XIII. Onze toegerekende schuld


Bewaar het pand u toebetrouwd.

1 Tim. 6 : 20. a


Nog een laatste bedenking bleef te weerleggen. Men wierp ons namelijk tegen dat het dogma van het Verbond der werken een nieuwigheid was van zeer late vinding, een godgeleerde spitsvondigheid, gelijk een „anoniem maar beroemd godgeleerde” in zeker weekblad zich ontvallen liet: een godgeleerde spitsvondigheid van de tweede helft der voorgaande eeuw.

Nu zien we metterdaad niet in, wat hiermede, stel het ware zoo, tegen de deugdelijkheid van dit leerstuk zou gezegd zijn.

Men wil toch immers geen versteende belijdenis; men erkent met ons, dat de Heilige Geest na 1619 volstrekt niet ophield te arbeiden in de gemeente; en dient dus toe te geven, dat zeer wel in het laatst der voorgaande eeuw in duidelijker licht kon zijn geplaatst, wat vr dien tijd nog slechts in nevelen gezien was.

Stel dus al de heerlijke belijdenis van het eerste |222| paradijsverbond ware door de oude kerk en die der Reformatie nog niet uit den schat des Woords opgedolven, maar eerst in de voorgaande eeuw aan de gemeente des Heeren geopenbaard, wat zou hierme tegen de waarheid van dit leerstuk zijn ingebracht?

Wij voor ons althans staan vast en onwrikbaar in het vertrouwen, waar in de dagen der Hervorming reeds Johannes Lasco zoo schoon getuigenis aan schonk, toen hij schreef: „Ik zou mij de bedeeling des Heiligen Geestes al zeer doodsch moeten denken, indien ik aan dien Leeraar en Trooster der gemeente den pas wilde afsnijden, om ook in later eeuwen nog inzichten in het heilgeheim te openbaren, die de gemeente uit vroeger tijd of uit de dagen van mijn eigen leven niet zoo ontvangen had.”

Er is ontwikkeling ook in de kennisse der waarheid. Niet die averechtsche ontwikkeling, die onder den valschen naam van wetenschap, loswrikt en afbreekt wat vast stond, maar wel die deugdelijke ontwikkeling die voortbouwt op het eens gelegde fundament en steeds hooger de muren van het gebouw der waarheid rijzen doet. En ons gereformeerde volk, wel verre van aan die gestadige verlichting des Heiligen Geestes den weg af te snijden, dringt veeleer ten ernstigste op voortarbeiden in het heiligdom der waarheid; slechts protesteerend en zich met alle macht verzettend, tegen een dusgenaamd kweeken van de plant, waarbij men begint met haar de wortelen uit den vasten levensbodem los te trekken.

Het ozu ons dus niet in de minste ongelegenheid brengen, ook al ware het dat deze „anonieme maar beroemde godgeleerde” ten deze een getuigenis naar |223| waarheid had gegeven; en slechts de beroemdheid zou met reden in twijfel mogen worden getrokken van een godgeleerde die, en dat nog wel anoniem, zoo onwetenschappelijk dorst oordeelen.

Maar wat voor ons de zaak nog eenvoudiger maakt is, dat er van zijn beweren hoegenaamd niets aan is.

De belijdenis toch van het eerste paradijsverbond is zoo weinig een vrucht van latere ontwikkeling, dat ieder bezitter van onze Statenvertaling o.a. in de voorrede op het Nieuwe Testament, die in 1635 gereed was een zeer eenvoudige, volledige en heldere uiteenzetting van de leer van het Werkverbond vinden kan; en moeielijk maken we er ons een begrip van, hoe de redacteur van bedoeld weekbald zich zulke ondoordachtheden in zijn kolommen liet plaatsen, daar hij zelf uit zijn eigen Statenbijbel toch beter was geleerd.

En zelfs bij die Statenvertaling hoeven we niet te blijven staan. Reeds de eerste gereformeerde theologen toch die in Nederland lang vr de Dordsche Synode aan de Leidsche Academie geschitterd hebben, zijn in de belijdenis van dit paradijsverbond z omstandig, z uitvoerig en z duidelijk, dat men geen woorden weet te vinden, om er zijn verbazing over uit te drukken, dat men een godgeleerde nog beroemd noemt, die, vlak tegen de waarheid der historie in, zulk een onjuist en onhoudbaar getuigenis dorst geven.

Dan is men in Schotland toch nog beter op de hoogte. Althans toen onlangs in het maandschrift The catholic presbyterian het Verbond der werken ter sprake kwam, wist men in het hooge Noorden nog zeer duidelijk aan te toonen, hoe de Schotsche |224| godgeleerde Rollock rees in 1563 een opzettelijke uiteenzetting van het Werkverbond aan de gemeente gegeven had.

En nog meer dan thans de Schotsche godgeleerden wist er in de vorige eeuw onze Marck van, die met de stukken er bij heeft aangetoond, hoe reeds de oudste Christelijke kerk deze onze zelfde belijdenis gekend en beleden heeft.

