Oude vragen en een nieuw antwoord

De Classis Amsterdam der Gereformeerde Kerken nogmaals te woord gestaan

door Dr J.G. Geelkerken v.d.m.

N.V. Boekhandel W. ten Have Amsterdam [1925]

a


Mijn nieuwe antwoord aan de Classis
Bijlage I. Zakelijk relaas
Bijlage II. Rapport Classe Amsterdam

Den velen, die, blijkens de ontvangst, ten deel gevallen aan mijn vorig vlugschrift: „Vragen, mij voorgelegd door de Classis Amsterdam der Gereformeerde Kerken, en mijn antwoord daarop; uitgave: N.V. Boekhandel W. ten Have, Amsterdam,” belangstellen in het tusschen genoemde Classis en mij aanhangige geding, bied ik ten vervolge op die eerste brochure thans deze tweede, welke mijn antwoord bevat op de vijf vragen, die de Classis mij andermaal stelde en door mij reeds in de pers werden gepubliceerd.

Ik doe dit ongetwijfeld in dankbare waardeering van zooveel gebleken interesse en sympathie, welke m.i. ten opzichte mijner lezers mij zekere zedelijke verplichting opleggen, om hen ook verder van het verloop der tegen mij aangespannen, droeve actie niet onkundig te laten. Daarnevens ook, omdat ik nog altijd niet van zins ben door de geheimzinnigheid der Classis Amsterdam aan onverdiende verdenking in den lande bloot te staan en tot een stilzwijgen genoodzaakt te worden, dat eerst wanneer de eindbeslissing in deze kerkelijke procedure gevallen zal zijn, zou mogen overgaan in een napleiten mijnerzijds over een dan voldongen feit. Maar toch wel in de eerste plaats, om het groote gewicht, dat bovengenoemd geding ook mijns inziens nu geleidelijk gekregen heeft, niet alleen binnen den besloten kring der Classicale vergadering, maar ver daar buiten, zelfs buiten den kring der Gereformeerde Kerken.

Niet een ieder, die van deze mijne publicatie’s kennis wil nemen, acht ik daarom ook bevoegd en bekwaam om in dezen als rechter op te treden. Doch evenmin wensch ik tegenover een elk, die geen zitting heeft in een of andere kerkelijke vergadering, tegenover heel de groep der gewone Gereformeerde kerkleden hier te lande, de overige vaderlandsche Christenheid, ja ook de rest van ons Nederlandsche volk een hooghartige houding aan te nemen als tot uiting kwam in het aanmatigende woord van ongeestelijken ambtswaan der Farizeen van Jezus’ dagen: „deze schare, die de Wet niet weet, is vervloekt!” (Joh. 7 : 49).

Trouwens het gaat hier over hetgeen ik verkondigde en verkondig in mijn openbare prediking. En waar het geschil tusschen de Classis en mij — zij het dan ook geheel ten onrechte — niet het minst door haar optreden al meer in de publieke opinie wordt opgeblazen tot een ernstig leergeschil, is het daardoor geworden tot een aangelegenheid, die niet binnenskamers en in het geheim mag bedisseld worden, maar in het openbaar moet worden behandeld.

Met deze publicatie geef ik overigens ook nu weder slechts uitvoering aan het voornemen, waarvan ik te voren der Classis onomwonden mededeeling heb gedaan, toen zij aanstalten maakte om den sedert door haar betreden weg in te slaan. En tot het doen verschijnen van dit tweede vlugschrift vind ik te meer vrijmoedigheid, omdat de Classis wel voortdurend in comit vergadert en officieel wel niets mededeelt in het openbaar — hetgeen uitsluitend in mijn belang heet te geschieden, maar waarop ik om geen enkele reden prijs stel, |4| integendeel — doch niettemin blijkbaar niet verhinderen kan, dat vrijwel alles wat zij in haar beslotenheid uitvoert, schier onmiddellijk uitlekt, officieus door haar eigen leden vrijmoedig medegedeeld wordt, zoo in heel het land een onderwerp der gesprekken uitmaakt, aanleiding geeft tot de meest wilde en valsche geruchten, en in den vorm van verdachtmakende en stemming wekkende zinspelingen overal voortsluipt, tot op Gereformeerde preekstoelen toe.

Dan, ne, zegge n enkele publicatie ging er van de Classis Amsterdam in dezen toch uit, al werd deze door haar juist mij niet officiel ter kennis gebracht. Ik bedoel het communiqu in allerlei bladen, waarin zij over de uitgave mijner vorige brochure haar misnoegen uitsprak, o.a. omdat ik „onvolledige gegevens” zou hebben verstrekt. Welnu, met name aan deze onbewezen — en overigens ook onjuiste — klacht der Classis Amsterdam ontleen ik thans te meer de vrijheid om in dit vlugschrift, naast mijn antwoord op de vijf vragen, welke zij mij andermaal meende te moeten voorleggen, en tot recht verstand daarvan, als afzonderlijke bijlage, nevens een zakelijk relaas van heel het gebeuren, dat tot de wisseling der beide officiele missives heeft gevoerd, ook op te nemen de uitvoerige memorie, waarmede de Classis genoemde vragen bij mij inleidde, en die mij noch natuurlijk als een particulier schrijven, noch vertrouwelijk, noch onder eenige verplichting tot geheimhouding door haar werd toegezonden.

Ik kan in elk geval der Classis slechts dankbaar zijn, dat zij door haar publieke klacht mij deze uitgave reeds thans heeft mogelijk gemaakt.


Dr. J.G. GEELKERKEN.


Amsterdam, 5 September 1925.




Mijn nieuwe antwoord aan de Classis


Aan de Classis Amsterdam der Gereformeerde Kerken in Nederland.


WelEerwaarde en Eerwaarde Heeren en Broeders.


Blijkens Uw schrijven dd. 15 Juli l.l. verwacht Uwe vergadering van mij geenerlei wederwoord op haar uitvoerige memorie van 8 Juli l.l., behalve dan „categorisch” antwoord op de vijf vragen, waarmede deze besluit, en werd genoemde memorie mij alleen toegezonden om mij in te lichten omtrent de overwegingen, welke Uwe vergadering tot het mij opnieuw stellen dier vragen hebben geleid.

Een en ander zou mij veroorloven, bedoelde memorie — behoudens dan haar slot-alinea — zonder meer ter zijde te leggen. Ook zou dit m.i. niet onrechtmatig zijn; zoowel met het oog op de eigenaardige theologie, welke in het stuk tot uiting komt, als om de scheeve voorstelling van gepasseerde gebeurtenissen, welke het herhaaldelijk geeft; zoowel om het krenkend, insinueerend karakter, dat het kenmerkt, als wegens den hierarchischen toon, dien het telkens voert. Nimmer eener Gereformeerde kerkelijke vergadering voegend, betaamt zulk een toon haar toch zeker niet, wanneer zij zich richt, niet tot een ter zake van ketterij veroordeelde, of zelfs maar aangeklaagde, doch tot een harer mede-broeders, zelfs medeleden, nog altijd Dienaar des Woords in de volle eer en rechten zijner ambtelijke bediening, aan wien zij goedvond „nadere verklaring van gevoelen” te vragen „over eenige Artikelen der . . . Belijdenis”; waarbij het haar toch gewis te doen moet zijn om de behouding, naast den band van de eetgheid des geloofs, ook van den band der liefde en des vredes. (Col. 3 : 14 ; Efez. 4 : 13).

Dan — Uw vragen zonder meer „categorisch” te beantwoorden en overigens Uwe memorie geheel ter zijde te leggen, stuit m.i. op twee onoverkomelijke bezwaren. 1º Hoezeer ook nu weder formeel erkennende het recht Uwer vergadering om op grond van het Onderteekeningsformulier van mij te vorderen „nadere verklaring van gevoelen,” en dies — thans reeds ten derden male — ertoe overgaande om aan die vordering te voldoen, zij het dan ook ditmaal weder onder protest tegen de wijze, waarop Uwe vergadering gemeend heeft ten opzichte van mij van het Onderteekeningsformulier gebruik te mogen maken, moet ik toch aan Uwe vergadering met de meeste beslistheid betwisten, dat bedoeld Formulier of eenige andere kerkelijke bepaling haar het recht zou verleenen om mij ook den vorm voor te schrijven, waarin ik zulk een verklaring zou hebben af te leggen. 2º Ofschoon Uwe vragen zich niet als zoodanig aandienen, zijn zij inderdaad toch naef-realistisch, en aldus beantwoord ik elke daarvan natuurlijk onmiddellijk bevestigend. Doch bij eenig nadenken geven de bewoordingen dier vragen gereede aanleiding om U mijnerzijds te vragen. b.v.: Wat verstaat Uwe vergadering in dit geval onder „geloof”? |6| wat onder „zuivere historie”? wat onder „werkelijkheid” en „werkelijk”? en bovendien zijn de inkleeding en de strekking van bedoelde vragen nu eenmaal niet meer los te maken van de beschouwingen, waarmede Uwe vergadering ze bij mij heeft ingeleid. Derhalve zou een „categorisch” antwoord, als boven gegeven, zonder meer, onduidelijk zijn en „niet anders dan verwarring stichtend werken.” Immers „met schijnbaar groote openhartigheid, maar inderdaad met groote lichtvaardigheid, en in elk geval met onvolledige gegevens” zou het aan Uwe classicale „vierschaar” een „verklaring van gevoelen” verstrekken, ten opzichte waarvan zij weliswaar niet „onbevoegd”, maar toch zeker „onbekwaam” zou zijn „tot oordeelen.” Ook al zou blijkbaar Uwe vergadering er formeel genoegen mede nemen en er materiel geheel door bevredigd worden, zoo zou toch een dergelijke beantwoording Uwer vragen een ontduiking wezen van datgene, waartoe het Onderteekeningsformulier in trouwe verplicht. Daarom ga ik thans in den breede en op de m.i. meest afdoende wijze over Uw geheele memorie en daarmede uit den aard der zaak ook over de daarin vervatte vijf vragen nog nader met Uwe vergadering handelen.


I. Ofschoon het een moedgevend teeken is, dat Uwe vergadering, in haar missive van 8 Juli zoo haar best doet, om haar gedragingen tegenover mij te verdedigen, kan deze zelfverdediging moeilijk geslaagd heeten. Immers:


A. Uwe vergadering spreekt niet onduidelijk haar bevreemding er over uit, dat ik, haar vorige zes vragen beantwoordend, wl een „verklaring” aflegde, terwijl ik tevoren het afleggen van een „verklaring” volstandig weigerde. Doch Uwe vergadering weet zeer goed, dat het hier over twee gansch ongelijksoortige verklaringen gaat. Ter classicale vergadering van 18 Maart en 1 April heb ik op kerkrechtelijke en moreele gronden volstandig geweigerd, om in de zaak-Marinus en naast mijn overgelegde preek-coupure voor Uwe vergadering nog een afzonderlijke verklaring af te leggen. En dit weiger ik nog steeds. Doch toen Uwe vergadering zich niet ontzag om, teneinde toch een dergelijke verklaring van mij te verkrijgen, het Onderteekeningsformulier tegen mij te gaan gebruiken, was ik wel genoodzaakt, zij het ook onder protest en met beroep op de Particuliere Synode, om, in trouw aan mijn door onderschrijving van genoemd Formulier eens gegeven woord, de „nadere verklaring van gevoelen” te geven, in dat Formulier bedoeld. Formeel had daarmede Uwe vergadering haar zin gekregen, maar moreel den nederlaag geleden.

