De feitelijke toestand van Christendom en Kerk in Nederland.

Toespraak gehouden den 6den December 1865, bij het neerleggen van het rectoraat der Theologische School te Kampen

door H. de Cock

Te Kampen, bij S. van Velzen, Jr. 1865

a



Ps. 90 : 8
Gebed.
Gelezen 1 Thess. 2.
Ps. 68 : 8.



Zeer Geachte Hoorders!



Wij leven in den tijd van vooruitgang, den tijd van stoom. Alles is in eene rustelooze beweging. Gebeurtenissen waartoe vroeger tientallen van jaren noodig geacht werden volgen elkander thans op in bijna even zoo vele maanden of weken.

Dit geldt vooral ook op het gebied waarop wij ons bewegen, het gebied n.l. der godgeleerdheid. Aan den eenvoudigen Christen, die in zijn bidvertrek zich terugtrekt, gaat dit ongemerkt voorbij, doch elk, die eenigermate bekend wordt met hetgene rondom hem in de kerk en in de wereld plaats vindt, slaat het met bekommering gade.

Alles heeft een vaart aangenomen die, wanneer zij eene het Christendom gunstige richting ware, ons mocht doen hopen, dat weldra al de volkeren zich voor het kruis zouden buigen, — doch thans ons bekommerd kan doen vragen: wordt het Christendom niet met den ondergang bedreigd?

Voor ongeveer twintig jaren werd door een hoogleeraar aan een onzer landsacademiën het Evangelie „een wespennest vol fabelen” genoemd, en van het Christendom gezegd, „dat het zijn val naderde.” Dit verwekte toen nog algemeene verontwaardiging; eene verontwaardiging, die op verschillende wijze openlijk zich uitte. Thans evenwel hoort men die gedachte door velen uitspreken; door philosophen en natuurkundigen niet slechts, maar zelfs door leeraars en hoogleeraren, wier roeping het is het Evangelie der zaligheid te prediken. |4|

Een strijd van het Paganisme tegen het Christendom wordt er gevoerd, ook in ons vaderland.

Er wordt, ja ook nog gestreden voor en tegen bijzondere dogmata, maar de groote strijd is tegen het Christendom zelf, en voor het Christendom is het de vraag van te zijn of niet te zijn.

Gij zijt van dien strijd niet vreemd. Gij weet dat wat wij gewoon zijn ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof te noemen, aan verschillende aanvallen is blootgesteld.

Naar aanleiding van, en met het oog op dien strijd heb ik mij voorgenomen thans tot u te spreken over:


den feitelijken toestand van Christendom en Kerk in Nederland.


Christendom en Kerk zijn benamingen, die, in den loop der eeuwen ontstaan, eene meer of minder beperkte beteekenis hebben. Men kan er attributen als die van waarachtig of wezenlijk Christendom en ware Kerk aan toekennen en dus het begrip beperken, doch ook zonder deze er van spreken en het nemen in den ruimsten zin.

Bij de beschouwing van den feitelijken toestand mogen wij aan geene beperking der begrippen denken, maar zijn verpligt in den meest uitgebreiden zin er van te spreken. En alzoo staat het begrip Christendom en Kerk tegenover Heidendom, Jodendom en Mahomedanisme.

Voor alles zal het noodig zijn de gronden op te geven waarop deze opvatting rust.

