III. Het Verbond en de geslachten


Ik zal mijn Verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u en tusschen uwen zade na u in hun geslachten, tot een eeuwig Verbond.

Gen. 17 : 7. a


Ons vorig opstel toonde aan, dat het Verbond rust in de onveranderlijkheid van Gods Wezen, in de onkreukbaarheid van zijn Trouw, en op de onwankelbaarheid van zijn Woord; korter gezegd op zijn naam Jehovah, d.i. „Ik zal zijn die Ik zijn zal.”

Hieraan nu knoopt zich terstond een niet minder gewichtige overweging vast, t.w. dat Gods Verbond altoos met een geheel geslacht en nooit met een enkelen persoon afzonderlijk wordt gesloten.

Wel bezien is dit eigenlijk dezelfde waarheid, als we een vorig maal vonden. Want is Gods Verbond eeuwig, dan volgt hier reeds vanzelf uit, dat het doorgaat, ook als wij wegsterven, en dus k voor onze nakomelingen geldt. Hield met onzen dood Gods Verbond op, dan zou dit Verbond des Heeren op n lijn |77| komen te staan met het huwelijksverbond onder menschen, dat slechts voor een tijd is, en waarvan de Apostel in Rom. 7 : 2 zegt: „Eene vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.” Maar dit is niet zoo. Gods Verbond is eeuwig. Zelfs, om er dit ter voorkoming van misverstand nu reeds, bij te voegen, zelfs het „Verbond der werken” is en zal zijn, wat het was, en is wel van onze zij ontoepasselijk gemaakt, maar nooit van Gods zijde vernietigd. En wat de Apostel zegt: „dat als hij het tweede (Verbond) stelt, hij het eerste opheft”, dan doelt dit volstrekt niet op het Verbond der werken, maar alleen op de „bedeeling der schaduwen” onder Isral, die vanzelf moest weg vallen, toen de Vervuller der profetie kwam.

Let er dus wel op, dat ge u hier nooit van af laat brengen: „Gods Verbond is een eeuwig Verbond.” Hij is volstrekt niet die passende en metende God, die naar veler voorstelling het eerst eens met een Werkverbond beproeft, en als dat niet gaat, het eens met een Genadeverbond waagt. Ze beleedigen de eere Gods, die alzoo van den Jehovah der Verbonden spreken; en een iegelijk, wien de eere Gods op de ziel werd gebonden, zal wel doen, met deze ergerlijke en inden grond goddelooze denkbeelden omtrent het Wezen en werken Gods uit zijn eigen ziel uit te bannen, en op anderer lippen, zonder onderlaten, te bestrijden. Gods eigenschappen en deugden zijn geen speelgoed. Het zijn de krachten des hemels, de glansen van zijn Wezen, de stralen van zijn heilig Licht. En elke voorstelling van den weg des heils, hoe roerend en |78| aandoenlijk en wegsleepend ook, die aan deze eigenschappen, vooral aan de Wezenseigenschappen Gods te kort doet, is een gansch zondige dwaling, die men niet mag laten geworden, maar die weersproken dient en weerstaan. Onder die Wezenseigenschappen nu staat de Onveranderlijkheid Gods bovenaan, en het is daarom dat we er zulk een sterken nadruk op leggen, dat toch niemand de Verbondssluiting voor een „naar omstandigheden uitgedacht expedint” houde, maar erkenne dat ze gegrond is in Gods eigen Wezen; en zoo k, dat niemand er slechts een tijdelijk hulpmiddel in zie, maar dankbaar belijde, toestemme en er den troost van indrinke, dat Gods Verbond eeuwig is.

Maar zijt ge drvan eenmaal diep doordrongen, dan zult ge ook terstond inzien hoe hieruit onmiddellijk volgt, dat het Verbond Gods altijd „met u en uwen zade” moet zijn. Hij toch blijft, waar de geslachten komen en gaan. Hij is eeuwig dezelfde, wat ook verschijnt, om te verdwijnen. „Als een kleed zal het al veronden, niets kan hier zijn stand behouden, maar boe het alles om moog keeren, Gij blijft staande, o Heer der heeren!” De tegenstelling, die David, uit eigen zielservaring aldus uitsprak: „Mijne dagen zijn als een afgaande schaduw en ik verdor als gras, maar Gij, Heere, blijft in eeuwigheid en uwe gedachtenis is van geslachte tot geslachte.” Zoo spreekt de Schrift zelf het uit, dat het eeuwig zijn aan Gods zijde het overgaan van „geslachte op geslachte” aan ’s menschen zijde veronderstelt. En als we dan ook in de eerste uitvoeriger beschrijving, die van Gods Verbondssluiting in het Oude Testament voorkomt, lezen, dat God tot Abram zei: „Ik zal mijn Verbond stellen tusschen Mij |79| en tusschen u”; en er dan onmiddellijk op volgen zien: „en zal u gansch zeer vermenigvuldigen”; — dan is dit laatste maar niet een belofte die er zoo bij komt, maar een volstrekt noodzakelijk iets, om de Verbondssluiting mogelijk te maken. Met een Abram, die straks wegsterft, met Abram alleen en personeel kan een eeuwig God geen eeuwig Verbond sluiten. Om een eeuwig Verbond te kunnen sluiten met Abram, moet aan dien Abram eerst een nakomelingschap tot in lengte van dagen geschonken worden. En het hoort dus bijn; het is niet te scheiden; als in nen adem vloeit het van de lippen des Heeren: „Ik zal mijn Verbond met u sluiten, en om dat te kunnen doen, zal Ik u zeer vermenigvuldigen.”

