II. Jehovah de Verbondsgod


Alzoo zegt de Heere: Indien gij mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kondt vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd, zoo zal ook kunnen vernietigd worden het verbond met mijnen knecht David.

Jeremia 33 : 20, 21. a


Dusver bleek ons dan, hoe de „verbondsbetrekking”; wel verre van slechts een voorbijgaande inkleeding te zijn, waarin hoogstens voor zekeren tijd de godsvrucht haar uitdrukking vond; integendeel de blijvende, altijd voortdurende belichaming van het geloofsleven is; evengoed voor de oude als voor de nieuwe bedeeling; en in niets minder voor onze negentiende eeuw dan voor de eeuw der Hervorming. En dat wel om de afdoende reden, dat deze verbondsbetrekking rechtstreeks gegrond is in de belijdenis van den Drieenigen God, en diensvolgens de eenig denkbare; althans eenig ons gegevene; uitdrukking is voor de bewuste levensverhouding |68| tusschen dien Drieenigen God en het naar zijn beeld geschapen creatuur.

Er thans toe overgaande, om nader den eigen aard van dit Verbond te onderzoeken, vestigen we alsnu allereerst de aandacht op de merkwaardige zinsne over het Verbond, die voorkomt in Jeremia 31 : 20 en vv. In dat verhevenste toch onder al de kapittelen, die ons Jeremia’s godspraken aanbieden, is sprake van een verbond, dat God zegt gesloten te hebben, niet met opzicht tot een mensch, maar in verband met de lichten des hemels. Daar toch lezen we: „Alzoo zegt de Heere: Indien gijlieden mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kondt vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd, zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David, dat hij geen zoon hebbe die regeere op zijn troon, en met de Levieten, de priesteren, mijn dienaren. Zoo zegt de Heere: Indien mijn verbond niet is van dag en nacht; indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb, zoo zal Ik ook het zaad Jacobs en van mijnen knecht David verwerpen.” Terugslag op de belofte aan Noach nemen we hierbij gaarne aan. Wie toch denkt bij Jeremia’s woorden niet onwillekeurig aan de belofte in Gen. 8 : 22 vervat: „Voortaan al de dagen der aarde zullen . . . dag en nacht niet ophouden.” Toch is met de woorden: „mijn verbond van dag en nacht” niet bedoeld „het verbond met Noach” gesloten. Immers dat Noachietisch verbond kon Isral wel terdege breken en brak het telkens en telkens. Bedoeld is derhalve, dat God de Heere vaste ordeningen en bepalingen voor den loop van de hemellichamen heeft gemaakt; |69| waaraan een mensch niet eens tornen kan. En dat nu, even onmachtig als die mensch is om Godes natuurverordening te verbreken, het zoo even onmogelijk voor God is, om zijn verbond te schenden, overmits het in dat verbond gegeven goddelijk eerewoord Hem, die dat woord sprak, onherroepelijk bindt. In vers 25 staat dan ook, naar de wet van het parallelisme, dit verbond van dag en nacht, volkomen op n lijn met „de ordeningen des hemels en der aarde”; en in vs. 21 is uitdrukkelijk sprake van een niet kunnen vernietigen van het eens gesteld verbond aan de zijde Gods. Want wel zou men nog kunnen beweren, dat in vers 21 de woorden: „Zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David”, doelen zouden op een vernietigen van ’s menschen zij; maar vergelijking met vers 26 snijdt deze mogelijkheid geheel af. Daar toch heet het met zoo vele woorden: „Zoo zal Ik ook het zaad van Jacob en van mijnen knecht David ververwerpen.” Er staat dus metterdaad, dat de almachtige God even vast aan zijn Verbondswoord gebonden is, als wij aan de verordeningen der natuur, en dat Hij de Heere even onmogelijk het woord van zijn goddelijke eer kan verbreken, als het ons onmogelijk is de opeenvolging te verbreken van dag en nacht.

Wij menschen weten uitnemend wel, dat er een macht in de natuur is gegeven die ons bindt. Een verordening, een inrichting, waar we niets aan veranderen kunnen. Een heerschappij, waaraan we ons te onderwerpen hebben. En evenzoo nu, verklaart God Almachtig bij Jeremia, bestaat er ook voor Mij, uw God, een verordening en inrichting in het Verbnd, waaraan Ik, ook al wilde Ik het (des neen), niets |70| meer zou kunnen veranderen. Gesteld dus ook al, dat gij, mijn schepsel, door uw zonde Mij zoo bitterlijk woudt vertoornen, dat ge, mijn verbolgenheid opwekkende, Mij schier tot verbreking van mijn aan u gegeven Verbond bewegen zoudt, dan zal dit toch nooit ofte nimmer tot verbreking van het Verbond mijnerzijds leiden, om deze diepgaande, deze veelzeggende, maar dan ook afdoende oorzaak, dat Ik, uw God, aan mijn eigen Woord vast lig, door mijn eigen bestel gebonden ben, en mijn eigen Verbond niet meer verbreken kan. Dit bedoelt dan natuurlijk een heerlijke vertroosting voor Gods volk, dat, in zich zelf niets dan onwaardigheid en dood vindende, gedurig vreezen moest, God zoo schrikkelijk vertoornd te hebben, dat het Verbond wel in duigen moest vallen. Tegenover welke angst en vrees de Heere God dan deze lieflijke beschaduwing van zijn vertroostend aangezicht schenkt, dat Hij betuigt en aan onze ziele verklaart: „Dat kan Ik niet, al wilde Ik; en ja, Ik zou het haast om uwe zonde willen; maar Ik zou niet kunnen, om de vastheid, om de onwankelbaarheid, om de onverbreekbaarheid van mijn Verbond”.

