Gerrit Cornelis Berkouwer (1903-1996)

Abraham Kuyper en de theologie van het Hollandsche Neocalvinisme

De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het Gereformeerde leven

13e jaargang, onder redactie van K. Schilder, C. Tazelaar en J. Waterink
Goes (Oosterbaan & Le Cointre) 1932-1933
21,161v; 22,169v; 23,177v; 24,185v; 25,193v; 26,201v; 27,209v (24 februari — 7 april 1933)

a


IIIIIIIVVVIVII

I.

Er is reeds heel wat te doen geweest over de theologie van Dr A. Kuyper. Vurig is de waardeering geweest voor zijn theologische nalatenschap, maar fel was meermalen ook de kritiek. En n van de vragen, die steeds weer aan de orde kwamen, was deze: Kan in de theologie van Dr Kuyper worden gezien een zuivere voortzetting van de oude Gereformeerde theologie? Of moet van een principiele wijziging worden gesproken, die, dan ten nauwste zou samenhangen met die „behoefte”, waarvan Dr Kuyper spreekt in het Voorwoord van zijn Encyclopaedie, „om de Gereformeerde Theologie, die als zoodanig reeds sinds het midden der vorige eeuw den slaap der tragen sliep, weer wakker te schudden en in rapport te brengen met het menschelijk bewustzijn, gelijk zich dit aan het einde der 19e eeuw ontwikkeld heeft”?

Het antwoord op deze vragen is zeer verschillend geweest. Er zijn er meerderen geweest, die duidelijk de ingrijpende wijzigingen meenden te kunnen signaleeren. We denken hier b.v. aan het bekende werk van Dr C.B. Hylkema: Oud- en Nieuw-Calvinisme (Een vergelijkende historische studie 1911), waarin de schrijver de positieve bewering uitsprak, dat er een fundamenteel verschil valt aan te wijzen tusschen Oud- en Nieuw-Calvinisme (Institutie van Calvijn en Stone-lezingen van Dr Kuyper) en dat met name n in natuurbeschouwing n in geschiedbeschouwing n in menschheidsbeschouwing het Neocalvinisine „de oude wereldbeschouwing volkomen, men mag wel zeggen bewonderenswaardig geniaal en consequent, met de moderne heeft verwisseld”.

Aan het Oud-Calvinisme ligt volgens Hylkema de supranaturalistische, aan het Nieuw-Calvinisme de naturalistische wereldbeschouwing ten grondslag. De kloof is onoverbrugbaar.

Een tweede voorbeeld vinden we in de beschouwingen van Prof. Dr B.D. Eerdmans over „De theologie van Dr A. Kuyper”, die op verschillende punten bij Dr Kuyper geheel andere dogmatische lijnen ontdekt dan in de oude Gereformeerde theologie, b.v. inzake voorbeschikking en wedergeboorte. „De Gereformeerde Theologie was dood en ziet, zij is weder levend geworden. Zoo schijnt het. Maar het is slechts schijn”.

We gaan op deze beschouwingen niet nader in, maar noemen ze alleen als probleemstelling van ongeveer 20 jaar geleden. We kunnen n.l. wel zeggen, dat deze probleemstelling in dien zin thans niet meer zoo actueel is 1). In den tijd na dien zijn deze beschouwingen als vanzelf meer en meer op den achtergrond gedrongen 2). Maar dat wil geenszins zeggen, dat „de theologie van Dr A. Kuyper” of „de theologie van het Neocalvinisme” niet nog steeds voor velen een zeer merkwaardig phenomeen is en dat niet nog telkens een zeer gevarierde kritiek op haar wordt uitgeoefend. De quaesties, die in het debat rondom Dr Kuypers theologie gerezen zijn, zijn zeer belangrijk en al |161b| kunnen we meermglen niet anders dan die kritiek als te zwak gefundeerd afwijzen, ze dringt ons toch telkens weer tot nader onderzoek van Dr Kuypers geschriften. Om enkele voorbeelden te noemen. Daar is het boek van H. Huisman: „Eenige grondwaarheden van den Christelijken godsdienst in overeenstemming met Gods Woord, de belijdenisschriften, Calvijn en andere onzer Geref. Vaderen, en daarmee vergeleken de beschouwingen van Dr Kuyper” 3); uit later tijd de kritiek van J.J. van der Schuit in diens rectorale oratie in 1925, waarin hij ook handelde over de „Neo-calvinistische, of Kuyperiaansche richting” 4); voorts de Neo-Kohlbruggiaansche kritiek op Dr A. Kuyper, uitgebracht door Bhl e.a. 5)

Inzonderheid hebben echter den laatsten tijd de beschouwingen van Prof. Dr Th.L. Haitjema over Dr Kuyper de aandacht getrokken en omdat hij meermalen heeft uitgesproken tot zijn critische houding gedrongen te worden vanuit het gezichtspunt der ware Gereformeerde theologie, waarvan het Neocalvinisme zou zijn algeweken, loont het de moeite zich op deze verschillen te bezinnen en we willen in enkele artikelen ons van deze vragen rekenschap geven.

Reeds meermalen is in „De Reformatie” over de beschouwingen van Prof. Haitjema geschreven met name door Ds K. Schilder, o.a. over het paradoxaal karakter der waarheid, over de interpretatie van Calvijn enz. Wat de bezwaren tegen Dr Kuyper betreft, deze hangen, zooals wel vanzelf spreekt, ten nauwste samen met de beschouwingen, reeds vroeger in „De Reformatie” besproken, maar ze hebben thans nog vaster vorm aangenomen door enkele nieuwere publicaties van Prof. Haitjema. Daar is allereerst zijn boek: „Het Woord Gods in de moderne cultuur”, waarin direct en indirect nog al wat te vinden is, dat beteekenis heeft voor ons onderwerp en dan niet te vergeten de lezing van Dr Haitjema, aan de Universiteit te Bonn, gehouden op 9 April 1931, verschenen in het tijdschrift van Barth onder den titel: „Abraham Kuyper und die Theologie des hllandischen Neocalvinismus”. Een bespreking van de opgeworpen vragen voert ons dan tegelijkertijd langs een interessante polemiek, aangezien nog maar kort geleden Dr W.Th. Boissevain een critische beschouwing gaf over Dr Haitjema&#!46;s nieuwste boek onder den titel: Het „Woord Gods” in de nieuwere dogmatiek (1932).

Het zal voor de Duitsche theologen, voorzoover ze de geschriften van Dr Kuyper niet kennen, momenteel wel zeer moeilijk zijn, zich van diens werk een juist beeld te vormen. Want de situatie is wel zeer gecompliceerd. Eenerzijds zijn ze met Dr Kuyper eenigermate bekend gemaakt door de publicaties van Dr W. Kolfhaus, die reeds verschillende jaren geleden een levensbericht gaf. Toen Dr Kolfhaus echter onder den invloed geraakte van Barth’s theologie, werd hij gedwongen zich rekenschap te geven van de verhouding van beide theologen. Als resultaat van dit onderzoek kwam hij tot de conclusie, dat er geen tegenstelling bestond tusschen Kuyper en Barth. Veelmeer is hij er van overtuigd, dat ze beide „zonen eens huizes” zijn en dat „in de verschillende gestalte van beide mannen dezelfde Christelijke, of nauwkeuriger, Kalvinistische geest zich openbaart”. Dr Kolfhaus heeft toen zijn vergelijking tusschen |161c| Dr Kuyper en Dr Barth gepubliceerd in het tijdschrift van Dr Haitjema (Onder Eigen Vaandel).

En daarnaast staat nu de bespreking van Dr Haitjema zelf in het tijdschrift van Barth en de zoo juist uit Dr Kolfhaus’ artikel geciteerde zin zal zeker niet door hem worden onderschreven. En zoo is het voor de Duitsche theologen wel buitengewoon moeilijk hier tot een helder inzicht te komen. Hetgeen wel zeer te betreuren valt. Te meer waar ze nu eenerzijds hooren, dat Barth zoo ongeveer hetzelfde bedoelt te zeggen als wat Dr Kuyper reeds vroeger ten onzent heeft gezegd (een stelling, die o.i. niet te handhaven is 6)) en andererzijds, dat er hier in Holland een „Neocalvinisme” bestaat, dat op beslissende punten in strijd is met Calvijns gedachten 7). Wanneer we in dit geding positie zouden moeten kiezen, zouden we willen zeggen, dat Dr Haitjema terecht ziet, dat er een essentiel verschil bestaat tusschen Kuyper en Barth. Dat de combinatie van Dr Kolfhaus geforceerd is, blijkt trouwens uit enkele uitlatingen van Barth zelf. Destemeer is er reden om de vraag te stellen of de introductie van Dr Kuyper in Duitschland door Prof. Haitjema op juistheid kan aanspraak maken.