Het Christendom is zijn oorsprong niet verschuldigd aan eene vrijwillige verbintenis der menigte onderling, maar het heeft zijn oorsprong van God. De Messias, de Heiland der wereld werd gezonden tot de Joodsche natie. Uit de Joden voortgekomen, zooveel het vleesch aangaat, was hij onder hen werkzaam en zocht hen bijeen te vergaderen. Door enkelen aangenomen, doch door de natie als zoodanig verworpen, beval hij zijnen jongeren de volkeren tot zijne |5| discipelen te maken, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Het geloof in Zijnen naam werd het middel tot eene persoonlijke vereeniging met Hem; de doop het middel tot de opname in het Christendom, de Kerk. Was iemand een geloovige zonder gedoopt te zijn, hij kon niet gerekend worden tot de kerk te behooren; was iemand een gedoopte zonder een geloovige te zijn, hij stond wel voor de Kerk als een harer leden en behoorde tot het Christendom, maar de zegeningen, die alleen door de persoonlijke vereeniging met den Heer der Kerk verkregen worden, werden niet zijn deel. Is het nu door de toediening van den Christelijken doop dat iemand der Kerk en het Christendom wordt ingelijfd, dan strekt zich het Christendom en de Christelijke kerk ook zoover uit, als bij de doopsbediening het wezen van de instelling van Christus niet is te niete gedaan; en elk, die den Christelijken doop heeft ontvangen, behoort tot het Christendom, tot de Kerk. Het is in dit opzicht met de Christelijke Kerk even als met de Israëlitische Kerk in de dagen des ouden Testaments. De geboorte uit Abraham gaf het recht tot de besnijdenis en bracht zelfs onder de verplichting om besneden te worden. De besnedenen, al de besnedenen behoorden tot de Joodsche natie. Geen afval, geen ontrouw van hunne zijde kon Gods verbond, zijne trouwe te niete doen. Het sacrament hun van God gegeven, konden zij door afval en ongeloof niet vernietigen. Zelfs in de dagen van den grootsten afval sprak Jehova tot hen, als tot zijne kinderen, was het dan ook als tot afkeerige kinderen. Zoo ook thans. Geboorte uit Christen ouders brengt in betrekking tot het Christendom, tot de Kerk, geeft recht op den doop en brengt zelfs onder de verplichting er van.

Was nu niet elk besnedene, die naar het vleesch uit Abraham was voortgekomen een wáár Israëliet, noch elk besnedene, een besnedene des harten, ook onder de christenen zijn niet allen, uit christen ouders geborenen waarlijk Christenen, noch alle gedoopten de door den doop |6| beteekende zaak deelachtig. Ook kan een gedoopte, even als een besnedene, een afvallige worden, hij kan God en Christus verzaken, maar zijne ontrouw kan onmogelijk het verbond, de trouw des Heeren vernietigen. En dewijl de inlijving in de Christelijke Kerk, in het Christendom geene verordering is van menschen, maar eene ordening Gods, zoo kan ook geen mensch de waarheid van die ordening te niete doen.

Laat ons nu den feitelijken toestand van dit Christendom in ons land trachten te beschouwen.

Er was een tijd dat onze natie eene Christelijke Protestantsche natie kon worden genoemd. Die tijd is echter voorbij. Thans kan het slechts de vraag zijn of zij eene Christelijke mag worden genoemd. En het antwoordhierop zal verschillend zijn naarmate gij de vraag beschouwt.

Wilt gij een antwoord uit de openbaarwording der natie in het leven, dan zeker is het ontkennend. Verlangt gij het met het oog op de belijdenis der Christelijke waarheid, ook dan kan het niet bevestigend zijn. Maar zoekt gij het, waar gij het alleen zoeken moogt, in de feitelijke betrekking, waarin verre het grootste gedeelte der natie tot het Christendom staat, dan mag het niet anders dan bevestigend zijn. Onze natie is voor verre het grootste gedeelte eene gedoopte natie, en gelijk in de dagen des ouden Testaments al de besnedenen tot de Israëlieten gerekend werden, de afgodische Israëlieten niet minder, dan die van het rijk Juda, zij die leefden in de dagen van den goddeloozen Achab evenzeer als die van de dagen van Hiskia en Josia, — zoo ook onder ons.

Een leven in de zonden, een verlaten van de waarheid, een dienen van de afgoden kan eene gedoopte natie den naam van Christelijke natie wel onwaardig maken, maar kan de betrekking, waarin zij door den doop tot God kwam, zoo min te niete maken of van de verplichting om God te dienen ontslaan, als de verwerping van den |7| Messias heeft kunnen verhinderen dat de Joden kinderen des koningrijks waren.

Bij de beschouwing nu van den feitelijken toestand van Christendom en kerk in Nederland ontmoeten wij al dadelijk twee groote afdeelingen, die wij Juda en Israël zouden mogen noemen. Ik meen het Protestantisme en het Catholicisme of Romanisme, dat misschien juister het UItramontanisme genaamd worden moet. Spreken wij eerst met een enkel woord over de laatste.

