II. Eerst bij SinaÔ of reeds in het Paradijs?


Maar zij hebben het Verbond overtreden als Adam.

Hosea 6 : 7. a


Een ieder die nog niet ganschelijk met de Schrift heeft gebroken, erkent, stemt toe en belijdt, dat er aan ons menschen een weg geopend is, om tot een nog veel hooger gelukstaat op te klimmen, dan we hier op aarde thans hebben niet alleen; neen, maar ook dan Adam had in het paradijs. Dien gelukstaat in al den omvang van zijn heerlijkheid en al de schittering zijner zaligheden, noemen we het „eeuwige leven”; een „eeuwig leven” dat voor de kinderen Gods reeds hier op aarde door het geloof moge genoten worden, maar dat als volle genieting toch eerst komt, na ons overtreden uit dit voorbijgaand bestaan in ons eeuwig zijn.

Nu zijn ons in de Heilige Schrift klaar en duidelijk twee geheel verschillende wegen afgebakend en aangewezen, waarlangs we dat „eeuwige leven” verwerven |118| kunnen. Indien wij gelooven in den Heere Jezus Christus; niet in oppervlakkigen zin, niet met gevoelsbeweging; noch ook met verstandelijk napraten; maar gelooven met een geloof dat de Heilige Geest ons door het Woord in het hart heeft gewerkt, dan zijn we gewis en verzekerd, dat dit „eeuwige leven” onze stellige erfenisse is, die ons niet kan ontgaan. Dat is dus de ťťne weg. Maar niet minder stellig wordt ons ťn in de oude bedeeling door Mozes ťn in de nieuwe bedeeling door Jezus zelf nog een andere weg aangewezen, die, indien de mensch hem maar ten einde toe afloopt, moet en zal uitloopen op hetzelfde doel. Die andere weg nu bestaat daarin, niet dat ge in den Borg gelooft, maar geheel omgekeerd in het volbrengen van Gods wet. Doe dat en gij zult leven! is de telkens herhaalde uitspraak, waarop het zegel gedrukt is door Gods eigen Zoon.

En nu staat het wel zůů, dat er niemand is, die op dien tweeden weg zoo wandelt, dat hij het einde er van vindt; en geven we dus zonder voorbehoud toe, dat feitelijk langs dien weg „het eeuwige leven” nooit door ťťn enkelen mensch gevonden is noch ook ooit gevonden zal worden. Edoch, dat ligt niet aan den weg, die goed is, maar aan den mensch, die onbekwaam is, om hem af te loopen. En zoo is heter dan door ’s menschen val in zonde toe gekomen, dat er thans slechts ťťn weg is, die met goed gevolg door ons kan bewandeld worden, t.w. de weg des geloofs.

Maar vreemd genoeg, doet zich nu het zonderlinge verschijnsel voor, dat terwijl thans feitelijk alleen de geloofsweg naar het eeuwige leven henenleidt, de menschen bij hoopen juist dien anderen weg opdringen, |119| die hen niet meer helpen kan, en tot geen prijs van dien weg des geloofs willen weten. Zie, dat is nu de diep-duivelsche aard van het wezen der zonde. Toen de weg der wet nog wel terdege bruikbaar was en tot het doel kon leiden, heeft de mensch dien niet op gewild. En nu God, ziende dat we thans in onzen verzwakten staat, blind en kreupel als we thans zijn, dien hoogen bergweg niet meer kunnen afloopen, uit loutere barmhartigheid, een vlakken geloofsweg door het lage dal voor ons heeft gebaand, nu weigert de mensch hardnekkig om dien raad der liefde te volgen en wil het nu juist eens wel met dien gevaarlijken weg beproeven, dien hij eerst maar niet op wou.