*

Voordat we zijn kritiek op Dr Kuyper nader bespreken, wijzen we op de waardeerende woorden, die we in verschillende zijner artikelen aantreffen. Dr Haitjema is overtuigd van Kuypers diepe Godsvrucht. Vele meditaties maken het hem verklaarbaar, dat Dr K. zich in zijn beste oogenblikken met Kohlbrugge geestverwant voelde 8). Maar z’n waardeering beperkt zich niet tot de eerbiedige erkenning van Kuypers vroomheid. Neen, niet alleen spreekt hij er van dat Kuyper „in zijn heerschers-ik geknakt was bij Christus’ kruis”, maar hij erkent tevens „de visie van Dr Kuyper op het probleem der restauratie van een echt-Nederlandsche theologie als een uitzicht van geweldige waarheidswaarde” 9). Achter Kuypers Universiteits-stichting gloeide „het machtige ideaal van een herkerstende Europeesche kultuur” en Kuypers pogen was „een van de meest beteekenende verschijnselen in Godgeleerd Nederland” in de laatste 60 jaar Nederlandsche theologie. Hij betreurt het dan ook, dat Dr Kuypers Encyclopaedie in Duitsehland zoo weinig bekend is. Want deze Hollandsche theoloog was iemand, waarmee gerekend moet worden. Aan zijn arbeid lag serieuze studie ten grondslag. „Hij doorkroop in waarheid Calvijn en de Gereformeerde patres” 10). Zoo vinden we bij Dr Haitjema meermalen zeer waardeerende woorden over dezen man met zjjn „bijna phantastisch combinatie- en divinatievermogen”.

Maar het blijkt, dat deze waardeering toch zeer betrekkelijk is. Ze vormt de inleiding tot een felle critiek. Want het is Haitjema’s overtuiging, dat aan dezen theoloog niet de eer toekomt „van de doorbraak tot een revival der Geref. theologie in Nederland”. 11)

Zijn Nieuw-Calvinisme is geen herleefde Gereformeerde theologie geworden. Voor Haitjema staat vast „dat dr, waar Kuyper zijn droomenland |162a| van een herleefde Calvinistische cultuur zocht, alleen „Utopia” liggen kan. Ondanks alle waardeering moet z.i. toch het vonnis worden geveld dat Dr Kuyper „het slachtoffer geworden is van een te vroeg gegrepen synthese-triomf”.


II.

We besloten ons eerste artikel met het memoreeren van waardeerende uitspraken van Dr Haitjema over Dr Kuyper, die echter de inleiding blijken te zijn tot een felle critiek. Wij willen thans die critiek nader onder oogen zien. Ze dateert niet pas uit den tijd, waarin de Zwitsersche theologie invloed op Dr Haitjema’s denken kreeg. Want we bezitten reeds een artikel van zijn hand uit het jaar 1919, waarin hij zich kritisch stelt tegenover Dr Kuyper. We bedoelen het artikel: „De cultuurwaardeering van het Nieuw-Calvinisme” in de periodiek „Onze Eeuw” (1919). Dr Haitjema is hier reeds zeer positief in zijn uitspraken. Hij acht het „een onomstootelijk feit”, waarvan hij vrijelijk mag uitgaan, dat het echte Calvinisme uit de reformatorische eeuw, het Calvinisme van Calvijn zelf, niet zonder meer vereenzelvigd mag worden met het Calvinisme, dat sedert 1875 in ons land met gloed en geestdrift verdedigd werd door Dr Kuyper e.a. en hij wil dan op n speciaal punt, n.l. de cultuurwaardeering de verandering van gedachten signaleeren. Het Nieuw-Calvinisme is z.i. veel meer dan het oorspronkelijke Calvinisme gekeerd naar de wereld met hare beschaving, kunst en wetenschap. Niet in dien zin, als zou Calvijn de cultuur hebben veracht en cultuurontvluchting hebben gepropageerd, maar de stemming, de opzet en de aanpak zijn bij Dr Kuyper anders. Het is een gedachte, die Dr Haitjema vasthoudt tot in het artikel in „Zwischen den Zeiten” (1931), dat Dr Kuyper tenslotte was of althans steeds meer geworden is: de cultuurphilosoof. Achter den cultuurphilosoof moest de Calvinistische dogmaticus terugtreden. Want het was hem niet maar om een dogmatiek, maar om een wereld- en levensbeschouwing te doen, een tendenz, die volgens Dr Haitjema ook openbaar wordt in „Wijsbegeerte der Openbaring” van Dr H. Bavinck. We staan voor een sterk geprononceerd „open zijn” voor de cultuur, voor een zoeken naar een synthese tusschen Christendom en cultuur. Nu is dit op zichzelf echter nog niet het punt, waarop Dr Haitjema zijn aanval richt. Zelfs acht hij het „de onvergankelijke verdienste van het herleefde Calvinisme in ons vaderland, dat het het ideaal der verzoening tusschen Christendom en cultuur weder wakker geroepen” heeft. Het heeft terecht de universeele beteekenis van het Christendom gehandhaafd en geweigerd te berusten in een toestand, waarin de cultuur steeds meer alle Christelijke momenten uitstiet en den Christen met zijn houding in die cultuurwereld geheel verlegen dreigde te maken.

Maar — en dit is de vraag, die Dr Haitjema vooral bezighoudt — op welke wijze heeft Dr Kuyper dat gedaan? Want de wijze, waarop men „openstaat” voor de cultuur, beslist. Op deze vraag nu krijgen we een ondubbelzinnig antwoord. „De drang naar harmonie tusschen Christendom en cultuur kan uit eerbied voor Christus, doch, ook uit vereering van de cultuur voortkomen”. Dat laatste nu heeft bij Dr Kuyper een rol gespeeld. Hij heeft dientengevolge uit het Egypte der moderne cultuur bij zijn uittocht wel eens te veel meegenomen en ten duidelijkste komt dit uit in zijn beschouwingen over „de gemeene gratie”. |169b| Want daarin geeft hij aan de werking der gemeene gratie in deze wereld een zelfstandig doel naast de bizondere, genade. Heeft Dr Kuyper zelf niet uitgesproken, dat zij „tegelijk ook het zelfstandig doel in zich draagt om al wat in ons geslacht aan kiemen school, tot eer en prijs van Gods naam in het licht te doen treden”? En is niet dit de noodlottige consequentie van deze gedachte, die in het brein van Calvijn nooit is opgekomen, dat dan ook „de rechtzettende werking van het beginsel der palingenesie (wedergeboorte) niet strikt noodzakelijk meer genoemd kan worden? En wordt op deze wijze niet ernstig schade gedaan aan de kosmische beteekenis van den Christus en wordt door deze leer met haar „kringen- en sferen-onderscheiding” (pag. 101) niet de eenheid van Gods herscheppend werk in Christus gebroken? Z moest het wel komen tot innerlijke disharmonie en diepingrijpende onevenredigheden. Slechts ten koste van de waarheid kon Dr Kuyper in het leven van zijn tijd staan als de Neocalvinistische cultuurphilosoof en velen bezielen voor zijn machtig ideaal. 12) Niet de Calvinistische dogmaticus, niet de rustig bezinnende systematicus wordt de leider van het Gereformeerde volksdeel, maar . . . de apologeet! De Gereformeerde belijdenis wordt „niet zoozeer op haar innerlijke diepte en intensieve waarde gepeild, als veeleer om haar expansieve kracht en door zurende werking voor al de terreinen des levens geestdriftig aangeprezen” (86). De accentverschuiving is niet te loochenen. De nadruk valt niet allereerst „op de vraag, wat een Gereformeerd Christen in onzen modernen tijd gelooft en belijdt, doch veeleer op die andere, hoe een Gereformeerd Christen zich houden moet in het moderne cultuurleven” (91).

Zoo luidt de kritiek, die in later jaren door Dr Haitjema in „De Gereformeerde Kerk” is gehandhaafd. Dr Kuypers teer is „anticalvinistisch”. Er is geen eenheid meer in Gods werk. „De verschillende kringen en sferen blijven in de eigen afgeslotenheid”. En „de heerschappij van het Woord Gods” wordt „overal principiel onmogelijk gemaakt”. M.a.w. verwereldlijking is het noodlottig gevolg.

