VI. De bondsbreuke


Want waar geene wet is, daar is ook geene overtreding.

Rom. 4 : 15. a


Voor velen onzer lezers is de belijdenis van het oorspronkelijke paradijsverbond iets zóó nieuws en zóó vreemds, dat het zaak is bij de toelichting ervan liever óverduidelijk, dan niet duidelijk genoeg te zijn.

Men vergunne ons daarom de vraag; „Gelooft ge dat er een nieuw verbond bestaat?” En dan verwijst ons natuurlijk ieder naar de Avondmaalswoorden: „Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijnen bloede!” alsook naar de duidelijke verklaring van den apostel dat Jezus „van zooveel beter Verbond borg is geworden!” Hiermeê toch is déze quaestie beslist. Getuigt Jezus, zegt zijn apostel: „Er is een nieuw Verbond!” dan houdt desaangaande élke twijfel op. Dit weten we dan.

Intusschen, als we onzen lezers nu eens de vraag voorlegden: „Eilieve, wees eens zoo goed, en wijs mij eens de plaats in één der Evangeliën aan, waar deze nieuwe Verboudssluiting, of wilt ge deze bevestiging |155| en vernieuwing van het Verbond der genade, plaats heeft gegrepen!” dan gelooven we toch, dat men zeer verlegen zou staan. Althans van een duidelijke uitspraak van ’s menschen zij, dat ze alsnu in dit nieuwe Verbond toestemmen, het aanvaarden en alsnu met hun hand bezegelen, of ook dat Christus dit voor hen deed, is geen spoor te ontdekken.

Men doet dus zeer verkeerd en onbillijk, door te zeggen: „Aan het bestaan van een paradijsverbond weiger ik geloof, tenzij ge mij in Gen. 2 en 3 het duidelijk bericht daarvan aanwijst!”

Dat zou veel hebben van dien Amerikaanschen Baptist, die onlangs duizend Dollars per advertentie in de dagbladen aanbood aan een iegelijk die hem kapittel en vers zou noemen, van het Bijbelboek waarin de kinderdoop vermeld stond.

Dat is de Sociniaansche manier van met den Bijbel om te springen. Doen wat de Soeinianen deden, die de Drieëenheid loochenden, omdat er geen vers in den Bijbel was, waar het woord Drieëenheid stond.

Platte, ongeestelijke naturen, die van de Heilige Schrift een soort dictionnaire maken, een receptenboek, een stel formules, waarin ge op het woord en op den klank af, maar hebt na te slaan, wat ge weten wilt, en dus gespeend zijt aan alle verdere moeite.

Lieden, wien het oog nog toe is, en die daarom op uw heerlijk schilderstuk wel de verfkwabben met de vingers voelen, maar niets merken van dien prachtigen lichttoon, dien ge op het doek wist te tooveren; en die evenzoo in de Heilige Schrift wel woord aan woord spellen kunnen en uitpluizen, maar niets |156| merken van dien geestelijken lichtglans die gloort over het geheel.

Welnu, van zulke menschen is het volkomen natuurlijk, dat ze, hoorende van een paradijsverbond op conditie van wetsbetrachting, eenvoudig hun concordans opslaan, zoeken naar het woord „Werkverbond”, en niets dergelijks vindende, kortaf verklaren: „Dús is er niets van aan!” Of ook, indien ze iets minder plat zijn, Genesis 2 en 3 opslaan, alsnu nalezen of daar ergens van een Werkverbond iets staat; en het niet vindende, alsnu de zaak voor uitgemaakt houden, en zeggen: „Dat paradijsverbond is een verzinsel!”

