Harm Bouwman (1863-1933)

Persoonlijk geloof en roeping, noodzakelijk voor de heilige bediening. Twee toespraken

Kampen (J.H. Kok) 1919

a





I.

Het persoonlijk geloof

noodzakelijk voor de heilige bediening


Het is mij een voorrecht in deze samenkomst, als prorector van deze Theologische School, de colleges voor den cursus 1919-1920 te mogen openen. Temeer acht ik dit een voorrecht, omdat wij bij de hervatting van onzen arbeid kunnen gewagen van rijke zegeningen.

Het is altijd een opwekkend oogenblik, wanneer wij na een heerlijken tijd van rust, verfrischt en gesterkt door wat de vacantie bood, elkander mogen weerzien, en ons opgewekt gevoelen den academischen arbeid te hervatten. Vooral mag dit thans het geval zijn, nu aangename feestdagen het vooruitzicht verhelderen, en de drukke arbeid dra zal worden onderbroken door dagen, waarin het studentencorps hoogtij hoopt te vieren. Wij mogen met een opgewekt en dankbaar hart den nieuwen cursus intreden, nu wij merken dat de Hoogeschool, aan welke wij arbeiden, onder Gods zegen zich in gelukkigen bloei mag verheugen, nu de levensvoorwaarden alleszins gunstig zijn, en het studentental gestadig wast.

Doch in de tweede plaats mogen wij het een voorrecht achten, omdat wij thans onder meer gunstige omstandigheden dan het vorige jaar de lessen mogen openen. De wereldkrijg is door Gods goedheid beŽindigd, de vrede is aanvankelijk herwonnen. En al is het aan den raad der volken te Parijs nog niet gelukt een nieuwen toestand te scheppen, waarin het leven der volken kan groeien en bloeien op een gezonden bodem, al zijn de sociale en de economische |6| toestanden ingewikkeld en moeilijk, al werken er geestelijke factoren, die soms met bange zorg vervullen, wij mogen toch met dankbaarheid opmerken, dat God de volken nog niet geheel aan de macht der zonde heeft overgelaten en dat er een streven is om het diep geschokte volkerenleven weer te doen opbloeien. Of wij wederom den tijd zullen beleven, dat vrede en gerechtigheid zullen bloeien? Zeker is het, dat de raad der volken niet het geluk zal brengen, waarvan idealistische zieners droomden, wijl het gebouw, dat men bezig is op trekken, niet op een gezonden en vasten bodem rust, wijl eigenliefde en het streven naar macht en grootheid het uitgangspunt is van alle vredeswerk, wijl rechtsverkrachting de kiem voor nieuwe oorlogen heeft gelegd.

De toekomst is weinig bemoedigend. Onrustbarende verschijnselen vertoonen zich in het leven der volken, de macht van het ongeloof wast, de golven der revolutie dreigen steeds dammen en dijken te overstroomen. Moeilijkheden rijzen op schier eik levensgebied. Wij staan voor geweldige problemen. De maatschappelijke druk tengevolge van den oorlog, de ontwrichting op sociaal en economisch gebied, de arbeidsschuwheid, de willekeur en de daarmede gepaard gaande stakingen stemmen tot ernst en bezorgdheid, die vooral daardoor zoo pijnt, omdat Gods Woord de gewetens niet meer bindt, niet meer den toon aangeeft in het leven der natiŽn.

Maar wij christenen behoeven niet bezorgd te zijn. Immers door de verwarring en de ellende heen merken wij den draad der Goddelijke leiding, die in den donker den weg wijst, en boven het woelen der volken hooren wij de stem des Almachtigen, die spreekt: „Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen”. Al moge dan soms ons hart ontroeren bij de gedachte aan het heden en de toekomst, er is geen reden voor vrees, omdat heel het wereldgebeuren is in de hand van den Almachtige, Schepper en Regeerder der wereld, die alle ding tot Zijn eer en tot het welzijn der Zijnen doet uitloopen, en dienstbaar maakt tot de komst van Zijn Koninkrijk.

Evenwel, naarmate de tijden voortschrijden, wordt de roeping der gemeente bij toeneming zwaarder. De tegenstelling met de wereld wordt steeds grooter. Het gaat in onze dagen om den grond van |7| haar geloof, om haar bestaansrecht. Het gaat er om of zij haar plaats in de wereld, haar invloed op het volksleven zal behouden, of zij zal blijven, wat zij, naar de bedoeling van Christus is, een zoutend zout en een lichtend licht, het orgaan van Christus om voor Hem het Koninkrijk te veroveren. Zal zij dat werkelijk zijn, dan moet zij niet schuw zich terugtrekken uit de wereld, maar haar plaats kennen midden in de woelige zee van het menschenieven, dan moet zij de tijden verstaan en krachtig leiding geven. Een glans van Christus’ heerlijkheid moet van haar afstralen. Trouw moet zij de banier haars Konings doen wapperen, Zijn Evangelie zuiver prediken, Zijne ontferming openbaren, de volken terugroepen tot het recht van God en verkondigen aan de wereld, dat er alleen genezing is onder de vleugelen van Christus. En zal de kerk des Heeren dat kunnen doen, dan moet zij kunnen beschikken over getrouwe dienaren, die, levend uit de gemeenschap met Christus, bezield met een krachtig geloof, overtuigd zijn, dat zij zijn gezanten van Christus, innerlijk aangevuurd om trouw de last van hun Zender te volbrengen.

In verband hiermede wenschen wij tot u te spreken over:


het persoonlijk geloof, noodzakelijk vereischte voor de heilige bediening,


en wel


met het oog op de ambtelijke bediening zelve, en

met het oog op de bezwaren aan die bediening verbonden.


De kerk van Christus is eene vergadering van geloovigen, die, gewasschen door Christus bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest, al hun zaligheid in Christus verwachten. Zij is eene gemeenschap van heiligen, niet alleen geroepen tot de verlossing en de zaligheid, door Christus voor hen verworven, en om te deelen in Zijne gunst en heerlijkheid, maar tevens om Hem te dienen en te prijzen voor de groote verlossing hun bewezen. Ja, meer nog, de kerk is het strijdend leger van Christus, waardoor Hij Zijn Koninkrijk wil doen komen. Voor dat doel heeft Hij het ambt ingesteld. „God |8| heeft om Zijne kerk te vergaderen en te organiseeren en om haar te regeeren en te verzorgen altijd dienaren gebruikt, en Hij gebruikt ze nog en zal ze verder gebruiken, zoolang de kerk op aarde zal zijn”. Zoo spreekt de Tweede Helvetische Confessie, art. 18. Christus zou Zijne kerk ook wel hebben kunnen regeeren zonder den dienst van menschen, zoodat Hij zelf onmiddellijk door de inspraak des H. Geestes Zijne kinderen leidde, maar dit heeft Hem niet behaagd. Het heeft Hem goedgedacht dat Zijn koninklijke wil door menschen te boek gesteld werd, opdat de geloovigen dien wil, in menschentaal vertolkt, altoos voor oogen zouden hebben, en door dat Woord zouden worden onderwezen, geleid, gesterkt en getroost. Om Zijn Koninkrijk te doen komen, om Zijn volk te vergaderen en Zijn eer groot te maken heeft Christus het instituut der kerk in het leven geroepen en aan dat instituut Zijne dienaren gegeven. Het doel van de kerk ligt in de vergadering der uitverkorenen, in de volmaking der heiligen, den opbouw van het lichaam van Christus en de kerstening van de wereld, Ef. 4 : 10, 11. Daarom heeft Christus gewild, dat er menschen zouden zijn, die als Zijne gezanten het Evangelie zouden brengen tot alle volken, Matth. 28 : 19, om het woord van genade en schuldvergeving aan te bieden, 2 Cor. 5 : 19; Rom. 10 : 15; om het Koninkrijk Gods voor de geloovigen te ontsluiten en voor de ongeloovigen toe te sluiten, Joh. 20 : 20, en om door dien arbeid leiding te geven aan den grooten strijd tegen Satan en zijn rijk, opdat Gods Koninkrijk kome, en eenmaal alle macht en kracht aan Christus worde onderworpen.

De taak, aan het ambt opgedragen, is: Christus te dienen in Zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk werk. En omdat het in de vervulling van de roeping gebonden is aan het Woord van Christus, is het ambt van den bedienaar niets anders dan de bediening des Woords. De prediking, de herderlijke zorg voor de leden der gemeente, de leiding, welke gegeven moet worden aan de groote actie, tot de doorwerking van de christelijke beginselen, is niets dan bediening des Woords.

De prediking des Woords is en blijft noodig, zoolang de taak, door Christus aan Zijne gemeente opgedragen om het Evangelie te |9| prediken, niet is geŽindigd. Er moeten altoos predikers zijn, omdat er altijd zondaren zijn, tot wie de roepstem der behoudenis moet uitgaan. Want „hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?” Rom. 10 : 14, 15. Voorts is het ambt noodig, omdat de kerk leiding en verzorging noodig heeft. Te midden van haar woelt en werkt de zonde. De kerk is op aarde onvolmaakt, en moet bestendig vermaand en onderwezen worden en voorbereid tot de volkomenheid. Daarvoor is ook, naast de bediening des Woords, noodig de bediening der Sacramenten, tot opbouwing in het geloof, tot versterking van de gemeenschap der heiligen. Christus zelf, die Woord en Sacrament noodig achtte voor de verzameling, onderwijzing, bemoediging en bekrachtiging der geloovigen, heeft ook de bedienaren gewild.

Het is dan ook eene bijzondere genade geweest, dat Christushet ambt heeft ingesteld. Hoe zou de gemeente den rechten weg vinden, zoo zij niet werd geleid? Hoe zou zij recht strijden, indien zij niet bekwame en geoefende aanvoerders had? Hoe zou het Evangelie blijken een kracht Gods tot zaligheid te zijn, indien er niet waren predikers van de blijde boodschap der verlossing? Om die reden moeten wij dankbaar zijn, dat de Heere in Zijne wijsheid en goedheid het ambt heeft beschikt, dat in ’s Heeren naam de schatten van Christus uitdeelt, het Woord en de Sacramenten bedient, de orde en de tucht handhaaft en de leiding geeft voor den strijd des levens. Wie bidt voor de komst van Gods Koninkrijk, dankt God voor het ambt aan de kerk gegeven.

