Synode, onlangs gehouden, heeft alle onzekerheid en misverstand opgeheven en onomwonden verklaard:

„dat de Theol. School, thans gevestigd te Kampen, de „eigene inrichting” van de Geref. Kerken is, en dat het in geenen deele de bedoeling is, deze op te heffen.” Ook heeft zij haar karakter en roeping duidelijk omschreven; door de verklaring:

„dat zij onder „eigene inrichting” verstaat: een kweekschool van Dienaren des Woords, geheel en alleen van de Kerken uitgaande en door haar verzorgd en bestuurd, die de geheele opleiding kan geven, of, indien te eeniger tijd scheiding van de voorbereidende en de Theol. studïen geheel of ten deele noodig of nuttig mocht worden geoordeeld, ten minste voor de geheele Theologische vorming, dat is, de vorming door de wetenschappelijke studie der Theologie en de practische toebereiding voor de heilige bediening, heeft te zorgen.” Dit besluit der Synode heeft alle vrienden der Theol. School, ten zeerste verblijd en de eenbeid der vereenigde Kerken bevestigd. Wat dan ook te eeniger tijde aan en in deze School moge veranderen, de blijde hoop, dat zij niet zal sterven maar haar gezegenden arbeid zal mogen voortzetten, mag onze harten stemmen tot lof aan den Heere en bemoedigen in het gewichtvolle werk.

De overweging der Synode, dat „eenheid in de opleiding zooveel doenlijk moet bevorderd worden”, kan zoowel der School als der Theol. Faculteit van de Vrije Universiteit, met welke de Synode het vroeger gelegde verband heeft gehandhaafd, ten goede komen. Maar dan is dit wel allereerst noodig, dat de School door de Kerken voortdurend van al het noodige worde voorzien, en dat zij zelve steeds meer haar plaats in en haar roeping voor de Gemeenten zich helder bewust worde.

De naam dezer School is „Theologische” d.i.: Godgeleerde School. Ieder kind onder ons kent dien naam. En toch is er wel reden voor de vraag, wat dat „Theologisch” beduidt. Als ik u slechts herinner, dat o.a. ook een tijdschrift, hetwelk eene gansch andere leer verkondigt dan deze School, zich den naam „Theologisch” toeëigent, dan hebt gij mij wel reeds begrepen. |7| Wat meer zegt: ook in onze eigene kringen heerscht nog geene volkomene eenstemmigheid, wat door Theologisch, Theologie, Theologen zij te verstaan. Dit heeft mij op de gedachte gebracht, dezen avond tot u over Theologen of Godgeleerden te spreken. Niet slechts om de beoefening der Godgeleerdheid, maar om de kweeking van Godgeleerden door haar, is deze School gesticht en door de Synode bekrachtigd.

Dat het onderwerp niet van belang is ontbloot, stemt ieder uwer gewis toe. Dat ik, althans in veel, uit uw aller harte zal spreken, durf ik wel hopen. Voorzoover gij anders mocht gevoelen, zult gij mij althans uwe aandacht en aan mijn woord uwe nadere overweging niet weigeren. Uwe broederlijke liefde verzekert mij dit. En gaarne zal ik mijn gevoelen geven voor beter.


Godgeleerden — wat zijn zij, en wie mogen dien naam dragen? Tot beantwoording dezer vraag moeten wij beginnen met het woord, om alzoo te komen tot de zaak. Spreken en samenspreken wordt spraakverwarring en oorzaak van allerlei misverstand en twistingen, zoodra de zelfde woorden, de zelfde namen, bij den een deze, bij den ander die beteekenis hebben.

Het woord is afkomstig van de heidenen, en wel van de Grieken. ’t Is samengesteld uit twee woorden: qeov en logov. Het eerste beteekent God, het tweede Woord. Theologen noemden de Grieken de sprekers en schrijvers over de Goden en hunne vereering; de lessen en disputatiën van die theologen heeten theologoumena. Zoo spreekt Plutarchus van o³ Delfòn qeolçgoi, de Godgeleerden van Delphi, waar het orakel der goden was. Theologia beteekent doorgaans eene redeneering of rede over God en goddelijke dingen: de divinitate sermo et ratio, naar de verklaring van Augustinus in De Civit. Dei, Lib. VIII, cap. 1. ’t Komt echter ook voor in de beteekenis van woord van God. De eerste qeolçgoi waren dichters, en vandaar werd allengs ook aan de dichters in ’t algemeen die naam gegeven. Orpheus, Hesiodus en Homerus worden als zangers van de wording der goden en de instellingen van hunnen dienst bizonder geroemd. Later kregen de philosophen dien naam, en dan beteekent qeolog°a de wijsgeerige leer aangaande de goden. Pherecydes, |8| de leermeester van Pythagoras, wordt algemeen als de Theoloog bij uitnemendheid geëerd. 1)

De Romeinen hebben dit woord overgenomen. Cicero geeft in De natura Deorum eene uitvoerige beschrijving van de Godenleer dergenen „die theologi worden genoemd”. 2)

De Joden hebben dit woord niet. Hunne onderwijzers in de goddelijke dingen dragen den naam Schriftgeleerden. 3)

Hoe deze benaming uit het Heidendom in de Christelijke Kerk gekomen is? Door de Grieksche Kerkvaders. Zij gaven dien naam echter niet aan allen die zich bezig hielden met onderzoek of leering van de zaken der goden; ook niet aan allen die onderwijs gaven in de leer van den waren God. Dit woord, dezen naam, hielden zij hoog. Zij noemden met dien naam al de, door Gods Geest onfeilbaar gedreven, schrijvers des O. en des N. Testaments, in ’t bizonder de Profeten en de Apostelen de mannen, die door God over God hebben gesproken en geschreven. Bij hen heeft deze naam dus een gansch anderen inhoud dan bij de heidenen, die zich zelven goden maakten en de verdichtselen van hun eigen verstand en hart als de hoogste waarheid, als leer van God verkondigden. Bij uitnemendheid |9| noemden zij den apostel Johannes „den Theoloog”, gelijk hij ook aangeduid wordt in het opschrift van de Openbaring in onzen Staten-Bijbel. De reden daarvan was, dat Johannes de Godheid van den Zaligmaker op den voorgrond en in het licht stelt; de leer van de goddelijke na;tuur heet dan ook qeolog°a, terwijl die van de menschelijke natuur, welke bij de andere Evangelisten meer in het licht treedt, o¸konom°a wordt genoemd. Deze eernaam is ook gegeven aan Gregorius Nazianzenus; uit dankbare waardeering van zijnen strijd tegen de Arianen, die de Godheid van den Heere Jezus Christus loochenden. 4) Zoo is allengs deze naam overgegaan op hen die onder de leeraars der Gemeenten uitmuntten in kennis en ijver, in leering en verdediging der in de Schrift geopenbaarde waarheid. Gregorius zelf stelt hooge eischen aan hem die dezen naam begeert. 5) Met het verval der Kerk werd deze naam meer algemeen.

Van de leer aangaande God ging de benaming theologie allengs over op geheel de Christelijke leer.

In de middeneeuwen is theoloog dan ook de benaming, van hen die zich wijden aan de studie der Schriften, en aan eene meer of minder wetenschappelijke behandeling der leer. Sedert Abaelardus, in de 12de eeuw, een leerboek uitgaf met den naam Theologia Christiana werden „theologia” en „theoloog” algemeen. Als „technische termen” hebben deze namen dus ook weder een andere beteekenis dan waarin zij het eerst door de Kerkvaders zijn gebruikt. Niet meer het woord der waarheid en deszelfs heilige schrijvers worden er door aangeduid, maar „theologie” heet nu de leer, die gewone leeraars naar hun inzicht in zekere stelselmatige orde onderwijzen; en deze leeraars heeten nu theologen. ’k Behoef u slechts de Scholastieken te noemen, om u te |10| herinneren dat deze leerstelsels, op de leest der heidensche wijsbegeerte geschoeid, al spoedig ontaardden in eene kunstige en spitsvondige uit- en inelkanderzetting van leeringen Gods, vermengd met leeringen die geboden van menschen zijn. 6)

De Reformatoren der 16de eeuw hebben deze termen behouden. In het spoor der Kerkvaders en der Schrift teruggekeerd, wilden zij alleen de ware Schriftgeleerden theologen genoemd zien, en alleen de verkondiging van de waarheid, die naar de godzaligheid is, theologie. 7)

In de Acta van de Dordtsche Synode van 1618/19 wordende afgevaardigden, in ’t bizonder de bedienaren des Woords en de Doctoren en Professoren in de theologie, Theologen genoemd; |11| gij leest daar telkens van de „buitenlandsche” en van de „inlandsche” Theologen. De Kerkenorde spreekt ook van „Theologie”: van Doctoren en Professoren en van studenten in de Theologie; Artt. 18 en 19. En onze Geref. Vaderen hebben tal van werken geschreven met den titel: Godgeleerdheid, waarin zij de ware leer voorstellen en verdedigen, uit en naar de Schriften. 8)

Zonder vrees voor tegenspraak kan men wel zeggen, dat de naam Theoloog of Godgeleerde een zeer begeerde was en is. Sedert eeuwen is hij en nog heden ten dage wordt hij als een eernaam begeerd, door allen die studie maken van de dingen die op God of op een Godsbegrip betrekking hebben. Toen in de 17de eeuw de wijsbegeerte zich in de plaats der Godgeleerdheid drong, werden nochtans de namen „Theologie” en „Theoloog” zorgvuldig behouden. En in onze eeuw — niet alleen leeraars en scholen die juist het tegendeel deden en doen van Gregorius van Nazianza, wijl zij de Godheid van Christus met al wat daaraan hangt loochenen, maken aanspraak op dien naam; ook zelfs de modernen, zoowel de atheïstische als de pantheïstische kunnen dien naam nogniet loslaten. Sinds jaren echter hebben dezen en geven zij zich zelven den onderscheidenden naam: moderne Theologen; en die onderscheiding kan althans eenigszins algeheele verwarring voorkomen. Goed bezien, zijn evenwel de modernen met hun zoogenaamde Godgeleerdheid even oud als de heidensche dichters en wijsgeeren; want even als dezen redeneeren en leeren zij over God, niet wat zij uitde openbaring Gods hebben geleerd, maar wat zij zelven bedenken, naar de bedenking des vleesches, die vijandschap is tegen God. Rom. 8 : 5-8.

Op de vraag: wie en wat heeten Godgeleerden? zou dus het antwoord moeten luiden: tegenwoordig dienen zich als „Godgeleerden” aan, allen die meenen te kunnen medespreken over God; hetzij ze al of niet bouwen op het fundament der Apostelen en Profeten; hetzij ze de Kerk van Christus liefhebben en |12| dienen òf haar verwoesten; hetzij ze voor God Drieeenig en Zijn Woord beven òf zelfs het bestaan van God loochenen.

Hoe groot de vrijmoedigheid van kerkelijken èn van politieken is ten opzichte van „Godgeleerdheid” en „Godgeleerden”, is voor tijdgenoot en nageslacht gedocumenteerd in onze Wet op het Hooger Onderwijs. Die Wet heeft de Godgeleerdheid weggejaagd, en in hare plaats gesteld eene z.g. „Godsdienstwetenschap”. Zij heeft niet anders gedaan dan gewettigd, wat in beginsel reeds lange jaren de feitelijke toestand was geweest. „Seit dem 18 Jahrhundert — om met Luthardt te spreken — wurde die Theologie (obj.) zum corpus placitorum religionis Christianae erudite et subtiliter expositum et in artis formam redactum. Seitdem ist Theologie Religionswissenschaft”. Nu zou men mogen verwachten, dat ook de naam Theologie aan de Faculteit zou zijn ontnomen, en deze de Faculteit b.v. der menschgeleerdheid, godsdienstgeleerdheid of godsdienstwetenschap zou zijn genoemd. Ai mij, men handhaafde den naam: Faculteit der Godgeleerdheid. Een Doctoraat in de godsdienstwetenschap, waarvoor de kennis van de Schrift en hare leer van God volstrekt geen vereischte is, heet voortdurend een Doctoraat in de Godgeleerdheid. Zóó zijn tegelijk de leugen en de geveinsheid en de meest onwetenschappelijke haspelarij in dienst genomen en met officieele eere gekroond. Evenmin als onze Universiteiten zich schamen over dezen roof, vindt de N.H. Kerk daarin reden om aan zulke Universiteiten en Faculteiten hare toekomstige dienaren te onttrekken. Integendeel: zij vult die gemoderniseerde en geseculariseerde „Theol.” Faculteiten aan door hare kerkelijke hoogleeraren. 9) Dat zij deze laatsten noodig acht, juist ter oorzake van het ontbreken van wat zij dan nog als „theologie” onderscheidt en voor hare kweekelingen verlangt, mocht haar anders wel dringen om aan zulke Faculteiten den naam „Theologische” te ontzeggen. Maar voor de verblinding staat niets. Theologisch zijn die Faculteiten; theologisch is ook het kerkelijk onderwijs! En wien ook die begeerde naam moge |13| worden ontzegd, dit staat vast: al wie, althans in Nederlanct, aan een Universiteit doceert in de Faculteit der godsdienstwetenschap, die maakt er aanspraak op, als „Godgeleerde” te worden gegroet. En anderen nevens hen, sprekers en schrijvers, met en zonder professorale en doctorale titels — zeer velen.

Desniettegenstaande, of liever: juist daarom, is ook thans de vraag: Wie mogen den naam „Godgeleerden” dragen? van het hoogste belang.


Wat dunkt u, M.H., is niet God, alleen God, de bevoegde rechter in dit geschil? Zijn Naam, de eere van Hem, Jehova, den Heere der heirscharen, is er mede gemoeid! Naar de letterlijke beteekenis, is Godgeleerde immers iemand die geleerd is in en spreekt van God en de dingen die God aangaan. Wie anders dan God zelf mag en kan hier onderscheiden en beslissen? En is Hij niet een ijverig God, die Zijne eere geenen anderen geeft noch Zijnen lof den gesneden beelden of hoe de verdichtsels en maaksels der menschen ook heeten? Wie Gods Naam gebruikt, mag dien niet anders dan met eerbied en vreeze op de lippen nemen. De eerste bede van alle kinderen des Vaders die in de hemelen is, is deze:, Uw Naam worde geheiligd!

Wij kennen de leer en den wil van God uit de Schrift. ’t Is dus de vraag: wat zegt de Schrift van dezen naam „Godgeleerde” en deszelfs gebruik?

Opmerkelijk is het inderdaad, dat de H. Schrift des Ouden Testaments noch aan de Priesters noch aan de Profeten noch aan iemand anders dezen naam geeft. Het O.T., zoomin als de schriften der joodsche leeraars, bevat geen enkel woord dat met dezen naam overeenkomt. Ook in de Grieksche vertaling des O.T., de zg. Septuaginta, zoekt gij het tevergeefs. Nog meer opmerkelijk is het, dat ook het Nieuwe Testament geen enkele maal van qeolçgov, qeolog°a of qeologe²n spreekt. De Heilige Geest heeft de taal der Grieken verkoren tot uitdrukking van de volheid der openbaring Gods en tot hare verkondiging aan de volken. Onderscheidene termen uit hun „godsdienst” heeft het N.T. overgenomen, met gewijzigden of gansch nieuwen inhoud. Van de samenstellingen met het woord „God” bij de Grieken, vindt ge |14| in het N.T. enkele, slechts enkele, 10) maar qeolçgov c.a. vindt ge niet. Dat kan geen toeval zijn. Het gebruik en dus ook het niet-gebruik, de terzijdezetting van woorden der Grieken is het eigen werk des Geestes Gods, zonder wiens leiding de heilige schrijvers geen gedachte gedacht en geen jota of tittel hebben geschreven.

De samenstellende deelen van dezen naam komen wel in de Schrift voor, n.l. God en Woord; het Woord van God, Mark. 7 : 13, Luk. 5 : 1 e.a.; waarvoor elders de zinverwante uitdrukkingen Woord: van Christus, Kol. 3 : 16; des kruises 1 Kor. 1 : 16; des levens, Phil. 2 : 6; des geloofs, 1 Tim. 4 : 6, e.a. worden gebruikt. Eén mensch is er die in de Schrift den naam draagt van: het persoonlijk Woord van God. Dat is de mensch Christus Jezus, Joh. 1 : 1 vv. en Openb. 19 : 13; die ook zelf God en in den schoot des Vaders is, die alleen God heeft gezien en ons Hem heeft verklaard. Onze Heere Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, en Hij alleen, kan dus met volle recht, Theoloog, de Theoloog, de Godgeleerde worden genoemd. Hij, die niet alleen de volmaakte kenner en verkondiger maar ook in eigen persoon de voleinde Godsopenbaring zelve is; van Wien de Vader heeft getuigd: hoort Hem! Matth. 17 : 5, 2 Petr. 1 : 16-18, vg. Deut. 18 : 15.

’t Is dus duidelijk dat de Schrift, dat God zelf den naam „Godgeleerde” aan geen der zonen van Adam geeft. Waarom niet? Onwillekeurig dringt zich deze vraag aan ons op. Zou dit niet de reden zijn, dat niemand, zelfs niet Apostelen en Profeten, iets van God kan weten uit zich zelven, maar dat allen alleen uit de volheid van Christus, door den Heiligen Geest, de kennis Gods hebben verkregen, gesproken en in schrift gesteld? De Apostelen betuigden: „Wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele”; 1 Kor. 13 : 9; en: „Niet dat wij van ons zelven |15| bekwaam zijn iets te denken, als uit ons zelven, maar onze bekwaamheid is uit God.” 2 Kor. 3 : 5. Is het dan niet zeer begrijpelijk, dat zij er niet aan gedacht hebben, zich den zóó hoogen, veelzeggenden naam „Godgeleerden” te geven? Zou de Heere niet, door dit woord der Grieken ter zijde te zetten, ons willen leeren, dat niet eenig mensch maar alleen Hij de kennis Gods heeft en dat de heidenen, zich uitgevende voor wijzen en godgeleerden, daarin slechts hunne dwaasheid, verblinding en overmoed hebben ten toon gesteld? Wie nog niet ver genoeg door de valschelijk genaamde wetenschap is meegevoerd om zich in te beelden, dat de studie der „theologie” hem verder heeft gebracht in de kennis van God dan de heilige mannen, die door Gods Geest onfeilbaar in alle waarheid geleid zijn, en wier woord het fundament is voor de Kerk aller eeuwen, die zal deze vraag dan wel begrijpelijk vinden: Is het, strikt genomen, wel geoorloofd, dat wij onze nog zoo geringe en bezoedelde kennis van God betitelen met den weidschen naam geleerdheid, wetenschap, Godgeleerdheid, Godgeleerde wetenschap? Inderdaad, M.H., indien het mogelijk ware, ik zou deze namen: „Godgeleerden”, en „Godgeleerdheid” buiten gebruik willen stellen. Om daardoor allen hoogmoed der wereldwijzen te ontmaskeren en terneder te werpen, en om de oprechte dienaren van God te manen tot diepen ootmoed en heilig beven in het denken en spreken over God, den Heilige, den Oneindige, „die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Wien geen mensch gezien heeft noch zien kan; Denwelken zij eer en eeuwige kracht. Amen.” 2 Tim. 6 : 16.

’t Gaat echter met dit woord als met „Sacrament” en vele andere: zij zijn, door eeuwenlangen dienst òf — heerschappij, onafzetbaar en onmisbaar geworden. Indien gij de termen „Godgeleerde” en „Godgeleerdheid” niet meer wildet gebruiken, gij zoudt onverstaanbaar worden, ja van gedachtenwisseling over de kennis Gods met wat daaraan hangt moeten afzien. Wij zeggen daarom met Owen 11): omdat ze in gebruik zijn, ook bij de |16| oprechte dienaren des Woords, reeds eeuwen lang, leggen we ons er bij neer; en daarom juist dringen we er ten sterkste op aan, dat aan dit woord alleen die beteekenis worde gehecht, die de eere van God en onzen Zaligmaker niet te na komt, en die den uitnemendsten onder de kenners des Woords zoowel als den pas beginnenden lezer der Schrift, in de laagte zet, waar alleen de plaats is van den eindigen en zondigen mensch, ook wanneer hij door Gods genade is wedergeboren en Hem moge kennen en dienen naar Zijn Woord. Daarom komen wij op tegen het dragen van dezen naam door leeringen en leeraars, die slechts verdichtselen en dienaars van menschen zijn. Daarom toetsen wij het gebruik van dit Woord aan het onfeilbare Woord onzes Gods. Zóó zal het ook vanzelf blijken, wat wij in overeenstemming met onze Geref. Belijdenisschriften en de Kerkenorde, volgens het besluit der Synode, verstaan door „de Godgeleerde vorming”, die deze Theol. School geroepen is te geven aan de toekomstige dienaren van de Gereformeerde Kerken in Nederland.


Naar luid van Gods Getuigenis is de eerste vereischte voor een Godgeleerde, dat hij de H. Schriften des Ouden en des Nieuwen Testaments erkenne als het onfeilbaar Woord van God; als de lamp, bij welker licht alleen het boek der Schepping en Voorzienigheid recht kan worden gelezen en verstaan; als de eenige kenbron van de theologia revelata, zonder welke de theologia naturalis in eene rationalis wordt verkeerd. ’k Behoef dit thans niet in den breede uiteen te zetten of te betoogen. Dat de Schrift zelve zich aandient als Gods eigen Woord, in alles onfeilbaar, volkomen de kennis van God bevattend voorzoover die ons tot zaligheid noodig is, zal wel moeilijk ontkend kunnen worden. „Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de gerechtigheid is”. 2 Tim. 3 : 16. „God voortijds |17| veelmalen en op velerlei wijze tot de Vaderen gesproken hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon”. Hebr. 1 : 1. De Zoon van God, Jezus Christus, onze Heere, beriep zich steeds op de Schrift, die „niet kan gebroken worden”. Joh. 10 : 35. Met een „daar staat geschreven”, en „daar staat wederom geschreven”, Matth. 4 : 4 en 7, ontmaskerde, overwon en verjoeg Hij den duivel. Zijne Apostelen, aan wie Hij den Heiligen Geest heeft beloofd en geschonken, om hen in alle waarheid te leiden, Joh. 16 : 7-15, vg. 1 Kor. 2 : 6-10, hebben voor hunne prediking het zelfde gezag geëischt als hun Zender voor Zijne woorden, Matth. 7 : 15-27. Hoort slechts, hoe Paulus, in het slot van den brief aan de Gemeente te Rome, de prediking van het Evangelie des N.T. roemt als de vervulling van de openbaring Gods. „Hem nu, die machtig is u te bevestigen naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de Heidenen is bekend gemaakt: Denzelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen”. Rom. 16 : 25-27.