*

Dr Kuyper . . . cultuurphilosoof!

Dit is een telkens bij Dr Haitjema terugkeerende gedachte. Hij schrijft nog in 1931, dat bij Dr Kuyper na zijn vertrek uit Beesd, de specifiek-theologische doelstelling plaats maakte voor de cultuur-philosofische. Kuypers doel is sindsdien niet meer allereerst het eerherstel der Gereformeerde theoIogie, maar de cultuurherkerstening van WestEuropa. Hij ging steeds meer als zijn taak zien: te zorgen voor een tegenstroom tegen het humanisme, met name tegen het Duitsch idealisme, een Christelijke philosophie te geven en een wetenschapsleer, en hoopte voor de verbreiding van zijn idealen in geheel West-Europa op zijn stichting: de Vrije Universiteit, die zou moeten medewerken tot de cultureele hegemonie van het Calvinisme. Dat is volgens Haitjema de expansie-drang van het Nieuw-Calvinisme!

Maar — aldus de kritiek — wie ziet hier niet het gevaar?

Dr Kuyper staat hier als geharnast strijder aan de grenzen der wijsgeerige cultuurwereld. Maar — achter die frontlijn, waarop al Kuypers aandacht is geconcentreerd, ligt . . . de theologie. En ja, dr moesten de krachten vandaan komen, die tot de verantwoordelijke grenswacht in staat stelden, maar nu geeft de historie juist het omgekeerde te aanschouwen, n.l. dat de theologie meer en meer gevoed werd door de buit, die de cultuurphilosophische Calvinist aan zijn vijanden wist te ontrukken. En het Nieuw-Calvinisme na Kuypers dood geeft volgens Haitjema van dezen stand van zaken een treffende bevestiging. Jaren later, — |169c| wanneer hij positie kiest in de kwestie-Dr Geelkerken — in zijn referaat over „De Asser Synode en het Schriftgezag” (O.E.V. 1926) — tast hij „naar den diepsten grond voor den droeven afloop van het Geelkerken-proces” door te verwijzen naar Dr Kuyper. „Hij heeft wind gezaaid, — de storm moet geoogst worden”. Te veel had deze reformator meegenomen uit het land der Verlichtingscultuur, dan hij in den dienst van zijn God en tot uitbouw van een Calvinistische wereld- en levensbeschouwing gebruiken kon. „De leuze, die van den bodem der nuchtere werkelijkheid gaarne gewaagde”, heeft zich gewroken.

*

In het artikel in „Onze eeuw” zegt Dr Haitjema, dat inzake het punt, waarop hij zijn kritiek richtte, door andere Nieuw-Calvinisten nog geen opzettelijke bespreking werd gegeven. We zijn nu jaren verder. En het is sindsdien meermalen uitgesproken, dat de leer der gemeene gratie nog nader moet worden uitgewerkt, dat er punten zijn, waarover nog niet voldoende helderheid bestaat en zoo schijnt het artikel van Dr Haitjema door latere Gereformeerden te worden gerechtvaardigd. We zien b.v. zeer sterk op den voorgrond treden de verhouding van algemeene en bizondere genade. Prof. V. Hepp spreekt uit, dat de algemeene genade er is om de bizondere 13); Ds van Munster bespreekt de vraag naar den rechtsgrond der gemeene gratie en wijst op het gevaar van dualisme, dat alleen vermeden kan worden, als we particuliere en algemeene genade beide zien in het licht van het Kruis en met name ook de gaven der gemeene gratie zien als vrucht van dat Kruis 14); Ds K. Schilder is van oordeel, dat het leerstuk der gemeene gratie aanvulling noodig heeft, ten deele ook in den vorm, waarin het vaak werd voorgedragen, correctie 15). Zoo blijken hier nog allerlei vragen op te komen, die het woord van Dr H. Kuiper bevestigen, dat in de Gereformeerde theologie wel unaniem geleerd wordt, dat er een niet-reddende genade is, maar dat er verschil van meening bestaat over menig belangrijk punt inzake deze gemeene gratie 16). En toch — als we alles rustig overwegen, kunnen we ons steeds minder aan den indruk onttrekken, dat het bij Dr Haitjema toch om wezenlijk andersoortige vragen gaat dan in de bovengenoemde publicaties van Gereformeerde zijde. Dit blijkt o.i. duidelijk, wanneer we zoeken te onderkennen den achtergrond van Dr Haitjema’s bezwaren. We hooren dan in de eerste plaats dat sterk geaccentueerde bezwaar, dat de dogmaticus, de theoloog op den achtergrond, en de cultuurphilosoof op den voorgrond komt. Vooral na het vertrek uit Beesd zou dit proces zich hebben voltrokken 17). Het onstuimig verlangen naar expansie zou de waardeering voor de innerlijke diepte en intensieve waarde der Gereformeerde belijdenis niet onbeduidend hebben gerelativeerd. Wat is hier Dr Haitjema’'s bedoeling? Hij wil niet bestrijden het poneeren van de universeele beteekenis van het Christendom. Is het dan misschien dit, dat Dr Kuyper later niet alleen maar theoloog is geweest, maar meende zich ook op andere terreinen te kunnen en te moeten geven? 18) Wat dit laatste betreft, wanneer Dr Kuyper voor zich een taak zag ook nog op een ander terrein dan dat |170a| der theologie, dan ligt hier in het minst nog niet in opgesloten, dat de gedachte aan een eerherstel der Gereformeerde theologie hem niet meer zoo als vroeger bezielde. Het is juist het merkwaardige feit, dat deze combinatie bij Dr Kuyper wel aanwezig was. Diezelfde belangstelling en dat zelfde ideaal van zijn jaren in Beesd zien we nog in 1886, wanneer hij uitspreekt als antwoord op de vraag: Wat wil Dr Kuyper toch?, dat de studie der theologie in toenemende mate zijn kracht opeischt; dat het „al zijn jaloerschheid en zielsinnig begeeren” is, om eerst zijn Encyclopaedie, daarna zijn dogmatiek uit te geven om tenslotte zijn levensarbeid te besluiten met de uitleggjng van een boek uit het Woord. „Hooger en verder gaan mijn asperatin niet.” 19).

En deze persoonlijke weergave van eigen ideaal vindt haar bevestiging in de vele zuiver-theologische publicaties na dien tijd. Ongetwijfeld, niet alleen theologische publicaties, maar Dr Kuyper was nu eenmaal elke tegenstelling tusschen het terrein der theologie en andere terreinen te boven. Het probleem van Dr Kuypers werk ligt veel en veel dieper, dan dat het gekarakteriseerd kan worden als een zwenking van de primair-theoIogische (de uitdrukking is van Dr Haitjema) naar de primair-cultuurphilosophische belangstelling. Een persoonlijke arbeidsverdeeling en een persoonlijk aanvaarden van een zeer gevarierde taak is niet het terrein waarop overtuigingen kunnen worden besproken. En de volle bewijslast blijft dan ook op Dr Haitjema rusten ten opzichte van Dr Kuypers theologische gedachten. En op dat terrein, waarop de beslissing valt, treffen we nu als eerste geding aan: de gemeene gratie, de kosmische beteekenis van Christus en de vraag naar de verwereldlijking van het leven. We kunnen dit vraagstuk niet uitvoerig behandelen, maar willen er slechts op wijzen, dat men ook door een sterk accentueeren van het onlosmakelijk verband tusschen algemeene en bizondere genade nog geenszins op de instemming van Dr Haitjema rekenen mag.

Want zijn bezwaar hangt ten nauwste samen met zijn kritiek op Dr Kuypers „kringen- en sferenonderscheiding”, waarin hij ziet een noodlottige verzelfstandiging van het leven tegenover den Christus. Dat is o.i. de achtergrond van Dr Haitjema’s kritiek. Niet om het vraagstuk van de verzoening tusschen Christendom en cultuur op zichzelf cirkelen zijn Kuyperbeschouwingen; evenmin om het vraagstuk van de universeele beteekenis van het Christendom of om een persoonlijk interesse van Dr Kuyper voor n of ander terrein buiten de theologie (al ziet hij in Dr Kuypers leven een reflex van een bepaalde beschouwing), maar zijn kritiek cirkelt om dat ne punt, waarin Dr Kuyper radicaal van Calvijn is afgeweken, n.l. de gedachte van de souvereiniteit in eigen kring. Het is deze kwestie, die meermalen op den achtergrond staat van Dr Haitjema’s beschouwingen. Hij heeft eens geschreven, dat deze uitdrukking van Kuypers levensarbeid „erfelijk belast mag heeten” en „het inzicht in den vollen rijkdom van Calvijns gedachtenwereld vertroebelt” 20). Waar dit n van de centrale punten is, die Dr Haitjema scheidt van „de theologie van het Hollandsche Nieuw-Calvinisme”, moet het wel zeer betreurd worden, dat hij eens van die gedachte der souvereiniteit in eigen kring een weergave heeft gegeven, die met de weergave van Dr Kuyper in zijn bekende rede schier geen enkelen trek van gemeenschap meer heeft.