En hierbij komt de wondere kracht, die van het ambt uitgaat. De dienaren zijn gezanten van Christus, om de boodschap des heils te brengen tot de wereld. Zij zijn uitdeelers van de verborgenheden Gods, 1 Cor. 4 : 1, van de menigerlei genade, 1 Petr. 4 : 10. Zij hebben tot taak om uit te deelen wat God hun heeft toebetrouwd, om de mysteriŽn der zaligheid in het Evangelie geopenbaard voor de menschen, in het bijzonder voor de gemeente, uit te stallen. En dit |10| houdt in, dat de dienaar trouw zich houde aan de opdracht van den lastgever, 1 Cor. 4 : 2; dat hij zich gedrage als een, die zich ten volle aan de belangen des Heeren heeft overgegeven, en die niets achter houdt van wat hem ter uitdeeling is toevertrouwd.

En hoe zal hij dat recht kunnen doen, indien hij niet uit liefde deze opdracht vervult. Immers het natuurlijk bestaan van den mensch verstaat niet de dingen, die des geestes Gods zijn, neemt ze niet aan. Hij leeft niet uit de goddelijke dingen, zijn oog is niet geopend voor de heerlijkheid der beloften Gods in Christus. Er moet aansluiting zijn aan het leven des Geestes, zullen wij de taal des Geestes kunnen verstaan en het woord des Geestes spreken. Een gezant van Christus wordt geboren, niet gemaakt. Een trouwe dienstknecht van Christus is hij, die, bezield door de liefde van Christus, spreekt de woorden Gods, met liefde vertolkt de heerlijkheid van Gods raad ter behoudenis, zůů dat het de behoefte is den mensch te brengen onder den indruk van de grootheid, de heerlijkheid, het recht en de liefde Gods, en om den weenenden zondaar te brengen aan de voeten van Christus.

Een recht prediker is niet maar iemand, die een goede boodschap brengt, maar die overtuigd is van de waarheid van het Evangelie, van de noodzakelijkheid van het geloof en de bekeering. De liefde van Christus dringt hem, opdat de menschen zouden aanvaarden het Woord, en een diepen indruk zouden bekomen van het schrikkelijke verderf buiten den gemeenschap Gods, en daartegenover van het heerlijke der verlossing in Christus en van de eeuwige zaligheid door Hem. En nu kan geen enkel mensch zijn medemensch bekeeren, het is de Geest, die levend maakt. Maar de Heere wil toch menschen gebruiken, en wel zulke menschen, die hebben leeren ervaren de waarheid van het Woord, dat zij brengen. De Geest Gods maakt de rechte bedienaars des Woords.

Want het Woord Gods bedienen is allereerst de rechte verklaring van het Woord, de vertolking van de gedachte des H. Geestes, maar dan ook de toepassing van het Woord voor de nooden des levens, opdat het worde medicijn tot uitzuivering van het kwade, voedsel voor den inwendigen mensch. De rechte bedienaar tracht |11| door te dringen tot den zin en de beteekenis van een bepaald woord Gods, in verband met geheel de Godsopenbaring; hij daalt af in den goudmijn om het erts op te delven en straks het goud te laten schitteren in het zonnelicht. Hij stelt zich niet tevreden om de voorwerpelijke gedachte van het Woord te vatten, maar hij speurt de beteekenis van het Woord voor heel het leven na, opdat het worde een levenswoord ook voor dezen tijd. En het werk des Geestes in de openbaring en in de gemeente verstaande, kan hij ook vertolken wat de H. Geest doet ervaren, zoodat Gods volk aansluiting gevoelt met den prediker naar het Woord Gods.

Om die reden is ook het persoonlijk geloof noodzakelijk vereischte voor de heilige bediening. Een prediker, die niet door het geloof Christus is ingeplant, is een instrument, dat niet den zuiveren toon laat hooren, is een gezant, die de boodschap, welke hij moet brengen, niet verstaat. Hij dient wel in het Koninkrijk Gods, maar als steigerwerk, dat, als het huis gereed is, wordt afgebroken en straks wordt verbrand. Hij verstaat niet het treuren over de zonde, de aanvechting van den vorst der duisternis, de klacht over dorheid en donkerheid. Hij weet niet wat het zegt te roemen in de vrijheid der kinderen Gods, te jubelen in de ervaring der schuldvergiffenis. In huizen van rouw, aan ziek- en sterfbedden kan hij niet laten schijnen het licht des Heeren over krankheid, lijden, zonde en dood. Het is hem een vreemde zaak, om in dagen, waarin de hoop der wereld ontzinkt, te roemen in God, en gesterkt te worden voor des levens strijd. Onbekeerde predikanten zijn een ramp voor de gemeente, het ambt wordt hun ten slotte zelf een last. Zullen wij rechte predikers zijn, dan moeten wij door genade ons eerst hebben leeren geven aan den Heere, en daarna aan de ambtelijke bediening.


Het persoonlijke geloof is noodzakelijk vereischte voor de heilige bediening, met het oog op de bediening zelve, maar ook met het oog op de zwarigheden aan die bediening verbonden.

Het predikambt verliest voor velen in onzen tijd de bekoorlijkheid. Er is een tijd geweest, dat de kerk stond midden in de wereld, algemeen geacht als eene goddelijke instelling, als de draagster van |12| het licht, als de beheerscheres van de geesten. Men rekende in alles met de kerk. Hare dienaren waren de geestelijke leidslieden des volks. De leden der kerk gaven gaarne hunne zonen aan de kerk, sommigen uit het hooge beginsel, dat er geen hooger ambt was dan de dienst in Christus’ kerk, anderen omdat de predikant een invloedrijke, voordeelige en eervolle positie bezat. Hoog was de achting waarin, in de dagen der republiek, de predikanten stonden bij de gemeente. Zij werden in alle dingen, stoffelijke en geestelijke, geraadpleegd, ontbraken nooit aan den feestelijken disch, en hadden eene eereplaats en de vooraanzitting. Men stelde er eene eer in den leeraar tot huisvriend te hebben. Groot was de invloed, die de predikanten hadden op het publieke leven. Zelfs jan de Witt waagde het niet tegen hun zin te handelen. De patriciŽrs bekleedden gaarne het ambt van ouderling of diaken. En thans is de dominee iemand, die in de breede kringen der wereld niet thuis behoort. De kerk heeft de centrale plaats in het leven verloren. Zij moge in religieuse kringen nog geacht zijn als eene godsdienstige vereeniging tot aankweeking van het zedelijke en het godsdienstige leven, zij geldt niet meer eene goddelijke stichting, die in Jezus naam optreedt om voor Hem Zijn Koninkrijk te veroveren, Zijn licht te laten schijnen, Zijne ontferming te openbaren. De politici mogen uit een utilistisch oogpunt haar nog wel eens lonkjes toewerpen, de invloed van de kerk op het staatkundig leven is in de meeste landen zeer gering. De pers beheerscht de wereld. De economen, de vakverbonden en de arbeldersorganisaties, de geldmagnaten geven den toon aan; de mannen van wetenschap en kunst halen vaak medelijdend de schouders op voor de achterlijke en conservatieve leidslieden der kerk.

Zelfs in positief christelijke kringen bezit het ambt niet meer de hooge achting, die hem naar Gods Woord toekomt. De mammon heeft ook in de kerk eene groote plaats ingenomen. Elk maatschappelijk bedrijf zoekt de verdienste zoo hoog mogelijk op te voeren, maar de geestelijke arbeid wordt slecht betaald. Daardoor komt het mede, dat zij, die op een hoogeren trap van de maatschappelijke ladder staan, niet gaarne hunne zonen geven voor de kerk. Zeker, als de kinderen roeping gevoelen, willen zij hen niet |13| tegenwerken, maar de levenstoon is aardsch, de wijze waarop gesproken wordt over het ambt en de verdienste is niet bevorderlijk, dat de zonen kiezen voor het predikambt. En, zoo zegt men, kunnen de kinderen, die willen studeeren, ook niet op andere wijze werkzaam zijn in het Koninkrijk Gods, als zij geneesheer, of jurist of leeraar worden? En dit betaalt immers veel beter.

In deze beoordeeling ligt veel waars. Van alle beroepen en ambten is dat van predikant wel het minst geschikt om waargenomen te worden uit wereldwijze berekeningen. Maar er blijkt ook uit dat in de gemeente eene strooming leeft, die het predikambt niet naar behooren waardeert. Het geeft een blik op den levenstoon in de gezinnen. Het bewijst, dat het geestelijke over het algemeen verre achterstaat bij de tijdelijke dingen. Het verraadt, dat het geloofsleven bij velen ingezonken is, dat de wereld al meer de harten verovert. Niet ten onrechte wordt dan ook geklaagd, dat het leven uit de beginselen (op zoo menig terrein) op den achtergrond is geraakt. Bij de groote vraagstukken, die de geesten bewegen, is niet meer de hoogste vraag wat in overeenstemming is met de ordinantie Gods, maar wat het meest geschikt is om invloed, macht en succes te verkrijgen. Deze strooming heeft de leiding. Al mogen wij het goede in onze dagen niet voorbijzien, al zou het ondankbaar zijn, dat wij miskenden het goede dat God geeft, dat de Geest des Heeren nog werkt, dat er zondaren worden bekeerd, dat er nog velen zijn, die uit oprechtheid den Heere vreezen, en die uit liefde voor jezus zichzelf en het hunne geven aan den Heere en ijveren voor Zijn zaak; dit neemt niet weg, dat in onze dagen de aarde bij toeneming de harten vervult. Geen wonder dat deze levensbeschouwing invloed heeft op de keuze voor en de waardeering van het predikambt.

