De Aanslagen der Medische-Theologische Kwakzalverij

tegen de H. Schrift, en bizonder tegen de leer van de opstanding der dooden, 1 Cor. XV,

onderzocht bij het licht van geloof en wetenschap.


Antwoord en vragen aan Dr. W. Koster, Hoogleeraar te Utrecht,

naar aanleiding van ZHG.’s „Een paar Opmerkingen” in het Handelsblad van 9 Juni j.l. over het, hierbij gaande schrijven in ’t Handelsblad van 28 Mei, Een geestelijk lichaam — „een vierkante cirkel” enz.


Met een „Woord vooraf” over de roeping der Christenen tegenover het ongeloof en den geest van het Hooger Onderwijs aan onze Universiteiten


Leiden. — D. Donner. — 1882.

a



Coloss. 2 : 2, 3 en 8. Opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus;

In denwelken alle de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.

Ziet toe, dat niemand u als eenen roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der menschen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus.

Rom. 1: 22. Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden. |3|




Een woord vooraf

*

Den lezer heil!


Een korte toelichting betreffende den oorsprong van dit boekje zal den lezer van dienst kunnen zijn, tot recht verstand van het geschrevene en tot een billijk oordeel over de uitgave in dezen vorm van een brief aan prof. K., die bestemd was voor het Alg. Handelsblad.

Het Alg. Handelsblad had de welwillendheid, in zijn Nº. van 28 Mei j.l. een artikel op te nemen, waarin ondergeteekende den heer W. Koster, hoogleeraar in de ontleedkunde te Utrecht, interpelleerde over zijne stoute uitspraak, zoo in ’t voorbijgaan in een zijner artikelen in ’t Handb. over „stofvereering”, tot aanbeveling van lijken-verbranding en, beschikbaarstelling van lijken voor de ontleedkunde, neergeschreven: dat de Paulus’ leer van „een geestelijk lichaam” 1 Cor. 15 : 44, „een innerlijke tegenstrijdigheid, een vierkante cirkel” is, en dat in geheel de leer van de opstanding des vleesches een „overstelpende hoeveelheid” van „tegenstrijdigheden” „uiterst gemakkelijk” zou zijn aan te wijzen.

Het Handb. van 9 Juni j.l., bevatte een art. van prof. Koster, waarin hij op hooghartigen toon, met harde beschuldigingen, verdraaiing mijner woorden, eigenaardige uitlegging van 1 Cor. XV, enz. zich tracht te verdedigen tegen mijn betoog: dat hij Paulus en de Schrift gesmaad, en gansch onwetenschappelijk geredeneerd had, lijnrecht in strijd met den duidelijken zin van den Griekschen tekst.

Zoodra ik in uitgespaarde uren gelegenheid vond, stelde ik een antwoord op, waarin de wel een weinig verwarde beschouwingen van prof. K., eenigszins in volgorde geschikt, behandeld, en, zoo ik meen, weerlegd zijn. Wijl het gemakkelijker is allerlei beweringen en beschuldigingen in weinige woorden saam te rijgen dan ze grondig en helder te weerleggen, z dat ook de min kundige lezer voldoende gewapend worde tegen misleiding en misverstand — |4| moest dit antwoord op de, 2 kolommen van ’t Handb. vullende, beschouwingen des heeren K. wel wat te uitvoerig worden voor een dagblad. Uit voorzorg gaf ik aan de redactie van meergenoemd blad kennis dat mijn antwoord ruim 2 malen zoo groot zou worden als het eerste artikel. De redactie beloofde het te plaatsen, zoodra de ruimte het zou toelaten. Na bijna drie weken zond zij mij echter de kopie terug, als reden opgevende dat zij, vanwege de belangrijke gebeurtenissen in deze weken, geen kans zag om de gewenschte ruimte te vinden, en daarom met mijn stuk verlegen was. Ook meende zij dat de belangstelling van het publiek in de godsdienstige zijde der kwestie door mij werd verschat. Dat het stuk wel wat uitvoerig was voor het Handb., moet ik toestemmen; hoewel het mij leed deed en doet dat de redactie niet aanstonds daarom de kopie heeft teruggezonden. Van haar aanbod om een zeer kort antwoord aan prof. K. te plaatsen, kon ik geen gebruik maken.

Mede op raad van vrienden, die groot belang stellen in deze discussie, geef ik nu mijn antwoord aan den heer Dr. Koster als brochure in het licht. ’k Hoop dat het oponthoud de belangstelling niet zal hebben doen verflauwen, en dat nog een goed deel dergenen, die mijn eerste artikel met onverdeelde instemming lazen, ook van deze voortzetting der gedachtenwisseling over zoo gewichtvolle onderwerpen zal kennis nemen. Wie helpen kan en wil om in den uitgebreiden kring, waarin het Handelsblad mijn eerste artikel en prof. Koster’s zonderling verweer te lezen heeft gegeven, dit noodzakelijk nader bescheid aan dien aanvaller op ons heilig geloof, deze nadere verklaring en ontwikkeling der leer van de opstanding en van het geestelijk lichaam, bekendheid en toegang teverschaffen, doe wat zijne hand vindt om te doen. Hij zal der goede zaak, tal van medemenschen, en ook mij daarmede een gewaardeerden dienst bewijzen.

Omdat beide stukken zeer nauw verbonden zijn, heb ik ook het eerste artikel, waardoor Dr. Koster’s ongenoegen en veler lezers sympathie gewekt werd, en hetwelk ook reeds de „Wekstem,” uit welwillende belangstelling, heeft geplaatst, in deze brochure opgenomen. Men vindt het op bladz. 13-23 na de inleiding ingelascht.

Uit het art. van prof. K. heb ik telkens zijne eigene woorden aangehaald, en wel in het verband, waarin zij daar voorkomen. De heer K. zal, vertrouw ik, zelf mij het getuigenis willen geven, dat |5| zijn lastige interpellant hierin zijn onnauwkeurig voorbeeld niet heeft gevolgd.

Tot kenschetsing van de leermethode en verweerkracht van Dr. K. schrijf ik hier eerst de inleiding en daarna een paar volzinnen af, die tevens eenige toespelingen mijnerzijds te beter zullen doen verstaan.


„De mystici” — aldus begint Dr. K. — „drukken zich dikwijls zeer duister uit, niet waar het bijzaken, maar juist waar het de hoofdzaak geldt — deze woorden, welke op bladz. 19 van A.A. van Otterloo’s Johannes Ruysbroek (Ontwikkelingsgang der mystiek) voorkomen, herinnerde ik mij toen ik het artikel van den heer L. Lindeboom gelezen had.

Het blijkt dat er, behalve de Katholieken (daarvan kon ik het vooruit weten) nog een andere groep van Nederland’s inwoners ongezind zal worden bevonden om mede te werken tot de verbetering van de beoefening der ontleedkunde aan de universiteiten: het is die der mystieken.

Gevoel van eigenwaarde zou mij er toe mogen leiden, na beleedigingen zooals de heer Lindeboom mij aandoet, het stilzwijgen te bewaren. De vermelding van mijn besluit daaromtrent zou ik gaarne als het eenige antwoord doen drukken op alles, wat mij persoonlijk raakt. In het belang der zaak echter, welke mij vroeger tot schrijven drong, schijnen een paar opmerkingen niet overbodig.”


„Ik ga nu een uitlegkunde op mijn eigen hand van 1 Cor. 15 wagen, en plaats die kwakzalversbeschouwingen naast de leer van den deskundigen theoloog Lindeboom.”


„Nu zijn er vele theologen, die boven den Zaandammer uitsteken als krachtige eiken in het woud boven gesnoeide lindeboomen op een hofje.”


Tegenover dit oordeel van den heer Koster staan vele warme betuigingen van instemming met mijn getuigenis. Enkele dier schriftelijke aanmoedigingen van mij onbekende vrienden deel ik hier als tegenhanger mede.


Een ongeteekende briefkaart, postm. Zutfen, luidt: „Vergun aan |6| een Nederlandsch, niet uitsluitend materialistisch, Burger UwEerw. instemming te betuigen met UwEerw. moedige optreding en wederlegging inzake de realistische stukken over crematie en stofwisseling, in het Handelsblad door prof. Koster ingezonden.”


Een onderteekende briefkaart uit Amsterdam is van dezen inhoud:

„Hartelijk dank voor het flinke woord, door U in het Handelsblad van gisteren geplaatst tegen Dr. Koster. Ok, voor de waardige en min kwetsende wijze, waarop gij uw polemiek tegen hem gevoerd hebt!

Als lezer, van ’t Handelsblad had ook ik mij gergerd aan den minachtenden toon, waarop Dr. K. zich over ’t geloof der christenen uitliet met betrekking tot de opstanding des vleesches, en de gedachte dat men dit alles maar publiceeren kan zonder dat gerepliceerd wordt, wekte mijne verontwaardiging.

Eere daarom ook aan de Redactie van ’t Handbl. die uw stuk opnam!”


Mede uit Amsterdam kwam de volgende brief, van iemand, dien ik alleen ken uit hetgeen hij zelf nu en dan heeft geschreven, doch daaruit genoegzaam ken om zijn oordeel op prijs te stellen. De regelen, die ik, ook in het voorgaande, onderschrapt heb, verdienen m.i. de overweging en behartiging van alle voorgangers en voorstrijders, met mond en pen, in de legerscharen van onzen Heere Jezus Christus.

„In gedachten moet ik U even hartelijk de broederhand drukken en U dank zeggen voor Uw stuk in het Handelsblad van gisteren. Ge hebt een waardig en krachtig getuigenis gegeven tegen de goddelooze dwaasheden der tegenwoordige wetenschap. Bijzonder goed deed het mij dat gebroken is met de jammerlijke methode, waarbij maar al te dikwijls de Christenen voor Christus en Zijne getuigen de welwillendheid der wereldlingen inroepen, en het Christendom van de laatsten als een soort van verzachtende omstandigheid laten gelden voor hunne, altijd a priori vastgestelde, mindere ontwikkeling. Z behoort het, dat den ongeloovigen eens rondweg toegeroepen wordt — op goede gronden —: Ge mocht willen dat Ge, ook in wetenschappelijk opzicht, in Paulus’ schaduw kondt staan.” Ge hebt met uw mannelijk woord zeker veler hart verkwikt, en, God geve, menig tegenstander tot staan en nadenken gebracht. De Heere sterke en zegene U nog lang tot Zijn getuige!” |7|

De liefde, die geen k-waad denkt, zal, hoop ik, de mededeeling dezer bemoedigende woorden, niet onbescheiden noemen. Men zie den persoon voorbij en lette op de zaak. En dan leeren ook deze stemmen uit het volk ons: dat, meer dan wij wel weten en verwachten, een, zij ’t ook zwak, oprecht en helder getuigenis voor de waarheid weerklank vindt in menig hart, dat dankt en bidt met en voor de strijders en voorgangers, op elk gebied, in het werk des Heeren. Ook: dat menigeen, die zelf de gaven niet heeft, liefde genoeg bezit om te verlangen dat de voorgangers niet zoo wennen aan allerlei stoutheid des ongeloofs, maar zonder ophouden in ’t geweer staan tegen de aanvallen en aanslagen op Gods Woord en Rijk. En inderdaad, hoe wenschelijk ware het dat de echte krijgsmansgeest meer onder ons gezien wierde, meer in ons leefde. Tot strijden en lijden zijn wij geroepen, broeders. God vergeve genadig ons veelvuldig verzuim, onze traagheid, ons gedurig gebrek aan moed, vruchten van ons klein geloof en ongeloof, aan al Zijne woorden, beloften en bevelen! Vergis ik mij niet, dan denken wij, christenen en christenleeraars, doorgaans veel te hoog van de wijsheid en de wijzen dezer wereld; dan vreezen wij teveel dat ons woord toch niet baten zal, wijl de wijzen dadelijk het oor afwenden; dan schatten wij onze eigene kracht en die onzer mannen te laag, of liever, wij denken niet hoog genoeg van de kracht des Geestes, die in ons woont; omdat wij te weinig zwak zijn met die zwakheid, waarvan Paulus zegt: als ik zwak ben, dan ben ik machtig.


Toen ik het antwoord van prof. K. gelezen had, zweefde mij steeds de geschiedenis van David en Goliath voor den geest. Mocht ik, met de steentjes uit de beek, ook dezen tegenstander neerwerpen; en met zijn eigen zwaard, de wetenschap, zijn ongeloof het hoofd afslaan; ’t zou hem, niet als Goliath ten dood, maar ten eeuwigen leven, Gode tot lof, verstrekken! God moge daartoe dezen geringen arbeid gebruiken!

De „jammerlijke methode”, waarvan boven sprake is, moet door allen geheel worden verworpen. Neen, dt is geen liefde, geen beschaving, geen ridderlijkheid. We moeten ons „niet schamen” voor het Evangelie van Christus. Voor niemand. We moeten krachtig durven spreken, zonder sparen van het kwaad. Davids standpunt en kracht moeten de onze zijn. Ik kom tot u in den Naam des |8| Heeren, Wiens slagordenen gij gehoond hebt.” Om overwinning mag, moet, het ons te doen zijn; om zegepraal door de kracht Gods, met de wapenen van geloof en liefde.

De zg. wetenschap, die uitgaat van een ongeloovige wijsbegeerte, die zelve haar bestaansrecht zoekt in de verwerping van het Godsgezag, is niet te verzoenen met het geloof, niet te genezen. En zij mag den naam van „wetenschap” niet dragen. Jezus zond Zijne discipelen in de wereld, om de volken te „onderwijzen.” In de gouden eeuw der klassieke letterkunde en beschaving, edoch vol van boosheid en onreinheid, verklaarde de Leeraar der wijsheid en gerechtigheid allen voor onkundig; wijl Hij professoren en kinderen, koningen en slaven, allen, naar de schoolbank verwees, om „onderwijs” te ontvangen. En dat van „ongeleerde” menschen, maar door Zijnen Geest toegerust!

De apostelen zijn heengegaan, en de wereld moest buigen voor het Kruis! De Kerk dwaalde af van haren Heer, zij verborg en miskende het Evangelie, en Mahomed overwon; terwijl bijgeloof en ongeloof hare ingewanden verkankerden. De Bijbel kwam weder uit het stof te voorschijn, ’t licht des Woords werd op den kandelaar herplaatst, en de Hervorming was geboren; en ’t mostaardzaad groeide weldra op tot een breedgetakten boom, in vetten grond geplant aan waterbeken. Alle zegeningen der aarde zoowel als des hemels volgden het Evangelie; alle jammeren des heidendoms, der hel, voert het ongeloof met zich. En ook thans is er, op ’t gebied der wetenschap zoowel als op elk ander, slechts n weg ter zegepraal, ter bewaring en uitbreiding der Kerk; de weg des geloofs, dat de ware wijsheid leert, het licht des hemels in de duisternis der wereld aanschouwt en verspreidt. „Dit is de overwinning, die de wereld overwint, nl. ons geloof,” 1 Joh. 5 : 4. Dat geloof geeft zekerheid, wetenschap, troost, heiligmaking. Dat geloof brengt, als werktuig des Geestes, de volken eenmaal aan de voeten van den Koning der eere, die volkomen zalig maakt. Alle strijd echter, waarbij men de wetenschap scheidt van het geloof, aan de ongeloovigen den roem der wetenschap latend, die Christus alleen toekomt, op hun standpunt overgaande en met hunne wapenen kampend, zal ijdel, zal in het eind levensgevaarlijk blijken. Laat de wijzen dezer eeuw om deze taal lachen, wij weten dat hun lachen in geween zal eindigen, en aan ’t slot der eeuwen allen zullen moeten erkennen, dat toch de waarheid en de wijsheid was en is |9| en eeuwig, wezen zal, bij het volk van „den alleen wijzen God, den Koning der eeuwen,” Wien toekomt alle eer en aanbidding, alle kracht en macht, tot in alle eeuwigheid!


Ik kan dit „woord vooraf” niet eindigen zonder nog eens den nadruk te leggen op het gevaar, dat ons volk dreigt van de vele zoo heerschzuchtige als driest ongeloovige geneeskundigen; van de ongeloovige, in materialisme opgaande, medische wetenschap, en van den onheiligen geest, die aan al onze Universiteiten de heerschende is.

