Deel Drie. Het Verbond der werken

I. Het werkverbond miskend


Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij.

Rom. 3 : 19. a


Niet alleen buiten het erf der gereformeerde kerken, maar, helaas, evengoed op dat erf, is men sinds het einde der vorige eeuw gansch en al van de belijdenis onzer vaderen, die in het Verbond der werken school, afgeweken. Wel bleef er overal verspreid in den lande nog een kleine schare van getrouwen, die dit stuk der waarheid vasthielden; het licht dankbaar opvingen, dat er voor heel het heilgeheim uit afstraalt; en den troost indronken, die er in verborgen licht; — |108| maar van het publieke terrein onzer kerk bleef ze begannen. Predikanten, die er nog aan geloofden en er nog van leeraarden, werden al schaarscher; op de catechisatin raakte ze ganschelijk in onbruik; uitkomende geschriften zwegen er bot van; en na lang zieltogen ontving deze leer op de academische leerstoelen eindelijk den genade- en nekslag, toen de hoogleeraar Dr. Van Oosterzee, die anders in menig opzicht wel „de laatste der academische belijders” mag heeten, desaangaande in Deel I p. 520 van zijn Dogmatiek dit neerschreef: „Echter is er geen de minste grond om hier (d.i. in het paradijs) aan een eigenlijk gezegd verbond te denken, door God in Adam met geheel de menschheid gesloten. . . . . De exegetische grond dezer voorstelling in Hos. 6 : 7 is volstrekt onvoldoende en hare dogmatische waarde zonder de minste beteekenis. De Schrift leert niet, dat God een verdrag met den mensch heeft gesloten, maar alleen, dat Hij hem kennelijk langs zedelijken weg tot hooger geluk wilde opvoeren” 1).

Deze uitspraak is, gelijk men ziet, doodelijk. Als een verouderd en vermolmd meubel wordt het Werkverbond in een hoek geworpen. Het is zelfs geen ernstige bestrijding meer waard. Het deugt tot volstrekt niets. Het heeft geen den minsten grond. Het mist zelfs de minste beteekenis. Nauwlijks het wegwerpen waard!

Op dat standpunt staande, heeft de hoogleeraar Van Oosterzee het natuurlijk beneden zich geacht, om kennis te nemen van de degelijke literatuur waarin eertijds dit stuk der waarheid bepleit is; heeft hij zijn |109| schoon boek niet willen ontsieren met de vermelding van de desbetreffende werken; en heeft hij het zelfs zijn aandacht laten ontgaan, dat zijn eigen medearbeider aan Langes Bibelwerk Hosea 6 : 7 weer in oud gereformeerden trant, naar luid van onzen Statenbijbel, door: „Ze hebben het verbond overtreden als Adam” heeft vertaald.

Toch make niemand hier den grijzen hoogleeraar een verwijt van. Reeds bij zijn optreden toch kwam het onder de kundiger theologen niemand meer in den zin of in de gedachte, om aan de mogelijkheid dat zulke leerstukken nog der bespreking waard waren ook maar te denken. Eenmaal geen oog gekregen hebbende voor wat er nog aan schats achter ons lag, moest hij zich dus wel naar de Duitsche „Vermittelungstheologie” richten, die, aan onze gereformeerde leerontwikkeling geheel vreemd gebleven, van een Werkverbond hoogstens nog als van een „curieuse antiquiteit” gewaagde. En geen twijfel dan ook, of zag eerlang een derde druk van ’s hoogleeraars Dogmatiek het licht, er zou wel beter en meerder eer worden gedaan aan dit thans weer oplevend leerstuk.

Onze aanhaling van zijn woorden heeft dan van onzen kant ook in het minst geen „declineerende” bedoeling, maar strekt alleen om door dit, ter oorzake van Van Oosterzees naam, zoo illustre voorbeeld, vooraf met een enkelen scherpen trek te doen uitkomen, in welk treurig hoekje der verachtelijkheid dit „Verbond der werken” op godgeleerd gebied geraakt is. En zeer zou men zich dan ook teleur gesteld zien, zoo men in dit opstel een opzettelijke bestrijding van Dr. Van Oosterzee tegemoet zag. Zelfs aan een eigenlijk gezegd |110| theologisch pleidooi voor het Werkverbond mag hier niet gedacht worden. Al wat de Heraut, overeenkomstig zijn karakter, op kan leveren, is een zwakke poging om ook dit begraven leerstuk weer uit zijn puin op te delven, en aan de mannen en vrouwen, die thans leven, duidelijk te maken, dat ook hn persoonlijk dat Werkverbond nog aangaat, en elke belijdenis der waarheid onvolledig moet blijven, waaruit met opzet deze belangrijke hoeksteen wordt geweerd.