Zoomin voor een Engel uit den hemel als voor de wetdrijvende leeraars in de Gemeenten van Galatië en elders zou Paulus wijken. Over allen die een ander Evangelie verkondigen, spreekt hij den vloek uit. Gal. 1 : 8 en 9. En er is geen ander. Satan gaat wel onophoudelijk voort, met zijn: „Is het ook, dat God gezegd heeft?” Gen. 3 : 1, twijfel te zaaien in de harten der menschen, en valsche Apostelen en Profeten te verwekken; Satan kan, als de vader der leugen, Joh. 8 : 44, niet anders dan tegen de Schrift al zijne wapenen voortdurend te scherpen en te richten; maar al het geweld en al de schoone schijn van leugen en leugenprofeten kan de waarheid Gods niet verminderen noch verdrijven. Tot aan de voleinding der wereld zal Jezus zijn met hen die Zijn Evangelie prediken. Matth. 28 : 20. Door het woord der Apostelen zullen alle verlosten door Zijn bloed in Hem gelooven Joh. 17 : 20. Op het fundament der Apostelen en Profeten wordt het ééne Huis Gods gebouwd, totdat het voltooid zal zijn, en alle geloovigen uit alle natiën worden |18| daarop medegebouwd tot een woonstede Gods in den Geest. Ef. 2 : 20-22. En do Heilige Geest geeft allen die gelooven het vast verzekerd en verzekerend getuigenis in hunne harten, dat de Schriften van God zijn; de Geest, door welken God al Zijne kinderen verzegelt, en die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid. Ef. 1 : 13 en 14. Daarom „ontvangen wij alle deze boeken voor Heilig en Kanoniek, om ons geloof naar dezelve te regelen, daarop te gronden en daarmede te bevestigen . . .” Daarom ook „verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn, 1 Joh. 4 : 1; alsook: „Zoo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in huis niet. 2 Joh. vs. 10.” 12).


Een Godgeleerde moet al de Schrift gelooven en — onderzoeken, opdat hij uit de Schrift God leere kennen. Een waar Godgeleerde is een Schriftgeleerde; een Schriftgeleerde, niet zóó als die der Joden in de dagen van Jezus, maar zóó als de Schrift zelve hem teekent. De Schrift getuigt luide tegen Schriftgeleerden, die wel dien naam droegen maar metterdaad tegen God en Zijn Woord zich stelden. Hoe klaagde Jeremia, 8 : 8, over „de valsche pen der Schriftgeleerden.” Van den beginne waren er velen, die onder allerlei naam en in allerlei vorm valschelijk zich beriepen op verborgen openbaringen of op de geschreven woorden van God. 2 Petr. 2 : 1. In het N.T. zijn het inzonderheid de Pharizeeën en de Schriftgeleerden, leeraars der wet en wetgeleerden, die Jezus tegenspreken, Hem trachten te verstrikken en — ten slotte hunne boosheid volmaken en hun machteloosheid ten toon stellen, door Hem te nagelen aan het kruis!

„Wacht u voor de Schriftgeleerden!” riep Jezus, „daar al het volk het hoorde” — ook nu moet al het volk dit weten! — Zijnen discipelen toe. Luk. 20 : 46. In het zelfde oogenblik, waarin Hij de schare en de discipelen vermaant om te doen wat de Schriftgeleerden en de Pharizeeën hun zeggen, omdat zij „gezeten zijn op den stoel van Mozes”, stelt Hij hunne dwaasheid |19| en blindheid, hunne geveinsdheid en ongerechtigheid in het daglicht, en dreigt hen de straf der eeuwige verdoemenis.

In de Bergrede en bij vele andere gelegenheden ontmaskert en weerlegt Hij hunne averechtse theologie, hun verdraaiing van Gods woorden en inzettingen, hun vermenging van menschelijke wijsheid en vroomheid met de waarheid Gods. Tegen die kwaden stelt Jezus den goeden Schriftgeleerde, die Zijne woorden hoort èn verstaat èn doet. Toen Hij de gelijkenissen van het Koningrijk der hemelen had gesproken en verklaard, vroeg Hij den discipelen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere. En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koningrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. Matth. 13 : 51 en 52. Zulkeen bouwt op de rots. Wie Jezus’ woorden niet gelooft en leert en doet, die bouwt op een zandgrond, en de val van zijn huis zal groot zijn, zoodra de watervloeden komen. Al het volk dat zulke leidslieden volgt, loopt het eeuwige verderf tegemoet.


Dát zegt de Schrift. Och, dat alle „Godgeleerden” wilden hooren! Helaas, nu, gelijk vroeger, zijn er zeer velen die de Schrift niet aannemen als Gods Woord. Om alleen van latere tijden en van ons vaderland te spreken, reeds in de 17de eeuw werd in den boezem der Geref. Kerk de rede als de alleen bevoegde uitlegger der H. Schrift geroemd en zelfs op leerstoelen der Universiteiten aangeprezen 13). Steeds feller werden de |20| aanvallen op het Schriftgezag. De verdediging der Schrift werd van geslacht tot geslacht zwakker en al door minder geschikt om den afval ook maar een weinig tegen te houden. Wie met den twijfel, met het ongeloof, begint te redeneeren en te onderhandelen, in plaats van het zwaard des Geestes te hanteeren, Ef. 6 : 17, is gevangen in de strikken des Satans, eer hij ze ziet. ’t Werd een tegenstribbelen, een toegeven en terugtrekken, een loven en bieden 14). En zoo gaat het nog heden ten dage velen „Godgeleerden” van allerlei geest en richting en naam, die niet meer het goddelijk gezag der Schrift onvoorwaardelijk erkennen en toch nog hare leer der zaligheid, althans wat zij de hoofdzaak noemen, willen vasthouden. Dat is in dezen tijd het grootste gevaar voor het volk, dat nog van Bijbel en godsdienst wil weten. Nameloos droevig is het feit, vreeselijk de zonde, |21| ontzettend het oordeel der verblinding en verharding, dat de officieele zoogenaamde „theologische wetenschap” zich durft beroemen, het ouderwetsch Schriftgeloof, dat is, de belijdenis der Christelijke Kerk van alle eeuwen aangaande de Schrift, te zijn ontwassen; dat op duizenden kansels en katheders „Godgeleerden” de H. Schriften bestrijden. Daarin echter steekt het groote gevaar niet. Wie niet opzettelijk zich wil laten verleiden, kan zulke „Schriftgeleerden” gemakkelijk „aan hunne vruchten kennen”, naar Jezus’ vermaning. Maar, gelijk we zeiden: dit is zoo uitermate droevig en gevaarlijk, dat velen, die nog roemen in Jezus als hunnen Zaligmaker, de inspiratie der Schrift inderdaad prijsgeven èn door hun roemen van de Schrift en hun prediken uit de Schrift hunne Schriftverwerping voor de schare bedekken; dat zij hun vermengde prediking aanprijzen als bestaanbaar met de Schrift en het zaligmakend geloof, of ook zelfs als de vrucht van dieper geestelijk inzicht en ervaring. De Kerkhervorming is geboren door de Schrift. De Kerken der Reformatie kenmerken zich eerst en meest door de onderwerping van alle wijsheid en vroomheid aan de Schrift. Ook onze Gereformeerde Kerken staan onvoor; waardelijk op de Schrift, als het onfeilbaar Woord Gods. Moge God ons op dat standpunt houden! Ten dage dat ook in ons midden de allergeringst schijnende tornerij aan de Schrift en haar gezag voor bestaanbaar met of als eislch van de wetenschap der Godgeleerdheid zou gelden zouden de Gereformeerde Kerken wankelen op hare grondvesten. Helaas! helaas, hoe vele, liever gezegd, hoe weinige van de Kerken die den naam „Gereformeerd” dragen, zijn van dit gif nog vrij? Uit alle landen komen booze tijdingen. De „Godgeleerden” onzer dagen zijn, op een klein overblijfsel na, dat God ook nu bewaard heeft naar de verkiezing der genade, geen Schriftgeleerden naar de Schriften, maar openlijke bestrijders of verwerpers. Voor ieder die zien wil, kan dit helder zijn als de dag: het gaat in onzen tijd in de „theologische” wereld om de Schrift. En de groote vraag is niet, of gij alle duisterheid opklaren en alle bezwaren voor ’s menschen begrip wegnemen kunt, maar, of gij nog aan de ingeving der Schrift gelooft. Inspiratie in ouderwetschen, oud-Gereformeerden zin; inspiratie van alle de Schriften en van al de Schrift: òf geen inspiratie., De Bijbel Gods Woord: òf woorden |22| van menschen; zóó staat, uit den aard der zaken, en naar de waarschuwende stem van de geschiedenis der Kerk en der Godgeleerdheid, thans, gelijk voorheen, en altijd de keus 15).

De naam „Godgeleerde” moet daarom aan allen worden ontzegd, die niet onvoorwaardelijk de Schrift vasthouden als het Woord van God. Ik weet het, de z.g. Godgeleerde wetenschap lacht om zulke dwaze taal. Maar met al haar hoogheid en zelfroem kan zij toch niets zekers van God zeggen; al hare weefselen kunnen de armoede en de naaktheid niet bedekken van den mensch zonder de openbaring Gods. Indien niet de Schrift ons God leert kennen; indien niet al wat de Schriff zegt, waarheid is, dan is er geen Godskennis mogelijk, en mag er van Godgeleerdheid geen sprake zijn. „Niemand heeft ooit God |23| gezien”: daarom zal ten geenen tijde iemand der menschen, hij heete theoloog of philosoof, of welken geleerden naam bij ook drage, kunnen zeggen, wat we God aangaande, mogen en moeten gelooven. Geheel de „Godgeleerdheid” wordt, op dat standpunt der arme en waanwijze inbeelding, een tasten en zoeken, een gissen en missen. Kleedt uwe gedachten en overleggingen in ’t gewaad van innig-teedere mystiek of van hooggeleerde wijsheid; vent ze uit als de taal en de vrucht van het gezond verstand, van het goed geweten, van het reine hart — gij, theologen en philosophen, alle gij wijzen der wereld, zijt en blijft predikers, dienaars, en dienstknechten van den gevallen mensch en zijne verdorvene gedachten, niet van God en van Zijn eeuwig Evangelie! |24|

„Ziet, zij hebben des Heeren Woord verworpen: wat wijsheid zouden zij dan hebben?” Jer. 8 : 9. „Niemand heeft ooit God gezien”; maar, geloofd zij Gods erbarming! „de eengeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard!” Joh. 1 : 18.


Al wie oprecht de Schrift gelooft, komt door dat geloof tot onderzoek, en alzoo tot kennis van hare zaligmakende leer, tot de kennis van God.

De geloovigen kunnen in de uitlegging van vele teksten, in gewichtige punten der leer verschillen; de beteekenis van veel in de Schrift kan hun duister zijn; maar, buigende voor het goddelijk gezag des Woords, en de Schrift alleen uit en door haar zelve uitleggende, zijn zulke Schriftgeleerden voortdurend in de school der ware Godskennis, en zal de waarheid, door het licht des Geestes, |25| steeds meer duidelijk worden voor hun oog en hart. Ziet het aan de Kerken der Hervorming. Tegen het oude en tegen het nieuwe ongeloof, en ook tegen Rome’s bijgeloof spreken zij door hare belijdenisschriften als van één gevoelen zijnde, belijdende den Drieëenigen God als den Schepper en Rechter en Verlosser, die al Zijne openbaringen heeft vervuld in „Jezus Christus, onzen Heere!”

Rome wil volstrekt niet gerekend worden met de verwerpers der Schrift. Doch ’t is ontegensprekelijk, dat Rome, evenals de Schriftgeleerden der Joden, de Schrift vermengt met de traditie en, de Kerk vereerend als de onfeilbare uitlegster der Schrift, eene leer van altijd feilbare menschen in de plaats stelt van „de leer der Apostelen”, Hand. 2 : 42, en daardoor toont, niet de oorspronkelijke Gemeente van Christus maar een menschelijk instituut te zijn, eene valsche kerk 16). En hoe velen die anti-roomsch zijn en, gelijk de roomschen, nog met den mond de Schrift als het ingegeven Woord en Jezus als den Zaligmaker roemen, verloochenen inderdaad de leer der zaligheid en prediken een anderen God dan de Schrift openbaart. Wat is en wat wordt er al niet van God en van de menschen gepreekt en geleeraard, op rekening van de onfeilbare Schrift! Hoe vele martelingen moet de Schrift van allerlei hoogwijze en diep-vrome uitleggers onder de scharen en in de gestoelten verduren! De ware Godgeleerden echter, die hongeren en dorsten naar de kennis des Woords Gods als het brood en water des levens, worden door den Heiligen Geest uit de Schrift onderwezen en leeren de rechte kennis van God. God ons te leeren kennen, is het doel van de Schrift. Al Gods daden en woorden strekken tot Zelfopenbaring van God. „Ik ben de Heere en buiten Mij is er geen God” — die stemme des Eeuwigen klinkt door al de Schriften. Om God ons te openbaren, is het Woord vleesch geworden en heeft Hij onder ons gewoond. Om verlorene |26| menschen tot God te brengen, gaf Hij voor doodschuldigen zich in den dood der vervloeking en der verzoening,. God Drieëenig te verkondigen, en allen die geloofden te doopen, leerende hen onderhouden al wat Hij hun geboden heeft — met dien last zond Hij de discipelen tot Israël en tot de volken. Matth. 28 : 19. En voor allen die „door hun woord” geloofden en immer gelooven zullen, is de kennis van God het, hoogste goed. „Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.” Joh. 17: 3. Door dat ééne woord reeds is de Godgeleerdheid der Schrift onverzoenbaar met alle godenleer, die de Heidenen „Theologie” noemden; met de, Jezus als den Christus verwerpende, Godgeleerdheid en Godsdienst der Joden; met Mahomed’s zoenlooze Allah-leer; met de roomsche en met de protestantsche of hoe ook genaamde „Vermittlung” van de woorden Gods en der menschen, van het geloof met de wetenschap, van de genade met de werken. Tegen die allen strijdt de ware Godgeleerde, roemt hij in de kennis van God.

De kennis van God is het juist, waardoor de Godgeleerde zich kenmerkt. Al de geloovigen zijn kinderen Gods, Zijne gunstgenooten en dienaren; deze en vele andere heerlijke namen zijn hun gegeven; maar in het „kennen” van God vat de Schrift al het heil, dat zij in Christus hebben, samen. Kennen, dat is in wezen en werking een „zeker weten” — Catech. vr. 21 — en een onophoudelijk leeren kennen; een vrucht des Geestes, opwassend uit het zaad der wedergeboorte, 1 Petr. 1 : 23, in den weg des geloofs, door de werking van het geheiligd verstand, dat, „de oogen verlicht” hebbende, de waarheid Gods onderzoekt en verstaat en in zich opneemt; kennen, dat is een zien niet slechts van de boomen maar ook van het woud: een verstaan van de beteekenis en de kracht van de woorden Gods elk op zich zelve, maar ook van die woorden in hun eenheid en samenhang als het, het ééne Woord van God, als de waarheid, den weg des levens.

Om toeneming van die kennis der Schrift en van die kennis van God uit de Schrift moet het ons steeds boven alles te doen zijn. Hoe menigmaal wekt de Schrift de kinderen Gods op om op te wassen in de genade en de kennis, opdat de gnòsiv eene p°gnwsiv zij, steeds dieper ingaande op God en de mysteriën |27| der zaligheid. Hoe dikwerf roept zij ons toe: „opdat gij moogt weten”. God wil, dat Zijn volk kinderen zijn in de boosheid maar in het verstand volwassen; een volk dat niet blijft staan bij de eerste beginselen der leer van Christus, niet altijd aan melk genoeg heeft, maar vaste spijzen kan verdragen en begeert; dat niet onervaren zij in het woord der gerechtigheid, maar „volmaakten”, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. Hebr. 5 : 13 en 14.

Die kennis heeft ieder noodig die waarlijk „mensch” wil zijn. Want die kennis behoort tot het beeld van God. Daardoor zijn engelen en menschen essentieel onderscheiden van de dieren die wel eenige kennis van waarneming en gewaarwordingen hebben, maar geen verstand om door het waargenomene te komen tot kennis van den grond en het verband der zienlijke dingen, en allerminst om iets van God op te merken. Adam vóór den val had Godskennis. Daarom hebben al zijne nakomelingen nog eenige kennis van God. 17) Daarom kunnen de menschen nooit ophouden over God te denken en te spreken, hetzij ze Hem loochenen of zoeken. Daarom hadden de Heidenen hunne „Theologie”, en bouwden de Atheners bij al hunne tempels nog een heiligdom voor „den onbekenden God”. De mensch kan niet rusten vóór hij de kennis van God, zijnen Schepper, van den hemelschen Vader, wiens ontaard kind hij is, heeft teruggevonden. En de nieuwe mensch, dien allen aandoen, aan wie God Zijne genade verheerlijkt, wordt voortdurend vernieuwd tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen die hem geschapen heeft. Ef. 4 : 24. Die kennis is een „kennis in alle gevoelen”; een fijne, teedere kennis, en die nooit zonder bevindelijke ervaring is van de zalige gemeenschap van God; eene kennis die al de snaren van het harte beweegt; die verstand, hart en geweten, die geheel de ziel en al hare zinnen doet samenstemmen in de overdenking en genieting en beleving van de beloften en de geboden |28| des Heeren. 18) Naarmate de Christen in die heilige en zalige kennis toeneemt, zal hij meer troost en meer genot smaken in den dienst van God, en meer drang en moed gevoelen om God te zien en te prijzen in al Zijne werken. Hier kennen wij nog slechts ten deele en profeteeren ten deele. Maar, als het volmaakte zal gekomen zijn, dan zullen wij kennen gelijk wij gekend zijn. 1 Kor. 13 : 9-12.

Hoe bevoorrecht is dan ieder kind van God! Voorwaar, een iegelijk die God kent, is wijzer, is voortreffelijker dan zijn naaste. Kinderen des lichts zijn al de geloovigen, schijnende als lichten temidden der duisternis, waarin een krom en verdraaid geslacht zich rijp maakt voor het eeuwige verderf. En allen geven Gode de eer. Allen, onder het O. èn onder het N.T., zingen van ganscher harte, dankbaar en blijde:

Door U, door U alleen,
Om ’t eeuwig welbehagen!

Alzoo — hoor ik u zeggen — zouden dan alleen de ware geloovigen Godgeleerden kunnen genoemd worden. Goed begrepen, M.H.; alleen zij. „Die den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe”, die behoort niet tot de partij van het Zaad der Vrouwe. Rom. 8 : 9. Het eerste wat Jezus van Zijn Koningrijk heeft gezegd, en wel tot een Schriftgeleerde, is juist dit: „Voorwaar, voorwaar zeg ik u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien”; en: „Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koningrijk Gods niet ingaan.” Joh. 3 : 3 en 5. Al heet hij een hooggeleerd theoloog, al is hij een Bedienaar des Woords, al verkondigt hij de rechtzinnige leer, al ijvert hij voor de ware Kerk, hij blijft verstoken van het rechte gezicht op en inzicht in het Woord. Hij kan het logisch verband der Godsgedachten leeren opmeiken en scherpzinnig de begrippen ontleden en beredeneeren, maar de zaken en de zaak kent hij niet. Hij ziet niet, hij proeft en smaakt niet de waarheid en de kracht |29| des Woords; de onmisbaarheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid van den gekruisten en gekroonden Zaligmaker blijft hem verborgen. Hij moge veel weten uit de Schrift, het Woord is niet in hem, en hij niet in het Woord, niet in den Geest, niet in Christus, niet in God. 19) God kent hij niet, en met Gods volk leeft en lijdt en jubelt bij niet. „’t Is mij goed nabij God te zijn” — dat verstaat hij niet. Een Godgeleerde kan hij niet heeten. 20) Daarom is er ook niet de minste zekerheid, dat hij niet morgen met meer scherpzinnigheid van geest en vuur des ijvers zal bestrijden, wat bij heden als het eenig ware verkondigt of belijdt. Hoe grooter de geestesgaven zijn van de onwedergeborenen, die zich wagen aan de studie der Godgeleerdheid en aan de bediening des Woords, des te meer zijn zij in gevaar, het evangelie des kruises door „wijsheid van woorden” aannemelijk te willen maken voor het vleesch. De roem van wijsheid en wetenschap bij de menschen is zoo verleidelijk! Reeds de Apostelen achtten het noodig, luide te waarschuwen tegen de verwisseling en tegen de vermenging van de ‡pçdeixiv 21) „des geestes en der kracht” met de lçgoi piq€noi der menschelijke wijsheid; en tegen de wapenen van het vleesch, |30| dat zich nooit Gode onderwerpt en Hem zelfs Zijne eigene zaak niet toevertrouwt. Hoe gemoedelijker en ernstiger zulk een onwedergeboren „theoloog” is, des te lichter zal hij de gezonde woorden dompelen in de troebele wateren van zijn vroom of onvroom godsdienstig gevoel en zijne deugd. En hoe nabij is het gevaar van veinzerij en van zelfbedrog en van een misbruiken van de leer der genade tot koestering des vleesches!

Waarin de natuurlijke menschen ook verschillen; hoe zij ook opgevoed en onderwezen zijn; hetzij ze gaarne orthodox of zelfs gereformeerd heeten, òf zich beroemen op moderne verlichting; van allen geldt de ondubbelzinnige uitspraak des onfeilbaren Woords: „de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, want ze zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden.” 1 Kor. 2 : 14.

Wat de Gemeente reeds in den tijd der Apostelen van zulke „natuurlijke menschen, den Geest niet hebbende”, heeft geleden, zoowel van voorgangers als van gewone leden, zegt u niet alleen de brief van Judas, maar getuigen al de brieven, en niet het minst die in de Openbaring. Door alle eeuwen heen zijn de ergste ketters juist uit den boezem der Gemeente zelve voortgekomen. „Uit u zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich” — zóó waarschuwde Paulus de opzieners van Efeze; en zware wolven zag hij van elders tot hen inkomen, die de kudde niet zouden sparen. Hand. 20 : 28. Wie niet door Mij ingaat — heeft de goede Herder zelf verklaard — die is een huurling; hem zijn de schapen niet eigen en zij kennen zijne stem niet; en als er geen eere en voordeel te behalen, maar gevaar te duchten is, dan vliedt hij en laat de schapen den wolven ten prooi. Joh. 10. Ook oprechte kinderen Gods, ook godzalige leeraars kunnen wel voor een tijd tot dwaling vervallen, maar hen brengt de goede Herder terug op de paden der waarheid. Doch uit de onwedergeborenen kiest Satan ten allen tijde zijne werktuigen, die, in ’t spoor van Judas en Korach en Bileam en Kaïn, Jezus verraden, de belijders verleiden, de zielen der menschen vermoorden, den Naam van God en Christus smaadheid aandoen, wederstaande altijd den Heiligen Geest. Daar ligt de bron en |31| oorzaak van den verschrikkelijken afval van Gods oude volk, die zich voortdurend herhaalt in de afvalligen van de Kerk en in den afval van geheele Kerken. In ’t wezen der zaak dezelfde zonde als der Heidenen, met hunne kennis van God uit de de Schepping, wien het niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden. Rom. 1. Doch hoeveel zwaarder is deze zonde bij Israël en bij de Christenen, die èn de kennis Gods uit de natuur én die uit de bizondere Openbaring verwerpen!

’t Is dus wel noodig, allen die „Godgeleerden” zijn en willen worden, gedurig te herinneren, dat de eerste vereischte is: vrijmaking van de blindheid en gebondenheid der zonde; gebracht te zijn uit de macht des Satans tot God, door den Zoon, die alleen en waarlijk vrijmaakt. Alleen zulke vrijgemaakten zijn geestelijke menschen, die de dingen des Geestes Gods wel kunnen onderscheiden, en die daarom ook, trots alle wijzen, de dwaasheid des kruises kennen en roemen als de wijsheid Gods. En ieder van hen heeft, door dit verstaan der Schriften, de kennis van God. Alle geloovigen zijn Godgeleerden!


Alle geloovigen Godgeleerden — deze stelling bevreemdt u immers niet?