Wij moeten ons rekenschap geven van deze tijdsstrooming. Daarbij mogen wij niet voorbijzien het goede, dat in de huidige christelijke actie openbaar wordt. Immers de Schrift leert niet, dat de zaken van het tijdelijke leven van zeer ondergeschikte beteekenis zijn, en dat de strijd om recht en vrijheid, het wetenschappelijk onderzoek en de vragen om voedsel en deksel eigenlijk van alle |14| wezenlijke waarde ontbloot zijn, en dat het met al die zaken wel goed zal gaan als maar de ziel behouden wordt. Neen, het aardsche en het stoffelijke heeft ook beteekenis, wijl God is de Schepper en de Bestuurder van alle ding, en Hij ook in het stoffelijke leven wil worden verheerlijkt, maar er is iets hoogers, namelijk het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid. Het Christendom heeft ook eene roeping voor dezen wereld, het vraagt recht en gerechtigheid ook voor de aardsche verhoudingen. Het staat niet vijandig tegen de stoffelijke wereld, maar tegen de zonde in de wereld. Het leert dat de aarde en het aardsche en het leven op aarde goede gaven zijn, van den Vader der lichten afdalend. De verlossing van Christus beoogt de vrijmaking van heel de schepping, de overwinning van de macht van Satan en de zonde, opdat Zijne heerlijkheid zou uitschitteren in alle creaturen. Heel de schepping, de bezielde en de onbezielde schepping, is de erve der gemeente. Daarom mag de gemeente de wereld niet minachten, niet ascetisch buiten de wereld gaan staan, maar zij mag zich ook niet stellen in dienst van de zonde in de wereld, doch al het aardsche opvorderen voor en gebruiken in ’s Heeren dienst. En gelijk God de Schepper is van alle ding, zoo is ook al het schepsel om God, Wien alle macht en kracht, alle gave en kunst en wetenschap dienen moet. Daarom is het christelijke levensideaal, dat de christenen in alle levenskringen als kinderen Gods en erfgenamen van Gods Koninkrijk zich moeten openbaren.

Doch wijl de wereld dit ideaal niet verstaat, maar geheel leeft voor het vergankelijke, en wijl de zuigkracht der wereld zulk een machtigen invloed heeft op de kinderen Gods, mogen wij elkander wel herinneren aan het geweldige, maar tevens eeuwig ware woord van Jezus:. „Wat baat het den mensch zoo hij de geheele wereld gewint en lijdt schade aan zijne ziel?” Matth. 16 : 26. Zeker, wij moeten op eik levensterrein den Heere dienen, maar hoe zullen wij staan en strijden den goeden strijd des geloofs, zoo wij niet door een oprecht geloof Christus zijn ingeplant?

Vooral is dit noodig voor den dienaar des Woords. Niet alleen is het ambt zůů hoog en heilig, dat de drager van het ambt zijn dienstwerk |15| niet kan verrichten, dan in de vaste overtuiging, dat hij door den Heere geroepen is, maar de zwarigheden, verbonden aan het ambt, zijn zoo vele en groot, dat hij niet in staat is dit werk te doen, en teleurgesteld den dienst zou moeten opgeven, zoo hij niet gesterkt werd door het levende geloof, dat hij is een dienstknecht van Christus, door zijn zender bekwaamd en getroost.

Allereerst is het ambt niet in aanzien bij de wereld. Het brengt geen eer en voordeel voor het uiterlijke leven. Al moge de dienaar ontvangen het brood zijns bescheiden deels, er is nauwelijks een ambt te bedenken, dat zijn bedienaar zulke zware geestelijke en stoffelijke lasten oplegt als dat van predikant. En daarbij komt, dat er van de zijde der gemeente niet steeds de medewerking en de waardeering is, die zij naar Gods Woord geroepen is te verleenen. En dan de zwaarte van het ambt. Het is reeds een reuzentaak voor den dienaar elke week een of meermalen voor de gemeente Gods het Woord zůů te ontvouwen, dat hij geeft de juiste vertolking van Gods Woord, voedsel en besturing voor heel het leven; maar die taak wordt nog zoo veel grooter, wanneer men bedenkt, dat heel de verzorging der gemeente hem is opgelegd, dat hij de gezant van Christus is bij de onderwijzing van de jeugd, bij het bezoeken van de leden der gemeente aan de huizen, in de leiding en de organiseering van heel het leven der gemeente. Welk een roeping om overal en altoos drager te zijn van het recht en de liefde van Christus, om in huizen van vreugde en rouw een woord op zijn pas te spreken, om aan de sponde van kranken en stervenden de majesteit van Gods Woord te doen verstaan, opdat niemand zich op een valschen grond geruststelle voor de eeuwigheid, en opdat de bekommerden, de beproefden en de bedroefden buigen onder het recht Gods, en verkwikt en vertroost worden met de ontferming van Christus, die in nood en dood Zijn dierbare gemeenschap schenkt. Hoe groot en zwaar eene taak om in leer en vermaan, bij de behandeling van ontrouwen, bij onheusche bejegening altoos doordrongen te zijn van de liefde van Christus, om in zelfverloochening en gehoorzame toewijding altoos een goed volgeling te zijn van Jezus, die zoo beschamend heerlijk sprak: „De Zoon des menschen |16| is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen”, Mark. 10 : 45.

En leefde de dienaar nog maar altoos bewust uit de geestelijke geloofsgemeenschap met Christus, dan zou hij opgewekt zijn werk kunnen verrichten. In de gemeente leeft wel eens de gedachte alsof het vanzelf sprak, dat de dienaar is een kind Gods, en dat hij steeds dicht bij den Heere leeft. Doch hoe moet de dienaar soms niet ervaren, dat hij, geroepen tot het heiligste, zelf niet inleeft in den rijkdom van het genadeverbond, dat hij dof en dor en ingezonken leeft. Een dienaar kan ook aan het heiligste gewoon raken. Of hij gestemd is of niet, hij moet spreken over de ontzaglijkste dingen, zooals het recht en den toorn Gods, de grootheid en de majesteit Gods, den oneindigen rijkdom van de liefde van Christus, het eeuwig verderf en de eeuwige zaligheid. Daardoor kan het zijn, dat hij niet leeft onder den indruk van hetgeen hij zelf moet boodschappen. Zeker het is een voorrecht, dat de zegen tenslotte niet afhangt van zijn ijver en liefde, dat het de Geest Gods is, die het Woord brengt tot het hart, maar juist de gedachte, dat hij zelf niet leeft uit hetgeen hij anderen verkondigt, kan hem soms zůů benauwen dat de vrijmoedigheid, de sterke drang tot den arbeid gemist wordt.

En dan wordt de dienaar vaak aangevallen door Satan, den vijand Gods, die hem aanvecht met twijfel, met ongeloovige en zondige gedachten. Ons natuurlijk bestaan is twijfelziek. Sedert de slang tot Eva sprak: „Is het ook dat God gezegd heeft?” is onze menschelijke ziel besmet door den twijfel als een verdervende krankheid, die ongelukkig maakt, en is ons natuurlijk bestaan het oneens met Gods Woord en Gods weg. Eerst als wij door Gods Geest worden wedergeboren, ontvangen wij een andere levensbeschouwing, worden wij het in beginsel eens met God, en leeren wij God gelijk geven tegenover de macht van ongeloof en twijfel. Maar de geloovige wordt hier op aarde niet verlost van zijn zondigen aard, en daarom wordt hij ook zoo menigvuldig aangevochten door de bange vraag of zijn weg wel recht is. Vooral het geslacht der geleerden is een twijfelmoedig geslacht. Door de overschatting van eigen verstand en inzicht, door de natuurlijke donkerheid, die veel grooter is dan wij |17| zelf wel verstaan, heeft de Satan zooveel vat op hen, die van den boom der kennis hebben gegeten. De verleiding van Satan sluit zich aan bij den goeden drang om de diepste problemen, de grootste mysteriŽn te doorgronden. Daardoor komt het, dat wij niet bescheiden, niet eenvoudig genoeg zijn in het nadenken van de wegen Gods. Vandaar is het, dat wij menigmaal willen begrijpen in plaats van nadenken, zien in plaats van gelooven, redeneeren in plaats van aanbidden, God vooruitloopen in plaats van Hem in het geloof te volgen. In stee van te rusten in Gods Woord, zoeken wij dikwerf de rust in het schepsel. Vandaar zooveel lijden, zooveel bange benauwdheid en worsteling der ziel. Vandaar ook zooveel gevaren, die den theoloog omringen. Hij wordt geplaatst voor de grootste en de diepste problemen, door het verstand niet te vatten. En daarbij moet bij kennis nemen van wat van ongeloovige zijde gezegd wordt, moet hij indenken de leeringen van de theorieŽn, welke beoogen de gronden des geloofs te ondermijnen. En evenals een geneesheer, die besmettelijke ziekten behandelt, gevaar loopt door de ziektebacil te worden aangetast, evenals een soldaat, die op verkenning uitgaat en binnen de vijandelijke liniŽn komt, licht gewond wordt, zoo ook wordt de onderzoeker gemakkelijk getroffen door de pijlen van ongeloof en twijfel. Wie een ongevoelige en koude natuur heeft, ervaart misschien hiervan het bittere niet, maar wie een fijn besnaard en teer gemoed heeft, ervaart hoe licht de ijskoude adem des ongeloofs zijn geloofsleven doet verstijven, zijn gebedsleven bemoeilijkt en hem den vrede rooft. Het is waar, geen enkel christen wordt geheel voor de aanvechting gespaard. Doch in het bijzonder ondervindt de theoloog de aanvallen des vijands. De bestrijding is goed, opdat wij ook in de studie het vertrouwen op eigen inzicht leeren verliezen en genezen worden van onze waanhoogheid, eigenliefde en eigengerechtigheid, opdat wij zouden leeren rotsvast te staan in het geloof. De siddering der ziel, hoe bang ook, kan rijke vruchten afwerpen, opdat wij daardoor leeren schuilen bij den Heere en bekwaamd worden voor de herderstaak. Wij moeten soms door de macht des vijands benauwd worden, opdat wij de onvernietigbare en nooit beschamende kracht en trouw van onzen Meester leeren kennen. |18| Wij moeten door tegenstand gestaald en geoefend worden om anderen te leeren strijden. Door worsteling moet onze liefde worden beproefd, opdat wij als heiden des geloofs verwaardigd worden voor ons zelven en voor anderen water uit Bethlehem’s bornput te halen. Maar uit het voorgestelde blijkt duidelijk, dat de theoloog, die niet door het oprechte geloof Christus is ingelijfd, noodzakelijk schipbreuk moet lijden.

