Deel Twee. De leer van het verbond

I. Gods werk in alle werk des menschen


Gij nu zult mijn Verbond houden; gij en uw zaad na u, in hunne geslachten.

Gen. 17 : 9. a


Niet ernstig genoeg kan er op aangedrongen, dat men tusschen den eigen aard van het vrome en van het zedelijke leven toch scherp en juist onderscheide.

Onze tijd is in dat opzicht hoogst gevaarlijk.

Eenerzijds ontwaart ge in de hoogere klasse der maatschappij een streven om in het zedelijke leven het n en al te zien en de rechten van het leven der vroomheid daaraan ganschelijk op te offeren. Terwijl er van tegenovergestelde zijde, in de lagere klassen der maatschappij vooral, een niet minder besliste neiging zich openbaart, om het vrome leven tot l het |58| leven te maken, soms zelfs onder niet geringen afkeer van deugd en deugdsgelijke.

Van beide kanten is de kunstbewerking dus uiterst eenvoudig. Men gevoelt dat deugd en vroomheid op zeker gegeven punt met elkar in botsing dreigen te komen, en nu snijdt elk dezer beide richtingen op haar beurt eenvoudig n dezer beide termen weg, en eindigt de eerste met alle vroomheid in deugd te doen ondergaan, de andere met alle zedelijke drijfkracht aan den eisch der vroomheid op te offeren.

Een verschijnsel daarom te bedenkelijker, overmits ge het waarneemt niet bij de lage zielen, maar bij de edelst gezinden aan beide kanten.

De velen en machtigen die er vooral in onzen tijd zoo rusteloos op aandringen, dat men, minder lettende op de belijdenis, iemands wezenlijke waarde uitsluitend naar zijn liefde voor wat schoon is en wel luidt zal afmeten, zijn niet de zinlijke wereldlieden, maarmeest mannen van ernstigen zin.

En omgekeerd de landbouwers, de kleine burgers, de handwerkslieden, die aan alle spreken van deugd den dood hebben geroken en van niets dan vroomheid weten willen, zijn niet de herbergbezoekers noch ook de schrapers, maar de kern en het pit van ons volk.

Heenspringen over deze tweespalt, helpt dus niets. Het feit ligt er nu eenmaal toe, dat men n in hooge n in lage kringen, bij ernstiger opvatting van het leven, al sterker gevoelt, dat vroomheid en deugd volstrekt niet altijd uit elkar voortvloeien; veeleer niet zelden in botsing geraken; en dat nu de behoefte zich voordoet, om deze tegenstrijdigheid op te lossen. Wel meent de oppervlakkige wereld, dat dit dwaasheid is, |59| en dat vroom zijn en braaf vanzelf bij elkar hooren. Maar de dieper doordenkenden bevinden het anders. En alsnu naar een oplossing voor dit stuitende, soms tot wanhoop uitdrijvende probleem rondtastende komen ze over en weer tot geheel tegenovergestelde oplossing, door f aan de werking van Gods almacht in het hart haar geldig recht te betwisten, f wel willens en wetens het oog te sluiten voor het zedelijk leven, dat zich in dat hart openbaart.

Zelfs op godgeleerd gebied is die dubbele strooming merkbaar.

Er zijn er aan de ne zijde, die den dag reeds met vreugde tegenjubelen, waarop de laatste paragraaf der Dogmatiek naar de Ethiek zal verhuizen; en er zijn er anderen niet minder, die eigenlijk van oordeel zijn, dat heel de Moraal en de Ethiek beide eigen vindingen zijn van den Duivel.

Uit alles blijkt dus, dat we hier wel terdege meteen diep ingrijpend stuk uit de worsteling des levens te doen hebben; en mocht iemand meenen, dat liet hier besprokene slechts een dorre afgetrokkenheid raakte, dien zij gezegd, dat er een worsteling me gemoeid is, die, zal ook hij ooit ten leven komen, eens stormen moet ook door zijn eigen hart.