Hoe prof. K. zich uitliet, weet men. Wat van een onderwijs in zulk een geest te verwachten is, kan ieder begrijpen. En de leerlingen gaan verder dan de professoren. Ten vorigen jare deed ik zelf de zorgwekkende ervaring op, dat er aan onze Universiteiten jongelingen zijn, die er eene eere in stellen zich „athest en socialist” te noemen. ’t Was bij gelegenheid van eene Voordracht te Amsterdam, over „Het Socialisme en het Evangelie”; de voornaamste opponenten waren . . . . twee studenten in de geneeskunde aan de Amsterdamsche Universiteit. Een van hen begon met te zeggen, dat ook hij opgevoed was in de leer des Bijbels. Wil prof. K., of iemand anders de namen weten, hij leze slechts het, wel onvolledig en partijdig en niet geheel ware, verslag, maar dat toch duidelijk genoeg spreekt, ter bevestiging van deze onze klacht; ’t is te vinden in De Dageraad, 2de jg. Juni 1881, een maandschrift, dat onverholen ’t ongeloof en de revolutie huldigt en verbreidt. God brenge deze en zoovele andere jongelingen, die, tot Hem bekeerd, tot rijken zegen zouden kunnen zijn, door Zijne almachtige genade tot de ware kennis van het „Licht der wereld”!

Niet te dikwerf en niet te luid kan gewaarschuwd worden tegen het als neutraal optredend Staats-onderwijs op de lagere scholen, dat reeds een niet-onzijdig, maar wel voor godsdienst onverschillig, geslacht in zijne dure scholen heeft gekweekt.

Gevaarlijker echter zijn de middelbare, de hoogere burgerscholen, die het volstrekt niet nauw nemen met de kwetsing van „andersdenkenden,” en de tegenspraak, die somtijds bespotting wordt, van de Heilige Schrift en het geloof der Christelijke Kerk.

Allergevaarlijkst is wel de Universiteit. Wij weten het, er zijn aan de Rijksuniversiteiten, ook aan die van de schoone Amstelstad, nog mannen, die den Christus belijden, hoewel niet in alle |10| faculteiten. Maar — wat zijn dezen onder zoovelen, die den toon aangeven, die het geheel besmetten, en den enkelen Christusbelijders den weg versperren? Het kan ook niet anders. Zoowel in scholen als kerken loopt do samenwerking van geloovigen en ongeloovigen uit ten voordeele van den Vorst dezer eeuw, die de zinnen verblindt. Aan de Universiteiten kan en wil ongeloof en materialisme zich gansch ongetoomd uitspreken en voortplanten. En aan zulke scholen worden predikanten, rechters, geneeskundigen, letterkundigen, staatslieden, toongevers op ’t gebied van handel en nijverheid, philanthropen, en alle man van grooten invloed gevormd, misvormd, ontwikkeld in de richting van het onherboren hart, des vleesches, welks bedenken vijandschap is tegen God en Zijn Gezalfde en Zijn volk. Hoe lang nog zullen christenouders hun kinderen naar zulke Universiteiten zenden, die voor vele talentvolle zonen van godvreezende familin ten val geworden zijn! Och, dat men de waarschuwing van Luther wilde bedenken, door Merle d’Aubign genoemd, gewichtige woorden, die ten allen tijde door Regeeringen, door geleerden en door ouders ter harte genomen moesten worden. Luther’s 350 jaren oud getuigenis is nog van volle kracht, vooral in ons land.

Ik vrees zeer dat de Universiteiten slechts de groote deuren der hel zijn, zoo men zich daar niet ijverig betoont in de verklaring van de Heilige Schrift, en om die te planten in de harten der jongelingschap. Ik raad niemand aan dat hij zijn kind ergens plaatse, waar de Schrift niet boven alles gaat. Elke leerinrichting, waar men zich niet gestadig bezig houdt met het Woord van God, zal kwade vruchten dragen.”

„Kwade vruchten” — zoowel in dagen van vreugd als van smart. Hebt gij erop gelet hoe de Amsterdamsche Hoogeschool haar 250 jarig feest, in de vorige maand heeft gevierd? Echt heidensch. Een gezwollen, slecht gestileerde, rede van den woordvoerder der studenten, zonder n degelijke, bezielende gedachte, vol zelfvertrouwen en „jool”-lust. Een rede namens de oud-studenten, nog wel door een predikant, Ds. Bhringer, waarin evenmin de naam van God voorkomt. En voorts feesten, toasten, pretmakerijen, dans en muziek, in en buiten Amsterdam, van heeren en dames, velen tot in den vroegen morgen; pret en wederom pret; offers aan Bacchus, Terpsichore en Melpomene, enz.; verheerlijking der helden en goden van |11| de heidensche fabelleer, in woord en daden; doch — ’t kon ook niet — van dank en gebed aan God geen sprake! Afgoderij met de heidensche Minerva, verachting van den Christus Gods! Van den invloed ten goede van Christus-belijders onder hoogleeraren, studenten en renisten, is ons in de feestverslagen niets gebleken.

Feesten zonder God, van scholen zonder God, leeraars zonder geloof, een wetenschap uit den wortel der wijsheid, die Satan onderwijst, christenvolk, zeg, is daarvan heil te wachten? Kan God op zulke dingen zwijgen? Gaat Overheid en Volk, Troon en Land, niet den ondergang tegemoet, als Nederland in die richting blijft voortstoomen? Mogen wij, die door genade geleerd hebben voor den God van Isral heilig te beven, den Vader aller barmhartigheid innig lief te hebben, anders dan roepen met luider stemme, dan getuigen al den dag, tot ons woord ook in de kringen der ongeloovigen, in de binnenkamers der feestgangers en der lijders, weerklinke?

Ieder kenne zijne roeping, en doe wat zijne hand vindt om te doen, met alle macht. Terwijl het nog dag is. De nacht komt!

En in elken kring, wie wij ook zijn en waar we ook verkeeren, bedenken wij het woord des apostels, in het, zoo opmerkelijk en weinig opgemerkt, verband der verdediging van de Opstanding der dooden voorkomende, 1 Cor. 15 : 33, 34, en dat van elk gezelschap, en wel meest van de Universiteiten geldt:

„Dwaalt niet. Kwade samensprekingen verderven goede zeden.

Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.”

Op dan, broeders en zusters. Troffel en zwaard gehanteerd, in den Name onzes Heeren en Zaligmakers. Christelijke scholen gebouwd, niet alleen voor lager-, maar ook voor hooger onderwijs. Geld en goed, lijf en ziel voor Jezus ten offer gewijd!

Hoe bedroevend, dat het volk van God niet n is. Welk een zegen zouden de Christenen, saam vereend tot ne naar Gods Woord geordende Kerk, met de bediening van Woord, en sacrament, en tucht, niet kunnen zijn, ook voor de beoefening der geheiligde wetenschap. Ach, dat we tegen de eenige Vrije Universiteit onze bekende bezwaren, vooral wegens hare onkerkelijk-kerkistische strekking, moeten handhaven!

Vanwaar ook, vooral voor geneeskundigen c.a. is een Christelijke Universiteit broodnoodig. God van den hemel ontferme zich over |12| ons vaderland, en make al Zijn volk getrouw, in volle gehoorzaamheid des geloofs! Hoopt op Zijne genade, gij allen, die oprecht voor Zijne eere staat.

„Zoo dan, mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere!”


Zaandam, Juli 1882.

L. Lindeboom. |13|




Aan Prof. Dr. W. Koster.

Hoogleeraar te Utrecht.


Hooggeleerde Heer,


Eerst thans vind ik, ten gevolge van drukken ambtsarbeid hier en in onderscheidene vergaderingen elders, gelegenheid om U te antwoorden. Al ware het alleen om allen schijn van onboetvaardigheid of hooghartigheid te voorkomen, antwoorden is mij door Uw artikel tot plicht gesteld. Gij sluit uw art. met twee opmerkingen, waarvan de eerste, aan mijn adres, aldus eindigt: „Laat nu blijken dat op Calvinistischen toorn Christelijke ootmoed volgen kan: laat de heer L. openlijk, in dit blad, erkennen dat hij mij onrechtvaardig heeft beschuldigd”.

Nu mijn antwoord niet in het Handelsblad verschijnt, maar in een brochure, zult gij ’t mij wel ten goede willen houden dat ik ook mijn eerste artikel opneem en hier volgen laat. Overigens moet dit schrijven geheel den vorm behouden, waarin het is opgesteld. Het door U zoo gewraakte artikel van den „Zaandamschen Christenleeraar” luidt aldus.

EEN GEESTELIJK LICHAAM
„een vierkante cirkel?”

of


Medisch-theologische kwakzalverij.

Hooggeleerde Heer!


Nu de discussie over uwe artikelen betreffende Stofvereering ten einde is, zij het mij vergund u opmerkzaam te maken op een vergissing, die, tegen uwe bedoeling, naar ik hoop, kwetsend was en is voor elken „geloovigen Christen,” van wien gij naar waarheid oordeeldet: met recht te mogen beweren, dat hij den doode niet, zooals wij het nu nog zien gebeuren, met |14| het lijk verwarren mag.” Uwe vergissing schuilt in de daarop volgende zinsnede, of liever, in uwe exegese van en kritiek over Paulus’ leer van de opstanding des lichaams.

Gij schrijft in het Handelsblad van 16 April het volgende:

„Hem (den Christen) moeten de woorden: laat de dooden hunne dooden begraven, in merg en been gedrongen zijn,” — hoe u die woorden in dat verband kunt gebruiken, is wel vreemd, doch minder schadelijk.

Niet alzoo met wat gij volgen laat: „evenals die van Paulus: een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. (Voor „geestelijk lichaam” — de hevigste tegenstrijdigheid, ongeveer als een vierkante cirkel, zal men wel „geestelijk wezen” mogen lezen).”

Deze uwe, door mij gecursiveerde, woorden verzoek ik u beleefd terug te nemen, evenals uwe nog krasser uitspraak, dat de, volgens u in nevelen gehulde, leer van de opstanding des vleesches zoo moeilijk kan samengaan met de opvatting des Christens van het leven hier en hiernamaals. Gij dekreteert, alsof gij volmacht had ontvangen om een pauselijke bul te doen uitgaan: „Tegenstrijdigheden in overstelpende hoeveelheid te doen opmerken, zou uiterst gemakkelijk zijn. Doch — transeant cum ceteris . .

Dat is stoute taal. Niet geheel ongepast evenwel, als gij maar grond hadt voor uw stoutheid, die dn moed behoorde te heeten.

Gij zult het wel niet vreemd vinden, professor, dat een „geloovig Christen” door zulke barre stellingen zich gekwetst gevoelt; evenmin dat een Evangeliedienaar u tot herroeping of motiveering van zoo grootsprekende beschuldigingen uitnoodigt.

Ik neem daartoe de vrijheid, in ’t vertrouwen, dat UHGel. bescheiden genoeg zal zijn, om — na op theologisch gebied een uitval te hebben gedaan — aan te hooren wat een theoloog en voorganger in den godsdienst in te brengen heeft. Een goed professor hoort wel gaarne doordachte tegenspraak, al is het ook van een student. Gun mij slechts die studentenvrijheid.


Mij dunkt, waarde heer, dat gij u in erge mate hebt vergrepen aan de wetenschap, door een der ridders, ja een heros in die respublica, in plaats van hem naar wetenschappelijke methode te beoordeelen, zoo en passant met slijk te werpen. |15|

Gij maakt den apostel Paulus tot minder dan een dommen schooljongen. Welk een sukkel moet hij zijn die in ernst kan zeggen dat een cirkel vierkant, dat een vierkante cirkel mogelijk is. Gij beschuldigt Paulus dan ook van „de hevigste tegenstrijdigheid.” Is dat niet een spotten met allen eisch van wetenschappelijken zin, ernst en methode?

Gij meent dus dat Paulus nog niet heeft begrepen dat een geestelijk, in den zin van, zooals gij dit leest, onstoffelijk lichaam onbestaanbaar, een innerlijke tegenstrijdigheid, een „contradictio in adjecto” zou wezen! Is die wijsheid soms een vrucht van den vergoden vooruitgang der natuurkunde, of zoo iets? Och neen, professor. Wie niet krankzinnig was of met woorden speelde, van Adams dagen af, wist en erkende wel dat stoffelijk en onstoffelijk niet hetzelfde is, dat „een onstoffelijk lichaam”, naar uw exegese, slechts een ongerijmde onderstelling kan zijn. Men zou zeggen, reden genoeg om zich duizendmaal te bedenken eer men zulk een „hevige tegenstrijdigheid,” aan een man als Paulus ging toedichten.

Of was Paulus niet een „heldere kop,” een geleerde, een wijsgeer, een der grootste mannen zijner eeuw? Gij zult dat niet ontkennen. Hoe ge ook over zijn geloof oordeelt, gij zult u wel wachten tegen te spreken dat Paulus, de leerling van Gamalil, de bekeerde Farizer, de held van het kruisevangelie van Jezus Christus, een man was van klassieke studie, van klassieke vorming, in wiens schaduw zoomin UHgl. als uw nederige interpellant kan staan.

En zulk een held der wetenschap, zulk een heros in de respublica litterarum, durft gij smaden in zijn graf, alsof hij „de hevigste tegenstrijdigheid” had verkondigd, en dat zonder zelf nog te vermoeden wat elk schoolkind dadelijk inziet!

Ook de breede schare van geloovige christenen onder de wetenschappelijke mannen, n als zij zijn met Paulus in ’t geloof aan de opstanding, teekent gij, met een streekje smeersel uit het pedante goedkoope potje der alleenwijze driestheid, als een hoop domme schepsels, goed bezien: te dom om alleen te loopen, indien niet opzettelijke misleiders! Kan dat er nu toch door, man van de wetenschap?

In naam der wetenschap, die aan hare vendeldragers hooge eischen stelt, roep ik u op om schuld te belijden, dat gij Paulus, |16| alle wetenschappelijke geloovige theologen, de Heilige Schrift: ook als bron van wetenschap, ja zelfs de eerste regelen van uitlegging, van nauwkeurig lezen, hebt onder den voet getreden. Waarlijk, hetzij geneeskundige, theoloog of jurist, zdoende brengt men den goeden naam der geleerden, der wetenschap, om hals.

Ik zal mij van u niet afmaken, door deze zware beschuldiging te verzellen met een „transeant cum ceteris.” Zulk een „transeant” is zoomin voorzichtig als liefderijk. Voor grootspraak onder lichtgeloovige lieden is ’t wel eigenaardig. Dwalingen echter verdwijnen niet zoo gemakkelijk. Een vergissing, als waarop ik u wees, te erkennen, gaat niet zoo vanzelf. Vooral niet voor een hoogleeraar, een hoogleeraar in de geneeskunde. Toch is erkenning noodig. In ’t belang van de wetenschap, die van alle kwakzalverij wil onderscheiden worden. In uw belang, als man van ernst en eer en wetenschap.

Is het van een hoogleeraar te veel geeischt, dat hij, sprekende en oordeelende over een schrijver, diens geschrift eerst in zijn eigen taal leest? ’t Zou een beleediging zijn te durven denken dat gij dezen eisch niet dadelijk zoudt toestemmen. Evenzoo zijn wij ’t eens, dat elk schrijver, elke afdeeling van den wetenschappen-cyclus, naar zjin, haar, eigen taalgebruik en terminologie moet beoordeeld worden.

Welnu, wees zoo goed met mij te lezen 1 Corinthen 15 vs. 44, alwaar de door u aangehaalde woorden staan, de door u gewraakte „vierkante cirkel,” door Paulus geleerd wordt.

Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid; een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Daar is een natuurlijk lichaam en daar is een geestelijk lichaam.”

Gij leest dit „natuurlijk” alsof er stond „stoffelijk,” dit „geestelijk” alsof er stond „onstoffelijk.” Indien dat er stond, uw kenschetsing zou begrijpelijk, zou rechtmatig wezen.

Als gij echter even 1 Cor. 2 vs. 14 opslaat, waar sprake is van „den natuurlijken mensch,” dan ziet gij aanstonds dat Paulus met het woord, hier en daar door „natuurlijk” vertaald, volstrekt niet bedoelt: iets stoffelijks, of de stof, de substantie van een lichaam, waardoor het zich van den geest en de geesten onderscheidt, waardoor het „lichaam” is. In vs. 14 en 15 geeft hij zelf, door en van de tegenstelling: natuurlijke en geestelijke |17| mensch, een verklarende toelichting. „Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden: vs. 14. Doch de geestelijke (mensch) onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden;” vs. 15.