Ook in de bediening wordt de dienaar menigmaal gehinderd door aanvallen van twijfel. Het is een niet zeldzaam verschijnsel, dat na de hoog geestelijke spanning de diepste inzinking en de bangste twijfel volgt. Het gebeurt, dat als de prediker den vollen rijkdom van Christus heeft uitgejubeld, terstond daarna de smader komt met de vraag: „Is het wel waar, wat gij hebt verkondigd”? En als dan niet het zielsoog zich terstond kon richten op Christus, als het oog des geloofs niet geopend werd voor Gods rijke beloften, als God zelf niet vasthield en troostte met Zijne gemeenschap, met de zekerheid van het Evangelie, zou dan de dienaar niet terugbeven, niet ongeschikt worden voor den dienst van zijn Zender?

Vele en velerlei zijn de bezwaren, waarmede de dienaar van Christus te kampen heeft. Menschen en omstandigheden kunnen hinderen, tijdelijke zorgen kunnen drukken, geestelijke strijd dreigt hem soms moedeloos en krachteloos te maken, karakterzwakheden staan hem soms in den weg. En zal hij recht zijn taak kunnen verrichten, dan moet er aansluiting zijn aan zijnen Christus, dan moet de Geest des Heeren hem bekwamen, dan moet hij veel ingaan in het heiligdom des gebeds, om daar zijn nood te klagen, en door zijnen Meester te worden bemoedigd en gesterkt.

Persoonlijk geloof is onmisbaar voor de heilige bediening. Wanneer het geloof niet leeft in de ziel, dan is er geen bewustheid van roeping, geen liefde tot Jezus en Zijne gemeente, geen innerlijke drang om de gemeente te onderwijzen en te troosten uit den vollen schat des Woords, geen inzicht in het verbond der genade, in den strijd en de worsteling der gemeente, geen ijver om de gemeente als een reine maagd aan den hemelschen bruidegom, aan Christus voor te stellen. Maar de bediening wordt voor zulk een dienaar |19| ook een teleurstelling. Dan kan hij misschien als een ijverig dienaar trachten de gemeente te onderwijzen en voor te gaan in het goede, maar hij is een loondienaar, wiens stem de schapen niet kennen. Als de dienst een last wordt en de uitwendige dingen bekoren, dan zal hij met Demas de tegenwoordige wereld liefkrijgen en het ambt verlaten. Daarom onderzoeke zich een ieder, vůůr hij den herdersstal in de handen neemt, of Jezus’ dienst zijn ziel heeft gegrepen, of hij de schapen liever heeft dan zijn leven. Want in tegenstelling met den goeden herder, die de schapen in de goede weide inleidt, en die zijn leven stelt voor de schapen, spreekt Jezus van „den huurling en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, (hij) ziet den wolf komen en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen” Joh. 10 : 11. God beware de gemeente voor zulke herders.

Persoonlijk geloof onmisbaar voor de heilige bediening. Ik sprak tot u over dit onderwerp, niet om u af te schrikken van de voorbereiding tot het predikambt, maar om u te doen gevoelen, waarin het geheim der kracht voor een goed krijgsknecht van Christus bestaat. Zeker als het niet uwe liefde is om Jezus te dienen, als gij niet iets kent van wat het zegt als een onwaardige en verlorene te knielen aan Jezus voeten, als de dienst van Jezus u niet strijd en zelfverloochening waard is, dan kan ik u niet aanraden te streven naar de heilige bediening. Gewis, het is noodig, dat een prediker wetenschappelijk onderlegd is, maar wanneer hij niet persoonlijk geheiligd is door de genade Gods, dan kan hij wel veel geleerd vertoon maken, en als een pakezel, belast met allerlei godgeleerde ballast, veel kennis aandragen, maar hij is toch niets dan een klinkend metaal en een luidende schel. Wij hebben behoefte aan levende predikers, die, het leven kennend, ook spreken de taal van het hart, en die als getrouwe zendboden, ook trouw de boodschap des heils overbrengen, tot troost van Gods volk in zijn strijd en lijden. Indien die liefde in uw hart is ontwaakt, dan roep ik u een hartelijk welkom toe in den strijd voor Koning jezus. Er is geen heerlijker werk dan de dienst des Evangelies, geen verhevener taak dan medearbeider Gods te zijn tot de komst van Gods Koninkrijk, om de |20| waarheid Gods te verkondigen, om het Evangelie van troost en zaligheid te brengen aan de arme menschheid en het medicijn der genade te bieden aan de doodkranke wereld. En dan, welk een heerlijk loon wordt beloofd aan den trouwen dienstknecht. Neen, voor den dienaar worden niet gezwaaid de palmen van menschelijke eer en grootheid, niet ontvangt hij een groot deel van aardsche macht en genieting, want zijn doel mikt hooger, de glorie Gods en de behoudenis van zondaren. Daarom is ook het loon van den trouwen dienaar zoo groot. Hier mag hij, in weerwil van zooveel arbeid, zorg en teleurstelling, genieten de rust van zijn God, vrede in Gods weg, bemoediging en troost in de vervulling van Gods beloften, dat Hij sterkt en bekwaamt, en dat Hij Zijn Woord niet ledig laat wederkeeren, ervaren de liefde van allen die Sion beminnen en eenmaal ontvangen de kroon der eeuwige heerlijkheid. Zulk een dienst is het waard dat wij al onze gaven en krachten daarvoor geven, is het waard om, zoo ’t moet, kruis en verdiukking te lijden als goede krijgsknechten van Christus, want wij arbeiden niet alleen voor dezen tijd, maar bovenal voor de eeuwigheid, opdat de roem van Gods heerlijkheid wordt volzongen door alle sferen.

In verband hiermee is ook de studie der godgeleerdheid zoo schoon. Schoon reeds omdat zij ons in aanraking brengt met de hoogste en de diepste problemen, die het denkend verstand bezighoudt, heerlijk omdat zij tot inhoud heeft de kennis Gods in het aangezicht van jezus Christus, kostelijk omdat zij bedoelt ons te bekwamen tot goede krijgsknechten van Christus, omdat zij, trots alle zwarigheden daaraan verbonden, bevorderlijk is tot sterking van het leven des geloofs. Welke wetenschap is hiermee te vergelijken?

Daarom, mijne heeren, in afhankelijkheid van uwen God, uw werk begonnen. Hij is de God van alle gaven en krachten. Laat uw hart genieten van het goede, dat God u geeft in de schoone jeugd, maar zij het bovenal uw genot om uw van liefde brandend hart den Heere ten offer te brengen, den grooten Schepper en Verlosser, die u roept tot zoo heerlijk werk. „Hem zij heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid”, 2 Petr. 3 : 18. |21|


*

II.

De roeping tot den dienst des Woords

Bewustheid van roeping is noodig voor de rechte vervulling van eene gewichtige levenstaak. Profeten, dichters, redenaars, helden en staatslieden bezaten de bezielende kracht, den moed van overtuiging en volharding en het geloof aan het bereiken van het voorgestelde doel alleen daardoor,omdat een hoogere aandrijving hen aanvuurde en bekwaamde. Een profeet is een geroepen prediker, en als het vuur brandt in zijn ziel, kan hij niet zwijgen, maar moet spreken het woord, dat de Geest legt in zijn binnenste. De dichter zingt omdat hij moet zingen. De kunstenaar arbeidt niet om de goedkeuring van menschen te verkrijgen, maar omdat het zijn behoefte is gestalte, vorm en kleur te geven aan wat hij zag, wat hij voelde opdoemen uit het verborgene van zijn innerlijk zijn. Elk mensch, die in zich voelt een sprank van het hoogere leven, ervaart in sommige oogenblikken iets van die kracht van drijving en roeping, hetgeen nog sterker in hem spreekt, wanneer hij is een christen, die zich afhankelijk weet van God, de bron van gaven en krachten.

Bewustheid van roeping is vooral noodig voor den prediker van het Woord Gods. Hij is een gezant Gods en moet vertolken wat God hem geeft te spreken. En juist omdat de rechte overtuiging der roeping niet altoos krachtig spreekt, omdat er zoo veelvuldig eene verkeerde voorstelling heerscht omtrent deze zaak, kan het goed zijn eens opzettelijk stil te staan bij de roeping tot den dienst des Woords, en een antwoord te zoeken op de vragen: |22|


Wat moeten wij verstaan onder de roeping tot de heilige bediening? en

Hoe kan iemand weten of hij een geroepene is?


Zullen wij de roeping tot de bediening des Woords recht verstaan, dan moeten wij allereerst nagaan waartoe de bedienaar geroepen wordt, wat hij naar de opdracht, door Christus gegeven, heeft te verrichten. In het N. Testament wordt de bedienaar des Woords met onderscheidene namen genoemd, als: herder en leeraar Ef. 4: 11 (poim—n kaĪ didÄskalov), opziener (presbņterov, Ěpįskopov), Tit. 1 : 5, 1 Tim. 3 : 1, 2, Fil. 1 : 1 voorgangers (”goņmenoi) Hebr. 13 : 17; voorstanders (proistÄmenoi) 1 Thess. 5 : 12; gezanten van God of van Christus (presbeņomen) 2 Cor. 5 : 20; dienaren van Christus (diÄkonoi, do¬loi) 1 Cor. 3 5, 2 Cor. 4 : 5, 6 : 4; mede-arbeiders Gods (sunergoĪ) 1 Cor. 3 : 9 (sunergo¬ntev); uitdeelers der verborgenheden Gods, 1 Cor. 4 : 1 (ołkÁnomoi), huisverzorgers Gods Tit. 1 : 7; ouderlingen, die arbeiden in het woord, en evangelist, welk woord in 2 Tim. 4 : 2, 5 nader verklaard wordt als prediker van het Woord.