Voor zoover nu een poging gewaagd mag, om over de donkere diepte, waarin deze beide beginselen met elkaar worstelen, het licht des Woords te doen schijuen, stellen we gaarne op den voorgrond, dat een z volkomene oplossing van deze tegenstrijdigheid, dat alle moeilijkheid wegviel, nog nimmer gegeven werd noch ooit zal gegeven worden.

Zoolang het eeuwige en tijdelijke, het oneindige en |60| eindige, het „zijnde” en het „wordende”, of wilt ge, zoolang de Schepper en het schepsel, en dus ook God en mensch, als tegenstellingen bestaan en beleden worden, blijft dit zoo; blijft dit zoo eeuwiglijk. Het moment toch, waarop een mensch wanen zou alsnu den overgang van zijn eindig „niet” op den eeuwigen God volkomen te begrijpen, zou het moment zijn, waarop hij zijn God verloor.

Daar is dus niets aan te doen.

Dat mogen we zelfs niet anders wenschen.

God de Heere, doordien Hij God is en als God menschen schiep, heeft door die scheppingsdaad zelf den overgang van den Schepper tot het schepsel voor eeuwig en altijd aan den blik van ons bewustzijn onttrokken. Door bidden kan die overgang van het schepsel naar den Schepper feitelijk gemaakt, maar ontleed kan die nimmer worden. In den Christus is die overgang belichaamd. Middelaar te zijn, dat is dien overgang in zijn persoon uit te drukken. Maar juist daarom is die persoon des Middelaars dan ook het diepste aller mysterin.

Maar na dit eenmaal onomwonden te hebben uitgesproken, mag wel terdege de hand aan den ploeg geslagen, om dezen nog veel te woest en braak liggenden akker te ontginnen; mits het slechts naar den Woorde Gods geschiede, en dus in den vorm ga van het Verbond.

En dan beginnen we met de ernstige aandacht van Gods kinderen te vragen voor de hier navolgende, zoo we hopen, genoegzaam heldere en doorzichtige overweging.

Een mensch ook maar n oogenblik buiten God te denken, is het toppunt der ongerijmdheid. Onverschillig |61| of iemand een godvruchtige of een goddelooze, een kind Gods of een vervloeker van het heilige is, hij kan geen oogenblik leven, zonder dat de eeuwige en almachtige God hem van oogenblik tot oogenblik houdt en staande houdt door het woord zijner kracht. Dat geldt van zijn lichaam. Dat gaat door van zijn bloedsomloop. Dat moet beleden van zijn ademhaling. Dat behoort erkend van zijn spier- en denk- en wilskracht. Noem het schriklijk, maar zelfs toen een Traupmann zijn slachtoffers wreed vermoordde, was het God, die op datzelfde oogenblik die kracht van geest en wil en hand bestendigde. Zonder dat ware de moordenaar zelf eenvoudig dood neergezegen. Om te kunnen moorden moest hij leven, en om te kunnen leven, moest zijn leven gedragen worden door de goedertierenheid Gods. En zelfs als een mensch sterft gaat dat nog door. Ook afgezien van het lichaam en wat daarbij hoort, is immers ook ons aanzijn op zichzelf ondenkbaar, zonder dat God wil dat we er zijn en, overeenkomstig dien wil, ons draagt en staande houdt.

Gods groote schepping is niet een magazijn van uurwerken, die de magazijnhouder opwindt, denkende: „Zie, nu loopen deze alle, zonder dat ik er iets aan doe, twintig, dertig of meer uren!” Neen, er is geen enkel oogenblik dat een mensch zeggen kan: „God de Heere heeft mij een provisie kracht of een provisie leven geschonken, waarop ik nu, buiten Hem om, zooveel dagen of weken teren kan!” Integendeel. God geeft nooit provisie, eenvoudig omdat de mensch er niets aan hebben zou. Want immers om die provisie van leven te kunnen opteren, zou hij toch ergens moeten zijn, en er is nu eenmaal in het gansche heelal |62| nergens ook maar n enkel verborgen plekje, waar de mensch met die provisie van leven benen zou kunnen uitwijken. Hij kan nergens zijn of hij vindt God, die er was eer hij er aankwam. De spil zelf waarom het rad onzer geboorte en het rad onzes levens zich wentelt, is de eigen vinger van Godes almogende kracht.

