VII. Oud en Nieuw Testament


Dit is hun een Verbond van Mij.

Rom. 11 : 27. a


In tamelijk wijden kring beeldt men zich in, dat de verbonden in tweeŽn vallen juist op het punt, waar ook de Bijbel zelf in tweeŽn valt. De Bijbel valt in tweeŽn bij het laatste vers van Maleachi en het eerste van Mattheus, en zoo nu ook denken de meesten, dat van Genesis 1 : 1 tot aan Maleachi 4 : 6 het eerste verbond, of dat der werken, loopt, en dat daarna bij Mattheus 1 : 1 het tweede verbond of dat der genade begint om bij Openbaringen 22 : 21 te eindigen.

Zoodoende maakt men zich de zaak heel eenvoudig, heel gemakkelijk en is men opeens klaar. De Bijbel bestaat uit Oud en Nieuw Testament; een testament is een verbond; dus handelt het Oude Testament over het wettelijk verbond, dat nu is afgeschaft; en daarna het Nieuwe Testament over het genadeverbond dat met Christus gekomen is: en dientengevolge kunnen we dus eigenlijk heel dat afgeschafte oude Verbond en dus |165| ook het Oude Testament vrijelijk opzij zetten, om ons uitsluitend te bepalen bij het zooveel kleinere Nieuwe Testament, en bij dat nieuwe of Genadeverbond, waarvan dat Nieuwe Testament de oorkonde is.

Wel houdt men dan dat Oude Testament ook nog bij, omdat er zoo leerrijke geschiedenissen en zoo schoone psalmen in staan, ůůk omdat er enkele treffende Messiaansche profetieŽn in voorkomen, maar het Nieuwe Testament is dan toch bet eigenlijke geworden, en het Genadeverbond dat Jezus in zijn bloed gesticht heeft, het eenige wezenlijke Verbond, waarmeÍ we te doen hebben.

En leest men dan nu in de brieven van Paulus, vooral ook in den brief aan de HebreŽn, met wat gespierde taal de apostelen des Heeren het oude Verbond opzij zetten, voorstellen als verouderd en nabij de verdwijning, dan vindt men niets gemakkelijker, dan om dit alles op het Wetsverbond, met name op het verbond van den SinaÔ toe te passen, en zoodoende tot de conclusie te komen, dat we, naar het eigen zeggen der apostelen, niets meer met dat oude verbond te maken hebben.

Al dat oude gold dan alleen voor IsraŽl, was alleen op dat ťťne speciale volk van toepassing, heeft dus voor ons nog alleen de beteekenis van een historische antiquiteit, maar spreekt in geen enkel opzicht onze conciŽntie meer toe. Wij immers zijn aan al dat oude, dat Joodsche, dat harde en wettische ontkomen en ontwassen; voor ons, Christenen, geldt nu een ander en beter verbond; wij leven onder de genade; en het genadeverbond, dit houdt men dan voor uitgemaakt, dŠt kwam eerst met en door Golgotha’s kruis. |166|

Zůů, men zal het ons toegeven, beelden verreweg de meesten zich het in. Zůů stelt men het zich in alle min nadenkende kringen voor. Er mag bijgevoegd, zůů is het decenniŽn lang van den kansel verkondigd; ingeprent op de catechisatiŽn; en in allerlei slag van hand- en leesboeken den menschen aangepreekt.

Ja, zoo algemeen dreef deze onware voorstelling boven, dat de groepjes der vromen in den lande, die hier en daar tegen deze vervalsching opkwamen, vanzelf bij de nachtschool werden ingedeeld, en een enkel predikant, die breken dorst met zoo fatale kansel-routine, in krans en ring en classis door al zijn collega’s in den ban werd gedaan.

En wel werd dit van lieverleÍ beter, en mag men gelooven, dat er thans reeds bij honderden gevonden, worden, die (dit vooroordeel der bekrompenheid te boven) aan de gemeente weer zuiverder wijn inschenken, maar toch . . . gebroken is de macht van deze leervervalsching nog op verre na niet, en terwijl de jongere theologen heel deze quaestie als niets ter zake doende eenvoudig van de agenda schrappen, om plaats te winnen voor hunne zoo ze zelven zeggen, „frisschere” en „diepere” opvattingen, komt er uit den ouden hoek reeds nu en dan een boogschutter voor den dag, die in kwalijk verborgen toorn op ons aanlegt; op ons die de stoutheid hadden, die reeds ingerekende en weggedoofde kool weer op te rakelen uit haar asch en aan te blazen tot zij weer ga gloren.

Met dit feit hebben we te rekenen.

Immers, overmits we niet schrijven voor hen die reeds in alle stukken der waarheid doorkneed zijn, maar omgekeerd voor hen, die van alle kant roepen: |167| „Leer ons den weg!”, zoo maakt deze verkeerde voorstelling het voor ons noodzakelijk, om geheel de zaak der verbonden, eer we verder gaan, nu ook eens in haar verband voor het oog onzer lezers te plaatsen, opdat niet telkens misverstand ontsta en duisterheid onze artikelen in veler oog benevele.