Want wel weten we, dat de belijdenis van het Verbond der werken, in haar breederen, uitgewerkten vorm, van jonger dagteekening is, en zelfs bij Calvyn en Zanchius niet aldus omstandig wordt geleeraard. Maar eer men zich hierop beroept om eigen verwerping van dit leerstuk te wettigen, zij men dan toch zoo goed, op het overgroote verschil te letten dat er bestaat tusschen twee menschen, waarvan de ne een stuk der waarheid nog niet zoo klaarlijk belijdt, omdat het dusver nog niet in zoo helder licht was gesteld, en de andere ditzelfde stuk, nadien het in klaar en helder licht was geplaatst, opzettelijk bestrijdt en verwerpt.

Ook op het stuk van de belijdenis gaat de Heilige Geest al door in de kerke Christi, om de waarheid die in Christus is, of wil men, de schatten van het Woord, steeds heerlijker toe te lichten.

Vr Arius in de kerk optrad was de belijdenis zelfs van de Godheid des Zoons verre van zoo klaar en algemeen in de Christelijke kerk. Wel leefde men met Christus in een gemeenschap, die bij de niet-onderstelling van zijn Godheid ongerijmd zou geweest zijn, maar men had de verschillende bestanddeelen van dit heilig leerstuk nog niet zoo in- en doorgedacht. De |111| Godheid des Heeren leefde in het leven der gemeente, maar was nog niet tot klare afspiegeling gekomen in het bewustzijn. Eerst in den strijd met Arius kwam het daartoe. Toen eerst werd het leerstuk vastgesteld; werden alle bedenkingen er tegen doorgedacht; en voor elk bestanddeel er van de juiste uitdrukkingswijze gevonden.

En wat deden toen destijds de verwerpers van ’s Heeren Godheid? Zie, die sloegen toen de schriften der oudste kerkelijke schrijvers op, en haalden daaruit allerlei uitdrukkingen aan, die op onjuiste en onzuivere wijs geschreven waren, en nu van achteren den schijn hadden, alsof ze het Arianisme begunstigden. Maar de kerke Christi liet zich door het beroep op deze oude vaderen volstrekt niet van het spoor brengen; toonde veeleer aan dat dit allengs klaarder ontwikkelen van de waarheid juist het eigen werk des Geestes was; en bewees aan haar tegensprekers, dat ook deze oudere belijders wel terdege het wezen der zaak hadden beleden, ook al misten ze nog dien uitgewerkteren vorm, ja al was veelszins zelfs hun wijze van uiteenzetting niet onberispelijk.

En evenzoo nu is het ook hier.

Vast staat het, dat het ware licht op de leer van het Werkverbond eerst is beginnen te vallen in den strijd met de Socinianen. Toen de Socinianen het Oude en Nieuwe Verbond derwijs uit elkar wilden rukken, dat het Oude zoogoed als wegviel en het al den schijn kreeg, alsof de „zaligheid door het geloof” eerst op den Pinksterdag in de wereld was gekomen, en alsof dus de Godsmannen en uitverkorenen des Ouden Verbonds buiten die zaligheid gestaan hadden, toen ja, |112| is met name de gereformeerde kerk ernst gaan maken met het dieper onderzoek van de betrekking die, naar het eigen Woord Gods, tusschen Oud en Nieuw Verbond bestaat. Dit leidde vanzelf tot de vraag: of de tegenstelling tusschen Oud en Nieuw Verbond waarop Paulus doelt, z is op te vatten, dat onder „Oud Verbond” de periode van Genesis tot Maleachi zou zijn te verstaan, dan wel of het genadeverbond zich reeds over heel het Oude Testament uitstrekte. Dit bracht dan weer op de vraag: of het wettisch verbond alleen op Isral doelde, dan wel of het allen menschen en dus ook ons aanging. En zoo is het geschied, dat uit dien strijd tegen de ondermijners van het Oude Testament, die men gemeenlijk onder den naam van Socinianen samvat, een zeer breede en hoogst belangrijke leerontwikkeling is geboren, die zeker in haar verloop ook door uitspattingen en overdrijvingen ontsierd is, maar ten slotte toch ongetwijfeld tot een veel klaarder en dieper opvatting heeft geleid van den organischen samenhang, die al de leidingen Gods met het schepsel en den zondaar aaneenschakelt.

Nu spreekt het intusschen vanzelf, dat de oudste schrijvers uit de Hervormingsperiode, die voornamelijk met Rome en de Anabaptisten den strijd aanbonden, en de Socinianen nog ten deele lieten liggen, nog lang niet met die klaarheid en die breede opvatting zich over dit punt uitspreken, als de coryphaen der 17de eeuw. Dat kon eenvoudig niet, omdat ze leefden, eer die periode van bijzondere leerontwikkeling aanbrak. En zoo moet het dan onbewimpeld toegegeven dat er n bij Calvyn n bij Zanchius n bij Ursinus n zelfs bij Pareus uitlatingen voorkomen, die twijfel |113| aan hun rechtzinnigheid op dit punt doen rijzen, of ook uitleggingen van Hosea 6 : 7 worden gegeven, die de beteekenis dezer Schriftplaats misverstaan; wel te weten in even denzelfden zin, waarin de oudste schrijvers van de kerke Christi soms te kort schijnen te doen aan de waarheid van de goddelijke natuur onzes Middelaars.