Paulus spreekt van een psychisch lichaam, niet van het physiek des lichaams. Het lichaam van den mensch vr den dood noemt hij een sma yucikn (sooma psychikon), naar de gelijkenis van Adam, het beeld des aardschen menschen, vs. 49; het lichaam der opstanding zal zijn een sma pneumatikn (sooma pneumatikon), naar de gelijkenis van den mensch geworden Heere uit den hemel, het beeld van Jezus Christus, den hemelschen mensch, wiens werkelijke, eigenlijk-lichamelijke, opstanding hij in dit 15de hoofdstuk allerduidelijkst leert.

Dat yucikov (psychikos) nergens en nooit iets stoffelijks of de substantie van stof, van een lichaam beteekent, behoef ik u niet te zeggen. Gij en ieder, die iets van ’t Grieksch weet, stemt dat dadelijk toe. Dat pneumatikov (pneumatikos), in tegenstelling met yucikov (psychikos) gebruikt, niet op een tegenstelling van stof en geest kan duiden, volgt vanzelf.

Wat blijft er dan echter over van de „hevige tegenstrijdigheid”, waarvan gij Paulus en allen, die zijn geloof deelen, zoo apodiktisch beschuldigd hebt; van den „vierkanten cirkel”, die u moed gaf en aanspoorde om te gewagen van „tegenstrijdigheden in overstelpende hoeveelheid”?

Inderdaad, hooggeleerde heer, die „overstelpende hoeveelheid” is aan uwe zijde; wilt ge liever, zij bestaat slechts in uwe verbeelding; uw gemis aan degelijke Bijbelkennis, uw verzuim van grondig onderzoek, uw lichtvaardig exegetiseeren van Paulus’ woorden bracht u er toe om zoo onnoozel van hem te denken, zoo beleedigend over hem en zijn geloof, het innerlijk-harmonisch geloof der Christelijke Kerk, te schrijven.

Behalve in vs. 44 en 46 door Paulus, wordt yucikov (psychikos) in het N.T. nog gebruikt, in Jak. 3. vs. 15, van de valsche wijsheid; in Judas vs. 19, van de goddelooze menschen, den Geest niet hebbende.

Vergun mij u af te schrijven wat de kantteekening van den Staten-Bijbel, op last der Dordsche Synode van 1618/19 |18| vertaald en met korte verklaringen voorzien, van dit „natuurlijk” en „geestelijk” lichaam zegt.

Bij: „Een natuurlijk lichaam: Gr. Ziellijk, dat van de ziel bewogen wordt tot voedsel, beweging, voortteelling en dergelijke, strekkende.”

Bij: „Een geestelijk lichaam: Dat is niet ten aanzien van het wezen, maar ten aanzien van de geestelijke hoedanigheden, waarmede het versierd zal wezen, en omdat het door den Geest Gods zal bewogen worden, de ziel met het licht des Geestes vervuld zijnde.”

Wilt gij liever een exegeet uit onze wetenschappelijke eeuw, hoor dan wat de Wette, wien niemand van Calvinistische dwaasheid zal verdenken, zegt:

„Vs. 44 swma yucikon (sooma psychikon) een seelischer Leib, in welchen die yuc d.i. die Sinnliche Seite des innern Lebens, berwiegt, und der hiernach organisirt ist, vlg. 2, 14: s. pneumatikon (S. pneumatikon), der fr die Vorherrschaft des Geistes organisirt ist.”

De apostel Paulus zelf snijdt in hetzelfde hoofdstuk allen twijfel aan de wezenlijkheid, aan de werkelijke stofsubstantie van het in heerlijkheid opgewekte lichaam af. ln vs. 53 en 54. „Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen.

En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.”

Wel leert hij dus hier, dat het opgewekte lichaam niet aan de wetten of ellenden van krankheid, dood en verrotting, gelijk ’t lichaam in dit leven, zal onderworpen zijn; wel leert hij dus dat het toepassen van de ontwrichte natuurkundige gegevens op de leer der geestelijke, hooger geordende, geheiligde hemelsche lichamen, dwaasheid is, niet ongelijk aan het leggen van een levend mensch op de lijktafel in de snijkamer; doch van een onstoffelijk lichaam, „een vierkanten cirkel,” en zoo al meer, leert hij niets.

De Christelijke Kerk evenmin.

En elk waar geloovig Christen, ’t zij professor of student, minister of werkman, die, door Gods genade, in beginsel van |19| yucikov en sarkikov (psyvhikos en sarkikos) een pneumatikov (pneumatikos) is geworden, belijdt blijmoedig met Paulus; biddende om toeneming in deze geestelijke, hemelsche, overtuiging, deze levenspraktijk, deze hope der toekomst, dezen stervenstroost der geheiligde liefde des geloofs:

Maar onze wandel is — in tegenstelling met hen, die aardsche dingen bedenken, wier God is de buik . . . vs. 19 — in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, (namelijk,) den Heere Jezus Christus.

Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.” Fillip. 3 vs. 20 en 21.

Dat niet alle belijders van dit geloof als oprecht geloovigen zich openbaren, is een droevig feit. Dat dit echter niets afdoet aan de innerlijk overeenkomst en heerlijkheid van het geloof zelf, stemt gij ongetwijfeld even gaarne toe, als gij ongaarne de medische wetenschap zoudt zien beoordeeld naar de praktijk der kwakzalvers, al noemen zij zich ook docteur, professeur en zoo voort, in de hoogverlichte medische wetenschap.


’t Zal, vertrouw ik, na het gezegde, niet meer noodig zijn u aan te toonen dat gij een totaal verward begrip hebt van „den grondslag der Christelijke levensbeschouwing”, waarmede gij „de leer van de opstanding des vleesches” niet kunt rijmen.

Neen, hooggeleerde heer, de Christen is niet van de meening dier dwaalgeesten uit den ouden tijd, die het kwaad zochten in de stof zelve. Een Christen belijdt, volgens de Heilige Schrift, ook een stoffelijke wereld, een stof-lichaam, eenmaal door God gansch goed geschapen. De zonde is de bron van alle disharmonie, ook tusschen vleesch en geest, ziel en lichaam, menschen en menschen, God en den mensch, den hemel en de aarde. Door het schuldverzoenend lijden en de opstanding van den Godmensch is echter ook het lichaam, zoowel als de geest verzoend, en de heiliging, de volmaking, gewaarborgd. Daarom minacht de Christen de wereld niet, maar kan hij dankend het vele goede, dat God in aardsche dingen hem geeft, genieten met vroolijkheid. Maar de nog inwonende zonde roept hem elk oogenblik zich te wapenen tegen de heerschappij der zinnelijkheid, |20| tegen ontheiliging door overdaad of misbruik van Gods gaven. De Christen acht zijn lichaam, zoowel als zijn ziel. „Gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn.” 1 Cor. 6 vs. 50, — ’t is dezelfde Paulus, die spreekt. De Christen echter blijft, uit kracht van de hoogere „Sehnsucht”, door de geloofseenheid met Christus in hem levende, zich een vreemdeling gevoelen op aarde. Niet om de aarde op zichzelve, waarop hij in natuur, geschiedenis, ware wetenschap, kunst, enz., zoo ruime stof van verwondering en aanbidding vindt vanwege al Gods werken en gaven; maar om de verwarring, de zonde, den strijd tusschen vleesch en geest, in en rondom hem, die ook de aarde en alle schepsel doet zuchten. Hij hijgt naar de „volmaaktheid”, die in den verheerlijkten mensch Christus is gegeven, en aan elk der Zijnen is toegezegd, en in zijnen geest door den inwonenden Heiligen Geest verzegeld, vastgemaakt, voorbereid, is en wordt. „Maar wij verwachten, naar Zijne belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont.” 2 Petr. 3 vs. 13; Rom. 8 vs. 18-23.

Daarmede strijdt dus niet, daaruit volgt juist, het geloof aan de opstanding des vleesches. Daaruit volgt ook, dat een christen, in zijn „lijk” nog iets meer blijft zien dan stof dat vergaat. Met Paulus is hem het lichaam, dat in de aarde daalt, het tarwegraan, waaruit een heerlijke halm, zal ontspruiten; uit kracht van ’s Christens eenheid met Christus, die ieder uit de substantie van zijn eigen lichaam, hier op aarde gedragen, een verheerlijkt lichaam, toebereiden, verwekken, zal, door de kracht Zijner opstanding; door den Geest, die op aarde reeds in de geloovigen woont en zoowel lichaam als geest heiligt tot den dienst van God.

Zoolang gij dat voorbijziet, zult gij de huivering, de schuchterheid, den afkeer der geloovigen van de crematie-theorin, van de overgave der lijken aan het oneerbiedig mes en de dikwerf oneerbiedige oogen en handen van oude en jonge chirurgen, niet recht kunnen begrijpen en waardeeren. Daarover wil ik echter niet met u twisten. Of een lijk begraven of verbrand, in stukken gesneden of in zijn geheel begraven wordt, daardoor wordt de zekerheid der opstanding niet versterkt of verzwakt. Zelfs de zee geeft eenmaal de dooden weder, |21| die neerdaalden in haren schoot, of terstond door de visschen werden verslonden.


Mag ik hopen, dat nu „de nevelen” voor u aan ’t optrekken zijn?

Ik herhaal, waarde heer, dat ik u niet verdenk de geloovigen te hebben willen kwetsen. Te vrijmoediger zeg ik u daarom: de geest en toon in uwe stukken is zeer kwetsend.

Dat gij door en door onwetenschappelijk aan ’t doorslaan waart, toen gij Paulus’ leer van „een geestelijk lichaam” onder handen naamt en onder den voet traptet, meen ik in alle bescheidenheid u bewezen te hebben. Deelt gij Paulus’ geloof niet, dat is uw zaak. Gij zult echter Paulus niet iets toedichten, dat hij zoo duidelijk mogelijk toont in de verste verte niet bedoeld of gezegd hebben.

Dubbel jammer, dat dit schenden van den eersten eisch eener wetenschappelijke kritiek tevens, uit den aard van het onderwerp, u schuldig moest maken jegens de H. Schrift en den godsdienst in ’t algemeen, en jegens het dierbaar geloof van honderdduizende landgenooten, wier blijde hoop, wier redelijk geloof, gij aan de minachting van waanwijze, gaarne ongeloovige, mannen en vrouwen, van studenten en schoolknapen, hebt overgegeven. Gij hebt dat niet bedoeld; ik geloof het; maar gedaan hebt gij het zonder twijfel.


Ik zwijg van de zonde, door u alzoo tegen den heiligen God en den eenigen Zaligmaker bedreven. Laat mij u ten slotte alleen nog zeggen dat dit uw bedrijf mij leed doet terwille van de geneeskunde en de geneeskundigen.

Gij hebt krachtig medegewerkt om den eerbied voor haar en voor hen nog dieper te doen dalen bij de menschen van godsdienst, van ernstigen zin. ’t Is bekend dat de meeste medische doctoren en professoren, vooral ten onzent, ongeloovigen zijn; dat inzonderheid het jongere geslacht met athestische en materialistische gevoelens is besmet; dat menig ernstig jongeling aan de akademie, in collegezaal en snijkamer, zijn godsdienst verliest en wegwerpt, onder den onreinen invloed der doodsluchten van het, den Geest Gods niet hebbend en den geest des menschen niet erkennend, ongeloof, dat met alles in „stof ” en |22| „stofvereering” eindigt. Ik zou u medische studenten kunnen noemen, die zich niet ontzien als woordvoerders van athesme, materialisme en socialisme op te treden. Alles natuurlijk op gezag van wat de jongelui, piepende naar ’t gezang der ouderen, „wetenschap” gelieven te noemen!

’t Kan voor dokters en kranken, ’t kan voor geheel de maatschappij niet anders dan schadelijk zijn, nietwaar? Indien het vertrouwen in de geneesheeren wijkt; indien men liever tot „kwakzalvers” zich wenden gaat. Maar daarom moesten ook onze medische doctoren en professoren niet zoo lichtzinnig spreken en doen met opzicht tot den godsdienst; de schadelijke miasmen van hun eigen ongeloovig hoofd en hart en mond moesten zij liever zooveel mogelijk aan patinten en publiek sparen, en hen er tegen helpen behoeden. De heeren moesten ook niet zoo streven naar een alleenheerschappij onder en over het volk, alsof zij het alleenzaligmakend college wijzen vormden, en het volk, vooral het volk als Paulus en Johannes, „een schare, die de wet niet weet,” en dus niet eens behoeft gehoord te worden.

’t Is vreeselijk zooals vele dokters — eere aan tal van hoogst respektabele uitzonderingen! — vooral bij mindere lieden, over en tegen godsdienst, kerk, christ. school, gebed, Bijbel, enz. zich durven uitlaten, indien niet uitvaren; hoe waanwijs en lichtgeloovig zij, voor den ergsten kwakzalver niet onderdoende, van vaccine en tutti quanti verzekeringen van „non plus ultra” durven geven. Menigeen pleegt ook zeer boos te worden als gij aan zijne onfeilbaarheid twijfelt. Ofschoon alle doctoren terstond moeten toestemmen dat in de geneeskunde doorgaans de stelsels snel wisselen, en ook zulke, waarvan men alle heil verwachtte, waarin men Overheid en burgerij dwong te gelooven, na 20 of 30 jaren in een museum van oudheden of in een bergplaats van schadelijkheden opgeborgen worden.

Dat het nu voor de geneeskundige leer en praktijk onverschillig zou zijn, of de dokters al of niet aan God, aan hemel en hel, aan psychisch en pneumatisch gelooven, moet niemand denken of zeggen. Daarvan toch zou het inderdaad uiterst gemakkelijk zijn de ongegrondheid „met overstelpende hoeveelheid” van gronden en feiten aan te wijzen.

Er wordt in ons land een blad uitgegeven tot waarschuwing |23| voor, opsporing, aanhouding en kenteekening van kwakzalvers en geheimmiddelen. Gelijk gij, professor, wensch ik dat blad veel zegen. ’t Zal echter de vraag zijn, of dat blad niet door een ander van dergelijke strekking moet worden gevolgd en gesteund. Immers, indien gij, onverhoopt, mocht volharden in een oordeel en oordeelvelling, als waarvan ik thans herziening vroeg; indien onze oudere en jongere doctoren, incluis pas beginnende studenten en hoogere burgerschooljongens en onderwijzers, voortgaan met hun verzuim van Bijbelonderzoek en driestheid van geloofsverachting; dan zie ik weldra een blad verschijnen, dat over de kwakzalverij en de geheimmiddelen op theologisch en religieus gebied van vele onzer heeren geneeskundigen en over den dwang, ten believe dier medisch-theologische zalverij, door hen geoefend, ook op de Regeering, en met Haar steun, op het ter snijkamer gelegde volk — week aan week zal moeten spreken. Met mededeelen, ontmaskeren, waarschuwen, ’t aanwijzen van de rechte „doctoren en medicamenten”, zou het nuttigen arbeid genoeg hebben.

Dat dit echter nog onnoodig gemaakt worde en UHGel. tot bestrijding van deze, eeuwigdurenden kanker zaaiende, kwakzalverij zult willen medewerken, wenscht van harte,


Uw dienstw. heilbiddende dienaar,
L. Lindeboom.

Zaandam, 24 Mei 1882.