Maar zoo doet de ernstiger belijder niet. Hij vraagt, wat die Schrift hem in haar samenhang heeft te zeggen. Vindt hij nu dat de genade niet Pelagiaansch mag opgevat, als eerst komende tot den bekeerde, maar als soms teruggaande tot achter de geboorte, dan mag hij het Doopssacrament ook niet binden aan voorafgaande belijdenis, maar moet het stellen, zoo vroeg mogelijk. Vindt hij in de Schrift, dat noch de éénheid Gods noch de Godheid des Zoons of des Heiligen Geestes mag geloochend, dan concludeert hij, dat alleen in de belijdenis van den Drieëenige de Waarachtige God beleden wordt. En zoo nu ook, vindt hij in die Schrift, dat de tegenstelling van wet en genade niet iets bijzonders is dat alleen voor Israël gold, maar iets algemeens, dat alle mensch, heel ons menschelijk geslacht en dat geslacht door alle eeuwen heen, aangaat, dan kán, dan mág hij niet anders gelooven en belijden, dan dat het Sinaïtisch verbond slechts een echo was van een alle volken omvattend Wetsverbond, dat achter Sinaï en tot in het paradijs teruggaat. |157|

En dit nu eenmaal, blijkens den samenhang van heel de Schrift vaststaande, komt hij alsnu tot Gen. 2 en 3 niet als een advocaat tot het openbaar ministerie, denkende: „Zoo ge me niet alles stipt en haarfijn bewijst, verwerp ik uw conclusie!” maar met den onderzoekenden geest van den historiekenner; die, nu eenmaal wetende: „Het Wetsverbond moet reeds bij den eersten mensch zijn ingetreden!” alsnu met een Argusoog heel het paradijs-verhaal doorspiedt, om te onderzoeken, of het hem ook gelukken mocht, hier of daar een enkel spoor te ontdekken, van wat dit Wetsverbond in zijn oorsprong kon toelichten.

En in dien zin, en met dien verstande nu, het paradijsverhaal nagaande, ja, dan vindt men metterdaad nog meer dan men zou vermoed hebben.

Sta men ons toe op de volgende puntende aandacht te vestigen:

1º. Het water van den Zondvloed bracht een oordeel; dus was er overtreding. Hieruit blijkt derhalve, dat er wel terdege een wetsopenbaring aan Sinaï voorafging; een wetsopenbaring, die niet bij Henoch, niet bij Jered, niet bij Kenan, niet bij Seth wordt gesteld, en dus wel moet hebben plaats gegrepen in het paradijs.

2º. Kains doodslag van Abel is moord. Die moord is zonde. Kaïn wist dus: „Ik mag mijn broeder niet vermoorden!” Van een verontschuldiging: „Heere, ik wist het niet!” vindt ge dan ook geen zweem. Eer een onbeschrijflijk gevoel van misdreven te hebben: „Mijn zonde is zwaarder dan dat ze vergeven worde!” Zoo leert dus ook Kaïns moord wat het oordeel van den Zondvloed leerde, t.w. dat er wetsopenbaring plaats greep reeds in het paradijs. |158|

3º. Henochs voorbeeld bewijst, dat God zijn uitverkorenen reeds voor Abrahams optreden had. Zaliging van personen die tot jaren van onderscheid zijn gekomen is ondenkbaar zonder kennisse van hun zonde. En nu, zonder de wet is die kennisse der zonde onbestaanbaar. Ook hieruit blijkt dus dat de wetsopenbaring niet bij Sinaï kan begonnen zijn, maar reeds achter Henoch moest liggen.

4º. Ook Abel wordt in de Heilige Schrift ons voorgesteld, als één op wien ’s Heeren welbehagen rust. Nu geldt ook van hem: geen heil zonder zondekennis, geen zondekennis zonder kennis der wet. Een wet pas op Sindi geopenbaard kan den vroeg vermoorden Abel daar niet aan geholpen hebben. De wetsopenbaring moest dus reeds in heb eerste huisgezin bestaan, en is dus te zoeken reeds in het paradäs, bij Adam.

5º. Paalus, de apostel des Heeren, stelt ook de heidenen schuldig voor God. Zoo schuldig dat ze kortaf verdoemelijk worden geheeten, „dervende de heerlijkheid Gods”, en buiten staat of machte, om anders dan door tusschenin tredende genade aan de vernietiging der verdoemenis onttrokken te worden.

Hij zegt dit van de heidenen zonder onderscheid of beperking. Zijn bedoeling kan dus niet geweest zijn, alleen die heidenen schuldig te stellen, die door aanraking met Israël van de wet hadden geboord. In dat schuldig stellen van alle heidenen ligt derhalve, dat er wetsopenbaring moet hebben plaats gehad bij de bron waar alle heidenen uit zijn voortgevloeid, d.i bij aller stamvader, of Adam.

