VI. De verbondssluiting en Gods barmhartigheid


Gelijk en man met zijn vriend spreekt.

Exod. 33 : 11. a


De „raad Gods,” zoo bleek ons dan, bestaat volsterkt niet alleen uit een eindbepaling over ieders persoonlijk eeuwig lot, maar bevat en omvat tevens geheel het bestel van de middelen, de tusschenoorzaken en instrumenten, door wier werking die uitkomst zal worden verkregen; en het „samenstel dier middelen nu, zoo beweerden we, ligt samgevat in den wil Gods tot stichting van een verbond.”

Om nu de beteekenis van dit „Verbond van God met schepselen” wel te doorgronden, is ons voor alle dingen van noode, dat we een oog krijgen voor de nederbuigende goedertierenheid Gods, die zich in deze Verbondsstichting uitspreekt.

Er kan geen verbond worden gesloten tusschen God en zijn schepsel of die hooge, levende God moet zich zeer diep nederbuigen. Dit ligt in den aarde van het |48| verbond. Een verbond toch is ondenkbaar tenzij tusschen ongeveer gelijken. Een verbond is de wederzijdsche verbinding op het woord van eer en trouw tusschen de zoodanigen, die over en weer met elkar handelen kunnen.

Zoolang men dan ook bij de Verbondssluiting van God met zijn schepsel dit „nederbuigen Gods” voorbijzag en staren bleef op Godes eeuwige, goddelijke majesteit, is het volkomen begrijpelijk, dat men dacht en uitsprak: „Och, eigenlijk was het toch slechts een verbond in schijn; een verbond van nen kant (unilateraal); gelijk men het noemde; maar wezenlijk bestond en bestaat dit verbond niet!” Men zal toch toestemmen, dat te spreken van een nzijdig verbond even ongerijmd is als te spreken van een huwelijk niet tusschen man en vrouw, maar alleen van een man. Behoort het eenmaal tot den aard en het wezen van elk verbond, dat er twee zijn, die onderling verbonden worden, dan kan er uiteraard in geen ernstigen zin van een verbond sprake wezen, indien het verbond slechts van nen kant zou komen. Een verbond van nen kant is geen verbond. En het is ontwijfelbaar, dat niet zoo zeer als dat telkens wijzen op een „eenzijdig” unilateraal verbond, voor het besef der gemeente de wezenlijkheid van het verbond heeft vernietigd.

Helder heeft de gemeente daarom in te zien, dat God de Heere, toen Hij in zijn raad den wil vastzette, om in een verbond met zijn schepsel te treden, in, met en door dienzelfden wil zich in goddelijke goedertierenheid nederboog, om naast zijn schepsel te gaan staan en met hem te handelen op voet van gelijkheid.

Men is er aan gewoon, om van Godes nederbuigende erbarming tegenover den zondaar te spreken, en ook |49| wij stemmen natuurlijk van heeler harte toe, dat in het komen tot den zondaar een erbarmen spreekt, dat, eer de zonde uitbrak, zich niet kn openbaren. Evenmin als uw medelijden werken kan tenzij er eerst geleden worde door een ander, zoo ook kn het goddelijk ontfermen niet uitkomen, ten ware er eerst een gevallen schepsel neerlag, waaraan ontferming kon worden betoond. Aan die waarheid doen we dus niets te kort, maar houden ze veeleer staande in haar volle afmeting.

Maar wat o.i. te veel door de gemeente uit het oog wordt verloren, is, dat ook reeds in het paradijs; vr den val in zonde; toen het menschelijk schepsel nog recht liep; datzelfde nederbuigen wel niet in Gods erbarmen (dat openbaarde zich eerst bij de zonde), maar dan toch van Gods goedertierenheid te aanbidden viel.

We willen er de aandacht op vestigen, dat men, ook in dien heiligen, teederen achtergrond, dien de „goedertierenheid” Gods voor zijn „ontfermen” aanbiedt, een oog behoort te hebben voor dat zich nederbuigen van den oneindigen Schepper tot het eindig menschenkind. Dit raakt den hoogen adel van het werkverbond, waar we verderop aan toe komen, en dat wel moest miskend, weggecijferd en vergeten, zoolang men zich valschelijk inbeeldde, dat de nederbuigende liefde Gods eerst met het genadeverbond gekomen was.

Neen, integendeel, die nederbuigende liefde Gods spreekt in geheel zijn verhouding tot den mensch; zoowel vr als na den val in zonde; ja zelfs reeds in ’s menschen schepping en het wezen dat God naar zijn heilige beschikking voor den mensch besteld had en den mensch inschiep.