*

Op den voorgrond nu sta daarbij de verklaring, dat het groote feit, dat God met ons menschen in een of meer verbonden trad, niet iets toevalligs is, en nog minder is een zich schikken van Gods zij naar onze menschelijke usantiŽn, maar dat veeleer de verbondsbetrekking de normale, noodzakelijke en hoogste betrekking is, die ťn naar den eisch van Gods Wezen ťn naar den raad zijns willens tusschen Hem, den hoogen God, en ons menschen behoort te bestaan en dus ontstaan moest.

En ten andere dat deze verbondsbetrekking ons menschen niet door God opgelegd is als een last, als een vreemd juk, dat we om Zijnent wil nu eenmaal te dragen hadden, maar dat toch eigenlijk bij ons wezen niet paste; want dat juist omgekeerd het zedelijke karakter van onze menschelijke persoonlijkheid niet naar eisch kŠn aan het licht treden, zonder dat de band des verbonds beseft is en wordt aanvaard.

Dienovereenkomstig is God de Heere dan ook van stonde aan met den mensch Adam, den eersten mensch, aller stam- en geslachtsvader in verbondsbetrekking getreden, door hem aan te bieden het Verbond der werken.

Wat wilde dat zeggen? |168|

Zie, de vraag voor den geschapen mensch was: hoe kom ik uit den toestand waarin ik nu ben, in den hoogeren toestand, die in den hemel gekenden genoten wordt? kort gezegd: hoe kom ik tot het eeuwige leven?

Daarop nu bestonden twee mogelijkheden; t.w, ůf dat de mensch naar het eeuwige leven toewerkte; ůf dat het eeuwig leven in hem werd uitgewerkt.

Hij stond nog buiten het eeuwige leven. Hij had het nog niet.

Van tweeŽn ťťn kon dus maar gebeuren: ůf hij moest naar het eeuwige leven toekomen, ůf het eeuwige leven moest toekomen naar hem.

Zou hij naar het eeuwige leven toekomen, dan moest hij aan den arbeid, dan moest hij er voor werken, en als loon voor die inspanning zich het eeuwige leven zien voorgesteld.

Moest daarentegen het eeuwige leven naar hem toe komen, dan moest hij eerst uitgekleed, daarna in het eeuwige leven ingezet, en voorts door hooger kracht dat eeuwige leven in hem uitgewerkt.

De eerste weg zou de weg zijn der werken; de tweede de weg, niet der werken maar der ontlediging en der genade.

En zoo dan is het wederom niet toevallig, maar volkomen noodzakelijk, dat er eigenlijk maar tweeŽrlei verbond denkbaar is. Of een verbond, waarbij de mensch aan het loopen gaat, om naar het eeuwige leven te komen; of een verbond waarbij de mensch blijft waar hij is, maar het eeuwige leven loopen gaat, om te komen tot hem.

Loopt nu de mensch en blijft het eeuwige leven in rust, dan hebt ge het Werkverbond. |169|

Maar zit de mensch stil en loopt het eeuwige leven, dan staat ge in het Genadeverbond.

Dit nu is de hoofdzaak, waar alles op aankomt en die scherp in het oog moet gevat.

Slechts twee dingen zijn denkbaar: een verbond waarbij het op werken aankomt, of wel een verbond waarbij het aan genade hangt.

Komt het op werken aan, dan zegt God de Heere: „Gij kunt, o mensch, deze mijn wet volbrengen; handel dienovereenkomstig; volbreng mijn wet; en alsdan zal uw loon zijn het eeuwige leven; wel te verstaan aan het eind van den weg!

Maar hangt het aan genade, dan zegt de Heere uw God: „Gij kunt niet, o, mensch; mijn wet kan u alleen verdoemen, niet redden; Ik moet dus beginnen met u het eeuwige leven te schenken; wel te verstaan bij het begin van den weg; en dan zal er mijn wet en werk uit volgen!”

Werk-verbond en Genade-verbond staan dus duidelijk tegenover elkander.

Ze vloeien beide rechtstreeks uit de verhouding tusschen God en den mensch voort.

Er is op den weg die tusschen God en den mensch ligt een tweesprong en bij dien tweesprong heet het: Werken! en dan links op, of Genade! en dan recht voor u uit. Een derde is er niet.

*

Komen we nu echter op de uitvoering er van, dan, het spreekt vanzelf, heeft alles zijn geschiedenis en moeten we dus rekening houden met al die onderscheidingen, |170| die uit het verschil van tijden en toestanden geboren worden.

Dan komen we eerst op het paradijs, waar het toegaat, zooals men dat in zulk een primitieven toestand verwachten kan. D.w.z. dat er weinig wordt geredeneerd, nog niet in veel woorden gesproken, nog niets in rechtsbetrekkingen omschreven, maar dat God de Heere de zaak van het verbond er inbrengt op de manier zooals dat voor den pas geschapen mensch hoorde.