III.

In het artikel over de cultuurwaardeering van het Nieuw-Calvinisme heeft Dr Haitjema het zelfstandig doel der gemeene gratie, waarvan Dr Kuyper spreekt, zoo genterpreteerd, dat dan de rechtzettende werking van het beginsel der wedergeboorte niet meer strikt noodzakelijk kan worden genoemd en dat zoo de eenheid van Gods herscheppend werk in Christus wordt gebroken door een kringen- en sferen-onderscheiding. Deze kritiek heeft vaster vormen aangenomen door het reeds genoemde artikel over „Kerk en Staat” 21).

Dr Haitjema acht het de fout van het groote werk van Dr J.Th. de Visser, dat hij voortdurend den diepen zin van het Calvinistisch samenlevingsbeeld miskent, doordat hij als principiel inzicht van Calvijn noemt de vrijheid en onafhankelijkheid van Kerk en Staat in eigen sfeer, en dus voor beide erkent de souvereiniteit in eigen kring. Dr Haitjema is het met deze beschouwing in het geheel niet eens. Hij ziet een andere beschouwing als het centrum van Calvijns denken, n.l. het kerkstaatideaal. Heeft Calvijn niet de doorvoering van de theocratie in Genve tot zijn dood toe als zijn reformatorischen levensarbeid gezien en heeft dan het Neocalvinisme wel het recht, zich van Calvijns theocratische idealen af te maken met een kort: „Roomsche zuurdeesem, anders niet”? „Het Neocalvinisme heeft er wel een handje van om Calvijns gedachten over kerk en staat kortweg ter zijde te stellen als niet behoorende tot de hooge beginselen van het Calvinisme”. En diep wordt het door Dr Haitjema betreurd, dat Dr Kuyper reeds in zijn „Tractaat voor de reformatie der kerken” (1883) afkondigde, dat hij het kerkstaat-ideaal van Calvijn met het daarbij behoorende Art. 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis begeerde te negeeren in zijn herbouw der Geref. theologie. Het is z.i. Hoedemaker geweest, die tegen deze verscheuring steeds nadrukkelijker protesteerde, steeds bewogener ging pleiten voor kerkelijk denken en de verrassende actualiteit van art. 36 in het licht stelde, omdat hij bij vernieuwing het theologisch denken liet cirkelen om die spil van Calvijns denken, n.l. het theocratisch ideaal. En als men de verhouding van kerk en staat z ziet, dan wordt het steeds meer onmogelijk, zich een herkerstening der cultuur te denken, waarin de kerk als instituut en de theologie als kerkelijke theologie geen rol spelen.

Dan verwerpt men de isoleering, omdat men de waarde gaat zien van het Calvinistisch samenlevingsbeeld, dat in het levend organisme, der menschelijke samenleving de kerk ziet als de ziel in dit groote organisme en de staat als het centrale orgaan in het lichamelijk organisme. En het is volstrekt onjuist, om dit „Calvinistisch idealisme” prijs te geven „omdat er in de werkelijkheid niets meer mee te beginnen is”.

*

In deze beschouwingen ligt als vanzelf opgesloten de verwerping van de uiteenzettingen van Dr Kuyper over de verhouding van Kerk en Staat. Het probleem, dat hier aan de orde is, is |177b| ongetwijfeld van groot belang. Het inzicht in de verhouding van kerk en staat is niet een gesoleerd moment, maar slechts een onderdeel van een universeele beschouwingswijze. Het is Dr Haitjema te doen om een reactie tegen de middelpuntvliedende krachten, die vooral sinds het tijdperk der Verlichting aan het werk zijn gegaan. De individualiteit is losgebroken op alle gebied en — waar liggen nu de samenbindende krachten, die hier nog reddend werk kunnen doen? 22) Op deze vraag geeft Dr Haitjema het antwoord, dat de beschouwingen van Dr Kuyper het isolement der verschillende levensterreinen in de hand werken en daardoor de gevolgen van de losbrekende individualiteit op jammerlijke wijze sanctioneeren. Het is de gedachte der souvereiniteit in eigen kring, (een term, na Kuypers levensarbeid erfelijk belast) die „het inzicht in den vollen rijkdom van Calvijns gedachtenwereld vertroebelt”.

De eerste vraag, die hier gesteld moet worden, is deze: hoe is het verklaarbaar, dat Dr Haitjema zijn beschouwingen over Dr Kuyper in deze richting steeds verder uitwerkt, terwijl toch b.v. ieder zich herinnert het woord van Dr Kuyper, dat er geen duimbreed is „op heel het erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus, die, aller Souverein is, niet roept: „Mijn”? 23)

Het antwoord op deze vraag vinden we in een weergave van de gedachte der souvereiniteit in eigen kring, die Dr Haitjema ons in het artikel „Kerk en Staat” geboden heeft. Om het belang van deze vragen laten we, het citaat in zijn geheel volgen:

„Onwillekeurig toch toovert deze uitdrukking ons het beeld van de vele kringen voor, die elk voor zich in hunne algeslotenheid blijven. En als er nu iets kenmerkend mag heeten voor den „godsdienst”, dan toch zeker wel dit, dat hij zich nooit opsluiten laat in zulk een cirkel, die aan zijn invloedssfeer aan alle zijden grenzen stelt. Van de Christelijke religie geldt dit zeker a fortiori. Juister is misschien nog te zeggen, dat een Christendom, waarvan het Woord Gods het levende eentrum is, natuurlijk geen kringbegrenzing duldt; is het niet haast hoogste Majesteitsschennis tegenover de souvereiniteit van het eigen Woord van God te beweren, dat ze geldt in een bepaalden samenlevingskring alleen? In ieder geval suggereert ons de uitdrukking „souvereiniteit in eigen kring” een naast-elkander-stelling der kringen op het groote gebied van het menschelijk cultuurleven in den meest verheven zin. Godsdienst is daarmee in beginsel in het gezichtsveld der cultuurphilosophie getrokken”. 24)

Deze weergave bevat — kort samengevat — de volgende momenten:

1º. Er zijn verschillende kringen, waarvan de godsdienst er n is.

2º. De overige kringen begrenzen de invloedssfeer van den kring van den godsdienst.

3º. het Woord Gods geldt maar in n kring; in de andere kringen heeft het niets te zeggen.

4º. Souvereiniteit in eigen kring houdt dus in begrenzing van de souvereiniteit van het Woord Gods.

Op grond van het bovenstaande moeten we niet zonder verwondering constateeren, dat Dr Haitjema de gedachte der souvereiniteit in eigen kring geinterpreteerd heeft als het autonomieprincipe! Immers, wanneer de verschillende kringen de souvereiniteit van het Woord Gods begrenzen en de heerschappij van dat Woord alleen mogelijk is in de sfeer van den godsdienst, dan zijn al die andere kringen autonoom.

Wanneer deze interpretatie op juistheid zou kunnen aanspraak maken, dan zou misschien feller nog dan in de kritiek van Dr Hylkema tot Dr Kuyper het verwijt te richten zijn van een principiele afbuiging van het oorspronkelijk Calvinisme. Want dan zou het „Neocalvinisme” volkomen |177c| liggen in de lijn van dat streven naar autonomie in allerlei levenskringen, dat vooral de laatste eeuwen steeds sterker is geworden. Dan zou het „Neocalvinisme” een merkwaardige overeenkomst vertoonen met de grondgedachten van een lezing, die voor eenigen tijd Dr J.C.A. Fetter hield voor de afdeeling Amsterdam van den Ned. Protestantenbond over het onderwerp: Met welk recht noemen wij ons vrijzinnig? Want deze zeide, dat er vier voorwaarden zijn voor het recht om zich vrijzinnig te noemen, n.l. de keuze voor de dynamische levensbeschouwing, het open staan voor alle uitingen der cultuur, de algeheele overgave aan God en dan — „wij moeten de autonomie van alle cultuurwaarden aanvaarden”. En wat houdt deze autonomie in? Ze blijkt geheel iets anders te zijn dan de souvereiniteit in eigen kring. „De man der natuurwetenschap heeft als natuurwetenschappelijk mensch met de religie niets te, doen. De zedelijk handelende mensch behoeft als zoodanig niet religieus te zijn”.

