X. Adam en Christus


Adam, welke is een voorbeeld desgenen die komen zou.

Rom. 5 : 14. a


We komen thans tot de schitterende pericoop, waarin de heilige apostel ons, onder de leiding des Heiligen Geestes, aantoont, hoe in het stuk der genade Adam en Christus dragers van eenzelfde gedachte waren.

De apostel trekt tusschen Adam en Christus een parallel, en schroomt niet rechtstreeks te verklaren, dat Adam een „voorbeeld” van Christus was.

Hij zegt het in deze overbekende woorden van Rom. 5 : 14: De dood is niet pas beginnen te heerschen over de Joden, na de overtreding van de Wet van Horeb, maar „heeft ook geheerscht van Adam tot Mozes, dus ook over degenen die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld was van dengene die komen zou.”

In dat tijdvak dat tusschen Adam en Mozes ligt, zegt Paulus, was er geen wet (zie vers 13); de personeele |194| zonden wierden bij onstentenis van een wet, dus aan de menschen uit dien tijd niet ter verdoemenis toegerekend (vers 13); eigenlijk hadden die menschen dus niet moeten sterven.

Toch zijn ze gestorven, want „de dood is tot alle menschen doorgegaan!”

Hoe deze schijnbare tegenstrijdigheid nu op te lossen?

Wel, zegt de apostel, dit ligt voor de hand.

Ge weet dat degenen die in Christus gelooven gerechtvaardigd zijn voor God, niettegenstaande ze persoonlijk nog allesbehalve rechvaardig zijn in zichzelf. Dit komt daar vandaan, dat ze in de goddelijke weegschaal gewogen worden, niet naar wat hun eigen is en inkleeft in hun ziel, maar integendeel naar hetgeen eigen is aan hun Hoofd en Borg. De gerechtigheid van dien Borg wordt hun toegerekend; en alzoo krijgen ze het loon der gerechtigheid, ook zonder dat ze zelf gerechtigheid hebben volbracht.

En evenzoo als met de genade, verklaart de apostel, is het nu in den grond der zaak ook met de zonde toegegaan. Die menschen uit den tijd, die van Adam tot Mozes verliep, konden persoonlijk niet tegen de wet opstaan omdat de wet van Sinaï er nog niet was. Maar dat deed er ook niets toe. Want de vraag, of ze onder den vloek der wet lagen, hing niet af van hetgeen ze zelven persoonlijk hadden gedaan, maar van hetgeen hun Hoofd had gekozen. In de weegschaal der goddelijke gerechtigheid werd de schuld van dat Hoofd hún toegerekend, gelijk de gerechtigheid van den Borg aan al Gods uitverkorenen. En vandaar dat ze dus de straf der ongerechtigheid, d.i. den dood, moesten |195| dragen, ook zonder zelf persoonlijk tegen de geproclameerde Wet te hebben gekozen.

En op grond van déze overweging nu, spreekt de heilige apostel uit, dat derhalve Adam en Christus te dezen opzichte op één lijn staan, d.w.z. dat hetgeen Christus is in den genadeweg, Adam dat was in den weg van schuld en zonde. In het rijk der zonde is Adam Hoofd en Heer, gelijk Christus Hoofd en Heer is in het rijk der genade. En; want daar komt nu alles op neer; dezelfde betrekking die in het rijk der genade tusschen Christus en zijn verlosten bestaat, bestond op het gebied der zonde tusschen Adam en zjn verlorenen.

Zoo alleen heeft heel dit prachtige vijfde hoofdstuk van de Romeinen zin.

Het begint met de juichtaal dat hij en zijn medegeloovigen ondanks al de zonde die hen nog aankleeft, zich toch nu reeds feitelijk als gerechtvaardigden voor God gevoelen; en dat wel zóó dat ze metterdaad vrede met God hebben. „Wij dan gerechtvaardigd uit het geloof hebben vrede met God.” Hieruit volgt dat ze dien vrede niet uit of door zichzelven hebben, maar door en in dengene wiens rechtvaardigheid hun toegerekend wordt. Vandaar dat er bij staat: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus.”

En nu gaat het in heel de heerlijke uiteenzetting, door al de stadiën der geloofswerking, tot steeds klimmende heerlijkheid. Eenmaal die gerechtigheid van Christus ons toegerekend zijnde, vloeien nu uit zijn schat ons al de heerlijkheden van zijn genadeverbond toe, en we hebben in hem „de toeleiding”, en „het |196| juichen in de verdrukking” en door „die lijdzaamheid bevinding,” en alzoo waakt „de hope” op, en die hoop keert in haar cirkelloop weer tot den grondslag der eeuwige liefde terug, die door den Heiligen Geest uitgestort is in onze harten.