In Jezus’ dagen hadden de Pharizeeën en Schriftgeleerden een diepe klove gegraven tusschen de mannen der Wetgeleerdheid en de onbestudeerde schare, „die de wet niet weet.” Joh. 7 : 49. Rome maakt een scheidende onderscheiding tusschen „geestelijken” en „leeken”. Met de verbastering van de Kerken der Reformatie wierd al spoedig de predikant in veler oog een man boven het volk, een geleerde, wien de ongeleerde gemeenteleden vrij spel hadden te laten. De Wijsheid der wereldsche hoogescholen heeft Katheder en Kansel gescheiden en van de Godgeleerdheid een wetenschap gemaakt, waarvan — de meeste predikanten niet veel, de meeste ouderlingen zeer weinig, en gewone leden der Gemeente zoo wat niets begrijpen; een wetenschap, tegenover welke de Gemeente onmondig en machteloos is. Die hierarchie der wetenschap, geboortig niet uit den geest maar uit het vleesch, niet uit de vrije maar uit de dienstbare, Gal. 4 : 29-31, is nog veel meer te vreezen dan die der roomsche geestelijkheid. Allerminst op het erf der Geref. Kerken |32| mag de miskenning van de eenheid der Godskennis van alle geloovigen, tot stelsel worden gemaakt. Van de daken moethet worden gepredikt, zóó dat ook de minst kundige het versta en zich geroepen gevoele om dit pand te verdedigen: dat elk geloovige een geestelijk mensch en daarom een Godgeleerde is; en dat ieder die daarop iets afdingt, in de theorie of in de practijk, het lichaam van Christus te na komt, Gods oogappel kwetst.

Is in de Geref. Kerken deze overtuiging krachtig en algemeen? Dreigt niet het gevaar van miskenning, en wel bepaaldelijk uit den „wetenschappelijken” hoek? Gij weet, M.H, dat er in den laatsten tijd nog al eens over „tweëerlei Theologie” is geschreven en gesproken. Het komt mij voor, dat die scheiding van de Theologia in Theologie als Godskennis, en in Theologie als Wetenschap, ook de diepste grond, de wortel is van het verschil van gevoelen in zake Universiteit en Theol. School. ’t Is mij nog niet gelukt, uit al het geschrevene te weten te komen: wat de Theologie als Wetenschap toch eigenlijk anders wil zijn dan de wetenschappelijke Godskennis 22), en waarin hare studie zich kenmerkend onderscheidt van de wetenschappelijke studie der Theologie, die, volgens de verklaring der Synode, de roeping is dezer Theologische School. Maar dit is wel ontegensprekelijk, dat de wetenschap des geloofs niet uit de algemeen menschelijke kennis opkomen kan; dat het bizonder werk des Geestes niet onder het natuurlicht en de algemeene genade mag worden gerangschikt; dat God en de goddelijke dingen niet gecoördineerd, nevengeschikt, kunnen worden met de door de zinnen waarneembare en alle andere eindige dingen, gelijk de vijf vingers van uwe hand met elkander. En die Theologische Wetenschap of Theologie als Wetenschap zal dan „de hoogere” zijn en, boven de bevoegdheid der institutaire Kerken verheven, alle andere wetenschappen moeten verlichten! Zoodra de Godeleerdheid hare eigene, hooge, heilige, plaats inruilt voor de nevenschikking met alle menschelijke |33| wetenschappen, is, zou ik zeggen, haar licht reeds aan het tanen, haar bloed aan ’t bederven, haar doodelijke hartkwaal begonnen.

Van heeler harte zou ik wenschen, geheel en al mij hierin te vergissen. Doch, openhartig gesproken, die leer van een „tweeërlei Theologie” kan ik niet anders dan hoogst bedenkelijk achten. De zoogenaamde „Souvereiniteit der Wetenschap”, waarmede zij in ’t nauwste verband staat, schijnt mij toe meer uit den gedachtenkring van Cartesius en Spinoza dan uit het Woord Gods te zijn ontsproten. 23) In geheel de Schrift lees ik geen enkel woord van kennis of wetenschap als zelfstandige macht, veel min van een theologische wetenschap buiten en boven de Gemeente, die „de vervulling is Desgenen die alles in allen vervult”, in wie Christus woont, door den Geest, met de volheid aller wijsheid en kennis. Een hoogere eenheid der wetenschappen anders dan in Christus, die de Profeet is, van God ons geworden ook tot wijsheid, 1 Kor. 1 : 30, kan alleen de wijsbegeerte der wereld zich inbeelden, die steeds er op uit was, de Sancta Theologia onder hare wetten te stellen en te bespotten, gelijk Hagar en Ismaël aan Sara en Izak hebben gedaan. Volkomen aan gereformeerde bedoeling der voorstanders geloovende, vrees ik echter en ’k acht mij verplicht, ook thans deze vreeze niet te verbergen: dat zij den wissel verzetten en den trein van Kerk en Godgeleerdheid en van de Wetenschap in ’t |34| gevaar brengen van een anderen weg uit te gaan dan de „eenvoudigheid, die in Christus is,” 2 Kor. 11 : 3, leert en van de Godgeleerden eischt. Zou het niet kunnen wezen, dat dit begrip met den aankleve van dien is medegebracht van de wereldsche Universiteiten, en dat het oog nog niet is geopend voor de noodzakelijkheid, de roeping, om ook op dit gebied de reformatie ter hand te nemen en het juk der dienstbaarheid af te werpen? Hoe dat echter ook zij — voortgezette studie en bespreking zal mettertijd wel meerdere duidelijkheid brengen — ik ken, met de Geref. Theologen der aloude Geref. Kerken, wel velerlei Theologie, wat indeeling naar trap en mate enz. betreft, maar principieel slechts ééne: de Heilige Godgeleerdheid, die de Godskennis tot inhoud heeft. 24) En die ware Godgeleerdheid is aan de Gemeente gegeven en haar gewaarborgd door den Geest, die bij haar blijft tot in der eeuwigheid.


Indien er eene Godgeleerdheid ware buiten en zelfs boven de Gemeente, dan zou de Gemeente die toch volstrekt niet noodig hebben, voor haar leven zoomin als voor de opleiding harer dienaren. Dat ligt in den aard der zaak. Dat volgt ook uit de algenoegzame zorg des Heeren voor de Gemeente, die Zijn lichaam is. Zou Hij haar schenken al wat haar ter zaligheid dient, behalve eene wetenschappelijke theologie, die ze — toch niet zou kunnen ontberen? De Godgeleerdheid is het bezit der Gemeente; aan haar zijn, als aan Israël, de woorden Gods toebetrouwd. De Schrift scheidt de Gemeente als „organisme” volstrekt niet van de Gemeente als „instituut”. Wat uit de gaven en ambten, aan de institutaire Gemeente geschonken, niet opkomen kan, behoort gewis niet tot hare taak, maar evenmin tot hare |35| behoeften. En een Theologie als wetenschap, die iets anders en hoogers wil zijn dan de kennis Gods uit den Heiligen Geest, kan de Gemeente noch in noch buiten zich erkennen; daartegen zal zij getuigen, daarvoor zich hoeden! De verst gevorderde Theoloog en de minst kundige belijder zijn alleen onderscheiden in graad en mate van de kennis van God. Het geloof bevat de kennis, de geheele kennis van God; al de kennis die noodig is om God te kennen en te dienen, in ’t verborgen leven, in de Gemeente, en in ’t midden der menschen; het geloof neemt al de Schriften aan en voedt en drenkt zich met al de woorden Gods. Die kennis van en die behoefte aan God en Zijn Woord is besloten in en wast op uit het ééne zelfde volkomene zaad des Woords, dat in aller geloovigen harten is geplant en vruchten voortbrengt. Door het geloof verstaan allen de hoofdzaak van den weg der zaligheid. „Wij hebben geloofd en — bekend”, d.i. hier niet: beleden, maar erkend, verstaan, de waarheid en de waardij er van ingezien: „dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods” — dat getuigen de discipelen, Joh. 6 : 69, en alle geloovigen met hen. „Fides quaerit intellectum”. „Per fidem ad intellectum”. Elk geloovige leert de geheele Theologie verstaan in hare eenheid, onmisbaarheid en dierbaarheid. Wat den wijzen en verstandigen verborgen is, is allen kinderkens, hetzij ze mannen en vrouwen van wetenschappelijke studiën of ongeleerde menschen zijn, „geopenbaard”. God in Zijn recht en den mensch in zijn schuld en reddeloosheid; God in Zijne genade en de zekerheid der zaligheid in den vernederden en verhoogden Middelaar, door den Heiligen Geest. Dat kán niet anders. Omdat zij allen van God geleerd, qeod°daktoi zijn. Omdat zij de zalving hebben van den Heilige, weten zij alle dingen, 1 Joh. 2 : 20-27, dat is: kennen zij de waarheid, het ééne systeem der Godsgedachten, en hebben zij niet van noode dat iemand hen leere, welke de ware leer der ellende, der verlossing en der dankbaarheid zij. Door die wetenschap kunnen de geloovigen ook de predikers onderscheiden, en volgen zij die herders niet, die den goeden Herder niet kennen. Daardoor gevoelen zij ook zoo innige betrekking op allen die hen kunnen opbouwen in de kennis Gods. Gaarne laten zij zich onderwijzen; alleen waanwijzen achten zich boven onderzoek en onderwijs verheven. Maar, het |36| hoogste Godgeleerd onderwijs brengt niets nieuws; niets, dat ook de minst kundigen niet hebben ontvangen in het Woord en in het geloof des Geestes. Want het kan ook niet. Alle geloovigen kennen God en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft. Wat zou eenig Godgeleerde meer kunnen weten dan die kennis Gods? Daarom dan moeten ook allen, die in bizonderen zin Godgeleerden zijn, geene andere en hoogere eere begeeren dan die van dienstknechten van God en van Jezus Christus, „naar het geloof der uitverkorenen Gods en de kennis der waarheid die naar de godzaligheid is, in de hoop des eeuwigen levens”. Tit. 1 : 1. Zóó sprak en deed Paulus, en al de Apostelen. Evenals zij, hebben ook nu de dienaren Gods te arbeiden en te bidden, dat geheel de Gemeente, en al hare leden, gelijk zij in Christus „volmaakt”, vervuld, vol, zijn, Kol. 2 : 10, ook de oogen des verstands ganschelijk verlicht 25) mogen hebben, om die volheid te zien en te gebruiken, de waarheid Gods en de hun geschonken genade altijd meer en beter te verstaan in hare „uitnemende grootheid”, tot Gods eere en hunne zaligheid. Want alle gaven en krachten en alle ambten in de Gemeente zijn gegeven tot haren wasdom en bloei. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas; hetzij de gemeenschappelijke, hetzij de wetenschappelijke Theologie: ze dienen allen — en dat gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft — tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus. 1 Kor. 3 : 21-23, Ef. 4 : 11-16.


Uit het gezegde bleek u reeds, G.H., dat er ook kinderen Gods zijn die in bizonderen zin, ’k bedoel: in hoogere mate dan anderen, Godgeleerden mogen heeten. Een iegelijk geloovige moet en kan, door de leiding des Geestesi opwassen in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. 2 Petr. 3 : 18; 1 Petr. 2 : 2. Aan sommige geloovigen geeft God een bizondere gave van kennis, 1 Kor. 12 : 8-12. |37| Maar behalve die algemeene kennis des geloofs en die bizondere gaven, die ook der Gemeente in haar geheel ten gpede komen, heeft de Heere ook „leeraars” aan de Gemeente beloofd: mannen bekwaam en door de liefde van Christus gedrongen om haar den weg Gods, de kennis van God en Zijnen wil in alle dingen zoowel des tijdelijken als des eeuwigen levens, te onderwijzen. ’t Is met die leeraars als met de leden: niet allen hebben de zelfde gaven; niet allen beijveren zich in de zelfde mate om toe te nemen in „kennis en alle gevoelen”; niet allen worden tot even veelomvattend werk en even uitgebreiden werkkring geroepen. Maar — deze gave is voor hen allen onmisbaar: dat zij anderen kunnen onderwijzen, en, dus meer dan anderen, en voldoende voor de onderwijzing, gevorderd zijn in de kennis der Schriften en in de kennis van God. Elk opziener — zegt Paulus — moet didaktikçv zijn, bekwaam om te onderwijzen. 1 Tim. 3 : 21, 2 Tim. 2 : 24. Dat geldt dus ook van de ouderlingen, die met de herders en leeraars opzieners worden genoemd. Gewichtvol is ook der ouderilingen ambt. Zonder in bizondere mate Godgeleerden te wezen, kunnen zij het niet naar eisch bedienen. Bij al hun anderen arbeid moeten zij de leden der Gemeente leeren en hen dienen met raad en troost; daarenboven acht nemen op de dienaren des Woords, opdat „geen vreemde leer wordt voorgesteld; volgens hetgeen wij lezen Hand. 20 : 29, waar de Apostel vermaant, naarstige wacht te houden tegen de wolven die in de schaapskooi van Christus mochten komen. Om hetwelk te doen, de ouderlingen schuldig zijn, Gods Woord naarstig te doorzoeken en zich zelven gedurig te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs.” 26)

Och, hadden alle ouderlingen deze hunne roeping steeds betracht! De Gemeente zou dan niet een prooi zijn geworden van de wolven in schapenvacht. De „Godgeleerden” die steenen en gift voor brood brachten, zouden, indien al op de leerstoelen der Universiteiten geduld, niet op de kansels hun verderfelijke dwaalleer hebben kunnen verbreiden en de Kerken verwoesten! Voorwaar, ook der ouderlingen taak is zeer zwaar; hunne Godskennis mag wel groot zijn en toenemen van dag tot dag. |38|

De Schrift spreekt ook van ouderlingen die meer bepaaldelijk de gave en de roeping hebben om met alle kracht der toewijding te arbeiden in het woord, de openbare verkondiging, en in de leering, de onderwijzing. Gelijk ook het Formulier ter hunner bevestiging zegt, zijn deze opzieners en ouderlingen degenen die heden ten dage predikanten of beter, naar de taal der Geref. Kerken, bedienaren des Woords worden genoemd. Dezen zijn dus de ambtelijke Godgeleerden. Dezen worden ook „leeraars”, 1 Kor. 12 : 28, en „herders en leeraars”, Ef. 4 : 11, genoemd. Die herders en leeraars zijn gaven van God aan de Gemeente. Niemand, geen enkele school en niet alle scholen te zamen zijn in staat éénen goeden herder en leeraar te verwekken. Dat kan alleen Hij, die het verstand en het hart en den mond schept en door Zijnen Geest eenen iegelijk de gaven deelt gelijkerwijs Hij wil. De gekruiste Christus heeft alle gaven voor de Gemeente van den Vader ontvangen. Hij is „opgevaren verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. En de zelfde heeft gegeven sommiaen tot Apostelen en sommigen tot Profeten en sommigen tot Evangelisten en sommigen tot Herders en Leeraars.” ’k Heb thans niet te onderzoeken, of alleen de laatsten bestemd zijn voor de Kerk aller tijden; alle Gereformeerden stemmen hierin overeen, dat de herders en leeraars zoowel als de ouderlingen en diakenen voor alle tijden gegeven zijn, en voor de Gemeente noodig zijn om zich te kunnen openbaren en te arbeiden in de wereld naar den wil van God. Nu kan de Heere wel zonder opleiding herders en leeraars toerusten. In Art. 8 D.K. erkennen de Geref. Kerken dat onomwonden. Die zeldzame mannen onderscheiden zich eerst en meest hierdoor dat zij „theologen” zijn: mannen begaafd met singuliere gaven, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid. Toelating van anderen dan die een singuliere mate van de kennis Gods en groote gaven hebben om die te onderwijzen en openlijk te verkondigen, zoueen schandelijk misbruik zijn van Art. 8.

Door dat Art. spreken de Geref. Kerken van vroeger en van heden ook zoo duidelijk mogelijk uit, dat het doel der studie en der opleiding in hoofdzaak niets anders is, dan het verkrijgen van datgene, wat die mannen, naar Gods vrijmachtig bestel, |39| zonder bepaalde opleiding, zonder wetenschappelijke studie, ontvingen. De Geref. Kerken kennen geene klassen of standen van herders en leeraars. Gods gewone weg echter is, de mannen met gaven te schenken, en door den arbeid der Gemeente voor de ontwikkeling dier gaven, voor de bekwaming zoowel als voor de zending der herders en leeraars te zorgen.

Daarom verdedigt elk goed Gereformeerde tegen alle Dooperij de onmisbaarheid van degelijk wetenschappelijke, geheiligde studie voor de bediening des Woords. Wie nauwkeurig let op het veelomvattende en het gewicht van hun ambt, moet het ook wel dadelijk toestemmen. Bij al de andere vereischten wordt aan een opziener, een huisverzorger Gods, een herder der kudde, een wachter op Sions muren, inzonderheid deze gesteld: „dat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leeren om de tegensprekers te wederleggen.” Tit. 1 : 9. Om met het Formulier van bevestiging te spreken; „hun ambt is: Eerstelijk, dat zij des Heeren Woord, door de Schriften der Profeten en Apostelen geopenbaard, grondig aan hun volk zullen voordragen en hetzelve toeëigenen, zoo in het gemeen als in het bijzonder tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen, vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens iegelijks behoeften, verkondigende de bekeering tot God en de verzoening met Hem door het geloof in Christus, en wederleggende met de heilige Schrift alle dwalingen en ketterijen die tegen de zuivere leer strijden.” ’t Bevreemdt u dan ook niet, dat de Apostel aan Timotheus, 1 Tim. 5 : 22, schrijft: „Leg niemand haastelijk de handen op”; en dat de Kerken in hare beste tijden hooge eischen ook der kennis, der heilige wetenschap, der Godgeleerdheid, aan hare dienaren hebben gesteld. Wie herder en leeraar wil worden, moet daarom een wetenschappelijke theologische vorming begeeren zoowel als practische geoefendheid. De Kerk moet, voor de toelating tot de Bediening, zich verzekeren, dat hij in voldoende mate een „Godgeleerde” is; en toezien ook, dat hij voortdurend zich oefene, opdat zijn toenemen ook in studie en wetenschap openbaar zij in alles. Een bedienaar des Woords die niet voortdurend studeert, verzuimt de gave die hem is gegeven, het ambt en de Gemeente die hem toevertrouwd zijn, en is zijne heerlijke plaats in de Gemeente onwaardig. |40|

Men behoeft dus niet te zeggen of te vreezen, dat wij geene theologische wetenschap willen; de kwestie is alleen maar, wat gij „wetenschap” noemt. Wij eischen juist den naam wetenschappelijke Theologie, theologische wetenschap, wetenschap der Godgeleerdheid, op voor de Gemeente, en inzonderheid voor hare Bedienaren des Woords. Wij erkennen eene theologische wetenschap in engeren en in ruimeren zin. De engere is de Godskennis zelve, waarvan de kennis van God zelven in de Schepping en in de Verlossing, de hoofdinhoud is, en die alleen uit de Schrift is te putten: de kennis van God, zooals Hij Zich door Zijne woorden en daden, vanaf de Schepping tot de komst van Christus en de uitstorting des Geestes en de stichting van Zijne Gemeente en Zijn Koningrijk in de wereld, heeft geopenbaard; de stelselmatige voorstelling en verdediging van de leer der zaligheid, de gezonde leer, „het Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het Paradijs geopenbaard, en namaals door de heilige Patriarchen en Profeten heeft laten verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën der wet laten vóórbeelden en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld”. Catech. vr. 19. De grondige kennis van het Evangelie: de eenheid en het onderscheid, de ontwikkeling en de voleinding van die Godsopenbaringen; het verband van leer en profetie en geschiedenis; de kennis van God in Zijn wezen en werken, van Zijn wet en van Zijne genade, van Zijnen wil in ’t algemeen en in ’t bizonder, wie Hij is voor de Gemeente en voor de menschen in ’t gemeen — ziet, M.H., die kennis wordt niet verkregen zonder grondige en aanhoudende studie. En al wat nu tot verkrijging van die kennis noodig en dienstig is, noemen wij Godgeleerdheid in ruimeren zin. Om die studie recht te kunnen oefenen, is onmisbaar de kennis der talen, allereerst van die, waarin het God behaagd heeft Zijn Woord te beschrijven; en meer nog, al wat behoort tot bekwaming en scherping des geestes om de Schriften in haar eenheid en verscheidenheid te kunnen verstaan en uitleggen. Om die kennis als een geheel, als een systeem, dat niet uit de grondstoffen gemaakt moet worden, maar als het systeem dat in de Schrift is, de eenheid der Godsgedachten, die in, onder en achter al de woorden en feiten der Schrift liggen; om die Godskennis, zooals zij in God zelven is, voorzoover Hij die ons |41| openbaarde, en welker grondbeginselen in de Geref. Belijdenisschriften zoo juist en helder zijn uitgedrukt, zuiver, helder en krachtig te kunnenvoorstellen; om ook al die woorden elk op zich zelve te kunnen prediken, en als melk aan de kinderen,als vaste spijze aan de ervarenen in het woord der gerechtigheid, te kunnen uitdeelen: ziet, daarvoor is onmisbaar eene groote geoefendheid in het denken, een groote mate van Godskennis en van menschenkennis, benevens eene vaardigheid der lippen, maar inzonderheid een macht over de taal, die ook bij den uitnemendsten aanleg en de heerlijkste gaven alleen door degelijke, ordelijke en aanhoudende studie en oefening wordt verkregen.

Wij hebben de belijdenis der Gemeente. Wij hebben een schat van heilige wetenschap, dien God in den loop der eeuwen aan de Gemeente heeft geschonken, door Kerkvaders en Hervormers en door Godgeleerden van latere eeuw. Doch daarbij mag de Gemeente niet blijven staan. Wel mag en moet zij daarmede rekenen. Geen Theoloog is hij, die zou meenen, zelf alles van voren aan te kunnen en te moeten zoeken en vinden. De Heilige Geest blijft altijd in Zijne eigene historische lijn. Daarom is ook de studie van de Godgeleerdheid van vroegere en latere tijden noodig; en zoo wordt de kring der theol. wetenschap al grooter en grooter. De geschiedenis van den Bijbel, het ontstaan en de verzameling der H. Schriften, de bestrijding, de bewaring en verbreiding; de geschiedenis der Kerk, der leer en der belijdenisschriften; van haar inwendig leven en organisatie, van haar arbeid en strijd en overwinning naar buiten; van afdwalingen en verval zoowel als van reformatie en herleving — de grondige en geordende kennis en studie van dat alles en nog veel meer noemen wij eene wetenschap, de wetenschap der heilige Godgeleerdheid.

Nu kan men over omvang van en grens tusschen die engere en die meer uitgebreide theol. wetenschap wel verschillen, al is men over ’t beginsel het eens. De een kan b.v. rekenen tot de voorbereidende studiën, wat de ander reeds tot de Godgeleerde studiën brengt. Dat echter daargelaten — zooveel zal u, hoop ik, wel duidelijk zijn, dat er groote gaven en krachten, onophoudelijke ijver van lezen en denken, van zoeken en onderzoeken, van vergaderen en van verwerken, en voor dat alles vele jaren noodig zijn om zooveel |42| te verkrijgen en in die mate gevormd te worden, als de Gemeenten, naar de behoefte en de gelegenheid van deze tijden, met recht in en van hare voorgangers mogen verwachten. En ook dit zult gij, hoop ik, beseffen, dat, hoe men den kring der Theol. wetenschap ook mocht kunnen of willen verbreeden, al de wetenschappen, die men in de theol. encyclopaedie vereenigt, allen dienstbaar moeten zijn aan de Godskennis, en aan haar heur beteekenis voor God en de Gemeente en dus hare waarde ontleenen. De Godskennis is het brood des levens, waardoor de Gemeente moet worden gevoed en gebouwd; al het andere is middel en werktuig.