Iets wat de apostel ook nog daardoor bevestigt, dat hij er op wijst, hoe de volkeren buiten Israël de |159| wetsopenbaring van nature bezitten, in hun consciëntie. Alweder dus een verwijzing naar het paradijs.

6º. De Heilige Schrift spreekt niet den Jood toe, maar in den Jood den mensch en in den mensch den zondaar. Overal waar de Jood tusschen beide wil komen, om den mensch opzij te zetten, zet de Schrift den Jood opzij, om den mensch als mensch in zijn consciëntie te grijpen, niet zijn Jodenhart maar zijn menschenhart te verbrijzelen, en niet zijn Jodenziel maar zijn zondaarsziel tot voorwerp van genade te stellen.

De vat, de klem van den Heiligen Geest op onze persoonlijkheid, om ons klein te maken, te versmelten en in het stof te werpen, richt zich niet op het bijkomstige, maar op het algemeene, op dat wat ons met alle menschen gemeen is. Niet op iets nationaals, maar op het menschelijke, dus op onze natuur. Op die natuur die onzer aller is. En overmits we nu die natuur uit het paradijs van Adam erfden, kan de Wet die natuur niet veroordeelen, tenzij ze tot in dat paradijs, tot op Adam terugga, en reeds daar van verre, in den aanvang der eeuwen, achter ons sta, als de onwrikbare muur van Gods heiligheden, waar we wel den kop tegen verpletteren kunnen, maar die zoomin iemand alleen, als allen saâm, ooit een haarbreed verschuiven of verzetten zullen.

Dit alles saâmgenomen toont derhalve, dat God de Heere zijn wil en wet niet pas op Sinaï, en ook niet pas in de Noachitische geboden, heeft bekend gemaakt, maar reeds had bekend gemaakt, zoodra Hij een mensch op aarde schiep. |160|

*

Hiermeê kan uiteraard niet bedoeld zijn, dat de woorden van de Wet der Tien geboden reeds in het paradijs door den Heere onzen God voor de ooren van Adam en Eva zouden zijn uitgesproken. Het wil dan ook alleen zeggen, dat er een innerlijke wetsopenbaring plaats greep, door een werking van Godswege op hun zedelijk bewustzijn, zoodat ze een grens tusschen het gebodene en verbodene kenden, en tot een volbrengen van het gebodene zich konden aangorden. Alleen over het Sabbatsgebod kan ten deze geschil ontstaan, omdat sommiger zedelijk bewustzijn op dit stuk niet reageert. Maar hoewel we ongetwijfeld ook den Sabbat tot het paradijs herleiden, laten we, om niet in zijpaden af te dolen, dit punt thans liefst buiten overweging.

Nu ontstaat intusschen de vraag, op wat wijs en waardoor de volbrenging van deze geopenbaarde wet kon aanvangen. Echtbreuk, om hiermeê eens te beginnen, kon niet bedreven worden, zoolang er slechts één man en één vrouw was. Te stelen viel er niet, zoolang men niemand had, wien men zijn eigendom zou kunnen betwisten. Aan wie won Eva kwaad van Adam, of Adam kwaad van Eva hebben gesproken? Dat Adam Eva niet doodsloeg, was evenmin de overwinning van een verzoeking, als het ons in den zin zou komen, indien we op een onbewoond eiland waren, den eenigen persoon die bij ons was, van kant te maken! Toen het arbeiden in het zweet des aanschijns nog niet bestond, kon er geen sprake vallen van schending des Sabbats door knechtelijken arbeid. Vader en moeder niet te eeren was ondenkbaar bij de twee eerste menschen die geen vader of moeder of leermeesters of overheden hadden. Hoogstens kon Eva |161| die gehoorzaamheid tegenover Adam betrachten. Hij, Adam, niet. Ja zelfs indien men doordringt tot de geboden, die rechtstreeks den band tot God raken, dan moet er toch een iets, een hoe gering iets ook, zijn, waarin tusschen God en iets of iemand anders te kiezen viel.