Dit is dan ook oorzaak, dat God de Heere vlak daarop precies dezelfde goddelijke declaratie nogmaals in zijn beide termen herhaalt. Aldus toch lezen we: „Toen Abram op zijn aangezicht was gevallen, sprak God met hem, zeggende: Mij aangaande, zie, mijn Verbond is met u en gij zult tot een vader van menigte der volkeren worden.” Om dit nog te vaster te leggen verzegelt Jehovah dat geheimnis zelfs in den nieuwen naam, waarme Hij Terahs zoon alsnu kroont, er bijvoegende: „En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram, maar uw naam zal wezen Abraham.” En dat waarom? Het antwoord volgt onmiddellijk: „Want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.” En eerst nu is het hoogtepunt der openbaring bereikt, en staat het Verbond vast tusschen den goddelijken en den menschelijken Verbondsnaam. Het is Jehovah die zijn Verbond sluit met Abraham, d.w.z. het is de Eeuwige, die tot Verbondssluiting komt met |80| den in zijn geslachten vereeuwigden mensch. Reden waarom dan ook Abrahams geloof, let wel het geloof, waardoor hij vader aller geloovigen werd, en als onzer aller voorganger in het geloof gerechtvaardigd is, door God onmiddellijk op die belofte van een groote nakomelingschap wordt gericht. Aan Isak hangt, zoo ge wilt, Abrahams zaligheid; of, om het in gewonen vorm uit te drukken, ze hing aan dien Davidszoon, door wien Abrahams geslacht eeuwig gemaakt en eeuwig op den troon gezet zou worden.

Eerst in dit licht bezien wordt het duidelijk, waarom dat „en uwen zade” er altijd bij hoort, en met wat deugdelijk recht de Gereformeerde kerk te allen tijde de Doopersche en Methodistische dwaling heeft bestreden, alsof Gods Verbond met elke ziel afzonderlijk nieuw begon.

Zie maar eens hoe plechtig de Heere God dit op de boven aangeduide dubbele Verbondsverklaring in Gen. 17 volgen laat: „Ik zal u gansch zeer vruchtbaar maken, spreekt de Heere, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen, en Ik zal mijn Verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u en tusschen uwen zade na u in hunne geslachten, tot een eeuwig Verbond.”

Noch over de zaak zelve noch over haar verklaring kan dus verschil van meening bestaan. Beide staan vast, n dat Gods Verbond in den Verbondspersoon tevens heel zijn geslacht bedoelt en omvat en insluit; n dat dit insluiten bij het Verbond van heel het geslacht een noodzakelijk vereischte is, om een eeuwig Verbond mogelijk te maken. |81|

*

Toch is hierme nog niet alles gezegd.

Immers de noodzakelijkheid om bij een Verbond „heel het geslacht in te sluiten”, ligt ook in de ordinantie die God voor ’s menschen oorsprong gegeven heeft.

Bijna altijd gebruikt de Heere, om „dit insluiten van heel het geslacht in het Verbond” aan te duiden, de uitdrukking: „en uwen zade.” Niet „met u en uw nakomelingen”; ook niet „met u en uw afstammelingen”; noch ook „met u en uw familie”; neen, maar bijna vast: „met u en uwen zade na u.” Dit spreekt. Immers de schepping leert ons dat het God den Heere beliefd heeft, het kruid der aarde te scheppen „zaadzaaiende”, geboomte te scheppen met „zaadzaaiend boomvrucht”, de dieren des velds alzoo te scheppen, dat ze uit elkander vermenigvuldigen, en zoo ook over den mensch te verordineeren, dat er een „zaad van menschen” zou zijn (Dan. 2 : 43), waardoor de ne mensch uit den anderen zou geboren worden.

Hierin nu ligt de organische levenssamenhang van ons menschelijk geslacht, in zijn onderscheidende type.