De H. Schrift is de onfeilbare en eenige kenbron der Godskennis; onze Theologie en al de voor hare studie noodige theol. wetenschappen moeten aan de Schrift worden getoetst, en aan hare kennis en prediking worden dienstbaar gemaakt. En zoo — blijft er, dunkt mij, geen duimbreed gronds over voor een philosophische of hoe ook anders genaamde Wetenschap der Theologie, die boven de Godskennis, aan de Gemeente gegeven, zou uitgaan. En er zijn inderdaad geen Godgeleerden, die hooger ambt of gave, bevoegdheid of dienst hebben dan de bedienaars des Woords. Wie van predikanten in onderscheiding van Godgeleerden zou spreken, zou dan ook alle wetenschappelijke studie der Godskennis aan de predikanten ontzeggen — òf den naam Godgeleerdheid toekennen aan eene wetenschap die iets anders is dan de wetenschap van het evangelie des kruises, welke alle dienaren des Woords, in het spoor der Apostelen en Profeten, hebben te verkondigen. En wie mocht oordeelen, dat alleen zulke mannen recht hebben op den naam van wetenschappelijke Godgeleerden, die door en door kundig en knap zijn in al de stukken van de Theologie en in al hare hulpwetenschappen — die erkenne, dat er, indien er immer zulk een wonder der wereld geweest moge zijn, tegenwoordig geen enkel is te vinden en allicht ook in de volgende eeuw niet te verwachten.


Onze School, die thans haren dies natalis viert, heeft van hare eerste ure af, den naam „Theologische” School gedragen, en tot taak gehad, Godgeleerden te kweeken, die als Schriftoeleerden, in het Koningrijk der hemelen onderwezen, nieuwe en oude |43| dingen voortbrengen uit den goeden schat des harten. Godgeleerden heeft zij gekweekt, om de Gemeenten van bedienaren des Woords en der Sacramenten, van herders en leeraars te helpen voorzien. Ik spreek niet van trap en mate; ik roem niet in menschen; maar dit herhaal ik: de Geref. Kerken, door God op nieuw geopenbaard in ’34 vv., hebben evenmin als de Kerken der Reformatie van de 16de eeuw, den naam „Godgeleerde” prijsgegeven aan de wereld, maar dien even vrijmoedig als welbewust en rechtmatig aan hare dienaren toegekend.

De eerste Algemeene Synode der Christ. Geref Kerk, in 1836, eischte voor de toelating tot het leeraarsambt niet alleen goed getuigenis van godzaligheid maar ook ervarenheid in de heilige talen en „grondige kennis van de beschouwende en dadelijke Godgeleerdheid, goed verstand van het herderlijke werk en bekwaamheid in de predikkunde.” 27)

In de rede, waarmede vader van Velzen, toen nog in zijne volle kracht, heden avond juist 39 jaren geleden, zijn ambt aan deze School aanvaardde, stelde hij „het groot gewigt van het werk van den Evangeliedienaar” in het licht. Merkwaardig zijn deze woorden, waarmede hij zijne toespraak tot de „Bezorgers der Theol. School” besloot: „En geve de Heere U de begeerte uwer harten, dat deze School eene kweekplaats zij, waaruit vele treffelijke Godgeleerden, getrouwe herders en leeraars en Godzalige mannen voortkomen, tot eere des Allerhoogsten en tot welstand der Kerk!” 28) |44|

Reeds 39 jaren staat deze School daar als een opgericht teeken van Gods ontferming over Neerlands Kerk en volk. Ook in haar heeft de Heere getoond, dat Zijne Gemeente geen hulp van andere heeren behoeft. Door de afscheiding van het N.H.Kerkgenootschap moesten de Gemeenten zelven voorzien in al wat tot den Kerkendienst behoorde. Dankbaar voor de vele uitnemende mannen, die de Heere haar als bizondere gaven schonk, gevoelde de Kerk van stonde aan hare roeping, om zoo goed zij kon voor opleiding van herders en leeraars te zorgen. De stichting van deze School was de vrucht van jarenlange overwegingen, de kroon op de heeling van scheuren, de samenbinding van tot nu toe verspreide onderwijskrachten en scholen. God gaf aan de vrijgemaakte Kerk eene vrijgemaakte Theologie en eene vrije „eigene” Theologische School; — dát is de blijvende beteekenis van den 6en December 1854!

Ik beweer niet, dat onze vaderen deze hooge beteekenis van hunne vrije opleiding geheel hebben doorzien; maar wel, dat zij ook hiermede welbewust in de paden der Geref. Kerken zijn teruggekeerd. Zij dachten gering van zich zelven en erkenden het gaarne, dat hunne scholen en ook deze School, uit het oogpunt van geleerdheid, verre achter stond bij de hoogescholen des lands. Het besef van eigen geringheid en van de grootheid der roeping drong schier elke Synode tot de overweging, wat er zou te doen zijn, om de krachten dezer School te verhoogen. Doch de Gemeenten hadden en hebbende School lief met de liefde des harten, als een gave van God, en zij werden van de beteekenis der „eigen inrichting” zich allengs meer bewust. Door de honderden bedienaren des Woords, die deze School reeds mocht kweeken, zijn de Gemeenten gebouwd enuitgebreid. De waarheid die naar de Godzaligheid is, baande zich door hare kweekelingen en door hetvoortdurendgetnigenis van de School zelve den weg tot vele kringen des volks. Zelfs op de N.H. Kerk oefende zij invloed. En de door Gods Geest verlichte geschiedschrijver van latere dagen zal niet alleen tusschen ’34 en ’86 maar ook tupschen ’86 en ’54 een door God gelegd verband kunnen speuren. Ook voor andere landen, inzonderheid voor de Nederlanders in Amerika, was en is deze School voortdurend een zegenende zegen. En niet weinigen van de |45| Gemeenten die in ’86 zich vrijmaakten, genieten ook reeds, in den arbeid van bekwame en getrouwe dienaren, van den zegen, door God in deze School aan Neerlands volk gegeven. Moge de wrijving der meeningen in de vereenigde Kerken, waarin ook deze School soms nog al te zeer wordt betrokken, deze uitkomst hebben, dat al de Gemeenten haar kunnen liefhebben als een kostelijke gave van God, haar ten goede; als de aanvankelijke verwezenlijking van het ideaal der aloude Geref. Kerken; als de belichaming van het heilig beginsel: dat de Kerken ten allen tijde van Gods wege geroepen zijn, eene „eigene inrichting” te hebben tot opleiding van Bedienaars des Woords, ten minste wat de Godgeleerde vorming betreft.

Uit den nood, maar niet als noodhulp, — waarlijk, niet! — uit het besef van roeping is deze School geboren; en dat beginsel der roeping hebben de vereenigde Kerken tegelijk met deze School aanvaard. God beware uit genade de Gemeenten en alle mannen van invloed, dat nooit ofte nimmer de Kerk hare vrijheid zich late ontrooven of bekorten om, naar hare roeping, zelve hare herders en leeraars te onderwijzen en te vormen: door de gaven en krachten, die de Heere ook daarvoor haar geschonken en voor de toekomst in Zijne beloften gewaarborgd heeft. Opdat niemand ooit bevonden worde tegen God te strijden en Zijn werk te verwoesten. 29)

’t Is mijn voornemen niet, op dit oogenblik dit recht en deze roeping der Gemeente aan alle zijden te bezien. Verdediging daarvan moest in de Geref. Kerken niet noodig zijn. Indien de Theologie de vracht is des geloofs en alleen aan de Gemeente is gegeven; indien de Gemeente de belofte heeft van al de volheid der gaven des Geestes, tot haar eigen onderhoud en voor al haar werk in de wereld; ziet, dan spreekt het vanzelf, dat zij bevoegd en verplicht en bekwaam is om zelve voor de opleiding harer |46| dienaren te zorgen. Zorgde niet de Kerk des O.T. zelve voor de vorming van de dienaren des heiligdoms? Heeft Jezus niet zelf Zijne Apostelen opgeleid? Hij zond hen immers niet naar de scholen der Godgeleerdheid, die toen onder de Joden bestonden? Geen enkel woord heeft Hij gesproken, dat voor opleiding Zijner dienaren in zulke scholen een aanbeveling zou kunnen geacht worden. Integendeel: Hij heeft den discipelen verboden, den toen gebruikelijken „wetenschappelijken” titel: „Rabbi” te geven en te dragen: „want één is uw Meester, (namelijk) Christus, en gij zijt allen broeders.” Matth. 23 : 8. De Apostelen vormden zelven hunne medearbeiders, en dezen weder de opzieners der Gemeenten. Paulus, die in de school van Gamaliël was onderwezen, heeft zoo duidelijk mogelijk tegen die scholen positie genomen en de predikers van het Kruis alleen van den Heere verwacht, in en door de Gemeente; en de Timotheussen wekte hij op om aan de toerusting van getrouwe mannen te arbeiden. 2 Tim. 2 : 2. Alle gaven, die noodig zijn, van de eerste voorbereiding af, mag en moet de Gemeente gebruiken. Ook daarvan geldt de rijke betuiging: zij zijn allen uwe. 1 Kor. 3 : 22. En de Godgeleerden bij uitnemendheid, de herders en leeraars, zijn in ’t bizonder geroepen tot het heerlijke werk der kweeking van dienaren des Woords. Indien niet allerlei omstandigheden het noodig of meer profijtelijk maakten voor de Gemeenten, zouden er geene algemeene Opleidingsscholen behoeven te zijn; iedere Gemeente zou dan voor opleiding kunnen of moeten zorgen. Principieel blijft de zaak echter de zelfde: of elke Gemeente of dat de Gemeenten tezamen arbeiden aan deze roeping. Het ambt der Kerkelijke Doctoren of Professoren, of, zoo als de leeraars aan deze School heeten, der Docenten is dan ook geen afzonderlijk ambt; geen ambt boven dat der herders en leeraars; alleen een uitbreiding van dat deel des ambts en des werks, dat in den naam „leeraar” aan elken herder is opgedragen. Calvijn, die bizonderen nadruk legt op „leeraars” in Ef. 4 : 11, onderscheidt de Doctores van de gewone herders en leeraars als dezulken, die zoowel door het vormen van herders als door andere onderwijzing geheel de Kerk dienen. Zij zijn niet, gelijk de pastores, aan eene bepaalde Gemeente of Kerk verbonden; de reden daarvoor is niet, dat wie Doctor, leeraar, is, niet tevens pastor zou kunnen zijn, maar omdat de |47| bekwaamheden onderscheiden zijn. Onderwijzen is de taak van alle herders en leeraren; maar deze leeraars inzonderheid zijn geroepen om de Schrift uit te leggen; en dat is een bizondere gave, die God schenkt, opdat de „sanitas dogmatum”, de gezonde leer, behouden blijve. In elk geval blijkt daaruit wel, dat ook Calvijn de opleiding van bedienaren des Woords de roeping en de gave der Gemeente acht, haar door den Heere geschonken in voor dat werk bekwame herders en leeraars, die Hij voortdurend haar geeft; en die zij in rijkere mate mag verwachten, als de dankzegging voor en de smeeking om die gaven toenemen zal.

Ook de Kerkenorde van Dordrecht 1618/19 spreekt van Doctoren ofte Professoren in de Theologie, en omschrijft hun ambt aldus: „de Heilige Schrifture uit te leggen en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan.” En dat de oude Geref. Kerken steeds getracht hebben, zoo groot mogelijken invloed op het Theologisch onderwijs te bekomen, behoef ik u slechts te herinneren. Het Formulier ter onderteekening voor de Professoren in de Theologie is afdoend bewijs, dat zij geen Theologische Wetenschap boven of los van de Kerken erkenden. 30) Dat politieken en scholarchen gezorgd hebben, dat de Kerken slechts geringen invloed oefenen konden, is diep te betreuren; ’t heeft tot het spoedig verval van Scholen en Kerken krachtig |48| medegewerkt. Moge deze les der historie, dez»e stemme Gods in de geschiedenis van Neerlands Kerk, maar nooit worden vergeten! Laat ze ons ook in deze ure te meer dringen tot dank aan den God onzer Vaderen, dat Hij deze vrije School der heilige Godgeleerdheid aan de vrijgemaakte Kerken geschonken en haar ook dit jaar gezegend heeft.

Niet ons, o Heer, niet ons, Uw Naam alleen,
Zij om Uw trouw en goedertierenheên

Alle eer en roem gegeven!

Over „Godgeleerden” in verband met de Theol. School, de „eigene” kweekschool van „Godgeleerden”, beloofde ik u, te spreken. Over beiden nog een woord ten besluite.

Aan Godgeleerden heeft onze tijd groote behoefte. De luide klachten, de verborgene vreezen, de jammerlijke toestand op velerlei gebied, zij bewijzen allen dat de gedoopte volken God en Zijn Gezalfde hebben verlaten en de kennis Gods hebben verloren. Wraakprofeten, en medicijnmeesters die de wonden niet peilen, staan in menigte op; maar zij zullen de redding niet brengen. Alleen de ware Godgeleerdheid kan het heilspoor wijzen. „Tot de Wet en tot de Getuigenis! Zoo zij niet spreken naar dezen woorde, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben.” Die taal, in bange dagen tot Juda gesproken, Jes. 8 : 20 vinde weerklank in de harten van alle leiders des Volks, inzonderheid van hen die op kansels en op katheders de plaats van Godgeleerden bekleeden. De meesten echter zijn verblind, en „Godgeleerden” zonder God, op wie Ps. 2 van toepassing is, telt ook ons land, helaas, velen! Overal behalve in eigen dwaze wijsheid wordt de oorzaak der algemeene ellende gezocht. Eenigen tijd geleden, bevatten de bladen een bericht, dat vooral de ongeloovige Godgeleerden wel met beving mocht vervullen. De man, die door een groot deel der studeerende jongelingsschap van Duitschland hoog werd vereerd, als een genie onder de genieën, prof. Friedrich Nietzsche, is een geleerde die reeds vóór lang allen eerbied voor God uitgeschud en met het Lam Gods op de meest honende en sarrende wijze heeft gespot. Die man is sints 4 jaar krankzinnig. „Hij is bang voor alles, schreit als een kind bij het geringste. ’s Nachts komt hij wel eens tot |49| zich zelven; dan roept hij zijne moeder en zegt haar alleen en altijd weer: „Moeder, ik ben dom.” „Maar, lieve zoon, zegt ze dan, ge zijt beroemd, de eersten der wereld lezen uwe boeken.” „Moeder, ik ben dom”, is het eenig antwoord, dat de kranke haar geeft. Het blad, dat dit mededeelt, noemt dit verschijnsel een der vreeselijkste drama’s der menschheid, en vraagt, wat er meer aangrijpend kan zijn dan deze „terugkeer tot het dierlijke.” Maar ook voor dat blad is het verborgen, dat God in dezen ellendige Zijn bedreiging bevestigt, dat Hij Zijne eer niet straffeloos laat schenden. „Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan,” zegt God. En ook het droeve feit, dat onze eeuw, die zich beroemt, in allerlei wetenschap, niet het minst in die der Godgeleerdheid, een nooit gekende hoogte te hebben bereikt; dat deze eeuw, hoe meer haar einde nadert, al meer de eeuw der krankzinnigheid wordt, ook dat feit is een prediking van Gods wrekende gerechtigheid. En de krankzinnige spotter is in zijn belijdenis „Ik ben dom”, wijzer dan vele wijzen die denken of zeggen: wij zijn god.

„Geen dageraad” voor wie den eenigen waarachtigen God verwerpen; en voor de „Godgeleerden” onder hen zal de duisternis het vreeselijkst wezen! Daarom Gij, Theologen, die ook Theodidakten zijt; Gij, die alleen den naam Godgeleerden moogt dragen; Gij, die in en met de Gemeente der van God geleerde kinderen, gesteld zijt als Profeten, als lichten te midden van een in allerlei donkerheid dolend en God tergend geslacht: ontfermt U! Brengt God tot de volken. Laat het licht der kennis Gods schijnen op elk gebied, des wetens en werkens, van leven en dood. Wie weet, God mocht Zich nog ontfermen! God heeft nog veel volks in Nederland. Och, dat al wie God kent, in de hoogste en in de laagste kringen, om genade voor land en volk biddend en smeekend, den Naam des Heeren mocht uitroepen als de sterke toren waar veiligheid is in allen nood, en het bloed van Jezus Christus als de eenige en volkomene verzoening der zonden!

Behoef ik het nog te zeggen, Geliefden, dat deze nood der tijden ook het gewicht van de taak onzer School vermeerdert? De Kerken vragen, en met recht, van haar mannen die toegerust zijn met wetenschap en verstand, niet alleen om haar te |50| weiden maar ook om hare leiders te zijn op de wegen des Heeren in ’t midden onzes volks ; mannen die God kennen in de liefde van Christus, en die, als studenten reeds voorbeeld der kudde, met priesterlijke barmhartigheid kerk en land dragen op het biddende hart; die niet moede zullen worden te getuigen van de kracht en de wijsheid Gods, tegenover alle valsche wetenschap en alle krachten en machten der wereld en des Satans. Wat staat ons dan te doen? Wij en alle broeders en zusters in al de Gemeenten hebben te bidden, dat God zelf ons beware voor alle personen die niet om Gods wil de bediening des Woords zoeken; dat Zijn Geest een zwaar heir verwekke en ons zende van Godvreezende mannen en jongelingen en kinderen, door Hem bestemd en begaafd om ware Godge leerden te worden; menschen Gods, helden, die de hitte des daags en de koude des nachts willen en kunnen verdragen. Alzoo biddend en door de gebeden van Gods volk gesteund, geve God ons allen, te waken en te arbeiden zoolang het dag is; om door onderwijs en opvoeding, door leering en vorming de ons toevertrouwde broederen toe te rusten, voor het werk in den wijngaard des Heeren, en hen te wapenen voor den heiligen krijg.

Ieder voor zich en tezamen als School hebben wij inzonderheid wel hiertegen te waken, dat wij in geen ding naijverig zijn op of navolgers van de wereldsche scholen; niet naar den eerepalm dingen van eene wetenschap, die Minerva roemt en het bloed des Zoons van God vertreedt. Een eigen banier en eigene manieren betamen ons. 31) De band aan de Gemeente moet niet minder vast en innig worden, maar nauwer aangehaald en dieper gevoeld, en krachtiger werken. Uit de Schrift putten wij al onze kennis; al onze wijsheid en kracht is in God, die in „al de Schrift” ons heeft gegeven al wat noodig is „opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” 2 Tim. 3 : 16 en 17. Dat toch nooit de vele |51| boeken bij iemand onzer het Boek verdringen! De kennis Gods, ’t opwassen in de kennis der leer van Christus zij het wit, in welks lijn al onze studiën zich bewegen; het doel, waaraan alle andere wetenschap dienstbaar worde gemaakt. En daarom zij vooral de uitlegging der Schrift ons dagelijksch werk. Zoodra de Schrift ter zijde raakt, wijkt ook de kennis Gods.

De Kerk der middeneeuwen heeft den Bijbel onder kloosterstof en perkamenten der Godgeleerden bedolven. De Theologie der scholastieken, in hoevele opzichten ook van scherpzinnig denken en noesten arbeid getuigend, heeft de waarschuwing der Schriften tegen ijdele twisting vergeten, en is in eene „ars diabolica litigandi” ontaard. God heeft door Luther en Calvijn het licht weer op den kandelaar geplaatst. Doch ook de Kerken der Hervorming hebben al spoedig weder het woord des Kruises eerst gekleed in, en later vermengd met woorden en gedachten der wijsheid die dwaasheid is bij God. 32) Zullen ook wij daartoe vervallen? Zullen wij de theologische verschillen in en buiten de Geref. Kerken, weder uit het graf halen, en van voren aan verdedigen en bestrijden, wat in de 17de en 18de eeuw Neerlands Scholen en Kerken heeft ontroerd en steeds verder van de bron der levende wateren afgevoerd?

Neen, dát willen wij niet. Daarvoor beware ons God Almachtig! In de echt historische lijnen, op de paden der Geref. Belijdenisschriften, vooruit — dát is onze roeping, onze bede en ons streven. Dieper de Schrift in! — schrijven we in onze banier. De verschillende gevoelens over punten der leer, die van nabij het leven des geloofs, de opvoeding der kinderen, de bediening des Verbonds en het kerkelijk samenleven raken, mogen eindelijk wel eens in Schriftuurlijke eenheid worden opgelost; opdat te beter waarheid en vrede en liefde mogen bloeien. Den reeds verkregen schat der kennis, de Gereformeerde Theologie uit de bronnen op te sporen en te verbreiden — dat blijft, ongetwijfeld, noodig; maar |52| verrijking van den schat uit de eenige kenbron is ook dringende behoefte en heilige plicht. Gods Woord is zoo rijk; de geopenbaarde kennis Gods is een oceaan, een oceaan van levend water voor alle volken der aarde; en wie daarvan drinkt, zal gezond worden en leven tot in alle eeuwigheid. In den onuitputtelijken Bijbel is nog zooveel leering en vertroosting, nog zooveel voor de leer en voor het leven, dat tot nu toe niet opgemerkt of verstaan en in onze Godgeleerdheid niet opgenomen is. Daarom dan, niet terug, maar vooruit! En laten wij toch op de teekenen der tijden acht geven. Door de teekenen der tijden wijst de Heere de Kerken en Scholen van deze dagen bizonder op het profetische Woord, dat zeer vast is, als op een licht schijnende in een duistere plaats. Openb. 1 : 1-3, 2 Petr. 1 : 19-21.

De een wekke dan door woord en voorbeeld den ander op om al de boeken der Schrift en het Woord Gods in zijn geheel na te speuren en te doorzoeken, met meer ijver en aandacht dan immer tevoren. Zóó zullen wij Gode behagen, en elkander tot een hand en voet zijn, en de Gemeenten zullen worden opgebouwd en versterkt. We zullen onzen tijd en zijn barensweeën van nieuwe tijden beter leeren begrijpen. De arbeid der Zending zal ophouden eene bijzaak te wezen, en op de werklijst van alle Kerkelijke Vergaderingen een vaste en voorname plaats ontvangen. Om den Naam onzes Gods wil en om Zijn Gezalfde, Wien de einden der aarde ten erfdeel zijn gegeven, om alle volken „door Zijne kennis” te verlichten en te rechtvaardigen, Jes. 53 : 11, opdat alle valsche goden-leer worde verworpen en de ware Godgeleerdheid alom worde geprezen, genoten en beleefd. In de volle wapenrusting staande, Ef. 6 : 11-18, zullen al Gods knechten sterk zijn tegen de vele God-verzakers en Antichristen, en tegen den Antichrist, die eerlang komt en als een god zal zitten in zijnen tempel. 2 Thess. 2 : 3-33; 1 Joh. 2 : 18. Voortbouwend op het eenige fundament; voortarbeidend aan de Godgeleerdheid en aan het Huis Gods: onder de leiding des Geestes, die de Kerk tot nu toe heeft staande gehouden,en die haar zal troosten en heiligen en toebereiden voor den Bruidegom — zullen wij met al Gods volk op de gansche aarde gezegend en ten zegen zijn. Moge dan de wereld aan ons en aan onze geestelijke zonen den naam van „mannen der wetenschap” |53| ontzeggen, de smaadheid des Kruises zal onze sierlijkheid zijn. De Heere zal ook in onze zwakheid Zijne kracht volbrengen, en naar Zijne belofte, naar Zijne vrijmachtige verkiezing, door het zwakke en onedele en dwaze Gods den ijdelen roem van ’s werelds wijsheid, kracht en aanzien beschamen. 1 Kor. 1 : 25-30. Mocht vroeg of laat de vijand, de vereenigde macht van allen die tegen de Schrift en de ware Godgeleerden zich stellen, zelfs onze scholen en kerken bemoeilijken — geen nood! „Ik ben met u” — zegt de verhoogde Zaligmaker ook tot ons. „Die Mij eeren zal Ik eeren.” En ten jongsten dage geeft Hij ons, uit genade de eere, dat wij, ieder naar de mate zijner gaven en krachten, gearbeid hebben als goede dienstknechten; als ware Godgeleerden, die, van God zelven geleerd, door de kennis Gods God Drieëenig hebben verheerlijkt en velen behouden.