*

Uwe „Opmerkingen” over bovenstaande interpellatie heb ik gelezen en herlezen. Ik kan niet anders zien of gij brengt de zaak in kwestie op geheel ander terrein. In plaats van een paar kolommen, zou ik minstens een paar bladzijden van het Handelsblad noodig hebben, wilde ik u links en rechts volgen. ’t Is mij, wellicht ook u, gebleken dat vele lezers van ’t Handb. met groote belangstelling onze discussie hebben gevolgd. De zaak in kwestie is dan ook voor ieder individu en voor geheel ons volk en volksleven van diep ingrijpend belang. Laat mij daarom u mogen voorstellen alle bijzaken uit het dbat — tot welks voortzetting ik, op die voorwaarde, niet ongenegen ben — te verwijderen. Zoowel de zaak zelve als het publiek, dat wij willen inlichten, heeft daarop recht. |24|

Na rijp beraad, moet ik u teleurstellen. ’t Is mij niet mogelijk schuld te belijden. „Christelijke ootmoed” laat mij niet toe een, miskenning van den Christus en de Christelijke leer, hoedanige gij u, ook in uwe „Opmerkingen”, veroorlooft, onweersproken te laten. Gij spreekt van „Calvinistischen toorn”; gij qualificeert mijn beoordeeling van uw veroordeeling van Paulus’ leer enz. als „beleedigingen”, „aantijgingen,” „brandmerken”, „ongeveer zoo beminnelijk als die van Calvijn tegenover Servetus” enz. Wat zal ik daarop zeggen? Gaarne vraag ik u verschooning voor elk woord, dat gij, buiten de zaak zelve, kwetsend mocht achten. Ik ben mij echter niet bewust u te hebben gekwetst of willen kwetsen, anders dan inzoover uwe kritiek, door mij toegelicht, zelve u min vereerend moest voorkomen. „Calvinistische toorn” — als gij daaronder verstaat een innerlijke verontwaardiging over den smaad, ons heilig geloof aangedaan, zich uitend in een niet sparende ontmaskering en ontkleeding van den ijdelroemenden verachter van de leer der Heilige Schrift; ja, dan aanvaard ik die beschuldiging. Als een eere. Calvijn zegt ergens: een hond blaft wel, als men zijn meester aanrandt; en zou dan de christen zwijgen als men den Christus, zijn Heer en Zaligmaker, te na komt? Wij, christenleeraars, zwijgen veel te dikwerf op allerlei rechtstreeksche en zijdelingsche aanranding van het heilige. Ik heb weken lang gewacht of anderen tegen u zouden getuigen. Ten slotte werd het mij gewetensplicht. ’k Zou ook niet hebben gezwegen of anders gesproken, al had ik kunnen voorzien dat gij niet alleen mijn beschouwingen — dit was uw recht — maar ook mijn persoon zoudt hebben onder handen genomen.

Dat ik u „van onwetenschappelijk doorslaan,” van „een onder den voet trappen” van Paulus’ leer en eer, van „medisch-theologische kwakzalverij” heb beschuldigd — zie, dat heeft u pijnlijk aangedaan. ’t Was te verwachten. De vraag is echter eenvoudig: of ik gelijk had of niet? Men wordt, m.i., niet onwellevend als men iemand, die zich veel op wetenschap laat voorstaan, met de stukken aantoont dat hij gansch onwetenschappelijk aan ’t werk was; als men hem, die Paulus’ leer „een hevige tegenstrijdigheid” noemt, weerlegt met de eigen woorden van P. en dan tot belijdenis van schuld oproept; als men iemand die, ongeroepen en blijkbaar onbevoegd, op grond van zijn medische |25| kennis, in de gewichtigste punten van godsdienst en theologie uitspraken doet, van kwakzalverij tracht te overtuigen. Bij dat alles kan men objectief blijven. Ik meen alleen inzoover subjectief te hebben geschreven, als ik u herhaaldelijk verklaarde u niet als bedoeling te willen toerekenen wat gij, zonder het zelf te bevroeden, inderdaad deedt.

Of gij, met uw declineerend, uit de hoogte neerzien op en spreken over mijn persoon, die geheel buiten het geschil kon blijven; met uw „gesnoeide lindeboomen op een hofje” enz.; ook in die zuivere lijn der objectieve kritiek zijt gebleven, mogen anderen beoordeelen. Al vind ik zoo iets min aangenaam, ’t ontmoedigt mij niet. Ik hoop ook dat gij niet zoo spoedig bang zult, worden. Er is geen reden toe. Ik althans zou uw voorspraak wel willen zijn, als gij ooit in gevaar kwaamt van Servet’s brandstapel. Mocht ik U winnen voor het geloof in den opgewekten Christus, die te komen staat en alleen kan redden van het helsche vuur!

Zelden zag men het „gevoel van eigenwaarde” zoo naakt voor den dag komen, als in uw artikel. Gij laat u daardoor al te vr leiden, ook in uwe kritiek; o.a. waar ge uwe geestverwanten de „verlichte” christen noemt. Gij weet echter ook wel dat dit niets bewijst. „Laat een ander u prijzen en niet uwe lippen.” ’t Is, m.i. voor ons, orthodoxen, geen kwaad teeken als de tegenstanders liever met zelfroemende grootspraak de oppervlakkigen en lichtgeloovigen tegen ons opzetten, dan rustig op onze argumenten in te gaan.

Om elkaar goed te verstaan, moeten wij ons wachten elkander’s woorden te verkeeren, en evenzeer om onnauwkeurig te lezen. Het verdrietig werk om onjuiste voorstelling te verbeteren, moet ik mij nu wel getroosten.

„Niet vermoed te hebben wat een schoolkind inziet” — zie, dat heb ik niet van u gezegd. Gij hebt, schreef ik, Paulus gesmaad, „alsof hij, „de hevigste tegenstrijdigheid” had verkondigd, en dat nog zonder zelf te vermoeden wat elk schoolkind dadelijk inziet”. De overweging dat P. zelf toch ook wel, zoo goed als elk schoolkind, zou weten dat een „vierkante cirkel” een onmogelijkheid is, en dat hij dus geen beweringen zou neerschrijven, die op ’t eerste gezicht reeds, volgens u, zoo’n „hevige tegenstrijdigheid” inhielden, had u reeds moeten |26| weerhouden om zoo iets als een man als P. te durven toedichten! Aldus was de gedachtegang in mijn vorigen brief, en in dat verband staat die regel. Erger is het dat gij mij toedicht „aantijging tegen de beoefening der ontleedkunde als bron van athesme en materialisme”. Geen enkel woord heb ik tegen de ontleedkunde geschreven. Hoe onnauwkeurig gij gelezen hebt; hoe gij of door gevoel van eigenwaarde en vooroordeel bedwelmd waart, f jegens een orthodoxen dominee het ongeoorloofde geoorloofd rekendet; blijkt ontegensprekelijk hieruit dat gij al verder dit schrijft:

„„Menig ernstig jongeling verliest in collegezaal en snijkamer, onder den onreinen invloed der doodsluchten, zijn godsdienst,” zegt gij.” Door mijn woorden te verkeeren, laat gij mij het bespottelijk figuur maken van iemand, die meent dat de doodsluchten van een lijk athesme zouden kweeken; dat de godsdienst niet bestand zou zijn tegen „kennismaking met de ontleedkunde der longen.” Zulk een bestrijder zoudt gij inderdaad wel uit het zaal kunnen lichten met uw verzekering: „wij zetten de ramen der ontleedzaal open, en hebben carbolzuur, alcohol en andere antiseptica tot onzen dienst.” Tegen mij echter geldt dat „in de lucht slaan” met zoo’n blikken sabeltje niet. Ziehier wat ik heb geschreven; ’k onderschrap wat gij hebt weggelaten. „’t Is bekend . . . . dat menig ernstig jongeling aan de akademie, in collegezaal en snijkamer, zijn godsdienst verliest en wegwerpt, onder den onreinen invloed der doodsluchten van het, den Geest Gods niet hebbend en den geest des menschen niet erkennend, ongeloof, dat met alles in „stof” en „stofvereering” eindigt.” Ieder ziet dus dat ik gewaarschuwd heb, niet tegen de ontleedkunde, niet tegen de geneeskunde, maar tegen het ongeloof, van professoren, doctoren en studenten. Tegen het ongeloof, dat ook U, helaas! bewoog om van de ontleedkunde een wapen tegen het Christelijke geloof te maken, en u daardoor gevaarlijk maakt, zoowel voor de degelijke beoefening der ontleedkunde zelve als voor jonge menschen, die niet alleen onder de doodsluchten der lijken, maar — en hierin zit juist het gevaar — tevens onder de doodsluchten van der professoren ongeloof verkeeren moeten. Mijn doel daarmede was: om u en alle ongeloovige geneeskundigen, mede in het belang van hen zelven en hunne wetenschap, op te wekken, toch niet langer |27| te wanen en op hoogen toon, onder geleerden en onder het volk, te beweren: dat de medische wetenschap tegen het geloof des christens getuigt. „Het causaal verband, tusschen studie der ontleedkunde” en „athesme en materialisme,” zoek ik dus niet in de wetenschap, niet in de lijken, maar — in de verkeerde richting, in het vooroordeel, in den zeer kranken, ongeloovigen, aanstekelijken, zielstoestand van velen harer beoefenaren. Geloof vrij, waarde heer, dat wij voor „wetenschap” niet bang zijn. De som aller kennis is niets anders dan een opmerken van wat God zelf heeft geschapen, gegeven, doen zien. Maar tegen het noemen van wetenschap, wat slechts een gissen, of een averechtse wijze van beschouwen der objecten is; daartegen kom ik op. En die kwaal schijnt mij toe, op elk gebied van studie, tegenwoordig heerschende te zijn. Het geroep van en geroem op wetenschap klinkt allerwege zoo luid; en in zoo schril kontrast staat daarmede immers de klacht der officieele verslagen over de gebrekkige voorbereiding en de magere vruchten, ook van ’t akademisch onderwijs; trots de kostbare vermeerdering van wetenschappelijke titels en vakken en grootmeesters aller orden!

Ik heb dus niet de ontleedkunde „zwart gemaakt in de oogen van het publiek,” maar de „zwartheid” van uw ongeloovige manier van beoefening en bepleiting tentoon gesteld. Ik gun mij thans het zeldzaam genoegen om met een enkelen regel in uw laatste stuk in te stemmen; nl. dat studie der natuur Gods grootheid en wijsheid kan leeren opmerken. O, zeker! Ik durf zelfs vermoeden dat er ook wel ontleedkundigen zullen zijn en geweest zijn, die met Paulus en de geheele Christ. Kerk van harte de opstanding der dooden geloofden. Onze oude Bijbel wekte, reeds vr meer dan 25 eeuwen, de menschen op, om God te loven voor de wondere n Zijner wijsheid en macht in de formeering van het menschelijk lichaam. En hoemeer de ontleedkunde werkelijk kunde is en wordt, hoemeer zij het woord der Schrift bevestigen zal, die het samenstel des lichaams zoo aanschouwelijk „een borduursel” noemt; hetwelk den dichter doet uitroepen: „Wonderlijk zijn Uwe werken! ook weet het mijne ziel zeer wel.” Ps. 139 : 14, 15. Gij ziet dus dat men geen modern ongeloovige „verlichting” behoeft, om te ontdekken en te erkennen: dat de ontleedkunde den bewonderenswaardigen bouw der lichamen doet zien. Indien gij hadt kunnen nalaten uwe |28| „eenigszins ironische aanstipping” dezer geloofszaken — waarbij ironie toch zeker ten eenenmale misplaatst was en op krenking van het heilige moest uitloopen — dan zou ik u en uwe ontleedkunde met rust gelaten hebben. Geve God aan onze hoogescholen eerlang oprecht geloovige genees- en ontleedkundigen, die de studenten, bij de ontleding van het „borduursel” van Gods hand, in heilige bewondering leeren uitroepen: „Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uwe gedachten! hoe machtig vele zijn hare sommen! Zoude ik ze tellen? harer is meer dan des zands; word ik wakker, zoo ben ik nog bij U!” Ps. 139 : 17, 18 1).

Dat „messen en oogen en handen, door ernstige en slechts kennis, wetenschap, zoekende personen, van beiderlei sekse, met eerbied „in de snijkamer” worden gebruikt,” geloof ik gaarne. Slechts ter loops sprak ik; onder verzekering: „daarover wil ik met U niet twisten;” van de huivering, de schuchterheid, |29| den afkeer, der geloovigen, van de crematie-theorin, van de overgave der lijken, „aan het oneerbiedig mes en de dikwerf oneerbiedige oogen en handen van oude en jonge chirurgen.” Om u in uw ongeloof, in uw minachting van ’t geloof aan de opstanding des vleesches, tegenover hun geloof, dat in het lijk nog het ter verheerlijking bestemd lichaam blijft zien, de oorzaak van die schuchterheid aan te wijzen. Ik moet u de bekentenis doen, dat ik nooit „snijkamer of colleges over ontleedkunde bezocht heb”; te Kampen hadden we daarvoor geen gelegenheid; woonde ik te Utrecht, en liet gij hospitanten toe, wellicht zou ik u door een bezoek toonen dat ik het niet tegen de ontleedkunde zelve heb. Gij weet echter ook wel dat de oude en jonge chirurgen niet allen, en niet altijd, „met eerbied” vervuld zijn en blijven bij de lijken-ontleding; dat de majesteit Gods, de vreeselijkheid der zonde als oorzaak des doods; het eeuwig lot des menschen; waarvan elk lijk met zijn kille, stomme, lippen zoo ernstig spreekt; doorgaans niet op de ziel wegen. Ik heb dit meermalen van studenten zelven vernomen. Doodshoofden als nachtlichtjes, beenderen, en dergelijke dingen in den zak en in de hand, al schertsend gebruikt enz., — zijn dergelijke „oneerbiedigheden” te U. niet meer in zwang?

Dat het ontleedmes „oneerbiedig” is in het oog der liefde, die het stoffelijk overschot der geliefden zoo gaarne met teederheid beschouwt, angstvallig bewaakt, in rein en fijn doodsgewaad kleedt, is ook u bekend. Men krenke toch dat „redelijk gevoel en die peteit” niet. Leerde de massa dat „gevoel” uitschudden, geen lijk, en eerlang geen levend mensch, ware meer veilig; dat gevoel behoort ook nog tot de kleine overblijfselen van Gods beeld in den mensch. Bij de wilden, de lijk-eters b.v. vindt men van die piteit, van dat gevoel, niets. En in u zelven, professor, zal dat gevoel beginnen te woelen; gij zelf zult het ontleedmes „oneerbiedig” vinden; als gij u voorstelt: het lijk van mijn lieve vrouw of dochter zal straks naakt uitgekleed, en voor veler oog in stukken gesneden, ontleed, worden. Gij acht het ongetwijfeld geen beleediging, dat ik nog zoo groote mate van piteit en gevoel bij den pleiter om lijken voor de ontleedzaal durf onderstellen. Indien voor de ontleedkunde werkelijk menschen-lijken noodig zijn, dan is het ook waar — daarin hebt gij gelijk — dat er lijken moeten zijn. |30| Daarvoor kan ik u echter geen raad geven. Wel vind ik het; naar uw bewering, thans onvermijdelijk; „escamoteeren,” stelen of kapen, van „lijkendeelen,” zoomin voor studenten als andere menschen geoorloofd; lijkenschending moet m.i. in ieder gestraft worden. „Om de volksmeening te wijzigen”, zegt gij, „moeten mij de godsdienstleeraars helpen.” Dat is de vraag, mijnheer. In elk geval echter zult gij eerst moeten ophouden uw ontleedkunde door ongeloof te verontreinigen; ophouden het geloof aan zonde en verlossing en opstanding des vleesches te bestrijden; ophouden met, na eerst de Bijbelwoorden verdraaid te hebben, ze daarna tegen het geloof der Christenen, en ten bate van lijkenontleding en crematie, die op zichzelve geen van beide iets met de leer van de opstanding te maken hebben, aan te voeren. Ik zou raden: laat ieder, die, ’t met u eens is, doen gelijk de heer B., die onlangs in dit blad zijn lijk beloofde; laten vooral medische professoren, studenten enz. hunne lijken legateeren ten nutte der menschheid. Ik kan mij voorstellen dat iemand dat doet, uit oprecht gemeende belangstelling in de wetenschap. Zoo komt gij allengs, zonder ergernis te geven, zonder u aan den Christus Gods te vergrijpen, den „cadavernood” te boven.


Me dunkt, we hebben nu elkaar wel begrepen, voorzooveel onze discussie de ontleedkunde en hare beoefening betreft. ’t Wordt tijd dat wij komen tot de hoofdzaak, den „vierkanten cirkel,” dien gij, nu onder reserve, blijft handhaven. Gij zegt en gij vraagt, ook aan mij, veel, dat in ons geschil niet behoefde betrokken te worden. ’k Zal echter trachten u in ’t kort voldoening te geven.

Laat mij toe u te herinneren dat ons geschil liep I. Over uw aanval op 1 Cor. 15 : 44, en alzoo op Paulus, den schrijver. II. Over uw aanval op en verwerping van ’t christelijke geloof aan de opstanding des vleesches.