En nu gebeurt dientengevolge ook te hunnen opzichte precies hetzelfde wat eertijds de Arianen met die oude patres deden, t.w. dat men ook thans zich op Calvyn en anderen beroept, om de waarheid van het Verbond der werken tegen te staan en te ondermijnen; het nu doende voorkomen, alsof men, door thans zelfs het Werkverbond te loochenen, nog niets anders deed, dan wat Calvyn zelf deed in zijn dagen.

Maar zoomin de belijders der kerke Christi in oude dagen zich vervaard lieten maken door het Ariaansch beroep op vroegere vaderen, zoomin doet ook voor onze overtuiging dit verwijzen naar Calvyn en Zanchius iets ter wereld af.

Want immers het is niet waar, dat men door het Werkverbond te loochenen niets anders doet dan wat ook Calvyn deed! Dat zou waar zijn, indien Calvyn het had verworpen. Maar dat deed Calvyn niet. Veeleer wordt het in al zijn geschriften ondersteld; zijn de elementen er voor bij hem alle aanwezig; en is de waarheid, die later in het Werkverbond tot een klaarder licht is gekomen, standvastig door hem beleden. Het eenige wat men met goed recht kan opmerken, is, dat Calvyn het Werkverbond niet zoo opzettelijk en uitgewerkt leert, als dit ons mogelijk is geworden, |114| en dat eenvoudig, omdat ten tijde toen de groote Geneefsche hervormer leefde, de strijd over dit punt nog eerst te komen stond.

Zij daarentegen, die, nadat die strijd gestreden is en zijn vrucht afwierp, opzettelijk als bestrijders, loochenaars en verwerpers van het Werkverbond zijn opgetreden, doen heel iets anders. En wel n van deze beide; al naar gelang de oorzaak is, waaruit hun loochening en verwerping voortkomt; zij verwerpen namelijk het Werkverbond f omdat ze zijn geboortegeschiedenis en hooge beteekenis niet kennen, f omdat ze, na er kennis van genomen te hebben, vijandig staan tegenover de waarheid die er in ligt uitgedrukt.

Die beide categorien van personen onderscheide men wel. Niets onbillijker toch dan om allen over nzelfde kam te scheren, en uit het feit, dat iemand tegen een stuk der waarheid spreekt, terstond de verre van zekere conclusie te trekken, dat hij dit doet uit rechtstreeksche vijandschap tegen die waarheid.

Wie alzoo oordeelt, vergeet in zijn haasten met de groote, schier ongelooflijke onbekendheid te rekenen, waarin deze stukken der waarheid vooral onder de theologen allengs geraakt zijn. Men bedenke toch wel, dat zelfs het zoo kostelijke „Examen van Tolerantie”, dat scherp gedachte en helder geschrevene stel samenspraken, dat als late navrucht van den dogmatischen arbeid der vorige eeuw tot ons is gekomen, voor negentig van de honderd proponenten die den predikdienst bij ons aanvaarden, een volslagen onbekende grootheid is.

Och, zoo velen zijn er helaas, die nooit dan in het |115| oppervlakkige van het „zoogenaamde Werkverbond” hoorden, en nu, op den klank af er aan gewend wierden, om anderen na te spreken, dat dit Werkverbond niets dan een spitsvondigheid der scholastiek is. Dezulken moet men niet aanstonds veroordeelen, maar onderrichten en op den beteren weg helpen. Want al veroordeelen ook wij in dezulken de traagheid van geest, die dieper onderzoek schuwen deed, vergeten mag toch ook niet, dat er een mate van onbekendheid met deze dingen kan bestaan, die alle liefde uitsluit en zelfs de aandrift tot onderzoek onbestaanbaar maakt.

En doet men dat, welnu dan zullen de geesten zich wel openbaren. Wie dan bij nader inzien vijandig met zijn geest staat tegenover de kern van heilige waarheid die ook in dit schoone leerstuk schuilt, die is dan ook als een verwerper en bestrijder van de openbaringen Gods openbaar geworden. Maar ook, wien dan al meer de oogen voor zulk een stuk der waarheid opengaan, die laat zich dan maar niet bij de gereformeerden inschrijven; gelijk men tot ons leedwezen in sommige kringen met schampere minachting van dit zich keeren naar de gereformeerde waarheid spreken durft; neen, maar die wordt ook in zijn conscintie overtuigd, dat hij de waarheid Gods metterdaad miskend heeft, die doet daar boete over, belijdt zijn schuld daarin, en dankt zijn God dat hij op vaster bodem gezet is door genade.

Reeds nu veroordeelen mag men dus uitsluitend hen, die van n dezer twee blijk geven: f 1º. dat ze de zaak kennen, en dus met kennis van zaken, loochenen, f 2º. dat ze in zake de verhouding van Oud en Nieuw Verbond, en geheel de oeconomie der |116| genade, die genade, die daarme samhangt, in beginsel op het pad der Socinianen gaan en voor anderen door hun hekken en voetangels den toegang tot het erf der gereformeerde, d.i. gezuiverde waarheid versperren.




1. Wij cursiveerden.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het Verbond der werken’ I, De Heraut No. 161 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001