IV. Een Verbond tegen dood en duivel


En hebt heerschappij over haar.

Gen. 1 : 28.

Nu zal de overste der wereld buitengeworpen worden.

Joh. 12 : 32. a


De derde grondtrek waarop bij de bespreking van het Verbond moet gewezen worden, is het gevaar, de macht of de persoon, tegenover wien men een verbond sluit.

Twee personen die sam alleen op een vergeten, nooit door iemand bezocht eiland woonden, zouden geen verbond sluiten. En indien ze het deden, zou men hun vragen: Waartoe dit verbond? Wie zou u hier kwaad doen? Wat vreest ge dan?

Elk verbond tusschen vorst en vorst, tuschen volk en volk, tusschen stam en stam heeft dus altijd ten doel: gemeenschappelijke dekking tegen een reeds aanwezig of in de toekomst te duchten gevaar. Of ook om te zam tegen een derde op te treden, hem aan te vallen, ten onder te brengen en te dwingen naar zijn wil. |86|

Maar hoe ook opgevat, dit blijft altijd, dat een verbond tusschen twee een derde onderstelt, die buiten het verbond staat en tegenover wien men zich aaneensloot.

Abrahams verbond met Mamr, Aner en Eskol had ten doel zich tegen de aanvallen van rondtrekkende nomadenhorden of neerkomende bergstammen te beveiligen. Jacob en Ezau maakten deels een verdrag (van een verbond wel te onderscheiden), het verdrag namelijk om de grens tusschen beider gebied niet te overschrijden; maar ook voorts een verbond, om sam te staan tegenover derden. De verbonden der koningen van Isral, hoe ook door God geoordeeld, hadden steeds ten doel, om f Egypte tegen den machthebber aan den Eufraat f wel den wereldbedwinger van het Oosten tegen den Farao van den Nijl uit te spelen. Zelfs het verbond door Prins Willem I met den Potentaat der potentaten gesloten, had geen ander doel, dan om de toekomst dezer landen, door de trouw zijner nazaten aan God Almachtig, tegen ondergang en vreemde overheersching veilig te stellen.

Hoezeer dus ook bij een overeenkomst, een tractaat of verdrag het denkbeeld van een gemeenschappelijken tegenstander afwezig moge zijn, bij het denkbeeld van een verbond is dit onmisbaar. Neem zelfs het Davids en Jonathans verbond, en onmiddellijk tast immers ieder, dat ook dit verbond was, om in nood en dood elkar bij te staan.

In zijn algemeensten vorm uitgedrukt mag dus gezegd: bij verbondssluiting verbindt men zich over en weer, om wat nood er ook kome, ja al ging het tot in den dood, elkander houw en trouw te blijven, en |87| plaatsbekleedend voor elkander op te treden. „Mijn nood zal uw nood zijn; en ik zal uw nood als mijn eigen nood beschouwen!” En overmits nu zulk een nood nooit anders ontstaat dan doordien een derde macht dezen nood bewerkt en veroorzaakt, zoo doorziet hierme een ieder, hoe elk verbond in zijn diepsten grond tegen een derde is gericht: onverschillig of ge dien derde daarbij aanduidt als een macht, als een dreigend gevaar, of als een gevaarlijk persoon. En zelfs mogen we z ver gaan van te beweren, dat een verbond klimt in beteekenis, u gespierder toespreekt, en in volkomener mate een eigenlijk verbond is, naar gelang de persoon tegen wien men bescherming op het oog heeft, bepaalder en duidelijker is aangewezen.

Passen we dit nu ook op het Verbond des Heeren toe, dan ontstaat de gewichtige vraag, of er ook bij de verbonden, die God de Heere met de kinderen der menschen gesloten heeft, van zulk een bescherming tegen een gemeenschappelijken vijand sprake is.

En op die vraag nu, z gesteld, antwoorden we zonder aarzelen: Ja, zeer gewisselijk, elk verbond van God met den mensch gesloten is in zijn diepsten grond, ’tzij dan openlijk, ’tzij meerbedektelijk, ’tzij dan rechtstreeks of meer afgeleid, een verbond van God en mensch tegen den Duivel.

