IV. Het verbondsmysterie en het mysterie der heilige Drievuldigheid


Ik heb een verbond gemaakt met mijn uitverkorene.

Ps. 89 : 4. a


Alsnu verder tot het wezen des Verbonds voortschrijdende, komen we thans aan de vraag toe: „Waarom kon het niet volstaan met een Raad Gods, en waarom moet er behalve die Raad nu ook nog een Verbond zijn?”

Eigenlijk konden we volstaan met hierop te antwoorden: „Omdat God DrieŽenig was; en DrieŽenig is de Heere omdat Hij God is!”

Immers indien onze gedachten zich een oogenblik tot het Allerheiligste en Allerhoogste Wezen opheffen, kan een kind begrijpen, dat God op zou houden een volzalig God te zijn, indien Hij om te leven zijn schepsel noodig had. God is geen God of Hij moet „zelfgenoegzaam” zijn. Noch in macht noch voor zijn heiligen vrede, noch voor zijn eeuwig diepe gelukzaligheid van iemand of iets afhangende.

Maar mogen we, indien dit dan gereedelijk wordt toegegeven en elk lezer ons toestemt: „God moet |28| genoegzaam zijn of Hij is geen God!”, — mogen we dan in stillen eerbied de vraag eens opwerpen: Indien God niet DrieŽenig ware, hoe zou Hij dan, toen er nog geen schepselen bestonden, gelukzaligheid hebben gehad en volheerlijk als God hebben geleefd? Tot waar leven; tot hooger leven onder menschen zelfs; behoort toch immers dat men lieft en mint en heeft naar wien men zich uitstrekt, en voor wien men zich uit, en in wiens wezen men zijn eigen wezen overstort. Een leven in volslagen eenzaamheid is geen leven. Waar geen enkel voorwerp is dat men lief kan hebben, is geen geluk. En waar geen hooger geluk is, hoe liet zich daar een volzalige, goddelijke existentie denken?

En toch tot zulk een toestand verlaagt men noodwendig het Allerheiligste Wezen, indien men weigert te belijden dat Hij DrieŽenig was. Want immers de schepping is eens begonnen, en achter die schepping ligt dus een onbegonnen eeuwig diepe eeuwigheid, waarin er niets buiten God, niets dan God, God alleen, was. En in dien oceaan der eeuwigheden, waarbij ons korte wereldbestaan minder dan een dauwdrop bij den bergstroom is, zou God, indien Hij niet DrieŽenig ware geweest (d.w.z. indien niet ůůk in die diepten der eeuwen met den Vader geweest ware ůůk de Zoon en ůůk de Heilige Geest) dus niets hebben kunnen liefhebben; en, wijl een bestaan zonder lieven geen leven is, laat staan, zalig mag heeten, derhalve niet volzalig hebben kunnen zijn. Door alle eeuwen heen zou God de Heere dan hebben moeten dorsten en smachten naar het oogenblik, waarop er een schepsel zou komen, dat Hij minnen kon. En aldus zou God de Heere van aller eeuwen oorsprong |29| ongelukkig zijn geweest, om eindelijk, voor nu pas 6000 jaren gelukkig te zijn gemaakt door zijn schepsel. Dit toont duidelijk, waar de loochening der DrieŽenheid op uitloopt. Zegt men toch: God is niet DrieŽenig, dan houdt God op zelfgenoegzaam, en dus ook op „God” te zijn. En het einde is, dat het rad wordt omgekanteld, en dat God de Heere door zijn schepsel gelukkig moet gemaakt worden, in steÍ van het schepsel door God.