Nogmaals, wanneer werkelijk deze autonomiegedachte de diepste drijfveer zou zijn van Dr Kuypers beschouwingen over de souvereiniteit in eigen kring, dan zouden we onvoorwaardelijk aan de zijde van Dr Haitjema staan en er niet anders in zien dan een symptoom van verwereldlijking, van de isoleering van de religie tot n apart terrein. We zouden in dat geval geen oogenblik aarzelen te erkennen, dat Dr Kuyper te veel uit het land der Verlichtingskultuur had meegenom, dan hij in den dienst van God kon gebruiken en we zouden geen protest meer aanteekenen, wanneer iemand zei, dat er toch wel heel nauwe verwantschap bestaat tusschen dit „Neocalvinisme” en hen, die onder invloed der critische philosophie zoo sterk opkomen voor de autonomie der verschillende kultuurgebieden 25).

Maar als we — na Dr Haitjema’s weergave te hebben gelezen — ons weer bezig houden met de uiteenzettingen van Dr Kuyper zelf over dit onderwerp, waarmede hij in 1880 de Vrije Universiteit inwijdde, dan komen direct merkwaardige en fundamenteele verschillen aan het licht, waardoor het o.i. noodzakelijk wordt de weergave van Dr Haitjema als onjuist af te wijzen. Wanneer Dr H. het een kenmerk noemt van den godsdienst, dat hij zich nooit laat opsluiten in een cirkel, die aan zijn invloedssfeer aan alle zijden grenzen stelt (en dat dit a fortiori van het Christendom geldt), dan mag allereerst gewezen worden op de onderscheiding, die Dr Kuyper zelf maakte tusschen godsdienst en religie. „Godsdienst is het dienen van God in culte en practijk. Religie is het woord, dat onze vaderen bezigden om de bewuste verhouding tusschen God en het menschelijk creatuur uit te drukken” 26). En wat nu die religie betreft, hierover heeft Dr Kuyper ons niet in het onzekere gelaten. Het is zelfs zijn voortdurend streven geweest de isoleering der religie, (die Dr Haitjema in de souvereiniteit in eigen kring belichaamd ziet) te bestrijden. Hij heeft er telkens weer den vollen nadruk op gelegd, dat de Calvinist bepleit „dit universeel karakter van religie, voor wat haar sfeer en kring onder menschen aangaat. Niets is geschapen, of God schiep het met een ordinantie voor zijn aanzijn, en het is die volheid der ordinantin Gods voor alle leven, die alle leven doet opeischen, om Hem te worden toegewijd. Van een religie tot de binnenkamer, de bidcel, of de kerk beperkt, weet Calvijn niets” 27). Het is |178a| Dr Haitjema’s volste recht, Kuypers beschouwingen over de souvereiniteit in eigen kring te verwerpen en het is eveneens ’t recht zijner persoonlijke overtuiging daarin te zien een belemmering op den weg naar een organische cultuur, waarnaar Dr Haitjema met verlangen uitziet 28). Maar het is volstrekt doelloos, tegenover Dr Kuyper (als een argument) te poneeren, dat het Woord Gods geen kringbegrenzing duldt. Want in de aanvaarding van de souvereiniteit in eigen kring bedoelt Dr Kuyper niet een grens aan te wijzen naar boven, waarin de souvereiniteit Gods haar begrenzing zou vinden, maar hij gaat juist van de souvereiniteit Gods in alle kringen uit. Het is daarom onmogelijk, Kuypers streven te zien als drang naar autonomie. De gedachte, die Dr Kuyper bij de souvereiniteit in eigen kring leidt, is niet het isolement van het dienen van God op n bepaald terrein, maar wel de afgrenzing tegenover souvereiniteitsusurpatie in andere levenskringen en hij verdedigt in zijn rede van 1880 dan ook de souvereiniteit in eigen kring met name tegenover de volstrekte Staatssouvereiniteit. Het is dus een geheel ander probleem, waarmee Dr Kuyper zich bezighield, dan we uit de weergave van Dr Haitjema zouden vermoeden. En we meenen te mogen zeggen, dat Dr Haitjema, wanneer hij de souvereiniteit Gods over al het geschapene blijft belijden en wanneer hij de belijdenis van God den Schepper op de lippen wil blijven nemen, zij het dan, zooals hij zelf zegt, als gewaarschuwd mensch, zich op den duur met dezelfde problemen zal moeten bezighouden, als waarmee Dr Kuyper o.a. in zijn Gemeene Gratie worstelde. We achten de verschillen tusschen Dr Haitjema en Dr Kuyper geenszins gering, maar kunnen toch het vermoeden niet van ons afzetten, dat Dr Haitjema nog wel eens meer waarde zal gaan toekennen aan de beschouwingen van Dr Kuyper, althans, wanneer hij de consequenties aanvaardt van enkele zijner kritische opmerkingen uit den laatsten tijd. Ik denk hier met name aan zijn aanbeveling om Geesinks ethiek te lezen naast die van Brunner, omdat de eerste de ordeningen des levens bewuster stelt in het licht van de Wet des Heeren 29); voorts aan zijn verwijt jegens Brunner, dat deze door zijn nominalistisch Godsbegrip in zijn vrees voor verwettelijking en verzakelijking te ver gaat 30). De vraag komt hier onwillekeurig op, of Dr Haitjema bij nadere uitwerking van de gedachte van de Wet Gods „als uitdrukking van des Scheppers wil voor Zijn schepping” 31) niet komen moet op een terrein, waar hij de beschouwingen van Dr Kuyper onmogelijk passeeren kan.

Maar het is nu nog zoo, dat hij een groot gevaar ziet in Kuypers wijze van denken over de schepping en bevreesd is, dat het schepsel te veel beschreven wordt in zijn afgetrokken wezen met gebruikmaking van allerlei stellingen aan de wijsbegeerte ontleend. Maar wanneer Dr Kuyper zich bezint over de onderworpenheid van al het geschapene onder den souvereinen God, maar dan ook in den dienst van God den rijkdom en de variatie daarin naspeurt, dan komt geenszins het geloof in „onze geschapenheid” het geloof in „de schepping” verdringen 32), want het respect voor het rijke werk Gods heft zulk een onderscheiding op. Het is in dit verband wel merkwaardig, dat de kritiek van Dr Haitjema op Dr Kuyper inzake enkele onderdeelen der dogmatiek ten nauwste samenhangt met deze vragen over de schepping. We willen deze kritiek nog nader overwegen. Ze cirkelt om twee ingrijpende punten. Dr Kuyper is n.l. volgens Dr Haitjema niet alleen cultuurphilosoof, maar hij is tevens wedergeboorte-theoloog en Schrifttheoloog en dan beide op een z.i. zeer aanvechtbare wijze.


IV.

In de lezing, die Dr Haitjema in 1931 hield voor de studenten aan de Universiteit te Bonn, noemt hij zich „een tegenstander van Kuyper” 33). Dit geldt in nauwen samenhang met zijn bezwaren tegen Dr Kuyper als cultuurphilosoof vooral ten opzichte van diens beschouwingen over de wedergeboorte en over de Heilige Schrift. Allereerst de wedergeboorte. Dr H. ziet Kuypers leer der wedergeboorte als een fundamenteele fout van zijn theologje 34). De visie van Dr Haitjema staat in verband met zijn kijk op de ontwikkeling der Gereformeerde theologie na Calvijn. De 17e eeuw is z.i. getuige geweest van verstarring en veruitwendiging der Gereformeerde theologie en reeds de synode te Dordrecht (1618-1619) was van die inzinking van het geloofsleven een weerspiegeling. Want de prediking van de rechtvaardigmaking door het geloof alleen dreigde op den achtergrond te geraken. Een accentverschuiving had plaats naar den vromen mensch, die in het middelpunt der theologische overpeinzingen kwam te staan en zichtbaar wordt dat volgens Dr Haitjenia daarin, dat men de verhouding van wedergeboorte en geloof steeds meer (anders dan in de 16e eeuw) zoo ging zien, dat wedergeboorte vr geloof komt in plaats van geloof vr wedergeboorte. Dat was het individualisme, dat sindsdien zulk een groote plaats kreeg in de Gereformeerde theologie en dat na Dordrecht o.a. tot uiting kwam in „de beschroomde erkenning van de autonomie der plaatselijke kerk bij Voetius”. En Dr Haitjema roept uit: „Wat heeft deze accentverschuiving naar den gepraedestineerden, wedergeboren en uit loutere genade nu vromen mensch toe al niet nagewerkt in de geschiedenis onzer Gereformeerde theologie!” 35)

En bij die individualistisch omgebogen Gereformeerde theologie nu heeft Dr Kuyper zich aangesloten! Niet bij Calvijn, maar bij de theologie der 17e eeuw. En zoo werkt de accentverschuiving, die in de 17e eeuw openbaar wordt, ook bij hem na.