Ook dat ik reeds ter classicale vergadering van 1 April van houding veranderd zou zijn en toen wl een verklaring in de zaak-Marinus zou hebben willen afleggen, mits ik mij met den inhoud daarvan vereenigen kon, en dat „dus” mijn weigering van de verklaring, welke Deputaten ad Art. 49 K.O. mij voorlegden, niet op grond van kerkrechtelijke en moreele bezwaren, maar op grond van dogmatische bezwaren tegen den inhoud berustte, is met de feiten ten eenenmale in strijd. Natuurlijk heb ik — reeds als lid der vergadering — wel kennis moeten nemen van elke concept-verklaring, die werd voorgesteld, en daarover ook steeds mijn gevoelen gezegd. Zoo bij de verklaring boven bedoeld, dat deze, behalve op de bekende kerkrechtelijke en moreele gronden, reeds daarom voor mij onaannemelijk was, omdat zij mij zou laten liegen, dat ik op 23 Maart 1924 in mijn avondpreek „heel het verloop van het verhaal, zooals dat in Genesis 3 voor ons ligt . . . (had) verkondigd,” terwijl ik toen in de Schinkelkerk niet daarover, maar over Zondag III Heid. Cat. had gepreekt. |7| Slechts heb ik mij, teneinde allen argwaan weg te nemen, die er blijkbaar in Uwe vergadering bestond, alsof ik mogelijk buiten het overgelegde preekgedeelte om, elders in die bewuste preek, nog iets over Genesis 3 had gezegd, bereid verklaard om bedoelde coupure aan te vullen met de mededeeling, dat ik zulks niet had gedaan. Overigens kan heel deze aangelegenheid hier blijven rusten, omdat zij reeds niet meer der Classis competeert, maar door het beroep van mijn Kerkeraad en van mij op de Particuliere Synode aan het oordeel van deze is onderworpen.


B. Tegen het argument, dat Uwe vergadering ter verdediging van haar optreden meent te kunnen ontleenen aan de procedure-Ds Netelenbos, merk ik het volgende op:

1. Wilde dit argument klemmen, dan zou eerst moeten vaststaan, dat er eenige overeenkomst is tusschen de gronden, waarop de Leeuwarder Synode aan Ds J.B. Netelenbos, en die, waarop Uwe vergadering aan mij, gelijksoortige vragen meende te moeten stellen. Edoch, zulk een overeenkomst ontbreekt juist ten eenenmale. Dit blijkt b.v. wel zeer duidelijk hieruit, dat in de vragen, welke aan Ds Netelenbos werden voorgelegd, uitdrukkingen zijn opgenomen, die hij zelf had gebezigd, terwijl geen dezer uitdrukkingen door mij is gebruikt, sommige daarvan door mij zelfs nadrukkelijk zijn afgewezen, en mij vragen zijn gesteld omtrent zaken, waarover ik mij met geen woord had uitgelaten.

2. Het is niet in overeenstemming met het Gereformeerde Kerkrecht, om de behandeling eener zaak door een of andere kerkelijke vergadering, zelfs door een Generale Synode, zonder meer voor het vervolg ten regel te stellen, ja, daarin zelfs zoo ver te gaan, dat men de kerkelijke behandeling eener geheel andersoortige zaak met alle geweld tracht te persen in den vorm der behandeling van een vroegere, waarmede de aanhangige zaak niets te maken heeft. Overigens behoort er zekere vrijmoedigheid toe, om de kerkelijke behandeling van de zaak-Ds Netelenbos bij te brengen als een model van Gereformeerde, kerkelijke rechtsbedeeling.


C. Het betoog Uwer vergadering, dat al de mij gestelde zes vragen wel terdege in verband zouden staan met Art. 4 en 5 der Belijdenis, kan al evenmin als overtuigend gelden.

1. Zeker, Art. 5 zegt, dat wij al de in Art. 4 genoemde boeken ontvangen „om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen,” en dat „wij gelooven zonder eenige twijfeling al wat daarin begrepen is.” Doch met geen mogelijkheid kan daaruit toch worden afgeleid, noch wat de H. Schrift metterdaad als feit bericht, noch hoe bepaalde mededeelingen dier Schrift moeten worden uitgelegd. En daarover toch ging het in Uw zes vragen, behalve dan in de eerste.

2. Het woord van Paulus in 2 Cor. 11 : 3 is een gebruikmaking door den Apostel van een gegeven uit Genesis 3 — wil men een aanhaling ervan — zonder dat evenwel in eenig opzicht een toelichting, een verklaring van dit gegeven geboden wordt.

3. Wat het bijbrengen van 1 Tim. 2 : 13 en 14 ter zake doet, ontgaat mij. Ik wist niet, dat de schepping van Adam en Eva, beider verleiding en de volgorde van elk dezer gebeurtenissen ten opzichte van den man en de vrouw tusschen Uwe vergadering en mij ook al in geding was. Maar misschien wilde zij van |8| mij vernemen, of ik het feit van Adam’s verleiding erken, hoewel het hier door Paulus voor iemand, die aan de letter blijft hangen, ontkend wordt. Welnu, Uwe vergadering kan dienaangaande gerust zijn; al is misschien een aanwijzing niet misplaatst, dat uit 1 Tim. 2 : 14 blijkt, hoe voorzichtig men moet zijn met de goedkoope bewering: het staat er letterlijk en daarmee uit!

4. De conclusie Uwer vergadering: „Ofschoon nu uit den aard der zaak in Art. 5 niet met even zoovele woorden sprake is van de dingen, die zijn genoemd in de door de Classe aan Dr Geelkerken gestelde vragen, is toch elk, die dit artikel onderschrijft, gehouden om de feiten, die God in Genesis 1-3 ons mededeelt, ook te aanvaarden als historische feiten, die ook werkelijk alzoo zijn geschied,” wekt na het daaraan voorafgegane geen geringe verbazing. Men zou verwachten: Uit het aangevoerde volgt, dat al de dingen, die zijn genoemd in de door de Classe aan Dr Geelkerken gestelde vragen, onmiskenbaar in de H. Schrift als historische feiten worden medegedeeld en dus hun aanvaarding op grond van Art. 5 eisch is van trouw aan de Belijdenis. Indien er dit stond in Uwe memorie, zou weliswaar het uitgangspunt dezer stelling, gelijk ik zooeven aantoonde, zakelijk onjuist zijn, maar ware de conclusie tenminste logisch. Immers, dat alle feiten, die God in Genesis 1-3 ons mededeelt, ook als zoodanig behooren te worden aanvaard, wil men niet in strijd komen met Art. 5, spreekt vanzelf. Maar het gaat er juist om, of de door Uwe vergadering gegeven formuleering der vragen metterdaad aan den inhoud van dit Schriftgedeelte recht doet wedervaren en derhalve de inhoud dier vragen met Art. 5 iets te maken heeft. En in het bewijzen daarvan schiet het betoog Uwer memorie ten eenenmale te kort.


II. Een ieder is gehouden om de feiten, die God in Genesis 1-3, ja, in heel de H. Schrift, mededeelt, ook als feiten te aanvaarden. Deze stelling drukt volkomen ook mijn gevoelen uit. Ik denk er dan ook niet aan om in het voetspoor b.v. van de oud-moderne theologie, die meende door de natuurwetenschap te worden genoodzaakt tot de ontkenning van het wonder, te loochenen of zelfs maar te betwijfelen de feitelijkheid van wat dan ook, dat door God in de H. Schrift ons als een feit wordt bericht. Ik denk er niet aan om b.v. te redeneeren: slangen spreken niet, dus kan er in het Paradijs ook niet door een slang zijn gesproken. Loochende of betwijfelde ik ook maar eenig feit, dat als zoodanig door Gods openbaring ons als werkelijk geschied wordt medegedeeld, dan zou ik inderdaad aan het gezag van Gods Woord te kort doen. En indien er ook maar eenige uitspraak door mij ware gedaan, die ook maar eenigen rechtmatigen grond gaf voor het vermoeden, dat ik ook maar eenig door God in Genesis 1-3 ons als feit medegedeeld gegeven in zijn historiciteit wankel stelde, dan zou Uwe vergadering terecht mij een „nadere verklaring” hebben afgevorderd. Maar het gaat tusschen Uwe vergadering en mij niet over de vraag, of ik als feit aanvaard wat de Schrift als feit mededeelt — dienaangaande kan er toch na mijn herhaalde verklaringen bij Uwe vergadering waarlijk geen rechtmatige twijfel bestaan, gelijk er vr deze verklaringen voor Uwe vergadering geen geldige aanleiding bestond, om hieromtrent verdenking te koesteren. Neen, het gaat over de geheel andere vraag: hoe de mededeelingen van Gen. 1-3 in hun zin zijn te verstaan. En in dit verband heb ik evenveel recht om aan Uwe vergadering te vragen b.v.: gelooft gij, dat in Genesis 3 sprake is van werkelijk zaad der slang; dat er bij |9| de verleiding met een werkelijke menschenstem werkelijk en letterlijk dezelfde woorden zijn gezegd, die nu in den Hebreeuwschen Bijbel staan; dat er bij de schepping een werkelijk gewelf („uitspansel”) als een koepel over de aarde is gezet; dat er na den val een werkelijk zwaard — er staat „het zwaard”, dus een bekend zwaard; wat was dat? — werkelijk stond te vlammen, enz. enz., als Uwe vergadering heeft om mij dergelijke vragen te doen. Uwe vergadering acht, dat zulk spreken „in strijd is met den ernst der zaak, waarover het hier gaat en dicht grenst aan profanatie.” Ik ben dit heelemaal met haar eens. Doch waarom sprak en spreekt Uwe vergadering in haar vragen aan mij dan zoo? Want niet ik ging haar daarin voor. Ik zeide juist, dat een dergelijk vragen „op bedenkelijke wijze tot profanatie van de heilige Schriftwaarheid Gods zou kunnen leiden,” en wilde en wil haar juist op dit spoor niet volgen.


III. Trots de uitweidingen Uwer memorie begrijp ik nog altijd niet, waarom Uwe vergadering tegenover mij de kwestie der „historische inkleeding” aan de orde stelde. Reeds in mijn preek-coupure zeide ik zoo beslist: „Vast staat, dat wij in Gen. 3 de goddelijke bekendmaking hebben van een historisch feit, het feit van den zondeval.” Hoe is het dan ter wereld mogelijk — bovendien nog na mijn vorig antwoord — dat Uwe vergadering er nog niet zeker van is, dat ik volstrekt niet van gevoelen ben, „dat er verschil van meening mag bestaan of wij bij Genesis 3 hebben te denken aan historie of aan historische inkleeding.”

Uwe vergadering meent nu weer voor haar argwaan grond te vinden in een citaat, dat ik aanhaalde uit Bavinck’s Dogmatiek. Heel eigenaardig gaat zij stilzwijgend voorbij aan het gedeelte mijner aanhaling, waarom het mij klaarblijkelijk te doen was, en voert zij uitsluitend den eersten zin aan, waar werkelijk iets staat van . . . „historische inkleeding.” Uwe vergadering wete dan, dat ik ook dien zin opnam 1e omdat het begin der opmerking van Dr Bavinck, die ik bijbracht, dit m.i. vorderde, en 2e omdat ik zoo tevens Uwe vergadering reeds een kleine aanduiding kon geven in verband met een nieuw „bezwaar”, ditmaal betreffende het boek Job, dat onlangs tegen mij bij haar inkwam.

Uwe vergadering verneme dan nogmaals, dat ik Gen. 1-3 geenszins houd voor de mededeeling van ideen of subjectieve zielservaringen of iets dergelijks in den vorm van een verhaal zonder historische realiteit, zooals vele gelijkenissen van Jezus b.v. zijn. Ook ben ik het volmaakt eens met hetgeen Dr Bavinck — niet als zijn eigen meening, zooals Uwe wijze van citeeren zou kunnen doen vermoeden, doch als een dogmen-historisch feit — mededeelt: „Het historisch karakter van het paradijsverhaal werd in de christelijke kerk ten allen tijde vastgehouden.” En niet minder met wat hij dan volgen laat: „Wel bestond er over de ligging van het paradijs, over het karakter der beide boomen, over de slang enz. allerlei verschil van gevoelen” — welk gedeelte Uwe memorie uit haar aanhaling jammer genoeg weg laat. — „De geschiedkundige waarheid van den boom der kennis des goeds en des kwaads, van het proefgebod, van de verleiding door de slang en de moedwillige ongehoorzaamheid van Adam en Eva stond voor allen vast en werd tegenover de allegorische verklaring van Philo en Origenes” — de onderstreepte woorden laat Uwe memorie helaas weer weg — „ten strengste gehandhaafd.” Dat uit dit citaat nu „blijkt”, hoe Dr Bavinck zelf dacht over het historisch karakter van Genesis 1-3, zou ik niet gaarne willen beweren. Maar wel ben ik het weer goed eens met |10| mijn leermeester, wanneer hij opmerkt hetgeen Uwe memorie dag tenslotte citeert uit zijn Dogmatiek2 I, blzz. 12 en 13, ter weerlegging van sommiger gevoelen als zouden we voor onze kennis van den val Genesis 3 en Romeinen 5 desnoods geheel kunnen missen.