Wij kunnen hier kort zijn. Gelijk in Israël de kalverdienst onveranderd bleef, zoo is het ook met Rome. Sedert de hervorming der zestiende eeuw is er geene verandering ten goede. In het jaar 1854 is er zelfs eene groote schrede voorwaarts gedaan om schepselvergoding te bevorderen door de vaststelling van de immaculata conceptio van Maria. Het innerlijke wezen van Rome is evenwel hetzelfde als in de zestiende eeuw, en het zoekt in ons land te heroveren, wat het toen heeft verloren. Met de wederinvoering van de bisschoppelijke hierarchie in 1853 is hiertoe eene stoute poging gedaan, die in vele opzichten uitnemend is geslaagd. De godsdientelooze scholen, de algemeen materialistische en pantheistische richting van den tijdgeest, die positief het Protestantisme tegenwerken, zijn negatief ten gunste van Rome, dat door jezuïtische zendingen, oprigten van scholen, inzonderheid scholen van vrouwelijke handwerken, en kinderbewaarscholen, inrichtingen van liefdadigheid en dergelijke, behendig gebruik weet te maken van en zijn voordeel te doen met den godsdienstigen en maatschappelijken toestand van ons volk. Over het geheel ziet het zijne pogingen met den besten uitslag bekroond, en terwijl het zielental steeds toeneemt, zijn de leden meestal slaafsch onderworpen aan het gezag eener kerk, die in den paus haar middenpunt en in de vereering van Maria hare kroon vindt!

Moeijelijker is het den toestand van de andere afdeeling, die wij bij Juda kunnen vergelijken, u te schetsen. Sedert de hervorming toch vinden wij in ons land verschillende |8| afdeelingen onder de Protestanten, waarvan sommigen vijandig tegenover elkanderen stonden, doch anderen vriendschappelijk nevens elkanderen. Deze verschillende afdeelingen bestaan ook nu nog en zijn zelfsvermeerderd. Over het geheel is evenwel de strijd der kerkgenootschappen opgeheven; de hoogten der kerkmuren zijn veelal afgebroken, en men ziet mannen van verschillende afdeelingen dezelfde kansels betreden. Een lieflijke vrede schijnt de plaats van den vroegeren strijd ingenomen te hebben. Indien men nog vasthoudt aan hetgeen de verschillende geloofsbelijdenissen kenmerkt, dan is het toch met verdraagzaamheid jegens andersdenken.

Maar die verdraagzaamheid is ontaard in onverschilligheid. Terwijl men te recht inzag dat wat de geloovige Christenen, de ware Protestanten scheidde, niet van zooveel gewicht was als dat wat hen vereenigde, is men sedert lang begonnen het waarachtig belang, het wezenlijk gewicht der leerstellingen in het algemeen te bestrijden en te loochenen.

Geen dogma, zoo heette het, geene aankleving van eenig dogma brengt ons in den hemel.

Maar dit dogma, want dit werd het op zijn beurt, zoo geheel waar op zich zelven, werd schandelijk misbruikt en tevens gebezigd ter bestrijding van alle dogmata, die het Protestantisme, het Christendom kenmerken. Reeds meer dan eene halve eeuw zijn wij er aan gewoon geworden door Gereformeerde leeraren de voornaamste leerstukken der Gereformeerde Kerk, en door Protestantsche leeraars in het algemeen de grondwaarheden van het Protestantisme te zien bestrijden. Werd in vroegere eeuwen die strijd veelal gevoerd in eene voor het volk onbekende taal, ook dit is veranderd en de Christenheid is aan dien strijd gewoon geworden.

Boeken, brochuren, tijdschriften, nieuwsbladen, verschillende vereenigingen, kansels, alles — alles is dienstbaar gemaakt om de stelling: God zal eenmaal niet vragen „wat|9| gij hebt geloofd, maar „hoe” gij hebt geleefd, ingang te doen vinden.