En het is dan ook om die reden, dat toen vůůr een dertig, veertig jaren de toenmalige godgeleerden en predikanten de belijdenis der DrieŽenheid met dreigementen en hoogheden, zoo niet maar sluwheden uit de gemeente zochten uit te roeien, de waarachtige wijsheid Gods niet bij die predikanten werdgevonden, maar gevonden werd bij dat eenvoudige boerinnetje, dat aan zulk een DrieŽenheid bestrijdend dominee ten bescheid gaf: „Dommenee, ou haolt mijn God weg!” En het is om geen andere reden, dat er ook in de Heraut onlangs, zonder aarzelen en op het onbewimpeldst geprotesteerd is tegen en gewaarschuwd is voor de eerste pogingen, om opnieuw de pas herwonnen belijdenis der DrieŽenheid los te maken, die tot onze diepe smart, aan de Utrechtsche hoogeschool in het werk werden gesteld door den anders ook door ons zoo hoog gewaardeerden Dr. Doedes; en dat zonder dat er van de zijde zijner ambtgenooten een enkel woord van protest gevolgd is.

De gemeente mag daar niet zwijgend onder verkeeren. Er komt bij zulke droeve gebeurtenissen geen aanzien des persoons tepas. Het gaat hier om de kennisse van den eenigen waarachtigen God. Het is een opensnijden van de levensader, die, eenmaal |30| geopend, de kennisse Gods in de gemeente moet doen doodbloeden. Zonder een ootmoedige, dankzeggende, maar ook onverholen en onverminkte belijdenis van Gods DrieŽenheid is, thans zoogoed als voorheen en voor immer, de levenswortel van Jezus’ gemeente gekwetst.

Op die belijdenis rust dan ook het Verbond. „Op die belijdenis”, let wel, dat beteekent niet, op het nazeggen van dit raadselachtig geheimnis; maar op de belijdenis van een God die leeft; die er van eeuwigheid was; die van eeuwigheid zich zelf genoegzaam was; en die ook zonder schepsel van eeuwigheid zalig kon zijn, omdat Vader, Zoon en Geest elkander liefden en dus leefden in en door elka‚r. Een belijdenis alzoo niet van een gedachte, maar van een feit, van een eeuwig aanzijn, van dat groote, aanbiddelijke, Goddelijke aanzijn, dat er van eeuwigheid was, eer er ooit ťťn enkel schepsel geademd had, en waarin voor alle schepsel zijns aanzijns oorsprong ligt en zijns levens doel.

Staat nu tevens vast, dat, naar we een vorig maal zagen, meerdere personen, die geenen meerdere boven zich hebben, niet sa‚m kunnen leven, of ze moeten in verbondsbetrekking treden, dan zal de eenvoudigste thans kunnen inzien en doorzien, dat wie eeneeuwig God belijdt, die Zich zelf genoegzaam is, en dus de bronnen om te kunnen lieven en dus zalig te zijn, in Zich zelven vindt, er niet van tusschen kan, of hij moet ook belijden, dat in het eeuwig Wezen drie Personen zijn, t.w. de Vader en de Zoon en de Heilige Geest; dat deze drie Personen onderling even gelijk zijn; dat er boven deze drie Personen niets of niemand |31| staat; en dat derhalve de levensbetrekking tusschen Vader, Zoon en Heiligen Geest van eeuwigheid af niet anders kan hebben gerust dan in Verbondsbetrekking.

Men merke er toch wel op, dat verbondsbetrekking niets anders zeggen wil dan dit: „Wij regelen onze wederzijdsche betrekking zelf, naar eigen goedvinden.” Staat er een meerdere boven ons, dan hoeft dat niet; dan regelt die onze betrekkingen voor ons; en doet dat in een wet, een bevel, een gebod. Maar is die meerdere er niet, dan moeten we het zelf wel doen; en indien we het zelf doen, is er maar ťťn keus: geweld of overeenkomst. En overmits nu geweld hier vanzelf wegvalt, zoo blijft er niets anders over, dan dat de levensbetrekking tusschen Vader, Zoon en Heiligen Geest van eeuwigheid af, gerust hebbe op overeenkomst, d.i. op wederzijdsch goedvinden, op iets waartoe de ťťne goddelijke Persoon zich tegenoverden anderen verbond.

Hierbij valt natuurlijk in geen enkel opzicht te denken aan al datgene, wat onder menschen, naar menschelijke wijze en om der menschen leugenachtigheid bij verbondssluiting tepas komt. Schriftelijke opteekening, preciese formuleering, slachting van offerande, toeslaan van de rechterhand, zoutaanwending en zooveel meer, valt hier natuurlijk gansch en al weg, en al wat er overblijft is eenig en alleenlijk de wederzijdsche wilsuiting, de wilsbinding door, het over en weer gegeven woord.