Dit nu toont, dat het Verbond, waarvan de Heilige Schrift ons de openbaring geeft, in onmiddellijk verband staat met de onveranderlijkheid en de onwankelbaarheid van Gods wezen en de daaruit rechtstreeks voortvlociende onverbreekbaarheid en onkreukbaarheid van zijn trouw.

Jehovah is zijn Verbondsnaam. Niet enkel wijl die geheimzinnige naam aan het Verbondsvolk geopenbaard is; maar ook wel terdege, omdat in dien diepzinnigen naam van Gods heerlijk Wezen de grondslag ligt aangegeven, waarop het Verbond rust. |71|

Iets, iets ten minste bij al het vergankelijke en veranderende en wisselende, iets bij het altijd vlietende en keerende in den stroom, iets, iets althans bij al wat verschijnt en verschuift om te verdwijnen, iets in het gansche heelal te vinden, waar men op aan kan; op aan kan in het diepst verleden terug; op aan kan bij de geheele ondersteboven-keering van onze eigen ziel in het heden; maar ook op aan kan voor aller eeuwigheden eeuwigheid, — dt en dat alleen niet waar is de dorst van het geloof.

Hem te vinden die is die Hij was en die Hij in eeuwigheid zijn zal, is te gelooven in den levenden God. En dat nu, wat is dit anders dan te komen tot Jehovah, tot Hem wiens naam is: „Ik zal zijn die Ik zijn zal.”

En overweeg daarbij nu eens wat een verbond bedoelt zelfs onder menschen.

Als ge een verbond met iemand sluit, wat beoogt ge dan eigenlijk, wat wilt ge dan van dien mensch?

Zie het hier:

Gij kent dien mensch dat hij zeer veranderlijk is, dat hij, hoe goed nu ook gezind, straks allicht weer anders over u denken zal; en dies min gunstig zich tegenover u zal gedragen.

Dat maakt u bevreesd. Ge wenschtet dit anders. Ge zoudt willen dat die mensch niet veranderde, niet zoo wispelturig was, niet morgen of overmorgen zijn gezindheid jegens u wijzigde. Kortom ge zoudt dien man z willen maken, dat hij voor altijd zoo goed, welwillend en gunstig voor u bleef, als ge hem ditmaal voor u wist te stemmen. Om heteens in gewaagde taal uit te drukken, ge zoudt zoo willen dat ge van dien man kondt zeggen: Hij zal zijn die hij is. |72|

En wat doet ge daarom nu?

Ge zoekt hem nu te binden. Zoo te binden, dat hij u belooft in de toekomst, ook al mocht hij veranderen, te uwen opzichte zich zelven gelijk te blijven.

Dat binden nu van iemands toekomst aan zijn gezindheid van dit bepaalde oogenblik, dt noemt ge onder de menschen een verbond. De zwakke poging, om de heuglijke gezindheid van het oogenblik te beveiligen tegen de inbreuk van lateren wrevel; of liever nog gezegd, het streven, om de ideele, diepere levensovertuiging, het diep wortelend plichtsbesef, dat in een oogenblik van sterke zielsschudding, zich klaar en helder aan ons opdrong, ons zelven ten regel te stellen k voor die oppervlakkige, zelfzuchtige oogenblikken, waarin we, aan den invloed van het oogenblik overgelaten, slechter en minder edel zouden handelen.

Een verbond is dus de triomf van een beter levensoogenblik over de minder goede; het verschaffen van heerschappij aan de dieper gaande levensovertuiging over de luchthartiger tijden; het onderwerpen van hartstochtelijke invallen en luimen aan het weldoordacht besef van plicht en verantwoordelijkheid.

Er ligt daarom in het aangaan van een verbond op aarde onder menschen dan ook zoo iets nobels en hoogs en heerlijks. De poging om uit den stroom van de voorbij vlietende oogenblikken op te klimmen tot iets vasts en blijvends. Het dragen van zelf gewilde bestendigheid in een leven dat rafelend uiteenvalt en zich zelf in zonde verteert. Vandaar dan ook dat de hooge gevoelens van eer en trouw, die uit de Verbondsgedachte geboren worden, zulk een goddelijk stempel op het voorhoofd dragen, en niets zelfs onder goddelooze |73| menschen, zoo sterk de conscintin revolteeren doet als breuke van trouw of eerloosheid.