Hij sloot zich daarbij aan, omdat hij die theologie noodig had om zijn ideaal van de kultuur-herkerstening van West-Europa te kunnen handhaven! De individueele wedergeboren mensch, dat is de cel, waaruit alles kan worden opgebouwd. Dr Kuyper is weliswaar gekant tegen het humanisme, maar dat heeft hem toch niet belet zich te gaan bewegen op den weg van een eigenaardigen vorm van humanisme, n.l. het humanisme van de wedergeboren persoonlijkheid, het humanisme van den positieven opbouw, zij het ook met als achtergrond het Woord van Gods genade en Dr Haitjema heeft dezen vorm van humanisme eens aangeduid als worteldwaling van het Nieuw-Calvinisme 36).

Dat individualisme nu van den wedergeboren mensch heeft in Dr Kuypers theologie een funesten |185b| invloed uitgeoefend. Die invloed is o.a. zichtbaar in zijn kerkbeschouwing, want de kerk wordt gedacht als opgebouwd uit wedergeboren enkelingen, die vrijwillig zich met elkaar verbinden 37), terwijl de autonome plaatselijke kerken zich vrijwillig verbinden op grond van een accoord van kerkelijke gemeenschap. Dat is het humanisme van den wedergeboren mensch in de Nieuwcalvinistische kerkpolitiek! 38)

De achtergrond van dat alles is immers het uitgaan van den wedergeboren mensch, die door die wedergeboorte anders is geworden, die het nieuwe leven in kiem bezit en daarom als cel in een nieuwe cellenbouw kan fungeeren. Leerde niet reeds de Dordtsche synode een „instorting van nieuwe hoedanigheden in den wil” en werd daardoor de vernieuwde mensch niet een positief gegeven, waarmee „gewerkt” kon worden en heeft Dr Kuyper geheel in diezelfde lijn niet zijn wedergeboortebegrip ten grondslag gelegd aan zijn wetenschapsleer, door als consequentie van het feit der wedergeboorte te spreken van tweerlei menschen en van tweerlei wetenschap? En geraakte daardoor niet de rechtvaardiging door het geloof alleen, zoo niet geheel uit zicht, dan toch meermalen bedenkelijk ver op den achtergrond?

*

Voordat we ons van deze vragen rekenschap geven, wijzen we err op, dat Dr Haitjema zich enkele malen heeft uitgesproken over de verhouding tusschen Dr Kuyper en Dr Bavinck. Hij ziet tusschen deze theologen enkele niet onbelangrijke verschillen. Hij is b.v. van oordeel, dat Bavinck niet geneigd was, „de theocratie van Genve zoo principiel los te laten als Kuyper” 39), waardoor hij jaren lang „het theologisch geweten voor Kuyper” is geweest. Hij ziet voorts een verschil in hun waardeering voor de Heilige Schrift 40) (waarover we nog zullen handelen). Maar op het punt van de leer der wedergeboorte moet Dr Haitjema toestemmen, dat Bavinck in de ontwikkeding der 17e eeuwsche theologie inzake wedergeboorte en geloof „enkel verdere ontwikkeling en nauwkeuriger distinctie in de Geref. theologie” zag, „goeddeels verklaarbaar uit de noodzaak van den afweer der Remonstrantsche dwalingen” 41). De vraag blijkt hier dus wel te klemmen voor geheel het „Nieuw-Calvinisme”.

*

Allereerst moet worden gezegd, dat de kritiek, die hier wordt uitgebracht, sterk onder den invloed staat van de gedachten van Kohlbrgge en van de dialectische theologie met name van Karl Barth. Het is bekend, dat sinds vele jaren Dr Haitjema groote sympathie koestert voor de theologie van Barth en voor het luisteren naar diens boodschap in ons vaderland een vurig pleidooi houdt 42). Weliswaar is Dr H. geenszins een slaafsch navolger van Barth en we zullen hierop bij zijn behandeling van het Schriftprobleem nog kunnen wijzen, maar inzake het onderwerp, dat ons nu bezighoudt, treffen we telkens een soortgelijke kritiek aan, als ons uit de werken van Barth telkens weer tegenkomt. Voor de Duitsche studenten, die aan Barths probleemstellingen gewend zijn, concludeert Dr Haitjema uit de beschouwingen van Kuyper, dat de mensch als wedergeborene kan gaan vragen, wat hij in z’n innerlijk als kenmerken van het nieuwe leven bezit 43) en dat het dan dus |185c| niet meer noodig is, alleen door geloof zalig te worden. Bij Dr Kuypers zienswijze kan men de positie van den toeschouwer gaan innemen (want de mensch is een andere geworden) en de afhankelijkheid van het Woord Gods wordt in beginsel opgegeven, want er is een directe werking van den Heiligen Geest op het innerlijk van den mensch uitgegaan. De onverbreekbare verhouding tusschen Woord Gods en geloof komt daardoor in het donker te staan. Er is immers voor Dr Kuyper nog iets diepers, n.l. de verhouding tusschen den Heiligen Geest en den vrbewusten zielegrond van den mensch 44). Het Woord en het Openbaringsgetuigenis hebben slechts beteekenis voor het bewustzijn van den mensch. Het zijn van den mensch wordt los en onafhankelijk van het Woord direct „bewerkt”, „omgezet” door den Heiligen Geest.

In dit licht moet ook gezien worden de kritiek op de Dordtsche synode, die het eerste symptoom zou zijn van de inzinking. De ingestorte hoedanigheden in den wil in de artikelen tegen de remonstranten herinneren op bedenkelijke, wijze aan de Roomsche leer der ingestorte genade en de vaste grondslag van de rechtvaardigmaking door geloot alleen wankelt. Dr Haitjema voelt zich hier eensgezind met Kohlbrgge 45) in diens oordeel over de Dordtsche synode en het staat voor hem vast, dat deze afbuiging heel veel uit later tijd verklaart. De vraag, die hier aan de orde is, is deze, of hier werkelijk een accentverschuiving in de richting van den vromen mensch aanwezig is. Het eigenaardige verschijnsel doet zich voor, dat Dr Haitjema als de bedoeling der synode erkent „om dan toch vooral niets bij den mensch over te laten, ook niet de allereerste aanvang des geloofs” en hij ziet daarin zelfs „een Augustiniaansche waarheid, die stellig gehandhaafd moest worden tegenover Arminius en de zijnen”. En toch is de synode een symptoom van inzinking. Want de band tusschen wedergeboorte en Woord Gods is losser gemaakt, wat dan weer in de latere Gereformeerde theologie, en met name in het Nieuw-Calvinisme als normaal-Calvinistisch is gesanctioneerd.

Het probleem, dat hier aan de orde is, is dat van de verhouding tusschen Woord en Geest, een vraagstuk, dat sedert de Hervorming aan de orde gebleven is tot in onze dagen en zoowel Dr Kuyper als Dr Bavinck hebben hier uitspraken gedaan, die licht werpen ook op hun wedergeboortebeschouwing. Gewezen kan b.v. op het gedeelte van Bavincks dogmatiek over „Het Woord als genademiddel”. Hij wijst hier op het feit, dat het Woord Gods niet altijd dezelfde werking doet. Dat Woord is goed en wijs en heilig, maar — zoo voegt hij hieraan toe — „opdat het zaad des Woords goede vruchten drage, moet het in eene weltoebereide aarde vallen. Ook de akker moet voor de ontvangst van het zaad worden gereed gemaakt. Deze subjectieve werkzaamheid des Heiligen Geestes moet dus bij het objectieve Woord bijkomen 46) Die werkzaamheid is volgens Bavinck niet in het Woord besloten; is niet een werkzaamheid door het Woord heen, maar met het Woord, een openen van het hart. En toch verzet hij zich met klem tegen de eventueele kritiek, dat z de Geest van het Woord wordt losgemaakt, want „de Heilige Geest volgt Christus dus in zijn gang door de historie; Hij bindt zich aan het woord van Christus en werkt alleen in den naam en naar ’t bevel van Christus”.