*

Dat God de School ook dit jaar heeft gezegend, zal u duidelijk worden uit wat ik thans nog van hare geschiedenis heb mede te deelen. Acht van de negen Theol. examinandi B verkregen hunne begeerte, en hebben reeds de heilige bediening aanvaard of zijn gereed die te aanvaarden. De 32 Theologische examinandi A, een getal zooals nimmer tevoren verscheen, slaagden allen. Tien van de 14 Litt. exam. werden bevorderd en hebben nu reeds met de Theologische studiën kennis gemaakt, en haar, zoo we hopen, hoofd en harte verpand. Een der afgewezen broederen, die hier eenigen tijd op proef is geweest, werd niet als student aangenomen, omdat Curatoren en Docenten oordeelden dat zijne doofheid hem voor de bediening des ambts ongeschikt maakt; niet om zijn gedrag, aanleg en ijver, die wel wat goeds deden verwachten. De overgangsexamina hadden op gewone wijze plaats; de uitslag was voor velen, niet voor allen, verblijdend. Voor het eerst werd ook een overgangsexamen naar de 5e klasse gehouden, dat op één na voor allen een gunstige uitkomst had. In dit rectorale jaar werden op verschillende tijden 4 adspiranten als student ingeschreven: een van hen is sept. j.l., door bizondere omstandigheden geleid, naar de Vrije Universiteit gegaan. Een ander, leerling der 4e litt.-klasse, verliet ons, omdat hij bezwaar had in de vereeniging der Kerken. Twee studenten verlieten ons reeds vóór de groote vacantie |54| vanwege ongesteldheid. Ook nam de Heere in Zijn vrijmachtig bestel 2 onzer broederen weg door den dood. 15 Febr., Jakobus Poelman, van het 1e Theol. studiejaar, en 16 Aug., Siemen Langenberg, die in Juli tot de 3e Litt. klasse was bevorderd. Broeders, vergeten we onze kranken en ook — onze dooden niet! Weest dan ook gij alle ure bereid! roept de Heere door hun ledige plaatsen ons toe.

Een der studenten, die dikwerf doch, helaas, zonder vrucht was vermaand, moest worden verwijderd van de School. De Heere zij hem genadig! Over het geheel was het gedrag der studenten zeer goed en is en wordt er met grooten ijver gestudeerd. Is dit reden tot blijdschap, we hebben ook voortdurend redenen om elkander toe te roepen: broeders, laat ons acht hebben op elkander tot opscherping der liefde en der goede werken; laat ons volharden in waken en bidden, opdat wij van den booze verlost en voor verzoeking bewaard worden mogen.

In Sept, werden van de 22 adspiranten 20 toegelaten, en later werden er nog twee aangenomen. Het getal studenten is dit jaar grooter dan ooit tevoren: 136. Een groot getal, maar niet te groot. Moge het voortdurend klimmen! Indien maar allen uit de liefde van Christus hier komen, en leven en werken. Niet alleen de Kerken in ’t Vaderland hebben voortdurend vele herders en leeraars noodig; ook in andere landen is plaatsvoor degelijke en trouwe, godzalige bedienaars des Woords. Ons arbeidsveld op Java roept om 10, 20 tegelijk. Wie uwer, geliefde studenten, zal de eerste, wie de tweede zijn, die zich overgeeft tot den dienst Gods onder de Heidenen, om hen bekend te maken met „de groote blijdschap”, dat „de Verwachting der Heidenen” is gekomen en allen tot Zich roept?

Voor welke plaats en welk land God u ook moge bestemmen, overal zult gij tot zegen ervan zijn, indien gij gelijkt op het beeld, dat ik dezer dagen las in een boek van een Godgeleerde, die in ’t laatst der 17de eeuw bedienaar des Woords was in de Geref. Kerk van deze onze goede stad Kampen. „Mij behaagt — zóó spreekt Ds. Simon Oomius aldaar, „het Sinnebeelt, dat iemand gemaakt heeft van een getrouwen Dienaar. Een jong Man in witte kleederen, met de eene hand op zijne borst, en de ander op den Bijbel, met een geopenden mond en omhoog geslagen |55| oogen. Want hij moet wakker zijn als een jongeling, heilig in zijn voorgang, oprecht van hart, vroom van inborst, ervaren in Gods Woord, en niet anders als datselve leerende, sprekende met kracht, en biddende met ijver, hebbende zijne oogen naar den hemel, gelijk de oogen der knechten zijn op de hand hares Heeren, terwijl de hand geslagen is aan het werk.” 33)

Wat de leeraren aangaat — Dr. H. Reinink heeft zijn gewaardeerden arbeid onder ons verwisseld met het Rectoraat aan het Gymnasium te Pretoria. Stelle de Heere hem daar ten rijken zegen! En vervulle Hij uit genade de ledige plaats! De vaceerende vakken in het onderwijs worden tegenwoordig onderwezen door de Theol. Docenten, waarbij ook twee studenten van het 3e Theol. jaar goede hulp bieden. Doch dringend noodig is het, dat niet alleen die vacature worde vervuld, maar ook daarenboven meerdere krachten het Litt. onderwijs komen versterken. De Curatoren doen het hunne, doch tot nu toe blijven wij wachten. Vermeerdere het gebed ook om deze gaven, en schenke ons de Heere spoedig onze behoeften!

De overige leeraren mochten allen het werk tot het einde |56| van den Cursus voortzetten; enkelen werden nu en dan eenige dagen door ongesteldheid verhinderd. In den laatsten tijd is de oudste der nog werkende leeraren, onze hooggeachte broeder de Cock, gedurig door zwakte verhinderd; spare de Heere hem nog en vernieuwe Hij zijne jeugd als die eenes arends! 34) Vader van Velzen leeft nog, doch leeft niet meer mede. De Heere zij hem in stillen vrede nabij, en beware de Gemeenten, dat zij nimmer vergeten, wat Hij haar door van Velzen en ook door onzen ontslapen Brummelkamp wilde schenken!

Onze waarde ambtgenoot Wielenga ontving bij vernieuwing eene roeping als hoogleeraar aan de Theol. School der C.G. Kerk in Amerika. Hoe gaarne wij ook medebidden en medewerken om den bloei van die ons dierbare bloed- en geestverwanten, van die al worstelend boven komende C.G. Gemeenten, en om de ware eenheid van alle Gereformeerden in Amerika — nochtans verblijden we ons dat br. Wielenga ons niet kon verlaten. Nog lange jaren arbeide hij aan deze School, door den Heere gesterkt!

En nu een woord van dank aan u, altijd zorgvuldige en bereidwillige Secretaris, dien elk Rector ten zeerste waardeert als een onmisbare hulp. Dank ook aan de Praetores, die mede het hunne bijdroegen tot den goeden gang van vele zaken. Ook u een woord van dank en heilwensch, hooggeachte herders en leeraars, met de ouderlingen en diakenen; wij allen zijn aan uwe herderlijke zorg toevertrouwd, en danken den Heere voor wat in U ook aan de School is geschonken. Dank voorts aan u allen, voorgangers en leden der Gemeenten, voor uwe liefde tot deze School, waarvan ook uwe tegenwoordigheid in deze feesture getuigt.

En ten slotte het woord tot u, nieuwe Rector, Dr. Herman Bavinck. ’t Is Mij een genoegen, aan U de taak des Rectors te kunnen overdragen. Gij zult ons een goed Rector wezen; ’k zou dat durven verzekeren, al wisten wij ’t niet reeds uit uw |57| vroeger rectoraal bestier. God schenke u al wat gij behoeft, en doe onder uw rectoraat de Theologische School groeien en bloeien! Ik eindig met den wensch, dat de bede, waarmede deze School 35) is geopend: „Geef mij nu wijsheid en wetenschap,” aan u worde vervuld. Onze God en Vader stelle u en ons, uwe ambtgenooten, en al deze onze geliefde leerlingen ook in het nieuwe jaar tot eene eere Zijns Naams, een zegen voor Zijne Gemeente!

Zoo zij het! |58|





Bijlagen

(Zie boven, bl. 32 v.v.)


*

I. „De Souvereiniteit der Wetenschap”

o.i. meer uit den gedachtenkring van Cartesius en Spinoza dan uit het Woord Gods ontsproten.


Zie o.a. wat Jac. Koelman van Spinoza en zijne leer van de souvereiniteit der wetenschap zegt, in „Het Vergift van de Cartesiaansche Philosophie grondig ontdekt, enz, Amsterdam, Joh. Boekholt, 1692.

Na geklaagd te hebben, dat onderscheidene mannen van invloed, zooals Ds. Bekker, Prof. Wolzogen e.a. „kwanswys” klaagden over verval van geloof en zeden, en nochtans met hun schrijven „dat slach van menschen ook al vry gestyft” hebben, komt hij op Spinoza; bladz. 491 v.v. „Daar dezen Spinosa, een Joode hebbende geweest, apparent het Christendom noit hertelyk omhelst had, of immers door de Cartesianery, ’t gemeene vergift van d’ een en d’ ander, tot zijn desperate dwalingen vervoert was; en geen aanzien in onze Kerk had. Ik zal dan hier toonen uit ettelijke staaltjens, dat Spinosa (Niet Benedictus te noemen, maar Maledictus, den vervloekten) door de gronden en Methode van Cartes en Cartesiaanen, tot de Atheistery, en tot de voortzetting van dezelve schriftelijk en mondeling, vervallen is.”

Die zware beschuldiging formuleert hij dan in eenige stellingen, welke hij bewijst door aanhaling uit de geschriften van Spinoza.

Aldus laat Koelman dan zijne waarschuwende stem klinken in den lande: |59|


1. Hoewel hy een hooft der Atheisten is, zo stelt hy toch met Cartes een denkbeeldt Godts, uit welk alle andere kennis moet afvloejen, en is als een vyandt van Atheisten, die hy meint tegen te gaan; dus spreekt hy: z) Helaas! de zaak is nu zo verre gekomen, dat de gene die opentlijk belijden, datse geen denkbeelt van Godt hebben, en datse Godt maar door de geschapene zaaken kennen, zich niet en schaamen, de Philosophen van Atheistery te beschuldigen . . . . a) Dewijl onze kennis en zekerheidt, die inderdaadt alle twijffeling wechneemt, alleen van de kennis van Godt afhangt, eensdeels, omdat niets kan zijn, noch begrepen wordt zonder Godt, anderdeels, om dat wy van alles kunnen twijffelen, zo lang wij geen klaar en distinct denkbeelt van Godt hebben; zo volgt hier uit, dat ons hoogste goedt van de kennis van Godt alleen afhangt . . . . Godt het eynd van alle menschelijke daaden, voor zo veel zijn beeldt in ons is, vereyst etc. b) Al het gene dat wij klaar en distinct verstaan, dat dicteert ons Godts denkbeelt . . . . c) Godt heeft het met zijn zegel, naamlijk zijn denkbeeldt, als met een beeltenis van zijn Godtheidt verzegelt . . . . d) Hier uit blijkt, dat hy godloos is, die de Historien der Schrift loochent, omdat hy niet en gelooft dat er een Godt is, en dat hy alle dingen en de menschen verzorgt . . . . e) Alzo de weesentheit Godts door zich niet bekent is, zo moetse noodsaaklijk beslooten worden uit de kenzaaden, (Notiones) welker waarheidt zo vast moet zijn, dat er geen macht moet zijn of begrepen wordt, waar van zy zouden kunnen verandert worden: want indien wij begrepen, datse konden verandert worden, zo zouden wij van der zelver waarheidt twijffelen en by-gevolge ook van ons besluyt, te weeten van Godts weesentheidt, en wyenzullen van geen zaak kunnen zeker zijn . . . . f) Indien’ er iets in de natuur geschiedde, ’t welk uit deszelfs wetten niet en volgde, zo zoude dat tegen de order, die Godt voor eeuwig door de algemeene wetten der natuur in de natuur gesteld heeft, noodsaaklijk strijden, en by-gevolge zoude het geloof van dien ons van alles doen twijffelen, en tot Atheistery leyden. |60|

2. Hij stelt, dat de Philosophie niet en moet een dienstmaagt zijn van de Theologie, en dat haar kennis alzo zeker is als de boven-natuurlijke of geopenbaarde; g) Wij stellen vast, zegt hij, dat noch de Theologie de reden, noch de reden de Theologie gehouden is te dienen; maar elk heeft zijn heerschappij . . . . h) Dit werk vertrouw ik, zal zeer nuttig zijn voor de gene, die vrij’er zouden Philosopheeren, ten ware dat eene letsel by haar was, datse meenen, dat de reden de Theologie moet dienen . . . . i) De natuurlijke kennis kan met evenveel recht godlijk genaamt worden; in opzicht van de zekerheidt, die de natuurlijke kennis in zich heeft, en ten opzichte van de fonteyn, van welke zy af komt, naamlijk van Godt, zo en wyktse geensins voor de Prophetische kennis . . . . k) ô Onsterffelijke Godt! de godzaligheidt en Religie bestaat in ongerymde geheymenissen, en die de reden t’eenegaar verachten, en ’t verstandt als van natuure verdorven, verwerpen, die gelooftmen te hebben een godlijk licht, ’t welk waarlijk ’t grootste onrecht is; gewis zo zy maar een vonkjen van Godlijk licht hadden, zij zouden zo trotselijk niet uitsinnig zijn . . . . Ik heb my verzekert, dat de Schriftuur de reden absoluit vrylaat; en datse niets met de Philosophie gemeen heeft, maar dat dese en die op haar eygen voeten staat.

3. Hij wilde door de Philosophie, en door ’t natuurlijk licht de Schrift verklaren, en alle vooroordeelen afleggende, niets voor waarheidt aanneemen, dan ’t geen hy daar klaar en distinct begreep!” . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

p) Ik en twijffele niet, of elk ziet nu wel, dat deze Methode geen ander licht dan het natuurlijke vereyst. . . . Hier is te onderzoeken het gevoelen der gener, die stellen, dat het natuurlijke licht geen kracht heeft, om de Schrift te verklaren, maar dat daar toe ten hoogsten vereyst wordt een boven natuurlijk licht; maar wat dit voor een licht zy boven het natuurlijke, dat laat ik haar verklaaren. Immers ik en kan niet anders gissen |61| dan datse met donkerder woorden ook hebben willen belijden, datse meesten tijdt aan de waare zin der Schrift twijffelen enz. . . . q) Ook hier uit kunnen wij toonen, dat onze Methode om de Schrift te verklaren, de beste is: want dewijl bij elk een de grootste authoriteyt is om de Schrift te verklaaren, zo en moet dan den richt-snoer van ’t verklaaren niets anders zijn, dan een natuurlijk licht, allen gemein . . . . r) De gemeene vooroordeelen der Theologie te verbeteren en wech te neemen, behoort tot mijn oogmerk; maar ik vreeze dat ik te laat dit zal beginnen te verzoeken: want de zaak is bijna zoo verre gekomen, dat de menschen zich hier omtrent niet laaten verbeteren; en daar is geen plaats gelaaten voor de reden dan bij zeer weinige; Ik zal nochtans mijn best doen, en niet ophouden de zaak te beproeven, dewijl’er geen reden is, van daar t’eenemaal aan te wanhoopen Maar om die dingen met order aan te toonen, zal ik beginnen van de vooroordeelen, ontrent de waare schrijvers van de heylige boeken . . . . . s) Ja, ik doe’er by, dat ik hier niets schrijve, ’t welk ik niet lang heb bemediteert, en hoewel ik van mijn jonkheidt de gemeene opinien, omtrent de Schrift heb ingedronken, zo heb ik niet kunnen nalaaten, die dingen eyndelijk aan te neemen.”


Men vergelijke daarmede wat Dr. A. van der Linde over den invloed van Spinoza’s philosophie heeft geschreven, in zijne dissertatie: Spinoza, Seine Lehre und deren erste Nachwirkungen in Holland. Ein philosophisch-historische Monographie: Göttingen, Van den Hoeck und Ruprecht, 1862. De belangrijke oordeelkundige historische teekening van „Die ersten Nachwirkungen des Spinozismus in Holland”, besluit hij met een antwoord op de vraag „nach der algemeinsten Ursache” van dien invloed van het Spinozismus in de Geref. Kerken, op de „Theologen”. Wij bevelen dit antwoord aan ter aandachtige lezing en overweging; ook met het oog op de door ons uitgesproken vreeze jegens die zg. „Theologie als Wetenschap”, in onderscheiding van de wetenschap der Godskennis, en als één der faculteiten van de Wetenschap.

„Fragt man nun endlich noch nach der allgemeinsten Ursache |62| dieser spinozistischen Nachwirkung in Holland, so glauben wir Folgendes antworten zu müssen:

Wenn der Spinozismus in der That eine Frucht des Cartesianismus war, so konnte diese Frucht wohl nirgends in solcher Fülle reifen als damals in der holländischen Republik. Der Cartesianismus war einheimisch und theologische Modesache geworden, wie dort nie ein Systein zur Blüthe gelangt ist. Die nach Herrschaft strebende theologische Richting des Cocceianismus verband sich unauflöslich mit der Philosophie des Cartesius. Nicht blosz in den dogmatischen Compendien, in der lateinisch geführten Polemik, sondern auch in der Volks-Literatur, in den ascetischen erbaulichen Schriften ging man aus vom panegyrischen Lobe der cartesianischen Philosophie, was um so leichter war als die Schriften des Cartesius in die Landessprache übersetst waren. Man sprach gradezu von den „rechtgläubigen Principien des Cartesius”, und selbst die ersten Kämpfer gegen Spinoza und dessen Jünger, wie Wittich, Andala, van den Honert waren leidenschaftliche Cartesianer. Zwar nicht mit philosophischen Tiefblick, aber doch mit richtigem theologischen Wahrheitsinstinct hatte sich der würdige Voetius und seine Schule diesem Cartesiuskult widersetzt, wofür er jetzt noch, selbst bei Theologen, das Lob eines beschränkten Zeloten erntet. Und man musz in Wahrheit in Subjektivismus und Götzendienst antergegangen sein, wenn man sich nicht angeekelt fühlt von dieser zehnfach beschränkteren cartesianischen Einseitigheit. — Wo also der Baum so kräftig wuchs, da brachte er seine Blüthe: der aus den cartesianischen Substanzbegriffen des Denkens und der Ausdehnung überflüssig gewordene dritte Substanz = Gott wurde von Spinoza consequent über Bord geworfen, und die „in sich und durch sich” concipirten Formen der Existenz, Ausdehnung und Denken wurden, in ihrer Idendität zur absoluten Substanz proklamirt. Aber, wie so oft in der Welt des Geistes, die Mutter verleugnete ihre Kinder.

Die eigenthümliche Gestaltung der reformirten Dogmatik bot eine andere Seite der Gefahr dar um den Spinozismus anheim zu fallen. Während das Lutherische Dogma vorwiegend anthropologisch ist, betont die reformirte Kirche vor Allein das theologische Moment der Offenbarung. Nur bei der tief gefaszten Lehre des Sündenfalls und der subjektiven Aneignung des Heils |63| in Christo kann das Dogma der Souveränität des Herrn und der freiwaltenden Gnade ohne ethische Gefahren und mit Anschlusz an das Wort Gottes festgehalten werden. Sobald es aber nicht durch die „Höllenfahrt der Selbsterkenntnisz zur Himmelfahrt der Gotteserkenntnisz” geht, d.h. wo die Forderungen des consequenten Denkens nicht corrigirt und gebunden werden durch das Bedürfnisz der Erlösung, — da ist die Gefahr einer Consequenzmacherei entstanden, die nur in den Monismus enden kann. Da wird es &3132;unwissenschaftlich” einen Dualismus von Gott und Welt, von Leib und Seele zu setzen. Die jetzt in Holland dominirende Theologie der leydner Schule beweist die Wahrheit unserer Behauptung von neuem. Diese Theologie geht von einer strengen Prädestinationslehre, von einein sogenannten ethischen Determinismus aus, und ihr Resultat ist ein entschieden pantheistischer Monismus. Sie preist es darum an Spinoza, dasz er den Dualismus des Cartesius durchbrochen und dem Monismus Raum verschafft hat. Und ihre Jünger sprechen häufig von einer „Auflösung in eine höhere Einheit.” In diesem Auflösungsprocesz werden denn auch consequent die gemeinsten Lehren des Christenthums aufgelöst. Es wäre darum leicht aus dem Quellen ein Buch über diese Theologie zu schreiben mit dem für seinen Inhalt sehr passenden Titel: Spinoza redivivus.” Bladz. 169 en 170.


Dat Dr. v.d. Linde zich niet vergist heeft, toen hij in de moderne theologie met haren aankleve Spinoza zag herleven, is ook zonneklaar gebleken door de oprichting „in Holland” van een standbeeld voor dien pantheïstischen wijsgeer. Dat standbeeld is een hulde van den modernen tijdgeest aan den man, die den weg heeft gebaand voor het liberalisme en modernisme in Kerk, Maatschappij en Staat. Door dat standbeeld verklaart zich de partij, die de oprichting heeft ontworpen en doorgezet, solidair, mede verantwoordelijk met de leugenleer van het Spinozisme en de verwoesting der Geref. Kerk vanaf de 17de eeuw. Och, dat de Geref. Kerken, die God in de 19de eeuw weder heeft geopenbaard, en hare Scholen zich van alle besmetting van het Cartesiaansch en Spinozistisch en van elk ander „gift” mogen vrij houden! Ziende op de vaderen der 17de en 18de eeuw, van wie velen |64| verleid waren zonder zelven het te bemerken, mogen wij wel toezien, ieder voor zich en tezamen op elkander. En „wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.” De duivel gaat ook in philosophisch gewaad zonder ophouden rond, zoekende wie hij zou kunnen verleiden en tot beroering en verwoesting der Kerken gebruiken. „Onze Vader, die in de hemelen zijt: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze!”


z. Tract. Theologico-Polit. pag. 16.

a. Ibid. pag. 45, 46.

b. Ib. pag. 2.

c. pag. 144.

d. pag. 64.

e. pag. 70.

f. pag. 73.

g. pag. 170.

h. Ib. praefat. in fine.

i. Tract. Theol. Philosoph. pag. 1 en 2.

k. Ibid. Praefat.

p. Tract. Theolog.-Philos. pag. 98.

q. Ibid. pag. 103.

r. Ibid. pag. 104.

s. pag. 121.




II. Tweeërlei Theologie.

Onder het opschrift „Opleiding of Theologie?” schreef de Heraut van 29 Jan. ’93, o.a.:

„Slechts één punt is er, waarop we van meet af nadruk moeten leggen, en dit is, dat de Kerken wel zijn overeengekomen, dat de Kerken een eigen inrichting voor de theologische opleiding zouden hebben, maar dat ze in geen enkel opzicht zich hebben laten verleiden tot het aangaan van het ongeoorloofd accoord, om zelve als Kerken ook de theologie voor haar rekening te nemen.