Eene schoolwet, die geen onderwijs in de godsdienst, maar alleen eene opleiding tot maatschappelijke en Christelijke deugden voorschreef, eene maatschappij die zich eene Maatschappij „tot Nut van ’t algemeen” noemde; een Synode, die feitelijk de leeraars ontsloeg van de verplichting om te leeren en te prediken overeenkomstig de formulieren der Kerk; en eindelijk de vrijheidsgeest van Frankrijk tot ons overgewaaid, waren als zoo vele middelen om onze natie voor die leer ontvankelijk te maken, voor zooverre dit niet reeds door eene doode rechtzinnigheid en de onvruchtbare scholastiek eener vorige eeuw was geschied. De vrijheidsgeest, ook op godsdienstig en kerkelijk gebied doorgedrongen, gedoogde geene verbindende kracht van geloofsbelijdenissen, en weldra moest ook het gezag der H. Schrift plaats ruimen. Alleen aan de woorden van Jezus werd nog gezag toegekend, doch ook hun werd weldra dit gezag ontnomen. De critiek toch, de historische critiek, zoo het heette, had nog niet beslist welke woorden door de Evangelisten ons als woorden van Jezus opgeteekend, werkelijk door Hem waren gesproken. Daarenboven was het niet mogelijk dat eenig woord, hetzij geschreven of gesproken, een normatief gezag zou kunnen hebben voor den mensch, die in zijn eigen geweten kenbron en toetsteen der waarheid vond. Bij dit alles kwam de onmiskenbare materalistische richting van den tijd, waartoe verschillende factoren moesten bijdragen. De jaarlijks toenemende heerschappij van stoffelijke belangen, de steeds vermeerderende verachting van alle ideale levensgoederen en een streven naar bezit en genot, — zietdaar, wat wij als factoren van den heerschenden tijdgeest zouden kunnen noemen. Een geest, toehoorders, die de godsdienst des harten verbant, voor huiselijke godsdienst geen plaats of tijd over heeft en van de openbare godsdienst slechts zoo lang en zoo veel gebruik maakt, als dit uit kracht van opvoeding of algemeene gewoonte noodig geoordeeld wordt. |10|

Geen wonder dan ook dat de kerkgebouwen op vele plaatsen weinig bezet zijn, en daarentegen societeiten, herbergen, plaatsen van openbare vermakelijkheden, huizen van ontucht en dergelijke druk worden bezocht; geen wonder, zeg ik, dat alleen stoffelijke belangen en zinnelijke genoegens de menschen in beweging brengen en men alleen dan in betrekking tot de godsdienst zich tot belangstelling en strijd geroepen acht, waar eene leer wordt verkondigd, die ontkent dat in stoffelijke welvaart en louter zingenot het hoogste geluk van den mensch gelegen zou zijn; die predikt dat God en niet de mensch het voorwerp is van aanbidding en dienst.

Ik noemde daar eene prediking die aan den heerschenden tijdgeest tegenover staat. En ja, tot roem van de genade onzes Gods mogen wij het zeggen, er is ook in Nederland nog een overblijfsel naar de verkiezing dat in bijbelmiskenning en Godverzaking niet medegaat; dat nog altoos dien ouden bijbel, als de openbaring Gods, en den God des bijbels, als den God des hemels en der aarde, den Vader der barmhartigheid en den God aller genade erkent. Er is voor meer dan dertig jaren onder Nederlands Protestantsch Christendom een geest ontwaakt van vernieuwde belangstelling in de leer der H. Schrift, die een strijd tegen den afval in het leven heeft geroepen die tot op dezen dag niet is geëindigd, maar thans in hevigheid die van vorige jaren verre overtreft. De duizendtallen zijn nog aan te wijzen, verspreid in al de verschillende kerkgenootschappen, die voor den Baal van onzen tijd de knie niet hebben gebogen of nu niet meer buigen; mannen ook van aanzien en geleerdheid, die als weltoegeruste strijders, den strijd voeren tegen den afgod der eeuw; en die den smaad dezer wereld eene eere Christi zich rekenen. In bijna alle standen en kringen, in maatschappij en Kerk beide worden er gevonden die, door liefde tot den Heere gedrongen, voor Hem getuigen, en spreken omdat zij geloofd, hebben.

Bij overeenstemming in den strijd tegen den |11| gemeenschappelijken vijand, het ongeloof van onzen tijd, bestaat er onder dezen evenwel eene groote verscheidenheid en zelfs verschil van meeningen, waardoor, wij mogen het niet verzwijgen, de wapenen niet zelden tegen elkanderen worden gekeerd. De meest verschillende gevoelens worden voorgestaan en verdedigd. Men zou bijna, zoo niet geheel, kunnen zeggen dat al de afdwalingen, die sedert de Hervorming in de Protestantsche Kerk zijn ontstaan, thans hunne vertegenwoordigers vinden onder hen, die den het Christendom vijandigen tijdgeest tegenstaan en bestrijden. Hieruit is eene verwarring ontstaan die, zoo zij niet in eene hoogere eenheid zich oploste, groot genoeg schijnt om dit strijdend leger zich zelven te doen vernietigen. Maar die eenheid bestaat! Onder allen strijd toch wordt het openbaar dat niemand van hen, die door den Geest Gods spreken, Jezus eene vervloeking noemt.

