XII. Onze toegerekende schuld


De schuld is uit ne misdaad tot verdoemenis.

Rom. 5 : 16. a


En vraagt men dan nu ten slotte, welke vrucht deze belijdenis voor de eere Gods en het leven onzer ziel afwerpt, dan luidt ons antwoord: dat God gerechtvaardigd wordt en gij neergeworpen in u zelven. Is er geen verbond met Adam gesloten; was er dus geen trouwbreuk; en is er der halve ook geen toerekening van overgerfde schuld, dan, het spreekt vanzelf, loopt f ons gepeins, gelijk bij verre de meesten lichtzinnig en onnadenkend over de erfzonde heen, — of wel komt ons hart er tegen in opstand, mort en werpt eigenlijk de schuld van ons terug op God.

Men zegt dan: „Wat kan ik er tegen? Ik ben geboren zooals ik nu eenmaal geboren werd. Mijn vader was geestelijk krank en onrein; zoo geestelijk krank en dus onrein was ook mijne moeder; beiden waren behept met een erfelijke krankheid, met een aanstekelijke zielsziekte veel erger dan de melaatschheid. Wat wonder |212| is het dan, dat ik, hun kind, krank uit deze kranken, onrein uit deze onreinen, geboren ben, hun kwaal overerfde, en nu even krank, doodelijk besmet, omloop; gedoemd om f kinderloos te sterven, f kinderen te telen even onrein en besmet als ik zelf ben.”

En al zegt men het dan niet, dan denkt men ertoch bij: „Wat heeft God de Heere nu voor recht, om mij dt als schuld aan te wrijven? mij deswege uit te werpen? en mij op grond van die doodelijke, besmetting tot een prooi te stellen van verdoemenis en hel? Welk een God is deze? Onder menschen is een besmet geboren kind een voorwerp van diep medelijden! En hier zal een God zijn, dien ge mij als den Erbarmer, als den God van alle genade en liefde kennen leert, die, na mij aldus in het leven te hebben geroepen, alsnu tot mij zegt: Zijt ook gij weer zulk een besmette, vind Ik ook aan u weer die onreine vlekken die mijn ziel haat! Weg dan met u ten verderve! Ook voor u mijn vloek! In ernste, ligt dan de vraag niet voor de hand: Heere, koos ik dan mijn ouders; nam ik dan die smet, of is ze mij opgelegd?

Dit maakt dan ook, dat men op dat halve standpunt, naar een uitweg zoekt, om aan de klem van die innerlijke gedachte te ontkomen; een uit weg, dien men op tweerlei wijs meent gevonden te hebben.

Vooreerst door te zeggen: „Dat wat ge zonde noemt, is eigenlijk geen zonde, maar slechts onontwikkeldheid!” Een uitweg, die evenwel bij den derden pas reeds doodloopt op het feit, dat hierme alle recht tot straf, ook voor den burgerlijken rechter zou wegvallen; een voorslag dan ook door niemand aangedurfd.

En ten tweede, door, gelijk Dr. Doedes, zich der |213| zaak ongeveer aldus voor te stellen: „Men wordt wel onrein en zondig van aard geboren; maar die erfsmet of erfzonde stelt op zichzelf een mensch niet schuldig. Schuldig wordt hij eerst, indien hij krachtens dien zondigen aard nu zelf zonde bedrijft. Wel komt een zondaar zonder bekeering niet in den hemel, maar dit is niet om zijn schuld, maar alleen, omdat het onreine in den reinen hemel niet kan ingaan. Een uitweg, die, hoe goed ook bedoeld, toch naar niets beters dan de doolhof leidt. Want wat doet het er toe, of een creatuur verloren gaat, om zijn schuld of om zijn onreinheid! Ge noemt hem dan niet schuldig. Aldus onschuldig. Maar, eilieve, waar blijft dan de gerechtigheid van den rechtvaardigen God, die dan naar uw zeggen den onschuldige in het verderf stort? Hoeveel hooger staat dan de Schrift niet, die van een God predikt, die juist omgekeerd, den goddelooze rechtvaardigt.

Hoe men het ook wende of keere, men komt dus uit de strikken en knoopen niet uit, zoolang men de schuld op de zonde laat volgen, in plaats van omgekeerd de zonde op de schuld.

