III. De fundamenten bedreigd


De schuld is uit ťťne misdaad tot verdoemenis.

Rom. 5 : 16. a


Laat ons nu, om te kunnen beoordeelen, of ook de Heilige Schrift een „Werkverbond vůůr den val” leert, eens kortelijk nagaan, wat alzoo aan de Heilige Schrift ten laste zou komen indien de bestrijders van het Werkverbond gelijk hadden.

Want daarmeÍ dat deze bestrijders zeggen: „Er wordt nergens in Genesis met name van zulk een verbond melding gemaakt!” vordert men uiteraard niets. Of laast gij dan ergens in gansch de Heilige Schrift het naamwoord van de „DrieŽenheid”, en gingt ge desniettemin toch niet stil vort met het belijden van dit hoog-heilig mysterie? Bestrijders van het Werkverbond, die, gelijk Dr. Van Oosterzee, toch zeer beslist het mysterie der DrieŽenheid belijden, missen dus elk recht, om zich op het niet noemen in Genesis van een bepaald „Werkverbond” te beroepen. Indien ons |128| blijkt dat de zaak van zulk een verbond er in is, kan het gemis van den naam ons niet hinderen, en, gelijk we op grond van de belijdenis van Vader, Zoon en Heiligen Geest dankbaar en in stille lofverheffing het geheimenis der ongenoemde DrieŽenheid aanbiddend op de lippen nemen, zoo zullen we dan ook voortgaan met van het ongenoemde Werkverbond te gewagen, uit hoofde dat de stukken er ons van in de Schrift zijn geopenbaard.

Zien we daartoe dan nu eerst eens, in wat droeve positie de bestrijders van dit verbond geraken en wat ongerijmdheid ze aan de Heilige Schrift toedichten.

We wijzen achtereenvolgens op deze drie punten:

1º. vervalt voor hen de toerekening van Adams schuld aan zijn nakomelingen.

Hierbij komt het aan op het in onze dagen zoo verminkte en mishandelde leerstuk van de erfzonde, waar niet erstig genoeg de aandacht op kan gevestigd worden. Van modern-orthodoxe zijde namelijk erkent men nog wel, dat er een erfzonde is, maar laat dier bijna geheel in een erfsmet opgaan. Bij maniere zooals wij, helaas, telkens het droeve feit waarnemen, dat kinderen van teringzieke ouders zelven vaak teringziek zijn, zoo stellen zij zich voor dat dus ook uit den zondigen Adam zondig kroost geboren is; t.w. door overgang van besmetting. Hiertegen nu zijn onze vaderen steeds met kracht en macht opgekomen, omreden, dat door deze valsche en gansch ongeschikte voorstelling van drie kanten tegelijk de waarheid werd te na gekomen. En dat wel:

a. omdat dusdoende de zonde tot een soort stoffelijke smet wordt gemaakt. Tot iets dat als een stofdeeltje, |129| of als een qualiteit van het bloed, uit de moeder op het kind zou kunnen overgaan. Een redeneering waardoor de zonde tot een eigen zelfstandigheid wordt gemaakt, en dus een voorstelling die ons lijnrecht weer in de armen van het oude ManichaeÔsme voert. Is nu de zonde een stoffelijk iets, of althans een op zichzelf bestaande zelfstandigheid, dan volgt hieruit dat ook de oorsprong hiervan iets reŽels, op zich zelf bestaands moet wezen. In strijd waarmeÍ de leeraars onzer kerk steeds door den Heiligen Geest zijn onderwezen, dat de zonde een ontstentenis van het goede, en dus, hoezeer ook positief in haar werkingen, in haar wezen slechts een negatie is.

b. Omdat door zulk een voorstelling „de schepping van elken mensch door Godwordt geloochend. Bij het ontstaan van een kind in zijns moeders schoot doet zich namelijk de vraag voor: „Ontstaat de ziel, het wezen, de persoon van dit kind uit zijn ouders of wel door schepping van Godswege?” Die het eerste staande hielden noemde men traducianers, wat beduidt: advocaten van den overgang, omdat zij uit de ziel van vader en moeder een geteelde ziel lieten overgaan in het ontvangen schepsel. Maar de gereformeerde kerken, terecht inziende en erkennende, dat dit op puur DeÔsme uitliep en met de Majesteit Gods onbestaanbaar was, hebben deze ongerijmde voorstelling steeds hardnekkig bestreden, en daarentegen de volken van Europa in Jezus’ naam onderwezen, dat de geboorte van eens menschen persoon of wezen door creatie ofte schepping ging. Reden waarom men deze ware belijdenis het „Scheppingsstandpunt” of het Creatianisme heeft genoemd. Slaat men nu echter den weg in dien deze loochenaars |130| van het Werkverbond betreden, en onderwijst men de lieden, dat de erfzonde door smet overgaat, dan, het spreekt vanzelf, is ook de „schepping Gods van elke ziel” geloochend, en het valsche deÔstische Traducianisme, door deze nieuwe „advocaten van den overgang” weer in eere gebracht.