Een verbond tegen den Duivel, en dus tegen des Duivels heirscharen en zijn gansche macht; tegen zonde, dood en, vloek; en alle listen en lagen, waarme Satan, zelf of door zijn booze engelen, geestelijk of stoffelijk kwaad over God of menschen, of over hun naam of eere brengen wil.

Satan is de gezworen doodsvijand Gods en van alles |88| wat Gode toebehoort. Dus in de allereerste plaats van Gods menschen, die geschapen zijn naar Gods beeld. En, als door den zondeval dat beeld bedorven is, dn de doodsvijand van een elk, in wien God dat beeld weer opricht. Ja hoe meer ge begenadigd zijt, hoe vinniger en vuilaardiger en sluwer Satan het dan op uw verderf toelegt.

En daaruit nu, dat God en de mensch een gemeenschappelijken vijand hebben; een geestelijken vijand; een geweldigen vijand; een vijand tot den dood toe; een, onverzoenlijken en onbekeerlijken wederpartijder; die er onder moet en eeuwig gebonden moet, of het zou met Gods eer en ’s menschen vrede gedaan zijn, druit zeggen we, volgt, welbezien, op zichzelf reeds de innerlijke noodzakelijkheid en noodwendigheid, dat God en mensch tegenover dien Satan in een verbond treden; zich wederzijds tot verzet en tegenweer verbinden; en door de echte verbondside der plaatsbekleeding: „Ik voor u en gij voor mij!”, een z innig verbond en een z eeuwig verbond, een verbond tot in den dood aangaan, als tegenover een zoo geestelijken, altoos durenden en geweldigen vijand en wederpartijder onafwijsbaar noodig is en vanzelf wordt geischt.

Al wat men, Satan nu buiten rekening latende, van een verbond van God met den mensch, o, zoo godzalig beredeneeren moge, laat altijd den indruk achter en zal altijd den indruk achterlaten: Nu ja, dat is alles vroom en vroed gezegd, maar dat is eigenlijk niet anders dan beweldadiging en begiftiging met genade, waar gij nu den naam van een verbond aan geeft, maar hetwelk nauwkeuriger uitgedrukt toch niets dan een afspraak, een belofte, een |89| overeenkomst, een verdrag is, maar het veel sprekender kenmerk van een wezenlijk verbond mist. Maar, z niet brengt ge u het beeld van den wederpartijder, van Satan, dien vijand Gods en der menschen, voor den geest, of dat eerst oneigenaardige wordt nu juist zeer eigenaardig, en ge komt vanzelf en ongezocht tot de erkentenis: Tegen den gemeenschappelijken doodsvijand! o, zeer zeker, thans gevoel en doorzie ik, dat het niet maar een belofte, niet maar een verdragsovereenkomst, maar wel terdege, wel zeer wezenlijk en in der waarheid een, in zeer eigenlijken zin aldus genoemd, Verbond is.

*

Bezien we dit nu meer in de bijzonderheden, dan kan het niemand moeilijk vallen, bij elk der voorgekomen verbondssluitingen aanstonds te doorzien, onder welke vormen en op wat manier de tegenstander en wederpartijder daarbij optreedt.

Bij de Verbondssluiting in het paradijs, had men reeds te doen met een ernstig en ontzettend verleden, waarin Satan niet maar de hoofdrol speelde, maar als Satan ontstaan was. Satan was eens Gods liefste schepsel, het hoogst bevoorrechte, onder alle engelen de eerste. En nu was er een val der engelen, en tengevolge van dien val een ontzaglijke en verschriklijke worsteling ontstaan, waarin Satan zich als de principiele wederpartijder Gods had geopenbaard. De vraag, of der engelen val uit benijding, van den bevoorrechten mensch was ontstaan, laten we hierbij in het midden; zeker bericht bezitten we desaangaande niet. Maar dit staat, blijkens de uitkomst, vast, dat Satan |90| zijn principiele woede en bitterheid tegen den levenden God k keerde tegen alles wat Godes was, en onder zijn schepselen vooral tegen de menschen.