Denk u, om het verschil tusschen die beide in te zien, een kind, dat geen verlof van zijn vader kon krijgen om uit te gaan en toch uitging. Waar ligt nu bij dat kind de schuld en waar de zonde? Zijn zonde is natuurlijk het feit zelf, het kwaad, dat hij bedreef, zijn uitgaan in weerwil van ’s vaders verbod. Maar zijn schuld? Och, die lag immers dieper! Die was er immers al, toen hij, nog in huis, nog eer de deur geopend werd, in zijn hart met zijn vader brak, ontviel aan zijn kinderlijke trouw en het onzalig besluit tot zondigen in zijn binnenste nam. Want indien nu eens |214| de vader vroeger thuis ware gekomen en zoodoende het uitgaan feitelijk belet had, dan ja, dan was de zonde van uitgaan niet bedreven geworden, maar ware het kind dan niet even schuldig?

Onbewust drukt ook ons volk dit zelfs in zijn taal uit, door schuld voor oorzaak te nemen. „Daar is me ziekte schuld van!” zal de lijder zeggen, die door ongesteldheid belet werd zijn arbeid op den bestemden tijd te voltooien; waar natuurlijk volstrekt niet inligt, dat zulk een ziekte ondeugend was, maar alleen, dat die ziekte oorzaak eerd van het niet gereed komen. „Daar is het weder schuld van!” zegt een zeeman, die te laat uit zee komt; wederom niet meenende, dat het weder zondig was, maar alleen dat het de oorzaak was van zijn later binnenloopen. En dat is zoo niet alleen in onze taal, maar in bijna alle talen. In het Grieksch is het woord aitia d.i. schuld, zelfs het gewone woord voor oorzaak.

Men beginne dus met weer naar ouden trant schuld en zonde in de juiste verhouding tegenover elkander te stellen. „Zonde” heet het kwaad tegenover de heiligheid; „schuld” tegenover de gerechtigheid Gods. In het wezen der zaak zijn ze dus onafscheidelijk, en is alle schuld zonde en alle zonde schuld, eenvoudig, omdat de heiligheid en de gerechtigheid in God wel onderscheiden, doch niet scheidbaar zijn, maar in zijn eeuwig Wezen samvallen. Maar maakt men, naar de behoefte van onze beperkte natuur tusschen die beide een zekere onderscheiding, ’tzij in tijdsorde, ’tzij in hoedanigheid, ’tzij in oorzakelijk verband, dan kan nooit de schuld op de zonde volgen, maar is het omgekeerd de schuld, die de zonde voortbrengt. |215|

Onze Catechismus zegt zoo treffend juist, dat er in het paradijs bij Adam eerst afval was en toen ongehoorzaamheid. Welnu in dien afval nu stak juist de schuld. Die afval was het innerlijk verborgen feit, toen Adam in het diepst zijner ziel met God brak. D.w.z. toen hij, erkennende de rechte verhouding waarin hij tegenover den Eeuwige stond, alsnu het recht Gods inboog, de gerechtigheid opzij wierp, en wat naar recht hem niet toekwam, nam. Eerst ging het dus tegen het recht, tegen de gerechtigheid in; eerst kwam de afval van en het breken met God in het hart, en eerst daarna kwam uit deze schuld de zondige daad voort, die in de overtreding van het proefgebod als ongehoorzaamheid aan Gods wil en schending van zijn heiligheid openbaar werd.

En dit is natuurlijk. Want zie, als God den mensch tot aanzijn roept, dan is die mensch eerst gebonden in de goddelijke mogendheid en dus onvrij. Bij dezen onvrije nu is er van recht geen sprake, komt de gerechtigheid Gods dus niet in aanmerking, en kan niet overtreden worden met schuld; eenvoudig, omdat het zedelijk leven in dezen natuurmensch nog niet ontwaakt zou zijn.

Vrij wordt zulk een natuurwezen dus eerst doordien God zelf een tweede daad doet, de daad om hem vrij te maken, hem een zelfstandig bestaan te geven, hem rechten toe te kennen, aldus in een verhouding van gerechtigheid tegenover hem te treden, en dusdoende eerst de mogelijkheid te doen geboren worden, dat hij f dit recht houdt f dit recht breekt.