Er had dus, ware het bij deze algemeene Wetsopenbaring gebleven, wel ontwikkeling van zonde in fijneren, dieperen zin bij Adam kunnen plaats grijpen, maar geen zondige, bewuste daad, die tegelijk tot verbrijzeling had kunnen leiden.

Juist om de wet te laten werken, moest er dus we een speciaal verbod komen, en omdat de natuurlijke aanleiding tot wetsovertreding nog niet denkbaar was, moest dit proefgebod wel een wilkeurig karakter dragen.

Er was niets meer noodig dan dat God zei: „Dit niet!

Meer hoefde niet.

Want zóó niet had God dit uitgesproken, of nu had die andere iemand een punt om op aan te vallen; en die andere iemand kwam dan ook dadelijk. Onmiddellijk vertoonde Satan zich op zijn onheiligen post.

Reeds hiermeê stond de mensch dus tusschen de keus: God of een ander dienen! uitgangspunt van allen zondedienst en alle afgoderij.

En bovendien: „Dit niet!” bracht dadelijk op den tweesprong: Gods wil of eigen lust volgen, en dus op de keuze: „God of ik!

De beide zijden der wet, of wil men de beide tafels, werden dus opeens in spanning gebracht. Die ééne beet zou zijn: Godverwerping, afgoderij, Satanaanbidding, maar ook diefstal, door het nemen van wat |162| hem niet toekwam, en moord op zich zelf en heel het geslacht der menschen. Immers God had gezegd: Dit niet, . . . of de dood komt en zoo zal dus de moord door u zijn begaan!

Maar dan ook omgekeerd, hadden ze dien éénen gevloekten en verdoemelijken beet niet gedaan, dan zou het Godverheerlijking, Satanverwerping zijn geweest, en evenzoo een zich vergenoegen met het toebeschikte en een eerbiedbetuiging aan het leven, dat God schiep naar zijn beeld.

Bewilligen in het gebod: „Dit niet!” was dus van ’s menschen zij een toestemmen, dat zijn ik voor de wet, dat Satan voor God moest wijken; en evenzoo een erkennen en toegeven, dat men niet nemen mocht maar te ontvangen had, en het door God geschapene leven van den mensch tot geen prijs mocht wagen.

Er zat dus niet weinig, maar veel, ja alles in dat ééne gebod van „dit niet!” — en dat nu is het, wat ons vorig artikel bedoelde met te zeggen: „Dat het proefgebod op heel de wet Gods geschroefd zat.” Want, niet waar, als ik op een stang een kruk schroef dan draait, naar ik die kruk draai, heel de stang meê. En zoo nu ook was het hier. Zooals de mensch in het proefgebod verkeerde, zoo stond hij voor heel Gods wet.

Wendde hij in het proefgebod naar God, dan zou hij ook voorgoed in heel de wet naar zijn God zijn gezwenkt. Maar nu hij de kruk van het proefgebod verwrong naar Satans kant, nu was hiermeê ook heel de stang van de wet voor hem stuk gewrongen.

Het was in den meest strikten zin alles op één worp gezet. |163|

En wie daarbij nu spot met dien appel of wat het geweest zij, die verraadt slechts eigen onnadenkendheid.

Want immers, stel God had een berg van louter goud als inzet gegeven, wat zou dat Adam hebben aangetrokken? Te koopen viel er niets, en het goud voor sieraad had geen zin; zoolang er geen oogen waren rondom hem, om die ijdelheid te bewonderen.

Het eenige waaraan hij iets had; het eenige, wat een verzoeking kon zijn; dat was juist iets wat hij eten kon.

In Adams toestand lag er meer en veel sterker verzoeking in een schoone, geurige vrucht dan in bergen van ongeslepen diamant.

En feitelijk, zoo strikt en streng mogelijk, komt het er dus wel terdege op neer, dat aan dat zeggen Gods: „Dit niet!” heel de wet des Heeren, op de voor Adam eenig denkbare wijze, hing; en dat aldus in de overtreding van dat proefgebod volstrekt niet maar dit ééne gebodje, maar wel terdege heel de wet Gods in haar allerdiepsten wortel geschonden, van haar spil gewrongen en uit zinlijken lust vertreden werd.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ VI, De Heraut No. 166 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001