De Heere begon daartoe niet met het Genade-, maar met het Werkverbond. Die orde spreekt vanzelf. Zoolang toch de mensch nog denken kon: Misschien kom ik er wel door zelf te loopen, — zou hij geen genade ooit hebben aanvaard.

Dientengevolge stelde God den mensch de wet voor op de eenige wijze, die voor den pas geschapene mogelijk was, d.w.z., Hij prentte die in zijn ziel en bracht ze tot onverwijlde crisis door het proefgebod.

Hiervoor viel de mensch.

Met het Werkverbond kon de mensch dus nimmermeer tot het eeuwige leven komen. Vandaar dat nu onverwijld het Genadeverbond reeds in het paradijs intreedt; en wel wederom intreedt in een vorm, berekend op den toestand, waarin de mensch verkeerde, d.w.z. als in een bundelke gebonden, nog niet uitgevouwen, in kiem en kern aanwezig, maar nog niet ontsloten en ontplooid.

Maar dit bleef zoo niet.

Het Genadeverbond zou allengs ontsloten en eindelijk geheel ontplooid worden.

Vandaar dat er in dit Genadeverbond twee zeer onderscheidene bedeelingen zijn. Eerst het Genadeverbond |171| in zijn ouden, oorspronkelijken vorm, als bedeeling der schaduwen; en dan het Genadeverbond in zijn nieuwe of latere bedeeling door vervulling van wat in die schaduwen lag.

Deze twee bedeelingen nu vormen het onderscheid tusschen wat wij noemen het Oude en Nieuwe Testament.

Zoo hebben dus Oud en Nieuw Testament allebei op het Genadeverbond betrekking; vindt ge in het Oude Testament al wat op de oudere, en in het Nieuwe Testament al wat op de nieuwere bedeeling van het Genadeverbond betrekking heeft, en vervalt dus de dwaalopinie volstrektelijk als zou het Oude Testament op het Werkverbond slaan, en alleen het Nieuwe op het Genadeverbond.

Daar is niets van aan.

Oud en Nieuw Testament slaan beide op het ťťne Genadeverbond en het onderscheid ligt alleen in het verschil van bedeeling.

*

HiermeÍ is echter nog niet alles gezegd.

Er moet namelijk in de Oud-Testamentische bedeeling van het Genadeverbond nog wel ter dege ook onderscheiden tusschen Adam, Abraham en Mozes.

In die ťťne bedeeling namelijk is nog weer opklimming van klaarheid tot klaarheid.

Gelijk ge bij de Nieuw-Testamentisohe bedeeling van het Genadeverbond drie stadiŽn vindt: 1. Het Verbondsloofd de Christus, 2. de Apostelen, en 3. de Kerk; evenzoo nu zijn er ook drie stadiŽn in de bedeeling des Ouden, t.w.: 1. het gevallen Verbondshoofd Adam, 2. de Patriarchen, en 3. IsraŽl. |172|

En zoo vindt ge dan ook metterdaad een merkelijke onderscheiding in het Oud-Testamentisch Genadeverbond tusschen 1º. het Paradijs, 2º. Mamrťs eikenboschen en 3º. den SinaÔ.

Men zou er nog de profetie, vooral op de lippen van Jesaia, ter completeering bij kunnen voegen, maar gelijk ons later blijken zal, valt deze schakeering sa‚m met die der patriarchen.

Deze indeeling nu maken niet wij, maar heeft de Heilige Schrift voor ons gemaakt.

De Heilige Schrift die zelve eerst in Oud en Nieuw Testament uitťťnvalt, voorts in het Nieuwe de Evangelisten, die Jezus’ beeld teekenen, onderscheidt van de Apostelen die door zijn Geest getuigen, en dezen weer van de kerk, die bij het woord van deze Evangelisten en Apostelen leeft, en die nu precies evenzoo in de ThŰrah (d.i. in de vijf boeken van Mozes, of de Bijbel in zijn eerste afronding) zeer scherp en duidelijk in het oog laat loopen, dat er eerst bij Adam, daarna bij Abraham en eindelijk bij Mozes iets nieuws zich ontplooit.

Zoo wordt, gelijk men ziet, alles doorzichtig, en de eenige moeilijkheid die alsdan nog overblijft, bestaat nu maar hierin, dat men zegt: Zie, de Apostelen spreken van een verbond dat is afgeschaft in tegenstelling met een verbond dat nu geldt. Noemden ze dat afgeschaft verbond nu maar altijd en overal het verbond der schaduwen, dan ware er geen bezwaar en zou ieder daarbij vanzelf aan de Oud-Testamentische bedeeling van het Genadeverbond denken.

Maar zie, hier en daar mengen ze er duidelijk de quaestie der werken, in haar tegenstelling tot de genade, in. |173|

Dit brengt in de war.

Want dit maakt, dat men dan toch bij dat afgeschafte verbond, weer aan het Verbond der werken gaat denken.

En wezenlijk doorzichtig wordt het geheel dus dan eerst, als ook die knoop is losgemaakt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ VII, De Heraut No. 167 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001