Het „woest en ledig” der aarde maakt dan ook al den indruk van niet maar een ongevormde massa te zijn geweest, maar wel terdege een toonbeeld van verwoesting, van een verdervende macht, die op de schepping rustte, en waar God tegen inging. Het paradijs met den hof van Eden er om, vatten we dan ook volstrekt niet, gelijk de nieuwere orthodoxen, als een mythe, maar als hooge werkelijkheid op. God de Heerlijke schept metterdaad, met zijn mogendheid en door zijn glorie, een heerlijken, goddelijken hof, te midden van dat woeste, dat nauwlijks gewone aarde wierd en concentreert in het midden van dien heerlijken hof, nogmaals de hoogere scheppingskrachten in een gansch hemelsch en goddelijk paradijs. Dientengevolge was dat paradijs vanzelf een aanstoot voor Satan. Hij trachtte het te verderven. En daarom nu moest het paradijs tegen die macht van Satan beveiligd en bewaard. Welnu, dat bewaren van den hof, dat bewaren van het paradijs, dat is dan ook de eeretaak, de heilige post, dien God de Heere aan Adam toevertrouwt. Er staat toch uitdrukkelijk in Gen. 2 : 15: „De Heere God had den mensch genomen en hadhem gezet in den hof van Eden lesjomrach, d.i. om dien te bewaken en te bewaren. En overmits nu bewaren van een hof, alleen mogelijk is bij de veronderstelling dat er een vernielende macht, welke dan ook, dien hof zou trachten te verwoesten; zoo blijkt derhalve, dat volgens het verhaal van Genesis n God n de mensch wel terdege gezamenlijk tegen Satan overstaan. |91|

Even hetzelfde blijkt uit Gen 3 : 3. Daar toch lezen we, dat God de Heere zijn gebod als een wapen tegen het indringen van Satan gesteld had. Verbreking van de bekoring der stille kinderlijke onderwerping zou ten gevolge hebben dat Adam den dood stierf. „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.” Bijna altijd heeft men dit juridisch gevat. Overtrad Adam, dan zou de doodstraf op hem worden toegepast; waartegen men dan terecht de opmerking maakt, dat het vreemd is te zien, hoe Adam en Eva nog honderden van jaren vrij leven. Maar hoe heel anders wordt dit niet, indien men hier een oog krijgt voor den oorzakelijken band, dien Godes heilig bestel tusschen zonde en dood gelegd had. Immers, „als gij zondigt, dan zult ge sterven” beduidt dan: Het eenig middel om Satan tegen te staan, buiten uw levenssfeer te houden en machteloos om uw paradijs te laten brullen, is dat ge niet zondigt. Want doet ge dat; zondigt ge dus wel; dan is de poort voor Satan hierme opengezet; dan komt hij binnen; en brengt met zich, niet het leven (hetwelk hij derft), maar den dood, die zijns is; en dan zal hij dien dood ook als een macht over u brengen; over heel uw wezen; als een macht, waar ge terstond door wordt aangetast, en vroeg of laat geheel onder bezwijkt. En overmits dit nu zoo moet (niet wijl Satan dit zoo verkiest, maar wijl God ’t eeuwig verkoos) dat Satan den adem des doods met zich zou brengen, drom, om dat bestel en die verordening Gods, drom zal die dood u dan tevens een smartelijke straf zijn.

En evenzoo bij de sluiting van het Genadeverbond in al zijn vormen, vinden we geheel hetzelfde. |92|

Dit kan uiteraard hier nog slechts zeer kortelijk worden aangeduid. Breeder uiteenzetting volgt later.

Maar zooveel dient toch nu reeds uitgesproken, dat k in Gen. 3 : 15, in de dusgenaamde paradijsbelofte, het samengaan van God en zijn volk tegenover Satan hoofdinhoud des Verbonds is. Als ik een verbond met u maak tegen mijn vijand, dan ligt het op mijn weg, u de sterkst mogelijke vijandschap tegen dezen mijnen vijand in te boezemen. Dienovereenkomstig verklaart God de Heere dan ook, dat Hij den mensch een sterke vijandschap tegen dien Satan in het hart zal geven: „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw!” Die vijandschap was er niet. Van nature is de zondaar bondgenoot van Satan en vijand Gods, en dat nu juist keert God de Heere in de wedergeboorte om, en maakt van u een vijand voor Satan en een bondgenoot voor zich. En nadat aldus deze strijd op leven en dood van God en mensch tegen Satan geproclameerd is, volgt alsnu de profetie van de heerlijke triomf, die men in dien strijd behalen zal: hem zal de kop worden vermorzeld.