Hij verwijst daartoe o.a. naar Hieronymus, die met zoovele woorden schrijft; „In de bekende woorden van Hosea verklaart Jehovah dit: Isral heeft Adam nagebootst, met dien verstande, dat gelijk Adam mijn verbond in het paradijs heeft gebroken zij dit in het land Kanan hebben gedaan, en daar, dat is in het paradijs, hebben ze allen tegen Mij overtreden in gelijkheid der overtreding van Adam.”

Augustinus schreef even kras (de Civitate Dei c. 27): „Behalve van het Oude en Nieuwe Testament, bericht ons de Schrift van nog vele andere verbonden. Het eerste verbond namelijk is datgene hetwelk met den eersten mensch is gemaakt, toen hem gezegd wierd: daarvan zult gij niet eten. Want indien zelfs het kleinste wicht, gelijk we allen belijden, als zondaar krachtens de erfzonde geboren wordt, dan spreekt het toch vanzelf, dat ze als zondaars ook een wet hebben overtreden, wat niet anders kan geschied zijn dan in het paradijs.”

Niet anders dan Cyrillus van Alexandri reeds in zijn commentaar op Hosea 6 : 7 had verklaard, dat de daar voorkomende woorden wel terdege te verklaren zijn van „een verbond door God met Adam gesloten, in zooverre zij in dezen zelfden eersten mensch, d.i. in |225| Adam, reeds persoonlijk tot afval waren gekomen, en dientengevolge ook zelf in verbondsbreuk vervallen waren.”

En komt men op de godgeleerden der gezuiverde of gereformeerde kerk, vooral bij de Nederlandsche, dan verwijzen we in de eerste plaats naar Franciscus Junius, den dapperen geloofsheld en even kundigen godgeleerde, die Leidens hoogeschool onder haar eerste sieraden telde, en die met even zoovele woorden schreef: „Het eerste verbond is datgene, hetwelk de Heere met den eersten mensch in den hof van Eden aanging, waarbij belofte gedaan werd van een bovennatuurlijk leven, gebod werd opgelegd van stipte en volstrekte gehoorzaamheid en waarbij het dreigement des doods gekeerd werd tegen hem die hierin te kort schoot.” Eilieve is dit niet duidelijk? En dat schreef Junius in 1592.

En wie soms zich inbeeldde dat de hoogleeraar Franciscus Junius met deze klare, duidelijke belijdenis onder de Nederlandsche godgeleerden zijner dagen alleen stond, die leze wat Junius’ ambtgenoot Trelcatius liet verluiden (Lib. II. p. 156, 7): „Met het Verbond der werken, of het Natuurverbond bedoel ik dat eerste verbond, dat God de Heere met onze eerste voorouders heeft aangegaan, toen zij nog in den staat der rechtheid verkeerden, onder bijvoeging van een bijzonder proefgebod en zoo met aanbieding van bovennatuurlijk leven als onder bedreiging des doods.” En elders op pag. 163: „Drierlei soort van beloften moet men in de Heilige Schriften wel onderscheiden, t.w. vooreerst de belofte van het Verbond der werken, krachtens welk verbond het eeuwige leven beloofd werd, op grond van werken volbracht |226| met de krachten die door de schepping in onze menschelijke natuur aanwezig waren.”

Dat men ook ten tijde der Dordsche Synode aan dit stuk der waarheid vasthield blijkt reeds overtuigend uit hetgeen op de Synode zelve (zie haar Acta II 232), door de Geneefsche godgeleerden in dezer voege werd uitgesproken: „dat de Remonstranten juist hierin feil gaan, dat zij het Verbond der werken met het Verbond des geloofs en der genade vermengen,” terwijl o.a. J. Junius en zijn Examen apologiae remonstrantium, heel dit stuk breedvoerig uiteenzet; en zaakrijker nog uit de stellige leer der Synode, dat de schuld van Adam aan al zijn nakomelingen is toegerekend, en dat ze niet om de erfzonde, maar in Adam gevallen zijn.

