V. Het verbondsleven en Gods Raad


De arke zijns Verbonds is gezien in zijn tempel.

Openb. 11 : 19. a


God „Raad” op zich zelf kan ons menschen noch troosten noch bezielen, om de eenvoudige reden, dat die „raad” voor ons „een gesloten boek” is, en geen troost noch bezieling echt kan zijn, die geheel drijft op het onzekere en onbekende.

Wel biedt het ons natuurlijk een steun in het leven, dat we weten, hoe alle dingen naar God bestel gaan en dat zonder zijn toelaten geen haar van ons hoofd kan gekrenkt worden, maar de algemeene Godsbestel, als grond van zijn Godsbestuur, is gansch iets anders dan wat we zijn „raad” noemen.

Die „raad” heeft in zeer bijzondere zin betrekking, op hetgeen er geestelijk en eeuwig met de zondaren geschieden zal. En al stemmen we volmondig toe, dat tot die geestelijke uitkomst k de aardsche lotgevallen me kunnen werken, en in Gods hand alles instrument |38| wordt voor hooger doel: toch dient het „bestel” Gods en zijn „raad” duidelijk onderscheiden te worden. De „raad” Gods is een raad tot behoudenis van zondaren.

En nu ligt er zeer zeker, ook reeds op zichzelf een lieflijke gedachte in, om te weten, dt er zulk een „raad ter beboudenis” bestaat, en te mogen hooren, „dat er alzoo bij den Heere onzen God gedachten van lankmoedigheid en gedachten des vredes waren”, maar zonder meer hebben wij daar niets aan. En indien God Drieenig niets anders en niets meer had gedaan, dan „dien eeuwigen raadslag” in zich zelven voornemen, zou onze ziel troosteloos voort kunnen weenen, tot eindelijk f de eeuwige morgen f de eeuwige nacht zich ontsloot achter de poorten des grafs.

Want, let er op, zelfs die oppervlakkige lieflijkheid om te weten dat er „een raad ter behoudenis” bestaat en door God bij zich zelven is voorgenomen, zou door geen menschenhart ooit zijn ingedronken, indien er niets dan die „raad” bestond. Reeds hiertoe immers is er eene openbaring van dien „raad” noodig; de bekendmaking aan den mensch, dat die „raad” bestaat. En in zooverre ook die prediking van het Evangelie wel terdege tot het „verbond” behoort, mag en moet zelfs in den gestrengsten zin beleden worden, dat een „raad” Gods zonder meer, ons volstrekt niets zou nutten.

Maar ook al gaven we voor een oogenblik toe, dat die „raad” niet slechts bestond, maar dat dan nu de mensch, k buiten het verbond om, met het bestaan van dien „raad” bekend ware gemaakt, dan nog, vragen we met nadruk, wat zou dit u verder brengen? Wat zou dit u nutten? Welk een troost zon dit u brengen in leven en in sterven? |39|

Ge wist dan: Zie, er is een raad Grods tot behoudenis, van zondaren. Naar dien raad gaat het. Maar of ik, of mijn lieve vrouw, of mijn liefste kind, of mijn boezemvriend, in dien raad ten leven opgeschreven zijn, dan wel door dien raad zijn voorbijgegaan, dt, dt eenige waar het voor ons op aan zou komen, dt weet ik niet. Want verzegeld is het boek, waarin de namen der kinderen Gods staan opgeschreven. En geen onzer, zelfs de allerheiligste, is in dit leven bekwaam, om die zegelen te ontsluiten. Die zegelen ontsluit eerst het Lam in den dag des eeuwigen berouwens of der eeuwige vreugd.

Wat zou ik dan nu verder kunnen of moeten doen?

Immers stil neerzitten. Wachten in doodelijken angst. Wenschen, bidden, dat het morgen met de wereld maar gedaan mocht wezen, opdat zonder langer beiden en langer vreezen, het raadsel opgelost en de zaak beslist en het lot van alle bange ziel uit mocht gemaakt zijn. Een bange onzekerheid is de schrikkelijkste foltering.