Eveneens kan ik mij vinden in wat Dr Kuyper (E Voto Dordr. I, blz. 44) — echter weer zonder er zich over uit te laten, hoe hij zelf het gebeurde bij den zondeval zich voorstelt en den zin van allerlei mededeelingen, welke Genesis 3 daaromtrent bevat, verklaart — opmerkt omtrent wat hij ter plaatse noemt een „ethische begoocheling,” blijkbaar zich richtend tegen het gevoelen van zekere tolken der ethische richting, dat evenmin het mijne is als ik tot genoemde richting behoor.

Vermoedelijk mag ik het overbodig achten, nu ook nog te constateeren, dat de opmerkingen tegen het einde Uwer memorie over het hoogst bedenkelijke om een opvatting als „historische inkleeding” in de plaats te schuiven van de historiciteit van feiten, die de H. Schrift kennelijk als geschied aanwijst, eveneens geheel langs mij heengaan. Op dezen weg — inderdaad een hellend pad — wandel ik niet. Sterker, ik heb er zelfs den eersten stap niet op gezet. En er is, noch in mijn preek-gedeelte, noch in mijn vorig antwoord, noch in een of andere uitlating van mij, waar dan ook, zelfs maar iets, dat eenig recht zou geven om het tegendeel ook maar te vermoeden. Dat Uwe vergadering desondanks, nog wel in een officiel stuk, hier weer spreekt van „ruimte”, die ik zou laten voor een dergelijke, vreeselijke afwijking, als zij beschrijft, laat ik dan ook ter beoordeeling over aan het geweten van ieder, die nog niet door vooringenomenheid verblind is.


IV. Het gaat er dus niet om, of ik hetgeen de H. Schrift metterdaad als geschied mededeelt, ook ten volle als geschied aanvaard. En ook niet, of ik soms niet wat kennelijk als feit is bericht, verdoezel tot een gedachte, die ons in historische inkleeding wordt bijgebracht. Het gaat er alleen en uitsluitend om, hoe bepaalde mededeelingen naar haren zin dienen te worden verstaan.

Wel staat een andere en diepere vraag hiermede in het nauwste verband, te weten een kwestie van Schriftbeschouwing. Ziet men de Schrift toch eigenlijk slechts als een gewoon geschiedenis-boek, slechts gevend „zuivere” geschiedenis, geschiedenis „in den gewonen zin van het woord”, f ziet men haar als teboekstelling van goddelijke openbaring omtrent werkelijk geschiede feiten, en dus als Gods Woord? Of nog anders: brengt de Schrift alleen maar „werkelijkheden”, data der ervaring, die, dank zij deze opteekening, voor ons nu intellectueel waarneembaar zijn en dan voorts door ons rationalistisch moeten worden „begrepen”, f hoort men, de Schrift beluisterend met geloovigen eerbied, de openbaring Gods omtrent zulke data, omtrent de hoogste werkelijkheid, om zoo al meer te geraken tot het geestelijk verstaan van den zin dier data, dier werkelijkheid?

Hierbij dient dan voorts nog te worden opgemerkt, dat wij feiten uit het verleden — althans in dit geval — alleen bereiken in den vorm van het woord en de geschiedenis hier alleen gekend wordt door geschiedbeschrijving, zoodat dus heel de onderscheiding tusschen geschiedenis en geschiedbeschrijving, welke Uwe vergadering maakte, in casu geen zin heeft; terwijl ik er ten slotte nog eens aan herinner, dat van de geschiedbeschrijving der Schrift door mij gezegd werd, dat zij geen „gewone geschiedbeschrijving” is, gelijk o.a. ook Prof. Grosheide, op wien ik mij dan ook terecht beriep, aantoonde. |11|


V. Bij de taak om den zin der Schrift-mededeelingen — ook in Genesis 1-3 — te verstaan, heeft nu de theologische wetenschap, met name de exegese, haar eigen roeping, welke niet een kerkelijke vergadering als de Uwe, zelfs bijgestaan door Deputaten ad Art. 49 K.O., competeert, en bij welker vervulling zij, als geloovige wetenschap alleen gebonden aan het Woord, in vollen omvang rekening heeft te houden met de gegevens van het wetenschappelijk onderzoek.

Het stemt tot voldoening, dat Uwe vergadering thans zelve erkent, dat er in Gen. 1-3 moeilijkheden zijn; al zou deze uitlating, gezien de gedragingen Uwer vergadering ten opzichte van mij, haar consequent — daar er zoo immers „ruimte” is voor „afwijkende gevoelens” — moeten leiden tot het stellen op grond van het Onderteekeningsformulier van „vragen” ook aan de andere predikanten der Classis.

Minder verblijdend is hetgeen Uwe vergadering zich veroorlooft te veronderstellen, n.l. dat ik, in onderscheiding van Calvijn, niet zou trachten deze moeilijkheden op te lossen, omdat ik ze in mijn predikatie alleen maar noemde. Uwe vergadering ziet daarbij over het hoofd, dat Calvijn een commentaar uitgaf over Genesis en ik slechts een preek hield over Zondag III.

Ook stemt het somber, dat Uwe vergadering met waarlijk niet benijdenswaardige naeveteit en zelfingenomenheid de vragen, welke zij mij voorlegde en thans herhaalt, nog steeds „zoo eenvoudig en ondubbelzinnig geformuleerd” vindt, „dat elk, die Gereformeerd denkt en belijdt, de beteekenis dezer vragen dadelijk verstaat en het antwoord daarop gemakkelijk kan geven.” Wat het „raadsel” betreft, „hoe een waarlijk Gereformeerd theoloog jaren lang noodig zou hebben om eenigermate met zijn antwoord op vragen als deze gereed te zijn,” daarvan zal ieder Gereformeerd geleerde, die van deze materie ook maar eenigermate op de hoogte is, Uwe vergadering een volledige oplossing kunnen geven. Meer nog, ieder, wie dan ook, die zelfs maar iets weet n van het licht, dat nieuwe kennis van de oud-Oostersche wereld op het Oude Testament ook op de z.g. „Oergeschiedenis”, welke in Genesis 1-10 is vervat geworpen heeft, n van de moeilijke vraagstukken, welke daardoor tevens aan de exegese dezer hoofdstukken in den weg zijn gelegd, zal waarlijk dat „raadsel” niet zoo raadselachtig vinden, maar k genezen zijn van den waan, alsof wij b.v. in het verhaal van schepping en zondeval, gelijk Genesis 1-3 ons dit brengt, zoo ongeveer hetzelfde voor ons hebben als de beschrijving door een onzer tijdgenooten van een gebeurtenis, die zich nog dezer dagen voor onze oogen afspeelde, zoodat het heelemaal niet moeilijk zijn zou zich precies voor te stellen, hoe alles daarbij zich heeft toegedragen. Naar mijn innige overtuiging randt zulk een zienswijze de majesteit der H. Schrift aan en schiet zij schromelijk te kort in eerbied voor de Godsopenbaring.


Hiermede ben ik toegekomen aan het einde mijner uiteenzettingen in beantwoording van Uwe memorie en de vijf vragen, waarmede deze besluit. Veel in bedoelde memorie liet ik voor wat het is. En ook moge ik nog eens nadrukkelijk verwijzen naar hetgeen ik in het begin van dit schrijven opmerkte over de vijf vragen. Waar blijkbaar Uwe vergadering door allerlei oorzaken buiten mijn schuld mijn vorig antwoord niet goed heeft gelezen en begrepen, heb ik, zooveel mij maar eenigszins mogelijk was, getracht door nadere toelichting en aanvulling de belemmeringen voor het recht verstaan van mijn gevoelen bij Uwe vergadering uit den weg te ruimen. Ik voed het vertrouwen |12| daarin geslaagd te zijn. Zakelijk heb ik althans tot volledige uiting van mijn gevoelen aan het gezegde niets meer toe te voegen. Nog meer op bizonderheden in te gaan dan ik reeds deed, zou beteekenen het schrijven van een Gereformeerden, populair-wetenschappelijken commentaar op Genesis 1-3. Doch, hoe noodig het ook is, dat zulk een commentaar het licht zie, het ligt niet op mijn weg daarvoor te zorgen, gelijk het niet op den weg Uwer vergadering ligt, om door middel van het Onderteekeningsformulier mij daartoe te dwingen.

Wat Uwe vergadering tot hiertoe deed, evenals hetgeen ik daardoor genoodzaakt werd te doen, was daarentegen allerminst „noodig”. Noch terwille van mijzelven, noch terwille van de Kerk te Amsterdam-Zuid, noch terwille van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

De Kerk te Amsterdam-Zuid verheugt zich in het bezit van een Kerkeraad, die, in de eerste plaats geroepen om zelf toezicht te houden op de leer en den wandel van haar Dienaren des Woords, zich dezer goddelijke roeping ten volle bewust en daarin getrouw is, en geenszins dit werk zich uit de handen behoeft te zien genomen door Uwe vergadering. Noch bij dien Kerkeraad, noch in de gemeente van Amsterdam-Zuid — met uitzondering wellicht van slechts zeer enkelen uit haar midden, die haar zoeken onrustig te maken — bestaat ook maar de geringste onzekerheid, of ik wel volkomen instem met onze Belijdenis. De rust dier gemeente behoeft niet hersteld te worden, om de eenvoudige reden, dat deze volstrekt niet is verstoord. Dit alles is aan Uwe vergadering heel wel bekend.

Ook de Kerken in ons vaderland behoeven omtrent mij waarlijk geen uitspraak Uwer vergadering. Veeleer is het noodig, dat een krachtig „halt!” worde toegeroepen aan lieden, wier nu reeds jaren lang in praktijk gebrachte methode van stelselmatige verdachtmaking nog onlangs zelfs weerklank heeft gevonden in het officiele orgaan van de grootste Kerk binnen Uw ressort.

En wat mijzelven aangaat, ik heb er volstrekt geen behoefte aan, dat Uwe vergadering mij een testimonium orthodoxiae uitreike. Integendeel, ik tart haar en een ieder — het worde nogmaals gezegd — om ook maar eenige uitlating van mij bij te brengen, hetzij uit, hetzij buiten de door Uwe vergadering zoo onder de loupe genomen coupure mijner preek, waarin ook maar de geringste afwijking te bespeuren valt van de Gereformeerde Confessie. Wat ik thans — want er moet nu toch eindelijk eens een beslissing vallen — van Uwe vergadering verlang is, dat zij — want een tusschenweg is er niet — f mij ten volle rechtvaardige, f den euvelen moed hebbe om mijn gevoelen als kettersch te veroordeelen.

Laat mij dan in afwachting van haar beslissing, alleen nog maar onder de aandacht van Uwe vergadering mogen brengen wederom een woord van Augustinus, naast dat andere aan het slot van mijn vorig antwoord, dat Uwe memorie geheel ter zijde liet. Thans dit woord: „Heere, mijn God! hoe diep is de afgrond van Uwe geheimenissen! . . . Die begrijpt, moge U bekennen en die niet begrijpt, moge U bekennen. O, hoe verheven zijt Gij, en de ootmoedigen van harte zijn Uw huis. Want Gij richt op de gebogenen, en zij, wier hoogte Gij zijt, vallen niet.” (Confessiones XI, 31).


Met broedergroet en heilbede,


Dr. J.G. GEELKERKEN.


Amsterdam, 5 September 1925.




Bijlagen

Bijlage I. Zakelijk relaas van hetgeen aan mijn nieuwe antwoord voorafging


In den avond van Zondag 23 Maart 1924 preekte ik in de Schinkelkerk mijner gemeente en zeide in die preek toen o.a. hetgeen ik in mijn vorige brochure sub I publiceerde.

