Amerika

Schetsen en herinneringen


door Dr. H. Bouwman, Hoogleeraar aan de Theologische School te Kampen

Kampen — J.H. Kok — 1912

a



Hoofdstuk I. De zeereis — Aankomst te New-York


Het was reeds eenige jaren mijn vurige wensch, de Vereenigde Staten van Amerika te zien, het land waarvan ik als kind reeds zooveel had gehoord, waar zoovele duizenden van den Nederlandschen stam wonen, vooral van Gereformeerden huize; dat wondere land van contrasten, van de wonderen der techniek, van vinding en energie, van titanischen moed en kracht, welks bevolking in ne eeuw van een onbeteekenend kolonistenvolk zich ontwikkeld heeft tot een der machtigste cultuurvolken der aarde; — het was reeds jaren mijn vurige wensch om het rijke Amerikaansche leven gade te slaan, met volle teugen te genieten, en tevens om het maatschappelijk en kerkelijk leven onzer stamgenooten te zien — maar ik had niet vermoed dat deze begeerte z spoedig in vervulling zou treden. Immers geheel onverwachts kwam in het begin van April 1910 tot mij eene uitnoodiging van de „Deputaten voor de Correspondentie met de Buitenlandsche Kerken”, om „de Gereformeerde Kerken in Nederland” te vertegenwoordigen als afgevaardigde op |6| de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk, die 15 juni en volgende dagen te Muskegon (Mich.) gehouden zou worden.

Volgaarne nam ik op mij, die opdracht te volbrengen en ging daartoe aan boord van de Nieuw-Amsterdam, die 18 Mei van Rotterdam naar New-York vertrok.

Over de zeereis zelve zal ik weinig spreken. Onze lezers zullen ongetwijfeld hiervan meer hebben gehoord. Maar dit zij hier opgemerkt, dat deze zeetocht met de Holland-Amerika-Lijn, die in hare machtige booten zoo goed zorgt voor de reizigers, in vele opzichten een genot is, vooral wanneer men, zooals mij te beurt viel, geen aandoening van de voor velen zoo benauwende zeeziekte heeft. Hoe heerlijk verfrisschend en sterkend is de zeelucht. Zulk een zeereis is alleszins geschikt, om het gespannen zenuwleven tot rust te brengen. En dan wat valt er veel te genieten, welke machtige indrukken verneemt men van de wondere schepping Gods, van de majestueuze zee. Hoe aangrijpend is haar aanblik. Nimmer is zij rustig. Altijd in beweging. Maar steeds is haar aanzien verschillend. Betoovrend schoon is zij bij avond, bij nacht, wanneer over het zwart blauw van de ontzaglijke onvaste watermassa de maan haar zilvren glans laat schijnen, die waaiervormig blank-grijs-blauw verloopt in het zwart van den nacht. Nooit wordt het oog moede van het staren op die altoosdurende deining, rustig naderend in de majesteit van bewuste kracht, schuimspattend opstuivend tegen de drijvende, haar doorklievende zeemonsters, haar sappig schuim als een wonder weefsel, wit als sneeuw en fijn als kantwerk, heenkrullend over het ingedeukte water, dat in verband met ’t licht, dat daarop valt, een wonderrijke variatie van kleurschakeering, diep-zwart-blauw, donkergroen, zacht teer groen, |7| grijs-blauw vertoont. Doch majestueus is de zee, wanneer de storm opsteekt en geweldige heuvelrijen, opstijgend, verdwijnend, zich weer samenrollend, opbruisend en brullend met donderenden val neerploffend, gierend en zuchtend opstijgend, schuimschuddend voortrollen in eentonigen cadans, of aanstormen op de zeekolossen van schepen, die, hoe groot ook, wiegelend op en neergaan als een nietig stuk hout. En wanneer dan het loeien van den storm raast over het dek, en het giert en fluit langs mast en touw, het stortwater spat over het schip, en de lucht brullend en donderend baan zich zoekt onder de opgejaagde kiel, zoodat het stootend en stampend vaartuig dreigt te breken, dan beseft de kleine mensch zijne nietigheid en kan zijn hart van ontzetting beven. — Een wondere macht is de zee, „groot, grootsch, evenzeer ongepeild, ondoorgrond”. Maar hoe machtig getuigt de zee van de majesteit Gods, die haar op zijn almachtswoord schiep, die in dat ongepeilde diep zoo wonder leven, zulk een heirleger van zijn schepselen onderhoudt, die de winden loslaat, maar ook weer den storm doet bedaren, en veilig geleidt op het veelbewogen pad. Ja hier hoort men den orgeltoon van den machtigen natuurpsalm: „De rivieren verheffen, o Heere! de rivieren verheffen haar bruisen, de rivieren verheffen haar aanstooting, doch de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van groote wateren, dan de geweldige baren der zee” Ps. 93 : 3, 4. Voorzeker het geloof in dien God geeft kalmte en rust des gemoeds temidden van storm en onweer, in de bewustheid, dat boven het woelen der elementen staat de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, die ook mijn Vader is, „op welken ik alzoo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij van alle nooddruft des lijfs en der ziel verzorgen |8| en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keeren, wijl Hij zulks kan doen als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader”.