Of waar die dag toeft, en ik dus wel geperst en gedrongen word, om al de maanden en dagen mijns levens in die ontzettende onzekerheid te blijven voortleven, dr is het maar niets anders, of ik eindig met voor dien schrik des Heeren geheel ongevoelig en verstompt te worden. Want vergeet niet, men went aan alles!

Dat wil hier zeggen, eens menschen ziel heeft geen spankracht om zulk een ijselijke spanning lang uit te houden. En daardoor komen dan die onheilige, niet genoeg te veroordeelen toestanden; dat men, hetzij op den preekstoel, hetzij in de binnenkamer telkens |40| die ontzettende woorden van „dood en verdoemenis”, van „eeuwigbeid en oordeel” op de lippen neemt, zonder dat ons hart er iets noemenswaard meer bij gevoelt.

Men hoort wel eens zeggen: „Die man heeft mij doodgepreekt!” en daar steekt dan tweerlei zin in. Vooreerst, dat die man derwijs zich heeft aangewend zonder maat of soberheid, de indrukwekkendste, heiligste woorden altijd weer te herhalen, dat ze in mijn oor ten langen leste als een klinkend metaal zijn geworden, waarvan de klank geheel buiten mijn hart omging. En ten andere, juist door dat overmatig gebruik van het heiligste, is hijzelf aklengs er toe gekomen, om deze ontzettende woorden z te bezigen, dat het buiten zijn hart en zijn besef omging; zoodat dusdoende noch hij die sprak noch bij die hoorde, als er van de hel en de eeuwige pijn en het onuitblusschelijk vuur gesproken werd, ook maar van verre meer aan n dezer ontzettendheden dacht.

Juist uit dien hoofde, kan er dan ook niet ernstig genoeg op aangedrongen, dat men den „raad” Gods toch late blijven wat hij is en er niet de zielen me neerploffe, ontzenuwe of afstompe.

Gods „raad” is een hoog souvereine raadslag van de hooge eeuwige majesteit des Allerhoogsten, en Drieenigen Gods.

Besef nu wel, dat wij, in onzen hoogmoed, bijna nooit van dien God hoog en hemelsch genoeg denken. We vergelijken meest, en oordeelen dan ongeveer z bij ons zelven: die persoon staat boven mij; en over hem weer die; en dan die; en eindelijk de koning; en hooger nog dan de koning machtige keizers; en |41| nu nog veel hooger, met macht over alles bekleed, staat de Heere onze God.

Maar behoeft nu nog gezegd, dat dit nog veel, veel, oneindig veel te laag van dat hoogste Wezen gedacht is? Nog gezegd, dat niets of niemand ook maar van verre tot vergelijking kan dienen, om ons den volstrekt onmetelijken afstand voor te stellen, die ns „niet” van Godes „eeuwige volheid” scheidt? Zie, bij elken ademtocht dien we inademen, slikken we, naar ons de natuurkundigen verzekeren, een menigrte van infusorin in, kleine gansch onzichtbare en onwaarneembare diertjes, wier aanzijn men met het fijnste vergrootglas slechts even ontdekt. En zeker de afstand, tusschen zulk een infusiediertje en een machtig keizer is groot. Maar toch, ook al naamt ge nu dien afstand in de duizendmaal duizenden verveelvoudigd, toch zoudt ge nog altijd even ver af blijven van het meten van dien volstrekt onmetelijken afstand die het machtigst schepsel gescheiden houdt van den oneindigen God.

En is er nu niemand die dit weerspreekt en zou men al gansch goddeloos moeten zijn, indien men die hooge majesteit Gods ook maar eenigszins wilde verkleinen, hoe, zoo vragen we, kan dan die „raadslag” Gods, zonder meer, ooit een andere uitwerking hebben, dan om alle levensbeweging in mij neder te werpen; den stroom des levens in mij te doen stremmen; en alle besef en alle gevoel en alle conscintie in mij volstrekt onaandoenlijk te maken?