Tot die strijders te behooren, en met hen te strijden tegen den geest des tijds en voor den Heere en Zijnen Gezalfden, rekenen wij ons eene eere, groot genoeg om den smaad der vijanden te verduren. En ik denk niet buiten mate te roemen, wanneer ik beweer dat het de kroon is van onze Kerk en van deze school dat zij, bij al het gebrek dat haar aankleeft, in het kruis van Christus alleen roemt.

Heffen wij de belijdenis der aloude gereformeerde Kerk als onze banier omhoog, het is immers om geene andere reden, dan omdat wij er van overtuigd zijn, dat die belijdenis gegrond is op het woord onzes Gods; bestrijden wij hen, die in leer of praktijk daarvan afwijken, het is omdat wij, wetende wat wij gelooven, vreezen door allerlei wind der leere te worden omgevoerd, en omdat wij wenschen ook anderen dien weg der waarheid te doen bewandelen.

Doch ik sprak nog niet van de groote verwarring die er heerscht op zuiver kerkelijk gebied. En gaarne zweeg ik hiervan geheel omdat een christen, een waar christen te zijn en dus lid te wezen van de algemeene, Christelijke |12| Kerk, die naar haar innerlijk zijn verborgen is, voor het oog der wereld meer is dan uitwendig lid te zijn van, eenig kerkgenootschap, welk dan ook. Maar de Christelijke Kerk, dat verborgen ligchaam des Heeren wordt openbaar in de wereld. En, nu dat verborgen ligchaam zijne leden verspreid heeft in misschien al de kerkgenootschappen der Hervorming in ons vaderland (van Rome spreek ik niet), nu kan en mag bij de beschouwing van den feitelijken toestand ook hiervan niet geheel worden gezwegen. Zonder op dit oogenblik ons eigen kerkelijk standpunt te willen, verdedigen, wijs ik er u op, dat er velen zijn die het heil zoeken in een voor als nog kerkelijk vereenigd blijven, zelfs met de stoutste ongeloovigen; anderen, die buiten elke kerkelijke vereeniging, zich aansluiten aan allen, die zij Christenen achten; nog anderen, die van allen kerkgenootschappelijken band ontslagen, zelfstandige gemeenten oprigten en op zich zelven werken met of zonder eene bepaalde belijdenis — terwijl wij, staande op den grondslag der Hervorming, èn in de leer èn in de regering der kerk ons aansluiten aan de van ouds gereformeerde kerk in Nederland. Geen wonder dan ook dat zelfs geloovigen elkander bestrijden en elkanders werkzaamheden tegenstaan, en dat de groote zaak, de zaak des Heeren, die allen zoeken te bevorderen, hierdoor groote schade lijdt.


Trachtte ik nu alzoo in ’t kort den feitelijken toestand van Christendom en Kerk in Nederland te schetsen; — thans wil ik de vraag: welke is de verwachting, die wij van hare toekomst mogen koesteren? een oogenblik met u bespreken.

Gij stemt het mij toe, wanneer ik beweer dat de geschiedenis van het Christendom in ons vaderland, van geen tijdperk melding maakt, waarin een strijd als de tegenwoordige werd gestreden. Wel kent de geschiedenis onzer vaderlandsche Kerk een hevigen strijd voor en tegen hoogstbelangrijke leerstukken des geloofs, maar er was |13| geen tijdperk dat er in het Christendom zelf tegen zijn bestaan gestreden werd. Nooit ook werd het kerkelijk leven zoo met volkomene vernietiging bedreigd, als dit thans het geval is.

En die tijdgeest, toehoorders, waartegen Christendom en Kerk thans hebben te strijden is machtig en werkt langs verschillende wegen, met zeer krachtige middelen.

Het is de geest der eeuw die alle rangen en standen in de maatschappij heeft bezield, zich heeft meester gemaakt van bijna alle inrichtingen van het hooger, middelbaar en lager onderwijs, en beheerscht zoowel de staatkunde der vorsten, en der grooten, als het maatschappelijk en huiselijk leven der onderdanen. Die geest is vooral daarom zoo machtig omdat hij geheel in overeenstemming is met het menschelijk hart, dat zelfs in zijn bedenken vijandschap tegen God is en zich der wet Gods niet onderwerpt.