Dit nu werd oorzaak, dat de apostel des Heeren zoo scherp en vlijmend in zijn canonieke geschriften de tegenstelling van wet en genade stelt, en even hoog als hij den genadeweg verheerlijkt, even doortastend den wetsweg afkeurt, opzij schuift en bestrijdt. Iets waar Paulus, of liever de Heilige Geest door zijn woord, volstrekt niet meÍ bedoelt te zeggen, dat die wetsweg op zichzelf niet goddelijk, majestueus en schoon zou zijn, maar wat uitsluitend strekt om den dwazen, halsstarrigen zondaar te tuchtigen, die in zijn onverzettelijke halsstarrigheid, het nu maar aldoor met dien wetsweg wil beproeven, die feitelijk nu eenmaal onbegaanbaar voor hem wierd, niet doordien de weg veranderde, maar doordien de mensch niet meer loopen kon en blind wierd op den koop toe. Vandaar zijn anders onverklaarbare uitroep: „Daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden!”

En nu zou men wel zeggen: „Had God de Heere dan dien ouden weg, die dan nu toch voor niets meer |120| diende, niet kunnen wegnemen!”, maar zulk een gedachte druischt lijnrecht tegen de Schrift in. Want op een weg moet ge altoos zijn; ge kunt niet op geen weg wandelen; en zoolang ge nog hardnekkig weigert den weg der genade en des geloofs in te slaan, kan het dus niet anders, of ge moet wel op den wetsweg zoeken te dringen en voort te kruipen. Ja niet alleen dat dit niet anders kan, maar het moet zelfs zoo. Want, aldus onderwijst ons de Schrift, niemand komt er toe om den weg des geloofs in te slaan, indien hij niet eerst zich moÍ en dood geworsteld heeft op dien, voor hem onmogelijken wetsweg. Uit de wet is de kennisse der zonde en zonder kennisse der zonde geen geloof.

Die dubbele weg is dus geen geschiedkundige wetenswaardigheid uit vroeger eeuwen, maar het stel wegen dat ook thans nog altijd midden door ons leven heenloopt. Het zijn de wegen waar wij zelven, waar onze kinderen, waar onze beste vrienden meů te rekenen hebben. Wie we ook zijn mogen, op ťťn dier beide wegen wandelen we. En hij die nu op den geloofsweg gezien wordt, heeft vroeger gewandeld op den wetsweg, en wandelt er, wat hem zelf aangaat, in het gedichtsel zijns harten nog.

*

Dusver loopt dus alles klaar en duidelijk en doet zich geen moeilijkheid voor. Maar, zie als we nu de Heilige Schrift, met name de Paulinische brieven opslaan en letten op de SinaÔtische wetgeving, dan geraken we een oogenblik geheel in de war.

Wat toch vinden we dan?

Dit, dat Paulus, de apostel des Heeren, geheel zijn |121| bestrijding (niet van de wet, maar) van den wetsweg tot ťťn klein, nu als natie van alle zelfstandigheid beroofd volkje richt, tot de oude inwoners van het kustland, dat tusschen Tyrus en Egypte lag, en dat, vreemder nog, zelfs de geheele wet der Tien geboden uitsluitend aan dat kleine, toen nog zwervende volk gegeven is.

Wel voelden we en zeÓ dan ook een stellige inspraak in de ziel ons, dat die twee wegen ook nu nog het leven in alle mensch en dus ook ons leven beheerschen, maar als we nu de Schrift opslaan, om raad en uitslag te vinden, dan is het of ons die Schrift niet aangaat. Want, nietwaar? wij waren niet bij SinaÔ toen God zijn wet van Horeb gaf. Wij stammen ook van die stammen IsraŽls niet af. En waar Paulus’ geheele uiteenzetting der waarheid rust op de verbondsbetrekking, waarin dat IsraŽl met Jehovah was getreden, daar heeft dat op ons hart geen vat of klem meer; want nog eens, niet wij zijn persoonlijk in een verbond met Jehovah getreden en noch Mozes noch de stamhoofden IsraŽls konden dit doen voor ons; in onze plaats; zoodat het ons bond.

Wel kunnen we dan een uitweg zoeken en zeggen: „Ja, maar die aan IsraŽl gegeven geboden zijn toch eigenlijk niets dan de uitspraak van het geweten, een geweten klopt ook ons in den boezem, en in zooverre kunnen we die Schriftwoorden dan toch ook eenigermate op ons zelven toepassen”; — maar men gevoelt wel, bevredigen zal dit nooit.