Als ik onder menschen, met opzicht tot een boom, van drie deelen: wortel, stam en kroon, hoor gewagen, dan heb ik natuurlijk volle recht, om bij dien boom dan ook van „drie deelen” te spreken, waaruit |32| hij bestaat, ook al wordt er dat in die manier zoo niet bij gezegd noch gezet. In zulk een zin nu heeft de gemeente van Christus, op het tastgevoel vandezen gezonden zin afgaande, het woord „DrieŽenig” op de lippen genomen, ook al is het dat deze uitdrukking in de Heilige Schrift nergens zoo staat. En zoo vragen we dus ook hier niet of de Heilige Schrift voor dit zelfgenoegzame leven Gods nu juist den naam Verbond bezigt; maar onderzoeken of niet de Heilige Schrift al die bestanddeelen duidelijk, volledig en opzettelijk aanduidt, die sa‚mgevat, in verstaanbare menschentaal, niet anders dan onder den Verbondsvorm belijdbaar zijn.

Weet ik nu en staat het vast, dat ons de Heilige Schrift openbaart: 1º. God was, en was God, in aller eeuwen eeuwigheid; 2º. om God te zijn, was Hij van eeuwigheid volzalig; 3º. om volzalig te zijn had Hij van eeuwigheid lief; 4º. kon Hij liefliebben, zonder af te hangen van zijn schepsel, overmits God het voorwerp zijner liefde in het eigen Goddelijk Wezen vond, door te bestaan als Vader, Zoon en Heilige Geest; 5º. om elka‚r lief te hebben en te leven moesten deze drie Heilige Personen van eeuwigheid af een bewust leven leiden: 6º. om een bewust leven te leiden, moest er een levensbetrekking tusschen Vader, Zoon en Heiligen Geest bestaan; 7º. niemand kon die levensbetrekking voor Vader, Zoon en Heiligen Geest regelen; dus moesten deze Heilige Personen dit zelven doen; en 8º. zelven konden ze dit niet anders doen dan door wederzijdsche wilsuiting en wilsbinding; — als ik, zeggen we, dit alles in het eerste geloofsartikel reeds belijden, dan zij aan een iegelijk in gemoede |33| toch gevraagd, of het dan niet strikt bij de Schrift blijven is, indien we belijden: dat van aller eeuwen eeuwigheid de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in verbond hebben gestaan; dat dus de Verbondsbetrekking een betrekking is die rechtstreeks uit het aanzijn Gods voortvloeit, en dat het meer bepaaldelijk het mysterie der DrieŽenheid is, waar alle Verbondsbelijdenis op rust.

Reeds hieruit ziet men, dat het neen, waarlijk geen zoeken van knoopen in biezen was, toen we indertijd zoo met ernste protesteerden tegen de geringschatting waarin de heilige Verbondsleer door de nieuwere orthodoxie gebracht was, en met name opkwamen tegen Dr. Van Dijk, toen deze, Dr. Van den Berghs proefschrift uit zijn voegen lichtend, de teedere Verbondsquaestie verlaagde tot de afmetingen van een methodologisch geschil. Het smart ons, dit hier nogmaals te moeten aanstippen. Maar juist omdat ons schrijven destijds allicht den indruk maakte van niet genoeg in de maat te zijn gebleven, en we nu eerst gelegenheid vonden, om eenigermate weer het hoogheilig belang van de Verbondsleer voelbaar te maken, moet thans; nu allicht in veler oog op beter gronden; ons zeer ernstig bedoeld protest worden herhaald. Bij het bespreken van het werkverbond komen we hierop terug.

Thans zijn wij nog aan den Raad des Eeuwigen, waarvan het, na het gezegde, reeds duidelijker zal geworden zijn, in welk verband deze Raad Gods met de leer der Verbonden staat.