Gij zijt minder duidelijk in uwe „opmerkingen” dan in uwe uitspraak, Handb. 16 April. Dit is echter; ’k geloof in alle bescheidenheid dit te mogen konstateeren; wel duidelijk, dat ik in hoofdzaak mijn doel heb bereikt. Noem dit geen grootspraak, maar tracht, als gij kunt, aan te, toonen dat ik te ver ga door te stellen: |31|

A. Dat prof. Koster door prof. Koster zelven is gecorrigeerd — wijl hij niet durfde volhouden dat Paulus dien cirkel-onzin zou geleerd hebben. Voor Paulus’ nagedachtenis doet mij deze vrucht van mijn art. reeds groot genoegen. Al geeft gij ’t nu ook den schijn, alsof gij niet de leer van Paulus maar „Lindebooms eschatologie” onaannemelijk vondt. Daarover straks nader.

B. Dat prof. Koster uit de verhevene wolk der gemakkelijke grootspraak heeft moeten afdalen op de prozasche oppervlakte der . . . zelfverdediging; en dat nu gebleken is dat het aantoonen van „de innerlijke tegenstrijdigheid” van een „geestelijk lichaam,” en van „tegenstrijdigheden,” „in overstelpende hoeveelheid” in de leer van „de opstanding des vleesches” volstrekt niet zoo „uiterst gemakkelijk valt.” Daarvan is althans in uw betoog niets gekomen. Dit verblijdt mij zeer, om het welgegrond en troostvol geloof der opstanding.

C. Dat prof. Koster, alleen door ontwijken van het punt in kwestie, en door gansch onwetenschappelijk omspringen met en dooreenmengen van woorden en begrippen, zich kan trachten te redden. Het doet mij, om uwentwil leed, ook dit zoo gemakkelijk te kunnen aantoonen.


Zooveel doenlijk volg ik uw „opmerkingen” over de theologische kwesties op den voet. Aan het einde beslisse ieder onpartijdige.

Gij hebt Paulus, den heros in de respublica litterarum, den held van het kruisevangelie, gesmaad, — schreef ik — door hem van „hevige tegenstrijdigheid” in zijn leer te betichten. Wat is nu uw wapen? Dat „er wat voor te zeggen is dat de leer van het soma psychikon en pneumatikon niet van Paulus, de leerling van Gamalil, afkomstig maar van veel later dagteekening is.” Gij verwijst mij naar Dr. Loman’s „Quaestiones Paulinae.” Gij hebt gelijk dat „een wetenschappelijk theoloog behoort kennis te dragen van hetgeen deskundigen op goede gronden zeggen van den tijd van ontstaan der Canonieke Bijbelboeken.” Bedenk echter wel: op die „goede gronden” komt alles aan! Zoodra gij mij nu zegt inhoever Gij Loman’s beweringen voor uwe rekening neemt, en op welke gronden, zal ik gaarne mijn gemotiveerd oordeel over die „goede gronden” u en den lezers laten weten. Thans laat ik die kritische |32| of onkritische hypothesen rusten. Want Gij zelf hebt, in uw art. van 16 April, de woorden over het geestelijk lichaam, 1 Cor. 15 : 44 aan Paulus toegeschreven. Aldus: „hem moeten de woorden: „laat de dooden enz.”, evenals die van Paulus: een natuurlijk lichaam enz. . . . .”

Laat mij u in ’t voorbijgaan echter zeggen, dat de echtheid van Paulus’ beide brieven, „die onvergelijkelijke monumenten van Paulus’ apostolische persoonlijkheid,” aan de Corinthirs, zelfs door de Tubingsche School, een „eik” van uw „woud,” is erkend; dat de echtheid van den eersten brief o.a. door Irenaeus, Tertullianus, Clemens Alexandrinus, den kanon van Marcion, en ook reeds door Athenagoras en Polycarpus, Ignatius en Clemens Romanus, is gestaafd.

Doe mij het genoegen ook voor deze, eenige jaren oudere, „eiken”, eenig respekt te hebben. En vergeet vooral niet: dat de krachtige verdediging van de leer der opstanding van de dooden, en de vertroosting der strijdende en lijdende Gemeente met die heerlijke toekomst, een kenmerk is van Pautus’ evangelieprediking, ook in andere brieven.

In uw art. van 16 April hebt gij dus wel degelijk over Paulus gesproken; terecht hebt gij die uitspraak aan hem toegeschreven. Over zijne leer van een geestelijk lichaam; niet over mijne, u toen nog onbekende, verklaring van den tektst, hebt gij „gekwakzalverd.” In uw laatste art. doet gij hetzelfde, vooral met mijn interpretatie van Paulus’ tekst.

Uw excuus, dat gij u „in geen geval hebt vergrepen aan den schrijver van 1 Cor. 15 : 44, maar aan den persoon van hem, die de vertaling van den Statenbijbel leverde, en die voor het in 1 Cor. 15 : 44 werkelijk voorkomende Soma, in het Hollandsch „lichaam” meende te moeten schrijven” — is, dunkt mij, voor alle kenners van ’t Grieksch afdoende, om u van ongelijk te overtuigen en te blozen over zoo verregaand arrogante mishandeling van den Griekschen tekst.

Het kan toch ook U niet onbekend zijn dat de mannen, die de vertaling van den Statenbijbel „leverden”, zoowel door degelijke taalkennis als door kennis van den inhoud der Schriften en godsvrucht uitmuntten; dat die vertaling door deskundigen, door vrienden en vijanden der „Dordsche Vaderen”, ook ver buiten onze grenzen, is geroemd. |33|

Dat het woord „Sooma” „werkelijk voorkomt” in 1 Cor. 15 : 44, en veelmalen in dat cap., hebt gij niet kunnen, niet durven ontkennen. Dat de woordelijke vertaling van sooma niet anders kan zijn dan: lichaam, geeft gij later ook in ’t voorbijgaan toe. Uw lust tot een „vrije” vertaling herinnert mij de waarschuwing van wijlen mijn hooggeschatten Rector Dr. C.H. Thiebout, zoo dikwerf wij, voor ’t gemak en de fraaiheid, eenigszins „vrij” uit Lat. of Gr. schrijvers wilden vertalen: „jongens, vr alles moet ge woordelijk, letterlijk, vertalen, om den zin en de bedoeling recht te verstaan; zijt ge daarmede klaar, dan kunt gij het, zoo mooi en zoo vrij als gij wilt, omschrijven; maar . . . past altijd op dat gij geen geweld doet aan de beteekenis en den zin der woorden!” Gij waart ook zelf niet zeker van uw recht tot uw vertaling van sooma door wezen. Aldus schrijft gij: „Ware een vrije, geen woordelijke, vertaling van psychikon en pneumatikon soma (in overeenstemming met een gezonde, niet woord-ziftende uitlegkunde van, 1 Cor. 15: 44) vergund; mocht men lezen: een natuurlijk wezen wordt er gezaaid, een geestelijk wezen wordt opgewekt; de „vierkante cirkel”, welke ik nu in den Statenbijbel vind, ware verdwenen.”

Z kan men er komen. Zoo zou men b.v., ook kunnen zeggen: ware het vergund om Koster door Lindeboom te vertalen, dan ware tusschen den orthodoxen verdediger en den modernen bestrijder van Paulus’ leer alle verschil verdwenen . . . .

Maar zie, dat een en ander is nu juist ten strengste verboden! Als men op die wijze koopakten, testamenten enz. ging vertalen of verklaren, dan zou de rechter aan strafartikelen over vervalsching in geschriften gaan denken. Daarmede valt reeds geheel uw verdere redeneering. Er is niets aan te doen: wat gij ook nu „een vierkanten cirkel” noemt, staat in den Griekschen tekst. Het baat u dus niets dat gij, om den schrijver te sparen, op den vertaler en uitlegger uw gansch onverdienden, innerlijk tegenstrijdigen, smaad werpt.

Tot uw genoegen voorzeker, wil ik zelf antwoorden op uw vraag: „moeten wij op het gezag van dien man, (Lindeboom) gelooven . . . .?” Neen, o, neen! Maar — op ’t gezag van wat er geschreven staat. „Er staat geschreven” in de H. Schrift, en „Er is wederom geschreven!” — daarmede wees de Heere Jezus den verleider af. Van die Schrift, de waarheid, en van haar |34| alleen mag gezegd worden: dat zij blijft tot in der eeuwigheid, en allen menschen door God ten regel gesteld en gegeven is.

En op gezag nu van den Griekschen tekst van die Schrift, en de wijsheid van vele Bijbelvertalers, zult gij uwe vertaling als onzinnig moeten terugnemen.

Ik heb eenige oude en jonge vertalingen uit de laatste vier eeuwen voor mij liggen. Laat ons zien of zij U dan wel den Statenbijbel gelijk geven.

1. De Vulgata vertaalt: corpus animale — corpus spiritale; in de overzetting van Leuven aldus: „Nu wordt het als een vleeschelijk ligchaem in de aarde geworpen, dan zal het als een geestelijk ligchaem verrijzen.” 2. Erasmus: Seminatur corpus animale, resurgit corpus spirituale; in de vertaling van zijn Paraphrasis, door de Veer, 1660, aldus in ’t nederd. overgezet: „Het wordt ghezaait een zieligh ligchaem, ende het sal opstaan een gheestelijck ligchaem. 3. Luther: Ein natrlicher Leib — ein geistlicher Leib. 4. Calvijn, Comment. in N.T.: Seminatur corpus animale, resurgit corpus spirituale. 5. Grotius, Annotationes: Seminatur corpus animale, surgit corpus spirituale. 6. De officiele fransche vertaling van D. Martin: il est sem corps animal, il ressuscitera corps spirituel. 7. De off. engelsche vertaling: It is sown a natural body; it is raised a spiritual body. 8. De italiaansche vert., uitg. door het Br. en Btl. Bijbg.: egli seminato corpo animale, e risuscitera corpo spirituale. 9. Bengel, Gnomon: corpus animale — corpus spirituale. 10. v.d. Palm: Een natuurlijk ligchaam wordt gezaaid, een geestelijk ligchaam opgewekt. 11. G. Vissering, Al de boeken des Nieuwen Verbonds uit het Grieksch opnieuw vertaald, Amst. Fred. Muller: „er wordt gezaaid een zinnelijk ligchaam, opgewekt een geestelijk ligchaam. 12. Het N.T. vanwege de Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk opnieuw uit den Grondtekst overgezet: „gezaaid wordt een zinnelijk ligchaam, opgewekt een geestelijk ligchaam.” 13. In het Hebreeuwsch N.T. volgens de vertaling van, zoo ’k meen, prof. F. Delitzsch, is sma (sooma) overgezet door goeph, corpus, hetwelk hetzelfde is als ons woord lichaam. 14. De Septuagina op hare beurt vertaalt dat hebreeuwsche woord ook door sma; zie b.v. Gen. 47 : 18, 1 Sam. 31 : 10.

Wat dunkt u, waarde heer: zijn al deze vertalers, mannen van verschillende kerken en richtingen, nu onkundigen of |35| verknoeiers van den Griekschen tekst geweest? Vindt gij zelf ’t ook niet opmerkelijk dat zij, bij alle verscheidenheid overigens, in de vertaling van sooma door corpus allen eenstemmig zijn? Beproef gij nu ook eens om 14 vertalers van sooma door „wezen” te noemen. Kan daarvan niets komen, beproef dan eens 14 of 4 mannen van naam te vinden die uw vertaling willen overnemen en verdedigen. Begin b. v. maar eens aan te kloppen bij den Griekschen eik, voor wiens kennis in ’t Grieksch wij beiden eerbied gevoelen, prof. Cobet te Leiden. Ik vermoed echter dat ZHG. u raden zal door „amende honorable” een eervollen aftocht te blazen.

Zoover mij bekend is, wordt sooma nergens, zoomin bij de klassieken als in de „canonieke boeken” gebruikt in den zin van: een wezen, een van ’t lichaam, van ’t vleesch, van stofsubstantie ontdaan, wezen. In dien zin toch wilt gij ’t vertalen: een geestelijk wezen wordt opgewekt, zonder — „opstanding” des vleesches. Wel wordt sooma soms oneigenlijk gebruikt, als samenvatting, als het geheel van vele deelen, b.v. van de leden der Gemeente, die saam „het lichaam van Christus” vormen, 1 Cor. 12 : 13. Ook wel om de werkelijkheid in de vervulling tegenover de afschaduwende typen, het sooma tegenover de skia, aan te duiden; wel staat sooma ook min of meer synekdochisch, voor ’s menschen geheele persoon, b.v. 2 Cor. 10 : 4, waar van de tegenwoordigheid des lichaams, somatos, sprake is. (Zie o. a. het niet verouderd werk van Trommius, Concord. 3 dl.) Doch in alle deze is juist het lichaam de aanduiding of het orgaan der werkelijkheid, der zichtbaarheid — in tegenstelling met den zelf niet zichtbaren geest, die door het lichaam naar buiten werkt en zich kennen doet. ’t Is ontegensprekelijk: alle afgeleid en oneigenlijk gebruik vaw het woord soma, dat bij alle lexicographen, in den eersten, in den grondzin, lichaam, ’t zij van mensch of dier, beteekent — rust op die eigenlijke beteekenis, is alleen daaruit te verklaren. Door profane schrijvers en dichters wordt sooma wel gebruikt voor: de geheele persoon des menschen, zooals hij uit geest en vleesch bestaat; doch nergens voor een, van ’t lichaam ontbonden, wezen; en dan nog slechts ter aanduiding van min geerde menschenkinderen, nl. krijgsgevangen, lijfeigenen, enz. Over het woord sooma is veel te lezen en te schrijven; en aangaande het „pneumatisch sooma” zal de toekomst veel openbaren dat, nu nog niemand vermoeden kan. Doch dat uw |36| vertaling en uitlegging er totaal eene, zooals gij zelf zegt, „op eigen hand” is, en geheel mislukt, door niemand of niets gesteund, met alle schrijvers en regels van klassiek en kanoniek Grieksch in strijd, — dat kan ieder veilig voor uitgemaakt houden, ook zonder mijne aanwijzing. Om zeker te gaan, heb ik nog eens eenige lexica e.a. opgeslagen, van vroegeren en van lateren tijd: o.a. ’s Grevelius, Hedericus cura Ernesti, Schleussner, Dr. W. Pape, Dr. J.T. Bergmann, Lex. Gr.-Lat. ed. Tauchn., Dr. Schirlitz, Dr. D. Harting, Lic. H. Cremer, Bibl.-theol. Wrterbuch der Neutestam. Grcitt. Alle dezen vertalen sooma door: corpus, lichaam, cadaver, lijk, caro, vleesch, enz. Niemand kwam het in ’t hoofd om, gelijk u doet, dat woord door een „wezen”, en nog wel, een onlichamelijk wezen, te vertolken.

Op ’t gebied van taal en taalwet en vertaling zijt gij dus geheel onwetenschappelijk aan ’t werk geweest, hebt gij geweld gepleegd. ’k Hou ’t er voor dat gij zelf dit nu ook wel, zwijgend of sprekend, zult erkennen. 2)

Met Uwe zoogenaamde „exegese” uit het verband enz. is het niet beter gesteld.

Gij vergist u door voorop te stellen dat ik „had behooren aan te toonen dat de schrijver een even helder denkbeeld had van de tegenstelling tusschen geestelijke en stoffelijke verschijnselen, als wij hebben”. Ik voor mij geloof dat hij veel helderder begrip daarvan had, dan dat wat gij „helder” noemt. Doch zoomin mijn als uw oordeel mag hier gelden, of den exegeet leiden. De vraag is maar: wat Paulus, volgens zijn eigen woorden, in verband met geheel zijn betoog, heeft gezegd en bedoeld? Gij stemt in het begin toe — ik onderschrap — „de heer Lindeboom kan evenwel opmerken dat ik toch in elk geval de in zijne oogen heilige leer van „het sooma psychikon en pneumatikon” kwalijk begrepen heb. Voor het oogenblik zij dat zoo.” Zie, waarde, heer, dat is juist het punt, waarover ik u interpelleerde. Uw fout zit juist hierin, dat gij een eigendunkelijke beteekenis toeschreeft aan psychisch |37| en pneumatisch. In plaats echter van nu flink weg te erkennen: ik heb, door onoplettendheid, alzoo van het „geestelijk lichaam” een „vierkante cirkel” gemaakt; de „hevige tegenstrijdigheid” schuilde in mijn onjuiste opvatting van het woord: „geestelijk”, alsof dat stond tegenover het eigenlijke van een lichaam; in plaats van door die erkentenis u zelven te eeren, doet gij nu geheel het verband geweld aan, om ten slotte nog weer uw „vierkante cirkel” te verdedigen. Eigenlijk onthoudt gij u geheel van „exegese”. Losse opmerkingen moeten dienst doen, om, op gezag van uw opvatting van geest en stof enz., den duidelijken zin van Paulus’ woorden onaannemelijk te doen schijnen. ’k Herhaal: ’t is de vraag niet, of P. ’t met u eens is of gij met hem; wij hebben slechts te onderzoeken wat P. heeft gezegd, en of darin „hevige tegenstrijdigheid” is. Of de slotsom aan uwe logica en natuurkennis beantwoordt, of „en plein mysticisme” geraakt, dt heeft met de exegetische kwestie ook al niets uit te staan.