Want zoo het dien weg uit moest, hoeveel heerlijker zou het dan niet zijn, als de apostel al die Joodsche inkleeding van een zoo eenvoudige zaak als het geweten |122| eenvoudig opzij had gezet, en ons op den man af, in duidelijke woorden, zoo heerlijk als dat nu soms geschiedt door enkele predikers, die hun tijd begrijpen, had toegesproken niet als quasi-Joden, maar als menschen.

En deze voor de hand liggende beschouwing heeft er dan ook metterdaad toe geleid, dat 1º. nu reeds in tal van geloovige kringen de brieven van Paulus op den index zijn geplaatst, met uitzondering van de vermanend-practische stukken die meest zijn brieven besluiten; 2º. dat men de onafwendbaarheid van de eischen der wet, eigenlijk niet meer op de Tien geboden, maar welbezien uitsluitend op het geweten doet rusten; en 3º. dat men in dien Joodsch-ingekleeden Bijbel zich minder thuis gevoelende, zijn toevlucht neemt tot Bijbelsche leerboeken en dagboeken voor de huiselijke godsdienstoefening, die immers meer menschelijk, meer in onze taal, meer voor onze ooren geschreven zijn.

En zoo komt het dan, dat de Bijbel in den hoek en Gods Wet van haar voetstuk raakt, en dat men, in naam nog bij de Schrift levende, feitelijk op den stroom zijner eigen gedichtselen drijft, om met elken riemslag dat men verderop komt, al verder verwijderd te raken van de vastigheden van Gods Woord.

Te keeren is dit kwaad natuurlijk niet door wat men er niet zonder behendigheid op uitvond, door namelijk te zeggen: „Eilieve, wat deert mij dat, of die menschen daar aan Horebs voet Joden of niet-Joden waren; immers niet als Joden maar als menschen heeft God hen toegesproken, wat God, tot hen zei, geldt dus ook voor u en mij!” Want let wel, dat ook alles op u toepasselijk zou zijn, wat God aan IsraŽl heeft |123| opgelegd, en dat gij dan elk recht missen zoudt, om uit het vele dat God aan IsraŽl heeft bevolen, het ťťne te laten liggen en het andere op te nemen. Let er op, dat ge dan in lijnrechte tegenspraak met heel de Schrift komt, die God Almachtig in een gansch particuliere betrekking tot IsraŽl laat treden, en dat juist in dat particuliere de bekoring van het innige ligt. En let er vooral op, dat ge dan nog nooit IsraŽls aanvaarden van de Wet als een aanvaarden door alle menschen kunt laten voorkomen; reeds om de eenvoudige reden, dat dan IsraŽls aanvaarding ook reeds zou moeten gegolden hebben voor de Amalekieten en Edomieten. Ook toch menschen niet waar?

Op die wijs ontkomt ge aan de zeer ernstige moeilijkheid, die zich hier voordoet, dus nooit. Want op die wijs doet ge altijd van tweeŽn ťťn: ůf ge herleidt al het op SinaÔ gebeurde eigenlijk tot niets dan tot de spraak van het geweten; d.w. in goed-Hollandsch zeggen dat ge het niet gelooft maar het loochent; ůf wel, ge loochent het niet, maar dan blijft het gebeurde met IsraŽl ook altijd een zoo particulier, alleen dat volk alleen aangaand karakter dragen, dat de overgang maar niet is te maken van dat IsraŽl op u zelf.

*

Waaraan zich dan, in niet minder ernstige beteekenis, nog een tweede, geheel ander bezwaar vastknoopt.

De Heilige Schrift leert ons namelijk, dat de genadebedeeling des geloofs volstrekt niet pas met Jezus’ optreden aan de Jordaan of, wil men, met den Pinksterdag begonnen is. Om nu niet meer te noemen, |124| ook reeds Abraham was bijna twee duizend jaren vroeger „gerechtvaardigd door het geloof” en dus zalig geworden uit genade.