Wanneer wij de beteekenis van deze namen in het verband, waarin zij voorkomen, nagaan, dan blijkt ons, dat de bedienaar des Woords is een gezant van den hoogsten koning, om zijn wil aan menschen bekend te maken, en om de gemeente Gods op aarde te weiden en te verzorgen. Hem is opgedragen te verkondigen hetgeen de Heere geopenbaard heeft aangaande God en Zijne werken in natuur en in genade. En juist, wijl de H. Schrift is de onthulling van den genaderaad Gods, door God in Christus besteld voor eene gevallene wereld, is het in het bijzonder de taak van den dienaar dien heiligen liefdeswil aan zondaren bekend te maken, het rijke levenswoord tot leering, leiding, waarschuwing, vermaan en troost der gemeente te verkondigen.

De Evangeliedienaar is bedienaar des Woords. Zeker, hij is dienaar der kerk, maar niet in Roomschen zin. Rome zoekt het wezen der kerk in het zichtbaar instituut. Christus woont, zoo leert Rome, door Zijn geest in de kerk, en deelt Zijn gaven mede aan de kerk alleen door het ambt en het Sacrament. De Schrift, geboren uit de kerk, wordt verklaard door de kerk, en haar gezag rust ten slotte op de |23| kerk. Maar de Gereformeerden stellen boven de kerk Christus en Zijn woord. De Schrift is door Christus gegeven, opdat zij Hem diene in de leiding der kerk, tot de volmaking der heiligen, tot opbouw van het lichaam van Christus. In het Woord spreekt God. In het Woord speuren we als in een heiligen tempel de tegenwoordigheid Gods, en beluisteren we het ruischen van het kleed van het vleeschgeworden Woord. Het Woord is de stem des Heeren, waardoor Hij dagelijks spreekt tot Zijn schepsel. Voor het Woord moet de mensch buigen, naar het Woord moet heel de gemeente, zoo leeraar als leden der gemeente, luisteren. Het Woord is een blijvende gids alle eeuwen door. Dat Woord achtte de Heere zůů noodig, dat Hij een afzonderlijken dienst des Woords heeft ingesteld, een dienst wet voor den Heere en door menschen, maar toch bij het Woord en om het Woord.

De bedienaar des Woords is dienaar van Christus ten behoeve van de gemeente. Duidt het woord „herder” aan de gedachte van leiding, voeding, verzorging en bewaring, en vertolkt het woord „leeraar” het onderwijzen en het bekendmaken van den wil Gods, beide woorden drukken ten volle uit het onderwijzend en het besturend karakter van het ambt van den dienaar des Woords. De leeraar is herder onder Christus den opperherder. Hij moet de gemeente weiden door de zuivere bediening van Woord en Sacrament, weiden door nauwkeurig opzicht te houden over de schapen, hen na te gaan en te behoeden voor afdwaling, het afgedwaalde weder terecht te brengen, het verlorene te zoeken, het kranke te genezen en het verbrokene te heelen. Hij moet het stugge schaap de prikkels des Woords laten gevoelen, de hoogmoedigen vernederen, de zondaren bestraffen, maar ook de bekommerden troosten, en de ontferming van Christus verkondigen aan het gewonde en het bezwijkende hart.

En dit alles geschiedt wanneer de dienaar gedreven wordt door de eere Zijns zenders, en door de liefde tot Zijnen dienst, wanneer hij het Woord recht bedient. Want het Woord bedienen is allereerst de verklaring van het Woord, het naspeuren en vertolken van de gedachte des H. Geestes in het Woord, en dan het Woord toedienen, toepassen voor de nooden des levens, voor de kwalen der |24| ziel, het doen zijn een brood des levens, voedsel voor den inwendigen mensch, een levenswoord.

De bedienaar des Woords staat voor de gemeente. Een evangelist of zendeling, iemand die tot ongeloovigen predikt, met de bedoeling tot het geloof te brengen, moet er zich toe bepalen het Evangelie te verkondigen, en tot geloof en bekeering te brengen. Maar de dienaar des Woords, die in de gemeente werkt, moet meer doen dan dat. Hij moet mede tolk zijn van wat de H. Geest in de harten werkt, van wat de ziel ervaart, als de Geest van God Zijn licht in de harten laat schijnen.

Midden in de volle werkelijkheid des levens zich stellend moet de dienaar des Woords medeleven met de menschen, in zijn persoon en in zijn wandel openbaren, dat hij drager is van de boodschap Gods, dat de liefde Gods woont in zijn ziel, dat het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid, tot hervorming van den geheelen mensch, tot reformatie van geheel het leven, tot uitzuivering van het kwade en het doen van het goede.

Als gezant van den grooten Medicynmeester biedt hij het Woord in al zijn scherpte, in de snijdend-veroordeelende kracht der zonde, maar ook in de troostend-genezende werking aan het kranke hart, dat zoo bitter lijdt onder de gevolgen van de zonde. Als boodschapper van den grooten Herder gaat hij rond bij de woningen van aanzienlijken en geringen, van geleerden en onkundigen, om hen zonder aanneming des persoons op te wekken tot het goede, te vermanen, te waarschuwen of te bestraffen en gevallenen op te richten. En voorts staat de bedienaar des Woords aan de ziekbedden, aan de sponde der stervenden, om den weg des levens voor te stellen, opdat niemand op valschen grond zich gerust zou stellen, maar tevens om ook de rijke ontferming van den eenigen Zaligmaker aan te bieden aan verlorenen, het licht des Heeren te laten schijnen over krankheid, lijden, zonde en dood, en in den doodsstrijd de godvreezenden het klamme doodszweet van het voorhoofd te wisschen. Hij moet blijde zijn met de blijden en weenen met de weenenden. Voorts moet de dienaar met de ouderlingen de gemeente regeeren, opzicht en tucht oefenen, en medewerken aan den opbouw der gemeente. |25|

Voorzeker een zwaar, verantwoordelijk, gewichtig maar ook heerlijk werk. De Heere stelde toch zelf de herders en leeraars „tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouw des lichaams van Christus”. En de Schrift noemt hen „Gods medearbeiders”, „huisverzorgers Gods”, „uitdeelers der menigerlei genade Gods”. Is er wel heerlijker arbeid dan het werk Gods te doen, en instrumenten te zijn in Zijn hand tot den roem van ’s Heeren naam en de komst van Zijn Koninkrijk. Is er iets heerlijkers te denken dan verwaardigd te worden tot dragers van het licht, om den troost der genade te doen uitschitteren te midden van eene doodkranke wereld? Welk werk is daarmede te vergelijken?

Ziet, de wereld roemt de aardsche heerlijkheid en macht; zij prijst de genieŽn en de uitvinders, hen die lauweren verwierven op het veld van wetenschap en techniek; zij acht het schoone en het aangename begeerlijk; en het zij verre van ons dit gering te achten. Maar toch de wereld met haar schoon vergaat, en zij kan met al de schittering van haar weelde en glorie, met het bekoorlijke van haar genot en zinnendienst, niet vervullen de nooden van het menschenhart. Het Evangelie daarentegen spreidt licht over het pad, geeft vrede voor het moede hart, troost in ellende en droefenis, en maakt voor eeuwig gelukkig. Is het niet kostelijk drager te zijn van dat Evangelie der zaligheid, en iets van de barmhartigheid, van de liefde van onzen Zaligmaker te laten gevoelen, om te verkondigen de deugden van onzen jezus, die uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht?

Niet alle christenen hebben echter de roeping om in de bediening des Woords te arbeiden. Er is een zending voor noodig. Wel zijn alle geloovigen geroepen om te getuigen van het recht Gods en de dierbaarheid van Christus en zijne verlossing. Op de vraag: „Waarom wordt gij een christen genaamd?” antwoordt de Catechismus: „Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzoo Zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn naam belijde, en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciŽntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen |26| regeere”. De persoonlijke roeping van den geloovige, welke nooit wegvalt, en ook niet door het ambt wordt tenietgedaan, mag zich echter niet stellen in de plaats van het ambt, dat namens Christus, met gezag optreedt in de leiding en verzorging van de kerk en in de bediening des Woords. Voor de ambtelijke bediening is zending noodig. „Niemand neemt zich zelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Ašron” Hebr. 5 : 4. Niemand heeft het recht als gezant op te treden dan die daarvoor aangesteld is. Een niet gezonden gezant zou terstond bij zijn optreden reeds een voorwerp van bespotting zijn. Stel, dat iemand zich opwierp als rentmeester van een groot grondbezitter, of zich indrong in het beheer eener gemeente, zou hij niet spoedig met den strafrechter in aanraking komen? De Heere spreekt het „wee” uit door Jeremia over alle profeten, die niet gezonden zijn, en die het gezicht huns harten spreken, en het volk verleiden met leugenen, Jer. 14 : 14, 15; 23 : 21, 32; 29 : 31. Als herders en leeraars moet gij kunnen spreken van eene „kudde over dewelke u de H. Geest tot opzieners gesteld heeft om de gemeente des levenden Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed”, Hand. 20 : 28. Alleen die op wettige wijze in het ambt gesteld is, kan de taak van een ambassadeur vervullen, alleen hij, die in zijn gemoed verzekerd is. dat hij op een door God gewilde wijze tot de H. bediening is gekomen, kan de troostende en de krachtige ervaring in zijn hart omdragen, dat God hem zal zegenen, en dat hij een zegen zal zijn in de hand des Heeren. Een leeraar zonder bewustheid van roeping kan geen zeker geluid geven, kan niet, in besliste overtuiging, met den aandrang des harten, in liefde het woord brengen. Een leeraar zonder roeping is een onbetrouwbare gids.

Om de roeping tot de heilige bediening recht te verstaan moeten wij onderscheiden tusschen inwendige en uitwendige roeping. Beide zijn noodig. Zij ondersteunen elkander, vullen elkander aan. Bestaat de inwendige roeping in iemands overtuiging, dat hij op wettige wijze door God in het ambt gesteld is, deze inwendige roeping moet haar zegel en waarmerk ontvangen in de uitwendige roeping door de gemeente. |27|

Wij lezen in de H. Schrift ook van eene buitengewone roeping. De apostelen werden op buitengewone wijze door Christus zelf tot het apostelschap geroepen, en in het ambt gesteld, Luc. 6 : 13, 20, Joh. 20 : 21. Paulus getuigt, dat hij was „een apostel, geroepen niet van menschen, noch door een mensch, maar door jezus Christus, en God den Vader, die hem uit de dooden opgewekt heeft” Gal. 1 : 1.