En dat nu juist is het, wat we in het paradijs gebeuren zien. Eerst schept God den mensch en blaast in zijn neusgaten den adem des levens; en nu zijn in |216| dezen naar den beelde Gods geschapen mensch, wel alle krachten des zedelijken levens aanwezig, maar hij zelf is zich van zijn vrije, zedelijke positie tegenover den Heilige nog niet bewust. En daarom komt er nu een tweede daad Gods, die alsnu de daad van ’s menschen schepping completeert. De daad namelijk, dat God met Adam, „als een man met zijn broeder” gaat handelen, hem hierdoor zijn persoonlijke wilsvrijheid tot bewustzijn brengt, hem zijn rechten doet gevoelen tegelijk met de rechten, die God op hem heeft, en aldus juist door de verbondssluiting de scheppingsdaad voltooit.

Zonder die verbondssluiting zou er in den zondeval dus slechts een van God afgaande levensrichting te constateeren zijn, die zich eerst van achteren als een ingaan tegen Gods wil openbaren kon. Maar nu er vooraf verbondssluiting plaats greep; nu dus eerst het zedelijk bewustzijn in volle kracht opgewekt was; en Adam zich als rechthebbende had leeren kennen tegenover een God, die rechten op hem had, nu was het overtreden feitelijk onmogelijk, tenzij er eerst in het diepst der ziel schending van trouw, bondsbreuk, rechtskrenking, en dus in vollen zin afval, en, in dien afval, de schuld was tot stand gekomen.

Voor ons, die nu uit Adam geboren, destijds in zijn lendenen verborgen waren; voor ons, in wie dezelfde mensch naleeft, die in Adam vr ons leefde; voor ons, die met Adam in nzelfde rechtsverband tegenover dienzelfden God staan; en onder hem als ons geslachts- en verbondshoofd tot n zedelijk organisme verbonden zijn; voor ons is het zoomin als voor hem, de principale vraag, of we feitelijk onrein |217| zijn, maar is de alles beheerschende quaestie, of onze ziel van haar allereerste ontwaken tot zelfbewustzijn zich ooit gevoelde anders dan in een staat van afval, van rechtskrenking, van schending van trouw en bondsbreuk, m.a.w. of er beschuldiging, aanklacht, verwijt, dan wel heilige vrede in ons is waargenomen.

En kan hierop het antwoord niet anders luiden, dan: Nooit, — dan brengt mijn eigen zielsleven het bewijs immers met zich, dat ik wel degelijk deel en part heb aan de oorspronkelijke bondsbreuk, trouwschending en rechtskrenking van hem, die onder alle menschen alleen, ja waarlijk een moment, al was het ook maar een kort oogenblik, dat heerlijk, zalig besef, van heiligen vrede, zonder aanklacht en zelfverwijt gekend heeft, t.w. van Adam. Dat alzoo ik zelf afviel in zijn afval; schuldig werd in zijn schuld; en dat wel, omdat er nu blijkt te bestaan, wat ik eerst volstrekt niet vermoed had, t.w. een gemeenschap, een solidariteit, een organische samenhang k op het gebied des zedelijken levens.

En dat vermoeden nu staaft Gods Woord, licht het toe en werpt het in al zijn ontzettendheid op mijn ziel.

Ja, waarlijk zegt de Heere uw God nu tot u, Ik schiep u niet als losse parelen aan een snoer, om eerst daarna tot een snoer u sam te rijgen, maar uw God schiep u in elkander, al doorgaande tot op den allereersten mensch. En gelijk nu de cellen van een plant ineenzitten en alle in kiem in de zaadkorrel besloten lagen, zoo ook was o, mensch, uw geslacht. En die gemeenschap die mijn goddelijke beschikking en hoog bestel u inschiep, schiep Ik u niet alleen in naar den vleeschelijken samhang der geslachten, maar ook voor |218| uw zedelijke wilswerkingen. Het is van mij uw God al n recht tegenover al wat mensch heet, en n recht dat Ik aan al wat mensch heet, schonk tegenover Mij. De menschheid was n. Er kon niet n uitvallen en de anderen staan blijven. En en lotgemeen viel met n het alles, omdat die ne aller aanvang, aller grondtype, aller geestelijk hoofd en zedelijke koning was. En of gij o, mensch, u nu al inbeeldt, dat het zedelijk leven wel stuk voor stuk gaat, alsof ieder slechts zijn eigen rekening zou hebben, wat zou dit veranderen aan mijn bestel? Schiep Ik, uw God, dan ook het zedelijk leven niet, en stond aan Mij dan niet het ouwraakbaar en onbetwistbaar recht, om de ordinantin voor dat zedelijk leven alz te stellen en alz ineen te zetten, als dat mijn Majesteit eischte, uit mijn goddelijk Wezen voortvloeide en door mijn ondoorgrondelijke wijsheid was bepaald? Zonder verbond is er geen zedelijk leven; en mijn verbond omsluit allen sam! Wie zijt gij dan o, mensch, dat ge mensch zijnde, aan des menschen schuld u onttrekken woudt? Ik, uw God, reken ze u toe!”