Reeds den daarop volgenden Donderdag werd naar aanleiding dezer predikatie door zekeren H. Marinus, lid mijner gemeente, schriftelijk een bezwaar ingebracht bij den Kerkeraad. Deze verklaarde, gehoord mijn mededeeling omtrent hetgeen ik gezegd had, en de bevestiging daarvan door tal van ouderlingen, die er bij tegenwoordig waren geweest — niet minder dan 18 ouderlingen, d.i. juist de helft van het voltallige ouderlingen-college, hadden de predikatie aangehoord — de ingediende klacht voor ten eenenmale „ongegrond.”

De klager beriep zich toen van deze uitspraak des Kerkeraads op de Classis, die in haar vergadering van 11 Juni d.a.v. voor deze zaak een Commissie benoemde, bestaande uit de predikanten Ds J.L. Schouten van Amsterdam en Ds J.E. Vonkenberg van Huizen en den ouderling H. Bomas van Hilversum.

Genoemde Commissie bezocht de Kerkeraadsvergadering van 4 Sept. 1924, ontving daar alle door haar verlangde inlichtingen en een afschrift van het door mij over het punt in kwestie gesprokene. Ik had van schets gepreekt, maar onmiddellijk nadat mij ter ooren gekomen was, dat er vermoedelijk een klacht zou worden ingediend, nog in de week van 23 Maart zelve, een zoo getrouw mogelijke weergave van het door mij gezegde op schrift gesteld. En dit afschrift stelde ik der Commissie na afloop van haar onderzoek bij den Kerkeraad geheel onverplicht en eigener beweging ter hand.

In de Classicale vergadering van 10 Sept. 1924 bracht de Commissie haar rapport uit. Van eenig bezwaar harerzijds tegen den inhoud mijner predikatie bleek toen niets, gelijk daarvan ook tevoren bij haar bezoek op de Kerkeraadsvergadering niets gebleken was. Zij concludeerde, dat broeder Marinus niet goed had gehoord, dat daarom de Kerkeraad hem moest berichten, dat zijn klacht „onjuist” was en hem hiervan moest trachten te overtuigen in den weg van broederlijke samenspreking, hetgeen naar het oordeel der Commissie den Kerkeraad niet moeilijk zou vallen, nu hem de schriftelijke weergave van wat ik predikte ter beschikking stond en de vele ouderlingen, die de predikatie gehoord hadden, eenstemmig hadden verklaard, dat deze weergave der waarheid getrouw was. De Classis aanvaardde deze conclusie’s harer Commissie eenparig en de Kerkeraad voerde het besluit der Classis uit.

Edoch, mijn klager bleek niet te overtuigen van zijn onjuist-gehoord-hebben. En bij schrijven van 15 Nov. 1924 beriep hij zich andermaal op de Classis, |16| zeide, dat hij wl goed gehoord had, maar dat de Classicale Commissie de door hem bijgebrachte drie getuigen niet genoegzaam gehoord had.

De Classicale vergadering van 10 Dec. 1924, bij welke dit schrijven inkwam, stelde de zaak andermaal in handen van dezelfde Commissie, om haar andermaal ook met den Kerkeraad te behandelen. De Commissie zeide nu, dat zij in eerste instantie de zaak slechts „formeel” had behandeld, maar dit thans, in tweede instantie, „materieel” zou doen. De afgevaardigden der Kerk te Amsterdam-Zuid — een ouderling en ik — spraken toen onmiddellijk als hun gevoelen uit, niet te begrijpen, wat de Kerkeraad nog met deze zaak te maken had. Immers, indien de Classis het mogelijk achtte, dat haar Commissie indertijd haar werk niet behoorlijk had verricht door de getuigen van br. Marinus niet genoegzaam te hooren, moest zij huns inziens der Commissie opdragen dit alsnog te doen; en indien zij overtuigd was, dat haar Commissie inderdaad deugdelijken arbeid had verricht en zij dus haar terzake reeds gevallen beslissing handhaafde, moest zij naar Gereformeerd kerkrecht den over haar besluit bezwaarde verwijzen naar de Particuliere Synode van Noord-Holland. Ook was het genoemden afgevaardigden niet duidelijk, hoe het ooit mogelijk zou zijn, materiel te onderzoeken, of er ook rechtmatige aanmerking ware te maken op het gesprokene van 23 Maart, wanneer niet formeel vast stond, wat toen inderdaad gezegd was.

Toen de Classicale Commissie op 23 Februari 1925 andermaal in de vergadering van den Kerkeraad verscheen, bleek deze van gelijk gevoelen als zijn afgevaardigden ter Classicale vergadering van 10 Dec. 1924, werd door hem der Commissie nog eens ten overvloede medegedeeld, dat hij indertijd het besluit der Classis had uitgevoerd, maar ook, dat hij niets meer ter zake had te verklaren en de tweede behandeling derzelfde zaak kerkrechtelijk onwettig achtte. De Kerkeraad weigerde dan ook nadrukkelijk, evenals ik, te treden in wat de Commissie toen wenschte, n.l. dat er f door hem f door mij nog zou worden verklaard, dat hetgeen br. Marinus beweerde door mij „bedoeld noch gezegd” was.

Niettemin stelde bedoelde Commissie in de eerstvolgende vergadering der Classis op 18 Maart dezes jaars als een der conclusie’s van haar nieuwe rapport voor, dat ik het bovengenoemde alsnog zou verklaren. De Classicale vergadering aanvaardde, niettegenstaande het protest van Amsterdam-Zuid’s afgevaardigden — weer een ouderling en ik — deze conclusie en eischte bij monde van haar Voorzitter, Dr J. Waterink, van mij toen het afleggen dezer verklaring zelfs staande de vergadering. Toen ik, ook na herhaalden aandrang, hiertoe niet bereid bleek, besloot de Classis haar vergadering te schorsen en de hulp in te roepen van de Deputaten der Particuliere Synode ad Artikel 49 Kerkenordening.

Op 1 April d.a.v. kwam de Classis in voortgezette vergadering bijeen. Deputaten voornoemd — de predikanten Ds W. Breukelaar van Zaandam, Ds H. Meijer van Alkmaar, Ds A. Schweitzer van Buiksloot, Ds D. Tom Wz. van Hilversum en de emeritus-predikant Ds B. van Schelven te Overveen waren mede aanwezig. Ik heb toen breedvoerig de redenen uiteengezet, waarom ik aan den zoo even vermelden eisch der Classis niet kon voldoen. Het waren de navolgende, gelijk men gelieve op te merken alle louter van kerkrechtelijken en moreelen en in geen enkel opzicht van dogmatischen of confessioneelen aard; |17|

1º. Het mag van niemand worden gevorderd, dat hij, na een positieve, zelfs schriftelijke verklaring omtrent hetgeen hij gezegd heeft, ook nog verklare dat hij andere dingen niet heeft bedoeld en niet heeft gezegd.

2º. Het gaat niet aan, dat een predikant, die reeds zoo ver gegaan is van geheel onverplicht, eigener beweging, schriftelijk over te leggen wat hij gepredikt heeft, nog bovendien nadrukkelijk moet ontkennen bedoeld of gezegd te hebben, wat een willekeurig gemeentelid hem daartegenover gelieft in den mond te leggen.

3º. In casu was dit te meer onaanvaardbaar, omdat de z.g.n. „getuigen” alle drie moesten gewraakt worden; de klager met zijn beweringen dus feitelijk geheel alleen stond tegenover het schriftelijk getuigenis van een predikant, het getuigenis van 18 ouderlingen, de uitspraak van een Kerkeraad en de beslissing van een Classis; de bezwaarde er nimmer voor te vinden was geweest met mij over zijn bezwaren te spreken; hij zelfs onomwonden verklaard had, dat hij zelfs aan een schriftelijke verklaring van mij, behelzende wat ik gezegd had, geen vertrouwen zou schenken; en, naar bekend was, zijn optreden ten nauwste samenhing met een actie, door een kleine, maar roerige groep van gemeenteleden reeds geruimen tijd tegen mij gevoerd.

4º. Het ging niet aan van de toevallige omstandigheid, dat ik als afgevaardigde van mijn Kerkeraad ter Classicale vergadering persoonlijk aanwezig was, gebruik te maken, om van mij een afzonderlijke verklaring te eischen, welke zoowel mijn Kerkeraad als ik te voren beslist geweigerd hadden; te minder, omdat de Kerkeraad, dien ik vertegenwoordigde, in protest was tegen heel de tweede behandeling der zaak, te wier beslissing men deze verklaring wenschte.

5º. Het kon moeilijk als een behoorlijke behandeling van br. Marinus’ tweede bezwaarschrift aangemerkt worden, wanneer op deze wijze een nieuwe afwijzing van zijn klacht door de Classis uitsluitend zou komen te rusten op een verklaring van mij.

6º. De gevorderde verklaring kon niet in goede conscintie door mij worden afgelegd, wijl uit den aard der zaak in hetgeen br. Marinus meende gehoord te hebben, wel iets, zij het nog zoo weinig, moest zijn wat inderdaad door mij gezegd en dus ook bedoeld was, zij het dan ook met een andere strekking en in een ander verband, zoodat waar en onwaar in hetgeen hij beweerde te hebben gehoord, dooreen gemengd waren.

Deputaten ad Art. 49 K.O., door de vergadering om advies gevraagd, bleken van gevoelen: 1º dat de Classis terecht het bezwaarschrift Marinus opnieuw in behandeling had genomen en 2º dat ik de door de Classis gevorderde verklaring diende af te leggen. Ook wat dit laatste betreft, werd mij geenszins duidelijk gemaakt, waarop dit gevoelen van Deputaten berustte. Er werd op geen enkele van mijn aangevoerde bedenkingen door hen ingegaan. Het was een zuiver apodictische uitspraak.

Natuurlijk volhardde ik bij mijn weigering. Deputaten stelden toen een tweede advies op, waarbij zij mij het navolgende als door mij af te leggen verklaring, zwart op wit, overhandigden: „Dr Geelkerken verklaart, dat hij heel het verloop van het verhaal, zooals dat in Genesis 3 voor ons ligt, door hem als historie wordt aanvaard en werd verkondigd, zoodat hetgeen |18| br. Marinus heeft gemeend in zijn prediking van hem te hebben gehoord door hem noch is bedoeld noch is gezegd.” Ik merkte op, dat, nog afgedacht van mijn reeds herhaaldelijk genoemde bezwaren tegen het afleggen van elke afzonderlijke verklaring, het afleggen van deze verklaring, waarvan de zin zelfs niet liep, reeds daarom mij volstrekt onmogelijk was, omdat ik dan onwaarheid zou spreken. Immers, ik had op 23 Maart 1924 niet „heel het verloop” enz. „verkondigd”, maar over Zondag III gepreekt en daarbij slechts terloops een opmerking over Genesis 3 gemaakt. Een door mij gedaan voorstel, waarin ik mijn weergave van wat ik predikte, aanvulde met de mededeeling, dat ik overigens over Genesis 3 niets had gezegd of bedoeld te zeggen, werd door Deputaten „onvoldoende” verklaard en later door de Classis verworpen.

In den loop dezer, gelijk der vorige samenkomst van de Classis heb ik herhaaldelijk, duidelijk en nadrukkelijk gezegd, dat ik natuurlijk ten volle bereid was, zulke verklaringen af te leggen, als waartoe mijn kerkelijke positie mij verplicht, dus a. in een zaak, die mijn Kerkeraad aanging, via dien Kerkeraad en b. bij eventuele toepassing door de Classis van het ook door mij onderschreven Onderteekenings-formulier voor de Dienaren des Woords, waarbij dezen zich immers verbinden „ten allen tijde bereid en willig (te) zullen zijn,” om indien een kerkelijke vergadering „te eeniger tijd om gewichtige oorzaken van nadenken zou goedvinden, tot behouding van de eenheid en zuiverheid der Leer, van (hen) te eischen nadere verklaring van (hun) gevoelen over eenige Artikelen der . . . Belijdenis, van den Catechismus of van de verklaring der Nationale Synode” (de Vijf Dordtsche Leerregels), zulk een „nadere verklaring van gevoelen” te geven.