Immers zou er ooit een verbond tusschen God den |50| Heere en zijn zelfbewust schepsel mogelijk zijn, dan moest God met dien mensch, als gelijke onderhandelen kunnen; en om dit te bewerken, Moest ten eerste de mensch naar het beeld en de gelijkenisse Gods worden geschapen, en moest ten andere God de Heere zich van den troon zijner majesteit tot dien naar zijn gelijkenis geschapen mensch nederbuigen en als ware het naast hem gaan staan.

Zoo ligt er dus in dat: „Laat ons menschen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis”, reeds op zichzelf een onuitsprekelijke diepte van goddelijke goedertierenheid. Onder de koningen op aarde wordt het reeds als een hooge betooning van gunst gerekend, indien de vorst u toestaat zijn wapenschild te voeren. Onder menschen is het aannemen van een kind en dus het toestaan om uw naam te voeren, het hoogste blijk van genegenheid. Maar hier is het de Koning der koningen en aller goden God in zijne heilige majesteit, die aan een „niet” dat nog niet eens bestaat en nog in het leven moet treden, de heilige eere en het zalige wezen toebeschikt, om drager te mogen zijn van zijn eigen beeld en gevormd te worden naar zijn majestueuse gelijkenis.

’s Menschen streven is juist, om, wat te veel op ons, zelf gelijken zou, te vernietigen. Niets onaangenamer voor een invloedrijk man, dan dat er in zijnnabijheid een even invloedrijke zich vestigen komt. Men duidt het euvel als een ander zijn wil als wij. Dat is de nijd. Dat is de vrees van zijn hoogheid te moeten deelen met een ander. De zucht om alleen groot en hoog en gevierd en aangebeden te zijn. Concurrentie is een doodelijk zaad in ’t arglistig hart van den mensch. |51|

En zie hier een God, die, door niets er toe genoopt, uit louter welbehagen wezens verordineert en schept, die naar zijn beeld en gelijkenisse zullen zijn; eens dragers van zijn heerlijkheid; en der Goddelijke natuur deelachtig.

Oneindig rijker dus, dan men gemeenlijk waant, is de overstelpende goedertierenheid en gunst en liefde Gods, die zich reeds in dat ons schenken van „zijn beeld en zijn gelijkenisse” uitspreekt. Al wat achter het Lam al jubelend uitgaat: „Als koningen gekroond en vrij!” is in den diepsten grond van die Goddelijke scheppingsliefde de kostelijke, de geheiligde bloesem.

Maar toch dit is nog slechts het ne deel van die goedertierenheid Gods in zijn scheppen van het menschelijk schepsel. Het andere deel, schier nog sterker sprekende, is, dat de Heere onze God met den mensch spreken komt „als een man met zijn broeder.” Na den val in zonde wordt dit van Mozes, als bij uitzondering bericht. Zie Exod. 33 : 11. Maar de verschijning aan Abraham onder de eikenbosschen van Mamr toont, dat dit spreken „als een man met zijn broeder”, de grondgedachte der Openbaring is. Dat bakken van koeken en nederzitten onder de schaduw van het geboomte, moge op ons een indruk maken, dat het bijna ongoddelijk wordt; toch zijn ook die trekken in de Openbaring wezenlijk, en toonen welsprekender dan ons betoog het kan, hoe oneindig, en, we zouden haast zeggen, bijna ontzettend ver, God de Heere dat {zich nederbuigen tot zijn schepsel” en dat „spreken als van een man tot zijn broeder” heeft uitgestrekt. Abraham met den Heilige om Sodom worstelend, wordt dan ook een „vriend des Allerhoogsten” genaamd (Jac. 2 : 23). |52|

Vr den val in zonde nu bestond als regel, wat later in de heilsopenbaring slechts van lieverle terugkwam. Ook in het paradijs gaat de Heere dus met den mensch „als een man met zijn broeder” om. Niet zoo, als oppervlakkige theologen het vaak doen voorkomen, als een soort kinderoppasser met een paar kleine kinderen; neen maar als „een man met zijn broeder”; zich nederbuigende tot hem; met hem in den hof wandelend; de dieren tot hem leidend; de diepe mysterin van den dubbelen boom hem toevertrouwend; en met hem levend op bond van trouw en eer. Zelfs de naieve trek, dat God de Heere, n den val, aan den eersten mensch een bedeksel der schaamte om het onteerde lijf sloeg, is geen „menschelijke voorstelling” d.w.z. eigenlijk onwaar; maar even diepe, goddelijke realiteit als het gebeurde onder de eikenbosschen van Mamr, — en de kribbe van Bethlehem! D.w.z. een zich toonen en openbaren van Hem, den Heerlijke, in nederbuigende goedertierenheid, als onzer n; komende daartoe naast ons staan; met ons in den hof wandelende; en sprekende „als een man tot zijn broeder.”