Opleiding van Dienaren en Theologie zijn twee zeer verschillende zaken. Zelfs in omvang is de Theologie eenerzijds kleiner dan de Opleiding, en anderzijds de Opleiding weer kleiner dan de Theologie.

Er is Theologie denkbaar zonder eenig verband met de opleiding, en er is eeuwen lang in Christus Kerk Opleiding geweest, eer er van Theologie sprake was.”

Voorts beweert d. H., dat „de Theologie als zoodanig geen Kerkelijke aangelegenheid is.” De bewering, dat de geïnstitueerde Kerken voor de Theologische wetenschap hebben te zorgen, zou — volgens d. H. — de dood zijn voor alle Theologie en er zou geen Theologische wetenschap meer bestaan.

In zijn Nº. van 19 Nov. beweert d. H., in „Theologie en Theologie”, dat de tegenstand tegen de Concept-Regeling o.m. hieruit voortkwam, dat op dit onderscheid van tweeërlei Theologie niet was gelet.

We zijn zeker niet onbescheiden, als we herinneren, dat we reeds in De Roeper van 2 Maart ’93 op deze beweringen de aandacht gevestigd en eenige vragen gedaan hebben. Aldus:

„Over deze stelling mogen alle „geïnstitueerde Gereform. Kerken” |65| wel eens nadenken. Zij is van ver uitziende strekking. Niemand late zich terughouden door de vrees, dat alleen de stem van „wetenschappelijke” genoemde mannen eenig gehoor zal vinden. Inzonderheid de bedienaren des Woords en de opzieners moeten hun hart zetten op deze zaak.

Gaarne willen ook wij deze stelling bespreken. Vooraf echter hebben wij behoefte aan meerder licht. We verzoeken daarom bescheidenlijk antwoord op deze vragen:

1. Wat verstaat De Heraut onder Theologie of Theol. wetenschap; indien tusschen die beide onderscheid wordt gemaakt, welk is dat dan?

2. Waar leert de Schrift, de Geref. Belijdenisschriften en de Geref. Kerkenorde, dat er eene Theol. wetenschap is en moet wezen, die geen „kerkelijke aangelegenheid” is?

3. Waar leert de Schrift ons, dat er theologen zijn in onderscheiding van bedienaren des Woords, en wel als „zeer verschillende” personen en dienaren?

Voor een oogenblik eens toegegeven, dat de geinstitueerde Kerken niet over de Theol. wetenschap mogen oordeelen of dezelve beoefenen, Dr. K. zal toch niet ontkennen, dat de H. Schrift, en zij alleen, ook voor deze zaak als kenbron en rechter moet worden erkend; en dat voor Gereformeerden de Geref. Belijdenisschriften en Kerkorde, ook ten deze kerkelijk-theologisch gezag hebben.

Wij zouden er nog deze vraag aan willen toevoegen:

4. Hebben Calvijn en de volgende Geref. theologen uit den goeden tijd der Geref. Kerken van zulk eene Theologie gesproken, en de Theologie en de Opleiding „twee zeer verschillende zaken” genoemd?

We doen deze vraag het laatst, omdat het gevoelen van Calvijn e.a. zeer belangrijk is, doch onderworpen aan hetgeen de Geref. Kerken zelven hebben uitgesproken.” No. 9 van De R.

De red. van De Vrije Kerk nam in het Maart-no. ons artikeltje over en betuigde aldus zijne instemming:

„Ook ons kwam de uitspraak van de Heraut zeer opvallend voor. We hopen dus dat de Heraut op bovenstaande vragen duidelijk zal antwoorden. Ook wij wenschen inmiddels over deze zaak na te denken en later aan onze lezers mede te deelen, wat |66| de broeders, die er thans over aan het woord zijn, ons hebben ten beste gegeven.”

We hebben later onze vragen herhaald en nog eens herhaald, doch tot na toe geen antwoord bekomen.

In d. H. van 12 Nov. stelt Dr. Kuyper deze „reeks van gedachten” voor:

„1. Er is Theologie ook buiten de geïnstitueerde Kerken. 2. Dus vloeit de Theologie niet uit het Kerkelijk ambt. Derhalve 3. kan de Theologie niet tot de eigenaardige taak der geïnstitueerde Kerk behooren. En 4. kan de geïnstitueerde Kerk ook voor de Theologie zorgen, maar niet Kerkelijk, en uit overwegingen van raadzaamheid, prudentie en profijtelijkheid.”

Een stapje nader — zou men zoo zeggen. En — een zeer zwakke argumentatie; ook weder geheel buiten de Schrift om. Omdat er ook gewone leden der Gemeente zijn, die gaven, tijd en lust hebben om het Woord te verkondigen en dat ook doen, maar niet ambtelijk, daarom — is er geen ambt van bediening des Woords. Dát — zou uit Dr.K’s. redeneering volgen.

In de H. van 19 Nov. wordt in „Theologie en Theologie” gewezen op „het verschil tusschen Theologie als wetenschap en Theologie als kennisse Gods.” Daarin wordt o.a. beweerd, dat: „Het ééne zelfde woord (Theologie, Godgeleerdheid), in onze oude Dogmatieken, overal voor deze twee zeer verschillende zaken wordt gebezigd. Theologie is het woord zoowel voor de wetenschap der Godgeleerdheid als voor de Godskennisse.

In het onderhavig geding kan men-dus zeer wel zeggen, dat de geïnstitueerde Kerken van Christus’ wege geroepen zijn, om de Theologie voort te planten en zuiver te houden, mits men, zoo sprekende, hieronder dan maar versta de Godskennisse. Maar dit dient er dan ook altoos bijgevoegd. Anders toch verstaat een ieder daaronder: de Theologie als Wetenschap, en helpt zóódoende en zich zelven en zijn hoorders in de war.”

Daarop nu hebben wij in „De Roeper” van 23 Nov. gevraagd, in „Wat is de Theologie als Wetenschap?”:

„Zou De H. nu ook de goedheid willen hebben: a. eene definitie te geven van de Theologie als Wetenschap, of liever nog, eene uiteenzetting waarin deze verschilt van de Godskennisse; b. aan te toonen, dat de Godgeleerden van vroeger |67| eeuw, zij het onder den zelfden naam, ook die „tweeërlei Theologie” hebben gehad en geleerd?

Ook op die vragen — tot nog toe geen antwoord. Waarom toch niet? We zijn zoo vrij, deze en bovenstaande vragen nogmaals aan De Heraut bescheidenlijk voor te leggen.


Wat nu die onderscheiding van Opleiding en Theologie, als „twee zeer verschillende zaken” en die „tweeërlei Theologie” aangaat, moeten we herinneren, dat die onderscheiding noch in de onderhandelingen te ’s Hage, noch in de samensprekingen der wederzijdsche Deputaten vóór de Synoden te Amsterdam is besproken; dat daarvan evenmin op de C.G. Synode sprake is geweest, en dat in de door de Generale Synode te Amsterdam aangenomen „Bepalingen” zelfs niet de minste aanduiding daarvan is te vinden.

Die onderscheiding is later te berde gebracht. Eerst door Dr. Kuyper in De Heraut; vervolgens in de Concept-Regeling, die spoedig daarna de Gemeenten heeft verbaasd en geschokt.

De Synode van Dordrecht heeft die Concept-Regeling ter zijde gelegd. Over de leer van eene Theologie als Wetenschap heeft zij zich niet opzettelijk uitgesproken, maar wel de Theologie aan de Kerken toegekend. Het nieuwe voorstel der Deputaten, waarin de Universitaire studie en opleiding uitgangspunt was, is met de twee anderen ook op zij gelegd, volgens het eindvoorstel van de gezamentlijke voorstellers; en het aangenomen voorstel heeft „de vorming” zoowel door de wetenschappelijke studie der Theologie als door de practische toebereiding voor de heilige bediening, toegekend aan de „eigen inrichting” der Kerken gelijk dit — de Christ. Ger. Kerk van meet af heeft gedaan. Zie in De Roeper en andere bladen van Sept. ’93.

De vereenigde Kerken kennen dus die onderscheiding niet.

Evenmin als de oude Geref. Kerken. Men zoeke in al de werken der Reformatoren, in die van Zanchius en Voetius, in de Synopsis, tot B. de Moor, Comment. in Marckii Comp., uitgeg. in 1771, toe — men vindt slechts ééne Theologie. Voor wat Dr. K. en de Concept-Regeling de Theologie als Wetenschap noemen, hebben zij geen naam; om de eenvoudige reden dat zij de zaak niet kennen, althans niet erkennen. De Theologie als |68| Sapientia en als Scientia, de wetenschap der Theologie is bij hen, wat zij is in de verklaring der Synode van Dordrecht: de Wetenschap der Godskennis, de wetenschappelijke studie der Theologie.

Ik houd me aanbevolen voor debat over dit punt met Dr. Kuyper en met al zijne medestanders, die — tot nu toe ook op onze genoemde vragen en al wat wij en anderen verder daarover hebben geschreven, een diep stilzwijgen hebben bewaard.


De meergenoemde Concept-Regeling, welker beginselen Dr. K. verklaard heeft alsnog te handhaven, spreekt ook over het onderscheid van Theologie en Theologie. Volgens haar moet de „wetenschappelijke beoefening der Theologie” wel onderscheiden worden van „de formuleering der Godskennisse door de Kerken”. De eerstgenoemde Theologie „komt ook in verband te staan met het geheel onzer menschelijke kennis.”

Die Concept-Regeling hebben wij in haar geheel en in al hare deelen besproken in No. 19-34 van „De Roeper” des vorigen jaars. We nemen hier over, wat in XI van die artikelenreeks is opgemerkt tegen de scheiding der Theologie in Godskennis en Wetenschap.


„22. Tot nu was de Kerk aan het woord. Nu laten Deputaten de Theologie optreden; wel te verstaan, niet de Theologie der Kerk, maar die der Wetenschap. Nu komt er wat anders kijken . . . . De Theologie heeft nog heel andere en hoogere eischen dan de Kerk met haar opleiding van dienaren en profetische roeping. En aan die Theologie moet de Kerk gedwee gehoorzamen; op straffe van censure en ban door de oversten der Wetenschap. Luistert slechts naar II van het Concept.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

„Indien we — zegt het Concept — tot den wortel der beginselen teruggaan, treedt de Theologie nog met heel andere eischen op dan de Kerk, vermits ze ook in verband komt te staan met het geheel onzer menschelijke kennis.” Wat is die „wortel” van de „beginselen”? Een onduidelijke term, maar groot en ontzagwekkend genoeg, om de meeste menschen bang te maken, over deze zaken zich ook een meening te vormen, veelmin die uit te spreken. Nochtans gaan deze zaken, Kerk, |69| Godgeleerdheid, Opleiding, allen leden der Gemeente aan, en dragen allen mede de verantwoordelijkheid voor hetgeen de Opzieners en de Kerkvergaderingen besluiten. Zóóveel is wel duidelijk, dat „de Theologie” in het Concept hooger staat dan de Kerk.

23. Maar wat is zij dan toch? Zij is niet de Godskennis, die de Gemeente door den Heiligen Geest uit de Schrift heeft geleerd en voortgaat te leeren, en die de Gemeente heeft te bewaren en te verbreiden. Zij is, „vrij” van de Kerk, voortgekomen uit „den drang naar weten”, die den mensch is ingeschapen, en, „mits door de verlichting des Heiligen Geestes in het rechte spoor geleid, de gansche Wetenschap het aanzijn geven kan, en ook zoekt door te dringen tot de kennisse Gods”. En de Theologie der Kerk — is die dan ook niet uit dien geheiligden „drang naar weten” voortgekomen? Of — maakt het Concept hier tegenstelling tusschen weten en geloof? Merk op, dat het Concept niet zegt, waarin deze „wetenschappelijke beoefening der Theologie” te onderscheiden is van „de formuleering der Godskennisse door de Kerken”. Toch niet daarin, dat zij gebruik maakt van „de wetenschappen”? Immers, ook de Godskennis der Kerk is en wordt niet verkregen zonder kennis der grondtalen en geoefendheid in velerlei andere kennis. Wat is zij dan toch? Wil, moet, deze „wetenschappelijke Theologie” verder gaan, verder en dieper doordringen tot „de kennisse Gods”, dan dit aan de Kerk mogelijk en geoorloofd is? Kán zij dat? Mag zij dat pogen? Verloopt dan die zoogenaamde „theologie” niet in philosophie?

Ook niet dit kan het onderscheid zijn, dat de Theologie der Kerk, d.i. de Godskennis, onnoodig zou zijn voor de andere wetenschappen „tot hare leiding en voorlichting uit de Schrift”, of daartoe onmachtig. Want niet aan eenigen kring beoefenaren der „menschelijke kennis”, maar aan de Gemeente is beloofd en gegeven het recht verstand van de Schrift, en aan haar is opgedragen, het licht Gods te laten schijnen op alle terreinenvan het leven, van het weten en werken, van het lijden en strijden der menschen.

24. Willen Deputaten dan de Godskennis indeelen bij de „menschelijke kennis”, als een der „vijf stengels” van den stam |70| der universitaire wetenschap? Dán — zoeken zij, evenals de wereldsche geleerden steeds hebben gedaan, in een „Universiteit” de „eenheid der wetenschappen”, doch zij vinden de ware „eenheid” niet. Die eenheid ligt in de kenbron: de H. Schrift; in den wortel: Christus, den Profeet, die ons van God ook geworden is tot wijsheid, 1 Korinthen 1 : 30; die de persoonlijke Opperste Wijsheid is, de persoonlijke unie van alle wetenschappen, welke juist en alleen door en in Hem ééne, de, Wetenschap zijn. Die eenheid ligt, subjectief, in het geloof van den beoefenaar der wetenschappen, waardoor hij alle voorwerpen der kennis ziet en onderzoekt in hun verband tot den Schepper, tot de zonde en straf, tot de verzoening en herschepping.

Daarom kan juist de Kerk, en zij alleen, in den diepsten grond, op de rechte wijze, met het ware doel, de verschijnselen en het wezen der dingen leeren bestudeeren. Daarom zullen ook alle ware leden der Kerk, die hun roeping verstaan, ijveren niet alleen voor de studie der Theologie, maar ook voor die van alle wetenschappen in christelijken geest, naar Gods Woord, en geen vrede kunnen hebben met de Staatsscholen voor letteren, rechten, medecijnen, enz. enz., maar gaarne het hunne doen om een school of scholen te steunen, waar onze aanstaande geneesheeren enz., worden onderwezen op Geref. Grondslag.

Maar juist daarom moet de Theologie of Theol. Wetenschap geheel en alleen aan de Kerk blijven; moet zij niet, gelijk het Concept leert, al bedoelen de Deputaten het wellicht anders, „onder de korenmaat” der wetenschappen gezet worden, — want dát wordt de Theologie, zoodra zij gelijkgesteld wordt met en ingedeeld bij de wetenschappen der „menschelijke kennis” — maar „op den kandelaar” blijven, waarop God haar heeft geplaatst; evenals Hij de zon hoog aan den hemel heeft gezet om de aarde te kunnen verlichten. Daarom is de Kerk van Gods wege geroepen, hare „eigene” School voor Theologie en Theologen, d.i. bedienaars der Woords, verkondigers der Godskennis, te hebben en met heilige jaloerschheid en teedere liefde te bewaren, te bewaken en te verzorgen. Zóó zal zij zich zelve behouden en als Kerk onderscheiden blijven van het Godsrijk, gelijk Jeruzalem, als de stad Gods, van het heilige land; zóó zal, evenals Jeruzalem de hoofdstad was van het land, door den |71| Tempel een zegen en middenpunt voor al de stammen, de Kerk door de „eigen” bediening des Woords en de „eigen” kweeking van bedienaren, een zegen worden voor alle scholen der wijsheid, en alle kringen van het volksleven. Zóó zal de Kerk, de heilige wetenschap beoefenende en hareeigene inrichting” verzorgende, aan de andere geheiligde wetenschappen hare „eigene” plaats en scholen laten. En zóó zal de ware eenheid van alle kennis, de Christelijke Wetenschap, kunnen groeien en bloeien, zich aansluitende bij, zich groepeerende om en bestraald door het licht van de Kerk evenals de dagen der week bij en door den dag dien de Heere Zich geheiligd heeft.

25. Uit het voorgaande is reeds duidelijk geworden, hoe onrechtmatig en onverstandig het Concept ietwat geringschattend spreekt van een „opsluiten der Theologie als Wetenschap in een Seminarie”, een waarlijk „afgesleten” term. Men zou evengoed kunnen zeggen, dat niet elke „faculteit” háre wetenschap moet „opsluiten”; dát toch doet in zekeren zin elke faculteit die zich alleen met hare eigene zaken bemoeit. Neen, niet „opgesloten” wordt de Theologie in eene „eigene inrichting”, maar voor „verflauwing der grenzen” behoed, en in staat gesteld allen te verlichten. Dat gewenscht en geroemd „organisch verband” kan zeer wel bestaan en werken, zonder dat de Theol. Wetenschap aan „de andere wetenschappen”, die „in beginsel, voorwerp en doel van haar onderscheiden zijn” worde vastgeketend. Dat „organisch verband”, zooals het tot nu toe aan de Universiteiten was, oefende inderdaad o zoo weinig invloed uit; en overal en in alle eeuw was de Theologie, in plaats van als leidsvrouw en lichtdraagster geëerd, doorgaans de benijde, de bestredene, de onderliggende. De Theologie aan onze Rijks-Universiteiten, reeds in de 17de eeuw verbasterd, is geëindigd met smadelijke oplossing in de moderne „Godsdienst-wetenschap”.

Geref. Kerken, laat u toch niet van de wijs brengen door groote woorden en schoonschijnende voorstellingen van idealiseerende broederen, die redeneeren uit een begrip van Wetenschap, dat zij van de we reldsche Universiteit hebben ingezogen, en dat zij als een juk, niet minder erg dan dat der organisatie van 1816, moeten leeren afwerpen! Moge het daartoe spoedig komen! Tot zoolang blijft deze theorie een gevaar voor de vrijmaking |72| der Kerk en der Theologie en voor de eenheid der Kerken.” No. 32 van De R.

We voegen hierbij alleen nog:


A. een uitspraak van Voetius, dat de geheele Theologie practisch is. Een Theologie om zich zelve, een Theologie als Wetenschap, die er om de Wetenschap zou zijn, en iets anders of hoogers dan de Theologie, die aan de Kerken behoort en voor haar welzijn noodig is, wordt door dit woord van Voetius ganschelijk afgewezen:

Theologia practica laté accepta notare potest omnem Theologiam quaecunque secundum sacras literas aut ex iis traditur sive in commentariis ad Scripturam, sive in locis communibus et catechezibus: quia omnis Theologia viatorum suo genere est disciplina practica, nec potest ulla ejus pars rité ac plené tractari, quae non practicé tractetur, hoe est, applicaté ad praxin resipiscentiae, fidei, spei, caritatis; seu ad usum consolationis aut adhortationis. Uti hoc docetur in loco communi de Theologiâ; idque hic praesupponimus tantum, non ulterius ventilamus. Confer disp. de Theologia. Strictius notat: 1 Delineationem praxiosetc. Select. Disput. theol., Pars tertia, De Theol. practica, pag. 1.


B. Hetgeen de opsteller van onzen Catechismus zegt van de Theologie.

Zie in Zach. Ursini, Opera theol. Pars I, de „Theses de praecipuis Theologiae Capitibus; pag. 754 v.v.

I. De Theologia sive Doctrina ecclesiae; . . . . .

Vergelijk de Paraenesis ad Theologiae et doctrinae Catechelicae sedulum studium, pag. 3 v.v., en de Prolegomena de doctrina ecclesiae; pag. 47 v.v.

Zie in de Nederl. vert. van het „Schatboek&3148;, uitg. v. Spiljardus, fol. 2 v.v.;. en in Zach. Urs. Verklaring op den Heidelb. Catechismus, door C. v. Proosdij, bl. 1 v.v.

Het onderwijs in en de beoefening van „de leer der Kerk” is bij Ursinus het zelfde als: het onderwijs in en de beoefening der „Godgeleerdheid.” |73|




III. „Eigen” kweekschool der Kerken of een Theol. faculteit?

Met deze splitsing van de Godgeleerdheid als Godskennis èn 9 als Wetenschap, die o.i. de vrucht is van de Spinozaansche wijsbegeerte, hangt ten nauwste saam de tegenstand tegen een „eigene” School voor volledige theologische studie én opleiding, en de ijver voor een Universiteit. Dát is dus het punt in kwestie.

De Universiteitsidee, met haar universitaire wetenschap, zooals die zich allengs heeft ontwikkeld, is pantheïstisch. Zij wischt de grenzen uit: de grenzen tusschen het eeuwige en het geschapene; tusschen God en den mensch. Zij maakt de Godgeleerdheid, de wetenschap der dingen God aangaande, een onderdeel van het geheel der menschelijke kennis; zij miskent het onderscheid tusschen de schepping en de genade-openbaring; zij stelt den denkenden en „wetenden”, dat is: „wetenschappelijken” mensch en de wetenschap boven den geloovige en het geloof, boven de Kerk en hare dogmata, boven — God en Zijn Woord. Al komt het niet tot die consequentie, in beginsel is die gelijkstelling van de „eigene” wetenschap des geloofs en der Kerk met de wetenschappen „naar het vleesch”, der schepping, der menschheid — pantheïstisch. En pantheïsme leidt tot nihilo-theïsme.

In vroeger eeuwen had men een universiteit van onderwijzers en leerlingen. Doorgaans was in die scholen de Theologie het begin en de hoofdzaak. Zoo ook bij de oprichting der vaderlandsche academiën; denkt slechts aan de stichting van die te Leiden.

De samenvoeging van leeraren en van scholen der Theologie met die van de Wijsbegeerte e.a. heeft medegewerkt tot de valsche eenheids-idee. En die eenheidsidee heeft toen aan de Theologie hare eerste, hare vorstelijke plaats ontnomen; en ze heeft haar eerst wezenlijk, later ook vormelijk, achtergesteld bij de Wetenschap. En toen wilden de „Theologen” toch ook de eere der „Wetenschap” behouden.

En zóó is het geschied, dat de heilige Wetenschap, de Wetenschap der heilige Godgeleerdheid zich de vernedering heeft getroost om zich te laten indeelen in den algemeenen winkel der Wetenschap. |74| Van de thans nog gebruikelijke 5 loketten heeft de Theologie goedgunstig er ook eene gekregen. Men spreekt daarom van medische faculteit, theologische faculteit enz., als van twee ossen aan een en het zelfde span! Ai mij! Hoe is ’t mogelijk dat mannen als Dr. Kuyper en Rutgers niet inzien, dat de S.S. Theologia aldus „hare eigene woonstede” verlaten heeft? Nog erger is het, dat mannen uit de Afscheiding, uit de Vrije Kerk en School afkomstig, ook al blind schijnen te zijn voor deze zonde en dit gevaar. Is het mede de invloed van de wereldsche, ongoddelijke, gymnasia en universiteiten op de Gemeente en haar zaad? Of is die universiteitsidee op Geref. wortel over te planten?