Na negen dagen stoomens, waarvan wij sommige stormachtige, andere schoone dagen doorbrachten, was het een genot op Maandagmorgen 6 Juni land te zien. De zon brak door den morgennevel, toen wij Sandyhook gepasseerd waren, en den mond van den Hudson invoeren. Daar ligt de nieuwe wereld voor ons, en de beweging op het water, het gefluit en getoeter der stoombooten, het gonzend geluid, dat ons omringt, vertolken, dat een nieuw en ongekend leven voor ons zich zal ontplooien. Aan de linkerzijde rijst hoog op uit de zee de groenende kust van het Staten-Island, een heerlijk golvend land, met kostelijk groen geboomte, bezaaid met landhuizen, terwijl temidden van dat lieflijk oord een groot fort zijn dreigende vuurmonden over den (mond van den) Hudson richt. Aan den rechterhand ziet men Brooklijn, de geweldige sky-scrapers, de leelijke gebouwen, gedrukt, zwaar vierkant, gespeend aan alle pozie, als om den reiziger terstond bij de aankomst reeds den indruk te geven, dat hier geleefd wordt voor den Mammon. Wij stoomen verder. Daar waar de Hudson zich in tween deelt, en om het eiland Manhattan loopt als noordelijke en zuidelijke rivier, zien wij midden in de Upper Bay het machtige vrijheidsbeeld op Liberty Island. 1) Wij |9| gaan verder, links voorbij Ellis Island, waar de emigranten eerst onderzocht worden, rechts latend Governor’s Island, het hoofdkwartier van het militaire departement van den Atlantischen Oceaan, pal noord naar Hoboken, vlak tegenover New-York, aan de overzijde van den Hudson. Eindelijk, wij zijn er. Langzaam gleed onze boot naast de nieuwe pier van de Holland-Amerika-Lijn. Voor alle deuropeningen van de pier staan menschenmassa’s, juichend, wuivend met zakdoeken en Amerikaansche vlaggetjes. En van de boot wuift en schreeuwt men terug. Onder de wuivende menigte zag ik ook bekenden, die gereed stonden mij te ontvangen: Ds. Volbeda, Mark Bouma en Mr. Emo van Halsema. Het douanenkantoor maakte het mij al zeer gemakkelijk en zoo ging ik door Hoboken, en verder met den subway naar Jersey City, om, het bezoeken van New-York uitstellend tot later, mij terstond naar Paterson te begeven, dat ongeveer een uur sporens N.W. van New-York gelegen is. |10|




1. Het vrijheidsbeeld op Liberty Island is door de Fransche Republiek aan de Vereenigde Staten aangeboden ter herinnering aan de honderdjarige gedachtenisviering van de onafhankelijkheid der Noord-Amerikaansche republiek. Het beeld zelf, ontworpen door Auguste Bertholdi, is vervaardigd van koper en ijzer, en is |9| 151 voet hoog. Het granieten voetstuk waarop het beeld geplaatst is, is een geschenk van de burgers van de Vereenigde Staten, en is 155 voet hoog. Langs een trap kan men binnen in het beeld stijgen tot in het hoofd, waar een ruimte is voor veertig personen, en waar men een prachtig gezicht heeft op New-York en omgeving. Des nachts is de top electrisch verlicht.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004