Wat zal ik, waar zulk een eeuwige Majesteit beraamt en beraadt en zijn raad formeert naar zijn welbehagen? Wie ben ik, dat ik er nog ook maar een zweem van aanspraak op maken zou, dat Hij dien raad mij bekend |42| zou maken? Staande tegenover dien „raad”, wat is mij, zondig nietig druppelke aan den emmer dan, dat ik zou achten, als deed het er nog iets toe, of dat kleine infusiewezentje, dat ik mijn ziel noem, voor eeuwig doodgedrukt werd tusschen zijn goddelijke vingeren of zich plaatsen moest onder de schaduw van zijn vleugelen voor eeuwig en altoos!

Voor dien „raad” gekomen, dan valt alle mensch weg, dan ligt al het menschelijke neder, dan is er niets dan een wegzinkend „niet” in het schepsel, en hoog daarover en daarboven de alles sturende en besturende Majesteit van Hem, die alleen verheven zal zijn, en alleen staan kan, waar alle schepsel ligt (Cf. Jesaia 2 : 17).

Bestond er dus niets dan die raadslag over de eeuwige verdoemenis of het eeuwig gezaligd worden van de menschelijke persoonlijkheden; zonder dat tevens in dien raadslag een „verbond” gegeven was; dan zouden we met dien „raad” op zichzelf niets hoegenaamd vorderen; de kerk zou tot een geestelijk kerkhof worden; alle prediking dood zijn; doelloos alle vermanen; geen sacrament zou meer gezocht worden; alle liefdewerk zou ijdel zijn bevonden; en alles zou uitloopen op een troosteloos en hopeloos omwroeten van den bodem der ziel en een even troosteloos en hopeloos staren naar boven of men dat ne ook te weten kon komen: „wat er in dien raadslag des Eeuwigen toch geschreven staat omtrent ons zelf en de onzen?”

En de uitkomst toont dan ook, dat, zoodra de prediking van het Verbond zoek raakt, er onveranderlijk n van deze beide gebeurt: f dat de luchthartigen en oppervlakkigen dan ook maar den ganschen raad |43| Gods opzij schuiven, f wel dat de ernstig gestemde en God zoekende zielen onder dien „raad” geestelijk bezwijken en in bange duisternis blijven neerzitten tot aan hun dood.

Het eerste is thans het meest algemeen.

Het meer luchthartige Christendom, dat de „nauwe poort” wegneemt en eigenlijk oordeelt, dat Jezus met van „den engen weg” te spreken, zich te somber en zwaarmoedig uitliet, leeft in en met en bij dien „raad” Gods volstrekt niet meer. Zij, die dit „aangename” Christendom voorstaan en belijden, spreken er dan ook bijna nooit meer van. Het komt in hun gedachtenloop niet zoo voor. En is het al dat soms f een gesprek met een bezwaarde van hart, f een bepaald Bijbelwoord, f het stuk der Voorzienigheid, hen noodzaakt om over dien „raad” Gods zich uit te laten, luister dan zelf maar eens toe, hoe men dan, den naam van „raad” bijbehoudende, het wezen van dien raad wegcijfert, loochent en bestrijdt.

Die „raad” Gods wordt dan, f versmolten in het algemeene Godsbestel, en dus verdronken in de algemeene Voorzienigheidsleer; f wel, indien men dien „raadslag” nog op het eeuwig heil toepast, maakt men er een raadsbesluit van, om het heil in Christus aan zondaren aan te bieden, op gansch onzekere kansen af, of het er van komen of niet van komen zal, dat sommigen der zondaars, of ook allen, het aannemen. Of eindelijk, indien men ook al toestemt, dat die „raad” k op het eeuwig lot der bijzondere personen ziet, dan breekt men er toch weer de vastheid en dus de goddelijkheid van, door het daarnaast opstellen van een menschelijken finaal „beslissenden” wil. |44|