En niet alleen dat uit dit heerlijk Hoofd de schatten des genadeverbonds voor dit leven, tot vertroosting onzer ziel, ons in den schoot geworpen worden, maar ook voor wat na dit leven komt, zijn we niet slechts gered, maar heerlijk gemaakt, zoodat we roemend en jubelend den dag des toorns, en der wrake Gods tegen kunnen gaan. Immers „gerechtvaardigd zijnde door zijn bloed” is er geen quaestie van, kan er geen geschil over bestaan, of „we zullen door hem ook behouden worden van den toorn.”

Dusver loopt dus alles klaar en helder, als het vlieten van wateren die men tot op den bodem doorziet.

Maar nu zij men dan ook eerlijk genoeg, om er onbewimpeld voor uit te komen, dat dit alles ons metterdaad als de schatten van het genadeverbond wordt voorgesteld.

Vraagt ge waarom?

Ziehier dan het gereede antwoord.

Ieder stemt toe; en het staat er dan ook zoo duidelijk, dat het niet ontkend kan worden; dat al deze weldaden, schatten, vertroostingen en heerlijkheden; ons toekomen, niet uit ons zelf of om ons zelf of door ons zelf, maar eenig en alleenlijk uit, door en om Christus.

Dat staat dus vast. Maar er is tweeërlei manier, waarop ons iets uit Christus toe kan komen. We kunnen namelijk óf optreden als leden van zijn lichaam; |197| d.i. als in ons dragende datzelfde leven dat in hem is; één leven met hem levende; met hem lotgemeen.

Of ook we kunnen optreden „als leden van het genadeverbond” waarvan hij het Hoofd is; d.w.z. als in zake van recht en toerekening met hem in één verband staande.

De vraag is dus maar, wat wordt in Romeinen 5 bedoeld? De lotgemeenschap met den Christus als ons Leven, dan wel de lotgemeenschap met den Christus als Hoofd van het genadeverbond?

En op die vraag nu kan noch mag anders dan in laatstbedoelden zin geantwoord: Romeinen 5 handelt van onze lotgemeenschap met den Christus als ons Verbondshoofd.

Waaraan men dat dan zien kan? Wel, uiterst eenvoudig!

Zoodra er van toerekening sprake is, hebt ge natuurlijk met een „verbond” te doen, en eerst als het u toegerekende later in u wordt uitgewerkt, komt de gemeenschap des Levens.

Toegerekend was u de gerechtigheid Christi reeds eer ge krachten des levens in u ontvingt, niet waar? Ja zelfs de personeele overtuiging van deze toerekening, die ge door het geloof ontvingt, ging toch altijd vooraf aan het uitwerken in u van hoogere levenskrachten.

De toerekening komt dus eer het leven werkt; kan dus geen uitvloeisel van uw levensgemeenschap met den Christus zijn; moest reeds bestaan, eer die levensgemeenschap tot stand kwam; en kan dus geen anderen grond hebben dan in het genadeverbond.

Een verbond gaat op zedelijke verplichtingen. Alleen bij een verbond is er dus van toerekening sprake. En overmits nu heel Romeinen 5 staat of valt met de toegerekende gerechtigheid van den Christus, zoo is het hiermeê dan ook uitgemaakt, dat de Christus hier |198| voorkomt en toe wordt gejubeld en gedankt als de Middelaar en Borg die in het verbond voor ons optrad, en dus krachtens dat verbond een gerechtigheid verwierf, die alleen op grond van dat verbond voor toerekening vatbaar was en ons toegerekend wierd.

En plaats daarnaast nu eens, gelijk de apostel er ons in voorgaat en toe uitnoodigt, den persoon van Adam.

Ook van Adam wordt gezegd; dit stemt ieder toe; dat zijn doen, zijn overtreding, zijn wetsschending, zijn zonde, de zaak beslist heeft voor ons.

Hoor slechts!

In vers 15 heet het: „dat door de misdaad van éénen velen gestorven zijn.” In vers 16, „dat de schuld is uit ééne misdaad tot verdoemenis.” In vers 17, „dat door de misdaad van éénen de dood geheerscht heeft.” In vers 18, „dat doon ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis.” En in vers 19, „dat door de ongehoorzaamheid van éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn.”