Maar hier is geen sprake van een buitengewone roeping, maar van eene gewone roeping van de dienaren des Woords. Deze is eene kerkelijke roeping, waarbij naar kerkelijke orde een persoon, die daarvoor bekwaam en geschikt geoordeeld wordt, na wettige verkiezing en goedkeuring door de gemeente, in het ambt gesteld wordt. In overeenstemming hiermede wordt in het Bevestigingsformulier in de eerste vraag, aan den te bevestigen leeraar gevraagd: „Of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven, tot dezen heiligen dienst geroepen zijt”?

De Gereformeerden leggen er nadruk op, dat de gemeente zelve roept. Naar de voorstelling van Calvijn berust de kerkelijke macht,. die in den dienst van den koning te gebruiken is, bij de kerk zelve, d.i. bij de geloovigen. Maar hij legt er nadruk op, dat die macht niet uitgeoefend wordt door alle geloovigen gezamenlijk, alsof de geloovigen zelve hadden te bepalen wat recht en noodig is zonder het ambt, maar dat naar het N. Testament de gemeente is een organisch samenstel, een lichaam, aan ’t welk de Heere bepaalde diensten gegeven heeft, door welke de Heere Zijne gemeente regeert.

Christus regeert in Zijne kerk door Zijn Woord, aan hetwelk zoowel de dienaren als de geloovigen samen onderworpen zijn. Die band is rechtstreeks. De geloovigen zijn tot vrijheid geroepen, en mogen en moeten evengoed als de voorgangers der gemeente oordeelen wat is naar den wil van koning Jezus. De ambtsdragers evenwel, geven de leiding, zien toe dat het in de gemeente naar de orde van Christus toegaat, en houden opzicht en tucht over de gemeente.

Rome is van oordeel, dat de kerk is een heilsinstituut, eene Goddelijke inrichting op aarde, waardoor de genade aan de menschen wordt medegedeeld. Zij is door Christus gesteld als middelares tusschen God en den mensch. Christus heeft het leerambt, het priesterambt |28| en het koninklijk ambt aan Petrus en aan de apostelen over-' gegeven, en ambt, gezag en ambtsgenade gaan over op hunne navolgers. Zoo is in de Roomsche kerk een clerus gaan heerschen, met algeheele uitsluiting van de gemeenteleden. Ook in de Luthersche kerk is het recht der gemeente verkort, en bleef er weinig meer over dan het recht om te gehoorzamen en zich te onderwerpen aan de kerkelijke overheid. Maar de Gereformeerden handhaafden zoo .streng mogelijk het koningschap van Christus. De kerk is geen republiek, waarin tusschen regenten en volk over het gezag gestreden wordt, maar eene absolute monarchie, met Christus als koning. Aan het gezag van dien koning moeten alle leden der kerk, ook de voorgangers, zich onderwerpen. De dienaar spreekt niet zijn eigen woord, maar het woord van Christus. Elke handeling der kerk moet gegrond zijn in het woord van den koning. Daarvoor ligt de gemeente in haar consciŽntie gebonden.

Blijft dus Christus koning, Hij bedient zich, bij de leering en de regeering Zijner gemeente, van menschen als Zijne instrumenten. Wet zijn alle kinderen Gods profeten, priesters en koningen, maar de gemeente kan niet zonder leiding. Omdat de kerk bestaat uit zwakke zondige menschen, heeft de Heere menschen willen gebruiken, die verwaardigd worden om als Zijne dienaren, op Zijn last, de gemeente te besturen en te verzorgen. Al is het ook zoo, dat de dienaren middelijk gekozen worden door de gemeente, zij zijn en blijven toch dienstknechten van Christus.

De wijze waarop een dienaar des Woords tot het ambt geroepen wordt, staat bij de Gereformeerden in het algemeen vast. Nadat iemand onderzocht is of hij wetenschappelijk en praktisch bekwaam is voor de uitoefening van zulk een gewichtig werk, wordt bij aan de kerk voorgesteld. Wordt hij door eene gemeente begeerd, en ontvangt hij eene roeping, dan onderzoekt de kerkelijke vergadering, temidden waarvan de kerk ressorteert, den gekozene of hij in leer ,en leven voldoet aan de eischen aan een dienaar des Woords gesteld. Is dit examen bevredigend afgeloopen, en heeft de gemeente bewilligd den beroepen dienaar als haar herder en leeraar te aan~Yaarden, dan wordt de geroepene plechtig temidden der gemeente |29| bevestigd in het ambt. Deze bevestiging is het eindstadium van denweg, waarop iemand komt tot het ambt. Bij de verkiezing tot het ambt ontving hij de aanwijzing, dat de gemeente hem begeerde. Het welgeslaagd examen is het bewijs dat hij de vereischte kundigheden bezit voor de vervulling van het ambt noodig. De bevestiging is eene openlijke verbintenis tusschen leeraar en gemeente, een publieke aanwijzing voor den bevestigde zelf, dat hij wettig door de gemeente en mitsdien door God zelf geroepen is, en tevens eene verzekering van de gemeente, dat zij dezen broeder als haar wettigen dienaar heeft te beschouwen.

Of de bevestigde waarlijk door God geroepen is, is eene zaak, die tusschen God en zijn ziel moet worden uitgemaakt. Zeker is, dat niet ieder, die door de gemeente geroepen is en in het ambt is gezet, van God geroepen is, want de genadegift en de roeping Gods zijn onberouwelijk, Rom. 11 : 29. Het gebeurt, dat iemand, die reeds predikant is, in ’t geheel geen gaven of geschiktheid bezit. Het wordt openbaar, dat een door de gemeente gezonden leeraar is een wolf in de schaapskooi van Christus, een huurling, die geen herder is, die geen zorg draagt voor de schapen, een vreemde, wiens stem de schapen niet kennen. Er zijn er, die, na eenigen tijd in, dienst der gemeente werkzaam geweest te zijn, teleurgesteld werden, eene maatschappelijke betrekking begeerden en met Demas de tegenwoordige wereld lief kregen. Petrus spreekt van valsche leeraren, „die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren”, 2 Petr. 2 : 2. Ja, er zijn er, die het predikambt beschouwen als een gewone aardsche betrekking, die dienen om loon, en die daarom goed doen zoo spoedig mogelijk het heilige terrein te verlaten. Rechte dienaren des Woords zijn „menschen, die hun zielen overgegeven hebben voor den naam onzes Heeren Jezus Christus”, Hand. 15 : 26.


Maar hoe kan iemand weten of hij is een geroepene tot den dienst des Woords? Hoe kan een jong mensch, die de lust in zich gevoelt om predikant te worden, weten of zijne keuze de ware is? Menig student kent tijden van twijfelmoedigheid en van bange bekommernis, of hij wel in den rechten weg is. Ja, menig predikant wordt |30| aangevochten door de angstwekkende vraag, of hij wel is een geroepene des Heeren. Geen wonder dat die vrees oprijst. De roeping is zoo gewichtig. De verantwoording zoo zwaar. In ons zelf is geen waardigheid om gezant van den hoogsten koning te zijn. Het is beter schroomvallig te zijn dan lichtvaardig toe te treden tot het heilige, en eenmaal als een onnutte dienstknecht uitgeworpen te worden. Maar toch wij behoeven niet in het onzekere te verkeeren, wanneer wij rustig naar Gods Woord nagaan of wij bezitten de kenmerken voor een dienaar des Woords vereischt.

Het eerste bewijs dat iemand gelooven mag, dat hij door God geroepen is, is een rechte kennis van het ambt en een liefde tot het vervullen van het ambt. De geroepene moet weten wat hij doet, aan welke zaak hij zich wijdt. Het moet de liefde des harten geworden zijn Christus den Heere te dienen in het Evangelie, om Zijnen wil, Zijne waarheid te verkondigen, om den weg der zaligheid bekend te maken aan onwetenden en dwalenden, om Gods gemeente te weiden en te verzorgen, om de waarheid Gods zelve te kennen en te handhaven, en de dierbaarheid en de heerlijkheid van Christus aan te prijzen aan het volk Gods. En zal dit het geval zijn, dan is het wel noodig,dat eerst de liefde van Christus het hart heeft veroverd. Zullen wij goede dienaren des Evangelies zijn, dan moetvan ons gelden wat Paulus sprak van de gemeenten in MacedoniŽ: „Zij gaven zichzelve eerst aan den Heere, en daarna aan ons, naar den wil van God”, 2 Cor. 8 : 5. Vůůr alles moet het hart zich wijden aan Christus, uit dankbaarheid voor de groote verlossing, die is bewezen, vůůr het zich met zelfverloochening en toewijding kan geven aan de gemeente.

Die begeerte moet de vrucht zijn van gerijpt nadenken. Het ligt in den aard der zaak, dat bij jonge menschen, die zich wenschen te geven aan de H. bediening, nog niet de volle beteekenis van den Evangeliedienst gekend wordt. Er zijn er die van der jeugd af eenen sterken drang kennen tot het predikambt, zonder dat zij zich er ten volle rekenschap van kunnen geven, maar er zijn ook die op rijperen leeftijd in zich den onweerstaanbren drang voelen opkomen. Deze begeerte mag aangekweekt worden. Ouders en leermeesters doen goed |31| om aan die begeerte de rechte leiding te geven. De ouders moeten nauwlettend hunne kinderen gadeslaan, en in afhankelijkheid van God nagaan of er een ernstige liefdesdrang in het hart van hun kind woont, of zij voor het leeraarsambt eenige geschiktheid bezitten, en zij moeten de teere liefdesplant in het jeugdige hart aankweeken. Het is wel eens een groote fout van vader of moeder geweest, en het is een vloek geworden voor de kerk en voor hun kind zelf, wanneer zij hun kind van der jeugd af bestemden voor dienaar des Woords, en het den weg der H. bediening deden opgaan, zonder dat zij bij hun kind iets bespeurden van de heilige roerselen des levens. Maar omgekeerd is een kostelijke zegen ontsproten uit zulke gezinnen, waar oprechtheid en vroomheid den toon aangaven, waar het kind reeds van de prille jeugd af getuige was van het ongeveinsde geloof van vader en moeder, en waar in het jeugdige hart de kiem gelegd werd tot de vreeze en den dienst des Heeren. Hoe groot het voorrecht, wanneer men in latere dagen met den dichter mag getuigen:

„Gij hebt mij van mijn kindsche dagen
Geleid en onderricht;
Nog blijf ik naar mijn plicht
Van uwe wondren blij gewagen”.