En zijn er nu onder Gods kinderen, of ook onder de lieden van rechtschapen en eerlijken zin die nog buiten staan, wier innerlijk bewustzijn hier een amen top spreekt, en die erkennen, ja, z is het, dat is de adel, dt de glans van alle verbondssluiting op aarde onder menschen. Een verbond is om iets blijvends, iets dat zijn zal, in te dragen in het wisselende van onze karakters, van onze wilsneiging, van ons leven.

Zie, dan willen we gevraagd hebben, of deze kinderen Gods, en zelfs deze lieden die nog onbegenadigd omwandelen, dan toch niet waarlijk k voelen en volmondig toestemmen, dat God alleen de waarheid van het Verbond is; dat Jehovah de naam is die het ideele wezen van het Verbond uitmaakt; en dat „Ik zal zijn die Ik zijn zal”, in zijn diepte opgevat, de korte, kernachtige, goddelijke verklaring is van wat elk deugdelijk verbond bedoelt.

De godspraak in Jesaia’s 54ste hoofdstuk is en blijft dan ook voor Gods volk alle eeuwen door de diepste gedachte aangeven die uit den wortel van het genadeverbond ons toespreekt; en het „Bergen zullen wijken en heuvelen zullen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer” is ook in ons oog de schoonste, de rijkste, de meest vertroostende openbaring die het God den Heere beliefd heeft, ons van zijn Verbond te geven.

Beoogt en bedoelt elk verbond „bestendiging, beklijving, vastmaking en bevestiging voor zoolang het slechts kan,” dan ligt het in den aard der zaak, dat |74| het echte wezenlijke verbond eerst dan gevonden is, als ge een eeuwig verbond ontdekt hebt.

En overmits nu alle overige verbonden slechts tijdelijk zijn, en voor hoelang ook gesloten, toch eindelijk f ontbonden f verbroken worden; en er dus geen enkel, neen, niet n enkel verbond, hoe heilig ook gesloten, hoe plechtig ook aangegaan, onder menschen vindbaar is, dat aan zijn ideaal om eeuwig te zijn beantwoordt; drom nu juist schittert het Verbond Gods zoo, heerlijk als het nig waarachtige en wezenlijke verbond, dewijl dit Godsverbond nimmer wankelt, maar blijft eeuwiglijk en altoos.

Nu rust elk verbond, dat weet men, ook onder menschen op een gegeven en verpand woord. Of ge dit woord opschrijft en er een zegel onder zet, dan wel slechts uitspreekt onder getuigen, is om het even, het verbond bindt door het gesprokene en geschonkene woord; en als dat woord gegeven is en de ander daarop vertrouwt, is het nu maar de vraag, of er in hem die dat gaf trouw en eer woont. Trouw, d.w.z. of hij gemeend heeft wat hij zei; zoodat het gesproken woord werkelijk de zuivere uitdrukking van een geheiligden wil was. En eer, d.w.z. of hij steeds in de toekomst prijs zal blijven stellen op het gestand doen van het woord dat hij verpand heeft.

Bij ons menschen nu schiet dat altoos te kort, en indien we blijven bij wat we verpand en beloofd hebben, is het alleen genade die ons voor trouwbreuk en eerloosheid bewaarde. Want anders, op ons zelf genomen, zijn we innerlijk te onvast en wankelbaar en wisselend, om in echten zin ooit trouw te zijn, of wezenlijke inklevende eer te hebben. |75|

Vandaar dat al onze verbonden, zoo verbonden van Staten als van particuliere personen, verbonden van huwelijk of vriendschap, of welke ook, nooit anders dan zondige, zwakke en flauwe afschaduwingen kunnen zijn van dat eenig ware, vaste en eeuwige Verbond, dat God de Heere ons aanbood en dat rust op zijn Naam en Wezen be.

Want immers ook dt Verbond was en is een zich binden van God door zijn gegeven en verpand en bezegeld Woord. In dat Woord schittert zijn Trouw. En juist aan de onwankelbaarheid van dat Woord hangt zijn goddelijke Eere.

„Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn Woord zal geenszins voorbijgaan” is de heldere, diepingrijpende, onuitsprekelijk vertroostende zelfopenbaring Gods aangaande die onmetelijke beteekenis die aan zijn Woord toekomt.

Eerst wie dat verband, waarin dat Woord tot het Verbond staat, inziet, zal dan ook de heerlijkheid van dat Woord doorgronden kunnen.

Neen, in dat Woord vindt ge niet maar de koude, naakte Waarheid. Er kleeft; en dat is hartaangrijpender nog; er kleeft aan dat Woord niets minder dan de Trouw, en de Eere van uw God.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ IX, De Heraut No. 153 (28 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001