We zien dus, dat zoowel Dr Haitjema als Dr Bavinck pleiten voor een onlosmakelijken band tusschen Woord en Geest. Maar hun pleidooi is verschillend. Want Dr Haitjema is van oordeel, dat die band wordt losgemaakt bij een zienswijze als van Dr Bavinck in, zijn dogmatiek. Maar het ligt voor de hand, voor welke moeilijkheden Dr Haitiema dan geplaatst wordt. Wanneer hij tegen de beschouwingen van Dr Kuyper het bezwaar |186a| inbrengt, dat het Woord en het Openbaringsgetuigenis niet primair met het zijn van den mensch te maken hebben, dan mag hem de vraag worden gegteld, of hij wel ontkomen, kan aan de door de Gereformeerde theologie steeds verworpen opvatting, dat de Heilige Geest werkt door het Woord (per verbum) als een „magische kracht, die in het Woord was gelegd” (Bavinck)? We weten wel, dat Dr Haitjema deze laatste aanduiding zal verwerpen en ons zal verwijzen naar den „sprekenden God” (Deus loquens), maar we blijven deze vraag niettemin zoo stellen, omdat — om dit ne te noemen — predikers menschen blijven.

Nu is zeker met het constateeren van dit verschilnog niet uitgemaakt, dat dus de kritiek van Dr Haitjema op Kuyper, Bavinck en de Dordtsche synode onjuist is. Alleen moet wel worden gezegd, dat hij tot nu toe die kritiek juist op dit eene punt nog niet uitvoerig en breed heeft gefundeerd. Het is o.i. te betreuren, dat de kritiek van Dr Haitjema nog te veel aphoristisch is geweest. Ook zijn artikel in „Zwischen den Zeiten” raakt sommige fundamenteele vragen slechts terloops aan. Het oordeel over de afbuiging van de Dordtsche synode wordt bijna als iets evidents geponeerd, evenals Dr Woldendorp meende zijn kritiek op de canones van Dordrecht te kunnen staven met een beroep op een citaat van Bavinck, dat de Reformatie de Roomsche leer van de ingestorte genade verwierp 47). Ook Dr Haitjema beweegt zich in deze lijn. De instorting van nieuwe hoedanigheden in den wil wordt „min of meer Roomsch geleerd, als klonk er iets na van het begrip der gratia infusa” (ingestorte genade). „Min of meer Roomsch”. „Als klonk er iets na”. Is deze vage aanduiding er wellicht een bewijs van, dat Dr Haitjema zelf gevoelt dat hier toch werkelijk meer gecompliceerde vragen aan de orde zijn? Hij zal ons misschien verwijzen naar Bavinck, Geref. Dogmatiek, deel IV, pag. 267, waar we lezen: „Rome’s leer van de gratia infusa (ingestorte genade) of justitia infusa (ingestorte gerechtigheid) is op zichzelve niet onjuist; alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot den grond der vergeving maakt en de religie dus bouwt op den grondslag der zedelijkheid. Maar de geloovigen worden de gerechtigheid van Christus wel waarlijk ook door instorting deelachtig”. Maar wanneer dan met dit citaat het „min of meer Roomsch” van Dr Haitjema wordt geconfronteerd, dan mag toch gewezen worden op de mogelijkheid om de gedachten van het „Neocalvinisme” nog anders te verstaan dan als een humanisme van den wedergeboren mensch, als een cellenbouw vanuit de individueele (wedergeboren) cel, als een doorredeneeren vanuit een individueel-psychische palingenesie (wedergeboorte), waardoor de rechtvaardigmaking door het geloof in beginsel zou worden opgeheven. Het is o.i. n van de meest ernstige fouten van Dr Haitjema, dat hij de wedergeboortebeschouwing van het „Neocalvinisme” steeds consequent destisch heeft genterpreteerd. Zoo alleen is zijn kritiek op Kuypers „humanisme” verklaarbaar 48). Zoo alleen kan duidelijk worden, hetgeen Dr Haitjema van Dr Kuyper zegt, dat hij zich aansloot bij de 17e eeuwsche theologie om aan zijn kultuurherkersteningsideaal getrouw te kunnen blijven. Maar dat deze destische interpretatie de juiste, is, is o.i. met de feiten in strijd, en is door Dr Haitjema nergens aangetoond. Wanneer hij dat bewijs uit de werken van Dr Kuyper en Dr Bavinck zou willen leveren, mag van hem gevraagd worden, dat hij tenvolle recht doe aan de plaats, die de beteekenis van het voortgaand werk des Geestes in hun theologie heeft gekregen, niet los van, maar in onlosmakelijk verband met hun leer der wedergeboorte 49).

De verschillen, die voor Dr Haitjema’s besef den weg naar de „neocalvinistische” theologie versperren, zullen blijven, zoolang Dr Haitjema zijn Woordbeschouwing handhaaft en zoolang hij de magische kracht van het Woord Gods, dat voor hem primair (actueel) het gepredikte Woord is, poogt te rijmen met de Gereformeerde theologie. Zoolang zal hij Dr Kuyper wel blijven verwijten, dat hij ten onrechte het stadium van de prediking des Woords in zijn dogmatische bezinning verwaarloost en hem |186b| een individualist en spiritualist blijven noemen. Het is noodig, zegt Haitjema, het tegenwoordige Hollandsche Neocalvinisme voortdurend tot Calvijn terug te roepen. Dat dit werkelijk een naar Calvijn terugroepen is geweest, is ons tot nog toe niet duidelijk geworden 50). We gelooven, dat dr meer voor noodig is.



G.C. Berkouwer.




1. Zie over deze kritiek H. Bavinck: „Modernisme en Orthodoxie”, pag. 5 en 47.

2. De probleemstelling van Dr Hylkema wordt o.a. ook afgewezen door Prof. Dr Th.L. Haitjema, o.a. in een artikel in: „Zwischen den Zeiten”, waarop we nog terugkomen.

3. In dit werk wordt voornamelijk gesproken over Dr Kuypers beschouwingen over de orde des heils en de sacramenten.

4. Zie K. Schilder: „Dr A. Kuyper en het „Neo-Calvinisme” te Apeldoorn veroordeeld?” 1925.

5. Vgl. E. Bhl: „Zur Abwehr”. 1888. (Dit geschrift is gericht tegen de inleiding van Dr Kuypers: „De Vleeschwording des Woords”.) Dr Kuyper heeft op Bhl’s bedenkingen geantwoord in zijn voorrede van: „Het Werk van den Heiligen Geest”. Kennisname van de kritiek van Bhl is daarom zoo van belang, omdat verschillende punten uit zijn kritiek ook thans weer terugkeeren o.a. in het artikel van Dr J.J. Woldendorp: „Heeft de Dordtsche Synode een nadere hervorming van noode?” („Onder Eigen Vaandel”, Januari 1930), een artikel, dat k tegen Dr Kuyper is gericht.

6. Vr de verschijning van den 2en druk van Barths dogmatiek werd hier en daar het gerucht vernomen, dat de meeste bezwaren door den 2en druk wel zouden wegvallen. Dit was reeds a priori zeer onwaarschijnlijk, gezien Barths laatste publicaties, maar is dan ook door de verschijning van den 2en druk gelogenstraft.

7. Het verdient o.i. aanbeveling den term „Neocalvinisme” voor goed los te laten. Er is reeds veel verwarring door gesticht en de noodzakelijkheid van zulk een aanduiding is in het geheel niet in te zien. Meestal gaat deze aanduiding uit van de onderstelling, f dat er een principieele breuk is met Calvijn, f dat het niet in alle onderdeelen volstrekt met Calvijn instemmen het Neo noodzakelijk maakt. Beide onderstellingen zijn onjuist. Vergelijk bovendien K. Schilder, a.w. pag. 10: „Bovendien weet ieder, dat de n onder „neocalvinistisch” dit, en de ander onder dien naam iets anders verstaat”.

8. „Zwischen den Zeiten”, 1931, pag. 338.