Maar ook kan er niet genoeg nadruk op gelegd worden, dat de kinderen aan zulke schoten worden toevertrouwd, waar het onderwijs gegeven wordt, niet alleen door bekwame, maar ook door godvruchtige leermeesters. Henricus Ravesteyn zegt in zijn: „De NazireŽr Gods tot den heiligen dienst toegerust” I, bl. 15: „Want wie weet niet, wat vermogen de leermeesters op het gemoed van de teedere jeugd ten goede of ten kwade hebben, zooals de eerste indrukselen in het nog weeke was, ’t welk toch allerlei vormen kan aannemen, in den beginne gemaakt worden, blijven dezelve doorgaans, tenzij de Heere het door zijn hartveranderende genade krachtdadig vernieuwt; de gebreken der leermeesters gaan doorgaans over tot hunne leerlingen ; weshalve er veel omzichtigheid vereischt wordt |32| in de keuze van goede leermeesters, die door hun onderricht en voorbeeld de jeugd van de ondeugd trachten terug te houden en met alle teedere getrouwheid hun de deugd inscherpen”.

Het innerlijk begeeren moet voorts een blijvend duurzaam verlangen zijn. De wensch moet maar niet voor een oogenblik leven in het hart, maar hij moet bestendig zijn, en met de jaren sterker worden. Wij krijgen niet een stem uit den hemel, zooals Paulus. De tijd der bijzondere Godsopenbaring is voorbij. Wij moeten de leiding des Heeren in ons leven opmerken, en schenkt Hij de lust, versterkt Hij de keuze, en baant Hij de wegen, dan mag dat als aanwijzing des Heeren gelden. Wij zouden hun, die niet iets kennen van die sterke begeerte, moeten aanraden: Keer huiswaarts, en dien den Heere op andere wijze, die beter met uw aard en aanleg strookt.

Een innerlijke drang of sterke begeerte tot het werk der bediening is beslist noodig, maar zij is op zichzelve nog onvoldoende. Zoo menig jong mensch, die tot bekeering komt en veel van de gevoelige gemeenschap met Christus mag genieten, kent in het vuur der jeugdige liefde wel eens oogenblikken van sterke begeerte om zondaren te winnen voor Gods Koninkrijk en den Heere te dienen in het Evangelie. Vooral in tijden, waarin schaarste heerscht aan bedienaren des Woords, kunnen velen in de meening leven, dat de Heere hen gebruiken wil tot Zijn dienst in de kerk. En als dan, van achteren beschouwd, de weg des Heeren een andere bleek, dan wordt het duidelijk, dat zij zich vergist hebben, toen zij meenden, dat de sterke begeerte bewijs was voor hunne roeping.

De zaak staat dan ook feitelijk geheel anders. God wil in den middelijken weg aan iemand laten zien, welke zijne roeping is. Heeft iemand de begeerte om predikant te worden, en openen zich de wegen, bezit hij de gaven en den aanleg om te studeeren, heeft hij de stoffelijke middelen om de studiekosten te betalen, en ontvangt hij straks na voltooide studie eene roeping van eene kerk om in de bediening werkzaam te zijn, en staat hij dan nog altoos in de begeerte om Christus te dienen in het Evangelie, dan mag hij die roeping aanmerken als eene innerlijke roeping, en kan hij van harte bevestigend antwoorden op de eerste vraag van het Formulier der |33| bevestiging: „Of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven, tot dezen heiligen dienst geroepen zijt”?

Vůůr dat iemand in den geordenden weg eene roeping ontvangt van eene kerk, kan hij dus nog niet volstrekt zeker zijn van zijne roeping. De begeerte kan bij iemand worden gevonden, en ieder, die hem kent, kan denken dat hij straks een geschikt werktuig zal worden in de hand des Heeren, maar de begeerte kan later wijzigen, bezwaren kunnen zich opdoen, en hoeveel gaven van verstand en hart iemand ook moge bezitten, God kan hem niet willen gebruiken, en hem in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid opnemen in den hemel, vůůr hij zijn wensch, om het Evangelie te verkondigen, vervuld zag.

De ernstige begeerte om leeraar te worden moet gepaard gaan met geschiktheid tot het leeraarsambt. Bij het oordeelen over de geschiktheid denke men ook aan het lichaam. Onder de bedeeling der wet mocht niemand tot den dienst in het heiligdom toegelaten worden dan die zonder lichaamsgebreken was. Al had deze eisch een bijzondere en typische beteekenis, wijl de priester in zijn persoon en werk Christus afschaduwde, toch heeft dit ook ons veel te zeggen Immers lichaamsgebreken kunnen hinderlijk zijn voor het ambt. De heilige bediening is zoo zwaar, dat het wel noodig is, dat iemand een normaal en gezond lichaam bezit. Men wijde dan ook niet de zwakkelingen tot den dienst des Heeren, maar zoo mogelijk de meest krachtigen en de best begaafden.

Maar bovenal moet iemand geestesgaven en aanleg bezitten.

Newton zegt in een brief aan een jeugdig vriend: „Nevens de begeerte om te prediken, moeten zich bij den aanstaanden Evangeliedienaar ter bekwamer tijd ook voldoende bewijzen toonen, dat hij de gave, kundigheden en begaafdheden tot spreken niet in ontmoedigende mate mist”. Hij moet de gave hebben voor de studie, de krachten en gaven noodig voor de studie van de talen en de wetenschappen, die geeischt worden voor den toegang tot de H. bediening. Mist iemand de gave van studie, het opnemingsvermogen, het geheugen, de denkkracht, de nuchterheid van blik en de gezondheid van oordeel, om heel den berg van kennis en wetenschap |34| te doorworstelen, dan is dit voor hem een aanwijzing, dat hij niet tot dien arbeid geroepen is. Wie als leeraar, als wegwijzer wil optreden, moet ook thuis zijn op ’t gebied waar hij als leidsman zal dienen. Maar men vergete niet, er is onderscheid tusschen geleerdheid en begaafdheid. Alle wetenschap is ten slotte hulpmiddel. De school kweekt wel geleerde menschen, maar geen begaafde menschen. De begaafdheid komt van God. Men kan veel gaven of weinig gaven hebben ontvangen, maar een gave blijft een gave. Sommige menschen hebben veel aanleg voor de taalstudie, anderen voor de wiskunde. De eene bezit vooral de gave van denken, de andere is meer practisch van aanleg. Er zijn slechts weinige menschen, die Ťn geleerd Ťn begaafd zijn. Evenwel, wie herder en leeraar wil zijn, moet daarvoor de gave bezitten. Wat baat groote wetenschap, zoo iemand het vermogen mist zijn kapitaal om te zetten in pasmunt? Een geleerd mensch, een veelweter, zonder praktische bekwaamheden, moge op zijn plaats zijn in een laboratorium, in een museum, in een bibliotheek, maar niet in het volle rijke menschenleven. Een begaafd mensch doet met weinig kennis meer dan een onbegaafd mensch, al moge hij een geleerde zijn als Vossius, van wien een Vondel zong: „Al wat in boecken steeckt is in dat hooft gevaren”.

Wie waarlijk leiding wil geven, moet het leven kennen, zich zelven, den mensch kennen. Wie herder wil zijn, moet een herdershart bezitten, liefde en zorg kennen voor de schapen. Wie in de openbare vergaderingen het Woord te bedienen heeft, moet kunnen beschikken over de taal, en over een stem, die oor en hart kan raken. Spurgeon zegt: „Iemand, die in het midden van elken volzin moet ophouden en zijn luchtpomp te werk stellen, heeft alle reden om overtuigd te wezen, dat elke andere betrekking hem beter zal voegen”.

Begaafdheid en geschiktheid is noodig. Doch dit behoeft niet zoo opgevat worden, dat in ieder, die zich zet voor de studie der theologie, van den aanvang af al die gaven moeten openbaar geworden zijn. Het bezitten van en eenige beschikking over de gaven is een vereischte om het ambt te kunnen bekleeden, maar nog niet de, voorwaarde om er naar te streven. Die jong is, en met gaven voor de studie is toegerust, en niet behept is met bijzondere gebreken |35| van lichaam en van stem, hij mag, als zijn hart hem dringt om den Heere in het Evangelie te dienen, gelooven dat de Heere hem in den weg van oefening en voortdurende toewijding schenken zal, wat hij voor de vervulling van zijn ambt noodig heeft. Volhardend oefening is echter noodig. Toewijding en inspanning is een vereischte. Daarom houde teleurstelling niet te spoedig terug. Bekend is dat zelfs Demosthenes en Cicero aanvankelijk te worstelen hadden met een zwakke stem en moeielijke uitspraak. Mannen, die later als groote redenaars schitterden, zijn wel eens steken gebleven. Mannen, wier predikatiŽn en boeken rijken zegen hebben verspreid, hebben, toen zij begonnen te studeeren, wel eens den raad ontvangen liever eens over een anderen werkkring te denken. De bijzondere aanleg voor een bepaald werk ontwikkelt zich wel eens zeer laat. Om zwakheden te overwinnen is voortdurende oefening en sterke wilskracht noodig Het beproeven uwer krachten is een der beste middelen om te komen tot het doel. juist omdat zij geen durf hadden om aan te pakken, geen moed om hunne krachten te beproeven, geen wilskracht om door te zetten, zijn velen, met goede gaven begiftigd, later stumpers en brekebeenen gebleven. Wie wat worden wil, die zit niet stil. Het gaat op het gebied van de wetenschap en in de praktijk van een bedienaar des Woords, evenals op alle gebieden van het hoogere leven, dat men steeds weer stuit op hindernissen, die men bijna niet kan overkomen, op schijnbaar afgesloten grenzen, waarachter het duister is, en die niet den moed en de veerkracht bezit er door heen te worstelen en de moeielijkheden onder de oogen te zien en ze te overwinnen, hij zal niet bestand zijn in den grooten strijd des levens, hij mist ook de geschiktheid voor het ambt van herder en leeraar.