Gij wilt uw ongeloof, uw verwerping van de leer der opstanding des vleesches, zoowel aanbevelen als bedekken, door beurtelings den schrijver te beschuldigen, en dan weer — hoe inconsequent en hoe oneerlijk! — het te doen voorkomen alsof gij het wel met hem en ook met mij bijna eens zijt. ’t Is moeilijk om bij zulk een spel met heilige dingen lust te behouden tot discussie. Oordeel zelf. Gij zegt: „het is evenwel gebleken dat ik het met den heer Lindeboom volkomen eens ben omtrent de meening van den schrijver van 1 Cor. 15, dat de mensch, zooals hij daar op aarde leeft, spreekt, loopt, schoon later begraven en verrot, door een onnaspeurlijke wondermacht wer „verheerlijkt” levend worden zal. (Slechts ontbreekt de tegenstelling van ziel en lichaam)”. Is dat nu geen „ironie” van ’t minste soort? Overtreedt gij nu niet welbewust den door u zelven nog herinnerden regel: „dat aan een zelfde woord dezelfde beteekenis moet worden gehecht”?

Dat „slechts . . .” is inderdaad kolossaal naf! Neen, mijnheer Koster, gij toont duidelijk juist niet te gelooven dat de mensch, zooals hij op aarde loopt, weer levend worden zal. Volgens u blijft de mensch dood. Gij gelooft alles — uitgezonderd . . . wat gij ongeloovig verwerpt. Gij erkent slechts een voortbestaan der ziel. En wat gij nu met dat „weer levend worden” en met — |38| dat „verheerlijkt” bedoelt, dt ligt inderdaad in nachtelijk duister. Gij hadt even te voren nog gezegd: „Gaat men spreken van een „lichaam”, dat uit den dood opgewekt, verheerlijkt zal worden, en dan „onverderfelijk, eeuwig” zal zijn, dan miskent men de eerste eischen der logica en der meest elementaire natuurkennis.” En dt juist leest Paulus en geheel de Schrift! Laat toch zulk een laf woordenspel aan kwakzalvers over! Meen ook niet dat de lezers van ’t Hand. zich zulke vooze knollen voor heerlijke citroenen in de hand laten stoppen. Laat ons 1 Cor. 15 samen even inzien.


„Dat de gansche diatribe van 1 Cor. 15 niet geschreven is naar aanleiding der vraag, met welk lichaam men zal opstaan (dat komt incidenteel ter sprake) maar omdat er onder de Corinthirs waren, die in het geheel niet aan het leven na den dood geloofden” — van deze uwe bewering is het eerste gedeelte waar; doch daaraan hebt gij niets. En onwaar is het tweede gedeelte, waarmede gij de leer der opstanding in de schaduw wilt zetten. Geen enkel woord staat daarvan in 1 Cor. 15 te lezen. Neen, de kwestie was: over de opstanding der dooden. P. wijst de Corinthirs op het heerlijke van het welgegronde Evangelie van Christus, die voor de zonden gestorven maar ook opgewekt is. In welken zin P. „opwekking” en „opstanding” gebruikt, is — ten spijt van allen, die met misleidende woordvervalsching van „geestelijke opstanding” in den zin van „voortbestaan doch niet opstaan” bazelen! — zoo helder als de dag. Want hij zegt, dat „de opgestane Christus door meer dan 500 broeders tegelijk is gezien.” — Dat is de inhoud van al der apostelen prediking. vs. 11. „Alzoo prediken wij en alzoo hebt gij geloofd”. In vs. 12 komt de zonde der Corinthirs voor den dag. „Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u dat er geen opstanding der dooden is?” Wie zoo spreekt — zegt P. — verwerpt ook de opstanding van Christus; want deze stukken der leer, deze feiten: de opstanding van den Christus en die van de dooden, zijn onafscheidelijk verbonden. Hoe ongelukkig zou de Gemeente, zou de menschheid, zijn als die twijfelaars en loochenaars — geestverwanten van U, mijnheer Koster — gelijk hadden! Dan zouden ook verloren zijn, voor eeuwig in ’t verderf neergestort, die in Christus zijn ontslapen; die het hoofd ter ruste gelegd |39| hebben in de hope des geloofs dat zij, door Christus van hun zondeschuld bij God gerechtvaardigd, de plaats der gelukzaligheid zouden berven.

Zulke lieden maken ook de apostelen tot „valsche getuigen Gods”. Zie vs. 12-19. Maar nu — aldus roept de apostel vol vreugde uit; die twijfel kan wel het begrip, de ziel, der twijfelaars verwarren, doch de feiten blijven en komen er even goed om. Door geen logische of onlogische syllogismen, door natuurkunde noch ontleedmes, kan het feit van Christusopstanding worden vernietigd. En daarom, en daardoor, is ook de opstanding der dooden gewaarborgd; naar Gods Woord en naar Gods doel met de zending van Zijnen Zoon in het vleesch. vs. 20-23. „Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, en is de eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door eenen mensreh is, zoo is ook de opstanding der dooden door eenen mensch. Want, gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook in Christus levend gemaakt worden . . .”

Aangenomen eens dat Paulus zich had voorgesteld, gelijk uwe „krachtige eiken” gissen, „dat de Christenen, waaraan hij schreef, binnen korten tijd den Messias zouden zien terugkomen, de dooden opwekken en de nog levenden „in een punt des tijds” veranderen” — gij zijt wellicht in de war met den 1sten brief aan de Thess. cap. 4? vergelijk 2 Thess. 2 — eilieve, wat zou dit in ons geschil, hetwelk niet over den tijd wanneer — een ondergeschikt punt, — maar over het al of niet van de opstanding der dooden gaat! Met al hun hypothesen kunnen toch de moderne, zoomin als de antieke, Gnostieken e.a. ’t zoover niet brengen dat wit zwart is, en dat gewone menschen „opstanding” lezen alsof er „dood-blijven” stond.

Voor ieder die lezen kan, Nederlandsch f Grieksch, is het duidelijk dat 1 Cor. 15 betrekking heeft op (zooals gij mijn opvatting aanduidt) „de wederopstanding der lichamen (waar blijven in middels de zielen?) en de plotselinge verandering der nog levenden op den laatsten oordeelsdag, welke nu nog altijd komen moet.”

Over uwe vraag aangaande die zielen straks. Eerst de exegese.

Gij spreekt, zoo in ’t voorbijgaan, van „het visioen” van den schrijver van 1 Cor. 15. In den zin van „openbaring door den Heiligen Geest, die hem de heerlijke toekomst van de zalige opstanding der geloovigen, deed zien”, zou ik met dat woord |40| vrede kunnen hebben. ’t Zal u echter ook wel bekend zijn dat de modernen met dat woord „visioen” spelen, uit modern-dogmatisch vooroordeel, en het op profeten en apostelen toepassen, in den zin van een soort ijlhoofdigheid, zenuwkoorts en andere dergelijke, even begrijpelijke en heldere, bronnen en oorzaken, tot verklaring (of ontzenuwing) van de heilige wijsheid, ’t machtig geloof, de vurige liefde, dier mannen Gods. Daarom mocht ik dat kleine woordje niet ongemoeid laten passeeren.

Na over de volmaking van het Christus-rijk, en de troostvolle kracht dezer opstandingswaarheid, en de schadelijkheid van het, tot heidensche zeden voerend, ongeloof te hebben gehandeld, vs. 24-34, komt P. tot hen, die wel geloofden, maar gaarne meer licht zouden hebben aangaande het hoe, en met hoedanig een lichaam, de dooden opgewekt zullen worden. Dat zij met een lichaam „zullen komen”, staat vast; evenals ook Christus’ ziel weder met het lichaam is vereenigd.

Wat beduidt daartegenover nu uwe bewering, „dat Paulus ’t niet zou hebben begrepen, als een kind der 19de eeuw hem was komen vragen „of alle verspreide bestanddeelen van het ontbonden lijk weder bijeen zouden moeten komen, om de verheerlijking te ondergaan”? (Hoe weet gij dt toch zoo zeker?) Och arme! alsof P. niet wist wat reeds in Gen. 3 staat geschreven: dat het lichaam des gestorvenen „tot stof wederkeert”. Alsof P. zelf niet u en allen, die, met zulke willekeurige vragen en voorstellingen aangaande het hoe, de waarheid van het dat mochten willen afschuiven en verddnkeren, reeds was voorgekomen. Door de plechtige vermaning, als inleiding tot die heldere onderwijzing van hetgeen God aangaande het hoe heeft gelieven te openbaren, vs. 36-50: „Gij dwaas, hetgeen gij zaait wordt niet levend, tenzij dan dat het gestorven zij! En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe of van eenig der andere granen. Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.”

„Alle vleesch is niet hetzelfde vleesch . . . . En er zijn „hemelsche” lichamen, en er zijn „aardsche” lichamen.” Beide zijn werkelijk lichamen 3), maar zij verschillen in heerlijkheid. „Maar eene andere |41| is de heerlijkheid der hemelsche, en een andere der aardsche”.

. . . „Alzoo zal ook de opstanding der dooden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt.” Verder wijst hij nu op het verheerlijkt lichaam van Jezus Christus, den Zaligmaker, die niet slechts het leven hernam, maar ook levend maakt, „geworden is tot een levendmakenden geest”. Zijn lichaam is, met eerbied gezegd, het model, waarnaar God der geloovigen „geestelijk lichaam”, pneumatikon sooma, zal formeeren; uit de substantie van hun eigen lichaam, het beeld des aardschen menschen, op aarde gedragen — gelijk de tarwehalm uit de gestorven tarwekorrel. Dat P. door „vleesch en bloed”, die „het Koningrijk Gods niet berven” (vs. 50) het psychisch, door zonde en smart besmet, lichaam bedoelt — dit blijkt, zonder tegenspraak te dulden, uit hetgeen onmiddellijk tot verklaring volgt: „noch de verderfelijkheid berft de onverderfelijkheid niet.” Zie hierbij vs. 42.


Juist daarom moet de christen verlost worden van het verderfelijk lichaam; om een „onverderfelijk”, „geestelijk”, voor den gezaligden geest geheel passend, lichaam in de plaats te ontvangen. In vs. 51 leert hij dat aan, allen die „verandering” van lichaam — in Rom. 8:23 genoemd: „de verlossing onzes lichaams” — geschieden zal. De gestorvenen — door opwekking; zij, die bij de wederkomst van Christus nog leven, door in een ondeelbaar oogenblik van sterfelijk in onsterfelijk te worden veranderd, zoodat ook hunne lichamen — door dezelfde wondermacht, die uit het zaad der graven de korenvelden der opstanding zal verwekken — evenals die der opgewekte en verrezen dooden, van alle verderfelijkheid genezen, verlost, ontdaan, worden en van stonde aan onverderfelijk wezen zullen.

Ziedaar de leer van 1 Cor. 15. Om noodelooze herhaling te voorkomen, verwijs ik U en de lezers voorts naar mijn art. in ’t Hdbl. van 28 Mei. 4) Al wat ik daarin van de beteekenis van |42|psychikon en pneumatikon sooma” heb gezegd en daaruit beredeneerd; mede door vergelijking van 1 Cor. 2 : 14, 15 en andere teksten; hebt gij ter zijde gelaten. Mijn betoog staat daar nog geheel onverwrikt. Gij kunt het mij dus niet euvel duiden dat ik het in herinnering breng.

Dat nu „een geestelijk lichaam” bij U „het gevoel van „tegenstrijdigheden” wekt”; dat dit op uw oor werkt „als een knarsende deur”; wil ik, omdat gij zelf het zegt, wel gelooven. Doch ik zie niet in dat dit iets anders bewijst, dan de psychische krankheid van uw gevoel, door uw gemis van de pneumatische vatbaarheid „om geestelijke dingen”, de dingen des Geestes Gods, te begrijpen en te onderscheiden. Evenals het oordeel van iemand, die de heerlijkste muziek, het liefelijkst vioolspel — zlke menschen zijn er ook — „een vervelend gekras” noemen, slechts bewijst dat de kritikus geen „gehoor” heeft.

De geheele kwestie komt hierop ner: gelooft gij in „God, den Vader, den almachtige, den Schepper des hemels en der aarde?” Gij zelf erkent dat in deze woorden: „Maar waarom wilt gij, nietig mensch, Gods wondermacht beperken? kan de heer Lindeboom met recht vragen.” En dat blijf ik vragen, en die vraag zou ik u op het hart willen binden. Op die vraag hebt gij niets geantwoord; alleen een wedervraag gedaan, nl. wat ik, bij ’t geloof in die wondermacht Gods, „dan toch in beginsel voor bezwaren tegen verbranding der lijken of hunne ontleding ten behoeve der anatomie heb?” „Waarom ik wel sprak van de zee en hare dooden, en niet van de duizenden verbranden?” Ik heb u echter in ’t vorig art. reeds gezegd dat zoomin verbranden als ontleden de zekerheid der opstanding kan schaden. „Of een lijk begraven of verbrand, in stukken gesneden of in zijn geheel begraven wordt, daardoor wordt de zekerheid der opstanding niet versterkt of verzwakt.” Hadt gij dat, nu door mij onderschrapte, woord in dien volzin niet gelezen? Zult gij u nu gewonnen geven, gewonnen aan „Gods wondermacht”? Ach! hoe dwaas, hoe schuldig, is de trotschheid der nietige stervelingen, die zich stellen durven tegen God, het schepsel eerend boven den Schepper? En dat noemt men dan nog liefst „wetenschap”!


Dat „sooma” in 1 Cor. 15 : 44 niet anders dan „lichaam” |43| beteekenen kan, is ons straks gebleken. Ik moet u thans nog opmerkzaam maken op den onzin, dien juist uwe „vrije vertaling, in overeenstemming met eene gezonde, niet woordziftende uitlegkunde” van P.’s woorden zou maken. Gij wilt vertalen: een natuurlijk „wezen” wordt gezaaid, een geestelijk „wezen” wordt opgewekt. Derhalve: ook wat gezaaid wordt, d.i. in het graf daalt, is: het wezen, de persoon zelve des menschen! Het lijk en de doode — die, volgens uw eigen art. van 16 April, niet „met elkander verward mogen worden” — dus een en hetzelfde! Dus: ook de ziel begraven! En — gij wilt nog de „onsterfelijkheid der ziel” blijven gelooven . . . . Ziet gij nu niet hoe uwe „vrije” vertaling uzelven in de war brengt, met uzelven? Niet beter wordt het met: „een geestelijk „wezen” wordt opgewekt.” Een opwekking dus van een „wezen”, dat als lijk of met het lijk was verdwenen, verrot? Hoe kan dat weer „opgewekt” worden? Of ook — als de ziel blijft voortleven, hoe kan dan die ziel „weer levend” worden? Dwaasheid, mijnheer Koster, ongerijmdheid, zelfs door den meest bijgeloovige niet mogelijk te achten; f — ergerlijk woordenspel! Ik laat U de keus.

Hoe redelijk, hoe begrijpelijk voor den „geestelijken mensch”, hoe innerlijk-harmonisch, is daartegenover de leer van Paulus, van geheel de Schrift, aangaande dat „geestelijk lichaam”, dat, met den nu afgescheiden gezaligden geest hereenigd, den alsdan en alzoo weer levend gemaakten en geworden mensch, een eere, een verlustiging, een volmaakt orgaan, wezen zal; in waarheid een lichaam, doch nu niet naar ’t beeld van Adam, maar naar ’t beeld van den heiligen, verheerlijkten, mensch Christus Jezus, den in ’t vleesch gekomen Zoon van God, die ons verlost heeft en, verlossen zal van alle zonde en dood; door wien ook de nu „ontwrichte natuur” zelve „zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid kinderen Gods.” Rom. 8 : 21.