Terwijl omgekeerd in al zoodanige kringen, waar werkelijk zielsangst gekend en dus naar troost gedorst wordt; in kringen, waar het allerheiligst geloof niet in apologetische beschouwing op- noch in deugdsleer ondergaat; in kringen, waar men den schrik des Heeren doorleeft, en worstelt om zijn eeuwige goedheid te grijpen; — dat misduiden van Gods „raad” als moest in het staren daarop ons geloof kracht zoeken, metterdaad tot de droefste zielstoestanden leidt, waarbij u het hart in ontferming ontstoken wordt, en het leven vaak versterft en inkrimpt, tot er niets, niets meer, te zien is van dat licht dat men „moest laten schijnen, opdat de Vader die in de hemelen is, verheerlijkt zou worden.”

En nu doen we volstrekt niet me met hen, die deze gejaagden van ziel en door een onweder voortgedrevenen hard aanvallen en hen over zoeken te lokken naar de paden dier oppervlakkige belijders, die eigenlijk den beslissenden „raad” in de hand des menschen stellen en dien ontnemen aan hun God.

Dat zij verre.

Dan is er geen God meer. Dan is God in het aanbiddingsvoorwerp vernietigd. Wij hebben van God af te hangen. Een God die van ons af zou hangen, is een ongerijmd gedchtebegrip, en heeft niets gemeen of niets van doen met den Vader van onzen Heere Jezus Christus, wiens ontfermingen ondoorgrondelijk zijn.

Maar wel onderwinden we ons, uit diep gewortelde overtuiging en op grond van Gods Woord, aan die beide soorten van dolende belijders toe te roepen, dat hun standpunt niet naar de Schrift is; dat ze van den „raad” Gods iets maken wat hij naar Gods bestel niet |45| is noch zijn kan; en dat het rechte spoor niet is te vinden, dan door terugkeer tot de oude belijdenis, dat die „raad”, dat zijn dan toch „de verborgene dingen” voor den Heere onzen God zijn, maar dat voor ons is het uit en krachtens dien „raad” geopenbaarde, t.w. zijn heilig verbond.

Er is namelijk in dien „raad” Gods niet slechts een raadslag voor u en mij en hem en haar persoonlijk, maar ook een gansch bestel, een geheel van ordinantin voor de wijzen waarop die einduitkomst van dien heiligen raad tot stand zal komen.

Als God de Heere een vrucht van den palmboom ziet, dan ziet zijn oog er tevens en onmiddellijk de plek bij, waar die palmvrucht uitbotte; en de schors waar die plek in geboord werd; en het merg dat naar die schors toedrong; en den wortel, waar dat mergsap uit opsteeg; en den grond waar die wortel zijn voedsel uit trok. En zoo nu ook kan God de Heere geen uitverkoren kind des Koninkrijks in zijn voleinding aanzien, of Hij ziet er bij de kerk die hem baarde; en het Woord dat die kerk hem bracht; en zoo ook het Verbond waaruit n dat Woord n die kerke Gods voortkwam.

En overmits nu dat zien van deze dingen bij God niet een ijdel en ledig aanschouwen is in de verbeelding, maar integendeel een scheppend zien, het zien van een God, die zich niets verbeelden kan, of Hij beeldt het ook, — zoo komt alles er dan maar op neer, dat we dien „raad” in plaats van half „heel” nemen. D.w.z. dat we ophouden ons voor te stellen, als omvatte die „raad” enkel maar de beslissing over ons eeuwig persoonlijk lot; en er toe komen, om |46| dankbaar te belijden en te erkennen dat die „raad” in plaats van n twee dingen bevat: 1. de einduitkomst van ieders eeuwig lot; en 2. heel het samenstel van middelen, waardoor die einduitkomst wordt verwezenlijkt. En dat „samenstel van middelen” nu, die vormen het Verbond.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ V, De Heraut No. 146 (26 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

Appendix Vaginix Productions 2001