Wat wij organisch verband noemen, heet in de Schrift veel teekenachtiger: „in de lendenen zijn.” „Hij was nog in de lendenen zijns vaders” heet het in Hebren 7 : 10. Dit wil dus zeggen, dat de eenheid, de sambinding, de gemeenschappelijkheid van de menschen onderling, z machtig, z sterk is, dat ze metterdaad sam n geheel, n geslacht, n stam uitmaken, en niets zijn dan onderscheidene bladeren en bloesems, die aan de verschillende twijgjes en takjes van dien nen stam der menschheid vastzitten. In Adam school alles. In zijn lendenen was |82| het zaad van alle mensch. Alle menschelijke geboorte is dus niets anders dan een naar buiten treden van wat in Adams lendenen verborgen lag, altijd onder de scheppende inwerking Gods. En overmits nu deze ordinantie Gods juist ligt in het geboren worden van den nen mensch uit het zaad van den voorafgaanden, zoo is het strikt juist en beteekenisvol uitgedrukt, wanneer de Schrift bij de Verbondssluiting steeds gewaagt van „u en uwen zade.”

Want zie, of wij menschen ons al inbeelden, elk op een eigen spil te draaien en elk op een eigen wortel te groeien, die inbeelding stoot de werkelijkheid der dingen nog niet omver, en die werkelijkheid was altijd en is en zal altijd blijven, gelijk God ze besteld heeft en verordineerd.

Hij heeft verordineerd: „De menschen zullen scheutjes uit n stam zijn,” en dus vormen ze ook n stam. Hij heeft verordineerd: „Door den oorsprong van den n uit het zaad des anderen, moeten allen in hun substantie bijeen behooren”, en dus behooren ze ook bijn. En zoo ook heeft Hij verordineerd: „Omdat alles bijeen behoort, kunt ge den een niet vast leggen in het Verbond, of vanzelf zijn allen verbonden,” en dus sluit ook het Verbond dat God met ons aanging „al onze geslachten” in.

En dit voert ons dieper nog.

Want immers het gaat toch niet aan, om te zeggen: „Ja, naar oorsprong en naar den bloede bestaat er tusschen de menschen verband en samenhang, maar geestelijk staat ieder op zich zelf!

Wat oppervlakkige redeneering!

Alsof ge dan uit eigen ervaring maar niet al te droef |83| wist, wat onloochenbaar verband er tusschen uw bloed en uwe zonde bestaat. Niet wist, hoe pijn uw minzaamheid verjaagt, en congestie u den wrevel naar het aangezicht doet vliegen. Alsof ge in uw kinderen niet uw eigen aard, uw eigen neiging, helaas! God zij ze genadig, uw eigen zonden hadt teruggevonden.

Neen waarlijk, een mensch is niet een ziel gestoken in een vleeschen standbeeld, maar n naar ziel n lichaam. En dies wordt ook bij het heilig Godslam niet slechts een Kruis, maar ook een Opstanding ten derden dage beleden. Beleden van ons zelf niet slechts een eeuwig leven, maar ook een opstanding van het vleesch.

En staat dit nu vast, mag noch kan dit geloochend, hoe wilt ge dan dat het lichamelijk aanzijn der menschen onderling wel sam zou hangen, maar dat er tusschen hun onderscheiden geestelijk aanzijn geen verband zou bestaan!

Dit is ondenkbaar, en dankbaar belijden we dan ook, op grond van Gods Woord en aan de hand onzer Gereformeerde, dat is gezuiverde Christelijke, belijdenis, dat k het zedelijk en geestelijk leven van de kinderen der menschen uit twee deelen bestaat: het ne, dat ieder persoonlijk alleen voor zich doorleeft, en het andere dat hij gemeen heeft met de anderen. En wel zoo, dat ook deze beide deelen weer niet als olie en water onvermengd op elkar worden gegoten, maar veeleer, omgekeerd, in dien zin, dat de vezelen van het persoonlijk leven op elk punt uit den bodem van het gemeenschappelijk leven opschieten; z zelfs dat voor ons menschen nergens een punt is aan te wijzen, waar we van een schuldige zouden kunnen zeggen: |84| „Hier begint nu hetgeen alleen voor zijn rekening komt, en waar ik geen part of deel aan heb.” Schuld en zonde omsluiten in een onverbreekbare gemeenschap heel de massa en heel het geslacht der menschen.

Ook waar wij geen gemeenschap tusschen anderer zonde en ons hart zien, bestaat die gemeenschap, onder den grond door, toch. En evenals uw gaspit, zonder dat uw kind het merkt of gij er om denkt, door de pijpen en buizen der gasleiding in rechtstreeksch verband staat met de gasvlam van een vriend van u, die aan het andere eind der stad woont, juist evenzoo is het ook met de vlam der zonde die opflikkert in zijn en in uw ziel.

En overmits alzoo Gods ordinantin over ons van dien aard zijn, dat we 1º. naar oorsprong door geboorte „uit den zade”, en 2º. zedelijk door gemeenschap van schuld of hooger leven, eigenlijk niet te scheiden zijn van wie na ons komen of voor ons geweest zijn, zoo kan het wel niet anders of ook het Verbond Gods moest met die ordinantin Gods in overeenstemming zijn, en juist om dit te kunnen wezen een Verbond zijn „met ons en onzen zade.”




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ X, De Heraut No. 154 (5 december 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001