Immers ook die Raad Gods mag noch kan gedacht worden, als een „Raad” van den Vader, die buiten |34| den Zoon of den Heiligen Geest om zou gaan, maar moet beleden en wierd steeds door de kerke Gods beleden als „de Raad van den DrieŽenige”; zoowel dus van den Vader als van den Zoon en den Heiligen Geest.

En evenmin mag men zich dien Raad Gods te zeer naar menschelijke wijze denken, als op een gegeven moment, na wikken en wegen, te boek gesteld. Des Heeren doen is een eeuwig doen; en in de eeuwigheid is geen uurwerk; dat zou er in verzinken; een uurwerk dat eeuwen loopen kan, tikt toch bij seconden; en juist naar die seconden kunt ge het eeuwige zoomin meten, als den geur van een bloem bij de streep. Een kloktik en de polsslag der eeuwigheid zijn anderssoortig. Die hooren niet bijeen. Eeuwig is wat altijd voortbrengt zonder af te nemen; waar rusteloos af gaat zonder dat het mindert; eeuwig is, wat heel zijn aanzijn in elk moment doorleeft. Men mag dus wel, ook op voorgang der Heilige Schrift, van dien Raad zeggen, dat hij er was vůůr de grondlegging der wereld, en dat hij geschreven is in „een boek.” Zelfs is het ’t eeuwige miskennen en tegen de Schrift in gaan, om, gelijk zoo velen thans doen, dien Raad tot na de grondlegging der wereld, ja zelfs tot na den val te verschuiven. Maar dit neemt niet weg, dat we van den goddelijken Raad toch altijd hemelsch en niet aardsch zullen gedenken, en dus af hebben te trekken van onze voorstelling al datgeen waaraan onze aardsche onvolkomenheid kleeft.

Afgewezen en bestreden moet dus het denkbeeld, alsof God de Heere bij maniere van een mijmerenden mensch, een tijdlang in zich zelf zou gepeinsd hebben, |35| hoe Hij dien Raad wel vatten en maken zou; en nu voorts uit dit gepeins opwakend, zijn gedachten nader bepaald had; om ze ten slotte te formuleeren in een vast Besluit. Dit kan bij God en in het Goddelijk Wezen niet. Eenvoudig omdat er in God geen overgang van onhelder besef in helder bewustzijn zich denken laat. Bij Hem is alles doorzichtig als het klaarste licht. In God is alles onmiddellijk. Er is voor Hem geen gedachte die Hij niet aldoor peilt tot op de keerzij van den bodem der zaak.

Zijn Raad past bij zijn Wezen, omdat die op zijn Wezen rust, en omdat die, uit zijn Wezen opkomende, bij het licht zijner Wijsheid, door zijn Wil tot Raad wordt.

Die Raad is dus de bewuste uiting van zijn leven; en wijl Hij niet anders leeft noch leven kan dan als Vader, Zoon en Heilige Geest, zoo volgt hier vanzelf uit, dat de Raad, dien schepselen nooit doorgronden, tot stand kwam, niet enkel door een wilsuiting van den Vader, noch ook alleen door een wilsuiting van den Zoon, noch ook enkel door een wilsuiting van den Heiligen Geest, maar door de diep opwellende wilsuiting van Vader, Zoon en Heiligen Geest in hun onderling verbond.

En overmits nu het verbond van Vader, Zoon en Heiligen Geest bij dien raadslag wel niet anders dan in de zuiverste harmonie kon zijn met die bewuste, heilige levensbetrekking, die tusschen deze Heilige Personen in het Wezen Gods bestond, bestaat en eeuwig zal bestaan, — zoo springt het in het oog, dat de Raad Gods, zoowel de algemeene Raad voor aller dingen loop en uitkomst, als de bijzondere Raad voor de zaliging der uitverkorenen; tot stand is gekomen |36| juist door en krachtens het eeuwig Goddelijk Verbond dat, tusschen de drie Heilige Personen in het Goddelijk Wezen ogericht, den grondslag uitmaakt van aller schepselen aanzijn en van aller uitverkorenen eeuwig heil.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Het verbond des Heeren’ IV, De Heraut No. 145 (19 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001