Bij het Noachietisch Verbond staan we voor een ontzettende catastrophe, waarin de Dood zich geopenbaard had met een overmacht, als vroeger nooit en nooit daarna. Alle levende ziel kwam om. Alleen Noach redde zijn achtster. Wat dus bij Adams personeelen dood voor hem persoonlijk in vervulling gegaan was, dat openbaarde zich bij den Zondvloed eerst als een macht, waaronder heel de menschheid bezweek. De geestelijke dood had heel het menschdom innerlijk reeds in het paradijs aangestoken en al het gedichtsel zijns harten verdorven. Krachtens het paradijsgebod: |93| „Indien ge daarvan eet, zult ge den dood sterven!” moest dan ook naar Gods rechtvaardig oordeel, toen heel de menschheid gegeten had, ook die menschheid als geslacht, als eenheid, onder de wateren van dood en vloek omkomen. De Zondvloed staat met den paradijsvloek alzoo in rechtstreeksch verband. En als nu na den Zondvloed God de Heere een Verbond sluit, waarbij de mensch onder het gebod komt, om af te laten van wat juist de schriklijke verwildering voor den watervloed veroorzaakt had, en God de Heere zich verbindt, om de aarde, om de levenssfeer van den mensch voortaan tegen herhaling van zulk een catestrophe, van zulk een ontzettend uitbreken van Satans doodende macht, te beveiligen, wat hebben we dan ook hier weer anders te bewonderen, dan een gemeenschappelijk Verbond van God en mensch tegen Satan en zijn macht, dewelke de Dood en de Vernieling is!

Bij Abraham is de Satan opgetreden in de Kananietische macht, die de plek betwist, waar Gods volk een levenssfeer zich vormen moest, en in het „Ik zal u dit land geven, u en uwen zade na u”, de zekerheid van bijstand aan den patriarch bezworen, tegen dien Overste der wereld, die ne plek, waar het heilige volk bloeien moest, laat bezetten, bezoedelen en ontheiligen door het schandelijkste en schriklijkste volk, waarvan de historie meldt.

Evenzoo is het bij het Mozasch Verbond de tegenstelling tusschen Isral en de volken, onder welke volken de macht van de duivelen woont, en vanwaar dan ook de gedurige waarschuwingen tegen de duivelskunstenarijen van andere volken; het optreden van Mozes en Farao tegenover de onheilige kunsten der Egyptenaren; |94| alsook de gestadige reinigingen en ontzondigingen, om Isral tegen den smet der heidenen, over wie Satans adem ging, te beveiligen.

En komen we nu ten slotte uit deze bedeeling der Schaduwen in de bedeeling der Vervulling, merk het op, hoe ook dan weer terstond Satan te voorschijn treedt, hoe het ook dan weer een persoonlijke strijd van Messias tegen den Overste der wereld wordt, hoe Messias getuigt dat hij Satan als een bliksem uit den hemel zag vallen, en hoe na de bevestiging van het nieuwe testament in zijn bloed, al het roepen des apostels in dit ne is sam te vatten: „Wederstaat den Duivel, want we hebben den strijd niet met vleesch en bloed (d.w.z. met onze medemenschen), maar met de geestelijke boosheden in de lucht”, d.w.z. met den Duivel en des Duivels heirmacht.

En al zou men dus anders nog met schijn van recht, kunnen volhouden: „Ik heb geen verbond noodig, de prediking van een belofte is mij genoeg”; door wat we van den gemeenschappelijken vijand thans ontdekten, moet die tegenbedenking geheel vervallen.

Wordt men sam door een boosaardige macht aangevallen, dan sluit men tegen dien gemeenschappelijken wederpartijder, tegen dien doodsvijand, tegen dien levenden Satan, ja wel wezenlijk een Verbond.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ XI, De Heraut No. 155 (12 december 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001