Wat ik bedoelde met „de ontwrichte natuurkundige gegevens” — deze uitdrukking, ik erken het, was wel eenigszins te gedrongen en daardoor onduidelijk — zal u nu, hoop ik, ook duidelijk worden. Aldus noem ik de gegevens, de verschijnselen, wetten, smarten enz., waaraan onze lichamen, waaraan geheel de — Rom. 8 : 22 — „zuchtende, als in barensnood zijnde” |44| schepping, onderworpen is, na den zondeval, — Gen. 3 — waardoor de vloek van God over het aardrijk is gekomen. Deze wetten en jammeren nu van de aldus „ontwrichte” natuur, en die zelfs nog volstrekt niet alle bekend zijn, passen de ongeloovigen dadelijk toe, als er van de opstanding en hemelvaart van Christus sprake is; idem op de leer van de opstanding des vleesches. Die „natuurwetten” gebruiken zij als een domper om het licht der toekomst te dooven. Met welk recht? Is het geen eisch van wetenschappelijke methode dat men rekene op elk gebied, bij elk subjekt, met de bij en voor elk eigenaardige verschijnselen, verhoudingen, wetten? Mag men een stoomschip beoordeelen naar de wetten van een trekschuit; de physieke kracht enz. eens volwassenen naar het lichaam van een kind? Evenmin mag men de wetten van het sterfelijk lichaam toepassen op de leer van het lichaam der opstanding, en op grond van het bekende „vernederde” lichaam, de leer van het „verheerlijkte”, nog niet geziene, lichaam tegenspreken. Wijl in het gewraakte onderscheid en verschil van het laatste, juist deszelfs kenmerk en bestaansreden gelegen is.

„Als de zondeval niet plaats gehad had”? dan — zou, dit geloof ik op grond van Bijbelsche „gegevens en wetten”, ook het lichaam van den mensch in volkomenheid zijn toegenomen, totdat het voor zonde en smart alle mogelijkheid van vatbaarheid hadde verloren. De essentieele, wezenlijke, eigenschappen echter van het menschelijk lichaam, in vereeniging met den geest, zouden zoowel dn zijn bewaard gebleven als het lichaam van Christus nu, in den hemel, metterdaad nog de essentieele lichaamseigenschappen heeft. Wat echter tot de essentieele, en wat tot de accidenteele, bijkomstige, eigenschappen van het menschelijk lichaam behoort, zelfs in dezen onzen zondigen staat, is nog niet zoo maar ex cathedra uit te maken — nietwaar, prof. Koster? Gij hebt hetzelfde lichaam nog, als toen gij in de wieg sluimerdet; hoeveel „stofwisseling” heeft dat lichaam reeds ondergaan; toch, met al die veranderingen, die ontwikkeling van vorm en krachten enz., hebt gij niet nog hetzelfde lichaam als voor 10 en 20 jaren? Wat is nu toch wel in uw lichaam het blijvende en assimileerende element? Een kind heeft zijn eigen lichaam, en toch is het vleesch van der oudren vleesch, bloed van hun bloed; evenwel zonder dat hun een gedeelte van hun |45| bloed en vleesch is ontnomen. Alleen „Gods wondermacht” kan ook dit feit der lichamenwording, der geboorte van menschen, verklaren. Ik zal daar niet dieper intreden, maar, mij dunkt, ’t kon u nuttig zijn eens daarbij stil te staan, in verband met de leer van het „pneumatikon sooma.” Ook om in te zien hoe onrechtmatig de eisch ware, dat ik u zeggen zou inhoever de eigenschappen van een pneumatisch lichaam overeenkomen met of verschillen van die van het psychisch lichaam. Iets daarvan is echter wel duidelijk. Dat b.v. het innemen van ruimte, het hebben van een plaats, een ubi, een blijvende eigenschap ook van het pneumatisch lichaam is, blijkt ontegenzeggelijk hieruit: dat de Heere Jezus, na Zijne opstanding, nooit op twee plaatsen tegelijk gezien of lichamelijk geweest is. Ook na Zijne Hemelvaart is de Godmensch naar het lichaam, naar Zijne menschelijke natuur, niet meer op aarde geweest. Eenmaal komt Hij in Zijn lichaam weder, dat niet tegelijk in den hemel en op de aarde kan zijn. Evenzoo is het duidelijk dat de, in deze bedeeling, voor onze lichamen geldende wetten van zwaartekracht enz. niet gelden voor het toekomstig lichaam. Jezus toch voer ten hemel, gelijk Hij Zich vroeger reeds ineens verplaatste, bij de verschijningen aan Zijne apostelen.

Nu redeneeren de ongeloovigen: neen neen!, dat kan niet, volgens de ons bekende wetten; derhalve — droomt of liegt ieder, die zoo iets verhaalt of leert.

De geloovige echter is waarlijk wijs en redeneert echt wetenschappelijk aldus: de geschiedenis, hierin beter gestaafd door ooggetuigen enz., dan bij eenig ander verhaal, verhaalt dat Jezus is opgestaan en ten hemel gevaren in Zijn lichaam; dat lichaam had, vr Zijne opstanding, dezelfde behoeften en beperkingen als elk ander; blijkens de teekenen der nagelen in Zijne handen is dat lichaam werkelijk hetzelfde als dat, waarme Hij aan ’t kruis hing. Derhalve — leert ons het feit dat dit zelfde lichaam veelszins veranderd, gansch verheerlijkt is, dit: dat voor het opstandingslichaam, vanwege andere accidentia, vanwege andere hoogergeordende verhoudingen, andere wetten gelden dan voor deze bedorvene, ontwrichte, natuur. De sleutel ligt in het verschil. Indien P. leerde dat het lichaam met dezelfde gebreken, smarten enz. zou opgewekt worden, en op een zondige aarde herplaatst, zie, dn zou er inderdaad |46| strijd zijn; dn zou gezond nadenken op „hevige tegenstrijdigheid” stuiten. Wat toch zou een gezaligde, volkomen heilige, geest met en in zulk een lijdend en ontreinigd, psychisch, lichaam doen! Maar nu — is er slechts reden om, in de blijdsch ap der hope op de naderende „verslinding des doods tot overwinning”, te jubelen en te loven, te midden van de smarten des levens en de verschrikkingen des doods: „Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus!” 1 Cor. 15 vs. 57.

Zoo is er dus niet de minste tegenstrijdigheid — gij hadt beloofd ze „in overstelpende hoeveelheid” aan te toonen, maar bepaalt u tot vragen en uitroepteekens! — in de leer van de opstanding der dooden, noch tusschen deze en het geloof aan ’t voortleven van den geest des gestorvenen, zoo gij wilt, van de „onsterfelijkheid der ziel;” hoewel ik — wijl „onsterfelijkheid” iets geheel anders is dan de „onvernietigbaarheid”, welke bedoeld wordt — die uitdrukking min juist vind. Gij dacht dat uit mijne leer zou voortvloeien „dat onze dooden niet nu in den hemel zijn.” Ik kan u gerust stellen. Aller dooden lot, leert de Schrift, wordt dadelijk bij ’t sterven beslist. Zij, die hier, door het geloof in den „nigen Naam” met God zijn verzoend, gaan naar de plaats der gelukzaligheid, terwijl het blij vooruitzicht, dat ook hun „lichaam”, aan ’t eind der eeuwen, zal opgewekt worden tot heerlijkheid, hun geluk verhoogt. De goddelooze rijke ging „in de pijn;” Lazarus, niet om zijn armoede, maar om zijn vertrouwen op God, werd door de engelen in „Abrahams schoot,” ’t oord der gezaligden, gebracht. Daar vond ook naar den geest de bekeerde „moordenaar aan ’t kruis” een rustplaats. Deze waarheid behoort bij het geloof aan de opstanding der dooden. Hoe kondt gij toch meenen dat het een het ander uitsluiten zou?

Door uwe scheiding, door de verwerping van de opstanding, berooft gij uzelven en anderen van den heerlijksten troost. Gij doet de menschelijke natuur oneere en geweld aan. Gij laat den geest, wiens scheiding van het vleesch, welke wij „dood” noemen, geen ontwikkeling maar een verbreking en verwoesting, „een bezoldiging der zonde” is, eeuwig van het lichaam verstoken. Gij kent geen triumf van den geest over de stof; geen „verlossing des lichaams” van de boeien der zonde en des toorns Gods. Het lichaam wordt in uw systeem een last, waarvan de |47| geest blij mag zijn voor goed verlost te worden. Gij zegt terecht, dat voor Paulus het menschelijk wezen „een geheel” is. Doch dit getuigt tegen uzelven. Want gij kent geen voortleven van den mensch, die immers uit ziel en lichaam bestaat, „een geheel” is. Uw „voortlevende” is slechts de geest van den gestorven mensch, die . . . dood blijft. Volgens U zou dus de dood altijd en eeuwig zijn zwarten, looden, scepter zwaaien! Gij hebt geen psalm des levens op de graven. Geen wonder dat menig moderne, bij sterfbed en lijkbaar, zonder redeneering, uit drang des gemoeds, naar de oude geloofspsalmen en gezangen der hope grijpt! Volgens Paulus zijt gij en alle ongeloovigen „degenen die geen hope hebben.”

Der Gemeente van Thessalonica, en in haar de Kerk aller eeuwen, roept hij daarentegen bemoedigend toe: Zoo dan, vertroost elkander met deze woorden:

Doch broeders! ik wil niet dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd wordt, gelijk als de anderen, die geene hoop hebben. Want, indien wij gelooven dat Jezus gestorven en opgestaan is, alzoo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.” 1 Thess. 4 : 13-18.


Mijne taak spoedt ten einde. Ik moet u nog antwoorden op een paar aanmerkingen, die — even ongegrond zijn als al het reeds afgehandelde.

„Is dat kwakzalverij of erger?” zoo roept gij uit, bij de vermelding dat ik de leer van Paulus durfde noemen: „het innerlijk-harmonisch geloof der Christelijke Kerk,” door u onderstreept. De onnoozele oorzaak van uwe bevreemding ligt alleen in uw te haastig lezen en onnadenkend oordeelen. „Dat er onder de patres en scriptores ecclesiastici, zoowel als onder de hedendaagsche en vroegere kerkleeraars — laten wij zeggen evenveel — voorstanders als tegenstanders van de ressurrectio carnis kunnen genoemd worden” — dat wist „de Zaandammer Christenleeraar” wel; alleen dat „evenveel” laat hij er buiten; de meesten der eerste eeuwen waren verdedigers van die waarheid 5). Maar — waarde heer, had -ik dan geschreven: |48| het geloof, waarmede alle leeraars der Kerk altijd harmonieerden? Indien er stond: het geloof der altijd innerlijk-harmonische Kerk — dan ware het nog begrijpelijk dat gij meenen kondt mij nu ook eens op een welkom staaltje van onkunde of kwakzalverij te betrappen. Na ik echter schreef: „het innerlijk-harmonisch geloof,” kan dit „innerlijk-harmonisch”, in zuiver nederlandsch, niet anders zijn dan een adjectief, van „geloof.” Ter aanduiding dat dit geloof, deze leer, in hare deelen onderling, in uitgangspunt en resultaat, vrij van alle „tegenstrijdigheid,” innerlijk harmonieert. Die „innerlijke harmonie,” heeft niets te maken met het groot of klein getal ketters of geloovigen van vroeger of later. Ketters, dwaalleeraars, half- en, onwetenden, waren er ten allen tijde. Reeds Paulus kampte tegen die dwazen, die, onder den Christelijken naam, de christelijke leer verdraaiden of loochenden. Wij hebben de waarheid noodig, om „waar” en „wijs” te worden, tot godzaligheid en zaligheid. Niet de waarheid ons.

Dat dit „innerlijk-harmonisch” geloof het geloof is der Christ. Kerk van alle eeuwen is ontegensprekelijk. ’t Zal u toch bekend zijn dat de Christ. Kerk juist niet de ketters en dwaalleeraars heeft aangesteld tot, of ooit erkend voor, hare vertegenwoordigers. Haar geloof is uitgesproken in de Oecumenische Symbolen. Deze algemeen Christelijke belijdenissen, deze breede grondslag der Christelijke Katholiciteit, zijn: Het zg. Symbolum Apostolicum: „Ik geloof in, God den Vader en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, die . . . . is gestorven en begraven . . . . ten derden dage weder opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel enz.; ik geloof . . . . de wederopstanding des vleesches en een eeuwig leven. 2. Het Symbolum Nicaeum, vastgesteld op het Concilie te Nicaea, 325; daarin leest gij: „Ik verwacht de opstanding der dooden en het leven der toekomende eeuwen.” 3. Het Symbolum „Quicunque,” ook genoemd dat van Athanasius; dit belijdt: dat, bij Christus’ „wederkomst om te oordeelen de levenden en de dooden,” „alle menschen weder zullen opstaan met hunne lichamen, en van hunne eigene werken rekenschap geven.”

Dit is het algemeen geloof, hetwelk, indien iemand hetzelve niet getrouw en vast gelooft, die zal niet kunnen zalig worden.”

Duidelijk genoeg — nietwaar? |49|

Nooit heeft de Christ. Kerk die belijdenis herroepen, hoevele loochenaars ook ingeslopen of uit haar opgestaan zijn. Gij ontslaat mij wel van de onnoodige moeite om u uit de symbolen van de, later ontstane, onderling verschillende, afdeelingen der ne Christ. Kerk aan te wijzen dat zij allen onder veel meer ook in de belijdenis van „de opstanding der dooden” eenstemmig zijn.

Alleen op de Geref. symbolen wil ik u nog even wijzen. Ik weet niet of gij door „de leer der Herv. Kerk,” verstaat: de door de Geref. Kerk uitgesproken Belijdenis. Daaruit alleen kan men de leer van de Geref. Kerk leeren kennen. Indien „de beminnelijke predikant,” die U in die leer onderwees, zich aan de erkende Geref. symbolen heeft gehouden, zal hij u wel geleerd hebben, dat „de dooden leven,” n.l. naar den geest voortleven; maar ook dat zij eenmaal, van den dood verlost, in hereeniging van ziel en lichaam opgewekt worden. Of en inhoever „de afgestorvenen in den Hemel in geestelijken zin ons zien, en deelnemen in ons denken en doen” — daarover heeft zich de Christ. Kerk, ook de Geref. afdeeling, nooit uitgesproken. Maar dit dunkt mij zeker: dat uw met weemoed herdachte predikant, „die in deze dagen orthodox zou heeten,” met dieperen weemoed, bij ’t lezen uwer stukken, zou uitroepen: „quantum mutatus ab illo” professor, quod ego juvenem docui! Als een andere apostel Johannes zou hij den, naar de roovers afgedwaalden, hoopvollen jongeling van voorheen, schreiend opzoeken. Hij zou mij de hand drukken, blijde ook mij in dat werk der reddende liefde jegens U bezig te zien!

Want een orthodox, gereformeerd, predikant, van vroeger en later, „belijdt met den mond en gelooft met het hart”: Geref. Catech. Zond. 22:

Dat niet alleen mijne ziel, na dit leven van stonden aan, tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijne ziel vereenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.” Zie Cat. Zd. 17 en ook Art. 19 en 37 van de Nederl. Geref. Belijdenis.