En c. omdat men er dan wel conseqnent met Dr. Doedes toe komen moet, om deze erfzonde voor te stellen als zonder schuld. Deze scherpe denker toch heeft zeer juist ingezien, dat aan een louter overgeŽrfde geestelijke smetstof nooit schuld kon kleven, overmits schuld nooit ontstaan of bestaan kan, waar geen intred en plaats greep van den wil. In zooverre komt derhalve aan Dr. Doedes zeer zeker de lof der consequentie toe. Edoch, om hem van achteren op nog veel gevaarlijker paden te doen uitkomen. Immers dan gaat men leeren (gelijk Dr. Doedes dan ook feitelijk doet), dat er in het jonggeboren kind wel zonde, maar geen schuld wordt gevonden, en dat er alzoo zonde zonder schuld denkbaar is. Een tegen het heilige geheel indruischende voorstelling, die van de zonde een soort ziekte-proces, een zekere krankheid, een soort gebrekkelijkheid maakt, waarmeÍ we eigenlijk reeds aan de moderne kusten zijn aangeland en de zonde in haar onheilig, Gods recht krenkend, karakter is vernietigd.

Laat men nu daarentegen, om aan deze driedubbele ongerijmdheid te ontkomen, deze valsche voorstelling van de erfzonde varen, dan ontstaat de vraag, in welk ander en beter verband schuld en zonde alsdan zij te plaatsen.

Hierop nu is het antwoord gereed.

Niet de erfschuld, zoo leerde men in beter dagen, |131| is een gevolg van de erfzonde, maar omgekeerd is de erfzonde het gevolg en de straf voor de erfschuld.

Solidair stond in Adam, door het verbondsrecht, geheel het menschelijk geslacht voor God verantwoordelijk. Afval van dien eersten mensch was dus niet maar persoonlijke ontrouw, neen maar afval van het geslacht. Uit dien hoofde werd en wordt nog de schuld van dien ťťnen aan alle menschen die tot aanzijn komen toegerekend, naar het woord van Paulus: „De schuld is uit ťťne misdaad tot verdoemenis.” En omdat deze erfschuld, deze toegerekende schuld, nu aldus voor onze rekening lag, reeds eer we ontstonden, dŠŠrom en uit dien hoofde, heeft God de Heere, die ook ons persoonlijk rein en heilig schiep, ons de erfzonde uit onzen vader en onze moeder doen toekomen.

Wil men hierbij nu wederom „volstrekt niets” van een Werkverbond hooren, zie dan eens waartoe men komt! Dan moet men aannemen, dat God als Schepper, een wezen, dat vrij van schuld was; terwijl het anders kon; uit louter wilkeur door den stroom der zondige geboorte heeft laten doorgaan, om als zondig wezen het levenslicht te aanschouwen.

Want immers de poging om deze „toegerekende schuld”, ook zonder Werkverbond te verklaren, houdt geen steek. Wel is waar verklaart de Heere uitdrukkelijk, „dat Hij de misdaden der vaderen bezoekt aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht dergenen die Hem haten”, maar reeds die eigen woorden toonen, dat men uit de afstamming nooit een overgaan van de erfschuld op alle geslachten verklaren kan. In het tweede gebod toch wordt tegenover elkander gesteld de werking van de bezoeking die op drie ŗ vier geslachten |132| wordt beperkt, en de werking der barmhartigheid, die zich uitstrekt over de duizenden. Nu er bij de erfschuld sprake is van een overgaan der schul niet op drie, vier, neen maar tot op de duizendste geslachten, komt men met het beroep op deze plaats dus niets verder. Bovendien zou nog te bewijzen vallen, dat in het tweede gebod van „schuld” en niet enkel van „gevolgen van ellende” sprake was. Terwijl eindelijk ook dient opgemerkt, dat het tweede gebod ook op zijn beurt wel terdege in verband staat met een verbond, en dus ook zoo nog eer tegen dan vůůr de loochenaars van het Werkverbond zou pleiten. Hoe buiten verbondsbetrekking, waar enkel op afstamming wordt gedoeld, van Godswege de verhouding van schuld bij vader en zoon zou komen te liggen, toont ons ten overvloede EzechiŽl 18 : 17, waar we lezen: „De zoon zal niet sterven om de ongerechtigheid des vaders!”