Heel de bedeeling Gods met IsraŽl toont ons dan ook dat het een „genadebedeeling” is, die door de ceremoniŽn, typen en schaduwen, den zondaar richtte op den komenden Messias en hem zaligheid schonk in hem.

Maar hoe kan dit dan nu sa‚mgaan? Sa‚mgaan, dat de apostel eenerzijds de bedeeling van de wet tegen de genadebedeeling overstelt, en dat diezelfde apostel anderzijds ons op Gods doen met IsraŽl wijst als tot die genadebedeeling behoorende?

Dit kan niet. Dit strijdt. Het ťťne sluit het andere uit.

Wat kiest ge nu?

Kiest ge, om IsraŽl tot de genadebedeeling te rekenen en dus ook zijn wetsweg daarbij in te sluiten? Maar weet dan wel, dat ge groot gevaar loopt van door een nieuw „raak niet en smaak niet”, zelf in Oud-Testamentischen geest te gaan leven en eigenlijk de genade toch weer in de wetsvolbrenging te smoren.

Of wel zegt ge: „Neen, dat niet, maar IsraŽl stond dan ook buiten de genadebedeeling!” Welnu, dan komt ge er natuurlijk rechtstreeks toe om het Oude Testament als van ondergeschikte waarde te beschouwen, het van lieverleÍ te ontdoen van zijn goddelijke autoriteit, alzoo uw Heiland te weerspreken die de goddelijke autoriteit van dit Testament hoog hield, en aldus tegen uw wil medeplichtig te worden aan dat opzij schuiven van heel uw Bijbel, wat altijd volgt, zoodra men eenmaal met een opzij zetten van het Oud-Verbond begon. |125|

En zie, terwijl nu opdat thans weer in zwang komend standpunt ůf de Schrift ůf de genadebedeeling wegvalt, zou natuurlijk elke moeilijkheid worden weggenomen en alles vanzelf vlotten en op orde komen, indien bleek, dat ťn de wetsweg ťn het met het oog op dien weg gesloten verbond niet pas op den SinaÔ was geopenbaard, maar reeds in het paradijs vůůr den val.

Dan toch zou die wet door verbondssluiting zijn opgelegd aan dien ťťnigen mensch die macht had alle menschen te verbinden, doordien hij aller stamvader was. Dan zou de breuke met die wet en van dat verbond niet eerst in de woestijn van Paran liggen, maar reeds in het paradijs, en dus onzer aller breuke zijn. Dan zou de genadebedeeling niet eerst op den Pinksterdag maar reeds in Eden geopenbaard zijn, en dus gelden voor alle eeuwen en alle geslachten. Dan zou de invoeging van de wet in het IsraŽlietisch Verbond, geen andere beteekenis hebben dan dat IsraŽl datzelfde over had te doen als volk wat Adam in het paradijs had te doen als persoon, om, gevallen als hij, nu ook als volk den beteren weg des geloofs te zoeken. En dan eindelijk zou Paulus’ bestrijding van den wetsweg, niet op IsraŽl gemunt zijn, maar door IsraŽl heen tot op den val teruggaan, om alle mensch voor God verdoemelijk te stellen en alle mensch te bestraffen, die als zondaar toch den wetsweg nog op wil. Wel te verstaan, den wetsweg ook nu nog op wil, niet om tot kennisse der zonde te geraken, maar om te geraken tot eeuwige zaligheid.

Mete nu de kenner der Heilige Schrift en de kenner der innerlijke zielsworsteling naar deze algemeene |126| aanduiding maar reeds af, wat schromelijke verwarring men aanricht door het Werkverbond opzij te zetten; wat sleutel tot de poorte des heils en der waarheid ons in dat Werkverbond gegeven is; en wat er alzoo aan is van het beweren ook van de besten onder de broederen, dat de geestelijke waarde van dit stuk der aloude belijdenis volstrekt geene zou zijn.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ II, De Heraut No. 162 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001