Welke verwachting kunnen en mogen wij dan van de toekomst koesteren? Gij noemt mij zeker geen pessimist, wanneer ik het woord van den hoogleeraar, wien ik straks noemde, het mijne maak en zeg: het Christendom moet vallen — indien namelijk het Christendom is uit de menschen. Het voordeel is, indien de stichter des Christendoms slechts een schepsel is, zoo beslist aan de zijde onzer bestrijders, dat zijn bestaan al zieltogende gerekt mag worden, maar toch onmogelijk kan blijven voortbestaan. Doch Gode zij dank! het Christendom is niet uit de menschen, zijn stichter, de stichter van de christelijke kerk is niet een bloot mensch, geen schepsel zelfs, maar het eeuwige Woord van den eeuwiglevenden God, die door dit Woord alle dingen heeft geschapen. Hij, wien wij als de Heer der gemeente erkennen, is de zoon van Maria, de door de Joden aan het kruis genagelde Jezus van Nazareth, dezelfde die ten derde dage opgestaan is uit den dooden, en als de door God gezalfde Koning over Sion, leeft en regeert in eeuwigheid. |14|

Daarom is de zaak des Christendoms Zijne zaak, die strijd, Zijn strijd, en zal Hij het woord bevestigen: de poorten der hel, zullen mijne gemeente niet overweldigen. Doch ik zou bijna vergeten dat ik spreek over den toestand van Christendom en Kerk in Nederland. De beloften toch aan de gemeente in het algemeen gegeven en nu reeds meer dan achtien eeuwen bevestigd, zegt niet dat de Heere aan elke plaats of in elk land, waar ooit het Christendom werd gevestigd, altoos het Christendom zal bewaren. Bijzondere plaatsen, geheele landen en volkeren kunnen verliezen, wat zij eenmaal hebben bezeten, zonder dat daarom de belofte des Heeren wordt te niete gedaan. Ook van ons land zou de kandelaar weggenomen kunnen worden, zonder dat de Heere ontrouw werd aan Zijn woord. Welke is dan de verwachting die wij mogen koesteren? Toehoorders, de geest, die in ons land het Christendom bestrijdt, is de het Christendom vijandige geest, die in de geheele wereld is uitgegaan en allerwege het Christendom dreigt met ondergang en vernietiging. Ziet rondom u en gij ziet in Duitschland mannen als Strauss, in Frankrijk Renan’s, in Engeland Colenso’s, gelijk hier Opzoomers’s, Pierson’s en anderen. De strijd in ons vaderland is de strijd, die thans, door het Christendom in geheel de wereld wordt gestreden. Daarom ook spreek ik van de verwachting van het christendom in ons land, als van die van het Christendom in ’t algemeen. Wat God zou kunnen doen, en zou kunnen doen voor ons land in ’t bijzonder, weet ik niet, maar kan toch niet gelooven dat de vijand hier meer dan in andere landen overwinning zal behalen. Gelijk de Heere tot nog toe mannen heeft verwekt die voor Hem getuigen, zoo zal Hij dit ook nog verder doen, en Zijne belofte zal zich bevestigen dat waar de vijand aankomt als een stroom, de Geest des Heeren daarentegen de Banier zal oprichten.

Is de Heere niet alreede begonnen dit te doen? Staat niet onze kerk met hare honderdtallen leeraars en hare |15| duizendtallen leden, en deze school met hare tientallen studenten als een bewijs van de zorge des Heeren? Is niet de ijver van velen om de jeugd aan het erger dan godsdienstelooze onderwijs te ontrukken, een krachtig getuige voor den Heere? Worden er niet, meer en krachtiger dan in vorige jaren, getuigen gehoord, zelfs aan onze landsacademiën? Zijn er niet meer dan in vroegere jaren leeraars, die zich het Evangelie van Christus niet schamen?

Miskenne wie wil en durft al dit goede, ons zijn het verschijnselen, waarvoor wij den Heer wenschen te danken en die ons hoop geven ook voor de toekomst. Wel verwachten wij dat het meer en meer de tijd wordt, dat, indien het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen zouden verleid worden, maar ook dit doet ons hopen, dat die dagen verkort zullen worden. Langs welken weg de verlossing van den strijd aan de gemeente zal worden geschonken, welke middelen de Heere daartoe zal gebruiken, of niet misschien eene groote, algemeene verdrukking het deel zal worden van allen, die het Christendom blijven erkennen uit God te zijn, — dit weten wij niet, maar dat de Heere zijne hulp zal doen blijken, dit is zeker. Ook in dit opzicht is onze verwachting gegrond op het woord van onzen Jezus, die gezegd heeft en reeds achtien eeuwen het heeft bevestigd: „Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld.”