Tenslotte kwamen Deputaten op 1 April j.l. met het advies, dat dezelfde Classicale vergadering, waarvan de leden, voorzoover zij het woord voerden, zich herhaaldelijk hadden uitgeput in de betuiging, dat niemand in de vergadering ook maar in het minste twijfelde aan mijn rechtzinnigheid — een betuiging door niemand weersproken, al had dan ook de Rapporteur der Commissie inzake het bezwaarschrift-Marinus, Ds J.L. Schouten, daarnevens gezegd, dat de coupure mijner preek „ruimte voor afwijkende gevoelens” liet — zou uitspreken, dat zij „betreurende het feit, dat Dr G. de door de classicale vergadering gevraagde nadere verklaring weigerde af te leggen, in die weigering de reden aanwezig achtte om Dr G. nadere verklaring te vragen omtrent zijn gevoelen, opdat blijke, dat dit gevoelen in overeenstemniing is met de belijdenisschriften onzer kerken.” De Classis nam dit advies in bespreking, doch wilde, alvorens daarover een besluit te nemen, zich er nog eens nader over beraden, en schorste dus haar vergadering — de laatste, die ik sedert bijwoonde — tot 22 April.

Op 16 April d.a.v. vertrok ik met Hr. Ms. „Heemskerck” naar de Azoren. En bij mijn terugkeer in het vaderland op 28 Mei j.l. vond ik twee brieven van de Classis, n gedateerd 29 April, den anderen gedagteekend 27 Mei. In deze missives werd mij bericht, dat de Classis besloten had: „in verband met de door (mij) gegeven verklaring van wat (ik) predikte, (mij) nadere verklaring van (mijn) gevoelen te vragen, betreffende hetgeen in Genesis 1-3 ons is medegedeeld, opdat blijke, of (mijn) gevoelen in overeenstemming is met de Belijdenisschriften onzer Kerken”, en mij een zestal „vragen” voorlegde, „schriftelijk te beantwoorden vr den 6den juni.” Aangezien de Classis mij echter niet mededeelde op welken grond of welke gronden zij |19| mij bedoelde vragen voorlegde, vroeg ik haar daarnaar bij schrijven van den 5den Juni l.l. In antwoord daarop ontving ik toen — 10 Juni — afschrift van het „Rapport der Deputaten der Particuliere Synode van Noord-Holland ad Art. 49 K.O.” en van het „besluit der Classicale vergadering 22-5-’25 1) (wat bleek te moeten zijn: 22-4-’25), waaruit het mij duidelijk werd, dat de Classis het Onderteekenings-formulier tegen mij in werking had meenen te moeten zetten, en dat het kerkrechtelijk volstrekt onhoudbare motief, waarop men naar dit Formulier van mij vorderde „nadere verklaring van gevoelen”, te weten mijn weigering om in de zaak-Marinus een afzonderlijke verklaring te doen, gedurende mijn afwezigheid in het tijdsverloop van 1 tot 22 April vervangen was door het geheel andere motief: de overgelegde coupure mijner preek, die nu in eens „gewichtige oorzaken van nadenken” bleek te hebben gegeven; al werd dan ook het eerstgenoemde motief niet geheel losgelaten.

Het verdere verloop der zaak is reeds algemeen bekend. Bij schrijven van 17 juni l.l gaf ik mijn eerste, korte en bondige antwoord aan de Classis op de mij voorgelegde zes vragen 2), welk antwoord, afgedrukt in mijn vorige brochure sub III, door de Classis onvoldoende werd verklaard. Daarop volgde mijn tweede, uitvoeriger antwoord d.d. 22 Juni l.l.; zie genoemde brochure sub IV. Ook dit werd door de Classis niet bevredigend geacht. Zij zond mij 9 Juli l.l. de breede memorie, welke hierachter als Bijlage II volgt en waarin zij eindigde met andermaal mij vijf vragen te stellen, die wezenlijk volkomen gelijk waren aan vragen, welke zij mij reeds in eersten termijn voorlegde. In een begeleidend schrijven werd mij medegedeeld, dat ik deze vragen „schriftelijk op de wijze als is aangegeven” (n.l. categorisch) had te beantwoorden vr Woensdag 15 juli 1925, 10 uur voormiddags.” Daar ik op het punt stond voor vacantieverblijf op reis te gaan naar het buitenland, berichtte ik der Classis, dat ik mij voornam, na mijn terugkomst nader met haar over den inhoud dezer missive te handelen. Dato 15 Juli l.l. liet de Classis mij toen weer weten, „dat naar haar oordeel de door haar verwachte categorische antwoorden op de vragen, die bij besluit van den 8sten” Juli mij waren „gesteld, gemakkelijk vr den 15den hadden kunnen gereed zijn”; „dat er blijkbaar bij (mij) eene misvatting (bestond), alsof (ik) met haar over den „inhoud” harer „missive” zou hebben te „handelen”, aangezien zij dit niet gevraagd (had), maar vroeg te antwoorden op de (mij) gestelde vragen, en de missive alleen aangeeft, waarom deze vragen zijn gesteld”; en „dat zij van (mij) alsnog verwacht(te) vr den 1sten September a.s. schriftelijk categorisch te antwoorden op de (mij) gestelde vragen.” Iets later, maar toch nog tijdig vr de eerstvolgende vergadering der Classis op 9 September 1925, zond ik haar het antwoord, dat hiervoor in dit vlugschrift is opgenomen.


Bijlage II. Rapport Classe Amsterdam inzake het antwoord van Dr Geelkerken, op de vragen 3) hem door de Classe gesteld


1. In den aanhef van zijn schrijven deelt Dr Geelkerken mede, dat hij met „groote droefheid en verontwaardiging” kennis nam van het schrijven der Classe, d.d. 17 Juni j.l., terwijl hij constateert, dat zijn schrijven d.d. 16 Juni j.l. een „ondubbelzinnig getuigenis” gaf.

Voorts beschuldigt hij de Classe, dat zij blijft volharden bij haar „ongemotiveerde en ieder broederhart krenkende verdenking.”

De Classe is van oordeel, dat hiertegen behoort te worden opgemerkt:

a. dat het onze vergadering tot groote droefheid is geweest, dat Dr Geelkerken haar heeft genoodzaakt hem het bekende zestal vragen te moeten stellen en dat het door hem daarop gegeven antwoord, ’t welk hij een „ondubbelzinnig getuigenis” noemt, in het licht der historie bezien, zo volstrekt onvoldoende was, dat nader antwoord van hem moest worden gevraagd, waarvan hem dan ook in het schrijven van 17 Juni j.l. mededeeling gedaan werd.

b. dat onze vergadering reeds hier met nadruk wil uitspreken, dat Dr Geelkerken haar tegen haar wensch en zeer tot haar leedwezen heeft gedwongen gebruik te maken van het recht, dat zij krachtens het onderteekeningsformulier bezit, om hem de bekende vragen te stellen, zoodat hij het geheel aan zich zelf te wijten heeft, dat zijn zaak dezen loop heeft genomen;

c. dat Dr Geelkerken ten onrechte de gerezen verdenking „ongemotiveerd” noemt, aangezien de motieven duidelijk zijn genoemd en ook, aan hem zijn meegedeeld;

d. dat het met het stellen der vragen en het herhaald verzoek om daarop te antwoorden allerminst haar bedoeling was het broederhart te krenken, maar alleen om de „eenheid en zuiverheid der leer” te behouden en dat Dr Geelkerken als predikant eener Gereformeerde Kerk er zijn eere in had moeten stellen een kort en ondubbelzinnig antwoord haar te doen toekomen.

2. Dr Geelkerken deelt de Classe mede, dat hij ook tegen het besluit van haar vergadering d.d. 17 Juni j.l. te zijnen opzichte genomen, in beroep |21| gaat bij de Particuliere Synode. De Classe neemt dit voor kennisgeving aan met aanteekening daarvan in de notulen.


3. Tegen het door de Classe gebruikte woord „verklaring” ter aanduiding van de mededeeling uit zijn preek, door hem „coupure” genoemd, handhaaft Dr Geelkerken zijn bezwaar op grond daarvan, dat het woord „verklaring” geenszins op gelijke lijn ligt met de woorden „coupure” en „rsum”, en dat het woord „verklaring” de gedachte kan wekken, alsof hij iets anders zou hebben overgelegd dan de „zoo getrouw mogelijke schriftelijke weergave van het door hem gesprokene.”

De Classe oordeelt, dat te dezer zake behoort te worden geconstateerd:

a. dat nimmer door haar is beweerd, dat de beteekenis van het woord „verklaring” op gelijke lijn zou liggen als de beteekenis van de woorden „coupure” of „rsum”, maar dat dit woord juist is gekozen om die twee andere woorden, waarover verschil liep, te mijden en om duidelijk uit te drukken, dat volgens de eigen mededeeling van Dr Geelkerken hierin was weergegeven, wat hij preekte;

b. dat Dr Geelkerken thans zelf de zoogenaamde „coupure” omschrijft als „de zoo getrouw mogelijke, schriftelijke weergave van het door hem op Zondag 23 Maart 1924 gesprokene,” welke omschrijving duidelijk aangeeft, dat dit stuk geen volstrekt woordelijke weergave is van wat hij preekte, weshalve in dit opzicht alle verschil van meening is vervallen.

4. Dr Geelkerken deelt de vergadering mede, dat hij van gevoelen is, dat het onderteekeningsformulier hem kerkrechtelijk in geen geval tot een ander antwoord verplicht, dan hij in zijn schrijven d.d. 16 Juni j.l. gaf.

Hij oordeelt, dat de Classe „op zichzelf en formeel” alleen het recht had hem de eerste vraag te stellen, op welke vraag hij dan ook antwoord gaf, maar dat de andere vragen van dogmatischen en exegetischen aard zijn en niet in verband staan met de Geloofsbelijdenis, weshalve hij meent tot de beantwoording daarvan niet verplicht te zijn, tenzij de Classe eerst heeft aangewezen, dat deze vragen „in verband staan met art. 4 en 5 onzer Geloofsbelijdenis of eventueel met eenig ander artikel of eenige andere artikelen van de Belijdenis, den Catechismus of de verklaring der nationale Synode.”

Ter zake van dit betoog, waarvan de Classe met verbazing kennis nam behoort het volgende oordeel uitgesproken te worden:

a. Wel terdege staan al de gestelde vragen, niet alleen de eerste, maar ook de volgende, in verband met de Belijdenis, bepaaldelijk met Art. 5 onzer Geloofsbelijdenis.

Dit artikel bindt ons aan al de in Art. 4 genoemde boeken „om ons geloof daarnaar te reguleeren,daarop te gronden en daarmede te bevestigen.” Nu lezen we in 2 Kor. 11 vers 3: „Doch ik vrees, dat niet eenigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzoo Uwe zinnen bedorven worden om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is” (statenvertaling).

Uit dit schriftwoord blijkt, dat er een werkelijke slang is geweest, die |22| Eva door haar arglistigheid heeft bedrogen, waaruit volgt, dat, hetgeen God in Genesis 3 ons mededeelt, moet opgevat als de Goddelijke openbaring van werkelijk gebeurde feiten, zoodat, als wij daarbij tegenwoordig waren geweest, die feiten ook voor ons waarneembaar zouden geweest zijn.

En in 1 Tim. 2 vers 13 en 14 lezen wij: „want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.”

Ook hier leert ons Paulus, dat de hiergenoemde feiten, waarvan ook Genesis 1-3 ons spreekt, metterdaad gebeurd zijn.

Ofschoon nu uit den aard der zaak in Art. 5 niet met even zoovele woorden sprake is van de dingen, die zijn genoemd in de door de Classe aan Dr Geelkerken gestelde vragen, is toch elk, die dit artikel onderschrijft, gehouden, om de feiten, die God in Genesis 1-3 ons mededeelt ook te aanvaarden als historische feiten, die ook werkelijk alzoo zijn geschied.