Daarover verspillen we dus geen woord meer. Adams doen heeft beslist voor ons.

Maar hoe nu?

Door physieke lotgemeenschap des levens of wel door zedelijke lotgemeenschap des verbonds? Korter met kunsttermen uitgedrukt, generatief of solidair? Tusschen deze beide moet gekozen.

Allen nu die het Werkverbond verwerpen, moeten nu natuurlijk wel antwoorden: Generatief, d.i. Adams doen besliste voor ons, doordien hij onze stamvader was, en wij dus in physieken zin lotgemeenschap des levens met hem hebben; wat hij van zichzelven maakte dat maakte hij tegelijk ook van ons.

Een waarheid die we op zichzelf natuurlijk toegeven. |199| Maar zie nu eens waar ge toe komt; door in dit redeverband de zaak uit die lotgemeenschap des levens met Adam te verklaren!

Immers hiertoe: 1º. dat Adam dan geen voorbeeld van Christus was, om de eenvoudige reden, dat iemand bij wien dan niet de verbondsbetrekking zou gewerkt hebben, maar uitsluitend de levensgemeenschap door afstamming, geen voorbeeld kan zijn of heeten van een ander, bij wien juist uitsluitend en bij tegenstelling, van die verbondsbetrekking, van die zedelijke solidariteit gesproken wierd. Iets waarmeê heel Rom. 5 zou vallen. En ten 2º. dat er bij Adam dan noch van schuld noch van toerekening sprake zou kunnen zijn, daar het wel niemand in den zin zal komen, om van toerekening van schuld te spreken, als er eigen zonde is, noch ook van schuld, als er niets aanwezig ware dan een overgeërfde krankheid der ziele.

Ge hebt dan slechts te kiezen! Of Rom. 5 moet geheel veranderd en verbeterd worden; of wel, staat de Schrift en dus ook Rom. 5 voor u onomstootelijk vast, dan moet ook erkend en onbewimpeld uitgesproken: 1º. dat Adam hier, als voorbeeld van den Christus, bij hem vergeleken, en met hem parallel wordt gesteld; 2º. dat de Christus hier voortkomt niet als Bezieleren Levensmeêdeeler, maar als diegene die een gerechtigheid verwierf die ons wordt toegerekend, d.i. als hoofd van het genadeverbond; 3º. dat óók Adam derhalve niet als levensmeêdeeler, maar als hoofd van een verbond, in zedelijk solidair verband wordt voorgesteld; 4º. dat er ook bij Adam van toerekening sprake is, natuurlijk niet van genade, maar van schuld; en dat alzoo 5º., overmits Adam geen hoofd is van het |200| genadeverbond, en geen hoofd is van het Sinaïtisch verbond, door Paulus op niets anders kán gedoeld zijn dan op het Verbond der werken.

Bij deze uitkomst nu blijven we staan.

In verdere details verliezen we ons niet. Zelfs hielden we ons met opzet geheel buiten den strijd over de woorden „in welken allen gezondigd hebben” het ¦n ø van vers 12.

Dat leidt de aandacht slechts af, en is voor het bewijs dat geleverd moest worden, niet strikt noodig.

Ons was het alleen om de parallel tusschen Adam en Christus te doen, die we aldus vonden:


AdamChristus
Hoofd van het verbond der werken.Hoofd van het verbond der genade.
Ongehoorzaamheid.Gehoorzaamheid.
Absolute bondsbreuk.Absolute volbrenging van het verbond.
Volstrekte schuldigstelling.Verwerving van volstrekte gerechtigheid.
Ondergang in dood.Opstanding ten leven.
Verdoemenis.Verheerlijking.
Toerekening van deze schuld aan allen besloten in het verbond.Toerekening van deze gerechtigheid aan allen besloten in het verbond.
En tengevolge van dit toerekenen inkoming van de zonde; bezwijking onder den dood; en wegzinking tot de verdoemenis.En tengevolge van dit toerekenen inkoming van de genade; uitstorting van het leven; en uitbrenging tot heerlijkheid. |201|

Aldus loopt de donkere lijn van zonde, dood en doem benedenwaarts; en evenwijdig daarmede de heerlijke lichtlijn van gerechtigheid, genade en leven opwaarts.

Niet eerst van Sinaï af rekenende, als gold het alleen Israël, maar wel terdege met het aanvangspunt in het paradijs zelf; als rakende een iegelijken mensch.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ X, De Heraut No. 170 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001