Betrekkelijk de verwachting voor Christendom en Kerk kan evenwel onze gedachte verschillend zijn, zij kan meer of minder gunstig, meer of minder gegrond wezen, wij willen hierover niet gaarne strijd voeren. Er is eene andere vraag waarbij ik nog een oogenblik stil wil staan, eene vraag waarbij wij allen het hoogste belang hebben, de vraag namelijk: welk is nu onze roeping?


Wij menschen zijn gewoon te berekenen en trachten van alles de gevolgen en de uitkomst te kennen. Voor den Christen past die berekening niet. Hij heeft slechts |16| te zien op de bevelen zijns Heeren om die te volbrengen, en kan dan onbekommerd de uitkomst aan den Heere overlaten. Indien wij waarlijk Christenen zijn, dan is de strijd des Christendoms ook onze strijd. De vijand der gemeente, dus ook onze vijand, staat met een uitgetogen, scherp gewet zwaard. Strijdlustig als hij is, treedt hij ons overal in den weg en geen Christen kan zijne aanvallen ontgaan. Het behoort daarom tot onze roeping te trachten dien vijand te kennen, te weten welke wapenen hij bezigt en op, welke wijze hij er gebruik van maakt. Maar dan ook is het noodig te weten welke wapenen tegen hem gebruikt kunnen worden, en hoe die wapenen moeten worden aangewend. Ik vrees, dat er in onze kerk gevonden worden, die zich in beide deze opzichten te weinig hunne roeping bewust zijn. Omdat die algemeene vijand buiten ons staat, schijnen velen er zich minder om te bekommeren, en het minder of in ’t geheel niet hunne roeping te rekenen dien vijand te bestrijden. Anderen schijnen zich te bevredigen met het gebruik van wapenen, die voorheen tegen een op eene andere wijze toegerusten vijand werden gebezigd. Niet alzoo, toehoorders! Waar het Christendom wordt aangevallen, blijven wij niet bevrijd. Onze roeping is het daarom van ons christelijk geloof ons rekenschap te geven, op goede gronden van deszelfs waarheid ons te verzekeren en als wel toegeruste strijders den vijand onder de oogen te zien. Gij kunt hem niet sluiten buiten uwe woning, want hoe zorgvuldig gij ook waakt, hij dringt binnen door nieuwspapieren en in allerlei geschriften van den dag. Gij kunt hem niet afweeren van uwe kinderen, want hij maakt gebruik van elke wetenschap waarin gij hen laat onderwijzen, of hij ontmoet hen waar zij zich ook bevinden.

En evenmin kunt gij hem sluiten buiten uw eigen hart. Neen, die vijand is ons geen onbekende, hij mag daarom ook geen onbestredene blijven. Maar dan hem ook bestreden met de wapenen, die tegen zijne aanvallen geschikt zijn. |17|

Valt bij aan met het wapen dat historische critiek genaamd wordt, dan is het diezelfde critiek, maar eene zuivere, eene critiek die waardig is dien naam te dragen, die wat anders is dan gevolgtrekking uit vooraf vastgestelde en nog steeds onbewezene hypothesen, eene critiek, die aan de getuigenissen eener welgestaafde historie gehoor verleent en niet om een woord eene zaak verwerpt, die tegen hem aangewend kan en behoort te worden. Tegenover het wapen dat philosophie heet, en waardoor de mogelijkheid eener openbaring en die van wonderen wordt ontkend, kunt gij aantoonen, dat dit tot de historie behoort, en dus buiten de bevoegdheid der philosophie ligt hierover te beslissen.