Bovendien is elke kerkelijke vergadering, indien er bedenking rijst, of door de uitlating van een bedienaar des Woords, het aanzien en de autoriteit van de H. Schrift ook aangetast wordt, niet slechts gerechtigd, maar verplicht dien aangaande een nadere verklaring te vragen. En dat de gestelde vragen met het aanzien en de autoriteit der H. Schrift in het nauwst verband staan, zal toch niemand kunnen ontkennen.

Mitsdien had de Classicale Vergadering ten volle het recht in verband met Art. 5 der Geloofsbelijdenis en met het oog op hetgeen Dr Geelkerken van zijn gehouden preek mededeelde, een nadere verklaring te vragen betreffende al de punten, die in de tweede, derde vierde, vijfde en zesde vraag aan hem zijn voorgelegd;

b. blijkens hetgeen de acta van de Generale Synode van Leeuwarden 1920 ons melden (zie bijlage 2, pag. 117), heeft deze bij de behandeling van de zaak van Ds Netelenbos onder meer ook over dezelfde punten nadere verklaring gevraagd, die zijn genoemd in de vragen door de Classe aan Dr Geelkerken gesteld. De zesde vraag, die aan Ds Netelenbos werd voorgelegd, luidt:

Wanneer gij terzelfder plaatse zegt: „dat ge de feiten van Genesis 2 en 3 aanneemt, n.l. „dat er een val is geweest door verleiding en de zonde uit de duivelenwereld in de menschenwereld 4) is gekomen, maar dat het feit medegedeeld wordt in Oostersche inkleeding, dat is in mythischen vorm,” bedoelt gij dan daarmede, dat alleen het feit van den val als Goddelijke, geopenbaarde waarheid vaststaat, maar dat de inkleeding van dit verhaal, met name van de beide boomen in het paradijs, en 5) van de slang, die als instrument gediend zou hebben om Eva te verleiden en van den vloek Gods over de slang uitgesproken niet de werkelijke historie, maar als mythische vorm, dus 6) als menschelijk verdichtsel is te beschouwen?”

Hieruit blijkt dus, dat de Generale Synode over dezelfde zaken vragen heeft gesteld aan Ds J.B. Netelenbos, als waarover de Classe van Dr. Geelkerken nadere verklaring heeft gevraagd. |23|

Ook betreffende den vorm der Openbaring heeft de Generale Synode aan Ds Netelenbos een vraag voorgelegd.

De meening van Dr Geelkerken, dat de classicale Vergadering niet gerechtigd was hem de laatste vijf vragen te stellen, wordt dus weersproken door het voorbeeld der Generale Synode.

Gelet op het verband van de gestelde vragen met de Belijdenis en op de door de Generale Synode gevolgde gedragslijn, moet dus onverzwakt gehandhaafd, dat Dr Geelkerken, toen hij in zijn schrijven van 16 Juni j.l. op de laatste vijf vragen geen antwoord gaf, wel terdege in gebreke is gebleven te voldoen aan hetgeen, waartoe hij door het onderteekeningsformulier verplicht was.

5. Herinnerend aan het woord van den Heiland: „Zoo wie U zal dwingen een mijl te gaan, ga met hem twee mijlen” en handhavend zijn protest, verklaart zich Dr Geelkerken bereid een antwoord te geven op elke vraag, die hem is gesteld.

Vooraf echter spreekt hij uitdrukkelijk uit, dat er zijns inziens in Genesis 1-3 zeer veel moeilijkheden van exegetischen aard voorkomen, waarbij bij herinnert aan een uitspraak van Calvijn en van een niet genoemd gezaghebbend Theoloog onzer Gereformeerde Kerken, die, naar zijn zeggen, jaren zou noodig hebben om eenigermate met zijn antwoord op vragen, zooals door de Classe aan Dr Geelkerken zijn voorgelegd, gereed te kunnen zijn.

Voorts spreekt hij uit, dat hij niet wil geacht worden alle opvattingen te huldigen, die blijkbaar ten grondslag liggen aan den considerans van het besluit der Classe d.d. 22 Mei j.l. (moet zijn 22 April j.l.) en aan de door de Classe geformuleerde vragen.

De Classe spreekt te dezer zake uit:

a. dat zij waardeert, dat Dr Geelkerken thans, gedachtig aan het aangehaalde woord des Heeren, zich bereid verklaart al de gestelde vragen te beantwoorden, maar dat zij betreurt dat hij aan dit woord blijkbaar niet gedachtig was, toen hij dringend en herhaaldelijk werd uitgenoodigd de bekende verklaring af te leggen, wijl dan de loop dezer zaak wellicht geheel anders zou zijn geweest. Ook mag hierbij wel worden opgemerkt, dat Dr Geelkerken dit aangehaalde woord nog slechts zeer gebrekkig in praktijk gebracht heeft, aangezien hij de „eene mijle”, die gevraagd werd, nog niet geheel is gegaan;

b. dat allerminst wordt ontkend dat in Genesis 1-3 onderscheidene moeilijkheden van exegetischen aard voorkomen en de Classe volkomen instemt met wat Calvijn daarvan heeft gezegd, maar daarbij toch wil opmerken, dat Calvijn niet slechts de moeilijkheden noemde, zooals Dr Geelkerken doet, maar ook trachtte die moeilijkheden tot oplossing te brengen. Calvijn toch schrijft bij de uitlegging van Genesis 3 : 1: „Maar hier duiken vele en moeilijke kwesties op, want als Mozes zegt, dat de slang listig geweest is boven alle andere dieren, schijnt hij toe te stemmen, dat zij niet door ingeving van satan tot het verleiden van den mensch gebracht is, maar door haar eigen kwaadwilligheid. Ik antwoord: dat de aangeboren sluwheid der slang voor satan geen beletsel was om haar te misbruiken tot bederf der menschen.” (vertaling Dr S.O. Los, deel 1 pag. 81). |24|

Gelijk men ziet tracht Calvijn een antwoord te geven op de moeilijkheid, terwijl het blijkbaar voor hem niet in het minst kwestieus was, of de slang wel werkelijk heeft gesproken, want de moeilijkheid, die hij noemt, was deze, dat in Genesis 3 de verzoeking wordt toegeschreven aan de slang, terwijl elders daarvoor satan genoemd wordt, b.v Johs. 8 vers 44.

c. dat de vragen, die aan Dr Geelkerken zijn voorgelegd, zoo eenvoudig en ondubbelzinnig zijn geformuleerd, dat elk, die Gereformeerd denkt en belijdt, de beteekenis dezer vragen dadelijk verstaat en het antwoord daarop gemakkelijk kan geven. Het is dan ook een raadsel, hoe een waarlijk Gereformeerd Theoloog jaren lang noodig zou hebben om eenigermate met zijn antwoord op vragen als deze gereed te zijn, terwijl het eveneens bevreemding wekt, dat Dr Geelkerken zooveel woorden noodig heeft om daarin zijn antwoord op deze vragen aan de Classe te doen toekomen.

Alvorens verder te gaan merkt de Classe op, dat in het antwoord van Dr Geelkerken dient onderscheiden te worden tusschen wat hij aan de beantwoording der vragen van de Classe laat voorafgaan in de punten 1-4 en de beantwoording zelf, die hij geeft in punt 5.

Thans gaat de Classe over tot de beantwoording van wat Dr Geelkerken geeft in punt 5.


6. Bij de beantwoording van de eerste vraag zegt Dr Geelkerken, dat hij ten volle instemt met wat onze kerken in Art. 4 en 5 onzer Geloofsbelijdenis belijden en dat hij dus „ook alle gebeurtenissen”, die in Genesis 3 worden medegedeeld, aanvaardt „als metterdaad aldus te hebben plaatsgehad.”

De Classe spreekt hierbij uit:

a. dat zij met blijdschap en dank van deze verklaring heeft kennis genomen, wijl dit antwoord op zich zelf genomen volkomen bevredigend is;

b. dat zij echter wil opmerken, hoe betreurenswaardig het is, dat Dr Geelkerken, toen hij verzocht werd de bekende verklaring af te leggen, dit geweigerd heeft. Die verklaring luidde: „Dr Geelkerken verklaart, dat heel het verloop van het verhaal, zooals dit in Genesis 3 voor ons ligt, door hem als historie wordt aanvaard en werd verkondigd, zoodat hetgeen br. Marinus heeft gemeend in zijn prediking van hem te hebben gehoord, door hem noch is bedoeld, noch is gezegd.”

Wel had Dr Geelkerken op kerkrechtelijke gronden geweigerd eenige verklaring af te leggen, maar hiervan was hij in zoover teruggekomen, dat hij bereid was een verklaring af te leggen, mits hij zich met den inhoud kon vereenigen.

Het was dus toen om den inhoud, dat hij weigerde genoemde verklaring af te leggen. Die inhoud nu stemde in hoofdzaak geheel overeen met wat thans Dr Geelkerken duidelijk uitspreekt. Immers van Dr Geelkerken werd toen gevraagd te verklaren, dat het verhaal, zooals dit in Genesis 3 voor ons ligt, door hem als historie wordt aanvaard. Thans deelt hij mede, als antwoord op de hem gestelde vraag, dat hij „alle gebeurtenissen”, die in Genesis 3 worden medegedeeld, aanvaardt, „als metterdaad aldus te hebben plaatsgehad”, wat zakelijk hetzelfde is. |25|

Ook heeft Dr Geelkerken, toen die verklaring van hem gevraagd werd, tegen de redactie dier verklaring geen enkele bedenking ingebracht en evenmin getracht in anderen vorm een verklaring te geven, waaruit kon blijken, dat hij het verhaal van Genesis 3 als historie aanvaardt. En daarom juist ging het.

De zoogenaamde „coupure” uit de preek was in bewoordingen gesteld, die aanleiding gaven tot het rijzen van ernstige bedenkingen. Toen echter Dr Geelkerken terwille van den inhoud weigerde de bewuste verklaring af te leggen, werd daardoor die bedenking zoodanig versterkt, dat er van toen af zeer duidelijk rechtvaardige oorzaak van verdenking aanwezig was. Had Dr Geelkerken niet geweigerd, maar een verklaring afgelegd, zooals hij thans geeft in zijn antwoord op de eerste vraag, dan zou daarmede zijn zaak toen beindigd zijn.

c. Dat, hoe uitnemend het antwoord op de eerste vraag op zichzelf ook schijnt te zijn, dit antwoord thans niet kan losgemaakt worden van het antwoord op de laatste twee vragen.

7. Op de tweede vraag geeft Dr Geelkerken een antwoord, dat hij er niet aan denkt „den vorm der openbaring, waarin de Heere de geschiedenis van den staat der rechtheid heeft medegedeeld, gelijk te achten aan den vorm der openbaring van den staat der heerlijkheid.” Hij merkt daarbij echter tevens op, dat de Classe voor „het derde van vergelijking” in zijn parallel geen oog heeft gehad.

Wat dit antwoord betreft, wil de Classe opmerken:

a. dat zij wel terdege oog had voor het „derde van vergelijking” wijl anders de tweede vraag in anderen vorm zou zijn gesteld, maar dat de door Dr Geelkerken in de zoogenaamde coupure gebezigde woorden metterdaad aanleiding konden geven tot de gedachte, alsof Dr Geelkerken die vormen der openbaring van den staat der rechtheid en der heerlijkheid gelijk achtte;

b. dat het antwoord van Dr Geelkerken op de tweede vraag met waardeering als bevredigend kan worden aanvaard, al laat hij ook nu nog het midden, wat hij dan wel met die vergelijking bedoelde.

8. Bij de beantwoording van de derde vraag deelt Dr Geelkerken mede, dat hem niet duidelijk is, wat de Classe bedoelt met „historische 7) getrouwe mededeeling van wat metterdaad aldus is geschied”;

Dat hij „de mededeelingen van Genesis 1, 2 en 3 naar inhoud en vorm in alles houdt voor genspireerde getrouwe en autoritatieve onthulling van den raad Gods” en dat hij deze hoofdstukken ten volle aanvaardt „zooals zij zich zelf aandienen en niet als notarieele opteekening,” waarbij hij citaten aanhaalt uit de Encyclopedie van Dr A. Kuyper als weergevend wat ook zijn gevoelen is.