In dat zich „nederbuigen Gods tot het schepsel”, ligt van die goedertierenheid des Heeren zelfs de kroon. Want merk maar op, hoe er niet n betrekking tusschen menschen bestaat, of de Heere treedt er in, schikt er zijn Goddelijk hart toe, en gebruikt ze als band om ons te binden aan zich. Man en vrouw, bruid en bruigom; kind en vader; broeder en broeder; bondgenoot en verbondene; vriend en vriend, het zijn altegader gestalten die de Heilige Schrift in Goddelijke, werkelijkheid over Hem, den heilige, en het menschelijke |53| schepsel legt. „Ik ben uw man, o Isral!” „Hoewel Ik u ondertrouwd had.” „Dit geheimenis is groot, maar ik zeg dit van Christus en de gemeente!” „En de bruid roept: Kom.” „Dien heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden.” {Abba, Vader!” „Mederfgenaam van Christus.” „Een vriend Gods genaamd.” „En Hij sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht, als een man met zijn broeder.” Oordeel zelf zijn het niet altemaal gansch Schriftuurlijke gedachten, en zelfs Schriftuurlijke uitdrukkingen, waarin telkens .en telkens weer dat nederbuigende van een goedertierenheid zich uitsprak, die lust had in het zich naast ons stellen als onzer n?

Is dit nu slechts een schijn!

M.a.w. doet God de Heere wel alsof het zoo ware, maar slechts om ons er den indruk van te geven, alsof het zoo is?

Die vraag is de vraag waar alles aan hangt!

Want indien ja, dan is heel het zedelijk leven, dan is al Gods erbarmen, slechts een schoone pozie, een heerlijke droom; doch zonder waarheid en wezenlijkheid.

En daarom antwoorden we op die vraag door naar de vleeschwording van het Woord te verwijzen, naar „God geopenbaard in het vleesch.” Is dat ook maar schijn? Neen, bij God, maar deze is de antichrist die loochent dat God in het vleesch is geopenbaard. En op dien grond nu zeggen we: Een iegelijk die Christus aanbidt als zijn God en zijn Heer, belijdt te gelooven, dat God wezenlijk tot ons kon komen en gekomen is. En al wordt daaraan nu ook terstond toegevoegd, dat niet de Vader maar de Zoon onze natuur heeft |54| aangenomen, toch is dat vleesch-worden van het Woord de concrete openbaring van die eeuwige liefde, die de levensadem van het goddelijk wezen is, en die dus het nederbuigende dezer goedertierenheid in Vader, Zoon en Heiligen Geest onderstelt.

Is dus de vleeschwording van het Woord wezenlijk; wezenlijk ook de liefde Gods; dan moest ook wezenlijk zijn dat zich nederbuigen zijner goedertierenheid; en komen we alzoo tot de slotsom dat in het verkeeren van God als een man met zijn broeder, een wezenlijk mysterie en even mysterieuse wezenlijkheid zich openbaart, als in Bethlehems kribbe en in de inwoning van den Heiligen Geest.

Van dien kant bezien is derhalve de Verbondsleer, d.i. de belijdenis dat de hooge God in verbond met zijn schepsel is getreden, niets minder dan de zeer eigenlijke, wezenlijke en rechtstreeksche openbaring zijner nederbuigende goedertierenheid.

Hij buigt zich in zijn liefde tot ons neder, en onzer is het, Hem, die zich tot ons nederboog, in zijn tempel weder te verhoogen door aanbidding.

Maar natuurlijk, doordien men het nederbuigen niet zag, verloor ook dat „verhoogen” zijn beteekenis.

Voor wie dat inziet, keert het weder.

En wat meer nog zegt, voor wie het doorziet, is met dat „nederbuigen” tevens de sleutel gevonden tot het geheim van alle „zedelijk leven,” en alle „verantwoordelijkheid,” en alle „schuld.”




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ VI, De Heraut No. 147 (3 oktober 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

Appendix Vaginix Productions 2001