Wat nu aangaat uwe bewering, op grond van een gezegde van Hagenbach, in den 3den druk zijner Dogmengeschichte, „dat de leer der resurrectio carnis, opstanding des vleesches, niet |50| regelrecht uit de Bijbelboeken voor te lezen is,” — al geef ik dit toe, wat hebt gij daaraan? In den 4den druk spreekt Hagenbach minder sterk, en noemt hij dat „een exegetische kwestie.” Doch, gelijk gij ook zelf aanhaalt, zegt ook Hagenbach dat het N.T. wel terdege eine Wiederbelebung des sma leert. Ik spreek ook liever, gelijk Paulus, van „de opstanding der dooden.” Alleen omdat gij dit geloof door den bekenden term: „Opstanding des vleesches” aanduiddet, gebruikte ook ik dien, om de duidelijkheid dier uitdrukking. Maar dat de Christ. Kerk, dat men algemeen, met beide uitdrukkingen hetzelfde bedoelt, al het door u verworpen en gesmaad geloof van de hereeniging van ziel en lichaam der dooden, weet ieder, die niet geheel onkundig is in deze dingen. En gij zult het mij wel niet betwisten, dat de oorzaak, waarom de term: „des vleesches” in zwang gekomen is, waarschijnlijk deze is: nl. de noodzaak om, vanwege het zinverkeerend „vergeestelijken” der Bijbelwoorden door Gnostieken en anderen, alle misverstand af te snijden, en helder als de middag aan te wijzen dat men daarmede niet een „opstanding naar den geest”, maar een opstanding in het lichaam, een herleving naar het vleesch, bedoelde, en deze voor een grondstuk van de leer der zaligheid hield. In de Schriften des N.T. wordt in dien zin ook wel „vleesch” voor „lichaam” genomen; b.v. 1 Joh. 4. Tegenover de „valsche profeten”, die, onder de vlag van zoo „geestelijk” te zijn, de waarheid, de werkelijkheid, van Jezus’ menschelijke natuur loochenden; evenals de modernen nu doen met hun „geestelijke” vervalsching van de Opstandingsverhalen; roept Johannes daar den geloovigen toe: „Hieraan kent gij den Geest van God — in onderscheiding van dien van den „antichrist” — alle geest, die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God!


Dat „het beginsel van de onsterfelijkheid (zonder verdere bespiegelingen)”, dus niet, zooals gij dacht, strijdt tegen en niet, „veel meer christelijk is, veel meer in harmonie zelfs met het sooma pneumatikon van 1 Cor. 15, dan de leer der resurrectio carnis,” zal nu wel zonneklaar zijn. Wie „de opstanding der dooden” loochent, loochent ook de opstanding van Christus; en daarmede de overwinning van den vreeselijken dood, de verzoening der schuld, den triumf over zonde en Satan, de genade |51| van den Drieenigen Verbonds-God onzes Doops, en de eeuwige zaligheid.

Met weemoed zeg ik u en allen loochenaars van deze „opstanding des vleesches” of „der dooden”, dat gij door de loochening dezer waarheid u plaatst buiten de Christelijke Kerk, u leiden laat door den geest van den antichrist; u zelven gelijk maakt aan de heidenen, die van het specifiek-christelijk dogma der opstanding geen begrip hadden, en het als dwaasheid belachten. Uw stadgenoot, v. Oosterzee zegt terecht in zijn Christ. Dogmatiek, II, 2, 877. „De heidensche oudheid kende haar niet, ook waar zij zich tot de hoop der ontsterfelijkheid van den geest had verheven, en achtte zelfs het denkbeeld eener herstelling ook van het lichaam „bespottelijk.” (Hand. 17 : 32). Alwaar geschreven staat: „Als zij (de Atheners) nu van de opstanding der dooden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: wij zullen u wederom hiervan hooren.”

Moge de drukke arbeid dien gij mij in deze dagen, waarin ik bijna geen uur te missen had, hebt tot plicht gemaakt, althans deze vrucht hebben dat gij er nog eens „wederom van hooren” en tot degelijk onderzoek van Gods heilig Woord u zetten wilt. En moge God u schenken den Heiligen Geest, die geheel de Schrift heeft ingegeven, en alleen tot recht verstand van en inzicht in dit gouden kleinood der eeuwige ontferming ons kan brengen, naar den rijkdom Zijner geiaade in Christus! Dan zult gij ook niet langer bang zijn van de gezonde zielzaligende „mystiek”, van het „mysterie” der genade, hetwelk gij nu, uit afkeer van de door uzelven eigendunkelijk geteekende, „mystieken en mysticisme” zoo vr wegwerpt.

Dat men, in de taal der kerkhistorie, onder „mystieken” andere geesten verstaat dan de „Dordsche vaderen”, 6) dan de |52| tegenwoordige en vroegere belijders van hun en mijn en Paulus’ geloof, wist gij immers wel. Elk handboek der kerkgeschiedenis kan ’t u althans leeren.

Veroorloof mij hier een vraag. Indien iemand, na oppervlakkige lezing, zonder recht verstand van het daarin gevolgde spraakgebruik, u kwam vertellen, dat hij b.v. den Faust van Goethe, of den Inferno van Dante „egyptisch duister” vond, „plein mysticisme” enz. — zoudt gij niet de schouders ophalen over zoo onbevoegde en arrogante kritiek? . . . Zeg nu slechts tot u zelven, met betrekking tot de H. Schrift, wat gij betreffende die geschriften aan zoo’n beoordeelaar van Goethe en Dante zoudt raden. En bedenk vooral wat Paulus, 1 Cor. 2 : 14 en 15, van den „natuurlijken” en den „geestelijken” mensch leert; waardoor niet alleen de beteekenis van „pneumatisch” toegelicht, maar ook de woeling der geesten en de strijd der eeuwen over Christus en het Evangelie verklaard wordt.

En voorts — ik heb u getoond dat zoowel de wetenschap als de geloofsleer waarschuwend den vinger tegen u opheft. Ik eindig met u den lastbrief van den Rechter, die te komen staat, aan Zijne uitgezonden apostelen te herinneren: „Gaat heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden” Marc. 16 : 15 en 16.

Dat geloof geve God u en velen slachtoffers van het quasi-wetenschappelijk ongeloof in dezen geloofloozen tijd, die, klevende aan het stof, offerende meest aan de zinnelijke lust, zonder bezieling, zonder pozie, zonder vaste hoop en vurige liefde is.

Mijne zwakke waarschuwing tegen dat ongeloof, de grootste krankheid onzer eeuw, op elk gebied, onder alle standen, vinde steun in een slotwoord, nu niet van een geringen lindeboom, maar van twee erkende „krachtige eiken”, mannen van name op ’t gebied van wetenschap en christelijk geloof.


„In de eerste plaats hebben wij recht te eischen dat ’t geen heilig is, heilig worde behandeld, met eerbied en ernst. Hij |53| die niet wil worden aangegrepen door den geest der Schrift, zal den inhoud dier Schrift nimmer begrijpen. Geestelijke dingen moeten geestelijk worden geoordeeld. En de Schrift behoort met haar eigen maatstaf te worden gemeten. Miskenning van deze waarheid is de grondfeil van alle rationalistische kritiek. Maar wij van onzen kant moeten aanwijzen, dat juist die praktijk op een valsch beginsel steunt. Sinds de dagen van de Tubinger school, noemt zich deze kritiek historisch en beweert zij te onderzoeken met historische onpartijdigheid, terwijl zij juist uitgaat van zeer willekeurige philosophische praemissen. Men zet zich tot het onderzoek van de oorkonden des Christendoms met een sterken panthestischen of rationalistischen afkeer van het wonder, met de tendenz, om een woord van hen zelven over te nemen, om al het supranatureele weg ie redeneeren, en alleen als historisch zeker te erkennen wat met eene vooropgevatte meening strookt — neen, dit is geen historisch onderzoek; dit is een speculeeren door de sterk gekleurde glazen van een philosophischen bril! Die aanvallen zijn inderdaad niets dan kunstgrepen van een ongebreidelde willekeur. Baur en de rationalisten hebben het specifiek christelijke verminkt en verdraaid, en den waren historischen Paulus van het Evangelie, die niet anders weten en prediken wil dan Jezus Christus alleen, misvormd tot eene onmogelijke phantastische figuur, om hem tot den stichter, naar hun idee, van een nieuw Christendom te herscheppen. Op diezelfde wijs de geschiedenis reconstrueerend naar hun a prioristische begrippen, hebben ze alle wonderen en vele woorden van Jezus eenvoudig tot het gebied van mythe of sage gebracht, voorbij ziende wat zelfs Rousseau’s krank genie niet kon miskennen, dat dit rein en heilig Christusbeeld geen menschenvinding kan zijn. Willens blind zijn ze voor de onmiskenbare waarheid, dat zelfs, al waren de vier Evangelin geheel onecht, alleen reeds de vier, door hen zelven voor onbetwistbaar echt verklaarde Paulinische brieven de godmenschelijke natuur van Christus en het heilig Middelaarschap van den Gekruiste en Verrezene zouden bewijzen.”


„Wij hebben alle recht om te protesteeren tegen ’tgeen wij mogen noemen de onverantwoordelijke arrogantie der |54| moderne theologische school. Wat zij aankondigt, met luid trompetgeschal, als „zeker resultaat van theologische wetenschap”, is vaak niet anders dan het oordeel van subjectieven smaak en willekeur; en ’tgeen voorgesteld wordt als het non plus ultra van wetenschappelijke scherpzinnigheid, is soms niets dan eene stoute vlucht der verbeelding. De wijze, waarop zij de Schrift behandelt of mishandelt, heeft in menig theoloog den geest onvatbaar gemaakt voor eene degelijke en gezonde exegese.

Maar zelfs la charme de la nouveaut moeten wij aan deze moderne (?) kritiek ontzeggen. Wat is deze kritiek anders dan eene nieuwe editie van het oude Gnosticisme? Doch hij zal wegsterven evenals dat. Ook deze school wil den Christus als een idee bewaren. Maar geen bloot idee hervormt en verlost de wereld. De zonde helaas! is een werkelijkheid. Alleen een werkelijkheid, door God gegeven, kan haar overwinnen. Darom, zal zij metterdaad behouden worden, dan kan de wereld Hem niet missen of opgeven, Hem, „het vleesch geworden Woord!”

Doch nu eindelijk, ook onze buitenwerken willen wij verdedigen tegen de moderne natuurwetenschap. De wijs van bestrijding kan hier ongeveer dezelfde zijn, daar haar beginsel der wonderverwerping weinig of niet verschilt van dat der destructieve kritiek. Darwin en zijne volgelingen gaan uit van hetzelfde denkbeeld als Baur en zijn leerlingen: door natuurlijke middelen alle kloven in natuur en geschiedenis te overbruggen, al het bovennatuurlijke te verwijderen.”

Aldus prof. Christlieb te Bonn, in zijn „Bestrijding van modern ongeloof.”

Het tweede getuigenis is van prof. van Oosterzee, in zijn „De Evangel. geschiedenis en het moderne kriticisme”; zie: Gedenkb. van de 6de A.V. der Ev. All. in Amer., door Dr. M. Cohen Stuart; die aldus spreekt:

„Over het algemeen heeft de stoutmoedigheid, die de onmogelijkheid van het wonder nu eens voor altijd uitgemaakt acht, eene hoogte bereikt, waarvan men nog voor weinig jaren zich nauwelijks een denkbeeld kon vormen. Toonen, gelijk in de tweede helft der gehttiende eeuw slechts in de geschriften en salons der Fransche Encyclopaedisten en hunnen aanhang |55| vernomen werden, worden thans niet slechts van enkele katheders, maar ook van honderde kansels gehoord; op de hooge Christelijke feesten wordt het geloof der gemeente door tal harer voorgangers wersproken en niet zelden bespot; ja ook reeds op vele lagere scholen wordt het Bijbelsche wonder met de fabelen en legenden der heidenwereld gelijk gesteld. Ik zwijg van erger; genoeg, bij alle zucht om tegenover personen welwillend en verdraagzaam te zijn, kan over de hier bedoelde beginselen ons oordeel niet anders dan zoo ongunstig mogelijk luiden, daar de dag aan den dag ons verkondigt, dat de systematische Miraculophobie [Wonder-vrees] gedurig gestraft wordt met periodieke Absurdomanie, [Ongerijmdheden-koorts] De kritiek, die wij bespreken, is in den grond der zaak slechts taktiek, die geheel door dusgenaamde wijsgeerige praemissen beheerscht, zich op vrijheid verheft, maar inderdaad slavin is van een ingeworteld vooroordeel, en onder den invloed daarvan vooraf „nach Belieben” bepaalt, wat al of niet historie mag zijn. Eene kritiek, die het Heden tot maatstaf van het Voorleden, het gewoonmenschelijke tot toetsteen van het Goddelijke en eeuwige maakt; de grenslijn tusschen gewijd en ongewijd uitwischt, en haar hoogheilig object, onder belofte van zuivering, eerst amputeert, en vervolgens naar de hartader steekt. Eene kritiek, nog eens, die zichzelve eerst in een toovercirkel gebannen heeft, en nu tot hare straf veroordeeld is om in al wat buiten en boven dien kring ligt, niets dan bleeke schimmen te zien.”


Zaandam, 24 Juni, 1882.

L. Lindeboom.




1. Vergun mij u te wijzen op het u zeker bekende werk van B. Nieuwentijt, M.D. „Recht gebruik der wereldbeschouwingen.” Amst. 1715. Deze geleerde tracht juist door de ontleding van ’t menschelijk lichaam „de ongodisten en ongeloovigen te overtuigen” van Gods bestaan en van de goddelijkheid der H. Schrift. Aan ’t slot van eenige m.i. zeer lezenswaardige bladz., 161-163, over Ps. 139 : 15, zegt hij:

„Om dan dit alles te besluiten; indien het niet te gelooven is, dat deze spierdraden, ten tijde als deze Psalm beschreven is, aan eenigh mensch nogh sijn bekent geweest; en wanneer men echter den ganschen samenhangh deser woorden daarop siet doelen, en seer aannemelijk maken, dat deselve niet zonder kennisse van de groote kracht, die de, als in een Borduursel nevens elkander leggende, spierdraden doen, geschreven sijn; soude niet een billijk gemoet, en ’t geen sonder tegendrift dese saak overlegt, redelijker wijse moeten overtuigt werden, dat dit woord alhier iets segt, hetwelk in die tijdt nogh aan al wat op Aarden leefde verborgen was, en daarom dat hetselve van een hooger geest, en aan Wien meerder als aan alle menschen bekent was, sijn afkomst moet hebben?”

Gij redeneert juist andersom dan uw vakgenoot uit ’t begin der vorige eeuw. Gij redeneert aldus, tegelijk onderstellende en concludeerende:

Paulus wist dit en dat niet, en daarom kon hij dat niet bedoeld hebben, en mag ik zijn woorden wel in het tegendeel omzetten.

’t Ware wijzer en veiliger liever te erkennen dat de oude Bijbel veel meer weet en zegt dan men denkt; dat de Bijbel zijnen onbevooroordeelden onderzoekers, den waarheidlievenden beoefenaren van wetenschap, op elk gebied, nog o! zoo veel leeren kan. Omdat die heilige bladen de vrucht zijn der inspiratie van den Geest Gods, die alle dingen weet en onderzoekt, ook de diepten Gods!

2. Ten overvloede schrijf ik hier nog voor U af de zoo eigenaardige als klemmende opmerking van Estius, in „Synopsis Criticorum” alior.-S. Script. interpretum et commentatorum, a M. Polo, ex rec. Joh. Leusden, dl. V, 535.

„Corpus spirituale”. Spirituale intellige, non quoad substantiam, (quod excludit repetendo nomen corpus, nec ea esset corporis resurrectionis abolitio) . . .”

3. De Geref. Catechismus wijst dit zoo duidelijk mogelijk aan, door de |41| uitdrukking, vr. 49: „dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben dat Hij, (de verheerlijkte Christus) als het Hoofd, ons Zijne lidmaten, ook tot Zich zal nemen”.

4. Zie bl. 13 vv.

5. Zie o.a. Hagenbach. De ontwikkelingsgeschiedenis der Chrietelijke leerstukken, vert. d. Dr. A. Pierson.

6. De Dordsche vaderen worden door menigeen genoemd en beoordeeld en veroordeeld, die er nooit eenig werk van maakte om hen te leeren kennen. Ik ben zoo vrij U opmerkzaam te maken op een oud boek, spoedig na de Dordsche Synode 1618/19 in ’t licht gegeven, waarin gereformeerde, echt Dordsche, „patres et scriptores ecclesiastici” de geloofsleer, naar de belijdenis der Geref. Kerk, hebben ontwikkeld. Ook „de Resurrectione carnis et Judicio Extremo” handelt het; Disputatio LI. bl. 627-653. Zie de, onlangs verschenen, ed sexta, van „Synopsis Purioris Theologiae” . . . per Joh. Polyandrum, |52| Andr. Rivetum, Ant. Walaeum, Ant. Thysium, SS. Theologiae Doctores et Professores in Academia Leidensi.

Curavit et praefatus est Dr. H. Bavinck. Lugd. Bat. apud D. Donner.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004