De Classe acht het noodig, te dezer zake uit te spreken:

a. dat het verbazing wekt, dat het Dr Geelkerken niet duidelijk is wat de Classe bedoelt met de zeer eenvoudige, aan alle spitsvondigheid gespeende en glasheldere uitdrukking „historisch getrouwe mededeeling van wat ook metterdaad aldus is geschied.” |26|

b. dat het antwoord door Dr Geelkerken op de derde vraag gegeven, hoe belijnd dit antwoord ook schijnt, metterdaad zeer vaag en zwevend is. Wel zegt Dr Geelkerken dat hij „de mededeeling van Genesis 1, 2 en 3 naar inhoud en vorm in alles houdt voor genspireerde, getrouwe en autoritatieve onthulling van den raad Gods”, maar dan voegt hij er aan toe, dat hij deze hoofdstukken ten volle aanvaardt: „zooals zij zich zelf aandienen en dus niet als notarieele opteekening”. Hieruit blijkt dat hij ze niet aanvaardt als notarieele opteekening, wat trouwens wel niemand zal doen, maar zooals die hoofdstukken zich zelf aandienen.

Maar hoe zij zich na 8) het oordeel van Dr Geelkerken aandienen, zegt hij niet. Hier blijft dus ruimte voor allerlei uiteenloopende opvatting omtrent de vraag, hoe Genesis 1, 2 en 3 zich zelve aandienen. En het blijkt niet, dat Dr Geelkerken gelooft, dat de Openbaring Gods betreffende den staat der rechtheid, zooals die in Genesis 1, 2 en 3 is geboekt „naar inhoud en vorm in alles de historisch getrouwe mededeeling is van wat ook metterdaad aldus is geschied.” Opmerkelijk is dan ook, dat de donkere uitdrukking, waarin Dr Geelkerken zegt, dat hij „de mededeeling van Genesis 1, 2 en 3 naar inhoud en vorm in alles houdt voor genspireerde, getrouwe en autoritatieve onthulling van den raad Gods,” nog geheel in het midden laat of naar zijn oordeel Genesis 1, 2 en 3 moet 9) worden verstaan als zuivere historie of als historische inkleeding. Het antwoord van Dr Geelkerken ontwijkt deze zaak, waarom het in deze vraag gaat en is dus vaag en zwevend;

c. dat ook de Classe volkomen instemt met wat Dr A. Kuyper in de aangehaalde citaten zegt, maar dat deze aanhaling niets ter zake doet, omdat niemand er aan denkt Gen. 1, 2 en 3 op te vatten als een „notarieele opteekening” of als een soort „proces verbaal”. ’t Gaat er bij de derde vraag om, of wat God in Genesis 1, 2 en 3 ons openbaart, ook metterdaad historisch aldus is geschied. En hoe Dr Kuyper daarover denkt zegt hij duidelijk in E Voto Dordraceno, deel I pag. 44. Daar lezen wij: „En hierop nu (op de vraag : vanwaar is dit ontzettend kwaad dan?) antwoord 10) de Heidelberger niet met bespiegeling, maar met verwijzing naar een historisch feit.”

„Vrees niet, zoo fluistert men U in de ziel . . ., dat we ook maar eenigszins afbreuk willen doen aan de waarachtigheid van deze zaak.

Integendeel, ook wij belijden van harte, dat er een val moet geweest zijn. Ook ons is deze gebeurtenis dus historie. Alleen maar, voor ons is ze hoogere historie. Een historie te hoog om in het kleed van zulk een kort verhaal gehuld te worden. En dus, wij gelooven wel niet, dat deze Adam er zoo was, en dat die boom er stond en dat de slang bekoorde en dat toen in verstaanbare woorden alzoo tot Eva gesproken is, maar overigens, de zaak als zaak wordt er ons slechts te vaster door”. En dat zoo hoorende, laat meer dan een zich meeslepen. Ook bij prijsgeving van den vorm behoudt hij dan immers de zaken toch. Maar zie toe, deze ethische begoocheling is niets dan toepassing op de |27| geschiedverhalen des Bijbels van een valsch-wijsgeerige opvatting van het verband tusschen idee en werkelijkheid. Eens dien weg op, raakt ge af van alle historie, en eens van de historie af, spatten straks ook deze schoone mythen als zeepbellen voor U uiteen.”

En hoezeer ook o.a. Calvijn aanvaardt dat wat in Gen. 1, 2 en 3 door God ons is medegedeeld ook werkelijk aldus is geschied blijkt b.v. in wat hij zegt van het spreken der slang, pag. 86:

„Deze plaats vallen goddelooze menschen met hun spotternijen aan, omdat Mozes een dier laat spreken, dat slechts met zijn in tween gespleten tong onduidelijk ziet. 11) En allereerst vragen zij, van wanneer of de dieren zijn begonnen stom te zijn, als zij toch een duidelijk en met ons gemeenschappelijk spraakvermogen hadden. Het antwoord ligt voor de hand, dat de slang niet van nature wel bespraakt is geweest, maar dat, toen satan onder Gods toelating een instrument tot zijn beschikking heeft gekregen, hij ook met zijn tong woorden heeft gevormd, wat God eveneens heeft toegelaten.”

Deze twee aanhalingen mogen dienen om aan te toonen, wat de Classe verstaat door „historisch getrouwe mededeeling van wat ook metterdaad aldus is geschied”, en hoe Calvijn en Dr A. Kuyper hierover hebben gedacht. Het zou van belang zijn te vernemen, of Dr Geelkerken ook hiermede instemt.

9. Betreffende de vierde vraag merkt Dr Geelkerken op, dat de gevolgtrekking door het woordje „dus” in die vraag ingeleid „onbezonnen, immers onlogisch is”, dat hij bezwaar heeft tegen de uitdrukking „geschiedenis in den gewonen zin van het woord,” waarbij hij naar een uitspraak van Prof. F.W. Grosheide verwijst;

dat hij met de door de Classe geciteerde zinsnede uit zijn preekgedeelte niets anders heeft bedoeld dan „dat wij — natuurlijk buiten de openbaring om — alleen weten van een geschiedenis der menschheid in de bedeeling der zonde”; en dat hij „niet van gevoelen is, dat de geschiedenis van den staa der rechtheid ons eigenlijk onbekend is.”

De Classe acht hierbij gewenscht er op te wijzen:

a. dat in de door haar gestelde vragen de gevolgtrekking geenszins „onbezonnen” wijl „onlogisch” is, ook al wordt dit door Dr Geelkerken gezegd. In zijn zgn. „coupure” toch zegt Dr Geelkerken, dat wij de geschiedenis der menschheid alleen kennen in zonde. Dat hij daarmede bedoelde „buiten de openbaring om” blijkt met geen enkel woord. Zelfs kon dit niet vermoed, omdat die woorden gebezigd zijn in een preek, waarin hij natuurlijk sprak tot een Gemeente, die leeft onder het licht der bijzondere Openbaring. En als het nu metterdaad waar was, dat wij de geschiedenis der menschheid alleen kennen in zonde, dat 12) zou de logische gevolgtrekking wezen, dat ons de geschiedenis der menschheid in den staat der rechtheid eigenlijk onbekend zou zijn; |28|

b. dat de aanhaling van hetgeen Dr Grosheide schreef in verband met het bezwaar van Dr Geelkerken tegen de uitdrukking „geschiedenis in den gewonen zin van het woord” van geen belang is. Immers Dr Grosheide schreef geen woord, waaruit ook maar in het minst valt af te leiden, dat hij de historische werkelijkheid der door de Goddelijke Openbaring ons medegedeelde gebeurtenissen eenigszins zou betwijfelen. En dat is het, waarom het gaat bij de vragen die aan Dr Geelkerken zijn gesteld.

Voorts zij hierbij opgemerkt, dat Dr Geelkerken te dezer zake verzuimt het onderscheid in het oog te houden tusschen „geschiedenis” en „geschiedbeschrijving.” Dr Grosheide spreekt van „geschiedbeschrijving.” Maar de vraag die aan Dr Geelkerken is gesteld, spreekt van „geschiedenis.” Al geeft Gen. 1, 2 en 3 dus geen geschiedbeschrijving in den gewonen zin van het woord, dat neemt niet weg, dat wat die hoofdstukken melden wel terdege als „geschiedenis in den gewonen zin van het woord moet worden opgevat.”

c. dat intusschen met waardeering acte kan genomen worden van de verklaring van Dr Geelkerken, dat hij niet van gevoelen is, dat de geschiedenis van den staat der rechtheid ons eigenlijk onbekend is.

10. Bij de beantwoording van de vijfde vraag zegt Dr Geelkerken: dat hij niet begrijpt waarom deze vraag hem wordt voorgelegd, nog wel met het woord „inkleeding” tusschen aanhalingsteekens, alsof hij dit woord zou hebben gebezigd;

dat hij deze vraag door argwaan acht ingegeven;

dat naar zijn oordeel de door Uwe vergadering gebruikte uitdrukkingen maar al te zeer ruimte laten aan een „modern-historische13) voorstelling van wat Gen. 3 mededeelt;

dat hij, als vertolkend zijn gevoelen, ter zake verwijst naar een uitspraak van Dr H. Bavinck: „Er kan verschil van meening bestaan, of wij en in hoeverre wij bij Job, Prediker, Hooglied aan historie of aan historische inkleeding te denken hebben.”

Wat dit punt betreft, oordeelt de Classe het noodzakelijk het volgende te zeggen:

a. dat het woord „inkleeding” door haar tusschen aanhalingsteekens is gezet, niet om daarmede te zeggen dat Dr Geelkerken dit woord heeft gebezigd, maar om uit te drukken, dat dit veel gebruikte woord een algemeene term is geworden met een vrijwel vaststaande beteekenis en ook in dien zin moet worden verstaan;

b. dat de Classe de aanklacht van ongemotiveerde 14) argwaan verre van zich werpt, wijl Dr Geelkerken het geheel aan zichzelf heeft te wijten, dat deze vragen hem zijn gesteld;

c. dat de Classe niet kan erkennen, dat in de bewoording harer vragen ruimte is gelaten voor een „modern-historistische” voorstelling van wat Gen. 3 mededeelt, aangezien al de gestelde vragen duidelijk handhaven dat we in Gen. 1-3 te doen hebben met bijzondere |29| Godsopenbaring, door God ons medegedeeld, maar dan ook met Openbaring Gods, die ons niet slechts iden, 15) maar metterdaad aldus gebeurde historische feiten mededeelt; terwijl voorts ieder Gereformeerd belijder wel heel goed weet, dat wij aan de erkenning der feiten zonder meer geenszins genoeg hebben;

d. dat de verwijzing van Dr Geelkerken naar de aangehaalde uitspraak van Dr Bavinck als „vertolkend zijn gevoelen ter zake” zeer bedenkelijk kan zijn.

Dr Bavinck spreekt van Job, Prediker en Hooglied en zegt, „dat er verschil van meening kan bestaan of wij en in hoeverre wij daarbij aan historie of historische inkleeding hebben te denken.” Hij spreekt echter niet van Genesis 3. Nu handelt de vraag, die aan Dr Geelkerken is gesteld over Genesis 3.

En dan verwijst hij als vertolkend zijn gevoelen ter zake naar Dr Bavinck.

Dr Geelkerken schijnt dus van gevoelen, dat er verschil van meening mag bestaan, of wij bij Genesis 3 hebben te denken aan historie of aan historische inkleeding. Het is volstrekt noodzakelijk, dat Dr Geelkerken zich hierover nader uitspreke. Hoe overigens Dr Bavinck denkt over het historisch karakter van Genesis 1-3 blijkt als hij zegt: „Het historisch karakter van het paradijsverhaal werd in de Christelijke kerk ten allen tijde vastgehouden. . . . De geschiedkundige waarheid van den boom der kennis des goeds en des kwaads, van het proefgebod, van de verleiding der slang en van de moedwillige ongehoorzaamheid van Adam en Eva stond voor allen vast en . . . werd ten strengste gehandhaafd.” Dogm. deel 3 par. 309 pag. 12.