9. Th.L. Haitjema: „Zestig jaren Nederlandsche Theologie”. O.E.V. 1931, pag. 28.

10. Vgl. Th.L. Haitjema: „De Gereformeerde Theologie in Nederland”, „Vox Theologica”, 1931, pag. 75.

11. Idem, pag. 75.

12. Vgl. ook K.H. Miskotte. Johannes Hermanus Gunning, pag. 111: „De tragische keuze schijnt hier: zuiverheid met sporadische invloed f expansie met verlies der mogelijke zuiverheid. Was het laatste Kuypers zware lot, het eerste was Gunnings bittere deel”.

13. De loochening der gemeene Gratie. De Reformatie, 3e jrg.

14. Stellingen van een referaat op de predikantenvergadering te Leeuwarden 1929 over: „De beteekenis van Christus’ zoenoffer voor de gemeene gratie”.

15. „Jezus Christus en het Cultuurleven” in „Jezus Christus en het menschenleven”, 1933, pag. 277.

16. H. Kuiper. Calvin on common grace Diss V.U. 1928. (slotconclusie).

17. Haitjema. De Gereformeerde Theol. in Nederland. Vox Theol. 1931, pag. 75.

18. Vgl. W.F.A. Winckel. Leven en arbeid van Dr A. Kuyper. „Prof. Dr N. Beets sprak eens tot zijne studenten: „Dr Kuyper wil heerschen op het gebied van de Kerk, op dat van den staat en op dat van de wetenschap. Mijne heeren, het is wl wat veel!”

Of hij dit heeft willen doen, betwijfelen we; wel zijn wij overtuigd, dat de nood hem was opgelegd te doen zooals hij deed. (pag. 311)

19. A. Kuyper. Het conflict gekomen 1886, pag. 116.

20. Haitjema. Kerk en Staat. Nieuwe Theologische Studin Oct 1928 (over Dr J.Th. de Visser, Kerk en Staat). Op dit artikel hopen we de volgende week terug te komen.

21. Nieuwe Theol. Studin, Oct. 1928 (over Dr J.Th. de Visser, Kerk en Staat).

22. vgl. Haitjema. Gebondenheid en vrijheid in een belijdende Kerk, 1929, pag. 16.

23. A. Kuyper, Souvereiniteit in eigen kring (1930), pag. 32.

24. Haitjema, N.Th.St., 1928, pag. 236.

25. vgl. hiervoor van Mullem, Calvinisme contra Neokantianisme? Vox Theologica, 1931, pag. 5, waarin juist het kardinale verschil inzake het onderworpen zijn aan de souvereiniteit Gods wordt verwaarloosd.

26. A. Kuyper, Het Calvinisme (Stone-Lezingen), pag. 68.

27. Idem pag. 45. Het is overbodig, aan dit citaat nog vele andere toe te voegen. Slechts zij nog verwezen naar het woord in Gemeene Gratie, Deel III, pag. 137: „Met beslistheid moet elke voorstelling worden bestreden, alsof de openbaring Gods haar eisch slechts op een beperkt terrein zou doen gelden; en nooit is aan schrijver dezes grooter onrecht aangedaan, dan toen men hem de meening toedichtte en nahield, als zou hij beweerd hebben, dat de Openbaring van het Woord alleen voor de geloovigen gold”, zie heel dit hoofdstuk vooral over de beteekenis van de Openbaring (pag. 138).

28. Tegenover Kuypers „Cultuurphilosophie” stelt Dr Haitjema het „hopen op een nieuwe „organische” kultuur, waarin de Christelijke kerk weer hare plaats zal weten en naar haar boodschap alom zal gehoord worden”. (Het Woord Gods in de moderne cultuur, 1931, pag. 188.)

29. Onder eigen Vaandel, 1932, pag. 321.

30. Haitjema, De dogmatische Achilles-hiel in Brunners Ethiek, O.E.V., 1933, pag. 40.

31. Idem pag. 40.

32. Haitjema, Het Woord Gods in de moderne cultuur, pag. 172.

33. Zwischen den Zeiten, 1931, pag. 353.

34. Idem 352.

35. Haitjema, De Gereformeerde Theologie in Nederland, Vox Theol., 1931, pag. 73.

36. In een artikel van Dr Haitjema over „Bedenkelijke Calvijninterpretatie,” vgl. K. Schilder in De Reformatie, 10e jaargang, nrs. 31-32.

37. Vgl. Haitjema, Gebondenheid en vrijheid in een belijdende kerk, pag. 31-32, waar Dr H. ’t verband legt met een belijdeniskerk en met de aanvaarding van de geloofsbelijdenis als een soort eenheidswet. „Wie zal onder de huidige nieuw-Calvinisten, de theologen van Amsterdam en Kampen, hen tellen, die precies zoo redeneeren over de handhaving der belijdenis in de Kerk van Christus?”

38. Zwischen den Zeiten, 1931, pag. 352.

39. Vox. Theol., 1931, pag. 76.

40. Haitjema, Het Woord Gods in de moderne cultuur, pag. 105 en 109.

41. Vox Theol., 1931, pag. 72.

42. Onder invloed van Barth wil Haitjema zelfs „boven Hoedemaker uitgaan”, omdat deze z.i. „veel te veel realistisch-beschouwend theoloog bleef” (Vox Theol., 1931, pag. 77).

43. Zwischen den Zeiten, 1931, pag. 347.

44. Idem pag. 346.

45. Het oordeel van Kohlbrugge over de Dordtsche synode is bekend. Zie zijn brief aan van Heumen bij Lonkhuyzen. H.F. Kohlbruggen en zijn prediking, 1905, pag. 24 van de Bijlagen.

46. Geref. Dogmatiek, IV, pag. 504.

47. Woldendorp, Heeft de Dordtsche Synode een nadere hervorming van noode? O.E.V., 1930, pag. 30.

48. „De antihumanistische philosoof Kuyper” was volgens H. zelf „door het humanisme aangetast. En zijn latere vereerders nog meer.” (Zw. d. Z., 1931, pag. 254).

49. Gegevens in het z.g.n. Neocalvinisme, die aan de deistische interpretatie der wedergeboortebeschouwing weerstand bieden, vinden we o.a. bij Bavinck, Geref. Dogmatiek, IV, pag. 115 v.v.; Kuyper E Voto II, pag. 90 v.v.; Uit het Woord (Volmaakbaarheid cap. IV); Het Werk van den Heiligen Geest, pag. 585 v.v. en andere plaatsen. Hier ligt ook het antwoord op de vraag van Dr Woldendorp naar aanleiding van de nieuwe hoedanigheden: „Maar waar blijft hier het werk van den Heiligen Geest?” (aangeh. artikel pag. 38). Vergelijk dezelfde vraag bij E. Bhl. Zur Abwehr, pag. 12.

In zijn artikel „Richting-tegenstellingen in het Protestantisme” (O.E.V. 1932) heeft Dr Haitjema n dier tegenstellingen aldus weergegeven: „Sluimert in iederen mensch van nature de vonk van het hoogere leven, z, dat ze slechts behoeft te worden aangeblazen om een brand van vroomheid te doen ontstaan, — f zal die vonk door Gods bizondere genade in Zijn bizondere Openbaring in den mensch eerst moeten worden gelegd, zal er sprake kunnen komen van een leven met God?” Deze beeldspraak komt merkwaardig dicht in de nabijheid van die van Dr Kuyper, waartegen Dr Haitjema zich menigmaal heeft gericht (b.v. het beeld van het enten).

50. In verband met de door Dr Haitjema gememoreerde verhouding tusschen geloof en wedergeboorte, heeft Dr L. v.d. Zanden in de „Gron. Kerkbode” (zie Persschouw Reform., 11e jrg., pag. 378) terecht gewezen op een woord van Calvijn in diens Institutie, (zie vertaling Dr Sizoo, Deel 3, pag. 390), waarin Calvijn zegt, dat de apostel, wanneer hij het gehoor tot het beginsel des geloofs maakt, slechts het gewone beleid en beheer beschrijft, dat Hij bij het roepen der zijnen pleegt in acht te nemen, maar Hem geen voortdurenden regel stelt en Calvijn spreekt dan van „de innerlijke verlichting des Geestes, zonder tusschenkomst der prediking”. Het gaat er niet om de kwestie op te lossen met n Calvijncitaat, maar wel blijkt hier, dat het terugroepen naar Calvijn, waarvan Dr H. gewaagt, niet zulk een gemakkelijke bezigheid is. Vgl. nog H. Bavinck, Roeping en Wedergeboorte, 1903, pag. 79 en Kuyper, Het Werk van den Heiligen Geest, pag. 407 v.v.

51.

52.

53.

54.

55.

56.

57.

58.

59.

60.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001