Maar gaat dit nu door van ons lichaam, van ons deuken, van ons levensaanzijn, hoe zou het dan niet doorgaan van ons gemoedsleven?

Dat gemoedsleven nemen we nu in den rijken, kernachtigen zin van wat de Heilige Schrift noemt, uw „inwendigen mensch”, en wat in Rom. 7 uitdrukkelijk „gemoed” heet, d.i. de haard, waar het vuur der liefde, der bewondering en der aanbidding in u gloort, de zetel van uw teederder aandoeningen, heel, dat rijke, heerlijke leven, dat ge als mensch in onderscheiding van alle andere schepsel, of althans in hooger, edeler zin bezit.

En nu vragen we: Is het denkbaar, dat het grovere, ruwere aan uw menschelijke persoonlijkheid, dat uw stof, uw bloed en de trekking uwer spieren rechtstreeks en elk oogenblik aan God zou hangen, en dat het edelere, fijnere, teederdere drijven zou op de troebele wateren van een zondig hart?

Dat kan niet. Daar komt heel Gods heilig Woord tegen op. Daar teekent de bevinding van heel Jezus’ kerk en van elk van Gods kinderen protesttegen aan. Neen, indien er eenige ontferming, indien er vatbaarheid voor iets beters, soms zelfs een dorsten als van het hijgend hert in ons is, dan komt U daarvan, U alleen de eere toe, o Koning onzer ziele, en trilt dit edelere geen oogenblik, geen blik der oogen, in ons, |63| zonder uw rechtstreeksche, uw algenoegzame, uw ons doortintelende en ons bezielende kracht!

Een grens is er dus niet.

Er gaat nergens, nergens, een lijn, hoe flauw ook, door ons menschelijk wezen, waarvan we zeggen konden: „Wat nu links van die lijn ligt werkte God en wat rechts daarvan ligt droeg ik zelf.”

Weg, weg met die onheilige meening, alsof God de Heere een God zou zijn, die zoo nu en dan maar eens even ons aan zou raken of de hand naar ons zou uitstrekken, en buiten wiens rechtstreeksche bemoeiing om, we voorts de meeste dagen onzes levens zouden voorttobben.

God de Heere draagt elk zijner schepselen; draagt elk zijner schepselen van oogenblik tot oogenblik; en nooit, nooit is er een schuilhoek in hun hart of trilt er in dien schuilhoek een werking, of het is op datzelfde oogenblik zijn algenoegzame, zijn almogende kracht, die ook daar tegenwoordig is en ook tot die werking in staat stelt en bekwaamt.

En voldaan zal ons denken, zal de rede in ons, maar zal veel meer nog de eisch van Gods Woord en van het leven der aanbidding eerst dan zijn, als we, na uitwissching van alle willekeurige grenzen, Godes alomtegenwoordigheid inderdaad en waarheid ook ten opzichte van ons zelf zullen beleden hebben, en tot de erkentenis zijn gekomen: „Alomtegenwoordig de Heere der heirscharen k in mijn lichaam, in mijn bloed, in mijn hart daarbinnen!”

Het eerste onzer geloofsartikelen: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige!, — o, zeg het, volk des Heeren! ligt reeds dr eigenlijk niet alles in? Geen |64| macht, geen schijn van macht, zelfs k in mij, dan door Hem, den Almachtige, gedragen!

In die belijdenis kan men dus nooit te ver gaan. Veeleer mag niet gerust, eer die lijn tot den einde toe is afgeloopen. De werker, de eigenlijke grondwerker, k in mijn wezen, ben niet ik, maar is Hij. Hij, alleen. Hij volstrektelijk.

Maar, en ziehier een tweede opmerking, die even ernstig dient overwogen: God de Heere werkt dit alles in ons als menschen.