Een derde vereischte voor een dienaar des Woords is dat hij de keuze kent om in zelfverloochening te wandelen. Want hoe heerlijk ook het ambt van bedienaar des Woords moge zijn, hij moet te midden van zijne bediening leeren zich zelven te verloochenen. Hij mag niet eigen hoofd, niet eigen inzicht volgen, maar moet dienaar van Christus zijn, ten behoeve van de gemeente. Hij moet dienen, niet als een dienstknecht van menschen, maar als een gezant |36| van Christus. Dienen moet de herder, zooals Christus gediend heeft om het verlorene te zoeken, het kranke te genezen, het verbrokene te heelen. Dienen moet hij zoo, dat hij zelf gaarne op den achtergrond treedt, opdat zijn Zender worde grootgemaakt. Dienen moet hij, zooals Christus de gemeente gediend heeft, gelijk Jezus sprak: „De Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen”, Marc. 10 : 45; en: „De Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden”, Luk. 9 : 55. En dat is geen gemakkelijke taak. Er zijn zoovele omstandigheden, zoovele menschen, die aanleiding kunnen worden dat de zondige natuur op den voorgrond treedt. In zijn ambtelijk werk heeft de getrouwe dienaar menigmaal te worstelen met de onbekeerlijkheid van zoo menig zondaar, met de stijfheid en eigenzinnigheid, niet alleen van leden der gemeente, maar soms ook van kerkeraadsleden; te strijden met allerlei bekrompenheid, vooroordeel en dwaasheid, niet het minst met zijn eigen ik. O, het is een teedere zaak altijd een voorbeeld der kudde te zijn in geloof, in liefde en in godzaligheid, altijd doordrongen te zijn van de waarheid, dat wij met Gods volk te doen hebben en in Godswerk zijn, zůů in te leven in de behoeften der gemeente, dat men medeleeft en medelijdt en zich medeverblijdt, zich zůů te geven in den dienst van Christus, dat de menschen voelen dat de liefde van Christus dringt. Er is zoo veel in het werk van een predikant, dat hem aan zijn kleinheid en onwaardigheid herinnert, dat hem tot verootmoediging stemmen moet. Maar gelukkig, God maakt Zijne dienstknechten, in den weg der afhankelijkheid van en der vernedering voor God, door teleurstelling en kruis heen, ware kruisgezanten.

In de vierde plaats moet iemand bedenken dat hij niet om uiterlijke eer of voordeel de bediening zoekt. Zeker, de gemeente heeft de roeping hare leeraren naar behooren te verzorgen, gelijk „de Heere geordineerd heeft dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven”, maar toch mag niemand de bediening begeeren met de bedoeling om een baantje, of een goede kostwinning te hebben. Trouwens zoo iemand zou bedrogen uitkomen, en in dezen weg niet deelen in de gunst van zijnen God. Scherp |37| maar toch waar zegt W. ŗ Brakel, Redelijke Godsdienst, C. XXVII, 12: „Beoogt hij door het predikambt in aanzien te komen, en goederen te verkrijgen, die is het geheele einde mis; hij was gelukkiger dat hij een schoenlapper werd, want in mijne oogen is er geen gruwelijker mensch dan een onherboren predikant, die de heilige dingen Gods gebruikt tot zijn eigen belang”.

Eer en aanzien bij de wereld heeft ook de trouwe dienaar van Christus niet te verwachten. Wel heeft hij te wandelen waardiglijk het Evangelie, zůů dat hij ook bij hen, die buiten zijn, eerbied weet af te dwingen, maar hij heeft als discipel van Christus eer kruis dan een kroon te verwachten. Op het hobbelig herderspad wassen er doorgaans meer doornen dan lauweren. Zelfs in het beste geval, wanneer de gemeente hare liefde toont, en er op aarde eerepalmen worden gezwaaid, wanneer de arbeid rijkelijk gezegend wordt, mag de dienaar zich daarin niet verliezen. Zijn doel moet hooger mikken De eere Gods moet de diepste toon der ziet zijn. Den dienaar treffen dan ook in zijn herdersambt veelvuldig teleurstellingen, en de Heere beschikt over hem veel dat hem klein houdt, en waaruit bij kan leeren, dat niet zijn doel mag zijn eer of aardsch voordeel, maar dat hij Gode mag behagen. Al wat beneden dat einddoel staat, is menschenwerk. Maar wanneer dit de begeerte des harten is, dan is het leven van den herder geen verijdeld leven, dan zal hij vrucht zien op zijnen arbeid, dan zal het blijken, dat zijn werk, hoe gering hij daarover ook moge denken, een droppel is in den grooten oceaan vol lof, die eeuwig ruischt ter eere Gods.

En dan, al merkt de getrouwe prediker, dat hij mensch is en zondaar, dat zijn werk gebrekkig is, en dat het hem niet mag te doen zijn om eer van menschen te ontvangen, maar om getrouw bevonden te worden in het oog van God — hij vindt toch ook steun in de liefde der godzaligen, in het gebed der gemeente en soms ook treffende uitingen van liefde en belangstelling, en ontvangt, terwijl hij zelf bezig is in den dienst Gods, troost en genot in de levensgemeenschap met zijn God, hij wordt gesterkt, in het geloof, gewapend tegen de vijanden en bereid voor de komst van zijnen Zender, die eenmaal den getrouwen dienaar zal toeroepen: „Kom |38| gij getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws Heeren”.

O, wat vreugd is het voor den bedienaar des Evangelies, dat hij een middel in ’s Heeren hand mag zijn om te zaaien het zaad Gods, om te prediken den rijkdom der liefde van Christus, en het te mogen vernemen, dat Gods volk wordt getroost, dat zondaren komen tot bekeering, dat verloste zondaren, ja, de engelen zich verblijden over de vruchten van zijn arbeid. Hoe zal hij eenmaal de kroon nederwerpen aan de voeten des Lams, en den Heere danken voor de rijke genade, dat Hij verwaardigd werd Gods medearbeider te zijn.

Ziet, deze herinnering kan wel eens goed zijn vooral in onzen tijd, nu het ambt en het werk van een dienaar des Woords zoo zwaar is, en niet tot de meest gezochte en geŽerde behoort. Deze herinnering kan mede een middel zijn, om de liefde tot het predikambt te doen ontwaken in de harten van de jonge leden der gemeente, om de keuze voor de heilige bediening eene begeerlijke zaak te achten. Mocht de gemeente toch de heerlijkheid der Evangeliebediening meer op den rechten prijs stellen. Mocht het al meer zoo worden, dat elke familie er een eer en voorrecht in zag, dat een hunner zonen Christus diende in het Evangelie, dat de taal van Hanna leefde in menig moederhart: „Ik bad om dit kind en de Heere heeft mij mijne bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb; daarom heb ik hem ook den Heere overgegeven alle de dagen, die hij wezen zal; hij is van den Heere gebeden”.

Calvijn schreef eens aan de gemeenten in Frankrijk: „Zendt ons toch hout, opdat wij er pijlen uit mogen snijden en die pijlen schieten in het hart van den vijand om hem te winnen voor Jezus Christus”. En wijlen Prof. Wielenga sprak op de Synode van 1892: „gij, vaders en moeders, zendt ons uwe zonen, uwe beste, krachtigste en godzaligste zonen voor de opleiding tot de bediening des Woords, opdat zij getuigen mogen zijn voor onzen Koning”.

Mijne Heeren studenten, u roep ik het welkom toe, u, die u beschikbaar stelt in het leger van koning Christus te dienen, om getrouwe getuigen, krachtige en strijdbare aanvoerders te zijn. De roeping is zoo groot, zoo gewichtig, zoo heerlijk. Ach in onzen tijd, |39| waarin de menschheid zoo rijk geniet van de zegeningen Gods op allerlei terrein, en wetenschap en verlichting een ongekende vlucht hebben genomen, wordt de diepe armoede van ’s menschen hart al schrikkelijker openbaar. Het materialisme laat zijn looden zwaarte al meer gevoelen, en bij het schallen van het zegelied der cultuur, bij het jagen naar genot en gewin, ervaart het arme hart de waarheid van het schokkende woord: „Zonder God in de wereld, zonder vrede, zonder hoop en moed”. Leve dan in uw hart, jonge mannen de innige liefde tot Jezus, die u eerst heeft liefgehad, de drang der ziel om het moede hart te wijzen op de ontferming van Christus, die temidden van de doodkranke wereld staat met uitgebreide armen, en zoo zielroerend spreekt: „Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven”. Dompelt u zelve veel in den oceaan der goddelijke liefde, opdat gij moogt kennen de rust, de kracht, den troost en den vrede in Christus, en straks als geroepene en gezalfde predikers moogt optreden. Zij, die alleen de uiterlijke roeping kennen, zijn dienstknechten der menschen en arbeiden om aardsch gewin, zij kennen ook niet den rijken steun van de vertroosting Gods, die zoo kostelijk bemoedigt in dagen van strijd, en die de trouwe dienaren kan verrukken van vreugde. Bewustheid van roeping geeft kracht, vuurt aan, doet verstaan, dat wij in ’s Heeren weg zijn, doet de verantwoordelijkheid gevoelen, wekt geestdrift, doet vonken slaan uit het eens zoo koud gemoed.

Worde dit woord door u overwogen, rustig en biddend. Komt er soms strijd, raadpleegt dan uwe vertrouwde leermeesters. Spreekt veel met God. Ziet op de heerlijkheid van het ambt, dat u wenkt. Laat uw leven, laat de energie van uw willen en streven gewijd zijn den Heere der Heeren, den Koning der Koningen, Wien toekomt de eer en de dank tot in der eeuwigheid.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004