En verder schrijft hij: „Maar uit dit alles leidt men toch ten onrechte af, dat het verhaal in Genesis onnoodig en overbodig is en desnoods geheel kan gemist of door de critiek zonder schade van zijn historisch karakter ten eenen male beroofd zou kunnen worden.” t.a.p. pag. 13.

De beantwoording van de vijfde vraag is mitsdien onvoldoende.

11. Inzake het antwoord van Dr Geelkerken op de laatste vraag gegeven, zij herinnerd, dat hij onderscheidene bijzonderheden opsomt, waarmede de door U in deze vraag genoemde bijzonderheden zouden kunnen worden vermeerderd en deze daardoor als het ware eenigszins belachelijk maakt;

dat het hem voorkomt, „dat wij bij al deze bijzonderheden, dus ook bij het proefgebod, de beide paradijsboomen, de slang en haar spreken, Goddelijke mededeeling hebben van werkelijkheid, zelfs van de hoogst denkbare werkelijkheid, maar dan ook van een werkelijkheid, die in haar volheid ons intellectueel begrijpen ten eenen male te boven gaat;”

dat hij er niet aan denkt, hetgeen sub 1-4 in de laatste vraag is genoemd te „ontkennen”, en dat hij uitspreekt, dat „inplaats van eenige opvatting als de eenig mogelijke te fixeeren, aan de wetenschappelijke exegese, die zich gebonden erkent aan het Woord en doordrongen is van geloovigen eerbied voor het Woord, alle vrijheid moet blijven om te trachten den |30| zin van genoemde mededeelingen al zuiverder te verstaan,” 16) waarbij Dr Geelkerken dan herinnert aan Art. 7 der Geloofsbelijdenis en voorts een uitspraak aanhaalt van Augustinus.

De Classe oordeelt, dat hierbij moet worden uitgesproken:

a. dat de wijze, waarop Dr Geelkerken de vier punten, die zijn genoemd in de laatste vraag en die allen 17) ontleend zijn aan de zoogenaamde „coupure” van zijn preek, bespreekt, in strijd is met den ernst van de zaak, waarover het hier gaat en dicht grenst aan profanatie, op welk spoor hij niet mag gevolgd worden;

b. dat Dr Geelkerken de gestelde vraag niet rechtstreeks beantwoordt, maar alleen zegt, dat wij bij al die bijzonderheden Goddelijke mededeeling hebben van werkelijkheid, zelfs van de hoogst denkbare werkelijkheid, maar dan ook van een werkelijkheid, die in hare volheid ons intellectueel begrijpen ten eenen male te boven gaat.

Hierbij rijzen onderscheidene vragen:

Waarom gebruikt Dr Geelkerken het enkelvoud „werkelijkheid” en niet het meervoud „werkelijkheden,” terwijl toch sprake was niet van een enkel feit maar van onderscheidene feiten?

Wat bedoelt Dr Geelkerken als hij blijkbaar verschil maakt tusschen „werkelijkheid” en „de hoogstdenkbare werkelijkheid”?

Wat is de bedoeling van zijn zeggen, dat „deze werkelijkheid in haar volheid ons intellectueel begrijpen ten eenen male te boven gaat”? Ligt daarin, dat wij geen begripmatige kennis van hetgeen Gen. 3 ons mededeelt kunnen verkrijgen?

Zoo doet dit deel van het antwoord van Dr Geelkerken onderscheidene vragen rijzen;

c. Dr Geelkerken zegt, dat hij er niet aan denkt, hetgeen in 1-4 van vraag 6 genoemd wordt, te ontkennen, maar hij geeft geen antwoord, of het voor hem vaststaat, wat in die punten hem is voorgelegd. Het gaat niet over de vraag, of hij hetgeen in die punten is genoemd, ontkent, want dan ware de zaak beslist, maar of hij ze erkent. En dat juist zegt Dr Geelkerken niet.

Ook het antwoord op de laatste vraag is mitsdien ten eenen male onvoldoende.

Wat Dr Geelkerken hier uitspreekt beroofd 18) het antwoord op de eerste vraag geheel van zijn betrekkelijke waarde, weshalve Dr Geelkerken zich hierover nader zal hebben te verklaren;

d. dat ook de Classe aan de wetenschappelijke exegese, mits zij de Schrift erkent als Gods Woord, volle vrijheid wil laten om den zin van Gods Woord na te speuren. Maar hierbij moet toch met nadruk erop gewezen, dat de beantwoording van de vragen, die aan Dr Geelkerken zijn voorgelegd, niet afhangt van het resultaat van exegetisch onderzoek, maar geheel beheerscht wordt door het confessioneel standpunt, dat men tegenover de Schrift inneemt. |31|

Het staat niet aan de exegese om uit te maken:

of God aan Adam werkelijk het proefgebod gaf, zooals Genesis 2 vers 16 en 17 ons meldt, of niet;

of de boom der kennis des goeds en des kwaads en de boom des levens werkelijke, door God aangeduide boomen zijn geweest, of niet;

of een werkelijke slang werkelijk tot de vrouw heeft gesproken en dat eerst de vrouw en daarna Adam werkelijk van de vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads hebben gegeten, of dat dit anders moet worden verstaan. De werkelijkheid dezer dingen staat voor wie Gereformeerd denkt en gelooft volkomen vast en is ook confessioneel vastgelegd in Art. 5 onzer Geloofsbelijdenis.

Het is dan ook onjuist, dat Dr Geelkerken bij dit punt verwijst naar Art. 7 der Geloofsbelijdenis en zich beroept op een uitspraak van Augustinus.

Deze verwijzing en dit beroep zou 19) juist zijn, indien het alleen ging over de exegese van een of ander schriftwoord 20), maar is geheel misplaatst, waar het gaat over de vraag, of de gebeurtenissen, die in Gen. 1-3 ons gemeld worden, ook werkelijk alzoo zijn geschied.

Het antwoord van Dr Geelkerken in zijn geheel overziende, acht de Classe, en zij spreekt dit uit met diep leedwezen, de door Dr Geelkerken gegeven beantwoording der vragen onbevredigend en besluit zij, opnieuw een nader onderzoek in te stellen.

De zaken, waarom het hier gaat, zijn hoogst ernstig.

Vooreerst raakt het hier de vraag, of onze Geloofsbelijdenis ruimte laat voor het gevoelen, dat we in Gen. 1-3 hebben te doen — niet met zuivere historie — maar met een historische inkleeding, waarbij het aan de wetenschappelijke exegese zou blijven overgelaten om uit te maken, in hoever hetgeen daar verhaald wordt, ook metterdaad historisch werkelijk en alzoo is geschied.

Naar het oordeel van de Classe staat het antwoord op die vraag volkomen vast. Wie er aan twijfelt, of de gebeurtenissen, die Gen. 1-3 ons meldt, eigenlijk wel waarlijk zouden zijn gebeurd, gelijk ze ons door Gods Woord zijn geboekt, die raakt in strijd met Art. 5 onzer Geloofsbelijdenis, want hij gelooft niet „zonder eenige twijfeling wat daarin begrepen is.”

Maar veel ernstiger is nog, dat wie verschil van meening toelaat, of wij in Gen. 1-3 hebben te denken aan zuivere „historie of historische inkleeding” zich schuldig maakt aan aanranding van Gods Woord. Want al zou het in het afgetrokkene nog een vraag kunnen zijn, of de Heere ons in Gen. 1, 2 en 3 slechts in den vorm van een historische inkleeding de feiten van schepping en zondeval heeft medegedeeld — wat moet worden ontkend — dan nog zou men met andere plaatsen uit Gods Woord in strijd komen. Gelijk reeds werd herinnerd, leert ons de H. Schrift in 2 Korinthe 11 vers 3 en 1 Tim. 2 vers 13, dat we Gen. 3 als zuivere geschiedenis hebben te verstaan.

Wie ruimte wil laten om Gen. 3 ook te mogen opvatten „als historische inkleeding”, behoort eerst een streep te halen door 2 Korinthe 11 vers 3 en 1 Tim. 2 vers 13.

Het gaat hier waarlijk wel om het gezag van Gods Woord. |32|

En ten slotte moet er met allen nadruk en ernst op worden gewezen, dat wie eenmaal de zuivere historische werkelijkheid loslaat van de gebeurtenissen, zooals de Heere ons die in Gen. 1-3 verhaalt, alle vastheid kwijt raakt en het ernstige gevaar beloopt, dat hij almeer de historische werkelijkheid loslaat van de dingen, die de Schrift ons als geschiedenis meldt, totdat het ten leste zelfs een vraag wordt of de vleeschwording des Woords en de kribbe van Bethlehem en het kruis van Golgotha en de Opstanding van Christus uit het graf wel historische werkelijkheden zijn.

Wie eenmaal den voet zet op dezen weg, betreedt een hellend pad, waarvan het eind niet is te voorzien.


Nu is het verre van de Classe, dat zij Dr Geelkerken zou willen beschuldigen, dat hij op dezen weg staat. Zij hoopt, dat het niet zoo zal zijn.

Maar het antwoord door Dr Geelkerken gegeven, laat toch voor deze afwijking maar al te zeer ruimte. Daarom is het noodig, dat er klaarheid komen.

Dat is noodig ter wille van Dr Geelkerken zelf. Er mag niet de minste aanleiding overblijven voor eenige verdenking.

Dat is noodig voor de Kerk van Amsterdam-Zuid, opdat de rust in die Kerk wederkeere en men wete, of deze Dienaar afwijkt van de Belijdenis onzer Kerken of niet.

Dat is noodig voor onze Kerken in Nederland tot behouding van de eenheid en de zuiverheid der leer.


Mitsdien besluit de Classe aan Dr Geelkerken met volledige mededeeling van dit rapport thans de volgende vragen voor te leggen, waarbij zij uitspreekt van hem een categorisch antwoord op elke vraag afzonderlijk te verwachten:


1. Verwerpt Gij elke voorstelling, waarin alles wat in Genesis 1, 2 en 3 ons betreffende de schepping en den zondeval is medegedeeld niet als zuivere historische werkelijkheid wordt opgevat?


2. Gelooft Gij, dat God aan Adam werkelijk het proefgebod gaf, zooals Genesis 2 vers 16 en 17 ons dit als historisch feit mededeelt?


3. Gelooft Gij, dat de boom der kennis des goeds en des kwaads een werkelijke, door God zelf aangeduide boom is geweest?


4. Gelooft Gij, dat de slang, waarvan Genesis 3 ons spreekt een werkelijke slang is geweest; dat zij werkelijk tot de vrouw heeft gesproken, en dat eerst de vrouw en daarna Adam werkelijk van de vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads hebben gegeten?


5. Gelooft Gij, dat de boom des levens eveneens een werkelijke, door God zelf aangeduide boom is geweest?




1. Deze stukken hoop ik — evenals mijn beroep tegen de handelingen der Classis Amsterdam op de Particuliere Synode van Noord-Holland — te zijner tijd te publiceeren.

2. Zie mijn vorige brochure, sub II.

3. Bedoeld zijn de zes vragen, opgenomen in mijn vorige brochure: „Vragen enz.” sub II. G.

4. In de Acta der Generale Synode van Leeuwarden staat t.a.p. menschheid. G.

5. T.a.p. staat dit en niet. G.

6. T.a.p. staat niet: dus, maar: d.w.z. G.

7. Lees: historisch. G.

8. Lees: naar. G.

9. Lees: moeten. G.

10. Lees: antwoordt. G

11. Dit „ziet” kan moeilijk juist Zijn. De door de Classis gebruikte vertaling heb ik niet bij de hand. Doch in de Latijnsche uitgave van Calvijns Commentaar op Genesis (J. Calvini Commentarii in primum librum Mosis, vulgo Genesin, Ed. J.J. Schipperi, pag. 18) staat „sibilat”, wat niet: ziet, maar: sist beteekent. G.

12. Lees: dan. G

13. Lees: historistische. G.

14. Lees: ongemotiveerden. G.

15. Lees: ideen. G.

16. Dit citaat is lang niet letterlijk. Verg. mijn Vragen, enz. blz. 19. G.

17. Lees: alle. G.

18. Lees: berooft. G.

19. Lees: zouden. G.

20. Lees: Schriftwoord. G.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001