Erfschuld dus. Niet als schuld die volgde uit en kleefde aan de erfzonde. Maar een schuld, die zelve gerfd is; die wij in Adams trouwbreuk zelf aangingen; en op wier aanhoorigheid aan ons we zelf het zegel hebben gezet van het eerste opwaken van ons zedelijk leven af.

Een toegerekende schuld, en daartegenover de anders even onverklaarbare toerekening van Christus’ gerechtigheid; en dientengevolge ook in den weg der zaligheid niet onze goede werken, maar die toegerekende |219| gerechtigheid, de wezenlijke en eenige kracht, die het doet en er ons brengt.

Wie zal dan nog zeggen, dat deze Verbonds-quaestie slechts een bijzaak geldt?

Een bijzaak voor u ja, die de basis van ons Christelijk geloof verlaat en weer terug zinkt in de ellendige diepten van werkheiligheid, waaruit Luther door Gods genade zoo heerlijk opkwam, toen hij de rechtvaardiging weer greep door het geloof.

Maar geen bijzaak, neen waarlijk, voor een iegelijk belijder des Heeren, die den moed heeft om het uit te spreken: „Met die toegerekende gerechtigheid Christi ben ik er; nu reeds, om zoo den hemel in te gaan; al werd mij de tijd afgesneden om ooit eenig goed werk meer te doen; maar omgekeerd, zonder die toegerekende gerechtigheid, dan ga ik voor eeuwig de hel in, ook al leefde ik nog honderd jaren en al sloofde ik al die honderd jaren mij in weldadigheid en zelfopoffering af.

En nu weten we wel, dat dat geloof aan de toegerekende gerechtigheid er bij ons geslacht uit is; uit voor verreweg het grooter deel ook bij de zich noemende orthodoxen; ja, zoo er uit, dat zelfs de teederste kinderen Gods eigenlijk aan de volle, heerlijke, zalige vertroosting van dat diepe mysterie ontzonken zijn; maar wel verre er vandaan, dat dit oorzaak zou zijn, om er van te zwijgen, moet dit ons veeleer aanzetten en uitdrijven, om er dapperlijk op aan te dringen. Op aan te dringen in den gebede, of God de Heere het ons door zijn genade zelf dierbaarder aan de ziel mocht maken; er op aan te dringen in de prediking, opdat het volk Gods leere inzien, dat het er nog niet is, maar |220| er komen moet; en er op aan te dringen niet minder bij de meer doorvloeiende broederen, of we in liefde tot hun ziel getuigende, onze broederen winnen mochten voor een zooveel heerlijker en vaster en vertroostender geloof.

Schuldbesef ontbreekt! klaaat een ieder in onze dagen. De prediker zegt wel: Voel u zondaar voor God! maar de ziel klaagt: Ik kan er dit gevoel toch niet in tooveren!

o, Schreiend waar!

Neen, dat kunt ge ook niet, mijn broeder! Meer nog, langs den weg, waarop gij dat zoekt, komt dat schuldbesef ook nooit.

Want immers God rekent anders. Hij rekent niet maar me die uitingen van zonde in uw persoonlijk bestaan, maar Hij rekent u ook toe de principale schuld van trouwschendig, rechtskrenking en bondsbreuk.

En nu kan het toch immers wel niet anders, of als gij anders rekent dan God rekent, dan kunt ge niet uitkomen. Ja, dan is het begrijpelijk zelfs, dat gij nog bij u zelven prevelen durft: ’k Houd over! als God u in de ziel toornt: „Gij hebt een oneindig tekort!




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ XII, De Heraut No. 170 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001