We blijven biddend hopen, dat de oogen ook van „Amsterdam” voor deze principieele fout zullen open gaan, Zien wij op de verandering van gevoelens op Kerkelijk gebied, sedert ’80, dan vatten wij moed. Wie weet, of Dr. Kuyper c.s. niet, eer nog dit decennium ten einde is, de onwaarheid en het gevaar der „tweeërlei Theologie” zullen inzien. Dat geve God naarden rijkdom der genade, waardoor Hij hun gegeven heeft, nu reeds eenige jaren met ons in hoofdzaak te spreken en te doen, wat zij vóór nog slechts tien jaren ook in ons hebben betreurd en bestreden!

Dán zal de valsche universiteits-idee worden losgelaten. Dán zal de Vrije Universiteit ophouden een gevaar voor de Kerken en hare „eigene” School te zijn. Dán zal de reformatie der Vr. Univ. beginnen-met art. 1 der Statuten, waarin de revolutionaire „Vrijheids”-idee wordt gehuldigd *) Dan zal de Theologie niet worden geperst in het korset der algemeene encyclopaedie, maar als een „eigene” Wetenschap, met „eigen” doel en practijk, in de ware vrijheid bloeinn, alleen gebonden aan de Schrift, en toevertrouwd aan de Gemeente, in de haar daarvoor van God gegeven organen en ambten. Zij zal dán een licht zijn dat al de wetenschappen verlicht. Dan zal al de Wetenschap en elke in ’t bizonder tot haar recht kunnen komen; eene christelijke, |75| gereformeerde, wetenschap: elk deel naar zijnen aard groeiende op den wortel des geloofs, bestraald met het licht der waarheid, gekoesterd door alle leden der Kerken. Dán kan er ook verband komen tusschen de School der Godgeleerde wetenschap en de Scholen van de wetenschappen der aarde. En ook zonder dat verband kunnen de aardsche wetenschappen dan als een geheel samenwonen. Omdat niet een School der Theologie, maar de Christus zelf de eenheid is en de eenheid werkt van alle kennis, van alle wetenschappen.

Dán zal de vraag: of de vrije, gereformeerde „Academie der Wetenschappen” en de School der Godgel. Wetenschap in de zelfde plaats en in nauw verband met elkaar zullen worden gebracht, geen twistappel meer kunnen zijn; omdat zij dán slechts een punt is van practische overwegingen aangaande profijtelijkheid, tijdigheid en dergelijke bijzaken.

Maar nu èn tot zoo lang erkenne ieder, die wil medespreken in deze zaak die aller is, dat wij niet mogen ophouden, tegen elk verband van de Theol School met de Vr. Universiteit te waarschuwen: omdat haar en harer hoogleeraren begrip van „Wetenschap” de dood is voor de Wetenschap der Godskennis, de heilige Wetenschap der Godgeleerdheid. Men houde ook op, ons te verdenken of te beschuldigen, dat wij den bloei der Vrije Universiteit tegenhouden. Sints 20 jaren hebben wij al door geroepen om christelijke scholen, om een universiteit, ter opleiding van medici, juristen, enz.

Dat na 13 jaren de Vr. Univ. nog geen begin van een zoo broodnoodige medische faculteit heeft, smart mij. Maar van jaar tot jaar is mijne overtuiging versterkt, dat ook de Vr. Universiteit krank is in den levens-wortel; dat de Universiteitsidee, en de daarin begrepen inpersing en opsluiting van de Theologie in een „faculteit” onjuist, valsch, kollegialistisch, ganschelijk in strijd is met Gods Woord en met de Geref. belijdenis van Gods Souvereiniteit en ’s menschen diep bederf; dat loslating der „Godgeleerdheid”, wijl zaak der Kerken, het begin moet zijn van de reformatie der meergenoemde vrije „Academie van Wetenschappen”, wier talenten, ijver en niet geringe vrucht wij steeds hoog hebben gewaardeerd en, op zich zelf beschouwd, moeten en willen blijven waardeeren. |76|

Indien echter onze bezwaren niet met grondige redenen — groote en onder deze ook pijnende woorden over deze „oppositie” hebben we nu genoeg gehad, — kunnen worden weggenomen; en indien men dan toch, met Minerva in de banier of op de staf, wil voortgaan in de lijn van de Theologie als Wetenschap, die de Wetenschap der Godskennis miskent; indien men, gelijk De Heraut, ook na de Synode van Dordrecht, zie de Nos. van 8 Oct. v.v., voortgaat, de duidelijkste uitspraken der Synodes duister te maken, o.a. door het te doen voorkomen alsof zij de „eigene inrichting” moet en wil in stand houden als een noodhulp, een stormzeil of brandspuit; indien men uit het afgesprokene in zake „Vrije studie” allerlei gaat distilleeren dat er nooit in gelegen heeft; indien men dus voortgaat, de zelfstandigheid en volledigheid c.a. van de „eigene kweekschool” van herders en leeraars in min begeerlijk licht te plaatsen, te ondermijnen, in plaats van hare toenemende degelijkheid voor dat doel te helpen bevorderen; en indien — ’t zou kunnen zijn — zulk eene „eigen inrichting”, vroeg of laat, voor al die stormrammen mocht bezwijken; dan wete ieder die de „vrije” Kerk en Theologie en School heeft leeren kennen en beminnen, wat zijne roeping is voor het aangezicht des Heeren, voor Zijne Gemeente en haar zaad! Mij aangaande — tenzij ik geheel van overtuiging veranderen mocht — geen oogenblik mag en zal ik dergelijk woelen van de wereldsche, philosophische, Wetenschapsidee tegen de Godgeleerdheid en de Godgeleerden, tegen Gods Gemeente en hare „eigene” School rustig en zwijgend aanzien.

Men leze over deze materie, het art. van Ds. T. Bos: Aan een Universiteit of aan een Theol. School? in De Bazuin van Jan. ’91; het art. van Doc. de Cock "Theologie" in de Vrije Kerk van Juni; het oordeel van Ds. Beuker over de Conc.-Reg. in de Vr. K. van Mei; alle overgenomen in „De Roeper” van 24 en 31 Aug. en 7 Sept. ’93; en het art. van Ds. Beuker: Het Theolog. onderwijs enz. in De Roeper van 7 Sept., en de onderscheidene ingezonden stukken in De Roeper, o.a. die van Ds. W. Diemer en Ds. A. de Geus.

Id. de brochures: van Ds. Littooy: Is de Concept-regeling voor de opleiding van dienaren des Woords wel overeenkomstig de bedingen?

en van Ds. J.J.A. Ploos van Amstel: |77|

Christus het Licht der wereld of Christus tot Zijne eere gekomen in het midden der Kerken, in zake Universitair onderwijs en eigen opleiding.

Ook het art. van Ds. F.M. ten Hoor, in de Vrije Kerk van Dec. 1885:

Welk belang heeft de Gemeente bij de theologische Wetenschap? is zeer ter zake dienende.

In „De Vrije Kerk” van ’94 heeft Ds. T. Bos een begin gemaakt met de bespreking dezer belangrijke zaken, met terugblik op de in Sept. jl. gehouden Synode. Zie in ’t no. van Jan. zijn Een en ander.


*. Zie onze, nog niet weerlegde, critiek en nog niet weggenomen bezwaren, in den Open brief aan Dr. A. Kuyper, 1880; nog verkrijgbaar bij den uitgever dezes.




IV. De invloed op de Theologische studie en opleiding, door de oude Geref. Kerken begeerd.

De historie leert ontegensprekelijk, dat de oude Geref. Kerken zelven hebben bepaald, hoedanige opleiding de a.s. Dienaren zouden genieten, en zelfstandig met onderscheidend oordeel de Scholen gekozen. Zie samenkomst te Wezel, 1568, Art. 1 v.v., e.a. Door de oprichting van de Academie te Leiden en andere, in verband met de verhoudingen tusschen de Kerk en de Overheden c.a., hebben de Kerken de zaak der opleiding niet opzettelijk en afdoende kunnen overwegen, althans niet beslissen. Zij maakten dankbaar gebruik van de Scholen, die haar doelmatig voorkwamen. Door de remonstrantsche twisten, op Leiden’s Academie uitgebroed en uitgebarsten, zijn de Kerken opgeschrikt; en toen hebben zij, op de Synode van Dordrecht 1618/19, het mogelijke gedaan, om met name de studie der Theologie en de Opleiding onder leiding, opzicht en tucht der Kerken te stellen. Men leze slechts, wat die Synode in hare 163ste sessie heeft vastgesteld. Inzonderheid het hier volgend Formulier zegt — alles. Zij waren niet tevreden met een verklaring van instemming of met een onderteekening der Belijdennisschriften; maar zij stelden voor de Professoren der H. Theologie c.a. een Formulier op, „na dewelke” dezen de Belijdenis enz. „moeten |78| onderteekenen”. Dat wil zeggen: de Synode heeft zelve omschreven, wat die onderteekening zou beteekenen.

Het Formulier ter onderteekening voor de Professoren der H. Theologie e.a.


Is voorgelesen en geapprobeert het Formulier, na dewelke de Professoren der H. Theologie, de Regenten en onder-Regenten der Theologische Collegien, de Belydenis, de Catechismum en de verklaringe des Synodi moeten onderteekenen, aldus luydende:

„Wij onderschreven Professoren der H. Theologie in de Academie tot N. ofte wy Regent en onder-Regent van het Theologische Collegie van N. verklaren opregtelyk en in goeder conscientie voor God, met dese onse onderteekeninge, dat wy van herten gevoelen en gelooven, dat alle de Articulen en stukken der Leere, in dese Belydenis en Catechismum der Gereformeerde Nederlandsche Gereformeerde Kerken begrepen, mitsgaders de verklaringe over eenige Articulen der selver Leere in de Nationale Synodus in den Jare 1619 tot Dordrecht gedaan, in alles met Gods Woord overeenkomen. Beloven derhalven dat wy de voorseyde Leere neerstelyk sullen leeren, en getrouwelyk voorstaan, sonder yet tegen deselve Leere, opentlyk of heymelyk, directelijk of indirectelijk te sullen leeren ofte schrijven: Gelyk ook dat wy niet alleen alle de dwalingen daar tegen strijdende, en met namen ook die in de voorseyde Synodus veroordeelt zijn, verwerpen, maar dat wy ook deselve genegen zijn te wederleggen, ons daartegen te stellen, en alle arbeyd aan te wenden, om deselve uyt de kerken te weren. Doch zoo het naderhand mogelyk mogte gebeuren, dat wy tegen dese Leere of verscheydene consideratien ofte gevoelen mogten hebben, beloven wy, dat wy ’t selve noch opentlyk, noch heymelyk, sullen voorstellen, leeren of verdedigen ’t zy met Predikatien, ’t zy met schriften, maar dat wy ’t selve alvooren, en met ordre des Provintialen Synodus, daar onder wij behooren, of derselver Gedeputeerden, ten vollen sullen openbaren, opdat zulk |79| gevoelen in de voorseyde Synodus volkomenlyk mag geëxamineerd worden:

bereyd zynde ons selven het oordeel des Synodi voornoemt, ten allen tijde gewilliglyk te onderwerpen, op poene dat wij hier tegen doende, van de Synodus gecensureert zullen worden. En indien de Synodus ’t eeniger tyd om gewichtige redenen van nadenken, om de eenigheyd en suyverheyd der Leere te behouden, soude mogen goetvinden ons te vorderen tot nader verklaringe van ons gevoelen, over eenig Articul des voorzeyde Belijdenis, Catechismus of verklaringe der Synodi, soo belooven wij ook mits dezen, dat wy daar toe ’t aller tyd willig en bereyd sullen wesen, op poene als boven; behoudens nochtans het regt van appel ingevallen wy door de Sententie des Synodi meenden beswaard te zyn. Geduurende welken tyd van appel wy ons met het besluyt en de uytspraak der Provintiale Synode te vrede sullen houden.”

Post-Acta, sessie 175.

Wie dit Formulier aandachtig leest, bemerkt dadelijk, dat de Synode:

1. Geen „tweeërlei” Theologie kent, en de studie der H. Theologie en de taak der Professoren aldus omschrijft: &3132;de voorseyde leere” te leeren en te verdedigen.

2. Dat zij ’t het recht en de roeping der Kerken achten, de „vrijheid” der Professoren evenzeer als die der Predikanten aan den Confessioneelen en Kerkelijken band te leggen.

3. Idem, de Professoren te stellen onder het kerkrechtelijk opzicht en de rechtspraak van de Provinciale Synode.

4. Is ’t wel duidelijk, dat de Synode gaarne de Theolog. studie en opleiding geheel in de macht der Kerken zou hebben gesteld, als zij dit maar had kunnen doen.

5. Dat de Geref. Kerken van heden, die een geheel „eigene” Theol. School hebben, welker Docenten dan ook dit Formulier hebben onderteekend, geheel in de lijn der oude Geref. Kerken zijn voortgegaan en — vooruitgegaan.

6. Dat onderteekening van dit Formulier door de Professoren |80| der Theol. Faculteit van de Vrije Universiteit wel tot de eerste noodige Artikelen van het contract met de Kerken moet worden gerekend.

7. Dat de Vrije Universit., die onderteekening verplicht stellende, zich zal vrijmaken van de theorie eener Theologie als Wetenschap, onderscheiden en verschillend van de wetenschap der Godskennis en deel uitmakend van de algemeene menschelijke Wetenschap.


In zijn verweer tegen Dr. J.J. van Toorenenbergen: „De Leidsche Professoren en de executeuren der Dordsche nalatenschap”, heeft Dr. A. Kuyper afdoend in ’t licht gesteld, dat Polyander c.a. alleen om redenen buiten de zaak zelve dat Dordsche Formulier niet hebben geteekend.

Aan het slot echter verklaart Dr. K. — we wezen ook daarop reeds in den „Open brief” — dat door hem zelven „in het Bestuur der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag tegen onderteekening van zulk een formulier door hoogleeraren geadviseerd is”; „en dat” — ik onderschrap — „althans het formulier van Dordt daar nooit zal worden aangenomen!” Waarom niet? „En dit advies gaf ik, niet wijl ik de Vereeniging niet dogmatisch wensch te binden, maar overmits, naar uitwijzen der ervaring, zulk een onderteekening, in wat vorm of maniere ook gedaan, nooit een band is.”

Maar dán — is ook de onderteekening van het desbetreffend Formulier door de bedienaren des Woords geen band; en — wat beteekent dan de onderteekening der Belijdenisschriften door de hoogleeraren der Vrije Universiteit?

’t Is mij niet bekend, dat Dr. K. die uitspraak heeft herroepen. Wel vermoed ik, dat hij nog tegen onderteekening van het Dordsche formulier zal adviseeren. Zoolang hij blijft meenen, in afwijking van Dordt, dat de Theologie niet aan de Kerken behoort, kan hij, als wij ’t goed begrijpen, der Kerk niet dat recht geven over de Professoren der Universiteit, hetwelk de onderteekening van dat formulier aan de Kerken toekent.

Verg. de wenschen en klachten, door Zeeland bij de Dordsche Synode ingediend, — zie de 18de sessie — in zake onderwijs en leiding van de alumni aan de Academiën. |81|

Dr. H.H. Kuyper heeft in zijn belangrijk proefschrift: De Opleiding tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden, welks eerste deel naar het vervolg doet verlangen, vrij wat historisch materiaal bijeengebracht, dat ons in ons gevoelen bevestigt. Bizonder merkwaardig is het door hem medegedeelde „Plan tot stichting eener Nationale Universiteit”, uit den tijd kort na de Do. Synode, welks bedoeling was, nevens „de Prov. Academiën” nog „een volmaekte gereformeerde Universiteyt ofte Acamedie ende Algemeyne Schole . . .” te verkrijgen. Dr. H.H. K. zegt o.a., bl. 611:

„Wat de verhouding dezer Landshoogeschool tot de Kerk betreft, wil de auteur:

1º. dat alle professoren zullen zijn van de Gereformeerde religie;

2º. dat de Synodus Nationaal alle professoren zal aanstellen uit een voordracht van den Senaat;

3º. dat de Synodus Nationaal het bestuur dezer Universiteit kiezen zal uit een nominatie, door de faculteiten opgemaakt.”

„Met deze laatste eischen ging de auteur ongetwijfeld van het Gereformeerde spoor af,” beweert de schrijver. Ten onrechte dunkt ons, voorzoover de Theol. professoren betreft. Dat de Synodes, ook die van Dordt in 1619, dien eisch niet hebben gesteld, is volstrekt geen bewijs, dat die eisch niet in hun hart is geweest: zie wat we boven hebben opgemerkt in verband met het Formulier voor de Theol. professoren. Het „Geref. spoor” kan alleen uit positieve, niet uit negatieve stukken en stappen blijken. De „Doctores ofte Professores” neemt de Do. Kerkenorde op onder de dienaren der „Gemeente Christi.” En is er in de Belijdenisschriften één woord, dat een Theologie buiten de geïnstitueerde Kerken ook maar in de verte kan doen vermoeden?

De oude Geref. Kerken kónden niet zooals zij wilden. Hadden zij in de 17de eeuw en later gedaan, wat Gods Woord en de Belijdenis eischte, wat voor de behoeften en belangen der Kerken noodig was, dan zou het al spoedig tot eene — zeer gezegende — breuke met de Staatsmachten gekomen zijn; en of door uitzuivering of door afscheiding of doleantie zouden de Gereform. Kerken het goede pand hebben bewaard. God heeft aan onze Gemeenten het onuitsprekelijk voorrecht geschonken, van de banden en boeien der Universiteiten en der wereldsche Wetenschap |82| bevrijd te worden en zelven te doen „wat der Kerken is.” Houdt dan, wat gij hebt! Nooit mag het werk der Kerk aan particulieren of aan een particuliere Vereeniging, ’t zij gemengd of geheel uit Gereformeerden bestaande, worden overgelaten of overgedragen. Och, dat we ’t hierover allen eens mogen worden!


*

Ten besluite nog een paar opmerkingen over de noodzakelijkheid van „practische” opleiding, en een ontboezeming van een onzer predikanten van het jongere geslacht, over den z.i. niet gewenschten invloed, dien de „intellectueele” strooming op velen te dezen dage uitoefent.


Practische vorming. Afgezien van het beginsel, van de roeping der Kerken, is er ook veel, waardoor eene Universiteit minder, eene afzonderlijke School beter geschikt is om èn door de studie èn door practische oefening de aanstaande herders en leeraars toe te rusten voor de zeer gewichtige taak, die hen wacht in de Gemeente, en met de Gemeente in ’t midden des volks.

Eenigen tijd geleden bevatte De Amsterdammer (No. v. 17 Dec.) een veelszins gegronde beschouwing over de ongeschiktheid van de Universiteiten tot vorming voor het ambt. Het artikel is geschreven naar aanleiding van de klacht van Leeuwarden’s burgemeester over de verwaarloozing van het huisbezoek, door de N.H. predikanten en hun geringen invloed op het volk en het volksleven. Wij nemen daaruit eenige regelen over.

„De opmerking van den heer Harinxma „dat de predikanten der verschillende protestantsche gemeenten weinig met het eigenlijke volksleven in aanraking komen”, is moeielijk tegen te spreken, doch men mag dien predikanten daarover niet al te hard vallen.

Ten eerste moet men niet vergeten, dat de opleiding van de protestantsche predikanten allerminst er op berekend is, hen oog te doen hebben voor wat „het eigenlijke volksleven” heet.

Zij die zich voor het herder- en leeraars-ambt voorbereiden, studeeren niet om bekwaamheid te verwerven als volksopvoeders, maar om zichzelf te ontwikkelen tot theoloog. De Universiteit brengt hun uitsluitend theoretische kennis bij, en deze theoretische kennis heeft schier geen enkel aanrakingspunt met het |83| maatschappelijk leven. Gedurende den tijd van „studie” leven de aanstaande predikanten — theologen geheeten — in een soort van kleine, aparte, wereld, dat is: voor hun lievelingsvakken, voor zichzelf en hun vrienden, geheel buiten die kringen, waaraan zij later hunne krachten, hun verstand en hun hart zullen moeten wijden. Dat er een volk bestaat, zij bemerken het ternauwernood. Zijn ze nu eindelijk „afgestudeerd”, dan gaan zij vol van theologie — hun ambt tegemoet. Van de geheele sociale wetenschap is hun letterlijk niets bekend, tenzij bij toeval; ja zelfs de armenzorg, die zij dan toch al dadelijk onder hunne leiding zullen hebben te nemen, is, om zoo te zeggen, een bijzaakje, waarin de boeren hun onderwijs zullen moeten geven.”

Zie daarbij: Dringende Onderwijsvraagpunten van onzen tijd. door Dr. H. Blink in Vragen van den dag, 9de Jg., 1, en Het onderwijs in de moedertaal door Dr. G. Kalff. Beiden deze deskundigen dringen er met kracht op aan, dat ook het Hooger Onderwijs meer rekening ga houden met „de voorbereiding voor het leven”. En welke studie is uit haren aard meer practisch, welke kennis is meer bestemd „voor het leven” dan de Theologie: de voor een iegelijk mensch onmisbare en tot het „in den eenigen troost zaliglijk” leven en sterven genoegzame, kennis van God en van Jezus Christus?


*

„In ons land komt „de Wetenschap” meer en meer naar boven. De heerschappij van het intellect, van de philosophie of hoe gij de macht ook noemen wilt, staat voor de deur. Wat blijft er dan over voor eenvoudige dienaren zonder „wetenschappelijken” tooi, . . . als straks de Universiteitsvlag van de steng waait?”

Wij hebben den broeder en mededienaar van Christus, die ons dat schreef, bemoedigd. Wij hebben hem er op gewezen, dat de Geref. Kerken de Godskennis als wetenschap eeren, en dat de zegen van onzen God en Zaligmaker beloofd is en verzekerd aan allen die Hem dienen in het Evangelie.




1. Zie Grimm, Pape, Schleusner, in voc. en de schrijvers, door hen vermeld. Id. Owen, Theologoumena sive de Natura etc. verae theol. Cap. 1 en 2.

2. Lib. 3, cap. 21 sq.

3. £yrpôs. Zoo wordt Ezra genoemd: 7 : 6, „een vaardig Schriftgeleerde in de Wet van Mozes.” In ’t N.T. komen voor Schriftgeleerden, grammate²v, Matth. 2 : 4; 5 : 20 e.a. Leeraars der Wet, nomodid€skaloi, Luk. 5 : 17; Hand. 5 : 34; 1 Tim. 1 : 7 en Wetgeleerden, nomiko°, Matth. 22 : 35; Luk. 7 : 30; Tit. 8 : 13 e.a. Zie over hun arbeid o.a. Keil, Bijbelsche Archaeologie, § 132, Godgeleerde Scholen. Vg. J. Lundius, Heiligdommen der Oude Jooden, I, Cap. 17 en 18, die uitvoerig onderzoekt of deze drie namen een en de zelfde soort aanduiden. Hij houdt het voor waarschijnlijk, dat de eerste twee de zelfden waren, en dat zij „het volk openlijk in den Tempel en in de Schoolen onderweezen”. De laatsten waren „meest byzondere Leeraars, die byzondere Collegien hielden . . .” — Gamaliël, in wiens school Saulus, die later de apostel Paulus is geworden, zijne rabbijnsche opleiding heeft ontvangen, was zulk een „leeraar der Wet”. De Joden hebben echter geen enkelen naam, die met „Godgeleerde” eenige verwantschap heeft.