Valt hij aan met het wapen van verschillende natuurwetenschappen, genaamd astronomie, geologie en de wet der continuïteit, en beweert dat het begin van uwen ouden bijbel, het verhaal der schepping, hiertegen strijdt, dan zult ge uit die wetenschappen zelve uwe wapenen moeten ontleenen, en het zal u mogelijk zijn aan te toonen dat, geen dezer wetenschappen nog iets heeft beslist ten nadeele van dat woord: „In den beginne schiep God hemel en aarde.” Dat woord onzes Gods blijft in der eeuwigheid. Te trachten dit te kennen, meer en meer het te kennen, zietdaar wat bovenal tot onze roeping behoort. Geen schikken en plooien van dat woord is ons geoorloofd; geen verwringen van dat woord ter wille van uitspraken eener zich noemende, maar nog niet bewezene wetenschap, maar ook evenmin ter wille van vroeger aangenomene en ook nu nog bestaande meeningen en begrippen. Aan dat woord ons zelven en al onze begrippen te onderwerpen, dat is roeping; en wij mogen er niet van terugdeinzen, indien het bewezen werd noodig te zijn, geheel onze dogmatiek te herzien en er alles uit te verwijderen wat door dat woord niet kan bewezen worden. Dat woord is dan ook het eerste en het laatste wapen dat in elken strijd, tegen elken aanval moet gebezigd worden. Tegen elken aanval, zeg ik, want het behoort tot onze roeping geheel de waarheid |18| onzes Gods te bewaren en te verdedigen zonder aanzien van personen. Er zijn in de gelederen van hen, die het Christendom tegen den gemeenschappelijken vijand verdedigen, met moed en bekwaamheid verdedigen, mannen, die evenzeer door ons bestreden moeten worden. Hoe pijnlijk die strijd ook wezen mag, toch mogen wij ons niet onttrekken ter liefde van eenig mensch. De waarheid, geheel de waarheid is der gemeente toevertrouwd. Daarom moeten wij strijden voor het geloof eenmaal den heiligen overgeleverd. Geen ijdel geroep van verdraagzaamheid en liefde mag ons terughouden, waar het geldt de eere Gods en die zijner waarheid. Maar in dien strijd is het onze roeping het woord des Apostels te gedenken: „hebt de waarheid en den vrede lief”, opdat wij geen ding doen door twisting of ijdele eere. En zien wij soms door sommigen Christus verkondigen uit twistinge, niet zuiver, onze roeping is het ons te verblijden dat Christus verkondigd wordt. Trachten wij slechts in de roeping door den Heere ons aangewezen getrouw bevonden, te worden en te houden wat wij hebben, dan zal niemand onze kroone ons ontnemen. En laat ons dan, mijne geliefde broeders! steeds bevonden worden standvastig te zijn, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weten, dat onze arbeid niet ijdel is in den Heere!


*

Genaderd aan het einde der taak die ik mij heb voorgesteld, ga ik over om u in het kort een verslag te geven van het merkwaardigste dat er in dit jaar heeft plaats gevonden.

Door de goede hand onzes Gods over ons, zijn wij in vele opzichten gezegend! Allen, docenten en studenten, zijn bij het leven gespaard, en mochten over het geheel ons werk ongestoord verrichten. Met ijver werd er gestudeerd, en op eene enkele uitzondering na, gaf het gedrag van allen redenen van tevredenheid en stof tot blijdschap. |19| De examina hadden een gewenschten uitslag. Elf der studenten die zich voor het litterarisch examen hebben aangeboden, zagen zich tot hoogere studiën bevorderd, terwijl de 18 die zich aan het theologisch examen hebben overgegeven, allen hunne begeerte verkregen. Van dezen hebben reeds 17 met goed gevolg het klassikale examen afgelegd en zijn op onderscheidene plaatsen in ons vaderland in de bediening des woords werkzaam.

De laatste is ook door twee gemeenten beroepen en zal zich weldra aan de klassis ter onderzoeking voorstellen.

Eén der ten vorigen jare ingeschrevenen heeft uit eigen beweging de studie laten varen; een ander is om redenen van gezondheid genoodzaakt geweest de school, zoo wij hopen, tijdelijk te verlaten; en één — ik meld dit met droefheid en smart — is door de docenten van de school verwijderd. Ik hoop echter, en voeg er dit gaarne bij, dat deze verwijdering slechts tijdelijk zal wezen.

Het aantal studenten bedraagt op dit oogenblik 50, waarvan 22 in de theologie en 28 in de letteren werkzaam zijn. Van deze laatsten zijn er 15 dit jaar ingeschreven.

Ook in onze geldelijke behoeften heeft de Heere voorzien, en wij mogen het met dankzegging erkennen dat de gemeenten over het aeheel toonen ook in hunne bijdragen, dat zij de school op prijs stellen en tevens dat door wijlen Mevr. de Wed. Zeelt ons een legaat is nagelaten van 2000.

Met dankzegging mogen wij alzoo terugzien op den afgeloopen jaarkring. En met den wensch dat de Heere de school verder onder Zijne hoede neme, in hare leeraren en kweekelingen haar zegene en haar stelle tot een uitgebreiden zegen, draag ik thans het bestuur dezer school op aan u, waarde Broeder! die volgens orde, mij ten opvolger zijt aangewezen. De Heere leide en besture u ook in dezen en verblijde ons te zamen door Zijne daden!




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004