Er zijn ook andere schepsels, waarin God werkt. Van een plant is even precies waar, wat van ns geldt, dat er geen vezeltje, geen druppel sap aan en in die plant werken kan, of God de Heere werkt dat en draagt het van oogenblik tot oogenblik. Geen insect zoo klein, en verachtelijk, of we hebben er hetzelfde van te belijden. Zelfs van een steen en van het stof der aarde gaat geheel hetzelfde door.

En niets is bedenkelijker, dan dat men te kwader ure nu uit een steen of blad concludeert tot den mensch. Bij wijze van vergelijking mag en moet dat. Daar gaat de Schrift zelf ons in voor. Maar wierd dit van een vergelijking een gelijkstelling, dan zou hierme aan de waarheid en de eere Gods te kort zijn gedaan; want God schiep heel iets anders, toen Hij een mensch maakte dan toen Hij het groene kruid deed opschieten uit de aarde. Ook voor ons moet dus een mensch heel iets anders dan een plant of steen zijn. We mogen een mensch niet anders nemen dan zooals God hem voor ons geplaatst heeft, en al het werken Gods in ons moet dus beleden en begrepen worden als een werken Gods in den mensch. |65|

Niet, men versta dit wel, bij manier van deeling, zooals men dan zegt: „o, Ja, God doet veel, zeer veel, bijna alles, maar iets moet er dan toch voor den mensch overblijven.” Dat zeggen klinkt in onze ooren als zeer goddelooze taal, waar we met alle kracht tegen opkomen. Dat nooit. Al wilde men negenhonderd negen en negentig deelen aan God laten en slechts n duizendste deeltje voor den mensch in reserve houden, dan nog zou de eere Gods al te goddelooslijk geschonden zijn. Niet n enkele zandkorrel van al het strand der zee moogt ge aan uw God onttrekken, of ge hebt vermetellijk uw God onttroond.

Alles werkt God dus bij u; alles zonder eenig voorbehoud; maar dit alles werkt Hij in een mensch, en dus, naar den aard en naar de bestaanswijze die Hij zelf voor dat menschelijk wezen verordend heeft. En overmits het God den Heere nu beliefd heeft, den mensch aldus te scheppen, dat hij een wezen zou zijn met bewustzijn, met een wil (vrij of gebonden), met aandrift, met een poorte in het hart, toegang gevende tot de wereld der onzichtbare dingen, zoo volgt hieruit, dat de werking Gods in ons (’tzij bloot stoffelijk, ’tzij naar het redelicht, ’tzij zaligmakend) dan eerst komt tot haar doel, als die werking indringt in ons bewustzijn, door onzen wil henengaat, in aandrift ons eigen ik me opvoert, en doorgluurd wordt tot in zijn einddoel, om eere te geven aan Hem, uit wien die werking kwam.

En ook dit geldt niet slechts van een iets, van een deel, van een brokstuk van Gods werking in ons, maar moet doorgaan van alles wat in ons zich beweegt. Het moet alles in ons menschelijk organisme worden |66| opgenomen, d.w.z. in ons besef, ons bewustzijn, onzen wil en onze aandrift indringen, of indien niet, dan blijft de werking Gods een onvolledige en onvolkomene werking, ons niet treffende, ons niet rakende, ons niet doordringende in ons wezen als mensch.

Geweerd zij dus alle halfheid. Geweerd elke oplossing, die op boedelscheiding tusschen God en mensch uit is. Dat is de kanker van Pelagius en Arminius, met al hun vroom gepraat, maar onwaarachtig bedoelen.

Alles is Gods werking. Maar ook dat alles moet, omdat God het in menschen werkt, door ons menschelijk bewustzijn en onze redelijke persoonlijkheid doorgaan. Eerst zoo wordt alles, niets uitgezonderd, f schuld f dankzegging.

En de openbaring, waarin het Gode belieft voor het bereiken van dat doel tot ons te komen, is het Verbond.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ VIII, De Heraut No. 152 (21 november 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001