De hoogleeraar Sibr. Lubbertus van Franeker, die, gelijk men weet, aan de Dordsche Synode een belangrijk aandeel nam, schrijft in zijn Disput. theol. p. 1: „Opdat de mensch in zijn gelukstaat volstandig zou kunnen zijn, heeft God met hem een verbond aangegaan, onder belofte van leven, indien hij het verbond hield, en onder bedreiging van dood zoo hij het schond.” Professor Antonides, die in 1604, insgelijks te Franeker, zijn Disput. theol. uitgaf, schreef evenzoo § 15: „Het Verbond der werken is dat verbond, waarbij God de Heere het eeuwige leven aanbood voor een gansch volkomen wetsvolbrenging, met bijgevoegde doodsbedreiging, indien die gehoorzaamheid te kort schoot.” De hoogleeraar Maccovius zegt in zijn Distinct. Theol. c.c. XII. § 4: „Verbond der wet was dat verbond hetwelk God met Adam in het paradijs aanging en hetwelk onze eerste voorouders verbraken en schonden.” En de aan ieder bekende, nu nog algemeen gebruikte Guil. Amesius, |227| ook al hoogleeraar te Franeker en tijdgenoot van de Dordsche Synode, liet zich in zijn Merg der godgeleerdheid, I. c. x. § 32 en 33 aldus uit: „Bij de schepping was dit het verbond Gods met de menschen: Doe het en gij zult leven, zoo niet dan sterft ge den dood. Aan welk verbond reeds in het paradijs twee sacramenten verbonden waren, t.w. de boom des levens en de boom der kennisse van goed en kwaad.” Terwijl, als om de deur dicht te doen, de vier hoogleeraaren, die tengevolge van de cordaatheid der Dordsche Synode, vlak daarop de Leidsche faculteit bezet hebben, t.w.: Walaeus, Polyander, Thysius en Rivet, zich in hun Synopsis purioris theologiae niet minder beslist uitlaten, als ze zeggen (zie p. 152 ed. 2a): „In Adam zijn alle menschen gerekend naar den aard van het verdrag dat God met hem gesloten had.”

En hier laten we het bij.

Wien het lust meer en nader hiervan te onderzoeken, die raadplege de breede uiteenzettingen van Brah, Marck, Vriemoet, J. van den Honert en Vitringa. Immers de beschuldiging van den „anoniemen maar beroemden godgeleerde” is niet nieuw. Reeds in de vorige eeuw hebben Venema en zijn volgelingen aan de verdedigers van het Werkverbond even driest voor de voeten geworpen, dat ze met spiksplinternieuwe vondsten de gemeenten verontrustten. Maar ook destijds is dit hun kwalijk bekomen, want waarlijk het kostte weinig moeite, dit onvoorzichtig beweren door de stukken zelven van ongelijk te overtuigen, en wie, al ware het slechts het Examen van Tolerantie op dit punt doorleest, om met ons Comries fijnen geest te bewonderen, zal niet wel kunnen ontkennen, dat er ook maar iets |228| aan de volledigheid van het tegenbewijs heeft ontbroken.

Droef doet het ons dan ook aan, telkens en telkens te moeten ervaren, wat volslagen onbekendheid er zelfs bij gevierde godgeleerden heerscht met opzicht tot den godgeleerden arbeid onzer oude gereformeerde kerk, en droever nog, het pijnlijke feit, dat men, in stede van zijn tekort aan wetenschap op dit punt eerlijk weg te erkennen, dan nog den euvelen moet heeft, om wie er voor opkomt, schuldig te stellen aan oprakeling van dorre, verouderde, tot niets dienende bespiegelingen.

Mannen broeders, is het dan niet waar, wat men zoo telkens uitspreekt, dat de diepe scheur tusschen ons en de verwerpers van het Heilgeheim eigenlijk ligt in de belijdenis of de ontkenning der zonde?

En indien ge daar nog met ons aan vasthoudt, en er dus met ons op pleit, dat dit stuk van de belijdenis der zonde, niet als onvolkomenheid, maar als doemwaardige onheiligheid voor God, met hand en tand zal worden verdedigd en gehandhaafd, gaat het dan aan met zwevende oppervlakkigheden over dit stuk der stukken heen te loopen?

En indien ge zelven dan toch erkent en inziet, dat dit met een prijsgeven van geheel onze positie zou gelijk staan, eilieve, dient er dan niet weer werk van gemaakt, om de denkbeelden der gemeente omtrent erfschuld, erfsmet en erfzonde te verhelderen? Is het dan niet hoog tijd dat de toerekenbaarheid van Adams zonde weer ga leven, en spreken voor ons bewustzijn? En indien ge daar niet even aan kunt raken, of ge komt aanstonds voor de quaestie te staan, of onze schuldgemeenschap met Adam eenvoudig een familie-erfzaak |229| of een zaak van zedelijk bindende verantwoordelijkheid is, hoe ter wereld kunt ge het dan een bijkomstig geschilpunt noemen, wat met het paradijsverbond voor onzen geest treedt?

Gelooft mij, indien een u toekomende erfenis van een drietal tonnen gouds tot u kwam met inschulden bezwaard, door vroegere firmanten aangegaan, ge zoudt niet rusten eer ge haarfijn, met anderer hulp of alleen, heel de reeks pretentin had nageplozen, en u duidelijk rekenschap hadt gegeven, door welke verbintenis die inschulden waren ontstaan.

En zie, terwijl ieder dat nu bij een financieele erfenis zou loven, vermeet men zich, om bij de erfenisse van geestelijke schuld dan napluizen als hinderlijke spitsvondigheid af te keuren.

Nu dan, een iegelijk sta of valle ook hierin zijn eigen Heer. Maar wat ons aangaat, we kunnen in dat heenloopen over zoo diep liggende geestelijke vraagstukken niets anders noch iets minder zien dan f een tekort in geestelijk zelfbewustzijn, f erger nog een gebrek aan ernst.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ XIII, De Heraut No. 170 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001