Een reeds op zich zelf strikt afdoend betoog, waar we nog deze overweging aan toevoegen: Indien schuld alleen door afstamming overging, dan zou dit ook nu nog moeten plaats hebben. Het kind van een moordenaar zou dan moeten weten in de consciŽntie: „De schuld van dien moord wordt door God ook aan mij toegerekend, evenals had ik zelf dien moord met eigen hand begaan.” Iets wat geheel in strijd zou zijn, met de openbaring van Gods Woord en met de inspraak van de geheiligde consciŽntie.

Dat men nu zelf, niet te diep de dingen indenkend, deze totale verwarring voor zijn rekening neemt, laten we staan; maar dat men het laat voorkomen, alsof deze ongerijmdheden nu ook ten laste van de Heilige Schrift zouden komen, die immers, naar het zeggen van deze |133| bestrijders, gansch geen Werkverbond zou kennen, komt ons toch wat al te kras voor.

Het wordt werkelijk Gode iets ongerijmds toedichten, indien men zich de erfzonde zonder voorafgaande erfschuld verklaart.

En nu 2º. vervalt dientengevolge evenzeer de toerekening van de gerechtigheid van Christus aan allen die van Christus zijn.

Het vijfde hoofdstuk van den brief aan de Romeinen is bekend. De daar door Paulus getrokken parallel staat elkeen klaar en helder voor oogen, niet waar? Adam en Christus staan tegenover elkander, en nu wordt aangewezen, hoe de verhouding van Adam tot de zijnen geheel evenwijdig loopt met de verhouding van Christus tot de zijnen; alleen met dit verschil, dat de onderscheidene betrekking, waarin deze verhouding optreedt, bij Christus en de zijnen nog veel sterker spreken en helderder uitkomen dan bij Adam en wat zijns is.

Nemen we daaruit nu het element der „toerekening,” dan spreekt het vanzelf, dat ook hierbij de beide lijnen door moesten getrokken. Is er geen toerekening van schuld, waartoe zou dan toerekening van Christus’ gerechtigheid dienen? De eene staat of valt met de andere. Was het in uw geboorte, naar deze bestrijders leeren, eerst de zonde en daarna de beperkte schuld voor die beperkte zonde, dan is het volkomen natuurlijk, dat ge, aan den Christus toe gekomen, dan nu ook leert: Eerst het heilige leven in mij, en daarna de gerechtigheid, voor zoover ze op dat heilige leven rust. Een verderfelijke leer, die thans schering en inslag van veler prediking is, en die het Evangelie gansch |134| ondermijnt en rechtstreeks breekt met de geloofsinzichten van de Hervormers, die ligt uitgedrukt in „de rechtvaardiging door het geloof en het geloof alleenlijk.” Leer ik daarentegen uw ziel, dat er in uw ontstaan eerst was de toegerekende oneindige schuld van Adam, en daarna als gevolg en openbaring hiervan de zonde, welnu, dan past er ook volkomen de heerlijke rijke belijdenis van de Christelijke kerk bij, dat er in het werk van uw zaligmaking eerst was de toegerekende oneindige gerechtigheid van Christus, en daarna de vrucht van deze u toegerekende gerechtigheid in het leven des geloofs.

Waar dan ten 3º. nog bij komt dat de loochenaars van het Werkverbond gelijk we een vorig maal aantoonden, a. de Paulinische bestrijding van het Verbond der werken wel moeten doen slaan op het verbond van God met IsraŽl; b. alsdan tegen de heerlijke bedeeling aan IsraŽl wel uit overtuiging moeten opkomen, en c. dientengevolge tot een scheiding tusschen Oud en Nieuw Testament moeten komen, waarbij eerst het oude wegvalt, en dan ook het nieuwe hellen gaat, omdat het afglijdt van zijn fundament.

Wil men dien weg nu op, we zouden het diep betreuren. Maar zegt men: „Neen, dat niet!”, laat men ons dan ook met geen woorden afschepe n, maar wel en terdege inzien, dat metterdaad niets minder dan het opgesomde met de rechtstreeksche loochening van het Werkverbond vervalt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ III, De Heraut No. 163 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001