4. Zie Suiceri, Thes. Eccl. I, in voc. qeolçgov, -°a, -™w e. a. B. de Moor Comm. in Marckii Comp. Cap. I, § 1 en 2 sq.

5. In Orat. XXXVI, pag. 589: OÆtov ˆristov Óm²n qeolçgov, oÇc êv eÃre tè pan, oÇdš gr d™cetai tè pan é desmèv, ‡llH ëv ˆn ˆllou fantasqÞ pl™on, kai ple²on n ›autþ sunag€gÛ to tÐv ‡ljqe°av ¹ndalma, Ø ‡posk°asma. Godgeleerden zonder geloof en godzaligheid kenden de Kerkvaders niet. Een Godgeleerde is bij hen alleen hij, die een levend toonbeeld is van de kracht der waarheid, van de heilige en zalige kennis Gods!

6. Men leze, wat Calvijn op vele plaatsen, vooral in zijne commentaren, van die middeneeuwsche theologie zegt; b.v. op Philipp. 1 : 10. „. . . Hinc collige quo loco habenda sit Sorbonica theologia, in qua si vitam consumpseris, nihilo plus inde aedificationis in spem coelestis vitae vel spiritualis fructus reportes quam ex Euclidis demonstrationibus. Certe etiamsi nihil falsi doceret, hoc tamen nomine merito exsecrabilis esse debet, quod perniciosa est spiritualis doctrinae profanatio. Utilis enim Scriptura, ut inquit Paulus (2 Tim. 3 : 16): illic nihil praeter frigidas leptologias reperire est.” De Schrift is nuttig; maar die theologia is eene verderfelijke profanatie van de geestelijke leer der Schrift.

En op 1 Tim. 1 : 4 „. . . Quae quaestiones. Aestimat a fructu doctrinam; quaecunque enim non aedificat, repudianda est, etiamsi nihil aliud habeat vitii: quaecunque vero ad concertationes solum excitandas valet, duplici nomine damnanda est. Tales porro sunt omnes argutiae, quibus ingenium autim ambitiosi homines exercent. Meminerimus ergo ad hanc regulam exigendas esse omnes doctrinas, ut ea demum probetur, quae ad aedificationem facit: quae vero, disceptationum materiam praebent absque fructu, respuantur tanquam Ecclesia Dei indignae. Hoe examen si fuisset aliquot supra saeculis observatum, etiamsi multis erroribus contaminata fuisset religio, saltem non adeo invaluisset diabolica ista ars litigandi, quae Scholasticae theologiae nomen obtinuit. Quid enim illic continetur praeter rixas, aut otiosas speculationes, unde nullus profectus redit? Proinde quo quisque in ea doctior, eo miserior judicandus est. Scio quibus eam coloribus excusationum praetexant: sed nunquam efficient, ut Paulus cunctas tales damnando sit mentitus!” Onnut en der Kerk van God onwaardig zijn al die twistingen en bespiegelingen der Scholastieke theologie. Zij was het grootste bederf der Kerk.

7. Zie vooral Luther’s Erklärung der Epistel an die Galater.

8. Zie Junius, Marck, le Roy, Francken e.a. Onder de voornaamsten G. Voetius, o.a. Exerc. et Biblioth. Stud. Theologiae, en Select. Disput. theologicarum. De werken der 17e, en ook in de 18e eeuw, over de Godgeleerdheid, behandelen, in hoofdzaak, wat later „Dogmatiek” is genoemd.

9. Zie Wet op het Hooger Onderwijs, Hoofdst. III Art. 41, 42 en 83, en Reglement op het Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid tot vorming van evangeliedienuen voor de Ned. Herv. Kerk.

10. Alleen qeçpneustov, een nieuw woord, het eerst in ’t N.T. gebruikt, 2 Tim. 3 : 16; qeosebÐv en qeos™beia Joh. 9 : 31, 1 Tim. 2 : 10; qeod°daktov, 1 Thess. 4 : 9; qeostugÐv, Rom. 1 : 30, en de eigennaam qeçfilov, Luk. 1 : 3 en Hand. 1 : 1. Ook de woorden qeom€cov en qeomac™w komen voor, maar niet als woorden van geïnspireerde mannen. Hand. 5 : 89 en 23 : 9. Bij de Kerkvaders zijn de samenstellingen met qeov reeds zeer vele. Zie Suiceri Thes. e.a.

11. Theologoumena. Lib. I, De Theologia in genere, Cap. I. pag. 2: „. . . . . Praeterea, cum eousque apud eos, quos peneis olim fuit, atque etiamnum est jus et norma loquendi, mos invaluerit, ut per vocabula ista quasi ars aliqua designaretur, atque certum genus hominum ea instructorum, |16| a quo utroque abhorret simplicitatis Evangelicae mysterium, neque respectu ortus, neque usus, ad id exprimendum de quo queritur, satis accommoda videri possint. Verum cum in omni suzjtÐsei, tç ‡mfisbjtoÀmenon nomen aliquod habere oportet: age, abrasis unguibus atque pilis, illo contenti simus quod invexit ex plurimorum assensu, usus: nihilominus liberrimi in rei ipsius naturae indagatione, quam exponendam suscepimus, futuri.”

12. Bel. d. gel. van de Ger. Kerken in Ned. Artt. 3-7.

13. Men leze hierover o.a. uit de 17de en ’t begin der 18de eeuw, Lodensteyn’s Opwekker; Koelman, De Wekker der Leeraren in lijden van verval, c.a.; Abr. v.d. Velde, De wonderen des Allerhoogsten; Jac. Fruytier, Sion’s Worstelingen; Melchior Leydekker, Voorrede voor Lodensteyn’s Weegschaal van de onvolmaaktheden der heiligen.

V.d. Velde schrijft, bl. 425: „Byzonderlyk in desen bosen tydt, daer in het schynt een tuymelgeest ons te wesen ingeschonken, waardoor de fondamenten der waarheid worden los gemaakt en ondermynt, door een Philosophie die aan alles leert twyfelen . . . Waar by komt dat men dryft, dat het natuurlyk verstand en vernuft een onbedriegelyke uytlegger is |20| van de heylige Schriftuure om, soo wat daermede niet overeenkomt, te verwerpen, recht op zijn Sociniaans.”

M. Leydekker, bl. 47, uitg. Donner: „. . . Toen het boek van den heer Wolzogen de Interprete S.S. uitkwam, was hij (Lodensteyn) er zeer misnoegd over, en door den heer Koelman gevraagd zijnde naar zijn oordeel, onderschreef hij dat van de heeren Voetius en Essenius en zond het hem over; hoe zou hij niet verstoord zijn, als men leert, dat men de goddelijkheid der Heil. Schriften niet dan uit de rede kan bevestigen, en derhalve de verborgenheden des geloofs daardoor òf verandert, of bestrijdt? De Synoden zijn daarover gevoelig geweest; was er maar meer gevolg van gezien! Maar wat is er van eene wijsgeerige Godgeleerdheid te wachten? Een natuurlijke godsdienst, die ganschelijk niet bestaan kan met het geestelijk Christendom.” bl. 48: „. . . Het Land en de Kerk zijn vol verwarringen, terwijl de natuur door eigen wijsheid den meester speelt, en men arbeidt, om door een ijdele philosophie leerlingen en gemeenten als een roof weg te voeren, tegen de waarschuwing van Paulus, Coll. 2 : 8.

14. Als een voor allen, diene tot bewijs de uitgave door Jod. Heringa, in 1804, van de Bijb. Uitlegkunde van G. F. Seiler. In de voorrede zegt hij o.a. dat: „de schrijver mij toeschijnt, te veel over te hellen tot of toe te geven aan de, helaas! thans in Duitschland heerschende manier van Schriftverklaren, tegen welke Hij anders, niet alleen voorheen zich verklaarde, maar ook nu nog, op sommige plaatsen waarschuwende en terecht wijzende wenken geeft.” Heringa zelf wordt, blijkens zijne aanteekeningen, terwijl hij die heillooze „manier van Schriftverklaren” wil tegenhouden, meermalen door haar medegesleept.

15. Zie o.a. Dr. J. Cramer’s Geschied. v.h. leerstuk der Inspiratie. Instemmend met de erkentenis van Rothe, zegt hij: „Neen, wij moeten de oude theorie (der Inspiratie) of geheel overnemen of geheel verwerpen.” bl. 130. Vg. Dr. A. Kuyper, De Hedendaagsche Schriftcritiek, bl. 24 v v. over Rothe c.s. Wat Dr. K. toen den modernen en den ethischen toeriep, mag ook nu nog wel herinnerd worden: „Bij U — de modernen — is, al doolt ge mijns inziens, nogtans de strenge consequentie; de Schrift een schrift als andere boeken, geheel menschelijk ontstaan; maar dan ook geen inspiratie meer, geen sprake meer van uitverkorenen die om zekerheid roepen, en heel de Sancta Theologia gemetamorphoseerd in de wetenschap ,der religie.” Tot de ethischen daarentegen; omdat ze ’s Heeren heiligen naam belijden, nog steeds mijne broederen; tot hen zeg ik: „Smelt af het wijsgeerig alliage van het zuivere goud dat in de kern van uw geloof nog schuilt. Laat het uit zijn met dat hinken op twee elkaar uitsluitende beginselen. Kiest weer een vorm die past bij het heerlijke leven, waar immers ook uw in ziel in zwelgen wil. Bovenal, hebt deernis, hebt erbarming met de diep Gekrenkte, omdat ze is de gemeente des levenden Gods!”

W. Rohnert geeft in § 8 van zijn, in 1889 verschenen: Die Inspiration der heiligen Schrift und ihre Bestreiter, Eine biblisch-dogmengeschichtliche Studie: eene schets van de Inspiratie-leer sedert de 17de eeuw tot heden, waarin u een staalkaart van allerlei meer of min behoudende, verdedigende en bestrijdende gevoelens wordt vertoond. Dat lezende, roept gij met het oog op velen onwillekeurig uit: Wat wordt er van het dierbare Woord Gods onder de handen van „theologen”, die niet onvoorwaardelijk buigen voor deszelfs goddelijk gezag! Indien de Heere zelf niet zorgde voor den dierbaren Bijbel, gewis, wij waren het licht des hemels |23| reeds lang kwijt. Doch God zorgt, door Zijn Geest, dat Zijn Woord wordt bewaard en — geloofd!

Rohnert eindigt met deze verzuchting, die een luide waarschuwing bevat:

„Doch es mag mit diesen Proben genug sein. Gewisz eine tragisch interessante Musterkarte von allen erdenkbaren Theorieën und Phantasieën über Schrift und Inspiration; ein wahres Kaleidoskop, darin die mannigfaltigsten Figuren und Formen wechseln; ein rechter Irrgarten von Meinungen und Ansichten verschiedenster Art. Wie soll sich in diesem Labyrinth der angehende, unerfahrene Theologe, der sich auf der Universität fürs Pfarramt vorbereiten will, zurechtfinden? Wie soll er angesichts eines solchen Dissensus zum festen und gewissen Glauben kommen an die Göttlichkeit der heiligen Schrift? Musz er nicht, bestochen von der traurigen Thatsache, dasz die vornehmsten Vertreter der heutigen Theologie und Wissenschaft fast ausnahmlos die altkirchliche Inspirationslehre verwerfen, die Bibel der Irrtumsfáhigkeit zeihen und deren göttliche Eingebung teils auf einen religiösen Takt, teils auf eïne göttliche Gewissenserrregung, teils auf eine hochgradige Erleuchtung, teils auf eine höhere Beeinflussung, Leitung, Bewahrung etc. der Verfasser beschränken; — musz er nicht den Eindruck und das Vorurteil gewinnen, als sei es mit der Glaubwürdigkeit der Schrift äuszerst swach und übel bestellt; als sei die Bibel doch eigentlich nicht viel mehr wie ein anderes gutes menschliches Buch, weil nicht von Irrtümern frei? Und mit solch einer Bibel soll er nun einmal ins heilige Amt treten und heilsbegierigen Seelen den Weg zum Himmel weisen, ohne dasz er selbst einen festen Grund unter den Füszen hat? Soll den Betrübten, Angefochtenen und Sterbenden Trost spenden, einen Trost, den er selbst nicht glaubt und hat, nachdem er auf der Universität |24| gelehrt worden ist, die Bibel als ein bloszes geschichtliches Urkundenbuch zu betrachten, welches nur Gottes Wort enthält, aber daneben auch viel Menschliches und Irrtümliches? — O dieser Jammer, diese Verwüstung an heil. Statte; diese Satanslist, womit der alte böse Feind das heilige und gewisse Gotteswort profan und ungewisz machen will, und es unter dem Aushängeschild der Wissenschaft der Willkür einer zerstörenden Kritik preisgibt! Ist’s da ein Wunder, dasz, nachdem so das Formalprinzip der evang. Kirche zweifelhaft gemacht ist, nun auch das Materialprinzip ins Schwanken kommt und der alte Kirchenglaube immer mehr zerbröckelt? Denn wo das Fundament weicht, da hat auch das von ihm getragene Gebäude keinen Halt mehr; wo man nicht mehr an ein untrügliches, nach Inhaft und Form vom Geiste Gottes eingegebenes Schriftwort glauben will, da ist dem Unglauben Thür und Thor geöffnet. Wir aber sagen mit Luther:

Das Wort sie sollen lassen stahn
Und kein’n Dank dazu hab’n;

und bitten mit Zinzendorf zu Gott:

Herr, dein Wort, die edle Gabe,
Diesen Schatz erhalte mir!
Denn ich zieh' es aller Habe
Und dem gröszten Reichtum für.
Wenn dein Wort nicht mehr soll gelten,
Worauf sall der Glaube ruh'n?
Mir ist's nicht um tausend Welten,
Aber um dein Wort zu thun.”

16. „Aangaande de valsche Kerk, die schrijft aan zich en hare verordeningen meer macht en gezag toe dan aan het Woord van God, en wil zich het juk van Christus niet onderwerpen; . . . . zij grondt zich meer op de menschen dan op Christus; zij vervolgt degenen die heiliglijk leven naar het Woord van God en die haar bestraffen over hare gebreken, gierigheid en afgoderij.” Art. 29 Geref. Belijd.

17. „. . . Kleine overblijfselen derzelve, welke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen.” Art. 14 G.B. vg. Hoofdst III en IV van de Dordtsche Leerregels.

18. Gevoelen: a¹sqjsiv Phil. 1 : 9 v.v. „En dit bid ik (God), dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen, opdat gij beproeft de dingen die (daarvan) verschillen . . . .”.

19. Zie mijne rede: Blijf in het Woord van God, bl. 13 v.v.

20. Men leze daarover o.a. Owen, Pneumatologia of Over den Heiligen Geest, Boek III, hoofdst. 3: Het verderf of de schending van het gemoed door de zonde. Bl. 251 vv., uitg. Donner. Een boek, onmisbaar voor alle beminnaars der Godgeleerdheid.

21. In 1 Kor. 2 : 4 stelt Paulus de „betooning des geestes en der kracht” tegenover de „bewegelijke woorden der menschelijke wijsheid.” „Betooning”, ‡pçdeixiv, is daar — onderscheiden van žndeixiv declaratio, duidelijke aanwijzing. Rom. 3 : 25 en 26, ook door betooning vertaald — niet: aanwijzing, maar demonstratio, betoog, bewijsvoering. „Bewegelijke woorden” zijn de gronden, waardoor men tracht, iemand te bewegen, d.i. te overtuigen en voor zijn gevoelen te winnen. Het evangelie des kruises, „de dwaasheid” der prediking, heeft zijn eigen logika en bewijsvoering. In cap. 1 en 2 waarschuwt de Apostel ten sterkste tegen de verkondiging des evangelies in de wijsheid van woorden, d.i. de dialectiek en rhetoriek der menschelijke wijsheid, der heidensche wetenschap. „Opdat uw geloof niet zou zijn, niet zijn wortel zou hebben, in wijsheid der menschen, maar in de kracht van God.”

22. Zie vooral de, bij de Synode ingediende, „Concept-Regeling” van de Deputaten voor de Opleiding, en de Heraut van ’93. Herhaaldelijk heb ik in „De Roeper” aan de H. nadere toelichting gevraagd, doch tot nu toe te vergeefs. Zie verder de Bijlagen.

23. In zijn „Souvereiniteit in eigen kring”, geeft ook Dr. Kuyper aan Spinoza eere, als den patroon van de Souvereiniteit der wetenschap. „Die Souvereiniteit der wetenschap in eigen kring heeft Spinoza gevat, en dies eert onze bewondering Spinoza’s karakter even hoog als het den laffen Erasmus naar zedelijken maatstaf laag stelt.” bl. 23. De Geref. Vaderen, die vrij gebleven zijn van het „Vergift der Cartesiaansche Philosophie”, dachten niet zoo gunstig over Spinoza en zijn begrip van de wetenschap.

Volgens hen was Spinoza’s „wetenschap” de terzijzetting, de verlaging van de Godgeleerdheid, een doodvonnis voor de wetenschap der Godgeleerdheid. Eene Theologie, die zal passen in ’t kader der wetenschap naar Cartesiaansch en Spinozaansch model, moet vooraf zich stellen onder de „Souvereiniteit” der „Wetenschap”, dat wil zeggen: ophouden „Theologie” te zijn. Het modernisme is de consequentie van de toepassing der beginselen van Cartesius en Spinoza op de heilige wetenschap der Theologie. Zie de Bijlagen.

24. Zie o, a. Synopsis Purioris Theologiae: Disput I de S.S. Theologia. „Theologia, si rem in se spectemus, est una; si modum rei diversis subjectis inhaerentis, est diversa . . . . in Deo archetypa, in creaturis ectypa.” — „Genus Theologiae, vel scientiam, vel sapientiam facimus.” — „Huic verae Theologiae . . . falsa repugnat.” Van een tweeërlei Theologie geen woord. — Marck spreekt van Geopenbaarde en Tesamengestelde Godgeleerdheid (Theologia revelata et systematica) maar als van ééne en de zelfde Godgeleerdheid. Merch der Chr. Godgeleerdheid, Hoofdst. I. Zie verder de Bijlagen.

25. Ef. 1 : 15-18 . . . . „verlichte oogen uws verstands”; pefwtism™nouv toÁv ìfqalmoÁv . . . Alle geloovigen zijn de „verlichting” deelachtig; Paulus echter bidt, gelijk het perf. aanduidt, om een toenemende verlichting, die hen in staat zoude stellen goed, helder, nauwkeurig te zien.

26. Zie het Form. van bevestiging der ouderlingen en diakenen.

27. Zie de Handelingen van de Opzieners der Gemeente Jesu Christi, vergaderd te Amsterdam, den 2den Maart en volgende dagen, Aº. 1836. Te Amsterdam bij H. Höveker. Te ’s Gravenhage, bij J. van Golverdinge. 1836: Art. 44, het Reglement op het examen en de toelating tot het Herder- en Leeraarambt. Zie ook Syn. 1840, Art. 7; Syn. 1846: Artt. 30, 31, 36, 87 en 43: plan van eene algemeene Theol. School. Syn. 1849: IV, bl. 18-30: „Over de Opleiding van toekomende Leeraars.” Syn. 1851: IV, bl. 219-35, „Over de Theologische School.” Syn. 1854: „De oprigting eener algemeene Theologische School,” bl. 38-60 en bl. 70. Ziet ook al de latere Synodes.

28. Zie „Gedachtenis of tweetal preken, benevens eene Rede, uitgesproken bij het aanvaarden der betrekking als Leeraar aan de Theol. School te Kampen, 6 December 1854, door S. van Velzen. Kampen, bij S. van Velzen Jr. Zie ook het Verslag van de opening der Theol. School in De Bazuin van 16 December 1854.

29. Oplossing of incorporatie van een „eigene” volledige Opleidingsschool in eene Universiteit, of, wat ook denkbaar is, in eene niet-kerkelijke Opleidingsschool, zou een teruggang zijn; een afbreken van de lijn der geschiedenis, een tenietdoen van de ontwikkeling, door den Heere der Kerk en der tijden in en door ’34 v.v. aan de Geref. Kerk gegeven: een weer gaan „offeren op de hoogten.” Catech. Zd. 38. Zie verder de Bijlagen.

30. De Universiteit onderwijst dan ook „de Theologie als Wetenschap” niet uit kracht van het ambt, van de opdracht des éénigen Meesters; „Minerva” is haar symbool; en zij kan ook daarom geen aanspraak maken op de „opleiding” voor het ambt. In de Theol. School en in elke, hoe ook genaamde, „eigen inrichting” der Gemeente, onderwijst het ambt, de Heere der Gemeente door het ambt. Dat onderscheid behoort ook in den titel der leeraren zich uit te spreken. „Docenten” heeft al zeer weinig kenschetsends. Omdat „Ds.” nu eenmaal de gebruikelijke ambtstitel is, zou ’t o.i. het zuiverst zijn, als men de leeraren der Kerkelijke Scholen noemde: Ds. N.N. . . . leeraar, of, wilt ge, doctor, of professor, in de Godgeleerdheid, aan de . . . . School. Een titel, niet door de Kerk gegeven, kan in de Kerk ook niet als de titel gelden. Zuiverheid van titulatuur in de Kerk is evenzeer noodig als zuiverheid van kerkelijke taal en manieren. Over het Form. voor Prof. der Godgeleerdheid c.a. zie de Bijlagen.

31. Niet „echte Minerva’s-zonen”, maar „leerjongens Christi” moeten wij zijn; van Christus, „in Wien al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn”; en waaruit al Zijne oprechte leerlingen zullen ontvangen „allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader en van Christus”. Kol. 2 : 2 en 3.

32. Zie o.a. wat Joh. Drusius daarover schrijft, bij 2 Petr. 2 : 22: „Maar hun is overgekomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel, en de gewasschene zeug tot de wenteling in het slijk.” Owen, Theolog. De Philosophiae cum Theologia mistura, pag. 498 v.v.

33. Simon Oomius, Doct. der H. Theol. en Jesu Dienaer te Campen. Afbeelding van een waer dienaer des N. Testaments, in het keurlyk cieraed van voorbeeldelijcke Godtsaligheyt, welke op ’t krachtighste wort aangedrongen. Amsterdam 1696. Voorrede § XVIII..Vg. Owen, Theolog., De Studio Theologiae seu Scripturarum. Id. J.J. van Oosterzee, Hooger Onderwijs, over Joh. 6 : 45a. „Allen van God geleerd”! Met die belofte en dien eisch kom ik ten slotte tot u, hooggeschatte Jongelingen, die u voor den Evangeliedienst voorbereidt. Gij hebt het gehoord, ván Godgeleerden moet gij zijn, Theodidakten, verlicht, bezield, vernieuwd door den H. Geest, want de echte Theologie is die van het wedergeboren en geheiligde hart. O bidt, dat gij het moogt worden en blijven; maar arbeidt en strijdt dan ook, dat gij tot waarheidlievende, wetenschappelijke, zelfstandige menschen moogt wassen, geen slaafsche partijgangers, maar vrijgemaakten door de waarheid; menschen Gods, omdat gij getuigen van Christus zijt, maar als zoodanig ook waarachtige, harmonisch ontwikkelde Menschen. „Studeert u dood, maar bidt u weer levend”, sprak een buitenlandsch Godgeleerde; als tot verstandigen sprekende, breng ik u de opwekking over. „Die niet studeert, is niet bekeerd”; het kan in onzen tijd niet te dikwijls herhaald worden.”

34. Het heeft den Heere niet behaagd, deze bede te geven. Onze hoog geachte ambtgenoot en leermeester is 2 Jan. in vrede ontslapen. Zijn arbeid gedurende bijna 50 jaren in de Kerk, en 39 j. in de School, is tot rijken zegen geweest.

35. Ds. C.G. de Moen, Curator voor Overijssel, heeft de Theol. School geopend met eene rede over 2 Kron. 1 : 10a.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004